← Table of contents
Mythen en Legenden van Egypte

Egyptische literatuur.

Johan Willem van Rooyen translation

Egyptische Taal en Egyptisch Schrift.

De oudste kennis, welke wij van de Egyptische taal hebben, wordt ons door inscriptie’s verschaft, welke tot de 1e dynastie, ongeveer 3300 v.C., behooren. Vanaf dezen kan de opkomst en het verval verder nagegaan worden, door de verschillende opschriften op tempels, monumenten en papyri, tot de 14e eeuw na C., wanneer de Koptische manuscripten eindigen.

Van de levende taal, afgezien van de zuivere literaire taal van de hieroglyphen-inscripties, krijgt men de zuiverste voorstelling door de volksverhalen, brieven en handelsdocumenten, welke tot ons gekomen zijn, waarin de schrijvers zich natuurlijk aan de gangbare spreekvormen hielden en aldus de veranderingen, welke de taal onderging, ontsluierden.

Dat het Egyptisch aan het Semitisch verwant is, is zeker, hoewel hier een rassenprobleem tusschenbeiden komt, want het Egyptische eigenlijke ras was nooit, voor zoover men kan nagaan, Semitisch van type. Erman tracht deze quaestie door de zeer waarschijnlijke theorie op te lossen, dat in den prae-historischen tijd een horde van krijgshaftige Semieten, een deel van Egypte veroverde en zich daar vestigde, evenals de Arabieren in lateren tijd hun taal aan het land gaven, doch dat dezen, als apart ras, uitstierven, hetzij door redenen, welke met het klimaat in betrekking stonden, of doordat zij in de oorspronkelijke bevolking opgingen; deze laatste echter nam de taal van de vreemdelingen, hoewel onvolmaakt, over.

Onder deze omstandigheden veranderde de taal langzamerhand. De medeklinkers werden verkeerd uitgesproken, daar harde voor zachte plaats maakten en dezen op hun beurt, vormden biliteralen van de triliterale stammen.

Deze neiging, waarbij nog een omschrijvende, inplaats van verbale, vervoeging kwam, duurde tot het eind. Koptisch, de laatste vorm, is dus biliteraal van karakter en tijden van bijzondere nauwkeurigheid werden in het werkwoord, door middel van omschrijving, ontwikkeld; de groote overeenkomst tusschen Koptisch en Semitisch moet eveneens tot den voortdurenden Semitischen invloed van latere tijden teruggebracht worden.

De Egyptische taal kan verdeeld worden naar haar vooruitgaande phases. Deze zijn: Oud-Egyptisch, Midden- en Laat-Egyptisch, Demotisch en Koptisch. Oud-Egyptisch is de taal, welke tot het Oude Rijk behoort. Het gaf het letterkundig model voor de latere tijden aan, zooals men uit de inscripties zien kan; het was onvermijdelijk, dat het door de wisselende vormen van de vigeerende taal beïnvloed werd; doch zijn hoofdkarakter werd bewaard.

De oudste voorbeelden, welke wij hebben, zijn inscripties, welke in de 1e dynastie thuis behooren, doch dezen zijn te kort, om ons veel inzicht in de taal en spreekwijze van dien tijd te geven. Hierop volgen verscheidene inscripties en eenige weinige geschiedkundige teksten, welke tot de 4e, 5e en 6e dynastie behooren. Het grootste aantal, dat tot deze phase behoort, is de uitgebreide collectie ritueele teksten en tooverformules, welke men in de pyramiden der 6e dynastie aantreft.

Midden- en Laat-Egyptisch hooren respectievelijk in het Midden- en Nieuwe Rijk thuis en komen de gebruikelijke spreektaal van het volk nabij. Geschriften uit het Midden-Egyptisch, welke nog bestaan, zijn verhalen, brieven en handelsdocumenten, vanaf de 12e dynastie tot het begin van het Nieuwe Rijk, op papyri, in hieratisch schrift geschreven.

De 18e en 21e dynastie laat ons voorbeelden van Laat-Egyptisch, op verschillende hieratische papyri, zien. Met betrekking tot dezen merkt een gezaghebbend schrijver op: „De spelling van het Laat-Egyptisch is zeer eigenaardig, vol van verkeerde etymologie, vol onbeteekenende teekens, etc., terwijl de oude spellingsleer geheel en al ongeschikt is, zich nauwkeurig aan de geheel en al gewijzigde taal aan te passen. Desniettemin is deze plompe spelling krachtig en formules kunnen ons, wat betreft de uitspraak, inlichten”.

Demotisch vertegenwoordigt het volksdialect van de Saïtische periode en stemt werkelijk met het karakter, waarin het geschreven wordt, overeen. Het kan vanaf de 25e dynastie, (plm. 900 v.C.), nagegaan worden en tot de 4e eeuw n.C. was het voortdurend in gebruik. Documenten van het demotisch zijn voor het meerendeel koopcontracten en wettelijke aangelegenheden, hoewel sommige magische teksten en een merkwaardig verhaal, de Papyrus van Setna, eveneens hierin geschreven zijn.

Het Koptisch is de laatste vorm der Egyptische taal, of liever het is een dialectische vorm van het Egyptisch en hiervan zijn vier of vijf verschillende vormen bekend.

Het Koptisch is met de letters van het Grieksche alphabet geschreven en het is werkelijk de eenige phase der taal, waar de spelling een zuiver beeld van de uitspraak geeft.

Aan de Grieksche letters werden 6, uit het Demotisch genomen, toegevoegd, om klanken uit te drukken, welke meer in het bijzonder tot de Egyptische taal behoorden. Deze omstandigheid, tegelijk met de Grieksche afschrijving van Egyptische namen en woorden, hebben de eenige bestaande middelen, om tot een nauwkeurige uitspraak der Egyptische taal te komen, aangevuld.

Een reden voor deze onwetendheid was in de omstandigheid gelegen, dat het Egyptisch systeem van schrijven alleen de geraamten der medeklinkers van een woord laat zien, nooit de afwisselingen der klinkers en dikwijls de semi-consonanten weglaat.

De Hieroglyphen.

Het oude Egyptische schriftsysteem schijnt naar alle waarschijnlijkheid zuiver inheemsch te zijn. Zijn begin, ontwikkeling en het algeheele verdwijnen, kan binnen het Nijldal zelf nagegaan worden, hoewel dit door verovering, onder de 18e dynastie, tot Syrië doordrong en zelfs nog verder, om de Egyptische inscripties in dat land te graveeren.

Aan den anderen kant hielden sommige schrijvers het voor mogelijk, dat de Phoenicische kooplieden en die uit de Aegeïsche Zee, uit het Egyptische hieratische schrift, het Phoenicische alphabet, ongeveer 1000 v.C., ontwikkeld hebben.

Het hieroglyphisch karakter was oorspronkelijk een beeldenschrift in zijn eenvoudigste gestalte, doch is meer ingewikkeld geworden in den tijd, dat men er het eerst kennis mede maakt, n.l. in inscripties, welke tot de 1e dynastie behooren.

De teekens zijn van tweeërlei soort, een n.l. welke klanken aanduidt en deze is weer in twee soorten onderverdeeld, n.l. de alphabetische en syllabische, en de andere, welke begrippen voorstelt, de z.g. ideografische. Deze laatsten zijn afbeeldingen van de voorwerpen, waarover men spreekt, welke geplaatst worden achter de phonetisch geschreven woorden, als determinatieve, of typische, symbolen. Deze laatsten bestaan weder uit twee soorten, z.g. generieke, een aanwijzing van één klasse, of specifieke, welke een bijzonder voorwerp aanduiden.

Ongeveer 500 teekens gebruikte men. Hieratisch schrift kan men in de 1e dynastie vinden en dit komt het hieroglyphenschrift zeer nabij; doch ten tijde van het Midden-Rijk is deze gelijkenis verloren gegaan.

Het handelstijdvak der 26e dynastie bracht den demotischen vorm meer tot dagelijksch gebruik en vanaf dezen tijd werd het hieratisch schrift voor het copieeren van godsdienstige, overgeleverde teksten gebruikt op papyrus en langzamerhand werd het alleen door de geleerden begrepen, want in den Ptolemaeëntijd werd, ook al werd de tekst van een koninklijk besluit op een zuil gegrift, welke op een publieke plaats moest gezet worden, een vertaling van het uitgevaardigde besluit, in Demotische teekens, er bij gevoegd.

Zuilen met hieroglyphische, Demotische en Grieksche letters, heeft men gevonden en de meest bekenden van dezen zijn het decreet van Canopu, uit den tijd van Ptolemaeus III (247 v.C.) en de Steen van Rosette, welke men stelt in de regeering van Ptolemaeus V Epiphanes, (205 v.C.).

De inscripties van den laatstgenoemden steen verschaften in den afgeloopen eeuw den sleutel van het geheim van het hieroglyphenschrift en herstelden de wetenschap der oude Egyptische taal en literatuur.

Zooals wij gezien hebben, was het hieroglyphisch schrijfsysteem, lang voor het einde der Romeinsche overheersching, in onbruik geraakt en het wijd en zijd verspreide gebruik van het Latijn en Grieksch, onder de aristocratische en beambtenklasse, had het verdwijnen van het Egyptisch, als staatstaal, veroorzaakt.

Dit kwijnde, tegelijk met de bestudeering der hieroglyphen onder de geleerden en priesters in afgelegen districten, doch in de 4e en 5e eeuw n.C. was het verdwenen.

Toen vond men in 1799 de Steen van Rosette, met zijn inscriptie, bestaande uit 14 regels hieroglyphen, 32 regels Demotisch en 54 regels Grieksch. Door vergelijking en ontcijfering van deze lezingen werd het Egyptisch alphabet ontdekt en aldus vond men den leiddraad van de verlorene gegane taal van Egypte.

Aan Akerblad in 1802, Young in 1818 en Champollion in 1822 moet men de eer geven van deze gewichtige ontdekking, welke de wondervolle beschaving, kunst en literatuur van een groot volk voor ons ontsluierde.

Literatuur.

Indien men de bestudeering der Egyptische teksten met een onderzoek van het Boek der Dooden begint en men zich van diens duistere, hoewel schilderachtige, bladzijden tot de rest der nationale literatuur keert, komt men tot ontgoocheling, want het arbeidsveld der Egyptische letteren toont, hoewel het soms heinde en ver verspreid is, een armoede aan vinding en woordenkeus, welke men bij weinig literaturen, hetzij oude, of moderne, aantreft. In de oudste tijden is de stijl, zooals men verwachten kan, eenvoudig, op het banale af, terwijl later een hooge en gewichtige voornaamheid maar al te dikwijls datgene bederft, wat anders verdienstelijk werk had kunnen zijn.

Documenten, van alle denkbare soort, zijn tot ons gekomen, als brieven van zakenmenschen, wettelijke bescheiden, fragmenten van geschiedkundige berichten, magische papyri, verder werken over kunst, theologie en populaire werken, zelfs proza en poëzie.

De meeste standaardwerken, als spreuken, of leerboeken, zooals die, welke men aan Ptah-hotep en Kagemni toeschrijft, schijnen van hoogen ouderdom geweest te zijn en dateeren niet later dan het Midden-Rijk.

De stijl van dezen werd door de meeste schrijvers nagevolgd, evenals de vorm en de kleur van de hieroglyphen en muurschilderingen ijverig door teekenaars en schrijvers gecopieerd werden.

Amenemhat I schreef een boek, dat op Machiavelli’s werk, „de Vorst”, gelijkt; het diende om zijn zoon in de voorschriften van een goed bestuur te onderrichten en de voorschriften van Ani aan zijn erfgenaam droegen hetzelfde kenmerk.

In de Egyptische literatuur vinden wij overeenkomst van woordverbinding, evenals bij de Hebreeuwsche gedichten, en herhalingen zijn gewoon.

Philosophische verhandelingen schijnen, hoewel ze zeldzaam over zijn, eenigszins in trek geweest te zijn en de groote levensraadselen schijnen hierbij in den vorm van een dialoog behandeld te zijn. Een papyrus uit het Midden-Rijk (circa 2500 v.C.), welke zich thans in het Berlijnsch Museum bevindt, wisselt breedvoerig van gedachten over het al dan niet geoorloofd zijn van zelfmoord. De disputeerenden zijn een man en zijn khu, of tweede ik.

De man in quaestie schijnt van zijn bestaan genoeg te hebben en heeft het plan opgevat, zichzelf te dooden. Hij is echter voor de toekomst beducht en schijnt te vreezen, dat zijn lichaam verwaarloosd zal worden.

In dit dilemma richt hij zich tot zijn khu en smeekt hem dringend, voor hem de verplichtingen van een verwant te vervullen. De khu echter weigert botweg dit verzoek en raadt den man aan, zijn verdriet te vergeten en zijn leven zoo gelukkig mogelijk te maken. De khu beweert verder, dat na den dood het geheugen van de gestorvenen spoedig verdwijnt en zelfs monumenten van graniet kunnen dit niet lang bewaren.

De man wijst dezen raad vol bitterheid af en roept uit, dat zijn verwanten hem verlaten hebben en dat zijn naam volkomen veroordeeld is; overal worden de fiere zegepraal en de nederige onderdrukt; de slechten bloeien en algemeen ziet men eerloosheid; rechtvaardige en tevreden menschen zijn er niet. De dood schijnt hem zeer aangenaam toe; in zijn kist zal hij omgeven zijn door myrrhe, hij zal in de koele schaduwen kunnen rusten en offeranden zullen hem gebracht worden.

Na deze uitbarsting weerlegt de khu hem niet langer en verzet zich niet meer tegen de plannen van den man en belooft hem, dat, wanneer hij de rust ingegaan is, hij tot hem zal afdalen en zij tezamen een woonplaats in gereedheid zullen brengen.

De Kat en de Jakhals.

Een andere dergelijke discussie, welke amusanter trekken vertoont, vindt men in een lateren Demotischen papyrus; deze is wellicht met Grieksche ideeën geverfd.

Hierbij zijn de disputeerenden een monsterkat, welke de godin Bast voorstelt en een kleine jakhals. De kat bedient zich van orthodoxe gezichtspunten en geeft als haar meening ten beste, dat de wereld door de goden bestuurd wordt; dit kan iemand duidelijk opmaken uit het feit, dat ondeugd overwonnen wordt en de deugd tenslotte overwint.

Zelfs indien een klein lam onrecht aangedaan wordt, zal het aangedane geweld op den man, die het aandeed, terugvallen. Ook al wordt de zon gedurende een tijd door wolken verduisterd, al rolt de donder en al wordt de zonsopgang door den nevel verduisterd, zal toch het daglicht tenslotte doorbreken en de vreugde tenslotte overheerschend zijn.

De jakhals aan den anderen kant is een realist. Volgens hem is op aarde macht recht. De hagedis, beweert hij, verslindt het insect en wordt op haar beurt de prooi van de vleermuis en deze wordt weer door de slang verzwolgen en op deze schiet weer de havik neer. De natuur is steeds in strijd.

Het schema van de redeneering van den jakhals herinnert ons aan een, welke door Darwin ontwikkeld wordt in zijn theorie over het overleven van de krachtigste individuen: „De natuur bekommert zich niet om het leven van een enkele.”

Hoe kan nu de zondaar gestraft worden en welke smeekbede kan hem afschrikken? De strijd tusschen de twee dieren wordt heeter; zij brengen verschillende spreekwoorden en fabels aan, om de verschillende punten der discussie te illustreeren en soms ook beginnen zij zich tegenover de goden zelf te beklagen.

De schrijver heeft klaarblijkelijk een voorliefde voor den jakhals en diens spitsvondige redeneering brengt de kat soms tot razernij. Het is echter zeer jammer, dat de tekst slecht overgeleverd is en verschillende passages buitengewoon duister zijn; doch het verhaal kan dienen als een oud voorbeeld voor den nooit eindigenden strijd tusschen den optimist en pessimist.

Reisverhalen.

De interessantste passages in de Egyptische literatuur zijn die, welke zich met reizen en avonturen bezighouden. De inboorlingen van Egypte waren in het geheel geen reizigers en beperkten hun reizen voor het meerendeel tot den omtrek van hun eigen land en soms zelfs tot hun eigen nomen, of provincies.

Het leek hun een heele onderneming, de oevers van Khemi te overschrijden. Het was echter noodzakelijk, dat er gezanten gezonden werden naar de omliggende staten en dat de opgelegde belasting ingevorderd werd. Toen de voordeelen van den handel meer en meer in het oog vielen, baanden de kooplieden zich meer een weg naar de naburige landen en misdadigers onttrokken zich door de vlucht aan hun straf. Zij, die een tijd op reis waren geweest, hadden de gewoonte, hun vrienden en buren bij zich te vereenigen en hen op een verhaal van hun wederwaardigheden te onthalen. Sommige van deze verhalen zijn in den besten stijl van John Maundeville geschreven, terwijl andere eenvoudige en nauwkeurige verhalen van mogelijke gebeurtenissen zijn.

De Geschiedenis van Saneha.

Een van dezen, de geschiedenis van Saneha, dateert uit het Midden-Rijk en was gedurende minstens 1000 jaar zeer populair. Het is onbekend, of de hoofdpersoon werkelijk bestaan heeft, of gefingeerd is, daar de naam in dien tijd een heel gewone was.

Hij voelde, dat hij spoedig van dorst sterven zou, maar hij riep al zijn geestkracht te hulp, haastte zich verder te komen, hoorde het loeien van een koe en begaf zich in die richting.

Hij zag daarop een koeherder, een man uit de woestijn; deze gaf hem water en gekookte melk en een onderdak onder zijn stam. Saneha echter beschouwde zichzelf niet veilig, indien hij nog dicht bij de grens was en ging verder, naar Boven-Tenu, misschien het Zuiden van Palestina.

Hier ontmoette hij een stam en leefde geruimen tijd onder deze, huwde de oudste dochter van hun opperhoofd, werd rijk aan vee en land en genoot bij hen hooge onderscheiding.

Toen hij echter wat ouder werd, beving hem een vurig verlangen, nog eenmaal zijn Egyptisch vaderland te zien. Met koning Senusert werden onderhandelingen aangeknoopt en deze stond Saneha toe, terug te keeren. De koning ontving hem zeer vriendelijk en zijn Bedouïne-kleeding werd voor kostbare Egyptische kleeren verruild. Een prachtig graf werd voor hem gebouwd en nog eens genoot hij de gunst van den koning.

De papyrus, waarin dit verhaal voorkomt, is van groote waarde, door de levendige beschrijving van het leven der stammen, in Zuid-Palestina, de plundertochten der verschillende volken en het schilderachtig barbarendom der nomaden. Het verhaal wordt echter dikwijls, door storende lofredenen op den koning van Egypte, onderbroken.

De Geschiedenis van den Zeeman, die schipbreuk leed.

Een verhaal uit de 12e dynastie, bekend als de geschiedenis van den schipbreukeling, dat bewaard wordt in de Hermitage Verzameling in Petrograd, vormt hiermede een groote tegenstelling.

Een reizend zeeman, die zijn avonturen aan een meerdere vertelt, verzoekt dezen bij den Pharaoh toegelaten te worden. Zijn meester wilde aan de geschiedenis geen geloof slaan, doch de man verzekerde, dat deze de zuivere waarheid bevatte.

Hij vertelde dan, dat hij een contract aangegaan had, om in de mijnen van den koning te werken; hij had zich daarom ingescheept op een vaartuig, dat 150 el lang en 40 el breed was, bemand met de beste zeelui uit geheel Egypte; hun harten waren sterk, als van leeuwen en zij waren gewoon ontberingen te lijden.

Zij lachten bij de gedachte aan storm, doch toen zij het land naderden, zie, daar stak een heftige wind op en reusachtige golven beukten het schip. De zeeman pakte een stuk hout beet en dat was niets te vroeg, want het schip verging en alle opvarenden verdronken.

Drie dagen lang dobberde hij op de golven en hierna werd hij op een eiland aan land geworpen; hier kroop hij in de schaduw van eenige struiken, waaraan vijgen en druiven groeiden.

Ook slaagde hij erin, meloenen, bessen en graan te vinden en wist hij visschen en vogels te vangen. Besloten daar een tijd te blijven, groef hij een put, stak een vuur aan en bracht een offer aan de goden.

Plotseling deed een vreeselijk lawaai, dat op het gerommel van den donder geleek, hem uit zijn rustige stemming opschrikken. In den beginne dacht hij, dat dit het lawaai van den storm was, doch eindelijk bemerkte hij, dat de boomen schudden en dat de aarde hevig geschokt werd.

Juist voor hem lag een groote slang, dertig el lang, met een baard van een lengte van twee el; zijn rug was met gouden schubben bedekt en zijn lichaam had een kleur van lapis-lazuli.

Hevig verschrikt, wierp de zeeman zich voor het monster ter aarde; dit keek hem een oogenblik met zijn vreeselijke oogen aan, opende hierop zijn reusachtige kaken en sprak hem alsvolgt aan:

„Wat heeft u naar dit eiland gevoerd, gij nietig wezen? Spreek snel en als gij niet iets bericht, waarvan ik nooit tevoren hoorde, of wat ik nooit tevoren kende, zult gij evenals vuur verdwijnen”.

Zonder dat het den zeeman tijd gaf, om te antwoorden, tilde het hem in zijn bek op, bracht het naar zijn leger en legde hem daar, zonder hem verder kwaad te doen, zacht neer.

Nog eens vroeg de slang hem, welke macht hem naar dit eiland gebracht had en de zeeman, over alle ledematen bevend, vertelde, dat hij schipbreuk had geleden, toen hij op weg was naar de mijnen van den Pharaoh.

Toen de slang dit hoorde, spoorde zij hem aan, goeden moed te houden en niet bevreesd te zijn; God had hem naar een gelukzalig eiland gebracht, waar aan niets gebrek was en alles vol goede gaven was. Binnen vier maanden zou er een schip komen, om hem te halen; dan zou hij naar Egypte terug kunnen keeren en zou hij in zijn eigen stad kunnen sterven. Om hem op te monteren, beschreef het monster hem het geheele eiland.

De bevolking hiervan bestond uit 75 slangen, oude en jonge, en deze wezens leefden in harmonie en overvloed.

De zeeman, van zijn kant, was niets minder vriendelijk en, goed gestemd als hij was, bood hij de slang aan, den Pharaoh de aanwezigheid van en den toestand op het eiland, te verhalen; hij beloofde aan het monster, het persoonlijk offers te zullen brengen, bestaande uit heilige olie, reukwerken en wierook, waarmede men de goden vereerde. Eveneens zou hij ezels voor hem, als offerdieren, slachten, vogels voor hem plukken en hem schepen, vol met schatten uit Egypte, brengen.

Hierop lachte de slang op toegeeflijke en eenigszins minachtende wijze. „Vertel mij niet”, aldus sprak zij, „dat gij rijk zijt aan reukwerken, want ik weet, dat alles slechts gewone wierook is, welke gij hebt. Ik ben vorst van het land Punt en bezit zooveel reukwerk, als ik verlang; laat mij u verder vertellen, dat, als gij van hier vertrokken zijt, gij dit land nooit meer zien zult, want het zal door de golven verzwolgen worden”.

Het schip naderde het eiland op den bepaalden tijd, zooals de slang voorspeld had en de zeeman klom in een boom, om te zien, door welke lieden het bemand was. Toen het de kust naderde, zei de slang hem vaarwel, voorzag hem met gaven, bestaande uit kostbare reukwerken, welriekend hout, cassia, wierook, ivoren slagtanden, apen, bananen, kortom allerlei soort kostbare koopwaren.

Terwijl hij dezen in het schip laadde, vertelde de genius van het eiland hem ten slotte, dat hij binnen twee maanden zijn vrouw en kinderen zou terugzien. De geredde zeeman voer daarna, door Nubië, den Nijl af, naar de residentie van den Pharaoh en het verhaal eindigt met het verzoek van den verteller aan zijn kapitein, hem een geleide te geven, om zich aan den Pharaoh voor te stellen en dezen zijn geschiedenis te verhalen.

Het eiland nu, waar hij schipbreuk geleden had, was dat van de Ka, d.w.z. de Ziel. Zulk een geschiedenis kon in de oogen der Egyptenaren in het geheel niet verbazingwekkend schijnen, daar onder hen zulke romantische verhalen heel gewoon waren. Dezen waren inderdaad zoo menigvuldig en zulke ongerijmde mededeelingen verspreidden zij, dat wij in een papyrus uit Londen, uit plm. 1250 v.C., den spotgeest tegen hen in beweging gebracht vinden; deze bevat het verhaal over een denkbeeldige reis, door Palestina en Phoenicië; het doel hiervan is niet de beschrijving der reis zelf, doch de gekunsteldheid en de ongerijmdheden van de populaire romans uit die dagen belachelijk te maken en te bespotten.

De Fabel van het Hoofd en de Maag.

Romantische verhalen over het Egyptische leven, zooals die, welke zich met koning Rhampsinitus bezighouden en welke men elders in dit boek vindt, komen veelvuldig voor.

Een papyrus, uit plm. 1250 v.C., heeft, als achtergrond, den oorlog tegen de Hyksos en beschrijft een ontmoeting tusschen twee vorsten, die tegen elkander strijden, n.1. Apepi, aanvoerder der Hyksos en Ra-sekenen, den nationalen vorst, die in Boven-Egypte woont. Zij geven raadsels aan elkaar op en van de oplossing hiervan, hangt het lot van één hunner af.

Fabels waren verder in het Nijldal, vanaf een vroeg tijdstip, zeer populair. In het Turijnsch Museum komt een voorbeeld hiervan, dateerende uit plm. 1000 v.C., voor; deze fabel is op kleine tafels geschilderd en bevat het verhaal van het dispuut tusschen het hoofd en de maag.

Het hof der dertig, het hoogste gerechtshof van Egypte, is vergaderd. De maag bepleit het eerst haar zaak, doch hier is het document gebrekkig overgeleverd. Wij bezitten echter het antwoord van het hoofd; dit tracht, door een grooten omhaal van woorden, te bewijzen, dat het de voornaamste bron van het licht is, dat door het geheele huis schittert. Het is het oog, dat ziet, de mond, welke spreekt en de neus, welke ademhaalt. De rest van de verhandeling en de uitspraak zijn ongelukkigerwijze corrupt.

Het is echter belangrijk, met dezen ouden voorvader van de wijd en zijd verspreide fabel van den strijd tusschen de maag en de leden kennis te maken; men denke slechts aan het verhaal van Menenius Agrippa, die deze fabel, in 494 v.C., aan de Romeinsche plebs vertelde, toen deze er over dacht, Rome voor goed te verlaten, als een symbool, wat er zou gebeuren, als zij tot het uiterste vervielen.

Dit is tevens een doorslaand bewijs, dat het populaire verhaal, evenals een wet, een levensadem over verscheidene eeuwen heeft en dat het, in één bepaald land ontstaan, langzamerhand het eigendom van verscheidene andere wordt.

Dikwijls heeft men zelfs willen vaststellen, dat de fabels van Aesopus naar alle waarschijnlijkheid in Egypte ontstaan zijn, daar dit het land der dierenvereering is en het is zeer zeker opmerkelijk, dat in den Leidschen Demotischen papyrus wij de fabel van de dankbare muis en de leeuw, welke in netten verstrikt is, tegenkomen. Deze papyrus dateert echter uit de Christelijke tijdrekening en is waarschijnlijk Grieksch van opzet.

Wij vinden echter geschiedenissen van dieren, welke geheel en al als menschelijke wezens handelen, zich met spelen vermaken, slaags raken, evenals wij in de folklore van barbaarsche volken zien. Lepsius vermoedt, dat de bedoeling van dezen een satirische is.

De Berisping van Amasis.

In een papyrus, uit den tijd der Ptolemaeën, vinden wij het oude hulpmiddel, een koning te berispen, door hem een passende geschiedenis te vertellen.

De vorst in kwestie was Amasis (plm. 526 v.C.), een pretlievend heerscher, die al te gaarne en te dikwijls zich aan het drinken van een drank, kelebi genaamd, overgaf.

Het geschiedde op zekeren dag, dat hij tot zijn edelen sprak: „Ik heb er veel plezier in, Egyptischen kelebi te drinken”. Zij spraken: „Machtig heerscher, het is moeilijk, Egyptischen kelebi te drinken”. Hij zeide daarop tot hen: „Heeft dat, waarover ik spreek, een slechten smaak?” Zij antwoordden: „Machtig heerscher, laat onze koning doen, waarin hij behagen schept”.

De koning beval hierop: „Laat er Egyptische kelebi naar het meer gebracht worden”; zij deden hierop overeenkomstig den wil van den koning.

De koning wiesch zich daarna met zijn kinderen en er werd hem geen anderen wijn dan kelebi voorgezet. De koning vierde nu met zijn kinderen feest, hij dronk veel wijn, door zijn voorliefde voor den kelebi; op den avond van dien dag, viel de koning bij het meer in slaap, want hij had een rustbank, in een prieël, op den oever van het meer, laten plaatsen.

Toen de morgenschemering aanbrak, kon de koning, door de slaperigheid, tengevolge van het drinkgelag, niet opstaan. Toen er een uur voorbijgegaan was en hij nog niet op kon staan, begonnen de hovelingen te klagen en zeiden: „Kunnen zulke dingen bestaan? Zie, de koning bedrinkt zich, evenals een man uit het volk. Een man uit het volk kan niet bij den koning komen, om over zaken te spreken”.

Daarna gingen de hovelingen naar de plaats, waar de koning lag en zeiden: „O machtige heerscher, welke wensch koestert de koning?” De koning antwoordde: „Het is mijn wensch en genoegen, mijzelf dronken te maken. Is er onder u niemand, die mij een geschiedenis kan vertellen, welke mij uit den slaap kan houden?”

Nu bevond er zich onder de hovelingen een hoog ambtenaar, Peun genaamd; deze kende vele verhalen. Hij ging voor den koning staan en begon aldus te vertellen: „Machtige koning, kent gij de geschiedenis van den jongen zeeman niet? In de dagen van Psammetichus leefde een jong zeeman en deze was gehuwd. Een ander zeeman werd op de vrouw van eerstgenoemden verliefd en zij beantwoordde zijn liefde. Het gebeurde nu, dat de koning hem tot zich riep. Toen het feest voorbij was, beving hem een groote begeerte (hier volgt in den tekst een hiaat) en hij wenschte nogmaals naar den koning te gaan. Hij keerde naar huis terug, wiesch zichzelf met zijn vrouw, doch kon niet als vroeger drinken. Toen het tijd geworden was te gaan slapen, kon hij den slaap niet vatten, vanwege het groote verdriet, dat hem drukte. Daarop vroeg zijn vrouw hem: „Wat is bij u de rivier overkomen?”.….

Het is ten zeerste te bejammeren, dat de rest van den tekst hier ontbreekt en wij niet nauwkeurig kunnen vertellen, op welke wijze het verhaal van datgene, wat koning Psammetichus overkwam, Amasis stichtte.

Tooververhalen.

Zooals men verwachten kan, houdt een zeer groot aantal Egyptische verhalen zich met tooverkunsten op. Voornamelijk is dit het geval met den Westcar papyrus, uit plm. 1800 v.C., welke zich thans in het museum te Berlijn bevindt.

Ongelukkigerwijze zijn het begin en einde van het manuscript gebrekkig tot ons gekomen, doch het overblijvende is voldoende, om ons een indruk te geven aangaande den opzet van het geheel.

Het verhaalt dan, hoe Khufu, of Cheops, de bekende stichter van de groote pyramide bij Gizeh, zijn zoons en raadslieden rondom zich verzamelde en hen vroeg, of iemand van hen in staat was, hem een man aan te wijzen, die hem tooververhalen vertellen kon.

Zijn zoon, Khafra, vertelde, dat hij met zulk een verhaal bekend was; dit was uit de dagen van ’s konings voorvader Nebka overgeleverd en behandelde datgene, wat hem overkomen was, toen hij naar den tempel van Ptah van Ankhtaui ging. Op zijn weg naar den tempel, wendde hij zich zijwaarts, om Uba-aner, zijn hoofd-voorlezer te bezoeken. Hij werd door zijn gevolg vergezeld en hieronder bevond zich een page; op dezen werd de vrouw van Uba-aner verliefd en zij zond een dienares naar hem toe, met een kist vol prachtige kleeren ten geschenke. Zij ontmoetten elkaar daarna, in het geheim, in een zomerhuis, of paviljoen, in den tuin van Uba-aner en hier dronken ze wijn en waren vroolijk.

De hofmeester van het huis echter, achtte het zijn plicht, zijn meester over deze dingen in te lichten en Uba-aner, een man in tooverkunst ervaren, besloot zich hierop te wreken.

Hij vroeg om zijn kistje, uit ebbenhout en barnsteen vervaardigd en toen men hem dit gebracht had, maakte hij een krokodil van was, 7 vingers lang en sprak over dezen een tooverformule uit.

Tegen den avond ging de page naar het meer, dat in den tuin was, om een bad te nemen; hierop wierp de hofmeester, volgens de bevelen van zijn meester, den krokodil van was achter hem. Plotseling werd deze een groote krokodil, zeven el lang, opende zijn vreeselijken bek, pakte den page beet en sleurde hem mede naar beneden.

Gedurende dezen tijd had de koning bij Uba-aner vertoefd en na verloop van 7 dagen ging hij weer weg. Toen hij op het punt stond, het huis te verlaten, verzocht Uba-aner hem, te komen zien, welk wonder er plaats gegrepen had. Zij gingen naar den oever van het meer, de voorlezer riep den krokodil en deze rees terstond uit het water op, terwijl hij den page vasthield.

„O koning, sprak Uba-aner, deze krokodil zal alles volbrengen, wat ik wensch”. De koning verzocht, dat het dier naar het water zou terugkeeren, doch Uba-aner tilde den krokodil met zijn hand op en veranderde hem terstond weer in was.

Daarop lichtte hij den koning over het gebeurde tusschen den page en zijn vrouw in en de vorst beval, verontwaardigd, den krokodil, nogmaals den page te grijpen; deze voerde het bevel terstond uit, dook met zijn prooi onder water en verdween voor altijd. Nebka beval verder, dat de vrouw verbrand en haar asch in de rivier gestrooid zou worden.

Khufu schepte zoozeer in dit verhaal behagen, dat hij beval, dat de schim van Nebka met duizend brooden, honderd teugen bier, een os en twee kruiken wierook begiftigd zou worden en dat de ka van Uba-aner één brood, een kruik bier, een kruik wierook en een portie meel zou ontvangen.

De scheiding van het Water.

Een andere zoon van den koning vertelde hierop een wonderbare geschiedenis, welke in de dagen van koning Seneferu plaats vond.

Seneferu zocht, daar hij zich buitengewoon lusteloos gevoelde en zich verveelde, in ieder vertrek van zijn paleis iets, om zich te amuseeren, doch tevergeefs. Daarom liet hij Zazamankh, zijn voorlezer en schrijver, roepen en hij verklaarde hem zijn toestand.

Zazamankh gaf den koning den raad, een boot te laten klaarmaken en op het meer, voor ’t paleis, zich op en neer te laten roeien op het spiegelgladde watervlak, door de koninklijke vrouwen.

Hij vroeg om twintig roeiriemen, met goud ingelegd, van bladen uit licht hout, met barnsteen ingelegd, vervaardigd. Dezen moesten door twintig vrouwen geroeid worden.

Het hart van den koning verheugde zich over deze oefening, doch een van de vrouwen, die de boot stuurde, verloor een juweel van malachiet uit heur haar.

Onmiddellijk hield zij met haar gezang op en eveneens haar metgezellinnen en zij hielden met roeien op. Seneferu vroeg de reden en zij antwoordden: „De vrouw, die stuurt, roeit niet”. De koning wendde zich daarop naar de vrouw, die haar juweel verloren had en vroeg haar, waarom zij niet roeide.

„Helaas!” antwoordde zij, „mijn juweel van malachiet is in ’t water gevallen en mijn hart is daarover bedroefd”. De koning verzocht haar, zich het geval niet al te zeer aan te trekken en beloofde haar een ander er voor in de plaats te zullen geven. Doch op kinderlijke wijze verlangde zij haar eigen juweel terug.

De koning liet thans Zazamankh halen en legde hem de zaak bloot. Deze sprak een krachtige tooverformule uit en zie, het eene deel der wateren werd op het andere gestapeld, zoodat de koning en de roeisters, ver onder hen, het juweel op een stuk aardewerk zagen liggen.

Zazamankh klom hierna uit de boot, bracht het juweel in veiligheid en overhandigde het aan zijn eigenares; hierop beval hij de wateren, weer naar hun plaats terug te keeren.

Deze verrassende daad beurde de harten van het geheele gezelschap op, zoodat zij een vroolijken middag doorbrachten en Zazamankh werd voor zijn tooverkunsten rijkelijk beloond.

De Pharaoh schepte in dit verhaal zoo’n behagen, dat hij het bevel uitvaardigde, aan de schim van Seneferu een offer te brengen, gelijk aan dat van Nebka en tevens, dat de ka van Zazamankh een brood, een kruik bier en een kruik wierook ontvangen zou.

De Profetie van Dedi.

Een derde zoon beweerde, dat hij in ’t geheel niet verhalen uit ver vervlogen tijden verhalen wilde, doch dat hij in staat was, een toovergeschiedenis te vertellen van een man, die in den tegenwoordigen tijd leefde.

Zijn naam was Dedi en hij woonde te Dedsneferu. Hij was 110 jaar en at dagelijks 500 brooden en een groot stuk rundvleesch en dronk een honderd teugen bier. Zoo groot was zijn tooverkunst, dat, als het hoofd van een mensch afgesneden was, Dedi hem het leven kon hergeven. Hij kon verder wilde dieren temmen en kende den plattegrond van het huis van Thoth.

In een draagstoel werd hij naar het huis van Dedi gebracht en dezen vond hij, op een rustbed liggend, bij zijn deur, terwijl hij door zijn dienaren gemasseerd werd.

Hordedef vertelde hem, dat hij van verre gekomen was, om hem naar zijn vader, Khufu, te brengen. Dedi beantwoordde hem met een eervolle begroeting en tezamen gingen zij naar het schip, dat den prins daarheen gevoerd had. Dedi verzocht, hem een boot te geven en tevens, dat zijn jongelingen en boeken hem gebracht zouden worden.

Twee booten werden hem gegeven, waarin dezen geborgen werden en Dedi zelf zat in het schip van den prins. Zonder ongelukken bereikten zij het paleis en hier berichtte Hordedef den koning, dat hij den ouden toovenaar medegebracht had.

De Pharaoh beval, hem terstond bij zich te brengen en toen hij gekomen was, vroeg hij, hoe het kwam, dat hij nooit tevoren van hem gehoord had. Dedi antwoordde: „Hij alleen, die geroepen wordt, komt; de koning roept en zie, ik kom”. Khufu vroeg hem daarop: „Is het waar, wat men u verhaalt, dat gij, als het hoofd van een mensch, of dier, afgesneden is, hen weer in het leven kunt terugroepen?” Dedi antwoordde bevestigend.

De koning wilde daarop een gevangene voor zich laten brengen, doch Dedi verzocht, dat men voor dit doel geen man zou gebruiken en zeide: „Wij hebben hiervoor niet eens een stuk van uw rundvee noodig”.

Men bracht hem hierop een eend en deze werd den kop afgesneden; haar lichaam werd aan den West-kant van de hal gelegd en haar kop aan den Oost-kant. Dedi sprak thans eenige tooverwoorden uit en zie, de kop van den vogel en het lichaam naderden elkaar en vereenigden zich, de eend stond op en kwaakte! Daarna deed hij hetzelfde met een gans en een os.

Khufu, over het succes van deze proeven verheugd, vroeg daarna Dedi, of hij de afmetingen van het Huis van Thoth kende.

De toovenaar antwoordde, dat hij het getal hiervan weliswaar niet kende, doch dat hij wel wist, waar zij waren.

De Pharaoh vroeg toen, of hij de plaats kende, waar zij verborgen waren en hoorde, dat zich in een kamer te Heliopolis, de schetsenkamer genaamd, een kast van slijpsteen bevond, waarin de afbeeldingen verborgen waren, doch Dedi voegde er terstond aan toe: „O koning, niet ik zal u bij dezen brengen”. „Wie zal dan”, vroeg Khufu, „mij daarheen geleiden?” Het antwoord van Dedi luidde: „De oudste van de kinderen van Rud-didet zal u tot hen brengen”. „Wie is Rud-didet?” vroeg Khufu. „Zij is de vrouw van een priester van Ra, heerscher van Sakhebu. Haar drie zonen zijn de zonen van Ra, den god en deze heeft hun beloofd, dat zij over dit geheele land regeeren zullen en dat de oudste hoogepriester in Heliopolis zou worden”.

Op het hooren hiervan, werd het hart van den koning zeer in verwarring gebracht en Dedi, die zag, dat de koning voor de toekomst bevreesd was, sprak tot hem: „Wees niet bevreesd over hetgeen ik gezegd heb, o koning, want uw zoon zal heerschen en diens zoons, voordat de zoons van Rud-didet zullen regeeren; dit kroost van Ra is nog niet geboren!

Khufu gaf daarop den wensch te kennen, den tempel van Ra te bezoeken, wanneer de dammen van het kanaal van Letopolis opengelegd waren en Dedi beloofde, dat de oevers van het kanaal tenminste 4 el water zouden bevatten.

De toovenaar werd daarna in het paleis van Hordedef gehuisvest en dagelijks van 1000 brooden, honderd teugen bier, een os en honderd bossen uien voorzien.

Het Bezoek der Godinnen.

Toen de zoons van Ra en Rud-didet nu geboren waren, vroeg deze god Isis, Nebhat, Meshkent, Hakt en Khnumu, naar haar toe te gaan en terwijl zij allen de gedaante van danseressen aannamen, behalve Khnumu, die haar als drager volgde, daalden zij naar de aarde af en begaven zich naar het huis van den priester Ra-user, den echtgenoot van Rud-didet en speelden voor hem op hare muziekinstrumenten.

Zij begiftigden de kinderen met verschillende eigenschappen en noemden hen User-ref, Sah-ra en Kaku. Hierop verlieten zij het huis en wenschten Ra-User geluk. Als belooning voor haar goede wenschen, gaf hij haar een schepel gerst en Khnumu plaatste deze op zijn hoofd. Toen zij echter op weg waren naar hun goddelijke woonplaats, zei Isis tot de anderen: Zou het niet beter geweest zijn, indien wij een wonder voor deze kinderen verricht hadden? De anderen vonden dit eveneens en terstond maakten zij een afbeelding van de kronen van Egypte, van de kroon van het Boven-land en van de kroon van het Beneden-land en verborgen dezen in het schepel gerst.

De Godinnen als danseressen.
De Godinnen als danseressen.

De Godinnen als danseressen.

Evelyn Paul.

Daarna keerden zij naar het huis van Ra-user terug en vroegen toestemming, de gerst in een afgesloten kamer achter te laten, deze verzegelden zij en namen hierop afscheid.

Eenige weken later vroeg Rud-didet haar kamenier, of het huis en alles, wat zich daarin bevond, zich in goeden toestand bevond; de kamenier antwoordde, dat alles in voldoende hoeveelheid voorhanden was; alleen de gerst, om te brouwen, was nog niet gebracht.

Haar meesteres vroeg haar daarna, waarom dit niet geschied was; de vrouw antwoordde, dat de voorraad aan de danseressen, die op den geboortedag van haar kinderen gekomen waren, gegeven was, doch dat deze nog in de afgesloten kamer lag, door haar verzegeld.

Rud-didet beval daarop deze voor het oogenblik te gebruiken; Ra-user zou het voor haar terugkeer wel kunnen teruggeven.

Het meisje opende de kamer en was, toen zij de kamer binnentrad, ten hoogste verbaasd, menschen te hooren praten en zingen; ja, zij hoorde zelfs muziek en het geluid van dansen, zooals men in het paleis van den koning hoort.

Terstond keerde zij naar haar meesteres terug en vertelde haar, wat zij gehoord had. Rud-didet trad thans zelf de kamer binnen en hoorde eveneens de geluiden, doch kon de plaats, vanwaar zij kwamen, niet direct vinden. Ten laatste legde zij haar oor tegen den zak, welke de gerst bevatte en bevond, dat het geluid hieruit kwam.

Terstond deed zij den zak in een kist en plaatste deze voor alle zekerheid nog in een andere kist, bekleedde deze met leer en plaatste deze in een voorraadkamer, terwijl zij haar bovendien, uit voorzorg, verzegelde; toen Ra-user terugkeerde, vertelde zij hem wat er voorgevallen was.

Eenige dagen later berispte Rud-didet, om een af andere reden, haar dienstmaagd en liet haar zelfs slaag geven; de meid morde en zei tot haar metgezellinnen: „Waarom moet ik me dit laten welgevallen? Ik zal naar koning Khufu gaan en hem vertellen, dat de drie zonen van mijn meesteres bestemd zijn, koning te worden.”

Zij nam hierop haar oom in vertrouwen; deze echter wilde naar haar verraad niet luisteren en gaf haar zelfs een slag met een bundel vlas, welke hij toevallig in de hand had.

Daar zij zich uitgeput voelde, ging zij naar de rivier, om een teug water te drinken; zij werd echter door een krokodil gegrepen, die haar meesleurde.

Haar oom bracht daarop een bezoek bij Rud-didet en vond haar in zeer neerslachtigen toestand. Hij vroeg haar, waarom zij zoo terneergeslagen was en zij antwoordde, dat zij verraad van de zijde van haar kamenier vreesde.

„Gij behoeft niet meer voor haar te vreezen”, antwoordde de man, „want zij is door een krokodil gegrepen.”

Hier laat het manuscript ons in den steek. Het is te bejammeren, dat een zoo interessante huishoudelijke passage voor ons niet gespaard is.

De drie koningen, wier namen in de geschiedenis als de drie zonen van Rud-didet verschijnen, regeerden onder de 5e dynastie, zoodat men moeilijk kan aannemen, dat zij in de 4e geboren kunnen zijn.

Misschien heeft het verhaal de officieele aanneming van de Ra-vereering in Egypte tot grondslag. Men kan opmerken, dat de drie werkelijke namen van de drie kinderen, User-ref, Sah-ra en Kaku, als een woordspeling op de namen van de eerste drie koningen van de 5e dynastie, User-kaf, Sahu-ra en Kaka, bedoeld zijn.

De geschiedenis van kinderen, die door het noodlot aangewezen waren, den troon te bestijgen, komt in alle mythologieën voor en het is onvermijdelijk, dat de vorst, wiens geslacht door hen vernietigd zal worden, een poging doet, om hen te vernietigen, terwijl zij nog in de wieg liggen. De Grieksche Danaë-mythe en de oude romance van Torrent van Portugal zijn voorbeelden hiervan. De middeleeuwsche romantiek is inderdaad vol van zulke geschiedenissen, doch dit is waarschijnlijk het oudste voorbeeld, dat wij kennen.

Lyriek en Volks-poëzie.

Egypte was niet zonder lyriek en volks-poëzie; de romantiek was echter niet het fort der Egyptenaren.

Het is echter opmerkelijk, dat de meeste Oostersche volkeren onder hun werk zingen en het zou vreemd zijn, indien de werkman, aan de oevers van den Nijl, dit niet eveneens gedaan zou hebben.

De fellah, van onze dagen, zingt op eentonige wijze en zonder ophouden, terwijl hij zwaren arbeid verricht, en dezelfde woorden en muziek telkens en telkens herhaalt; de schrijvers van het oude Egypte echter, beschouwden den volkszang als ongeschikt, aan het nageslacht over te leveren.

Soms kan men een gezang op de inscriptie van een muur terugvinden. De schaapherder, die door de half ondergeloopen velden waadt en zijn kudde voor zich uitdrijft, zingt: „In het water wandelt de schaapherder, temidden der visschen. Hij spreekt met de katvisch; met de visschen wisselt hij een groet”.

Wij bezitten tevens een dorschlied, dat aldus luidt: „Dorsch, o os; dorsch voor u zelf. Dorsch stroo voor uw voer en graan voor uw meester. Rust niet, want de lucht is vandaag koel”.

Ook eenige minneliederen zijn over. Dezen waren waarschijnlijk zeer talrijk. Voor het meerendeel zijn zij heftig en hartstochtelijk. Drie collecties minneliederen, ongeveer uit 1200 v.C., zijn opgegraven; een van dezen wordt door een papyrus, welke zich thans in het Britsch Museum bevindt, ingenomen.

Op een zuil, in het Louvre, wordt de lof van de vrouw van een koning, plm. uit ’t jaar 700 v.C., aldus bezongen:

„Zij is bevallig en lieflijk in tegenwoordigheid van den koning, bevallig en lieflijk voor alle menschen; de beminde boven alle vrouwen, de dochter van den koning, die bevallig en lieflijk is. De schoonste onder de vrouwen, een meisje, wiens gelijke men nooit zag. Heur haar is donkerder dan de duistere nacht, donkerder dan de bes van de zwarte aalbessenstruik. Haar tanden zijn harder dan de vuursteen aan den sikkel, elk van haar borsten is een krans van bloemen, zich strak aan haar arm zich aansluitend”.

Deze bovenstaande geschiedenis werd ontdekt, op papyri geschreven, welke tot het Britsch museum behooren. In 1900 werd een Engelsche vertaling door Griffiths uitgegeven en in 1901 een Fransche, door Maspero. Zij is geschreven aan de achterzijde van eenige Grieksche officieele documenten en dateert uit het 7e jaar van Claudius’ regeering.

De papyrus is zeer verwaarloosd en beplakt; hij is incompleet en het begin der geschiedenis is verdwenen. Men zou uit het schrift kunnen vermoeden, dat de copie tot de 2e helft van de tweede eeuw van onze jaartelling behoort. De Setne, waarover gesproken wordt, is dezelfde, die in de geschiedenis van Setne en de Mummies voorkomt, waarover in het hoofdstuk over de Magie verhaald wordt.

Er leefde eens een koning, Ousimares genaamd en hij had een zoon, Setne. Deze zoon was een schrijver, zeer bekwaam met zijn handen in alle dingen en hij muntte boven alle mannen, die in kunst volleerd waren en onder de bekende schrijvers van Egypte, uit.

Het gebeurde nu, dat de bestuurders van een vreemd land een bode naar den Pharaoh zonden en hem uitdaagden, iemand te vinden, die een bepaald iets, onder bepaalde omstandigheden kon verrichten. Indien dit gedaan werd, zouden de bestuurders de minderheid van hun land, ten opzichte van Egypte, erkennen; doch indien, aan den anderen kant, geen enkele schrijver of wijs man, dit kon vervullen, dan zouden zij de minderheid van Egypte uitroepen.

Ousimares riep thans zijn zoon Setne en herhaalde deze woorden; Setne antwoordde terstond op datgene, wat de aanvoerders opgegeven hadden, zoodat de laatsten genoodzaakt werden, de voorwaarden uit te voeren en de superioriteit van Egypte te erkennen. Aldus werden zij van hun triumf beroofd, zoo groot was de wijsheid van Setne en niemand dorst nog eens zulke boodschappen naar den Pharaoh te zenden.

Setne nu en zijn vrouw, Mahitouaskhit, waren zeer verdrietig, want zij hadden geen zoon. Op zekeren dag was hij, meer dan gewoonlijk, verdrietig; zijn vrouw begaf zich daarom naar den tempel van Imhetep en bad tot hem alsvolgt: „Wend Uw gezicht tot mij, Imhetep, zoon van Ptah, Gij, die wonderen verricht en die wel doet in alle opzichten. Gij kunt een zoon geven aan hen, die kinderloos zijn. Verhoor mijn gebed en sta toe, dat ik een zoon baar.”

In dien nacht sliep Mahitouaskhit in den tempel en daar droomde zij, dat men haar beval, een toovermiddel gereed te maken en vertelde, dat haar wensch, een zoon te krijgen, op deze wijze vervuld zou worden.

Toen zij ontwaakte, herinnerde zij zich voortdurend haar droom en binnen eenigen tijd werd het bekend, dat haar en Setne een kind geboren zou worden en deze vertelde het vol vreugde aan den Pharaoh, terwijl hij aan zijn vrouw een amulet gaf, om haar te beschermen en tooverformules over haar uitsprak.

In zekeren nacht droomde Setne en een stem zeide tot hem: „Mahitouaskhit, uw vrouw, zal een zoon voortbrengen en door hem zullen in het Egyptische land veel wonderen geschieden. De naam van uw zoon zal zijn Se-Osiris. Toen Setne ontwaakte en zich deze woorden herinnerde, was hij zeer verheugd in zijn hart.

Se-Osiris.

Na een tijd werd een zoon geboren en, in overeenstemming met den droom, werd hij Se-Osiris genoemd. Het kind ontwikkelde zich snel, meer dan de andere kinderen en Setne beminde hem zoo teeder, dat er bijna geen uur voorbijging, of hij zag zijn zoon.

Na verloop van tijd werd hij naar school gezonden, maar spoedig bemerkte men, dat hij meer wist, dan de meester hem leeren kon. Hij begon de toover-papyri met de priesterschrijver in „Het dubbele huis des Levens” van den tempel van Ptah te lezen en zijn geheele omgeving verbaasde zich ten zeerste over hem. Setne was hierover zoo verheugd, dat hij zijn zoon naar den Pharaoh geleidde, naar het feest, opdat alle toovenaars van den koning met hem zouden wedijveren en hun minderheid zouden erkennen.

Op zekeren dag, toen Setne met zijn zoon zich voor het feest gereedmaakte, stegen er buiten luide jammerklachten op en toen Setne van uit het terras van zijn vertrekken uitkeek, zag hij, dat het lijk van een rijk man, onder groote eerbewijzen en luide jammerklachten, naar de bergen gevoerd werd, om begraven te worden. Even later keek hij nog eens naar buiten en zag toen, dat men het lichaam van een landbouwer, in een mat van stroo gehuld, voorbij voerde, zonder dat iemand het vergezelde, om hem te beklagen.

Toen Setne dit zag, riep hij uit: „Bij het leven van Osiris, den god van Amenti, moge ik naar Amenti komen, zooals deze rijke man, geëerd en beklaagd en niet als de landbouwer, alleen en reeds vergeten!”

Toen Se-Osiris dit echter hoorde, zei hij: „Neen, vader, moge het lot van den armen man liever het uwe zijn en niet dat van den rijken man!”

Setne was hierover verbaasd, zelfs beleedigd en schreeuwde: „Zijn dit woorden van een zoon, die zijn vader liefheeft?” Se-Osiris antwoordde hem: „Mijn vader, ik zal hen aan u toonen, ieder op zijn plaats, den landbouwer, die onbeweend is en den rijken man, zoo bejammerd!”

Een Visioen van Amenti.

Setne vroeg hem daarop, hoe hij dit vervullen kon. Het kind Se-Osiris begon nu woorden uit de tooverboeken op te zeggen, machtige woorden. Hierop nam hij zijn vader bij de hand en geleidde hem naar een onbekende plaats, in de bergen van Memphis.

Hier waren zeven hallen, met menschen van allerlei soort gevuld. Zij gingen door drie van dezen zonder hindernis. Toen zij de vierde binnengingen, zag Setne een massa menschen, die heen en weer snelden en van schrik ineenkrompen, als wezens hen van achter aanvielen; anderen, uitgehongerd, sprongen omhoog, om het voedsel te bereiken, dat boven hen hing, terwijl weer anderen kuilen groeven, om hen te verhinderen hun doel te bereiken.

In de vijfde hal waren eerwaardige schimmen, welke haar eigen en passende plaats gevonden hadden, doch zij, die van misdaden beschuldigd waren, toefden knielend bij de deur, welke onder toezicht van een man stond, die onophoudelijk smeekte en zuchtte.

In de zesde hal zaten de goden van Amenti en beraadslaagden, ieder op zijn plaats, terwijl de deurwachter de zaken afriep. In de zevende hal eindelijk was de groote Osiris, op een gouden troon gezeten, met de diadeem, uit veeren bestaande, gekroond. Aan zijn linkerzijde zat Anubis en aan zijn rechterzijde de god Thoth.

In het midden bevonden zich de schalen, waarop de deugden en ondeugden van de zielen der gestorvenen afgewogen werden, terwijl Thoth het oordeel, dat Anubis uitsprak, opschreef. Zij, wier ondeugden meer wogen dan hun deugden, werden aan Amait, den dienaar van den heer van Amenti, overgegeven; hun zielen en lichamen werden voor altijd vernietigd.

Zij echter, van wie de deugden grooter dan de ondeugden waren, namen hun plaats, onder de schimmen en goden, in, en hun zielen vonden den hemel. Indien, aan den anderen kant, de deugden en ondeugden gelijk waren, werd hij onder de dienaren van Sekerosiris geplaatst.

Setne zag nu bij Osiris iemand, van hoogen rang en in het fijnste linnen gekleed staan. Terwijl Setne zich verwonderde over alles, wat hij in het rijk van Amenti zag, sprak zijn zoon tot hem: „Mijn vader, ziet gij dien hooggeplaatsten man, in fijn linnen gekleed, bij Osiris staan? Herinnert gij u wel dien boer, dien gij uit Memphis zaagt dragen, zonder dat iemand hem vergezelde, terwijl zijn lijk in een mat gewikkeld was? Nu, dat is de man, die thans aan Osiris’ zijde staat! Toen hij naar Amenti kwam en zijn deugden tegen zijn ondeugden af gewogen werden, zie, toen sloeg het gewicht van zijn deugden over! Volgens de beslissing der goden, werden hem alle eerbewijzen, welke het aandeel der rijken zijn, toegewezen en door de wet van Osiris neemt hij zijn plaats onder de geëerden en voornamen in.

Toen de rijke man, dien gij eveneens gezien hebt, gewogen werd, wogen zijn ondeugden zwaarder dan zijn deugden en hij is de man, dien gij zaagt bij de vijfde hal; onder zijn toezicht draait de deur, de man, die luid schreeuwt en jammert. Bij het leven van Osiris, indien ik op aarde tegen u zei: „Moge het lot van den boer liever het uwe zijn, dan dat van den rijken man, dan was het, omdat ik hun lot kende, mijn vader”.

Se-Osiris antwoordde hem: „Zij zijn in waarheid, mijn vader, door de goden vervloekt; zij zijn het, die op aarde hun vermogen verspilden en de wezens, die hen zonder ophouden trachten te verslinden, zijn de vrouwen, met wie zij hun leven verwoestten en hun vermogen verspilden en nu hebben zij niets, hoewel zij dag en nacht moeten arbeiden. En zoo is het met allen; zooals zij op aarde geweest zijn, zoo zijn zij in Amenti, in overeenstemming met hun goede en slechte daden. Dit is de onveranderlijke wet van de goden, de wet, welke geen verandering kent en naar welke zich alle menschen schikken moeten, als zij den Hades binnenkomen”.

Hierop keerden Setne en zijn zoon, hand in hand, van de bergen van Memphis terug. Vrees beving Setne om zijn zoon Se-Osiris, daar deze niet antwoordde en daarop sprak hij woorden, welke de geesten van de gestorvenen afweerden. Steeds herinnerde hij zich alles, wat hij gezien en waarover hij zich verwonderd had, doch sprak met niemand hierover. Toen Se-Osiris twaalf jaar oud was, was er geen schrijver of toovenaar in Memphis, die in het lezen van tooverboeken zijns gelijke was.

Het Lezen van den Verzegelden Brief.

Hierna gebeurde het eens, dat de Pharaoh Ousimares, in zijn audiëntie-zaal, met de prinsen, de militaire aanvoerders en de edelen van Egypte, ieder volgens zijn rang, gezeten was.

Eén zei tot den Pharaoh: „Hier is een schelm van een Aethiopiër, die gaarne een onderhoud met U zou hebben; hij heeft een verzegelden brief bij zich”. De Pharaoh beval daarop, den man bij zich te brengen.

Toen hij bij den vorst gebracht werd, maakte hij een diepe buiging en sprak: „Hier is een verzegelde brief, welke ik meebracht en ik zou gaarne willen weten, of er onder Uw wijze mannen iemand is, die zijn inhoud lezen kan, zonder de zegels te verbreken. Indien gij, o koning, niemand onder Uw schrijvers en toovenaars hebt, die hiertoe in staat is, zal ik naar Aethiopië, het land der negers, de geschiedenis van Egypte’s mislukking en minderheid meenemen”.

Allen waren verwonderd, toen zij dit hoorden en de omgeving van den koning schreeuwde luid, doch de Pharaoh liet zijn zoon Setne bij zich brengen. Hij kwam terstond, boog zich diep voor den Pharaoh, waarop deze zeide: „Mijn zoon Setne, hebt gij de onbeschaamde woorden van dezen Aethiopiër gehoord?” Tevens herhaalde hij de uitdaging nog eens.

Setne was wel verbaasd, doch antwoordde onmiddellijk: „Groote koning, hoe kan iemand een brief lezen, zonder dat deze voor hem geopend en uitgespreid wordt? Indien gij mij echter tien dagen wilt geven, zal ik hierover nadenken en zal ik doen wat ik kan, om te beletten, dat aan de Negers, de eters van gom, het bericht over Egypte’s minderheid gebracht wordt”. Hierop antwoordde de Pharaoh: „Tien dagen worden u toegestaan, mijn zoon”. Hierop werden den Aethiopiër vertrekken aangewezen en de Pharaoh stond, bedroefd in zijn hart, op en begaf zich, zonder iets genuttigd te hebben, ter ruste.

Ook Setne begaf zich, peinzende en zeer verward, naar zijn legerstede, doch kon den slaap niet vatten. Zijn vrouw, Mahitouaskhit, kwam bij hem en wilde zijn zorgen gaarne deelen, doch hij antwoordde, dat dit niets voor een vrouw was, om deel aan te nemen en dat zij hem niet helpen kon.

Eenigen tijd later kwam zijn zoon Se-Osiris en wenschte te weten, wat zijn vader zoo bezorgd maakte en weder weigerde Setne het aan hem te vertellen, zeggende, dat het niet voor een kind geschikt was. De knaap hield echter vol en ten slotte vertelde Setne hem de uitdaging van den Aethiopiër. Zoodra hij geëindigd had, lachte Se-Osiris en zijn vader vroeg hem naar de reden van zijn vroolijkheid.

„Vader”, antwoordde hij, „ik lach, als ik U daar bedroefd in Uw hart zie zitten, om zulk een nietige oorzaak. Ik zal den brief van den Aethiopiër, zonder het zegel te verbreken, lezen”.

Toen Setne dit hoorde, stond hij onmiddellijk op.

„Welk bewijs kunt gij mij voor Uw bewering geven, mijn zoon”.

Se-Osiris antwoordde: „Mijn vader, ga naar de benedenverdieping van dit huis en neem een boek, dat gij verkiest, van zijn plaats. Ik zal dan het boek, dat gij genomen hebt, lezen, terwijl ik voor U sta”.

Het gebeurde, zooals Se-Osiris gezegd had. Ieder boek, dat zijn vader ter hand nam, las de knaap, zonder dat het geopend werd. Daarna liet Setne geen tijd verloren gaan, om den Pharaoh over alles, wat Se-Osiris gedaan had, in te lichten en zoo verlicht werd het hart van den koning, dat hij een groot feest, ter eere van Setne en diens jongen zoon, liet aanrichten.

Hierop liet de Pharaoh den Aethiopiër roepen. Toen hij de audiëntie-zaal binnengetreden was, werd hij in het midden van allen geplaatst en de jonge Se-Osiris plaatste zich naast hem. Daarna sprak de knaap een verwensching over den man en diens goden uit, indien hij valschelijk zou durven beweren, dat hetgeen hij las, niet het juiste was. Toen de Aethiopiër den knaap zag, knielde hij voor hem, door vrees bevangen. Daarop begon Se-Osiris den brief, zonder dat deze ontzegeld was, te lezen en allen hoorden zijn stem. De woorden van den brief luidden aldus:

De Inhoud van den Brief.

„Het geschiedde gedurende de regeering van den Pharaoh Manakhphre-Siamon, die een weldadig vorst was en onder wiens regeering het land met alle goede dingen overstroomd werd en die de tempels rijkelijk begiftigde, dat de koning van Nubië rustte in het paviljoen van Amen, en een gesprek van drie Aethiopiërs, die achter het huis spraken, afluisterde.

Een van hen sprak op luiden toon en zei onder anderen, dat, indien god Amen hem tegen de vijandschap van den koning van Egypte beschermen wilde, hij over het volk van dat land een tooverformule kon uitspreken, zoodat een groote duisternis heerschen zou en het gedurende 3 dagen en nachten de maan niet zou zien.

De tweede man zei daarop, dat, als Amen hem beschermen wilde, hij zou maken, dat de Pharaoh naar het Negerland gebracht werd en daar, voor het gezicht van het geheele volk, vijfhonderd slagen ontvangen zou; daarna zou hij binnen zes uur naar zijn land teruggebracht kunnen worden.

Hierna sprak de derde man en zei, dat, als Amen hem beschermen wilde, hij over het Egyptische land een verderf zou zenden, voor den tijd van drie jaar. Toen de koning dat hoorde, beval hij, dat deze drie mannen voor hem gebracht werden.

Hij zei tot hen: „Wie uwer beweerde, dat hij kon maken, dat het volk van Egypte de maan, gedurende drie dagen en nachten, niet zou zien!” Zij antwoordden, dat het Horus was, de zoon van Tririt (zeug).

Wederom sprak de koning: „Wie uwer zei, dat hij kon maken, dat de koning van Egypte hierheen gebracht werd?” Zij antwoordden, dat het Horus, de zoon van Tnahsit, (de negerin) was.

Daarop sprak de koning: „Wie uwer beweerde, dat hij over Egypte een verderf zou zenden.” En zij zeiden, dat dit Horus, de zoon van Triphit (de prinses) was.

Daarop verzocht de koning Horus, den zoon van Tnahsit, naderbij te komen en sprak tot hem: „Bij Amen, den stier van Meroe, indien gij dat, wat gij gesproken hebt, vervullen kunt, zult gij rijkelijk beloond worden.”

Horus, de zoon van Tnahsit, vervaardigde daarop een draagbaar en vier dragers, van was. Over dezen sprak hij tooverwoorden uit, ademde over hen en gaf hun leven; ten slotte verzocht hij hen, op weg naar Egypte te gaan en den koning naar dit land mede te brengen, om vijfhonderd slagen met de zweep, voor het gezicht van den Negerkoning, te ontvangen.”

Hier hield Se-Osiris even op, richtte zich tot den Aethiopiër en sprak: „De vloek van Amen valle op U! Zijn de woorden, welke ik sprak, niet in den brief, welken gij in Uw hand houdt, geschreven?” De schelmachtige Aethiopiër boog diep voor hem en zeide: „Zij zijn werkelijk daarin geschreven, Heer!”

Hierna hervatte Se-Osiris het lezen van het tooververhaal:

„Alles geschiedde, zooals Horus, de zoon van Tnahsit, bepaald had. Door tooverkracht werd de Pharaoh naar het Negerland gevoerd en onderging daar vijfhonderd zweepslagen. Hierop werd hij naar Egypte teruggebracht en toen hij den volgenden morgen, in den tempel van Horus, ontwaakte, gevoelde hij hevige pijn, daar zijn lichaam gekneusd was.

Verbijsterd vroeg hij zijn hovelingen, hoe zoo iets in Egypte had kunnen gebeuren. Denkende, dat de koning plotseling waanzinnig geworden was en zich nog over hun gedachten schamend, spraken zij op liefkozende wijze tot hem en zeiden, dat de groote goden zijn smart zouden genezen. Zij vroegen hem tevens de beteekenis van zijn vreemde woorden en plotseling herinnerde hij zich alles, wat hem overkomen was en vertelde dit aan zijn hovelingen.

Tooverkunst tegenover Tooverkunst.

„Toen zij zijn gekneusd lichaam zagen, schreeuwden zij luid. Hierop liet de Pharaoh zijn oppertoovenaar halen en deze riep terstond uit, dat het ongeluk en de droefheid van den koning aan de tooverkunst der Aethiopiërs te wijten waren.

„Bij het leven van Ptah”, ging hij voort, „ik zal hen tot pijniging en kwelling brengen.”

De Pharaoh verzocht hem daarop, haast te maken, uit vrees, dat hij den volgenden nacht weer weggevoerd zou worden. De oppertoovenaar bracht zijn geheime boeken en amulets naar de plaats, waar de Pharaoh lag en sprak tooverwoorden en tooverformules uit.

Daarop scheepte hij zich, met veel geschenken, in en haastte zich, den tempel van Khmounon te bereiken; hier bad hij tot god Thoth, dat al het kwaad van den Pharaoh en het Egyptische land afgewend zou worden. Dien nacht sliep hij in den tempel en in een droom verscheen Thoth hem en onderrichtte hem in de goddelijke tooverkunst, welke den koning tegen de listen der Aethiopiërs beschermen moest.

Bij zijn ontwaken herinnerde de toovenaar zich alles en, zonder een oogenblik te verliezen, vervulde hij alles, wat hem in den droom verteld was. Daarop schreef hij het tooverformulier, om den Pharaoh tegen alle toovenarij te behoeden.

Op den tweeden dag deden de Aethiopiërs hun best, hun betoovering te hernieuwen, doch thans was alles, wat zij tegen den Pharaoh ondernemen wilden, zonder uitwerking. Den derden morgen vertelde de Pharaoh alles, wat gedurende den nacht geschied was en hoe de Aethiopiërs in hun pogingen gefaald hadden.

Daarop maakte de toovenaar een draagbed en vier dragers, van was. Hij sprak een tooverspreuk over hen uit, blies hun leven in en verzocht hen, den koning van de Negers voor den Pharaoh te brengen, om vijfhonderd slagen te ondergaan en vervolgens weer naar zijn land teruggebracht te worden. De figuren van was beloofden alles, wat de toovenaar hen bevolen had.”

Wederom hield Se-Osiris op en wederom vroeg hij den Aethiopiër, of zijn woorden niet die van den verzegelden brief waren. De Aethiopiër boog zich diep ter aarde en zei, dat het inderdaad de woorden van den brief waren.

Se-Osiris begon thans opnieuw de verborgen woorden op te lezen.

„Zooals het den Pharaoh overkomen was, zoo was ook het noodlot van den koning der Negers; deze ontwaakte eveneens den volgenden morgen met gekneusde ledematen. Luid riep hij zijn hovelingen en toen dezen den toestand, waarin hun koning zich bevond, zagen, begonnen zij heftig te schreeuwen. Nogmaals riep hij en beval, dat Horus, de zoon van Tnahsit, voor hem gebracht zou worden.

Toen deze gekomen was, dreigde hij hem en beval hem, naar Egypte te gaan en daar te leeren, hoe hij van de tooverkunsten van den oppertoovenaar van den Pharaoh, bevrijd zou kunnen worden.

Geen tooverformule echter, door den Aethiopiër bedacht, kon den koning tegen de tooverkunsten der Egyptenaren beschermen en driemaal werd hij naar dat land gebracht en vernederd, terwijl zijn lichaam hevig pijn deed, zoo vreeselijk was het gekneusd.

Daarop vervloekte hij Horus en dreigde hem met een langzamen en vreeselijken dood, als hij hem niet tegen Pharaoh’s wraak beschermen kon.

Horus, in vrees en angst, ging thans naar zijn moeder, Tnahsit en vertelde haar alles en zei, dat hij naar Egypte gaan moest, om hem te zien, die deze krachtige betoovering bewerkt had en hij moest trachten, hem op passende wijze te straffen.

Toen zijn moeder, Tnahsit, dit hoorde, waarschuwde zij hem er voor, in de tegenwoordigheid van den oppertoovenaar van den Pharaoh te komen; tegen hem toch zou hij nooit opgewassen zijn, doch steeds de nederlaag lijden.

Hij antwoordde echter, dat hij gaan moest. Zij spraken daarop met elkaar af, dat hij, door middel van teekens, haar zou laten weten, hoe het hem ging en indien hij in gevaar verkeerde, zou zij trachten, hem te redden. Aldus beloofde hij en zei, dat als hij overwonnen werd, dat, wat zij at en dronk en de lucht boven haar, in bloed veranderen zou.

De Strijd in Betoovering.

Hierna reisde hij naar Egypte en spoorde hem, wiens tooverkunsten de zijne overwonnen hadden, op. Hij drong door naar de audiëntie-zaal van den koning, ging voor den Pharaoh staan en riep met luide stem: „Wie onder u spreekt tooverspreuken over mij uit?”

De oppertoovenaar van den Pharaoh riep van zijn kant uit: „Ha, zijt gij de Aethiopiër, die kwaad verzon tegen den Pharaoh? En Horus, de zoon Tnahsit, begon in zijn angst teschreeuwen en deed in het midden van de hal een groote vlam opstijgen, door middel van een tooverspreuk; hierop riepen de Pharaoh en de Egyptenaren hun toovenaar luide toe, hun te hulp te komen. Deze liet daarop door zijn tooverkracht een regenbui neervallen, zoodat de vlam gedoofd werd. Ook de Aethiopiër echter, liet zijn tooverkunst werken en hierdoor bewerkte hij, dat een groote duisternis op hen allen neerviel, zoodat zij elkaar niet konden zien, doch ook deze werd door den Egyptenaar weggevaagd. Daarop volgden nog meer machinaties van Horus, den zoon van Tnahsit; telkens echter werd hij overwonnen. Ten slotte vroeg hij vergiffenis en beloofde plechtig, dat hij nooit meer Egypte, of den Pharaoh verontrusten zou. Zij gaven hem daarop een boot en zonden hem naar zijn eigen land terug. Zoo werden de tooverkunsten der Aethiopiërs tot niets teruggebracht”.

Thoth en de oppertoovenaar.
Thoth en de oppertoovenaar.

Thoth en de oppertoovenaar.

Evelyn Paul.

Hiermede eindigde Se-Osiris het lezen van den verzegelden brief. Daarop begon hij aan allen, die daar aanwezig waren, den Pharaoh, de prinsen en de edelen, te openbaren, dat de Aethiopiër, dien zij voor zich zagen, niemand anders was dan Horus, de zoon van Tnahsit, na vijfhonderd jaar teruggekeerd, om Egypte en den Egyptischen koning, nogmaals te verontrusten.

Hij zelf echter, Se-Osiris, was voor dezen dag geboren, want hij was de vroegere oppertoovenaar van den Pharaoh Manakhpre, die nog eenmaal teruggekomen was, om den Pharaoh tegen de listen der Aethiopiërs te beschermen.

Tegelijk, dat hij deze woorden sprak, deed hij een groote vlam opstijgen, om den Aethiopiër te verteren, daar, in het midden van de audiëntie-zaal, zoodat er geen spoor meer van hem overbleef.

Toen zij echter hierop naar Se-Osiris omkeken, was hij, als een schaduw, voor de oogen van den Pharaoh en zijn vader Setne verdwenen en nooit heeft men hem weergezien.

Ieder was ten hoogste verbaasd over hetgeen gebeurd was en Pharaoh zei, dat Se-Osiris de wijste en de verwonderlijkste van alle toovenaars was en dat de wereld zijns gelijke nooit zien zou.

De harten van Setne en zijn vrouw waren echter bedroefd over het verlies van hun zoon, Se-Osiris. Hierna echter werden zij wederom getroost, want de vrouw van Setne baarde een zoon en dezen noemden zij Ousimanthor. Zoo werd het hart van Setne weer verheugd en hij bracht offers aan de nagedachtenis van Se-Osiris.

Hoe Setnau de Assyriërs overwon.

Na de regeering van Amasis, besteeg een priester van „Vulcanus”, Setnau genaamd, den troon. Deze koning nu behandelde het leger met minachting, want hij dacht, dat hij het niet noodig had. Onder andere onrechtvaardige daden, eigende hij zich ’t land toe, dat vroegere koningen aan het leger gegeven hadden.

Het geschiedde nu, dat, toen Sennacherib, koning der Arabieren en Assyriërs, zijn strijders tegen Egypte voerde, de Egyptische soldaten weigerden te strijden, om hen af te weren.

Setnau, aldus tot moedeloosheid gebracht, ging naar den tempel en bad tot de goden, hem in zijn groote verlegenheid te helpen. Terwijl hij aldus verontrust was, overviel hem de slaap en in een droom scheen het hem toe, dat de god zelf hem verscheen en hem aanspoorde, goeden moed te houden, terwijl hij zei, dat alles in den strijd tegen de Assyriërs goed zou afloopen.

Door dezen droom ten zeerste versterkt, deed hij een beroep op hen van het leger, die hem volgen wilden en dezen kampeerden bij Pelusium, den voornaamsten toegangsweg naar Egypte. Niet alleen soldaten volgden hem, doch ook kooplieden, kunstenaars en de eerste de beste personen.

Toen nu de Assyriërs de stad belegerden en zij in het veld gekampeerd waren, knaagde des nachts een leger van ratten alle pijlkokers, bogen en monteeringen der schilden door en verslond dezen, zoodat, toen zij den volgenden morgen strijden wilden, zij zonder wapens waren.

Aldus weerloos, vluchtten vele der vijanden en verscheidene kwamen om.

Nu nog bevindt zich in den tempel van Vulcanus een steenen beeltenis van dien god, die een rol in de hand houdt, en het opschrift daarop luidt: „Wie mij ziet, ziet God”.

De Boer en de Werkman.

Een verhaal uit de 9e dynastie, dat, naar men uit het groot aantal, nog bestaande copieën, kan opmaken, zeer populair geweest schijnt te zijn, verhaalt ons, hoe een boer, die beroofd was, er in slaagde, recht te krijgen. Gerechtigheid kon men in Egypte niet gemakkelijk verkrijgen in die tijden, want het schijnt een vereischte geweest te zijn, dat een boer, door bijzondere middelen, de aandacht van den rechter trok, om kans te hebben, dat zijn zaak verhoord werd.

De geschiedenis nu luidt aldus:

In het Zoute Land woonde een sekhti (boer) met zijn familie. Hij leefde van handel met Henenseten in zout, natron, bier en andere producten van zijn land en op zijn reis daarheen, moest hij door de landen van het huis van Fefa gaan.

Nu woonde daar, bij het kanaal, een man, Tehuti-nekht genaamd, de zoon van Asri, een lijfeigene van den hoogen rentmeester Meruitensa.

Tehuti-nekht had zoo’n groot stuk van den weg in beslag genomen (immers in Egypte worden de wegen en paden niet, zooals in andere landen, door de wet beschermd), dat er slechts een smalle strook overgelaten werd, met het kanaal aan de eene, en een korenveld aan de andere zijde.

Toen Tehuti-nekht den boer, met zijn beladen ezels, naderen zag, begeerde zijn boos hart de dieren en de waren, welke zij droegen, te bezitten en hij riep de hulp der goden in, om hem een weg te openen, de bezittingen van den sekhti te stelen.

Het volgende listige plan bedacht hij thans. „Ik zal een doek nemen, aldus redeneerde hij bij zichzelf en dezen op het pad uitspreiden. Als de sekhti nu zijn ezels daarover drijft (en een andere weg is er niet), zal ik gemakkelijk twist met hem kunnen zoeken”. Zoo gezegd, zoo gedaan. Een dienaar nam, op Tehuti-nekht’s verzoek, een doek, en spreidde dezen over het pad, zoodat het ééne einde daarvan in het water en het andere in het koren hing.

Toen de sekhti naderbij kwam, dreef hij zijn ezels over den doek, immers, hij had geen andere keus.

„Houd op, riep Tehuti-nekht met goed geveinsde woede, je bent toch niet van plan, je dieren over mijn doek te drijven?”

„Ik zal trachten dit te vermijden,” zei de grootmoedige boer en hij liet zijn volgende ezels, meer zijwaarts, door het koren, gaan.

„Ben je van plan, je ezels door mijn koren te drijven?” zei Tehuti-nekht, nog boozer dan zoo even.

„Er is toch geen andere weg”, zei de boer in zijn verwarring. „Je hebt den weg door je doek versperd en op jouw bevel moet ik dit pad verlaten”.

Terwijl de twee hierover twistten, nam één van de ezels zijn bek vol koren; hierop braken Tehuti-nekht’s klachten opnieuw uit.

„Zie eens”, schreeuwde hij, „je ezel eet mijn koren op; ik zal hem in beslag nemen en hij zal voor den diefstal betalen”.

„Moet ik, in de landen van den rentmeester Meruitensa, mij laten berooven, hij, die roovers zoo streng straft? Kom, ik zal naar hem gaan. Hij zal deze misdaad van jou niet dulden”.

„Denk je, dat hij naar jouw klachten zal luisteren”, snauwde Tehuti-nekht. „Wie zal op jouw ongeluk, arm als je bent, letten? Kijk, ik ben de rentmeester” en terwijl hij dit zeide, sloeg hij den sekhti hevig, nam al zijn ezels en dreef dezen de weide in.

Tevergeefs weende de sekhti en smeekte hem, zijn eigendom terug te geven. Tehuti-nekht beval hem, zich stil te houden en dreigde, hem naar den Demon der Stilte te zenden, indien hij met klagen voortging. Desniettemin verzocht de sekhti hem een dag uitstel. Tenslotte zag hij in, dat hij zijn tijd verspilde en nam zijn toevlucht tot Henen-ni-sut en legde den rentmeester Meruitensa zijn zaak bloot.

Toen hij aankwam vond hij, dat deze zich gereedmaakte, zich in te schepen in zijn schip, dat hem naar de rechtszaal brengen zou. De sekhti maakte een diepe buiging en vertelde den rentmeester, dat hij hem een grief voor te leggen had en verzocht, één van zijn gevolg te zenden, om dien het verhaal mede te deelen.

De rentmeester willigde het verzoek van den smeekeling in en zond hem iemand uit zijn gevolg. Den bode vertelde de sekhti alles, wat op zijn reis had plaats gevonden, de wijze, waarop Tehuti-nekht het pad afgesloten had, om hem te dwingen, door het koren te gaan en de wreede wijze, waarop hij hem geslagen en zijn eigendom afgenomen had. Op den bepaalden tijd werden deze zaken aan den rentmeester verteld en deze legde ze aan de edelen, die met hem in de gerechtszaal vereenigd waren, voor.

„Laat deze sekhti een getuige voorbrengen”, zeiden zij „en als hij deze zaak bevestigt, zal het noodig zijn Tehuti-nekht een pak slaag te laten geven, of misschien zal hij een schadevergoeding voor het zout en den natron, welke hij gestolen heeft, kunnen betalen”.

De rentmeester zei echter niets en de sekhti zelf kwam bij hem en prees hem als den grootsten onder de grooten, den vader der weezen, den echtgenoot der weduwen, den gids van de behoeftigen en zoo voorts.

De sekhti was zeer welsprekend en in zijn gloeiende toespraak verbond hij op behendige wijze zijn lofuitingen met zijn pleit voor rechtvaardigheid, zoodat de rentmeester vanzelf belangstellend en gevleid werd.

In dien tijd zat koning Nep-ka-n-ra op den Egyptischen troon; tot hem kwam de rentmeester Meruitensa en sprak:

„Heer, zie, ik ben door een sekhti, wiens goed men gestolen heeft, bezocht. Hij is de welsprekendste van alle stervelingen. Wat wil mijn Heer, dat ik voor hem doe?”

„Antwoord niets op zijn toespraken”, sprak de koning, doch laat zijn woorden opschrijven en breng ze mij. Zie toe, dat zijn vrouw en kinderen van eten en drinken voorzien worden, maar laat hem niet weten, wie het geeft”.

De rentmeester deed daarop, zooals de koning bevolen had. Hij liet den boer een dagelijksche portie brood en bier geven en aan diens vrouw voldoende koren, om haar en haar kinderen te voeden. De sekhti echter wist niet, van wien het voedsel kwam.

De boer begaf zich voor de tweede maal naar de gerechtszaal en stortte zijn klachten voor den rentmeester uit; voor den derden keer kwam hij en de rentmeester liet hem zeggen, dat hij met stokken geslagen zou worden, om te zien, of hij met zijn bezoeken op zou houden.

Doch neen, de sekhti kwam een vierde, vijfde en zesde maal en poogde, door aangename toespraken, de ooren van den rechter te openen. Meruitensa luisterde in ’t geheel niet naar hem, doch de sekhti wanhoopte niet, doch kwam nog eens voor den negenden keer.

Toen hij voor de negende maal kwam, zond de rentmeester twee uit zijn gevolg naar den sekhti; de boer werd thans zeer bevreesd, want hij vermoedde, dat hij nog eens op ellendige wijze geslagen zou worden. De boodschap was echter een zeer aangename. Meruitensa liet zeggen, dat hij over de welsprekendheid van den boer zeer verheugd was en dat hij trachten wilde, hem voldoening te schenken.

Daarop liet hij de verzoeken van den sekhti op helder witte papyri schrijven en aan den koning zenden, zooals deze hem opgedragen had. Neb-ka-n-ra schepte eveneens zeer veel behagen in de toespraken, doch liet de beslissing geheel aan den rentmeester over.

Meruitensa beroofde Tehuti-nekht daarop van al zijn ambten en eigendommen, gaf hem aan den sekhti over en deze woonde daarna, met zijn geheele familie, in het paleis van den koning. De sekhti werd de hoofdopzichter van Neb-ka-n-ra en werd door hem zeer geliefd.

Geschiedenis van de twee broeders.

Het manuscript van dit verhaal, uit de negentiende dynastie, werd, in Italië, door Mevrouw Elizabeth d’Orbiney gekocht en wordt de d’Orbiney Papyrus genoemd. In 1857 kwam het in bezit van het Britsch Museum en werd gecopieerd. Herhaalde malen is het vertaald.

Het manuscript bestaat uit negentien pagina’s, ieder van tien regels, terwijl de vijf eerste vrij gescheurd zijn. Verschillende hiaten zijn door de moderne bezitters van het manuscript aangevuld en de herstellingen worden aangewezen.

Het oorspronkelijke manuscript is op twee plaatsen met den naam van den oorspronkelijken eigenaar, Sety Merenptah, dien wij onder den naam van Sety II kennen, gemerkt. Het werd door Anena, een schrijver, die gedurende de regeeringen van Ramses II, Merenptah en Sety II leefde, gemaakt en is meer dan drieduizend jaar oud. Bitou, de held der geschiedenis, een herder en huisvader, is misschien met den Griekschen god Bitys identisch.

Anapou en Bitou waren twee broers, die langen tijd geleden leefden. Aan Anapou, als oudsten, behoorde het huis, het vee en de velden; Bitou, de jongste, werkte voor zijn broer.

Bitou was in zijn zorg voor het vee en alles, wat op den landbouw betrekking had, zeer kundig, hij kon zelfs vertellen, wat de koe tot hem en ieder ander zei. Toen de broers op zekeren dag op het veld werkten, zond Anapou Bitou naar huis, om een groote hoeveelheid zaad te halen, want hij had gezien, dat het tijd werd te zaaien.

Bitou ging het zaad halen en na hun dagelijkschen arbeid keerden de twee terug en vonden de vrouw van Anapou jammeren; zij zeide, dat zij door Bitou hevig afgeranseld was, omdat zij hem, toen hij het zaad was komen halen, iets niet had willen geven, wat hij haar gevraagd had.

Anapou trachtte daarop Bitou heimelijk te dooden, maar deze, door de koe gewaarschuwd, vluchtte.

Zijn broer haalde hem in, doch de god Phra-Harmakhis deed een breede stroom, vol krokodillen tusschen hen oprijzen en Bitou vroeg zijn broer tot het aanbreken van den dag te wachten; dan zou hij alles, wat geschied was, uitleggen.

Toen nu de dag aangebroken was, vertelde Bitou aan Anapou de waarheid en weigerde tevens, ooit naar het huis, waar zich Anapou’s vrouw bevond, terug te keeren.

„Ik zal”; zeide hij, „naar de vallei der acacia’s gaan. Luister nu, wat gebeuren zal. Ik zal, door tooverkunst, mijn hart uitrukken, zoodat het op de bovenste tak van den acacia gelegd wordt. Indien de acacia afgesneden wordt en mijn hart op den grond valt, moet gij komen en het zoeken. Als gij zeven jaren gezocht hebt, word dan niet ontmoedigd, doch berg het in een vat met koud water, dat zal mij weer tot het leven terugbrengen. Ik zal zeker weer leven en mij op mijn vijanden wreken.

Gij zult kunnen weten, dat er iets gewichtigs met mij zal gebeuren, indien u een kruik bier gegeven wordt en het schuim er over heen zal loopen. Daarna zal men u een kruik wijn geven, waarvan het bezinksel naar boven zal komen. Rust niet, wanneer deze dingen gebeuren”.

Hij ging naar de vallei, zijn broer keerde naar huis terug, doodde zijn vrouw en treurde over zijn broer.

Bitou bracht zijn dagen, in de vallei, met jagen door en ’s nachts sliep hij onder den acacia; op den top van dezen bevond zich zijn hart. Op zekeren dag ontmoette hij de negen goden en dezen gaven hem de dochter van de goden tot vrouw; de zeven Hathors echter zwoeren, dat zij door het zwaard sterven zou. Hij vertelde haar het geheim van den acacia en tevens, dat ieder, die den acacia zou vinden, met hem zou moeten vechten.

Het verraad van Bitou’s Vrouw.

Toen de Pharaoh over deze schoone vrouw hoorde vertellen, wenschte hij haar te bezitten en zond gewapende mannen naar de vallei, doch Bitou doodde hen allen. Pharaoh ontvoerde haar ten slotte door list en maakte haar tot zijn gunstelinge. Zij vertelde hem het geheim van haar man en verzocht hem, den acacia om te hakken; dit werd overeenkomstig haar wensch volvoerd en Bitou viel op hetzelfde oogenblik dood neer.

Daarop geschiedde, wat Bitou zijn broer voorspeld had. Schuimend bier werd hem gebracht en daarbij werd wijn troebel, terwijl hij den beker vasthield. Door deze teekenen wist hij, dat de tijd om te handelen, gekomen was. Hij nam zijn kleeren, wapens en sandalen op en begaf zich op weg naar de vallei.

„Wie zijt gij?”
„Wie zijt gij?”

„Wie zijt gij?”

Evelyn Paul.

Daar aangekomen, vond hij zijn broer dood neerliggen op zijn bed. Hij begaf zich daarop naar den acacia, om het hart van zijn broer te zoeken, doch kon slechts een bes vinden, deze echter was het hart. Hij legde deze in koud water en Bitou werd aan het leven teruggegeven.

Zij omarmden elkander en Bitou sprak tot zijn broer: „Ik zal nu een heilige stier (Apis) worden. Leid mij dan voor het aangezicht van den Pharaoh, deze zal je rijkelijk met goud en zilver begiftigen, om je te beloonen, dat je mij bij hem gebracht hebt. Ik zal de middelen uitvinden, om mijn vrouw voor haar verraad te straffen”.

Anapou deed, zooals Bitou aangaf en toen de zon den volgenden morgen opkwam en Bitou de gedaante van een stier aangenomen had, leidde Anapou hem naar het hof. Er heerschte groote vreugde over den prachtigen stier en Pharaoh beloonde Anapou rijkelijk en onderscheidde hem boven alle andere mannen.

Eenige dagen later trad de stier den harem binnen en sprak zijn vroegere vrouw aldus aan: „Gij ziet, ik ben toch nog in leven”. „Wie zijt gij”, vroeg zij. Hij antwoordde: „Ik ben Bitou. Gij wist heel goed, wat gij deedt, toen gij Pharaoh verzocht, den acacia om te hakken”.

De vrouw was hierover zeer verschrikt en verzocht den Pharaoh, haar ieder verzoek, wat zij doen zou, in te willigen. De Pharaoh beminde haar zoo zeer, dat hij haar niets weigeren kon en gaf haar reeds bij voorbaat zijn inwilliging: „Geef mij dan”, zoo sprak zij, „de lever van den heiligen stier, om die op te eten, want niets anders zal mij voldoen”.

Pharaoh was zeer bedroefd, toen hij dit hoorde; hij had echter gezworen en op zekeren dag, toen het volk aan den stier offers bracht, zond hij zijn slagers, om het dier de keel af te snijden. Terwijl de stier geslacht werd, vielen er twee dikke bloeddroppels van zijn nek en terwijl zij verder vlogen, totdat zij de deuropening van het paleis bereikt hadden, schoten zij daar in de gestalte van twee groote boomen op, een aan iedere zijde van het portaal.

Het volk verheugde zich wederom over dit tweede wonder en bracht aan de twee boomen offers.

Langen tijd hierna werd de Pharaoh in zijn stoel van electrum, getooid met de kroon van lapis-lazuli en een krans van bloemen om zijn hals, naar buiten gedragen, om de twee boomen te bezichtigen. Zijn gunstelinge, Bitou’s vrouw, werd achter hem gedragen en zij werden, ieder onder een boom, neergezet. Daarop fluisterde de boom, waaronder de vrouw zat, tot haar: „Trouwelooze vrouw! Ik ben Bitou en nog steeds ben ik in leven. Gij maaktet, dat de Pharaoh den boom omhakte en mij doodde. Daarop werd ik een stier en wederom hebt gij mij laten dooden”.

Later, toen zij met den Pharaoh aan tafel zat, liet zij hem een anderen eed zweren, om, wat zij ook vragen zou, uit te voeren en de Pharaoh zwoer wederom. Daarop zeide zij: „Laat deze twee boomen omhakken en maak er twee balken uit”.

Haar verzoek werd ingewilligd, doch toen de twee boomen omgehakt werden, vloog een splinter in haar mond. Na een tijd bracht zij een kind, van het mannelijk geslacht, voort, dat de Pharaoh buitengewoon liefhad en Prins van den Boven-Nijl maakte; toen Pharaoh stierf, volgde Bitou, want hij was dit kind, hem op. Daarna riep hij alle hooge ambtenaren op, liet zijn vrouw voor zich brengen en vertelde hun alles, wat geschied was. Daarna werd zij ter dood gebracht.

Bitou regeerde nog twintig jaren; daarop regeerde zijn broer Anapou, dien hij tot zijn opvolger aangesteld had, in zijn plaats.

De vervloekte Prins.

Deze geschiedenis kan men in den Harris Papyrus, in het Britsch Museum, vinden. Toen zij voor het eerst ontdekt werd, was zij compleet, doch een ongelukkig toeval vernietigde haar gedeeltelijk, zoodat het eind der geschiedenis verloren gegaan is. Men vermoedt, dat zij uit het einde der 18e dynastie dateert.

Er leefde eens een koning, die bedroefd in zijn hart was, omdat hem geen zoon geboren was. Hij bad tot de goden, hem zijn wensch te vervullen en zooals hij gebeden had, besloten zij, hem ter wille te zijn. Zijn vrouw bracht een zoon ter wereld.

Toen de Hathors over zijn lot beslissen zouden, zeiden zij: „Zijn dood zal door een krokodil, een slang, of een hond plaats hebben.” Zij, die rondom stonden, haastten zich, toen zij dit hoorden, het aan den koning te vertellen; deze was hierover zeer bedroefd en bevreesd.

Met het oog op hetgeen hij gehoord had, liet hij een huis op de bergen bouwen, richtte het rijkelijk in, met alles, wat men begeeren kon, opdat het kind nooit op reis zou behoeven te gaan.

Toen de knaap grooter geworden was, ging hij op zekeren dag naar het dak en van hieruit zag hij op den weg een hond, welke een man volgde. Daarop richtte hij zich tot zijn bediende en zei: „Wat is dat, wat dien man op den weg volgt?” Men vertelde hem, dat dit een hond was.

Terstond begeerde het kind een hond te hebben en toen men den koning zijn verlangen vertelde, kon hij hem dit niet weigeren, uit vrees, dat zijn hart bedroefd zou zijn.

Terwijl de tijd voortsnelde en het kind tot een man opgroeide, werd hij weerspannig en toen men hem het besluit der Hathors vertelde, zond hij terstond een boodschap naar zijn vader en zei: „Komaan, waarom word ik als een gevangene behandeld? Hoewel ik tot drie ongelukken veroordeeld ben, laat mij toch aan mijn verlangens toegeven. Laat God zijn wil vervullen”.

Na dezen tijd was hij vrij en deed hetzelfde als de andere menschen. Men gaf hem wapens en men stond toe, dat zijn hond hem volgde; zij brachten hem naar het Oostelijke land en zeiden tot hem: „Zie, gij zijt vrij om te gaan, waarheen gij wilt”.

Hij richtte zich daarop naar het Noorden, terwijl zijn hond hem volgde en zijn ingeving bepaalde zijn weg. Zij leefden van het uitgezochtste wild der woestijn. Daarop kwamen zij bij den vorst van Nahairana. Deze had slechts één kind, een dochter. Voor haar had hij een huis met zeventig vensters, welke zeventig el van den grond verwijderd waren, laten bouwen. Hier had de vorst alle zonen van de vorsten uit het land Khalu laten brengen en tot hen gezegd: „Hij die één van de vensters bereiken kan van het paleis van mijn dochter, zal haar tot vrouw krijgen”.

Eenigen tijd, nadat de vorst dit bekend had laten maken, was de prins aangekomen en het volk van den vorst van Nahairana nam den jongeling op en behandelde hem met groote onderscheiding en vriendelijkheid.

Toen hij van hun voedsel genuttigd had, vroegen zij hem, vanwaar hij gekomen was. Hij antwoordde hun: „Ik kom uit Egypte; ik ben de zoon van een officier uit dat land. Mijn moeder is gestorven en mijn vader heeft een tweede vrouw gehuwd, doch deze begon, toen zij zelf kinderen kreeg, mij te haten. Daarom ben ik haar tegenwoordigheid ontvlucht”. Toen zij dit hoorden, waren zij bedroefd over hem en omhelsden hem.

Op zekeren dag vroeg hij de jongelingen, die aan het klimmen waren, wat zij daar uitvoerden. En toen zij hem vertelden, dat zij één der vensters trachtten te bereiken, om aldus de prinses tot vrouw te krijgen, besloot hij, het waagstuk eveneens te beproeven, want uit de verte had hij het gezicht van de prinses, die vanuit haar venster naar hem gekeken had, gezien.

Hij klom werkelijk naar boven en bereikte het venster. De prinses was zoo verheugd, dat zij hem omhelsde en kuste. Zij zond ook, in de meening, het hart van haar vader te verblijden, een boodschap naar dezen en liet hem het volgende berichten: „Eén van de jongelingen heeft het venster bereikt”. De vorst liet vragen, wie van de jongelingen dit volvoerd had en men vertelde hem, dat het de vluchteling uit Egypte was.

Op dit bericht werd de vorst toornig en beweerde, dat zijn dochter voor een Egyptisch vluchteling geen partij was. „Laat hem daarheen gaan, vanwaar hij komt”, riep hij uit.

Een dienaar haastte zich den jongeling te waarschuwen, doch het meisje hield hem vast en wilde hem niet laten gaan. Zij zwoer bij de goden en zei: „Bij Ra Harakhti, indien hij van mij weggenomen wordt, zal ik noch eten, noch drinken en dan zal ik sterven”.

Men vertelde den vader haar gelofte en toen deze dit hoorde, zond hij iemand om den jongeling te dooden, wanneer hij zich in zijn huis bevinden zou. De prinses echter, had hiervan een voorgevoel en zei wederom: „Bij den grooten god Ra, indien hij gedood wordt, zal ik, voor het ondergaan der zon, sterven. Indien ik van hem gescheiden word, wil ik niet langer leven”.

Wederom bracht men haar woorden aan den vorst over. Hij liet daarop zijn dochter en den jongeling voor zich brengen; in den beginne was deze bevreesd, doch de vorst omhelsde hem hartelijk en sprak: „Vertel mij, wie gij zijt, want nu zijt ge even goed als een zoon van mij”.

Hij antwoordde: „Ik kom uit Egypte, ik ben de zoon van een officier uit dat land. Mijn moeder is gestorven en mijn vader heeft een tweede vrouw gehuwd; deze begon mij, toen zij kinderen kreeg, te haten. Daarom ben ik voor haar aangezicht gevlucht”.

Daarop gaf de vorst hem zijn dochter tot vrouw; hij gaf hem een huis, slaven, land, vee en alle andere goede gaven.

Er verliep een tijd. Op zekeren dag vertelde de prins zijn vrouw over zijn noodlot en zeide: „Drie kwade dingen zijn mij beschoren, namelijk te sterven door een krokodil, een slang, of een hond”. Haar hart vervulde zich, op het hooren van deze woorden, met groote vrees. Zij sprak daarop tot hem: „Laat dan iemand den hond, welke u volgt, dooden”.

Hij vertelde haar echter, dat dit onmogelijk was, want hij had dezen zelf grootgebracht.

Ten laatste wenschte de jongeling naar Egypte te reizen en zijn vrouw, voor hem bezorgd, wilde hem niet alleen laten gaan, en daarom ging zij met hem mede.

Zij kwamen bij een stad en daar was de krokodil der rivier. Nu leefde er in die stad een groot en machtig man en deze bond den krokodil vast en liet niet toe, dat deze ontsnapte. Wanneer hij vastgebonden was, voelde de machtige man zich rustig en wandelde naar buiten. Als de zon opkwam, ging de man weer naar zijn huis terug en dit deed hij iederen dag, twee maanden lang.

Hierna, toen de tijd voorbijging, zat de jonge man op zijn gemak, in zijn huis. Toen de nacht inviel, legde hij zich op zijn legerstede en de slaap overviel hem. Zijn vrouw vulde hierop een beker met melk en zette dezen naast hem. Daar kwam een slang uit een hol te voorschijn en beproefde den man te bijten, doch zijn vrouw zat naast hem en hield de wacht.

Toen de bedienden de slang zagen, gaven ze haar melk te drinken en zij dronk deze op en legde zich op haar rug. Toen de vrouw dit zag, doorboorde zij de slang met haar dolk. Hierna ontwaakte haar echtgenoot en was zeer verbaasd, toen hij dit alles hoorde. „Zie”, zei zij tot hem, „uw god heeft u een van uw kwaden in uw hand gegeven. Zonder twijfel zal hij u ook de twee andere geven”.

De jonge man bracht daarop offers aan de goden en prees hen voortdurend.

Op zekeren dag, na deze gebeurtenis, wandelde de jonge man buiten in zijn landerijen en zijn hond volgde hem. Deze zat wild achterna en hij volgde den hond, welke zich in de rivier stortte. Hij ging eveneens in de rivier, doch daar kwam de krokodil plotseling te voorschijn en deze nam hem mee naar de plaats, waar de machtige man leefde. En terwijl de krokodil hem voortsleurde, zei hij tot den jongen man: „Zie, ik ben uw kwaad, dat u volgt”.…

Hier is de papyrus zoo buitengewoon verminkt, dat wij waarschijnlijk nooit te weten zullen komen, wat er met den prins gebeurde. Werd hij ten slotte door den krokodil verslonden? Of bracht zijn trouwe hond hem in nog ernstiger gevaren? Laat ieder gerust het einde aan het verhaal maken, dat hij wenscht!

Het Bezoek van Ounamounou aan de kust.

Op den 16en dag van de 13e maand, de oogstmaand, ging Ounamounou, de opperpriester van den tempel van Ra, op reis, om hout te koopen voor het vervaardigen van de heilige boot van de goden.

„Toen ik in Tanis kwam”, zegt hij, „vaardigde ik de edicten van Ra uit; dezen lazen zij en besloten, hieraan te gehoorzamen. Ik bleef tot de 14e maand, Shomou, te Tanis; toen ging ik scheep naar de Syrische zee. Toen het schip te Dora, een stad van Zakkala aankwam, zond de vorst van de plaats, Badil, mij brood, vleesch en wijn.

In deze plaats deserteerde een van van het vaartuig en nam veel goud en zilver met zich mede. Hierna ging ik naar den vorst en deed hem mijn beklag en zei, dat het geld aan Amen-Ra toebehoorde.

De vorst antwoordde, dat hij niets daarvan af wist, doch indien de roover in zijn land was, zou hij mij uit zijn eigen schatkist schadeloos stellen; indien, in het andere geval, de roover tot mijn gezelschap behooren zou, moest ik daar eenige dagen blijven en in dien tijd zou hij naar den dief een onderzoek instellen.

Negen dagen bleef ik in die haven. Daarop begaf ik mij wederom naar den vorst en zei tot hem: „Gij hebt het gestolen geld nog niet gevonden. Ik moet echter vertrekken. Indien gij, in mijn afwezigheid, het geld vinden zult, bewaar het dan tot mijn terugkomst”. Dit werd tusschen ons aldus afgesproken.

Daarop scheepte ik mij weer in en bereikte Tyrus; aan den vorst van die stad, vertelde ik wederom mijn verlies, doch daar hij een vriend van Badil was, wilde hij niet naar mij luisteren en bedreigde mij. Bij het aanbreken van den dag, zetten wij koers in de richting van Byblos en op weg daarheen, haalde ons een schip van Zakkala, dat een kist aan boord had, in.

Toen ik de kist opende, ontdekte ik geld en nam dit in bezit. Ik zei tot hen, dat ik het nemen en bewaren wilde, totdat mijn gestolen geld mij teruggegeven was. Toen zij zagen, dat ik vastbesloten was, schikten zij zich in den toestand en verlieten mij; ten slotte bereikten wij Byblos.

Daar ging ik uit het schip en nam den naos, welke het beeld van Amen-Ra bevatte en ik had den schat daarin gedaan. De vorst van Byblos echter, verzocht mij, weg te gaan. Ik zei tot hem: „Is dit, omdat de mannen van Zakkala u verteld hebben, dat ik hun geld genomen heb? Dat geld is het mijne, want in hun haven werd het goud van Amen-Ra gestolen”. Gedurende negentien dagen bleef ik in hun haven en iederen dag zond de vorst mij een boodschap, met het verzoek, te vertrekken.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings