De vereering van Osiris.
Johan Willem van Rooyen translation
Osiris.
Een van de voornaamste figuren in het Egyptisch pantheon, doch tevens een, waarvan de oorsprong moeilijk op is te sporen, is Osiris of As-ar. De oudste en eenvoudigste aanduiding voor den naam wordt uitgedrukt door twee hieroglyphen, welke een troon en een oog voorstellen. Intusschen geeft dit weinig aanwijzing voor de beteekenis van den naam. Zelfs de latere Egyptenaren waren met de afleiding daarvan onbekend, want zij dachten, dat de beteekenis was: „de kracht van het oog”, d.w.z. de kracht van den zonnegod Ra.
De tweede lettergreep van den naam, ar, kan misschien in verbinding staan met Ra, zooals we later zullen zien. In de tijden der dynastieën werd Osiris als de god van den dood en de onderwereld beschouwd. Hij nam inderdaad dezelfde positie in die streken in als Ra onder de levenden. Wij moeten ons tevens herinneren, dat het onderaardsch koninkrijk het rijk van de duisternis was.
Het ontstaan van Osiris is buitengewoon duister. Uit de teksten kunnen wij niet te weten komen, waar, of wanneer men het eerst met zijn vereering begonnen is, maar het is zeker, dat deze ouder is dan eenige tekst. De oudste centra van zijn vereering onder de dynastieën waren Abydos en Mendes.
Misschien wordt hij afgebeeld op het bovenste gedeelte van den scepter van Narmer, te Hieraconpolis gevonden en op een houten plaquet van Udy-mu (Den) of Hesepti, den 5en koning der 1e dynastie; dezen ziet men afgebeeld voor hem dansende.
Dit zou dus bewijzen, dat er gedurende de 1e dynastie te Abydos een middelpunt van Osiris-vereering was. Toespelingen echter in de Pyramidenteksten lichten ons in, dat nog, voor dien, heiligdommen voor Osiris in verschillende deelen van het Nijldal zijn opgericht. Zooals in een hoofdstuk van het Boek der Dooden geschetst wordt, woont Osiris vreedzaam in de onderwereld met de rechtvaardigen, terwijl hij de zielen der afgestorvenen oordeelt, wanneer zij voor hem zijn verschenen. Dit paradijs was onder den naam van Aaru bekend en het is de moeite waard om op te merken, dat, hoewel men oorspronkelijk aannam, dat het zich in de lucht bevond, men het later in de onderwereld plaatste.
Men beeldt Osiris gewoonlijk af, in mummiewindsels gehuld, terwijl hij de witte kegelvormige kroon van het Zuiden draagt. Dr. Budge zegt aangaande hem: „Alles wat de teksten van alle tijden over hem overleveren, laten ons zien, dat hij een inheemsch god van Noord-Oost-Afrika was en dat zijn woonplaats en afkomst waarschijnlijk Libye was”.
In elk geval mogen wij aannemen, dat Osiris een Afrikaansch god van oorsprong was en hij een inboorling was van den bodem van het Zwarte Vasteland.
De Osiris-mythe.
Plutarchus is onze voornaamste bron voor de Osiris-legende. In de Egyptische teksten kan men geen complete vertaling van het verhaal vinden, ofschoon dezen de verhalen van de Grieksche mythe bevestigen. Het volgende is een korte uiteenzetting van de mythe, zooals in Plutarchus’ „De Iside et Osiride”, wordt verhaald:
Rhea (de Egyptische Nut, de godin van den hemel) was de vrouw van Helios (Ra). Zij werd echter door Kronos (Geb) geliefd en beantwoordde zijn genegenheid. Toen Ra de ontrouw van zijn vrouw ontdekte, was hij vreeselijk vertoornd en sprak een vervloeking tegen haar uit, terwijl hij zeide, dat haar kind in geen enkele maand, of jaar, zou geboren worden.
Nu kon de vloek van Ra, den almachtige, niet afgewend worden, want Ra was de opperste van alle goden. In haar nood riep Nut de hulp in van den god Thoth (den Griekschen Hermes), die haar eveneens beminde. Thoth wist, dat de vervloeking van Ra vervuld moest worden, maar hij vond door een zeer slim plan een uitweg voor de moeilijkheid.
Hij ging tot Silene, de godin der maan, wier licht met dat van de zon wedijverde en daagde haar tot een spel uit. De inzet was aan beide zijden hoog, maar Silene zette een deel van haar licht in, het 17e deel van elk van haar verlichtingen en verloor.
Zoo komt het, dat haar licht somtijds vermindert en afneemt, zoodat zij niet langer de mededingster van de zon is. Uit het licht, dat hij van de maangodin Thoth had gewonnen, maakte Thoth vijf dagen en voegde dezen bij het jaar, dat in dien tijd uit 360 dagen bestond en wel op zoodanige wijze, dat zij noch tot het voorafgaande, noch tot het volgende jaar, noch tot eenige maand behoorden.

Osiris.
Na verloop van tijd werden de profetieën aangaande Osiris vervuld en hij werd een groot, wijs koning. Het Egyptische land bloeide onder zijn bestuur, zooals het nooit tevoren had gedaan. Evenals verscheidene andere halfgoden stelde hij zich tot taak, zijn volk te beschaven, daar dit bij zijn komst zich in zeer barbaarschen toestand bevond en zich overgaf aan kannibalisme en andere wilde praktijken.
Hij gaf het volk een wetboek, onderwees het in den landbouw en leerde het den ritus de goden te vereeren. En toen hij erin geslaagd was orde en wetten in Egypte te grondvesten, ging hij naar ver verwijderde landen, om zijn beschavingswerk voort te zetten. Zoo vriendelijk en goed was zijn methode om kennis aan de gemoederen van de barbaren bij te brengen, dat zij den grond, waarop hij liep, aanbaden.
Set, zijn vijand.
Hij had echter één verbitterden vijand, n.l. zijn broer Set, den Griekschen Typhon. Gedurende de afwezigheid van Osiris, bestuurde zijn vrouw Isis het land zoo goed, dat de plannen van den goddeloozen Set om aan dat bestuur aandeel te krijgen, niet konden slagen.
Tegen den terugkeer echter van den koning vormde Set het plan zich geheel en al van zijn broer te bevrijden. Om zijn doel te bereiken verbond hij zich met Aso, de koningin van Aethiopië en 72 andere samenzweerders. Nadat hij in net geheim het lichaam van den koning had gemeten, liet hij een prachtige kist maken, rijkelijk versierd, welke juist het lichaam van Osiris kon bevatten.
Toen deze voltooid was, noodigde hij zijn gezellen en zijn broer op een groot feest. Osiris was weliswaar herhaalde malen door de koningin tegen zijn broer gewaarschuwd, maar daar hij zelf geen kwaad uitoefende, vreesde de koning dit ook niet in anderen en aldus nam hij de uitnoodiging voor het feestmaal aan.
Toen dit afgeloopen was, liet Set de prachtige kist in de feestzaal brengen en zei, als in scherts, dat deze aan hem zou behooren, die daarin zou passen. De eene gast na den ander legde zich in de kist neer, doch geen enkele paste er in, totdat de beurt aan Osiris kwam.
Geheel en al van verraad onbewust, legde de koning zich in de groote kist. In een oogenblik hadden de samenzweerders het deksel dichtgenageld en goten er kokend lood over heen, uit vrees, dat er eenige opening in zou zijn. Daarop lieten zij de kist in den Nijl drijven, bij de monding van Tanis. Deze dingen vonden plaats volgens sommigen, in het 28e levensjaar van Osiris; volgens anderen in zijn 28e regeeringsjaar.
Toen dit nieuws de ooren van Isis bereikte, werd zij door droefheid getroffen, sneed een lok van heur haar af en trok rouwgewaad aan. Daar zij zeer goed wist, dat de dooden niet kunnen rusten, voordat hun lichamen onder de gebruikelijke plechtigheden zijn begraven, ging zij op reis, om het lijk van haar echtgenoot te zoeken. Gedurende langen tijd leverde haar reis geen enkel resultaat op, hoewel zij iederen man en iedere vrouw, die zij ontmoette, vroeg, of zij niet de rijkelijke versierde kist hadden gezien.
Ten slotte kwam het bij haar op eenige kinderen, die bij den Nijl speelden, te ondervragen en toevallig waren zij in staat te vertellen, dat de kist door Set en zijn gezellen naar de monding van den Nijl bij Tanis was gebracht. Vanaf dien tijd hield men het in Egypte er voor, dat kinderen een bijzondere gave van voorspellen hebben.
De tamarindeboom.
Langzamerhand werd de koningin door de werkzaamheid van demonen nauwkeurig ingelicht en kwam zij te weten, dat de kist op de kust van Byblos was aangespoeld en door de golven tegen een tamarindetak was aangedreven; deze was op verwonderlijke wijze tot een prachtigen boom opgeschoten en sloot de kist van Osiris in zijn stam in.
De koning van dat land, Melcarthus genaamd, had zich over de hoogte en schoonheid van den boom verwonderd, had dezen omgehakt en daarvan een zuil laten maken, om daarmede de zoldering van zijn paleis te stutten. In deze zuil nu was de kist, welke het lijk van Osiris bevatte, verborgen.

Osiris in de kist gelokt.
Evelyn Paul.
Isis haastte zich daarop in allerijl naar Byblos en zette zich daar bij een bron. Tot niemand, die haar naderde, wilde zij een woord spreken, behalve tot de meisjes van den koning; dezen sprak zij liefderijk toe, en maakte heur haar door haar adem welriekender dan het door eenige bloemengeur zou geworden zijn.
Toen de meisjes naar het paleis waren teruggekeerd, ondervroeg de koningin haar, hoe het kwam, dat heur haar zoo’n heerlijken geur van zich gaf en hierop vertelde zij haar ontmoeting met de schoone vreemdelinge. Koningin Astarte, of Athenais, verzocht haar daarop naar het paleis te komen, verwelkomde haar hartelijk en stelde haar tot voedster aan van een der prinsen.
Isis’ smart.
Isis voedde den knaap, door hem haar vinger te geven, om daarop te zuigen. Iederen nacht, als allen zich ter ruste hadden begeven, placht zij groote blokken hout in het vuur te leggen en het kind daartusschen te duwen; daarop veranderde zij zichzelf in een zwaluw en was gewoon jammervolle klaagliederen over haar gestorven echtgenoot te laten hooren.
Geruchten over deze zonderlinge handelwijze werden door de dienstmaagden van de koningin aan haar meesteres aangebracht en deze besloot zelf te onderzoeken, of deze geruchten waar waren, of niet. Daarom verborg zij zich in de groote hal en toen de nacht was aangebroken, sloot Isis de deuren, legde blokken op het vuur en drukte het kind tusschen het brandende hout.
De koningin sprong, onder luid geschreeuw, op haar toe en rukte den knaap uit de vlammen. De godin berispte haar heftig en verklaarde, dat haar daad haar zoon van de onsterfelijkheid had beroofd.
Hierop vertelde Isis aan de doodelijk verschrikte Athenais, wie zij was en tevens haar geheele geschiedenis en vroeg de zuil. Toen aan haar verzoek was voldaan, hakte ze den boom open, nam de kist met het lijk van Osiris er uit en weeklaagde zoo luid, dat een van de prinsen van schrik stierf. Daarop nam zij de kist met zich over zee naar Egypte en werd op deze reis door den oudsten zoon van Melcarthus vergezeld. De latere dood van het kind wordt op verschillende wijze door overleveringen, welke met elkaar in tegenspraak zijn, verhaald. De boom, welke het lichaam van den god had bevat, werd nog langen tijd in Byblos bewaard en vereerd.
Toen zij in Egypte was aangekomen, opende Isis de kist en beweende het stoffelijk overschot van haar echtgenoot lang en smartelijk. Daarop echter dacht zij aan haar zoon Harpocrates, of Horus het kind, dien zij in Buto had achtergelaten; zij liet de kist op een geheime plaats achter en ging op reis, om hem te zoeken.
In dien tusschentijd ontdekte Set, die met het maanlicht op haar jacht maakte, de rijk versierde kist en in zijn woede scheurde hij het lijk in 14 stukken en verspreide dezen naar alle kanten van het land.
Toen Isis deze nieuwe wandaad had vernomen, nam zij een boot van papyrus-riet en ging nog eens op weg om de overblijfselen van haar echtgenoot op te sporen.

Isis en de jonge prins.
Evelyn Paul.
Horus’ wraak.
In dezen tijd had Horus den mannelijken leeftijd bereikt en Osiris, uit de Duat, waar hij als koning over de dooden heerschte, teruggekeerd, moedigde hem aan, het kwaad, zijn ouders aangedaan, te wreken. Horus bond daarom den strijd met Set aan, en de overwinning viel nu eens den een, dan weer den ander ten deel. Eén oogenblik werd Set door zijn tegenstander gevangen genomen en aan Isis ter bewaking gegeven, doch deze gaf hem de vrijheid, tot groote verbazing en verontwaardiging van haar zoon.
Horus was zelfs zoo boos, dat hij zijn moeder de kroon van het hoofd rukte. Thoth intusschen gaf haar een helm, in den vorm van een runderkop. Een andere lezing vertelt, dat Horus het hoofd van zijn moeder afsneed, doch dat Thoth, de toovenaar, het er weer opzettte, doch thans in den vorm van dat van een koe.
Volgens het verhaal gaat de strijd tusschen Horus nog steeds voort en heeft geen van beiden tot nog toe de overwinning behaald. Als Horus zijn vijand eindelijk geheel zal overwonnen hebben, zal Osiris naar de aarde terugkeeren en nog eens als koning over Egypte heerschen.
Sir J. G. Frazer over Osiris.
„De gelijkenis over het algemeen van de mythe en den ritus van Osiris met dien van Adonis en Attis”, zegt Frazer, „is in het oog vallend. In beide gevallen zien wij een god, wiens ontijdige en gewelddadige dood door een hem beminnende godin wordt bejammerd en jaarlijks door zijn aanbidders wordt gevierd.
Het karakter van Osiris, als godheid van den wasdom, blijkt duidelijk uit de legende, welke vertelt, dat hij de eerste was, die de menschen het gebruik van het koren leerde en ook uit het gebruik zijn jaarlijksch feest met den akkerbouw te beginnen. Ook vertelde men van hem, dat hij den wijnbouw had ingevoerd.
In een van de kamers in den grooten tempel van Isis te Philae, aan Osiris gewijd, wordt het lichaam van Osiris afgebeeld met korenaren, welke uit zijn lichaam te voorschijn komen en daarbij ziet men de afbeelding van een priester, die de korenaren, uit een kan, welke hij in de hand heeft, begiet. Het daarbij behoorend opschrift vertelt, dat dit de gestalte is van hem, wiens naam men niet mag noemen, van Osiris van de mysteriën, die ontspringt uit de terugkeerende wateren”.
Een meer aanschouwelijker wijze Osiris als personificatie van het graan af te beelden, kan moeilijk bedacht worden, terwijl het opschrift, bij de schildering behoorende, aanduidt, dat deze personificatie de kern van de mysteriën van den god was, het geheim, dat alleen den ingewijden werd ontsluierd.
Bij de beoordeeling van het mythisch karakter van Osiris moet aan dit gedenkteeken groot gewicht worden gehecht. Het verhaal, dat stukken van zijn lichaam door het land verspreid werden, kan een mythische uitdrukking zijn, of voor het zaaien, of voor het wannen van het graan. De laatste interpretatie wordt nog waarschijnlijker door het verhaal, dat Isis de afgescheurde ledematen van Osiris op een korenzeef legde.
Het kan ook zijn, dat de legende een herinnering is aan het gebruik, een menschelijk slachtoffer te dooden, als een voorstelling van de levenskracht van het graan en het verdeelen van zijn vleesch, of het verstrooien van zijn asch, om het land vruchtbaar te maken.
Maar Osiris was meer dan een geest van het koren; hij was ook een boomgeest en dit zal wel zijn oorspronkelijk karakter zijn geweest, omdat de boomvereering in de godsdienstgeschiedenis natuurlijkerwijze ouder is dan de vereering der graanvruchten.

Het vertrek van Isis uit Byblos.
Evelyn Paul.
Zijn karakter als boomgeest wordt aanschouwelijk voorgesteld door Firmicus Maternus. Nadat een pijnboom geveld is, wordt het midden uitgehold en van het aldus uitgeholde hout een beeld van Osiris vervaardigd en dit wordt weer in de holte van den boom begraven. Ook hier kan men zich moeilijk voorstellen, hoe de opvatting van een boom, door een persoonlijk wezen bewoond, eenvoudiger kan worden uitgedrukt.
Het aldus vervaardigde beeld van Osiris werd een jaar bewaard en daarna begraven, juist zooals met het beeld van Attis werd gedaan, dat in den pijnboom werd vastgehecht. De ceremonie van het vellen van den boom, zooals dit door Firmicus Maternus wordt beschreven, schijnt door Plutarchus te worden aangeduid. Het was waarschijnlijk de ritueele tegenhanger van de mythische ontdekking van het lichaam van Osiris, ingesloten in de tamarinde. Wij mogen onderstellen, dat de oprichting van de Tatu-zuil, bij het einde van het jaarlijksch feest ter eere van Osiris, identisch was met de plechtigheid, door Firmicus beschreven; men moet er verder wel op letten, dat in de mythe de tamarindeboom een zuil was, in het paleis van den koning.
Evenals het gebruik een pijnboom te vellen en een beeld daarin te verbergen bij den dienst van Attis voorkomt, behoorde dit gebruik misschien tot die klasse, waaronder het aanbrengen van den meiboom het meest bekend is.
Wat den pijnboom in het bijzonder betreft, de boom van Osiris te Denderah is een conifeer en de kist, welke het lichaam van Osiris bevatte, wordt hier afgeschilderd door den boom te zijn ingesloten. Op de monumenten ziet men dikwijls een denappel, welke als offer aan Osiris wordt aangeboden en een manuscript spreekt van den ceder, als uit hem ontsproten. De vijgeboom en de tamarinde zijn eveneens zijn boomen. In inscripties zegt men dat hij in dezen huist en zijn moeder Nut wordt dikwijls in een vijgeboom afgeschilderd.
In een graf te How (Diospolis Parva) ziet men een tamarinde, welke de kist van Osiris overschaduwt en in de rij van beelden, welke de mystieke geschiedenis van Osiris in den grooten tempel te Philae illustreeren is o.a. een tamarinde afgebeeld, welke twee mannen met water begieten.
„De inscriptie op dit laatste monument”, aldus spreekt Brugsch, „laat geen twijfel over, of men geloofde, dat de groei van de aarde verbonden was met den groei aan den boom en dat de afbeelding betrekking heeft op het graf van Osiris te Philae, waarvan Plutarchus vertelt, dat het overschaduwd werd door een plant methide, welke slanker was dan een olijfboom”.
Deze afbeelding, men dient dit goed te bedenken, zien wij in dezelfde kamer, waarin de god is afgebeeld met een lichaam, waaruit korenhalmen te voorschijn komen. Op andere inscripties wordt hij aangeduid als: „hij, die zich in den boom bevindt”, „de eenzame in de acacia” enz. Op de monumenten wordt hij soms als mummie, door een boom of planten bedekt, voorgesteld. Het komt verder geheel met het karakter van Osiris, als boomgeest, overeen, dat men zijn aanbidders verbood boomtakken kwaad te doen en met zijn karakter, als god van den wasdom in het algemeen, strookt de omstandigheid, dat men niet toestond waterputten, welke van zooveel gewicht voor de irrigatie van de zuidelijke landen zijn, dicht te werpen.
Frazer bestrijdt verder de theorie van Lepsius; volgens dezen toch moet hij met den zonnegod Ra geïdentificeerd worden. Osiris, zegt de Duitsche geleerde, werd zelfs in het Boek der Dooden Osiris-Ra genoemd en Isis, zijn echtgenoote, wordt dikwijls de koninklijke gezellin van Ra genoemd. Frazer nu meent, dat deze identificeering wellicht een politieke beteekenis gehad heeft.
Hij geeft toe, dat de Osiris-mythe wellicht ontleend is aan de dagelijksche opkomst en ondergang van de zon en hij stelt in het licht, dat de meeste schrijvers, die de gewone theorie zijn toegedaan, uitdrukkelijk aantoonen, dat hier sprake is van den dagelijkschen en niet den jaarlijkschen omloop der zon. Maar waarom, vraagt Frazer op zijn beurt, was het dan noodig, dat er een jaarlijksch feest werd gevierd? Dit feit alleen schijnt voor de uitlegging der mythe, als beschrijving van den op- en ondergang der zon, fataal. Hoe kan men verder zeggen, ook al is het mogelijk te spreken over een dagelijkschen dood van de zon, dat zij in stukken wordt gescheurd?
Plutarchus beweert, dat, volgens sommige Egyptische wijsgeeren, Osiris een personificatie van de maan was, omdat de maan, met haar vochtig en vruchtbaar licht, de voortbrenging der dieren en den groei der planten begunstigt.
Onder wilde volken wordt de maan als een groote bron van vochtigheid beschouwd. Men denkt, dat onder haar bleeke stralen de plantengroei bloeit en men gelooft van haar, dat zij de vermeerdering van menschen, dieren en planten bevordert.
Frazer nu somt verschillende redenen op, welke volgens hem bewijzen, dat de beteekenis van Osiris niets anders dan de maan zelf is. In het kort zijn het dezen, dat men zegt, dat hij acht en twintig jaar heeft geleefd (de mythische uitdrukking voor een maand) en dat men vertelt, dat zijn lichaam in veertien stukken gescheurd is. Dit zou een uitlegging kunnen zijn voor de afnemende maan, daar het den indruk geeft, dat deze iederen dag van de 14, welke de tweede helft van de maanmaand uitmaken, een gedeelte van zichzelf verliest. Typhon vond het lijk van Osiris bij volle maan; op deze wijze zou het verscheuren van zijn ledematen bij ’t afnemen der maan begonnen zijn.
Primitieve denkbeelden over de maan.
De primitieve mensch legt de afname van de maan als een werkelijke inkrimping uit en het schijnt hem toe, dat zij voortdurend in stukken wordt gebroken, of weg-gevreten. De Indianen van Z.-W. Oregon spreken over de maan als een voorwerp, dat in stukken wordt gebroken en de Dacotas gelooven, dat, als de maan vol is, een menigte muizen aan den eenen kant begint te knabbelen, totdat zij haar geheel opgepeuzeld hebben.
Om tot de bewijsvoering van Frazer terug te keeren, deze haalt Plutarchus aan en stelt vast, dat bij nieuwe maan van de maand Phanemoth (het begin der lente), de Egyptenaren een feest vierden, dat zij noemden: „het binnengaan van Osiris in de maan” en dat zij bij gelegenheid der plechtigheid „de begrafenis van Osiris” genaamd, een kist maakten, in den vorm van een halve maan, omdat „de maan, wanneer zij de zon nadert, halvemaanvormig wordt en verdwijnt”; en dat verder eens per jaar, bij volle maan, biggen (waarschijnlijk een symbool voor Set of Typhon) gelijktijdig aan de maan en aan Osiris werden geofferd.
In een hymne, van welke men veronderstelt, dat zij door Isis aan Osiris wordt gericht, leest men dat Thoth:
Uw ziel plaatste in de bark Maat
Onder den naam, dien gij draagt als maangod.
En op een andere plaats:
Gij, die komt tot ons als een kind iedere maand,
Wij zullen u altijd blijven vereeren.
Uw uitstraling verhoogt den glans
Van de sterren van Orion aan het firmament.
Frazers theorie over Osiris komt hierop neer, dat hij is te beschouwen als een god van den wasdom, of van het graan en dat deze later geïdentificeerd, of verward werd met de maan. Maar men mag veilig aannemen, dat het vanwege zijn wezen als maangod was, dat hij den rang kreeg van god van den wasdom.
Een korte beschouwing over de omstandigheden, welke aan de maanaanbidding verbonden zijn, kunnen ons wellicht tot een dergelijke onderstelling leiden. De zon vereischt, als god, slechts weinig nader onderzoek. Reeds op een vroeg tijdstip in de menschelijke gedachte werden de verschijnselen van den groei aan zijn werkzaamheid toegeschreven en het is waarschijnlijk, dat wind, regen en andere uitingen van de atmospheer, eveneens aan zijn invloed werden toegeschreven, of als zijn uitstralingen werden beschouwd. Speciaal is dit het geval in het tropisch klimaat, waar de snelheid van den plantengroei zoodanig is, dat de mensch aldaar een absoluut bewijs van de zonnekracht ontvangt.
Naar analogie hiervan wordt ook de zon van den nacht, de maan, als groeikracht beschouwd en de primitieve volken schrijven aan haar krachten toe, welke aan die van de zon gelijk zijn.
Tevens moet bij hen, om de een of andere reden, voor ons verborgen, de gedachte zijn opgekomen de maan als een groote bewaarplaats van magische kracht te beschouwen. Het ligt in de rede, dat de twee schijven van den dag en van den nacht al spoedig voor goddelijke wezens werden gehouden.
Voor den primitieven mensch is de zon natuurlijkerwijze van goddelijken oorsprong, want de barbaarsche landbouwer hangt voor zijn bestaan van hem af en achter haar is geen geschiedenis van een evolutie uit een ouderen vorm.
Zoo is het eveneens met den maangod. In de Lybische woestijn is de maan ’s nachts een voorwerp, dat het geheele landschap beheerscht en het is moeilijk te gelooven, dat haar intense schittering en haar alles doordringend licht geen diepen indruk van eerbied en vereering op de nomaden uit die streken zou gemaakt hebben.
Inderdaad de eerbied voor zulk een voorwerp kan zeer goed de vereering van een zuiver koren- en boomgeest voorafgaan, daar deze in zulk een omgeving weinig speelruimte voor de openbaring van zijn kracht kan nebben. Wij merken verder op, dat deze maangod van de Nubiërs uit het Neolithisch tijdperk, in een vruchtbaarder land ingevoerd, spoedig geïdentificeerd werd met den wasdom, door vochtigheid verricht en op deze wijze met den Nijl zelf.
In zijn kwaliteit van god over de dooden levert Osiris geen groote moeilijkheid tot verklaring op en in deze ééne figuur vatten wij de verbinding van de ideeën van de maan, de vochtigheid, de onderwereld en den dood tezamen, inderdaad alle verschijnselen van geboorte en vergaan.
Osiris en de Persephone-mythe.
De lezer moet ongetwijfeld de in het oog springende gelijkenis tusschen de mythe van Osiris en die van Demeter en Kore, of Persephone, hebben opgemerkt. Inderdaad sommige avonturen, en wel voornamelijk dat betreffende het kind van den koning van Byblos, zijn geheel en al identisch met gebeurtenissen uit het leven van Demeter. Het is daarom zeer waarschijnlijk, dat beide mythen uit een en dezelfde bron stammen.

Een altaar van Osiris. (XIIe Dynastie).
Terwijl wij echter in het Grieksche voorbeeld een moeder naar haar kind zien zoeken, zoekt in de Egyptische mythe een vrouw naar de overblijfselen van haar echtgenoot. In de Grieksche mythe treffen wij Pluto als den echtgenoot van Persephone en den beheerscher der onderwereld aan, en tevens, evenals Osiris, voor een god van het graan en den wasdom gehouden, terwijl Persephone, evenals Isis, waarschijnlijk de personificatie van het graan zelf is.
In de Grieksche mythe hebben wij verder een mannelijke en twee vrouwelijke hoofdpersonen, in de Egyptische slechts een mannelijke en een vrouwelijke. De analogie kan wellicht nog nader gebracht worden door de godin Nephthys, die een zuster-godin van Isis was, of in elk geval aan haar verwant, aan het Egyptische verhaal toe te voegen. Aldus zou het den schijn kunnen hebben, dat de Helleensche mythe door Egyptische invloeden, misschien door Cretensische bemiddeling, vervalscht was.
Er rest ons nog Osiris, als heerscher in de onderwereld, aan een beschouwing te onderwerpen. Tot in zeker opzicht is dit reeds in het hoofdstuk, dat over het Boek der Dooden handelt, geschied. De god van de onderwereld is in bijna alle voorkomende gevallen een god van de groeikracht der planten en niet omdat Osiris de god der dooden was, beschermde hij de vruchtbaarheid, doch omgekeerd. Om duidelijker te spreken, Osiris was eerst een god der vruchtbaarheid en eerst later werd hij de god der onderwereld, dit was echter niets toevalligs, het was het logisch resultaat van zijn wezen als god der groeikracht.
Een nieuwe theorie over Osiris.
Wij moeten ook zijn personificatie van Ra in het kort beschouwen; dezen toch ontmoet hij, gaat in hem over en onder zijn naam gaat hij ’s nachts door zijn eigen gebied. Dit zou kunnen duiden op een fusie van de zon- en de maanmythe, de mythe van de zon, welke ’s nachts onder de aarde voortschrijdt, vermengd met die van de nachtelijke reis van de maan, langs het hemelgewelf.
Osiris was een maangod. Deze omstandigheid verklaart de helft van de mythe; de andere helft moet als volgt verklaard worden: Ra, de zonnegod moet ’s nachts de onderwereld doorwandelen, indien hij ’s morgens in het Oosten wil opgaan. Osiris echter, als maangod en misschien als oudere god, alsook in zijn kwaliteit van god van de onderwereld, maakt zich reeds van de baan, welke hij moet passeeren, meester. De banen van beide goden worden vereenigd en wellicht is er eenig bewijs voor deze redevoering in de omstandigheid, dat in het rijk van Seker, Afra (of Osiris) de richting van zijn reis van het Noorden naar het Zuiden wijzigt naar een punt vlak O.-waarts, naar de bergen van den zonsopgang.
De samensmelting van de twee mythen is geheel en al logisch, daar de maan gedurende den nacht in dezelfde richting gaat, als de zon gedurende den dag heeft ingeslagen, en wel van O. naar W.
Gemakkelijk zal men kunnen zien, hoe het kwam, dat men Osiris niet alleen als god en rechter van de dooden, maar ook als symbool van de wederopstanding van het menschelijk lichaam beschouwde.
Frazer hecht groot gewicht aan een schildering van Osiris, waar men zijn lichaam met ontkiemende korenaren bedekt ziet; voor Frazer is dit een evident bewijs, dat Osiris eigenlijk een korengod is. Het komt ons echter voor, dat deze schildering louter een symbool van de wederopstanding is. De omstandigheid, dat Osiris hier wordt voorgesteld in de rustige houding van een doode, geeft aan deze opvatting groote waarschijnlijkheid. De korenaar is over de geheele wereld een symbolische voorstelling van de wederopstanding.
Bij de Eleusinische mysteriën toonde men aan de novices een korenaar, als symbool voor de lichamelijke wedergeboorte en Loskiel, een van de Moravische broeders, citeert een Indiaan uit Noord-Amerika, die aldus spreekt: „Wij Indianen zullen niet voor goed sterven. Zelfs de graankorrels, welke wij onder de aarde verbergen, groeien op en worden levend”.
Onder de Maya van Midden-Amerika en onder de Mexicanen heeft de godin van de maïs een zoon, de groene, jonge teedere loot van den maïsplant en deze herinnert ons sterk aan Horus, den zoon van Osiris, dien wij eveneens als een typisch voorbeeld van de wederopstanding kunnen aannemen.
Later werd de mythe van den wasdom, welke met Osiris verbonden is, in een theologisch leerstuk, betreffende de wederopstanding van den mensch, gemetamorfoseerd en men geloofde, dat Osiris eenmaal een menschelijk wezen was geweest, dat gestorven en verscheurd was. Zijn lichaam was echter weer door Isis, Anubis en Horus, op bevel van Thoth, hersteld.
Met dit proces schijnt een magische ceremonie gemengd te zijn en deze werd op haar beurt door de Egyptische priesters bij iederen doode toegepast en wel in vereeniging met de balseming en de begrafenis van de dooden, in de hoop der wederopstanding.
Men beschouwde nu Osiris als de voornaamste oorzaak hiervan en hij was in staat het leven na den dood te schenken, omdat hij zelf dood was geweest. Men gaf hem den naam van „Eeuwigheid en onvergankelijkheid” en hij was het, die maakte, dat man en vrouw herboren werden.
De opvatting over de wederopstanding schijnt vanaf zeer oude tijden in Egypte in zwang te zijn geweest. Het „Boek der Dooden”, dat men zeer goed „Het Boek van Osiris” zou kunnen noemen, is de voornaamste bron over Osiris; hierin leest men over zijn dagelijksche bezigheden en zijn nachtelijke reizen in zijn onderaardsch koninkrijk.
Isis.
Men moet Isis, of Ast, als een van de oudste en gewichtigste opvattingen over een vrouwelijke godheid in Egypte opvatten In den tijd der dynastiën beschouwde men haar als de tegenhangster van Osiris en wij mogen veilig aannemen, dat zij in de duistere tijden vóór de dynastiën een gelijke positie innam. De philologie voor den naam schijnt onbegrijpelijk. Geen andere godheid is waarschijnlijk over een zoo uitgebreid tijdvak vereerd, want haar eeredienst verdween volstrekt niet met dien van andere Egyptische goden, en bloeide later èn in Griekenland èn in Rome en wordt nog ernstig uitgeoefend in het hedendaagsch Parijs.
Isis stamde wellicht uit Libye en wordt gewoonlijk voorgesteld als een vrouw, gekroond met het symbool van haar naam, terwijl zij in haar hand een scepter van papyrus houdt. Boven haar kroon steken een paar horens uit, welke een discus ophouden en deze wordt op zijn beurt door haar hieroglyph, welke een zetel of troon voorstelt, bedekt. Soms stelt men haar ook met schitterende en veelkleurige vleugels voor, waarmede zij zich in beweging zet, om het lijk van Osiris te bezielen.
Geen enkele andere godin was bij de Egyptenaren zoo populair; waarschijnlijk is de moeite en de ellende, waarvan haar mythe vol was, de reden hiervoor. Deze omstandigheid trok de sympathie van het volk tot haar, doch dit was niet de eenige reden, waarom zij bij de Egyptische volksmassa zoo geliefd was; zij was toch de groote, weldoende godin-moeder en de vertegenwoordigster van den menschelijken geest, in zijn meest geliefden vorm.
In haar mythe, wellicht de schoonste en meest treffende, welke ooit uit het menschelijk brein te voorschijn kwam, vinden wij de ontwikkeling van een zuivere graangodin tot een gevoelvolle vrouw en moeder, die over den dood van haar man treurt en alle pogingen in het werk stelt, om hem tot het leven terug te brengen.
Isis als voorstelling van den wind.
Hoewel Isis ongetwijfeld verscheidene gedaanten bezit en men haar als de groote korenmoeder van Egypte kan beschouwen, is het zeer waarschijnlijk, dat zij in één van haar phases den wind van den hemel voorstelt. Het schijnt, dat dit door hen, die zich met de Egyptologie bezighielden, niet opgemerkt is, maar het bewijs schijnt zeer gemakkelijk.
Osiris, als voorstelling van het koren, sterft, wordt weer levend en naar alle kanten over het land verspreid. Isis is daarna niet te troosten en jammert luide over zijn verlies; zij is zoo luid en hartroerend in haar klacht, dat de prins van Byblos, dien zij voedt, van schrik sterft.

Isis.
Heerlijke geuren draagt zij met zich, zooals de dienstmaagden van de koningin van Byblos vertellen. Zij verandert zich daarna in een zwaluw. Zij doet den dooden Osiris weer leven, door hem met haar vleugels toe te waaien en zijn mond en neusgaten met lieflijke lucht te vullen.
Nu moet men goed letten op het feit, dat zij een van de weinige Egyptische godinnen is, die vleugels dragen. Zij is een groot reizigster en jammert en snikt onophoudelijk.
Indien deze hoedanigheden en omstandigheden geen zinnebeelden van den wind zijn, zal een vernuftiger hypothese, dan hierboven vermeld is, noodzakelijk zijn voor de mythologische betrekking. Isis toch weeklaagt, evenals de wind, zij gilt in den storm, zij draagt den geur van kruiden en bloemen door het land met zich, zij neemt de gestalte van een zwaluw aan, een van de snelste vogels en het typisch voorbeeld van de snelheid van den wind, zij gebruikt daarna het element, waarover zij de meesteres is, om den dooden Osiris te doen herleven; zij bezit verder vleugels, zooals alle godheden, die met den wind verbonden zijn, hebben en evenals de rest van haar soort gaat zij voortdurend heen en weer door het land.
Wij willen hierbij niet de hypothese opwerpen, dat zij een windgodheid par excellence was, doch in een van haar phasen verpersoonlijkt zij zonder twijfel de kracht van den lentewind, welke doet herleven en welke jammert en huilt over het graf van het slapende graan en nieuwe levensaderen aan het werkelooze zaad brengt.
Isis is een van die godheden, welke door toevallige, of andere omstandigheden, bestemd waren tot grootheid te geraken.
Zij bereikte van een Libysche geest, welke op een of andere manier met den groei van het graan verbonden was, gedurende haar regeering van meer dan vier duizend jaar zulk een hoogte, dat alle mogelijke eigenschappen aan haar werden toegewezen.
Dit is zonder uitzondering het geval met godheden, welke gelukkig zijn. Niet alleen nemen zij de eigenschappen van hun medegoden tot zich, maar zelfs eigenschappen, welke met hun oorspronkelijk karakter niet overeenkomen, worden hen, vanwege hun populariteit, in groote mate toegewezen.
Dit was eveneens met Tezcatlipoca, een Mexicaanschen god, oorspronkelijk van de lucht, doch later de god van het noodlot en het geluk en eigenlijk de hoofdgod van het pantheon der Aztec, het geval, en zoo kan men nog veel meer voorbeelden aanhalen.
Aldus is Isis de geefster van leven en voedsel aan de dooden in de Duat, d.w.z. zij brengt met zich de frissche adem van den hemel in de onderwereld en zooals de luchtgod Tezcatlipoca met de rechtvaardigheid geïdentificeerd werd, zoo werd ook Isis met Maat, de godin der rechtvaardigheid, vereenzelvigd.
Isis is wellicht tevens de personificatie van den morgenwind, waaruit de zon geboren wordt. In de meeste landen steekt op het oogenblik, dat de zon opkomt, een wind op en van dezen kan men zeggen, dat hij de zon aankondigt. In haar mythe vinden wij eveneens, dat, toen zij het huis, waarin zij door Set gevangen was gezet, verliet (het zomerverblijf van den wind, welke gedurende dien tijd Egypte geheel en al verlaat), zij door zeven schorpioenen werd voorafgegaan, de hevig stekende rukwinden van den winter.
Zij wezen haar den weg door poelen en moerassen. Vrouwen sloten de deur voor haar gezicht; een kind werd door de schorpioenen gestoken, maar Isis bracht het weer tot het leven terug, d.w.z. het kind herstelt bij de nadering van beter weer. Verder wordt haar eigen zoon Horus door een schorpioen gestoken, ongetwijfeld een toespeling op het feit, dat de hitte van de zon door de winterkoude verzwakt wordt, totdat deze door Isis, den zachten lentewind, hersteld wordt.
Attributen van Isis.
De Isis-mythe vond bij de Egyptenaren een zoodanig geloof, dat zij inderdaad geheel met haar vertrouwd geraakten en volkomen geloofden, dat zij eens werkelijk als vrouw had bestaan.
Meer allegorisch opgevat was zij het vrouwelijke wezen, dat de grond vruchtbaar maakte. Zij was tevens een machtig toovenaarster, zooals is op te maken uit het groot aantal goddelijke en menschelijke wezens, dat zij van den dood bevrijdde. Zij bezat woorden van groote aandrijvende kracht. Haar astronomisch symbool was de ster Sept; deze was het kenmerk van de lente en de nadering van de overstrooming van den Nijl en dit feit verhoogt aldus de waarschijnlijkheid, dat zij in een van haar phases de godin der lentewinden was.

Gevleugelde Isis.
(De vleugels hebben een houding om Horus te beschermen.)
Als de lichtgeefster in dat jaargetijde werd zij Kuth genoemd en als godin van de vruchtbare aarde Usert. Als de macht, welke de krachten van de lente in beweging zette en de overstrooming van den Nijl deed afnemen, was zij Sati en als de godin van de vruchtbare waters Anqet. Verder was zij de godin van de bebouwde landen, godin van den oogst en van het voedsel. Aldus personificeerde zij, alles tezamen genomen, de krachten, welke, den wasdom van het voedsel bevorderen.
Zij personificeert de macht van het lentegetijde, de kracht van de aarde om te groeien en graan op te leveren, het moederschap en alle attributen en aanverwante eigenschappen, welke daaruit ontspringen.
Het is in dit verband niet noodzakelijk haar vereering in Griekenland, Rome en Westelijk Europa na te gaan, daar deze geheel en al van de oorspronkelijke vereering verschilde. De waardige aanbidding van de Groote Moeder nam onder de Europeesche auspiciën een orgiastisch karakter aan en deze deed een beroep op de valsche mystiek van Griekenland, Rome, Gallië en Britannië, juist als heden ten dage op zijn Transatlantisch, of Parijsch prototype. Maar de kracht van dezen cultus in het land, waar hij ontstaan is, kan blijken uit het feit, dat hij tot het einde van de 5e eeuw v.C. niet geheel en al was verzaakt.
Horus.
Zooals wij gezien hebben, werd de god Ra als valk afgebeeld, maar er was een andere god, in gelijke gestalte, die voor hem in het Egyptische land werd vereerd. Dit was n.1. de god Heru of Horus „Hij, die daar boven is”. Deze god bezat verschillende gedaanten.
Als Horus de Oudere wordt hij beschreven als een man, met het hoofd van een valk en men geloofde, dat hij de zoon van Geb en Nut was. Horus werd misschien eigenlijk beschouwd als het uiterlijk van den hemel en als Horus de Oudere stelde hij den hemel bij dag voor, in tegenstelling met Set, die den aanblik van den nachtelijken hemel voorstelde.
Horus de Jongere, of Harpocrates, zooals hij door de Grieken, ter onderscheiding van Horus den Oudere, werd genoemd, wordt als jongeling voorgesteld en was de zoon van god Horus en de godin Rat-Tauit, die te Hermonthis, in de gestalte van een hippopotamus, vereerd schijnt te zijn.
Horus de Jongere stelt de eerste stralen van de opkomende zon voor en hij had niet minder dan zeven vormen, waaronder hij werd voorgesteld.
Het zou niet overeenkomstig het doel van dit werk zijn, al de verschillende gedaanten van Horus in détails te beschrijven; daarom zal het voldoende zijn, de meest belangrijke van dezen op te sommen.
De Horus van de Twee Horizons, de Harmachis van de Grieken, was een van de hoofdgestalten van den zonnegod Ra en was de verpersoonlijking van de zon, in haar dagelijkschen loop, van zonsop- tot zonsondergang. Hij sloot dus de personificaties van Ra, Tem en Khepera in zich en deze omstandigheid geeft ons een goed voorbeeld van het wijd en zijd verbreide systeem van onderling verband, dat in de Egyptische mythologie overheerschte en dat bij een andere mythologie niet tot dien graad voorkwam.
Waarschijnlijk was een aantal van deze Horus-goden plaatselijk. Aldus vinden wij dat Harmachis voornamelijk in Heliopolis en Apollinopolis werd vereerd. Zijn meest bekende monument is de Sphinx, bij de pyramiden van Gizeh. Het eerst vinden wij de Sphinx vermeld in inscripties uit de dagen van Thothmes IV; op deze plaats lezen wij in den tekst, welke op de zuil, tusschen de pooten van de Sphinx is gegrift, de volgende legende over Thothmes en de Sphinx.
De droom van Thothmes.
Daar was een koning in Egypte, Thothmes genaamd een machtig vorst, zeer ervaren in den oorlog en de jacht. Hij had een aangenaam uiterlijk, bezat een schoonheid, welke bijna gelijk was aan die van Horus, dien Isis in het Noordelijke Marshes voortbracht en was zeer geliefd bij goden en menschen.
Hij was gewoon op jacht te gaan in de gloeiende heete woestijn, alleen, of slechts door eenige begeleiders vergezeld en men vertelt het volgende over zijn jachtavonturen.
Op zekeren dag, het was nog voor den tijd, waarop hij den Egyptischen troon besteeg, was hij zonder gevolg in de woestijn aan het jagen. Het liep tegen den middag en de zon stak zoo vreeselijk, dat hij genoodzaakt was de schaduw van den machtigen Harmachis, den Sphinx, op te zoeken. De god was groot en machtig, en zijn beeld was zeer majestueus, met het gezicht van een man en het lichaam van een leeuw, met een adder boven zijn wenkbrauwen. In verscheidene tempels bracht men hem offers en in vele steden vereerde men hem.
Thothmes legde zich nu in de koele schaduw neer om te rusten en sliep spoedig in. Terwijl hij sliep, droomde hij en zie, daar opende de Sphinx zijn lippen en sprak tot hem; het was thans niet meer de stomme rots, maar de god zelf, de groote Harmachis. Aldus sprak hij tot den droomende:
„Zie mij aan, Thothmes, want ik ben de zonnegod, de heerscher over alle volken. Harmachis is mijn naam en Ra en Khepera en Tem. Ik ben uw vader en gij zijt mijn zoon en door mij zal al het goede over U komen, indien gij naar mijn woorden wilt luisteren. Het Egyptische land zal het uwe zijn, zoowel het Noorden, als het Zuiden. In voorspoed en geluk zult gij gedurende vele jaren heerschen”.
Hier hield de god op en het scheen Thothmes toe, of de god zich inspande, zich uit het hem overstelpende zand te bevrijden, want alleen zijn hoofd was zichtbaar.
„Het is, zooals ge ziet”, aldus hernam Harmachis, „het woestijnzand bedekt mij. Volbreng snel, wat ik U opdraag, mijn zoon Thothmes”.
Voordat Thothmes nog kon antwoorden, verdween het visioen en ontwaakte hij. De levend geworden god was verdwenen en in zijn plaats stond weer het machtige beeld, uit stevige rotsblokken gehouwen, voor hem.
En hier moet de geschiedenis noodzakelijkerwijs eindigen. Zij is op een zuil gegrift, in den kleinen tempel, welke zich tusschen de klauwen van den Sphinx bevindt en het overige van de inscriptie is zoozeer uitgewischt, dat het niet te ontcijferen is.

Zuil van Horus.
Heru Behudeti.
Een van de grootste en meest gewichtige gestalten van Horus is Heru-Behudeti, die den middag voorstelt en daarom de zonnehitte, wanneer deze het grootst is. Het was in deze gedaante, dat Horus den strijd tegen Set opnam. Zijn voornaamste heiligdommen waren te Edfu, Philae, Mesen, Aat-ab en Tanis; op deze laatste plaats werd hij in de gedaante van een leeuw, die zijn vijanden vertrapt, vereerd.
Over het algemeen echter schildert men hem af met den kop van havik, terwijl hij in zijn hand een wapen houdt, gewoonlijk een knots, om zijn karakter als verwoester te symboliseeren. In de oude Arthurromans en verder in verschillende andere middeleeuwsche legenden, welke een mythologische afstamming bezitten, lezen wij, hoe sommige ridders in den strijd met hun vijanden krachtiger werden, wanneer de zon aan den hemel grooter werd, doch, wanneer diens stralen afnamen, hun kracht hen in den steek liet. Dit geschiedde met Belin, met koning Arthur, die duizenden in zijn razernij neervelde en met St. George, den patroon van Engeland, oorspronkelijk een Egyptischen halfgod.
Al deze figuren waren waarschijnlijk op een vroeg tijdstip van hun ontwikkeling zonnegoden. Hun geboorte en ontstaan zijn in het duister gehuld, evenals die van het licht, waarvan zij het symbool zijn, d.w.z. zij ontspringen uit het duister.
De oorsprong van Arthur, om een voorbeeld te noemen, was hem zelf onbekend, tot den mannelijken leeftijd en hetzelfde geldt voor Beowulf. De zonnehelden werden dikwijls, als zij in kracht toenamen evenals de zon, welke zij typeeren, dol en sloegen met zulk een meedoogenlooze woede om zich heen, dat zij duizenden op een manier, waartoe een gewone paladijn niet in staat zou zijn, neervelden.
Dit is een typische voorstelling voor de kracht en de woede van de zon in den middag, in het Oostersch klimaat. Daar Heru-Behudeti de god van de middagzon was, was de onmeedoogende krijgsman, die zijn knots zwaait (misschien een aanduiding voor een zonnesteek), en boog en pijlen hanteert, een symbool voor zijn vreeselijke stralen, welke het spook van den nacht en zijn demonische menigte moesten vernietigen. De afbeelding, als leeuw, was zeer juist, want wat is zoo geweldig als de tropische zon? Tegen den middag was hij de al-veroveraar en had het spook van den nacht vertrapt. Op deze wijze stelt hij eveneens de kracht van het goede, tegenover het kwade, voor.
Alsnu volgt de mythe van den strijd met Set en de troepen van zijn duivelsche metgezellen.
De mythe van de gevleugelde schijf.
In het 363e jaar van de heerschappij van Ra-Horakhti op aarde, gebeurde het, dat de god met een machtig leger in Nubië was. Set, de Booze, was tegen hem opgestaan, want Ra was in jaren vooruitgegaan en Set was de listigste en meest verraderlijke van alle wezens. Hij was het ook, die zijn tweelingbroeder Osiris, den grooten en goeden koning, gedood had en hierom verlangde Horus, de broer van Osiris, vurig hem van het leven te berooven.
Met zijn strijdwagens, ruiters en voetknechten landde Ra aan den oever van de groote rivier en kwam te Edfu, waar Horus van Edfu zich met hem vereenigde.
„O Ra”, aldus sprak Horus, „groot zijn uwe vijanden en op listige wijze spannen zij tegen u samen”.
„Mijn zoon”, antwoordde Ra, „wapen u en trek tegen mijn vijanden op en vernietig hen spoedig”.
Hierop trachtte Horus de hulp van god Thoth te verkrijgen, den bedrevene in alle tooverkunsten en met diens hulp veranderde hij zichzelf in een groote zonneschijf, met schitterende vleugels, naar beide zijden uitgespreid. Hij vloog daarna recht op de zon aan en van den hemel zag hij zoo woest op zijn en Ra’s vijanden neer, dat zij noch behoorlijk konden zien, noch hooren. Ieder man beschouwde zijn buurman als een vreemde en een geschreeuw werd aangeheven, dat de vijand hen overvallen had. Zij keerden de wapens tegen elkander, het grootste gedeelte werd verslagen en enkele overlevenden verstrooiden zich. Horus dwaalde een tijd over het slagveld, in de hoop Set te vinden, doch zijn aartsvijand bevond zich daar niet; hij verborg zich in het Noordelijke land.
Daarop keerde Horus naar Ra terug en deze omarmde hem hartelijk. Horus nam nu Ra en de godin Astarte met zich mede en toonde hun het slagveld, met lijken overdekt.
Ra, de koning der goden, zeide daarna tot zijn gevolg: „Komt, laat ons naar den Nijl gaan, want onze vijanden zijn verslagen”.
Set had echter nog een groot gevolg; hij beval nu aan eenige van zijn metgezellen, zich in krokodillen en nijlpaarden te veranderen, om de opvarenden van de heilige bark te kunnen verzwelgen en tevens onkwetsbaar te zijn door hun dikke huid.
Horus echter had zijn smeden verzameld en elk van dezen vervaardigde een ijzeren lans en een ketting en sprak over dezen eenige van zijn altijd machtige tooverspreuken uit. Tevens zei hij de formules op van het „Boek, dat in staat is, de Nijlpaarden te dooden”.
Toen de vreeselijke dieren een aanval deden, was de god tegen hen gewapend; verscheidene dieren werden door de betooverde wapens doorboord en stierven, terwijl de overblijvenden vluchtten. Zij, die naar het Zuiden vluchtten, werden door Horus achtervolgd en ten slotte ingehaald. Er volgde thans een nieuwe hevige strijd en hierin werden de aanhangers van Set opnieuw overwonnen.
Overeenkomstig het verlangen van Ra werd een heiligdom opgericht, om als gedenkteeken van deze overwinning te dienen en zijn beeld werd hierin geplaatst.
Er moest echter nog een andere ontmoeting plaats hebben, voordat de volgelingen van Set geheel en al vernietigd werden.
De slachting van de monsters.
Horus en Ra zeilden hierop Noordwaarts, naar de zee, om Set en diens bondgenooten op te sporen en zij hoopten alle krokodillen en nijlpaarden te vernietigen, daar hun vijanden zich in hun gestalte hadden gehuld.
De dieren echter hielden zich onder water verborgen en vier dagen verliepen er, voordat Horus hen in het gezicht kreeg. Terstond viel hij hen aan en richtte met zijn wapens groote verwoesting onder hen aan, tot groote vreugde van Ra en Thoth, die den strijd vanuit de boot gadesloegen. Honderd twee en veertig werden er bij deze gelegenheid gevangen genomen.
Nog altijd ging Horus voort met de vervolging van zijn vijanden, steeds in de gedaante van een brandende, gevleugelde schijf, tot aan zonsondergang, vergezeld door de godinnen Nekhbet en Uazet in de gestalte van twee slangen. Nog eens haalde hij de bondgenooten van Set in, ditmaal op de Westersche wateren van Mert. Bij deze gelegenheid, evenals bij de andere, was Horus overwinnaar en ongeveer 400 gevangenen werden naar de boot van Ra gebracht en daarna gedood.
Doch nu werd Set zeer vertoornd en besloot in eigen persoon met Horus den strijd aan te binden. Verschrikkelijk waren inderdaad zijn geschreeuw en zijn verwenschingen, toen hij hoorde, welke verliezen zijn leger geleden had. Horus en zijn gezellen trokken daarna Set tegemoet en lang en verschrikkelijk was daarop de strijd. Ten slotte nam Horus iemand gevangen, terwijl hij in de meening verkeerde, dat het Set was. Het ongelukkige wezen werd voor Ra gesleept en deze gaf hem over aan hen, die hem gevangen genomen hadden, met het verzoek met hem naar goedvinden te handelen.
Horus doodde daarna den gevangene, sneed zijn hoofd af, sleurde hem door het stof en sneed zijn lijk in stukken, zooals Set met Osiris had gedaan.
Het was echter slechts een van Sets metgezellen, die op zoo ellendige wijze was omgekomen. Het duivelsche wezen zelf bevond zich nog in vrijheid en zwoer zijn vijanden wraak. In de gedaante van een slang verborg hij zich onder de aarde en de wetenschap, dat hij ongedeerd was, gaf zijn volgelingen moed.
Nog eens echter werden zij door Horus verslagen en deze doodde een groot aantal van hen. De goden bleven gedurende zes dagen op het kanaal en wachtten af, of hun vijand zou verschijnen, doch niemand vertoonde zich. Daarop verspreidde Horus zijn volgelingen, om de overblijfselen van Set’s leger te vernietigen.
De twee laatste gevechten werden bij Thalû (Zalu) en te Shaïs in Nubië, geleverd. Te Thalû nam Horus de gestalte van een vreeselijken leeuw aan en sloeg honderd twee en veertig vijanden neer. Te Shaïs vertoonde hij zich nog eens in de gedaante van een groote lichtgevende schijf, met schitterende vleugels en met de godinnen Nekhbet en Nazet aan iedere zijde, in de gestalte van gekroonde slangen. Ook bij deze gelegenheid kwam Horus als overwinnaar uit den strijd.
Deze mythe eindigt op verschillende manieren. In één verhaal lezen wij, dat de gevangene, die Horus liet onthoofden, niemand anders dan Set was; deze werd echter weer levend en nam de gedaante van een slang aan. In dit verhaal wordt Horus van Edfû vergezeld door Horus het kind, den zoon van Isis en Osiris.
In dezelfde inscriptie, welke het verhaal geeft over de gevechten, worden Horus de Oudere en Horus het Kind ten slotte met elkaar verward. Zoo doodt Horus het Kind Set, terwijl Horus de Oudere de gevechten levert. Men moet hen echter voor een en denzelfden houden. Volgens één verhaal leverde Horus, toen hij Set gevangen had genomen, hem aan Isis over en deze sneed hem het hoofd af.
Een andere lezing verhaalt echter, dat de beslissende strijd nog niet geleverd is en dat Horus ten slotte zijn vijand geheel en al zal vernietigen, als Osiris en de goden nog eenmaal naar de aarde zullen terugkeeren.
Andere Horus legenden.
Nog een ander verhaal vermeldt, dat, toen Horus het Kind een man geworden was, Set voor den dag kwam en hem tot een doodelijk gevecht uitdaagde. Daarom vertrok Horus in een boot, welke door Isis prachtig versierd was en die deze door formules betooverd had, zoodat de inzittenden niet overwonnen konden worden.
Ondertusschen had de aartsvijand der goden de gestalte van een reusachtig, rood nijlpaard aangenomen. Hij veroorzaakte een woesten storm, welke over de booten van Horus en zijn gezelschap losbarstte, zoodat de wateren tot razernij werden opgezweept en indien de booten niet door toovermiddelen beschermd waren, zouden allen ongetwijfeld zijn omgekomen.
Horus hield echter onverschrokken zijn koers. Hij had de gedaante van een jongeling van reusachtigen lichaamsbouw aangenomen en stak boven de vergulde voorsteven van zijn boot, welke evenals het zonlicht temidden van den storm en de duisternis straalde, uit. Een groote harpoen werd door hem gehanteerd, zoo groot, dat een gewoon sterveling deze niet had kunnen slingeren.
In het water loerde het nijlpaard op de boot, om deze te vernietigen en zijn vijanden te dooden. Het was hem echter niet beschoren, dit ten uitvoer te brengen, want zoodra het zich boven het water vertoonde, werd de zware harpoen naar zijn hoofd geslingerd en drong in zijn hersens.
Dit was het einde van Set, den Booze, den moordenaar van Osiris en den vijand van Ra. Ter eere van Horus den Overwinnaar werden er hymnen en overwinningskoren door het geheele land gezongen.
In de mythen van de gevechten van Horus kan men gemakkelijk de zonnemythe onderscheiden, iets wat men in bijna alle mythologische opvattingen tegenkomt. Horus, in de Edfû tekst Horbehûdti, d.w.z. Horus van Edfû genaamd, was oorspronkelijk een zonnegod en was als zoodanig met Ra equivalent, doch na een tijd werden de twee goden als afzonderlijke wezens beschouwd, terwijl men Ra voor den hoogsten hield en Horus hem als helper in den oorlog diende. De gevleugelde schijf en zijn geheele gevolg waren de verpersoonlijking van de krachten van het licht, terwijl de listige Set en zijn gezellen een symbool voor de duisternis waren. Zoo komt het, dat, terwijl Horus steeds zijn vijanden overwon, hij nooit geheel en al succes had (tenminste volgens den meest verspreiden vorm van de overlevering), daar hij hen slechts schijnbaar vernietigde.

Strijd van Horus.
Evelyn Paul.
Daar Horus zijn vijand in de gestalte van een gevleugelde schijf vernietigd had, werd dit symbool als een buitengewoon goed voorbehoedmiddel tegen geweld en vernietiging beschouwd. Daarom werd het herhaaldelijk en overal aangebracht in tempels, op monumenten, zuilen en zoo voorts en men geloofde, hoe meer men het aanbracht, des te krachtiger het toovermiddel werkte. In zijn eenvoudigsten vorm is het beeld slechts dat van een gevleugelde schijf, doch allengs komt er een slang aan iedere zijde van de schijf, als voorstelling van de godinnen Nekhbet en Uazet, bij.
Oorspronkelijk was de mythe, welke zich met Hor-Behûdti, of Horus van Edfû, bezighield, in werkelijkheid een plaatselijke, hoewel deze na verloop van tijd een grootere uitbreiding verkreeg. In andere vormen van de legende kregen andere goden de hoofdrol van vernietiger van de vijanden van Ra.
Met deze legende van licht en duisternis werd een andere vereenigd, n.1. die, welke verhaalt, hoe Horus den dood van Osiris wreekt. Nu moet men wel opmerken, dat er in deze tweede mythe eenige verwarring bestaat tusschen Horus den Oudere en Horus het Kind, respectievelijk broer en zoon van Osiris.
In de Edfû tekst wordt er van Osiris geen melding gemaakt, maar dat deze mythe een vervolg op de Osiris-mythe is, wordt hierdoor aangeduid, dat Set aan Isis en Horus het Kind ter bestraffing wordt overgegeven. In de latere gedaante van de geschiedenis is het conflict niet meer eigenlijk tusschen licht en duisternis, maar eerder tusschen de machten van het goed en kwaad.
In deze legende is een van de meest merkwaardige omstandigheden, dat de volgelingen van Horus van metalen wapens voorzien waren. Zijn volgelingen worden in de Egyptische tekst Mesniu, of Mesnitu, genoemd, wat waarschijnlijk: metaalwerker, of grofsmid beteekent.
De vereerders van Horus van Behudet spreken voortdurend over hem als van den „Heer van de Smedenstad”, of Edfû, waar hij volgens de overlevering het bedrijf van smid had uitgeoefend, zooals wij uit een inscriptie weten. In den tempel van die stad bevond zich achter het heiligdom een vertrek, Mesnet genaamd, een woord dat metaalgieterij beteekent en hier maakte de smedenkaste der priesters den god haar opwachting.
Uit afbeeldingen op tempelmuren zien wij, dat dezen met korte mantels en een soort van kraag, welke veel op een cape lijkt, waren uitgedost en dat zij hun speren met de punt naar beneden droegen en daarbij nog een wapen voerden, dat veel op een dolk gelijkt.
Horus van Behudet, die hem vergezelt, is op gelijke wijze gekleed en men ziet hem op de afbeelding een nijlpaard treffen met een speer, waarom hij een dubbele metalen ketting heeft gewonden. Dit illustreert de geschiedenis van het verslaan van Set door Horus van Behudet en wij mogen aannemen, dat de legende een meer of minder historische basis bezit.
Wij zien hier een stam, of kaste, van metaalwerkers, welke met een oogenschijnlijk meer primitieven stam oorlogvoert; dezen verslaan zij met hun wapens en binden hen met hun kettingen en slachten hen daarna op hun gemak. Het is opmerkelijk, dat zij hen niet op staanden voet dooden. Waarvoor bewaren zij hen dan? Zonder eenigen twijfel om geofferd te worden. Zij vormden een kaste van zonaanbidders, en menschenbloed was in het oude Egypte even noodzakelijk voor het bestaan van de zon als in het oude Mexico; immers ook daar onthield de militaire kaste, welke zich onder het patronaat van de zon plaatst, zich ervan, een vijand in den slag te dooden, indien zij hem krijgsgevangen kon maken, om hem daarna op hun gemak te offeren.
De legende zou een aanwijzing kunnen zijn, dat wij hier de lotgevallen van West-Aziatische indringers aanschouwen, die, na op Egyptischen bodem geland te zijn, zichzelf van Edfu meester maakten en, terwijl zij noordwaarts marcheerden, door wapengeweld zich in het land vestigden. Deze geschiedenis, of stuk geschiedenis, werd waarschijnlijk, door invloed van priesters, met de legende van Horus, den hemelgod in oudste tijden, vereenigd.
Een andere, gewichtige gedaante van Horus was die van Horus, zoon van Isis en Osiris. Hij was de personificatie van de opkomende zon, zooals verschillende andere gestalten van Horus en hij bezat verschillende gedaanten. Zijn heiligdommen waren zoo talrijk, dat hij op een of ander tijdstip met alle andere Horus-goden geïdentificeerd werd, doch hoofdzakelijk stelde hij de nieuwe zon voor, welke dagelijks weer ontstaat en hij was de zoon en opvolger van Osiris.
Hij was buitengewoon populair, daar hij de wederopstanding na den dood typeerde. Zooals Osiris den dag van gisteren voorstelde, zoo vertegenwoordigde Horus, zijn zoon, in den Egyptischen geest den dag van heden. Hoewel sommige teksten ons vertellen, dat Osiris zijn vader was, eischen andere deze functie voor Ra op, maar deze twee zijn in dit opzicht een en dezelfde.
Osiris werd de vader van Horus, nadat hij dood was; dit is de oorsprong van verschillende zon-halfgoden. Zooals reeds gezegd is, is de geboorte van zulke wezens gewoonlijk eigenaardig, of in duister gehuld.
Terwijl Isis Horus, haar kind, verzorgde en voor de vervolgingen van Set bevreesd was, zocht zij in de moerassen van de Delta beschutting en verborg zichzelf en haar kind temidden van een dichte massa papyrus-planten.
Het kon nu de Egyptenaren uit de Delta toeschijnen, dat de zon uit de met papyrus overdekte moerassen, welke zich aan beide zijden van den horizon uitstrekten, oprees en op deze wijze kunnen wij deze mythe eenvoudig op allegorische wijze uitleggen. De omstandigheden van de ontsnapping van Isis uit de handen van Set zijn reeds in de Osiris-mythe in détails behandeld.
De kinderlijke liefde, welke Horus aan de nagedachtenis van zijn vader Osiris bewees, bezorgde hem veel achting van de zijde der Egyptenaars. Hij was het, die de bijzonderheden van de mummificatie van den god vaststelde en die het richtsnoer voor den vromen Egyptischen zoon bepaalde.
Daarom beschouwde men hem als helper van de dooden en men geloofde, dat hij de tusschenpersoon tusschen hen en de rechters van de Taut was. Bij het verzorgen van de dooden, had hij een menigte helpers, bekend onder den naam van volgers van Horus en dezen werden als goden van de vier hoofdpunten van het kompas beschouwd. In het Boek der Dooden legt men hun groot gewicht bij en zij namen deel aan de bescherming van het lichaam der gestorvenen, zooals in het gedeelte, dat over de mummies handelt, is vermeld. Zij waren vier in getal en waren Hapi, Tuamutef, Asmet en Qebhsennuf genaamd.

Nephthys.
Men hield Horus, den zoon van Isis en Osiris, voor zoo gewichtig, dat hij alle attributen van de overige Horusgoden in zich opnam, maar in sommige teksten wordt hij als kind voorgesteld, met den voorvinger aan de lip, terwijl hij een haarlok op zij van het hoofd draagt, een aanwijzing voor jeugdigen leeftijd. In later tijd wordt hij in verschillende fantastische gestalten voorgesteld.
Het Zwarte Zwijn.
Ra, Set en Horus worden in een Egyptische mythe, welke de zons- en maansverduistering tracht te verklaren, behandeld. Wij lezen daar, dat Set en Horus verbitterde vijanden waren; Set durfde den strijd echter niet openlijk te beginnen, want hij vreesde Horus, zooals het kwade altijd voor het goede bevreesd is. Daarom verzon hij listig heimelijke plannen, om daardoor den val van Horus te bewerkstelligen en dit verhaal leert ons, hoe de zaak afliep.
Op zekeren dag verzocht Horus Ra toestemming de toekomst uit zijn oogen te lezen. Volgaarne voldeed Ra aan dit verzoek, omdat hij Horus, die door alle goden en menschen bemind werd, liefhad. Terwijl zij met elkander spraken, ging hun een zwart zwijn, een reusachtig, afschuwelijk dier, voorbij, met een woest uiterlijk en met oogen, welke list en wreedheid verrieden.
Hoewel noch Ra, noch Horus zich hiervan bewust waren, was het zwarte zwijn Set in eigen persoon, daar deze de macht had, zich in ieder willekeurig dier te veranderen.
„Wat een vreeselijk monster”, riep Ra uit, toen hij het dier zag.
Horus richtte thans eveneens zijn blik naar het zwarte zwijn, waarin hij zijn vijand nog niet herkende. Dit was Set’s geluk. Hij zond een lichtstraal, juist in het oog van den god.
Horus werd door de hevige pijn bijna van zijn verstand beroofd. „Set heeft mij dit kwaad aangedaan”, riep hij uit; „dit mag niet ongestraft blijven”.
Set was echter verdwenen en men kon hem nergens ontdekken. Daarom sprak Ra den vloek uit over het zwijn, om het kwaad, dat Horus overkomen was.
Toen de jonge god zijn gezicht herkregen had, gaf Ra hem de stad Pé, en hierover was hij zeer verblijd en bij zijn glimlach verdwenen de duistere wolken en het geheele land verheugde zich.
Een Grieksche lezing der mythe vertelt, dat het zwarte zwijn het oog van Horus uitrukte en het verslond, doch dat hij door Ra (Helios) genoodzaakt werd, het te herstellen.
De oogen van Horus zijn natuurlijk de zon en de maan; een van dezen wordt door het zwarte zwijn (een verduistering) verslonden, of vernietigd. De teruggave van het licht aan de aarde wordt door de vreugde van Horus, die met de stad Pé begiftigd wordt, voorgesteld.
Nephthys was de tegenhangster van Set. Zij was de dochter van Geb (of Seb) en Nut, de zuster en vrouw van Set, en de moeder van Anubis, doch het is niet duidelijk, of zij dat was door Osiris, of Set. Het woord Nebt-het beteekent: „de vrouw des huizes”, of „lucht”.
Hoewel Nephthys met Set vereenigd wordt, schijnt zij haar zuster Isis mede trouw te blijven, daar zij deze in het verzamelen van de verstrooide ledematen van Osiris bijstaat.
Zij wordt in de gestalte van een vrouw voorgesteld, die op haar hoofd het symbool van haar naam draagt, d.w.z. een mand en een huis. In het Boek der Dooden verschijnt zij eenigermate als helpster van haar zuster Isis, terwijl zij achter Osiris staat, wanneer de harten gewogen worden en zij aan het hoofdeinde van Osiris’ baar knielt.
Men geloofde, dat zij, evenals haar zuster, groote tooverkracht bezat en in veel opzichten gelijkt zij op haar. Ook veronderstelt men van haar, dat zij Osiris, in zijn kwaliteit van maangod, beschermt.
Plutarchus verschaft ons eenig licht aangaande het Egyptisch geloof aan deze godin. Hij verhaalt, dat Anubis de zoon van Osiris en Nephthys was en dat Typhon of Set het eerst met hun liefde bekend werd, doordat hij een slinger van bloemen vond, welke door Osiris was achtergelaten.
Evenals Isis een voorstelling is van de vruchtbaarheid, zoo beteekent Nephthys volgens hem het bederf.
Dr. Budge, die deze passage commentarieert, zegt, dat het duidelijk is, dat Nephthys de personificatie van de duisternis is, en alles, wat daartoe behoort en dat haar attributen eerder een passief, dan een actief karakter droegen. „Zij was in elk opzicht het tegenovergestelde van Isis. Isis is het symbool van geboorte, wasdom, ontwikkeling en kracht; Nephthys echter was het type van dood, verval, vermindering en onbewegelijkheid”. De godinnen werden echter onafscheidelijk met elkaar verbonden.
Isis vertegenwoordigt, volgens Plutarchus, dat deel van de wereld, dat zichtbaar is, terwijl Nephthys het onzichtbare deel voorstelt. Isis en Nephthys stellen respectievelijk de dingen voor, welke zijn en de dingen, welke nog moeten komen, het begin en het einde, de geboorte en den dood, het leven en den dood.
Ongelukkigerwijze hebben wij geen middel om te weten te komen, wat de oorspronkelijke opvatting over de attributen van Nephthys was, doch het is onwaarschijnlijk, dat dezen eenige gezichtspunten, welke in Plutarchus’ tijd over dit onderwerp gangbaar waren, bevatten. Nephthys is geen godin met juist gedefinieerde karaktertrekken, maar over het algemeen kan men haar beschrijven als de godin van den dood, welke niet eeuwig is.
Dr. Budge verklaart verder, dat Nephthys, hoewel zij een godin van den dood was, toch met het leven, dat uit den dood ontstaat, verbonden werd. Tezamen met Isis maakte zij het doodsbed van Osiris in gereedheid en vervaardigde zijn mummie-windsels. Eveneens bewaakte zij, met Isis, het lijk van Osiris.
In later tijd werden de godinnen door priesteressen voorgesteld, van wie het haar geschoren was en die op haar hoofd wollen banden droegen. Aan den arm van de eene bevond zich een band met den naam van Isis en de ander droeg eveneens een band, doch met den naam van Nephthys.
Set.
De cultus van Set dateert uit de grijze oudheid en ofschoon men hem later als het gepersonificeerde kwaad beschouwde, was dit niet zijn oorspronkelijke rol. Volgens de priesters van Heliopolis was hij de zoon van Geb en Nut en derhalve een broer van Osiris, Isis en Nephthys, echtgenoot van de laatst genoemde en vader van Anubis.
Deze verwantschapsbetrekkingen werden op een betrekkelijk laat tijdstip gemaakt.
In de pyramiden-teksten treedt Set als een vriend der dooden op en zelfs stond hij Osiris bij, toen deze door middel van een ladder den hemel trachtte te bereiken. Ook werd hij door Horus vergezeld en als diens gelijke beschouwd.
Langzamerhand echter beschouwde men hen als doodsvijanden, die alleen door den wijzen Thoth verhinderd werden, elkander geheel en al te vernietigen. Horus de Oudere was de god van de lucht bij dag en Set de god van de lucht bij nacht. De een was inderdaad de directe tegenstander van den ander.

Set.
De afleiding van den naam geeft aanleiding tot vele moeilijkheden. Zijn hieroglyph wordt uitgelegd als de voorstelling van een dier, of een steen, waarschijnlijk een symbool van het steenachtige of verlaten landschap aan beide zijden van den Nijl. Wat het dier betreft, dat hem zou voorstellen, dit is tot nog toe op geen enkele wijze geïdentificeerd, doch verschillende uitleggers zien hierin een afbeelding van een kameel, of een okapi. In elk geval moet het een bewoner van de woestijn zijn geweest, welke den mensch vijandig is.
Evenals Horus de god van het Noorden was, zoo was Set die van het Zuiden. Dr. Brugsch ziet in Set de symbolische voorstelling van de benedenwaartsche beweging van de zon en maakt hem aldus tot bron van de verderfelijke zonnehitte. Men dacht, dat hij, wanneer de dagen begonnen te korten en de nachten te lengen, het licht van den zonnegod stal. Hij was eveneens behulpzaam bij de maandelijksche afname van de maan. Stormen, aardbevingen, eclipsen en alle andere natuurverschijnselen, welke duisternis veroorzaakten, werden aan zijn invloed toegeschreven en vanuit een ethisch gezichtspunt was hij de god van zonde en kwaad.
Wij vinden, dat de mythen van den strijd tusschen Set en Horus zich ontwikkelden, uit de eenvoudige tegenstelling tusschen den dag en den nacht, tot den strijd tusschen de twee goden. Ra en Osiris, inplaats van Horus, worden soms tegenover Set gerangschikt.
De strijd symboliseert de zedelijke idee van de overwinning van het goede over het kwade en men dacht dat zij van de gestorvenen, die van schuld waren vrijgesproken, Set overwonnen hadden, zooals Osiris dit gedaan had.
In zijn strijd tegen den zonnegod nam Set de gedaante van den monsterslang Apep aan en werd door een leger kleinere slangen en reptielen van allerlei soort vergezeld. In later tijd vinden wij hem met Typhon geïdentificeerd.
Alle dieren van de woestijn en die, welke in de wateren huisden, werden als kinderen van Set beschouwd, zoo ook dieren, zelfs menschen, met rood haar. Zulke dieren werden zelfs dikwijls geofferd, om Set gunstig te stemmen. In de maand Pachons werden een antilope en een zwart zwijn aan hem geofferd, om hem af te schrikken, de volle maan aan te vallen en op het groote feest van Heru-Behudeti werden die vogels en visschen, van welke men geloofde, dat zij tot zijn gevolg behoorden, met de voeten vertrapt, onder het aanheffen van den kreet, dat Ra over zijn vijanden getriumpheerd had.
Ook bezat hij een koninkrijk in de Noordelijke luchtstreken en de Groote Beer was zijn bijzondere verblijfplaats. Evenals in sommige andere landen beschouwde men het Noorden als de plaats van de duisternis, de koude en den dood. Zoo vinden wij, dat men bij de Mexicanen en Maya het Noorden als de verblijfplaats van den god van den dood beschouwde en dat onder de latere bevolking de hieroglyph voor het Noorden een been is, voor het hoofd van den god van den dood geplaatst.
Van de godin Reret, met het hoofd en het lichaam van een hippopotamus, geloofde men, dat zij den boozen invloed van Set in bedwang hield. Er bestaat een afbeelding van haar, waarop zij de duisternis aan een ketting gebonden vasthoudt en men beschouwde haar als een vorm van Isis.
Waarschijnlijk begon ongeveer tegen den tijd van de 22e dynastie de vereering van Set te verminderen en in dezen tijd kreeg hij de gedaante van een duivelsche godheid. Men heeft de theorie verkondigd, dat de Hyksos, die het land binnendrongen, hem met eenige van hun eigen goden identificeerden en dit feit was voldoende, om hem bij de Egyptenaren in discrediet te brengen.
Set en de Ezel.
Plutarchus in zijn werk: „De Iside et Osiride” heeft een belangwekkende passage betreffende de gelijkenis tusschen den ezel en Set.
Hij zegt daar het volgende:
„Hierdoor is hun schandelijke behandeling van die personen te verklaren, van wie zij gelooven, dat zij door de roodheid van hun gelaat een gelijkenis met hem vertoonen, en hieruit is tevens de gewoonte van de Kopten ontstaan om een ezel in een afgrond te storten. Ja, de inwoners van Busiris en Lycopolis dreven hun afschuw voor dit dier zoo ver, dat zij nooit van trompetten gebruik maakten, daar het geluid van dezen eenige overeenkomst met het gebalk van een ezel vertoonde; in één woord, dat dier werd door hen als onrein beschouwd, alleen door de gelijkenis, welke het met Typho heeft. Hiermede is in overeenstemming te brengen, dat de koeken, welke zij gedurende de laatste 2 maanden Pauni en Phaophi offeren, de afbeelding van een ezel vertoonen, welke daarin is gestempeld.
Om dezelfde reden bevelen zij uitdrukkelijk, als zij aan de Zon offeren, dat allen, die naderen, om de godheid te aanbidden, noch goud dragen aan het lichaam, noch aan een ezel voeder geven.
Het is bovendien duidelijk, dat zelfs de Pythagoreërs Typho tot den rang der demonen rekenden, daar hij tot het even getal 56 behoort. Immers evenals de driehoek tot de natuur van Pluto, Bacchus en Mars behoort, de eigenschappen van het vierkant aan Rhea, Venus, Ceres, Vesta en Juno eigen zijn en die van den twaalfhoek aan Jupiter, op dezelfde wijze is de figuur van den 56-hoek aan de natuur van Typho eigen; daar al de bovengenoemden in het systeem van Pythagoras als even zoovele genii of demonen beschouwd worden, moet de laatste op gelijke wijze opgevat worden.
Door het vermeende roode uiterlijk van Typho maakten de Egyptenaren bij hun offers van geen andere ossen gebruik, dan die, welke deze kleur hadden. Ja zoo ver gingen zij hierbij, dat, indien er ook maar één zwart, of wit haar op het dier voorkwam, dit voldoende was dit voor hun offer ongeschikt te verklaren. Het was hun meening, dat offers niet uit die dingen behooren te bestaan, welke aan de goden aangenaam en welgevallig zijn, doch integendeel eerder uit die schepsels, waarin de zielen van zondige en onrechtvaardige menschen in den loop der zielsverhuizing zijn opgesloten.
Hieruit ontsproot de gewoonte, welke door hen vroeger werd bewaard, een plechtige verwensching over het hoofd van het dier, dat geofferd moest worden, uit te spreken en later dit af te snijden en in de rivier den Nijl te werpen, hoewel zij dit nu aan vreemdelingen overlaten.
Het was daarom niet geoorloofd een os aan de goden te offeren, indien niet het stempel van de z.g. Sphragistae op dezen gestempeld was; deze priesters waren speciaal voor dit doel aangewezen en van hun dienstverrichting was ook hun naam afgeleid.
Dit stempel vertoont een man, op zijn knieën liggend, met de handen op den rug gebonden, terwijl de punt van een zwaard op zijn keel is gericht.
Niet door de kleur alleen meenen zij, dat er een zekere gelijkenis tusschen den ezel en Typho bestaat, doch tevens door zijn dommen en zinnelijken aard. Met deze opmerking stemt het feit overeen, dat zij aan Ochus, dien zij van alle Perzische heerschers het meest haatten, den scheldnaam „Ezel” gaven en dit gaf aanleiding tot het volgende antwoord van dien vorst, dat ons door Dino verhaald wordt: „Maar deze ezel zal van jullie os eten”, en daarom doodde hij den Apis. In sommige gedeelten van zijn mythe wordt Set in de gedaante van een zwart zwijn voorgesteld. Voornamelijk is dat het geval, als hij door Ra aan Horus getoond wordt en hij het oog van den laatsten uit diens hoofd rukt.
Anubis.
Anubis, of zooals de Egyptenaren hem noemen, An-pu, was, volgens eenigen, de zoon van Osiris en Nephthys en volgens anderen, de zoon van Set. Hij had den kop van een jakhals en het lichaam van een man en was klaarblijkelijk het symbool van dat dier, dat rondom de graven sluipt.
Zijn vereering gaat tot zeer oude tijden terug en misschien was hij eertijds een totem. Hij was de gids van de dooden in de onderwereld, op hun weg naar de woning van Osiris. In verschillende mythologieën is een hond de metgezel van de dooden in de onderwereld. In prae-historische graven heeft men de bewijzen hiervoor gevonden. Zoowel in Mexico, als in Peru, werden honden bij de begrafenis geofferd en dit gebruik was inderdaad wijd en zijd verspreid.

Set.
Het is nu juist onwaarschijnlijk, dat Anubis den prae-historischen jakhals, die half en half een huisdier was, typifieert, of een vroeger type van den hond, van welken men veronderstelde, dat hij de dooden door de onderwereld geleidde.
Plutarchus vertelt, dat de Egyptenaren meenden, dat er een zekere gelijkenis tusschen Anubis en den hond bestond.
Anubis werd in het bijzonder te Lycopolis, Abt en elders vereerd. Hij neemt een voorname plaats in het Boek der Dooden in en wel voornamelijk in die gedeelten, welke met de rechtvaardiging en de balseming der dooden verband houden.
Hij was het, die de balseming van Osiris verrichtte. Hij verleende inderdaad zeer groote hulp aan de treurende zusters en dit is wellicht een typisch voorbeeld van de zorgzame en behulpzame eigenschappen van den hond.
Dit treft ons des te meer, indien men moet aannemen, dat hij de zoon van Set is en de geheele evolutie van de godheid kan wellicht beteekenen, dat de hond, toen hij nog in half wilden staat verkeerde en nog niet geheel en al huisdier, een wezen was, dat zich alleen ’s nachts vertoonde en een twijfelachtige waarde bezat, doch dat, toen hij eenmaal als huisgenoot was opgenomen, zijn goede eigenschappen eerst recht te voorschijn kwamen.
Het is waarschijnlijk dat, als men de onderzoekingen tot op een zeer ver verwijderd tijdstip kon voortzetten en er tevens schilderingen uit dien tijd over waren, wij zouden vinden, dat Anubis afgeschilderd werd als de trouwe hond, die de gestorvenen op hun reis naar de Duat voorgaat.
Later, toen iedere god door de hulp van het priesterlijk vernuft zijn speciale functie had gekregen en misschien in een tijdvak, waarin de jakhals, of hond, totemistisch waren, vinden wij nog steeds een gids, die de dooden door de duisternis geleidt, maar met het uiterlijk en de attributen van een volwassen godheid. Hoe hij het nu gebracht heeft tot mummie-maker van Osiris, schijnt zeer lastig te verklaren; misschien dat het verband, dat tusschen een begraafplaats en een jakhals bestaat, hier eenig licht kan aanbrengen. Hij was het symbool voor het graf.
Professor Petrie vermeldt in dit verband, dat de sporen van den jakhals de beste gidsen naar de Egyptische graven zijn. Een rede van Anubis in het Boek der Dooden, (hoofdstuk 102), spreekt voor zijn beschermend karakter. „Ik ben gekomen”, zegt hij daar, „om Osiris te beschermen”. In verscheidene landen wordt de hond met den gestorvene afgemaakt, om hem tegen verschillende, afzichtelijke vijanden, die hij op zijn weg naar den Hades zou kunnen ontmoeten, te beschermen en het is niet onwaarschijnlijk, dat Anubis in vroegere tijden een gelijke rol speelde.
Het is de plicht van Anubis, toe te zien, dat de balans van de groote weegschaal, waarop het hart van de gestorvenen gewogen wordt, in behoorlijken toestand verkeert. Zooals Thoth voor de goden optreedt, zoo treedt Anubis voor den doode op, wien hij eveneens tegen den „Verteerder van de Dooden” beschermt.
De zielen van de afgestorvenen werden tevens door hem door de onderwereld geleid, terwijl hij hierbij door Up-uaut, een anderen god, in de gedaante van jakhals voorgesteld, werd bijgestaan; diens naam beteekent: „Hij, die de wegen opent”. Deze goden worden soms met elkaar verward, maar in sommige teksten worden zij afzonderlijk genoemd.
De naam van den lateren god is voor zijn waarschijnlijke, vroegere functie teekenend. Anubis opende, volgens Dr. Budge, de wegen van het Noorden en Up-uaut die van het Zuiden. Anubis was verder, volgens hem, de personificatie van den zomerzonnestilstand en Ap-unt (Up-uaut) van dien van den winter. Hij beweert verder dat, wanneer zij met de twee Utchats, of oogen van Ra, verschenen, zij de vier kwartieren van hemel en aarde en de vier jaargetijden symboliseeren. Plutarchus heeft eveneens een passage over de astronomische beteekenis van Anubis, doch deze is ver van duidelijk.
In Heliopolis werd Anubis eenigszins met Horus verward, zooals men uit zijn attributen kan opmaken en in zeker opzicht nam hij het karakter van de oude fusie tusschen Horus en Set aan, en was in deze opvatting de personificatie van den dood en het vergaan. In den „Gouden Ezel”, van Apuleius, vinden wij, dat Anubis vereerders had in Rome en hierbij is het opmerkelijk, dat men hem voorstelt met een hondenkop afgebeeld.
Thoth.
Thoth, of Tehuti, was een zeer samengestelde godheid Laten wij zijn attributen opsommen, voordat wij zijn beteekenis trachten te ontwarren. Men spreekt over hem als den teller van de sterren, den meter en teller van de aarde, terwijl hij tevens de machtige heer der boeken en schrijver der goden was en kennis bezat van de goddelijke gave der spraak.

Thoth.
Over het algemeen werd hij in menschelijke gestalte afgebeeld, met het hoofd van een ibis, doch somtijds verschijnt hij ook in de geheele gestalte van dien vogel. Op zijn hoofd droeg hij de wassende maan, een schijf, de Atefkraan en de kronen van het Noorden en het Zuiden.
In het Boek der Dooden wordt hij geschilderd als schrijver, die het schrijfriet en het palet in de hand houdt, terwijl hij op de tafeltjes de getuigenissen van de dooden opschrijft, wier hart voor hem gewogen wordt.
Er is geen reden te vermoeden, dat Thoth van een totemistisch karakter was, daar hij tot de cosmogonische, of natuurgoden, behoort en geen andere, of weinigen van dezen, tot dit type behooren. Een andere vorm, waarin Thoth voorkomt, is die van een aap, met een hondenkop voorzien en deze is, zooals men vastgesteld heeft, het symbool voor het evenwicht.
De voornaamste plaats, waar hij vereerd werd, was Hermopolis; hier veronderstelde men, dat Ra ontstaan was. Men schreef Thoth de geestelijke vermogens van Ra toe en inderdaad de gezegden van Ra schenen van zijn lippen gevloden te zijn. Hij was de verpersoonlijking van de goddelijke gave van de spraak. Doch wij loopen de zaak vooruit. Laten wij eerst zijn oorspronkelijke beteekenis trachten te ontdekken, voordat wij de meer ingewikkelde attributen opsommen, welke in later tijd in overstelpende hoeveelheid zijn deel geworden zijn.
Het is zeer duidelijk, dat Thoth oorspronkelijk een maangod is. Hij wordt „de groote god” en „de god van den hemel” genoemd. Onder primitieve volken is de maan de groote regelaar van de jaargetijden. Een maankalender is altijd in gebruik vóór de invoering van de zonnetijdrekening. Aldus is de maan de groote meter van het leven, in de oudste tijden.
Oude volken spreken aldus over de zaai-, de lente-, de graan- of oogstmaand en zoo voorts. Thoth was dus een meter, omdat hij een maangod was en omgekeerd, vanwege zijn beteekenis van maangod, was hij een meter.
Als Aah-Tehuti is hij het symbool voor de nieuwe maan, daar de tijd door de oudste volken vanaf haar eerste verschijning berekend wordt.
Zijn oog is de volle maan, evenals het oog van Ra de zon in den middag beteekent. Doch het linkeroog van Ra is eveneens de symbolische voorstelling hiervan, of van het koude gedeelte van het jaar, wanneer de zonnestralen niet zoo sterk zijn.
Somtijds wordt zij ook „het zwarte oog van Horus” genoemd, terwijl het witte oog dan de zon voorstelt. Dit is een staaltje, hoe de attributen van de Egyptische godheden geheel en al verward worden.
Daar hij een maangod was, werd hij tot op zekere hoogte met het vocht verbonden en in hoofdstuk 95 van het Boek der Dooden lezen wij over hem in zijn kwaliteit van regen- en dondergod.
Thoth als Zielerechter.
Het was echter als zielerechter, dat Thoth in de oogen van de Egyptische priesters van groot gewicht was. Hij oefende dit ambt uit door zijn kennis van de letters en zijn gave, om te weten, wat recht, of in evenwicht was.
Hij bezat verder de macht, de manier aan te geven, waarop woorden correct moesten uitgesproken worden. Zooals reeds is opgemerkt, was de wijze van spreken en de toon, waarop de woorden uitgesproken werden, van grooten invloed, zoowel bij gebeden, als bij magische beweringen, om succes, of mislukking tengevolge te hebben.
Thoth nu leerde het geheim hiervan aan den mensch en dit wilden de Egyptenaren voornamelijk leeren. Door middel van Thoth’s formules werden de poorten van de Duat voor de gestorvenen geopend en werden zij tegen verschrikkingen gevrijwaard. Men geloofde verder, dat het Boek der Dooden het werk van Thoth was, evenals het „Boek van het Ademhalen”, een veel later werk.
De Grieksche schrijvers over Egyptische aangelegenheden stelden Thoth, wien zij Trismegistos, of Hermes den driemaal Grooten, noemden, als de voornaamste bron van alle leeren en wijsheid voor. Zij schrijven aan hem de uitvinding der astronomie, astrologie, wiskunde, geometrie en medicijnkunde toe. De letters van het alphabet waren eveneens zijn uitvinding en hieruit kwam de schrijf- en leeskunst voort. Volgens hen waren de Boeken van Thoth 42 in getal en in 6 klassen verdeeld, terwijl zij over wetten en theologie, den dienst van de goden, geschiedenis, aardrijkskunde, schrijfkunst, astronomie, astrologie, godsdienstige geschriften en medicijnen handelden. Het is bijna zeker, dat het meeste van dit materiaal het werk van Alexandrijnsche Grieken was, door oude Egyptische wetenschap vervalscht.
Maāt.
De godin Maāt gelijkt zeer veel op Thoth en wordt inderdaad als de tegenhangster van dien god beschouwd.

Maāt.
Zij was een van de oorspronkelijke godinnen, want toen de boot van Ra boven de wateren van den afgrond van Nu voor het eerst boven kwam, had zij haar plaats naast Thoth. Haar symbool is de struisvogelveer, welke zij of vasthoudt, of als versiering draagt.
Budge beweert, dat de reden voor de combinatie van de struisveer met Maāt, onbekend is, evenals de oorspronkelijke beteekenis van haar naam. Het is echter waarschijnlijk, dat de gelijkzijdigheid van de veer, haar verdeeling in halven, haar tot een passend symbool voor de balans, of het evenwicht, maakte.
Onder de Maya van Midden-Amerika toont de veer het meervoudig getal aan. Het woord beteekent, naar men ons mededeelt, „dat wat recht is”. De naam Maāt nu beteekende bij de oude Egyptenaren iets, wat waar, echt, of werkelijk was. Aldus was de godin de personificatie van wet, orde en waarheid. Zij gaf de regelmaat aan, waarmede Ra in de lucht opkwam en daalde en, door Thoth bijgestaan, zijn dagelijkschen loop hem iederen dag voorschreef.
In deze kwaliteit wordt zij de dochter van Ra en het oog van Ra genoemd. Als de personificatie der rechtvaardigheid was haar moreele macht onmetelijk en onverbiddelijk. Zij werd langzamerhand als dat noodlot beschouwd, waarvan ieder man zijn verdiende loon ontvangt. Zij zat in een hal in de onderwereld, om de bekentenissen van de dooden aan te hooren, terwijl de deur door Anubis bewaakt werd. De gestorvenen moesten twee en veertig rechters in deze hal tevreden stellen, eerst daarna konden zij tot Osiris toegelaten worden, wien zij verzekerden, dat zij Maāt tevreden gesteld hadden en door haar van schuld gereinigd waren.
Het Boek der Dooden.
Het Boek der Dooden, in het Egyptische Pert em hru getiteld, een titel welke vertaald wordt als: „verschijnend over dag”, of „dag der openbaring”, is een groot lichaam van godsdienstige compositie, dat voor het gebruik der dooden in de onderwereld tezamen gebracht is.
Het is waarschijnlijk, dat de naam voor de Egyptenaren een beteekenis had, welke men onmogelijk in eenige moderne taal kan overbrengen en dit wordt door een ander van zijn titels: „Het hoofdstuk om de Khu (geest) te volmaken”, voldoende aangetoond.
Men weet, dat teksten, welke zich met het welzijn van de dooden en hun leven in de onderwereld bezighielden, onder de Egyptenaren zeker reeds in 4000 v.C. bekend waren. De oudste vorm van het Boek der Dooden, welke ons bekend is, komen wij in de Pyramiden-teksten tegen.
Met de uitvinding der mummieficatie ontstond een meer compleet begrafenis-ritueel, op de hoop gebaseerd, dat dergelijke ceremonies het lichaam tegen bederf zouden vrijwaren, het voor altijd bewaren en het tot een gelukzalig bestaan onder de goden zouden brengen.
Bijna onmiddellijk voor den tijd der dynastieën schijnt aan den cultus van Osiris een zeer groote prikkel te zijn toegevoegd. Hij was nu de god der dooden par excellence geworden en zijn dogma leerde, dat uit het voor bederf bewaarde een ander schoon astraal lichaam te voorschijn zou komen, de toekomstige woning van den geest van den gestorvene. Daarom werd het noodzakelijk, zoo uitgebreid mogelijke maatregelen voor het bewaren van de menschelijke overblijfselen te nemen.
Een oude ontdekking.
Een inscriptie op den sarcophaag van koningin Khnem-nefert, de vrouw van Mentu-hetep, een koning der 11e dynastie (pl.m. 2500 jaar v.C.), vertelt ons, dat een zeker hoofdstuk van het Boek der Dooden onder de regeering van Hesep-ti, den 5en koning der 1e dynastie, die pl.m. 4266 v.C. leefde, ontdekt werd.
Deze sarcophaag geeft ons twee copieën van bedoeld hoofdstuk, welke aan elkander aansluiten. Dat een hoofdstuk van het Boek der Dooden, van pl.m. 2500 v.C., tot een datum teruggebracht kon worden, welke 2000 jaar vroeger valt, is verbazingwekkend en wat te denken over een traditie, welke gedurende betrekkelijk ongeletterde eeuwen een godsdienstige formule bijna onverzwakt bewaard heeft!
Aldus werd 42 eeuwen voorheen een gedeelte van het Boek der Dooden als buitengewoon oud, mysterieus en moeilijk te begrijpen, beschouwd. Men moet ook goed op het feit letten, dat de inscriptie op het graf van koningin Khnem-nefert ons vertelt, dat ’t hoofdstuk in quaestie ongeveer 4266 v.C. ontdekt werd. Het was dus alleen op dat vroeger tijdstip ontdekt, hoe lang was echter het verloop tusschen dat tijdstip en den tijd, waarop het voor het eerst opgeschreven werd?
De inhoud van het hoofdstuk op den sarcophaag van de koningin vertelt: „dat dit hoofdstuk gevonden werd in de woningen beneden den Bewoner in de Hennu Boot, door den meesterknecht van de bouwers, in den tijd van den koning van het Zuiden en Noorden, Hesep-ti, wiens woord waar is” en de Nebseni Papyrus beweert, dat het hoofdstuk in de stad van Khemennu, of Hermopolis, gevonden werd, op een blad van albast, in letters van lapis-lazuli geschreven, onder den voet van den god.
Dit blijkt ook uit den Turijn-Papyrus, welke uit den tijd der 26e dynastie dateert en hieruit zien wij, dat de naam van den vinder Heru-ta-ta-f, den zoon van Cheops, was en dat deze op dat tijdstip een reis ondernam, om de tempels te inspecteeren.
Maspero betwijfelt het gewicht van de vermelding van bedoeld hoofdstuk, op het graf van koningin Khnem-nefert, maar Naville beschouwt het hoofdstuk in quaestie als het oudste van het Boek der Dooden.
Een bas-relief uit de 2e dynastie draagt een inscriptie, welke aan de schim van een zeker priester duizend brooden en duizend kruiken bier enz. belooft, een belofte, welke later zoo algemeen voorkomt.
Wij zien dus, dat in het jaar 4000 v.C. het als een godsdienstplicht beschouwd werd, de dooden van offers, uit spijs en drank bestaande, te voorzien en het schijnt zeer waarschijnlijk, dat het in dezen tijd reeds een vaste gewoonte geworden was. Deze passage kan den tekst op den sarcophaag van de vrouw van Mentu-hetep wellicht bevestigen.
Eenige eeuwen later, ongeveer in den tijd van Seneferu (pl.m. 3766 v.C.), was de vereering der dooden, uit een architectonisch standpunt, aanmerkelijk uitgebreid en grootere en meer imponeerende graven werden voor hen gebouwd. Succesvolle oorlogen hadden aan Egypte grooten rijkdom gebracht en haar bewoners waren thans beter in staat de buitengewone uitgaven, welke de kostbaarste cultus, welke de godsdienstgeschiedenis kent, te bestrijden.
Onder de regeering van Men-kau-Ra schijnt men een herziening van eenige gedeelten van den tekst van het Boek der Dooden ter hand genomen te hebben De rubrieken, welke op sommige hoofdstukken betrekking hebben en van welke wij lezen, dat zij op een blad van albast geschreven waren, in letters van lapis-lazuli, in den tijd van dien vorst, zijn een bevestiging hiervan.
Wij vinden in de regeering van Unas (3333 v.C.) geen tekst, welke naar het Boek der Dooden, als één geheel, verwijst; de pyramide van dezen koning werd in 1851 door Maspero geopend. De muren hiervan waren met teksten bedekt, welke door hun archaistisch karakter en spelling buitengewoon moeilijk te ontcijferen waren, en hieronder bevonden zich vele uit het Boek der Dooden.
Gedurende zijn opgravingen te Saqquarah, wist Maspero in de pyramiden van Teta (3300 v.C.) door te dringen en hierin ontdekte hij inscripties, waarvan sommige met die van de pyramide van Unas identisch waren, zoodat het bestaan van een volledig Boek der Dooden. gedurende den tijd van den eersten koning der 6e dynastie, bewezen was.
Teksten, welke de genoemden aanvulden, werden in het graf van Pepi I (3233 v.C.) gevonden. Hieruit zal men kunnen opmaken, dat vóór het einde van de 6e dynastie, waarschijnlijk vijf copieën van een reeks teksten, welke het Boek der Dooden in die periode vormden, bestonden en, zooals opgemerkt is, bestaat er een wezenlijk bewijs, dat het ceremonieel hiervan in de tweede en waarschijnlijk reeds in de 1e dynastie in zwang was. De teksten hiervan werden voortdurend gecopiëerd en gebruikt tot de 2e eeuw van de Christelijke jaartelling.
Het schijnt, dat ieder hoofdstuk van het Boek der Dooden uit een onafhankelijke bron stamt, en het is waarschijnlijk, dat hun opname in het werk over vele eeuwen verspreid was. Het is mogelijk, dat eenige teksten een verandering in de theologische opvatting weergeven, doch ieder hoofdstuk stond op zichzelf. Men kan echter in de opvolging der hoofdstukken een traditioneele methode ontdekken.
De Drie Recensies.
Er bestonden drie uitgaven van het Boek der Dooden, n.1. die uit Heliopolis, de Thebaansche en de Saïtische. Die uit Heliopolis werd door de priesters van het College van Anu, of On, bij de Grieken als Heliopolis bekend, uitgegeven, en is op teksten gebaseerd, welke niet meer te ontdekken zijn.
De pyramiden van Unas, Teta en Pepi bevatten de oorspronkelijke teksten van deze recensie; deze vertegenwoordigt het theologisch systeem, door de priesters van Ra ingevoerd. De hoofdbestanddeelen van den oorspronkelijken Egyptischen godsdienst worden hierin echter behouden, terwijl de eenige wijziging hierin de invoering van den zonnedienst van Ra is.
In later tijd echter werden de priesters van Ra genoodzaakt de suprematie van Osiris te erkennen en deze theologische nederlaag is in de moderne teksten zichtbaar. Tusschen de 6e en 11e dynastie gaven de priesters van On van tijd tot tijd een aantal nieuwe hoofdstukken uit.
De Thebaansche recensie was van de 18e tot de 22e dynastie zeer in zwang en werd gewoonlijk op papyri geschreven en in hieroglyphen, op doodkisten, geschreven.
De Saïtische recensie is zeker op een of ander tijdstip vóór de 26e dynastie gerangschikt en werd op lijkkisten en papyri geschreven, eveneens in hieratisch en demotisch schrift. Deze werd voortdurend tot het eind van het Ptolemaeïsch tijdperk gebruikt.
Zooals wij reeds hierboven opmerkten, stond het Boek der Dooden den mensch ten dienste vanaf het oogenblik, dat hij bewoner van de onderwereld werd, Magie was de hoofdbron voor het bestaan in die streken en tenzij een geest met de formules bekend was, welke de achting van de verschillende goden en demonen en zelfs van de onbezielde voorwerpen konden opwekken, was hij hulpeloos.
De oudste Egyptenaren noemden de streek, waarheen de gestorvenen verhuisden, Duat. Zij geloofden, dat deze uit het lichaam van Osiris gevormd was. Men dacht, dat deze donker en duister was, vurige afgronden en vreeselijke monsters bevatte en op haar beurt door een rivier en een hoogen bergrug omgeven was.
Het gedeelte, dat het dichtst bij Egypte was, stelde men zich als een woestijn, door bosschen afgewisseld, voor; door deze kon de ziel van den afgestorvene niet heenworstelen, zonder de hulp van een welwillenden geest, welke de paden door deze streek van wanhoop kende.
Een dichte duisternis bedekte alles en, onder bescherming hiervan, oefenden de vreeselijke bewoners van deze plaats allerlei vijandelijkheden tegen den nieuw-aangekomene uit; alleen door het gebruik van bepaalde machtwoorden kon hij de overhand over deze wezens verkrijgen.
Er was echter één liefelijke plaats in deze verschrikkelijke streek,—de z.g. Sekhet Hetepet, de Elyseïsche velden, welke Sekhet Aaru, of de Rietvelden bevatten, waar god Osiris en zijn gezelschap woonden. In den beginne had hij over dit gedeelte van de Duat alleen de heerschappij, doch langzamerhand slaagde hij er in deze over het geheele doodenland uit te strekken en werd hij hierover de heerscher.
Wij vinden ook van een god van de Duat, Duati genaamd, melding gemaakt, doch deze schijnt meer een personificatie van de streek geweest te zijn.