II. MULTATULI EN „DE MENSCHEN”.
Reading edition
Nu wij de plaats omschreven hebben, welke Multatuli, naar onze opvatting, als openbare persoonlijkheid in de beschavings-geschiedenis van Nederland inneemt, rust, met groote duidelijkheid aangewezen, de taak op ons, de compositie van het beeld dat wij begonnen zijn te schetsen, te vervolledigen, door er de bijzondere trekken aan toe te voegen, die Multatuli als mensch in het private leven kenmerkten. En hiertoe bieden de Brieven het niet genoeg te waardeeren materiaal. Zoo ergens, dan is bij Multatuli de privaat-mensch de aanvulling, de wederhelft van de publieke persoon. Niet alleen om dat hij steeds uit zijn omgeving, uit zijn eigen lotgevallen, uit zijn toevallige omstandigheden en ontmoetingen op reis en te huis, bijna uitsluitend de stof putte voor zijne artistieke fantasieën en wij dus de geschiedenis, den oorsprong van zijn kunstwerk in zijn partikulier leven moeten opsporen; maar ook om dat hij zelf nagenoeg zijn geheele partikuliere leven, qua historie, qua belang inboezemende, verontwaardiging wekkende lotgevallen, heeft gepubliceerd, maar niet altijd,—en hierop komt het aan—met zooveel nauwkeurigheid en algeheele helderheid, dat omtrent den waren aard zijner ondervindingen bij den lezer niets meer in het duister bleef. Velen ongetwijfeld zullen pas in deze Brieven de volkomen opheldering van zoo menigen geestelijken en stoffelijken toestand in des schrijvers leven vinden, waarnaar zij in de heftige uitlatingen der Ideën en andere geschriften te vergeefs hebben gezocht.
De vrouwen zijn voorzeker de zachtste, de liefste, de aangenaamste, in vele gevallen de meest menschelijke, helft der menschheid. Het is dus allerminst om de vrouwen van deze kategorie van wezens uit te sluiten, indien wij, na Multatuli in zijne verhouding tot „de menschen” beschouwd te hebben, gaarne een afzonderlijk hoofdstuk zouden wijden aan Multatuli’s verhouding tot „de vrouwen”, en in verband met deze verklaring moet dus wel de titel der hier aanvangende afdeeling van dit opstel eene anticipatie schijnen op dien der volgende. Toch zullen wij er ons op toeleggen dit slechts schijn te doen zijn. Want het onderscheid moet zijn: dat wij nu Multatuli’s bijzondere en buitensporige persoonlijkheid in haar gevoelens en gedragingen ten opzichte van de menschen in ’t algemeen willen nagaan, om vervolgens uitsluitend het bijzondere in die persoonlijkheid te overwegen, dat haar eigen werd zoodra zij speciaal met vrouwen in kontact kwam.
Om een juist denkbeeld van Multatuli’s karakter te krijgen, zoo als het zich in zijn omgang met menschen, in zijn houding tegenover de maatschappij, openbaarde, toen hij eenmaal een publiek persoon begon te worden, moeten wij aanvangen met zijn karakter te beschouwen zoo als het vóor dien tijd was, want het karakter heeft zich wel niet veranderd, maar heeft zich uitgedijd, en, om zijn latere ontwikkeling te begrijpen, moet men daarvan de oorzaken in de kiem naspeuren. Multatuli’s karakter, zoo als dat was vóór de verschijning van zijn eerstuitgekomen werk, den Max Havelaar, heeft de houding bepaald die de maatschappij, vertegenwoordigd door hare met hem in betrekking staande leden, tegen hem aannam, en waarvan zijne, latere, houding weêr de terugslag was.
Wie was Douwes Dekker vóór dat Multatuli bestond, wat voor een man was die Douwes Dekker in de waardeering dergenen, die over hem te oordeelen hadden,—ziedaar de vraag, waarvan de beantwoording het gedrag der „menschen” jegens hem volkomen zal verklaren.
De waardeering, waarin Dekker bij de menschen, hier in ’t bijzonder zijne familieleden, bijv. zijn in de Brieven dikwijls genoemden broeder Jan Dekker en zijn zwager Van Heeckeren van Waliën, stond, had zich natuurlijk gevormd uit wat zij wisten van zijne handelingen en gedachten, van de feiten zijns levens, van zijn gedrag als mensch, ambtenaar, echtgenoot, huisvader.
Vóór het geweldige feit, het enorme fait accompli zijner ontslagneming als Assistent-Resident te Lebak, had Dekker (naar uit de Brieven blijkt) in zijne familie de reputatie van te zijn een zeer begaafd man, maar tevens wat zonderling, wat heet-hoofdig, en een slecht financier. Vóór Lebak reeds, lezen wij, waren de financiëele omstandigheden der familie Douwes Dekker alles behalve gunstig. Dekker had zelf van huis uit geen geld, hij was gehuwd met eene onbemiddelde baronesse Van Wijnbergen, hij verdiende in ’s lands dienst wel betrekkelijk veel, maar de verteringen overtroffen steeds de inkomsten, zoodat men links en rechts in schulden kwam.
In 1846 was Dekker gehuwd, in 1852 kwam hij met verlof naar Europa, om in 1855 weder naar Indië terug te keeren. In die drie jaren verloftijd, dus nog vóór zijn zenuwgestel door zijn ontslag en de daardoor veroorzaakte ellende den grooten schok had gekregen, toonde hij reeds, vooral in uitspannings-tijd, slecht met geldelijk beheer overweg te kunnen; want niet alleen bij zijne vrienden, maar ook bij zijne Wageningsche tantes, en zelfs bij den hôtelhouder Fuhri in ’s-Gravenhage maakte hij schulden, die in 1856, het jaar van het ontslag, nog lang niet aangezuiverd waren, want jaren later nog „maakte”, zooals de uitgeefster der Brieven het mededeelt, „Fuhri het hem daarover lastig.”
Al dat schulden maken wordt natuurlijk in ’t algemeen verontschuldigd door Dekker’s stellige en zeer oprechte voornemens om het geleende geld terug te geven, misschien wel met de rente er bij; het leenen bij de tantes in ’t bijzonder wordt vergoelijkt door het feit, dat Dekker deze dames geregeld ondersteunde, zoodat hij niet ten onrechte, maar wel wat weinig delikaat, later beweerde: het was zijn eigen geld, dat hij van de tantes had geleend; doch het leenen van de tantes komt aan den anderen kant weer in een minder fraai daglicht, als men verneemt, dat die tantes zelve uiterst onbemiddeld waren, zoo onbemiddeld, dat, ter beantwoording van verzoekschriften hunnerzijds, prins Frederik hun eens vijftig gulden ten geschenke zond, terwijl zij van het ministerie een gratificatie van zestig gulden ontvingen. De schuld bij den hôtelhouder is van nog bedenkelijker aard, par ce qu’il faut laver son linge sale en famille. (Want Dekker was toen nog niet behoeftig, hij had zijn verlofstraktement).
Zóó was dus de toestand, toen, nadat Dekker 4 Jan. 1856 benoemd was tot Assistent-Resident, de familie in de lente van dat jaar plotseling verrast en verbaasd en, ja geërgerd werd door het bericht, dat hij, in wiens promotie zij zich waarschijnlijk juist zeer verheugde, op 4 April van die hooge positie had afstand gedaan en uit die lukratieve betrekking zijn ontslag had genomen. Waarom, dus vroeg men zich in ontsteltenis af, waarom heeft hij dat gedaan? Was het om elders in nog betere betrekking te komen, was het om op andere wijze, door het beginnen eener partikuliere onderneming, zijne levensomstandigheden en die van zijn gezin nog meer te verbeteren, was het wegens onvermogen, wegens ziekte? Niets van dat alles. Toen dus de familie de reden vernam, kon zij, die natuurlijk naar de algemeen in de maatschappij gangbare begrippen oordeelde, er onmogelijk iets anders van vinden, dan dat hij, die zoo handelde, rijp was voor de gevangenis of voor het krankzinnigen-gesticht. Want wát was er gebeurd, wat was de aanleiding geweest, die Dekker tot dezen stap had gebracht? Hij had eene berisping van hooger hand ontvangen over Dienstzaken en, meenende zijn plicht te hebben gedaan, meenende dat zijne superieuren ongelijk hadden en niet hij, meenende dus dat men een andere wijze van dienen van hem verlangde dan hij met zijn plichtsbesef kon overeenbrengen, had hij voor deze moeilijkheid geen andere oplossing geweten dan eenvoudig uit den Dienst te treden.
Hij had berisping ontvangen en daarom zijne demissie genomen. De familie, die wij steeds noemen als vertegenwoordigster der maatschappij, kon niet anders denken, dan dat Eduard dit uit gekrenkten trots had gedaan, dat hij, gekrenkt in zijn trots, daarom zich zelf en zijn vrouw en kinderen tot armoede had gebracht, in het ongeluk had gestort. Zij kon niet anders denken om drie redenen: ten eerste zoude zij, als bestaande uit gewone menschen, zich niet hebben kunnen indenken in den geestestoestand van iemand, die het plichtsbesef op zulk een eigenaardige heroïeke manier opvatte; ten tweede, al zoude zij geweten hebben, dat nog heden ten dage individuën met zulke buitensporige begrippen worden gevonden, had zij toch geen enkelen grond om te veronderstellen, dat hun familielid Eduard Douwes Dekker, dien zij wèl echter als zeer hoogmoedig kenden, tot dit slag fanatici zou behooren; ten derde, al waren zij zich bewust geweest van het bestaan dezer soort plichtsopvatting en al hadden zij daarbij geweten, dat die bestond in den geest van Eduard, dan zouden zij toch nog van meening zijn geweest, dat die plichtsopvatting zich in een geheel ander gedrag kon uiten dan in het zijne en tot geheel andere handelingen leiden dan die, welke zij, met leede oogen, hem zagen bedrijven.
Gegeven—dus hooren wij de menschen, zoo de derde der genoemde beschouwingen de hunne was, redeneeren—gegeven aan den eenen kant, dat de bevolking van Lebak verkeerd werd behandeld, zoowel tot haar ongeluk als tot nadeel van Nederland, dat de assistent-resident dat merkt, dat hij die verkeerde behandeling tracht tegen te gaan, en over dat trachten berispt wordt van hooger hand in plaats van aangemoedigd; gegeven aan den anderen kant, dat hij het tegengaan der verkeerde behandeling, als zijnde plicht, zijn hoogste levenswet acht, dat hij dus om zijn eenen plicht te volbrengen, zijn anderen plicht—het gehoorzamen aan zijn meerderen,—zoude moeten verzaken, dan blijft hem, ook volgens de strengste kasuïstische redeneering, nog een vierde weg open, behalve de derde (het ontslagnemen), nog een vierde weg om uit dit dilemma te geraken, de weg dien niet alleen bijna alle menschen in het gewone leven bewandelen, maar die ook door buitengewone, dweepzieke personen in zeer bijzondere gevallen, dikwijls wordt ingeslagen: de weg van het schipperen, van het geven-en-nemen.
Want—en hierop komt het aan ter waardeering van Dekker’s daad, en hierom kunnen wij de menschen, die zoo oordeelen, niet geheel ongelijk geven, en in verband hiermede gelooven ook wij dat de trotschheid wel deugdelijk in het spel is geweest en het zijne er toe bijdroeg om hier het woord plicht zoo eigenaardig te interpreteeren (en wij kunnen dit des te eerder doen, daar trotschheid in iemand die later blijkt zoo eene schoone ziel te hebben, niet afkeurenswaardig, of althans, naast de groote gewrochte dingen, de moeite der afkeuring niet waard is),—want, zeggen we, we hebben hier niet te doen met zulk een lijnrecht afgebakende vraag van plicht of geen plicht, van deugd of zonde, als waarop, bij voorbeeld, in tijden van godsdienstvervolging, de Roomsche of de Calvinistische geloovigen te beslissen hadden en waaraan zich die van dood of leven onmiddellijk verbond.
De Roomschen, die wij als voorbeeld nemen, moesten hun geloof afzweren door het plechtig zeggen van eenige woorden; het uitspreken dier formule was, dus leerde de Paus: de zonde, het volstrekt zondige; de Calvinisten moesten hun geloof afzweren, het uitspreken der formule was, dus leerde Calvijn: het volstrekt zondige. Er was hier dus, even als bij alle bekentenissen op de pijnbank, een nauwkeurig afgeperkte daad te verrichten of na te laten. Hem, die het deed, wachtte, na een leven van wroeging, de eeuwige verdoemenis; hem, die het naliet, wachtte, onmiddellijk, de eeuwige gelukzaligheid. De geheele zaak, de daad en het doel, bepaalde zich dus tot het uitspreken of verzwijgen van eenige woorden.
In Dekker’s geval was dat anders. Hij had geen bepaalde daad te verrichten, die de stem van het geweten verbood. Hij had zijn gedrag alleen een weinig te wijzigen, om niet alleen zijn vrouw en kinderen zoo gelukkig te doen blijven als zij waren, maar om tevens,—wat voor hem dan de hoofdzaak zoude geweest zijn—zijn zaak beter te dienen, zijn doel beter te bereiken, dat, door het nemen van zijn ontslag, geheel voor hem verloren ging. Want hij was toen nog niet van plan de zaak van Indië door openbare geschriften te bepleiten, en, ware hij op zijn post gebleven, dan zoude hij, wat hij toch onmiddellijk voorzien kon, de belangen van Nederlanders en Inlanders niet alleen hebben kunnen blijven bevorderen, maar tevens zou hij, ware de gedachte ook in dat geval bij hem opgekomen, door boeken en artikelen, aan de bevordering dier belangen eene meer algemeene uitgebreidheid hebben kunnen geven.
Het geval van Multatuli is het best te vergelijken met het geval van een menschlievend schoolmeester. Veronderstelt dat een onderwijzer op een armenschool, behalve dat hij de wettelijke voorschriften ten opzichte der kinderen volbrengt, dien kinderen tevens voedsel verstrekt voor zijn eigen rekening, hiervoor een gedeelte van zijn traktement gebruikende. Veronderstelt voorts, dat een lid der bevoegde autoriteit, het gemeentebestuur of de schoolcommissie, den onderwijzer aanschrijft daarmede niet voort te gaan door eene, het doet er niet toe welke, administratieve konsideratie hiertoe gebracht. Moet nu die onderwijzer, van meening zijnde, dat de kinderen van Staatswege zouden moeten worden gevoed, en dat hij in elk geval geheel vrij moest gelaten worden om ze voor zijne rekening te voeden, van meening zijnde, dat de plicht der menschlievendheid hem die voeding gebiedt,—moet nu die onderwijzer zijn ontslag nemen en zeggen: anders dienen dan ik thans dien kan ik niet, zoo doende zijn traktement verliezend, zijn familie ongelukkig makende, en de kinderen aan de behandelingen van zijn opvolger blootstellend, die jegens hen wellicht een veel minder zacht gedrag in praktijk zal brengen dan in het onthouden der niet voorgeschreven voeding bestaat? Of moet hij op zijn post blijven en langs een anderen, minder met de inzichten der autoriteiten strijdenden weg, het harde leven voor de kinderen wat zoeken te verzachten?
Wij wenschen met deze overwegingen te betoogen de redelijkheid van het oordeel der maatschappij over Multatuli’s daad. En daar wij gaarne het gebeuren van zooveel mogelijk heldenmoedige daden aannemen, om het genot te kunnen hebben die te bewonderen, willen wij gelooven, wat niet absoluut zeker is, want hij was zeer opgewonden—dat Multatuli, op het oogenblik zijner ontslagneming, wist, dat hij zich daardoor in het ongeluk stortte. Wij erkennen, dat zijn daad dán heldenmoedig was, maar wij betoogen daarbij, dat die heldenmoedige daad, evenals die van Van Speyk, voortkwam uit trots, en geenszins uit plichtsbesef of menschenliefde.
„De menschen”, en natuurlijk zijn familieleden in de eerste plaats, waren dus—wij herhalen: ook om dat niets nog deed vermoeden dat in den naar hunne meening dwazen Douwes Dekker de later te ontluiken auteur Multatuli school—ten hoogste ontstemd tegen den man, die, na eerst eenigen tijd te Batavia te hebben vertoefd, nu, in het voorjaar van 1857, per landmail over Singapore, Ceylon, Suez, Kaïro en Marseille, naar Europa kwam om ... ja, waarom eigenlijk, waarom anders dan om als een avonturier rond te zwerven en hun allerwaarschijnlijkst per slot van rekening nog tot overlast te worden, terwijl hij zijn in gezegende-omstandigheden verkeerende vrouw en zijn zoontje te Rembang, op het goed van zijn broeder Jan, had achtergelaten.
Het gedrag van Dekker, van zijne aankomst te Marseille af tot zijn verblijf in Brussel, waar hij een paar jaar later den Max Havelaar schreef, toe, was in alle opzichten dat van een losbandig levend avonturier, en niemand, die niet in zijne ziel kon lezen, dus letterlijk niemand, kon hem bij mogelijkheid voor iets anders houden.
In plaats van naar zijne familie te reizen, eene betrekking te zoeken, desnoods, in afwachting van beter, winkelbediende te worden (wat ook de familie voor iemand, waarvan zij—wij kunnen dit niet genoeg herhalen—hoegenaamd niet wist dat er een kunstenaar in stak, beter zou gevonden hebben dan het leven dat hij verkoos te leiden) begon hij door Europa te zwerven en schijnt ook nogal eens—men houde ons de details ten goede, die uit de Brieven zijn geput en waarvan de vermelding noodzakelijk is om een juist en volledig beeld van den toestand te krijgen—publieke-huizen bezocht te hebben. Althans uit een bordeel „kocht” hij in dien tijd, zekere Eugenie „los”, een vrouw, die,—naar de naïeve mededeelingen van de uitgeefster der Brieven, dl. I, blz. 43—„noch zeer jong, noch zeer schoon, maar fatsoenlijk in voorkomen en manieren,” buitendien „eenvoudig, bescheiden en zacht” was, terwijl Dekker haar „lief” en Eugenie zelf het „een ramp” vond, dat zij in dat huis „gebonden” was.
Met deze vrouw reisde Dekker, in den zomer van 1857 (terwijl zijne vrouw steeds in Indië bij zijn broeder logeerde) tot Straatsburg, waar zij scheidden, hij, om verder Duitschland in te reizen, zij om in Fransch land te blijven, waar zij meende, „als française, meer kans te hebben om een eerbaar middel van bestaan te vinden”. Om haar het bereiken van dit doel gemakkelijk te maken, gaf Dekker haar geld. De uitgeefster der Brieven gist, in verband met zijn gewone royaliteit, een „vrij aanzienlijke som” (van het geld, dat waarschijnlijk zijn broeder Jan hem had voorgeschoten om in Europa een positie te zoeken).
Nu was Dekker’s geld-voorraad zeer verminderd en, tweede stadium der reis door Europa, een tamelijk natuurlijk gevolg van het eerste, hij reisde naar Homburg, om daar aan de speelbank zijn fortuin te beproeven. De uitgeefster der Brieven zegt er van:
„Multatuli heeft zijn millioenen-studien geschreven, en noemt daarin de kansrekening zijn lievelingsstudie. Wie dat boek lazen weten dat dit zoo was. (Ongetwijfeld, als het er in staat.) Hoe juichend begroet hij daarin de „simple chance” en de „logos, vol van waarachtigheid.” Er was verband tusschen de kansrekening, zijn millioenen-studien, zijn hooge droomen vol ongemeten eerzucht, zijn „rekenen en mijmeren” waarvan hij zoo dikwijls sprak, en zijn verder reizen naar Duitschland, naar Homburg. Ook het oogenblik drong hem. Nog in het bezit van een weinig geld, maar zonder uitzicht op verdere inkomsten, zag hij het afzichtelijke fantoom „geldgebrek” dreigend naderen... Nog had hij genoeg, nog was het tijd om een kans te wagen, en wie weet, als nu... In ’t kort, hij ging naar de speelbank! Maar hij verloor daar wat hij had, zoo zelfs, dat hij een of twee dagen later zijn logementsrekening niet kon voldoen. De hôtelhouder maakte het hem lastig, en door nood gedreven telegrafeerde hij naar Straatsburg, evenwel vreezende dat Eugenie van daar vertrokken zou zijn, of althans dat zij haar geld besteed had. Maar neen. Den ochtend na zijn telegram stond zij voor hem. Zij had nog geen uitgaven van belang gedaan, en bracht hem nagenoeg al het geld dat hij haar gegeven had, terug. Met ingenomenheid kon hij in later jaren vertellen, hoe fier zij den lastigen logementhouder haar bankjes had toegeworpen met een kort: „payez-vous!””
Nu willen wij niet in eene te uitvoerige appreciatie van deze lotgevallen en handelingen treden. Zoo als zij hier vermeld staan vernemen de lezers ze op minstens even partijdige wijze voorgesteld, als de interpretatie dezer zaken door Dekkers familie partijdig was in tegenovergestelden zin. Het is alleen eene zeer beminnelijke vooringenomenheid die in al dit gedoe iets anders kan zien dan de lang niet buitengewone of fijne gebeurtenissen, die een Welt-Umbummler, een Globetrotter, een kosmopolitisch avonturier, zoo al kunnen overkomen.
Wij, hedendaagsche lezers, wij de bewonderaars van Multatuli’s werken, wij die in Multatuli den man van prachtigen artistieken aanleg, van grooten hartstocht en ongemeen talent eeren, wij vinden het thans,—al naar mate wij alleen nieuwsgierig, of fatsoenlijk maatschappelijk, of zelf eenigszins meer artiestachtig gestemd zijn,—belangrijk, betreurenswaardig of aardig, dat een gedeelte der biografie van onzen grooten schrijver aldus gekleurd is, wij vinden deze dingen interessant om dat zij plaats hadden met den man, die later de schrijver Multatuli werd, even zoo als wij er ons voor zouden interesseeren of hij ’s ochtends bij zijn boterham een gekookt of wel een gebakken ei pleegde te nuttigen; maar wij kunnen die avonturen op zich zelf niet belangrijk vinden, en—hiermede passen deze zaken in ons betoog—dat de familie in Holland, wie alleen de brute mededeeling der feiten ter oore kwam, het zeer schandelijk vond, dat deze echtgenoot en vader met publieke vrouwen door Europa rondreisde, het geld dat hij gekregen had om voor zich en zijn gezin eene broodwinning op te sporen, in bordeelen en aan speelbanken verkwanselde en voortging het type van „lastig logementhouder” tot een stereotiepe figuur in zijn leven te maken,—welnu, wie is er, die dit gevoelen der familie niet zeer natuurlijk zal achten?
Mevrouw Dekker, de uitgeefster der Brieven, verhaalt, zeiden we, deze dingen op partijdige wijze. Niet dat zij de feiten onnauwkeurig opgeeft, maar in den heelen toon van het verhaal is de stem der liefde waar te nemen, voor wier schoone blindheid wij den meesten eerbied gevoelen, maar omtrent wie wij, in een historische beschouwing als deze, ons niet gerechtigd achten te verzwijgen, dat zij in hooge mate de, aan de liefde trouwens inherente, eigenschap bezit van ook de minste handelingen der geliefden voor edele en groote daden te houden, en te meenen, dat de groote en edele geliefde, die onverdiend ongelukkig is, nu ook, als ware het door de natuur met opzet zoo er op toegelegd, steeds in aanraking zal komen met andere ongelukkigen, die zoo al niet groot dan toch óók edel zijn.
Wij zullen, om den wille der waarheid, eenige nuchtere opmerkingen wagen aan te voeren, die de feiten in kwestie tot hun zuivere anekdoten-waarde zullen terugbrengen. In de wereld van speelbanken, bordeelen, en wat dies meer zij, is de uitgeefster der Brieven natuurlijk eene vreemdelinge, en al zoude zij, langs den weg der philanthropie, misschien wel met gevallen-vrouwen in gevangenissen of elders hebben gesproken, dan toch zoude zij van den waren aard der bordeelen-wereld niet op de hoogte zijn gebracht. Er zijn gevallen bekend van geestelijke zusters, die tien jaar en langer vrouwelijke gevangenen hebben bediend, waarbij eene menigte brutale vrouwspersonen, die zich niet terughielden alles uit te schreeuwen wat hun in ’t hoofd opkwam; en tóch hadden de zusters, in al dien tijd, van den eigenlijken aard der toestanden, waaruit het verleden dier vrouwen bestond, niets begrepen.
De korte zin dezer lange rede moet de bewering wezen, dat in Dekker’s gedrag, en ook in Eugenie’s gedrag, niets bijzonders gevonden wordt. Dat een leeglooper, die zijne betrekking is kwijtgeraakt, zijn gezin in Indië achterlaat, in Europa „en garçon” uitstapjes maakt, publieke huizen bezoekt, en, toevallig veel geld op zak hebbende, een vrouw, die hem bevalt, uit een bordeel medeneemt, na hare schuld in dat etablissement te hebben betaald, om met haar verder te reizen,—hierin is niets bijzonders, hoegenaamd niet. Menig gezeten burger, thans huisvader en kapitalist vol respektabiliteit, zal zich uit zijn jeugd, toen hij de periode onder het devies „il faut que jeunesse se passe” doormaakte, uit eigen ondervinding of van hooren zeggen dergelijke gevallen herinneren. Ons is iemand bekend, in wiens studenten-vriendenkring alleen reeds, eertijds drie zulke „loskoopingen” hebben plaats gehad.
Dat een avonturen-jager in de grensstad van haar land afscheid neemt van zijne tijdelijke „mentinee,” zooals het plat-Amsterdamsche woord luidt, dat hij, bepaald eene „toquade” voor die vrouw hebbende en, gewoon hoe kaler hij is hoe royaler met geld om te springen, haar een flinken duit als afscheidsgeschenk medegeeft, met de typische vermaning nu in ’t vervolg op het goede pad te blijven,—dit is wederom eene gebeurtenis, in de annalen der Bohême en der demi-monde zoo frequent voorkomend als het maar mogelijk is.
Dat iemand, die in goeden doen is geweest en nu op weg naar „lager wal”, zich aftobt om een snelwerkend middel te vinden, dat zijn fortuin herstellen zal, bezoeker van de speelbank wordt en de kansrekening zijn lievelingsstudie noemt,—wij zouden haast vragen: kan het alledaagscher? De kansrekening, het ploeteren in „systemen”, die onvermijdelijk doen winnen, is de voortdurende bezigheid der stamgasten van speelbanken. Wie, die ooit de speelzalen in Spa of Monte-Carlo bezocht, heeft ze niet gezien, de bleeke, reeds bejaarde vrouwen in donkere kleêren, de magere mannen in versleten plunje, die echter van goeden kom-af nog getuigt,—of wel pas (na een avond van winst) in een al te nieuw kostuum gestoken, waarvan de weelderigheid schrille tegenstelling vormt met hun vervallen gelaatstrekken, waarin de oogen koortsig gloeien? Wie heeft ze niet zien turen en mijmeren, en, met zenuwachtige bewegingen, op het vel papier of in hun zakboekje notities schrijvend en berekeningen makend? Elken dag ziet men er andere, er zijn er te veel dan dat men ze ook maar zou kunnen onthouden. (Wij herinneren er nogmaals aan: De millioenen-studiën zijn een fraai boek; uit het minste en geringste uit Douwes Dekker’s leven, zou de kunstenaar Multatuli later iets schoons weten te distilleeren).
En wat nu aangaat Eugenie (hoe men al niet tot den rang van historisch persoon verheven kan raken!):
Dat een publieke vrouw noch zeer jong noch zeer schoon is, aan zekere mannen voorkomt lief te zijn, en zich eenvoudig, bescheiden en zacht, fatsoenlijk in uiterlijk en manieren weet voor te doen,—heeft zij gemeen met de groote meerderheid van, dat zij het ellendig vindt in een bordeel gebonden zijn, heeft zij gemeen met voor zoover bekend is álle hare beroepsgenooten.
Oppervlakkig zoude men zeggen—alle fatsoenlijke vrouwen zullen dit dus zeggen—dat de meeste publieke vrouwen, door den afschuwelijken en betreurenswaardigen toestand van verval waarin hun moreele smaak verkeert, zoo veranderd zijn, dat zij zich heerlijk tehuis gevoelen in het kermis-paleis voor beestachtige vermakelijkheden, dat het bordeel voor hen is; voorts, dat eene vrouw, die eenmaal zich in een bordeel is gaan vestigen, te diep gezonken is om eenvoudig, bescheiden en zacht en fatsoenlijk in voorkomen en manieren te zijn. Toch moet dit beslist ontkend worden. Het is alleen eene konventioneele, oppervlakkige notie van deze personen en zaken, die de oorsprong dezer meening wezen kan. Ten huize van een onzer bekenden, een deftig en hoogst ingetogen levend gezin, is twee jaar lang een werkmeid in dienst geweest,—die, uit eene andere stad, door een misverstand van personenverwisseling bij het nemen van informaties, in dien dienst was gekomen—en die bijzonder in de gunst stond van hare meesteres, welke laatste aan hare kennissen steeds te vertellen had, dat zij nog nooit met zulk eene in alle opzichten fatsoenlijke en aanbevelenswaardige dienstbode te doen had gehad: en deze werkmeid bleek later de vijftien aan de twee voorafgaande jaren als publieke vrouw in bordeelen te hebben doorgebracht. En dit is een voorbeeld uit vele.
Doch, om op de ontleding van Dekker’s avontuur terug te komen: Dat een publieke vrouw zich zoo edelmoedig gedraagt als Eugenie deed toen zij, op Dekker’s telegram, naar Homburg kwam om hem het geld, dat hij haar gegeven had, en dat zij naar alle waarschijnlijkheid zelf best gebruiken kon, terug te geven, nu hij zelf in verlegenheid was, schijnt zeker een nog zeldzamer verschijnsel. Ongetwijfeld komen daden als deze ook niet zoo veelvuldig voor. Psychologisch echter is dit feit niet van belang, daar de karakter-eigenschap, waar de handeling uit voortkwam, de goedhartigheid namelijk, de edelmoedigheid, den meesten publieken vrouwen eigen is. Leden der hoogere maatschappelijke standen weten dat zoo niet; onder het volk echter is de goedhartigheid en hulpvaardigheid van publieke vrouwen spreekwoordelijk bekend.
Wat nu,—om met deze opmerking de paragraaf over het tweede stadium van Dekker’s reis te besluiten—het toewerpen der bankpapieren betreft, waarmede Eugenie den hôtelhouder betaalde, wij kunnen dit met Dekker niet „fier”, en zoo heel fatsoenlijk evenmin, vinden. Deze handeling lijkt ons meer „aanstellerig” dan koninklijk. Ook dat mevrouw Dekker hôtelhouders, die eenvoudig bij, hun onbekende, gasten op de betaling der achterstallige rekening aandringen, telkens „lastig” noemt op eene wijze, alsof zij over bedeljongens sprak, die den voorbijganger hun lucifers te koop opdringen, achten wij een weinig te studentikoos voor eene eerwaardige dame, die optreedt als uitgeefster der brieven van een groot auteur.
Het derde stadium van Dekker’s reis bestaat uit zijn tocht naar Brussel in het najaar van 1857 en zijn verblijf aldaar tot den volgenden zomer in een kleine herberg, den Prince Belge genaamd, waar hij zeven maanden den kost schuldig bleef, nu hij geheel van geldelijke middelen verstoken was. Ook dit gedeelte zijner lotgevallen past geheel in de loopbaan van een avonturier. „Eerst zijn geld opmaken met publieke vrouwen en aan speelbanken, daarna, als het geld op is, ergens in een kleine herberg blijven hangen en teren op den zak van den goedhartigen waard,—er ontbreekt niets meer aan”—onmogelijk kon de familie in Holland er anders over denken dan in deze woorden is uitgedrukt.
Het is zeer jammer, dat mevrouw Dekker uit dezen tijd geen brieven heeft gepubliceerd, daar die ons verklaard zouden hebben waarom Dekker niet naar Holland ging en waarom hij niet voortging te trachten het doel, waarmee hij in Europa gekomen was, te bereiken.
Zoo nu, als wij hier beschreven hebben, ging Dekker voort zich te gedragen tot het najaar van 1859, steeds niets van zijn hoogere gaven openbarend en zonderling levend, tot voortdurende ergernis der familie.
In Januari 1859 schreef hij, van den Prince Belge uit, zijn brief aan den Gouverneur-Generaal in ruste, eindigend met de woorden:
„Het verzoek, dat ik Uwer Exc. te doen heb, is dit: de herhaling mijner bede om dezen brief en de daarbij gevoegde stukken aandachtig te lezen, en mij wel te willen antwoorden op de vraag of Uwe Exc. daarin niet aanleiding vindt mij te ondersteunen in de pogingen die ik wil aanwenden om op de meest eervolle wijze weder te mogen intreden in Nederlandsch-Indischen dienst.
Maar, Excellentie, anders dienen dan ik diende te Lebak kan ik niet!”
Mevrouw Dekker teekent hierbij aan: „De heer Van Twist heeft niet geantwoord.”
Men kan er zich al weder niet van onthouden het zwijgen van den heer Van Twist zeer verklaarbaar te vinden. De lezer van Multatuli’s werken,—het is natuurlijk niet uit te maken of juist álle lezers hierin overeenstemmen—door de vaste overtuiging en den doordringenden stijl van den kunstenaar dermate overreed, dat hij niet eens de gelegenheid heeft kalm na te denken, heeft, bij de vele sentimenten en gevoelens, die Multatuli u dwingt van hem over te nemen, stellig ook bespeurd het gevoelen, dat de heer Van Twist een slecht mensch was en het gevoel van bitteren wrevel tegen dien heer. Dit gevoelen en dit gevoel zal echter tegen latere, onpartijdige overweging niet bestand blijken.
Immers, van tweeën één: òf (wat het waarschijnlijkste is) de heer Van Twist dacht dat hij met een halven gek te doen had en achtte het, van die veronderstelling uitgaande, niet eens de moeite waard de waarachtigheid der overgelegde bescheiden te kontroleeren; òf hij had kennis genomen van Dekker’s mededeelingen, hield het voor mogelijk, dat zij juist waren, hoewel te veel gegeneraliseerd, te voorbarig van den bijzonderen toestand te Lebak tot een algemeen Nederl.-Indischen toestand gekonkludeerd, maar achtte het nu zijn plicht niet meer persoonlijk handelend op te treden, en wenschte bovendien zich niet in betrekking te stellen met ambtenaren, nog minder met voormalige ambtenaren, die zich op zulk een zonderlinge, ongeregelde, manier tot hem wendden.
Stelt u voor, dat een minister op zijn bureau te werken zit, en dat een man van de straat het departementsgebouw komt binnengeloopen, in weêrwil van portiers en klerken binnendringt en den minister toeroept: Excellentie, daar is onrecht gepleegd, zie eens hier, en daar, hier heb ik de bewijzen. Elke minister zoude zoo een indringer antwoorden: vriend, het is mogelijk dat gij gelijk hebt, maar wil u op de gebruikelijke wijze tot mij wenden, dit is geen manier van doen.
Stelt u voor, dat een voormalig minister in zijn buitenverblijf zit te dejeuneeren, en er wordt iemand aangediend, die in de gang reeds staat te roepen: onrecht gepleegd, daar is onrecht gepleegd, ik moet den heer des huizes spreken!
De minister zal zijn huisknecht gelasten dien man den weg naar het hek te wijzen met de aanmaning zich op de gepaste wijze tot de bevoegde autoriteit te wenden, indien hij meent verongelijkt te zijn.
En nu zeggen wij: ook dán, indien de man, die zich indringt, ware grieven heeft mede te deelen, ook dán, indien werkelijk het grootste onrecht is gepleegd, zal de minister gelijk hebben met hem de deur te wijzen, want: nadat hij één persoon op die wijze zou hebben te woord gestaan, die in zijn recht was, zullen er zich negen-en-negentig op dezelfde manier aanmelden, wien slechts denkbeeldig onrecht is geschied. En de minister zou geen oogenblik tijd meer over hebben om ’s lands zaken te bestieren, of, in het buitenplaats-geval, om zich met zijn voor hem belangrijke partikuliere zaken te bemoeien.
Het is beter dat aan één mensch onrecht geschiedt dan dat, door verwaarloozing van ’s lands zaken, aan duizenden onrecht zou worden gedaan.
In het voorjaar van 1858 kwam de heer Jan Dekker van Rembang naar Europa, bezocht zijn broeder Eduard te Brussel en betaalde de rekening in den Prince Belge.
In den herfst van hetzelfde jaar bevond Eduard zich in Cassel, waar hij Saïdjah’s lied in het Maleisch dichtte, veel op de Casseler Aue wandelde, en bij den... logementhouder en vrienden schulden maakte, die hij nooit heeft kunnen afdoen.
In het voorjaar van 1859 kwam zijn vrouw, met twee kinderen en eene baboe, eveneens naar Europa, en zagen de echtgenooten elkander weder te Luik. Den zomer van dat jaar, tot in het laatst van Augustus, vertoefde het gezin in den omtrek van Luik en Maastricht, met name in het dorp Visé, waar de hoogst onaangename bejegening hen trof, dat zij van den burgemeester dier gemeente eene aanzegging kregen om binnen tweemaal vier-en-twintig uur zijn grondgebied te verlaten. Het was juist kermis in Visé, en de omstandigheid, dat zij er sjofel uitzagen, geen geld en geen legitimatiepapieren hadden en in kleine herbergen vertoefden, gevoegd bij de donkere gelaatskleur van een gedeelte van ’t gezin, van de baboe vooral, had de achterdocht van ’t gemeentebestuur opgewekt en was oorzaak, dat zij voor saltimbanques van verdacht allooi werden gehouden en als zoodanig behandeld. Men kan begrijpen, hoe zulk een lotgeval den zeer gevoeligen Dekker, vooral ook wijl de smaad zijne vrouw niet minder trof dan hem zelven, moest aandoen. Gelukkig woonde te Maastricht eene vriend van Dekker, de heer J. J. M de Chateleux, dien hij in 1843 had leeren kennen, toen Dekker Natal verlaten had en te Padang op Sumatra vertoefde; het krediet van dezen heer, die hem toch al reeds naar de betrekkelijk helaas geringe krachten van zijn vermogen had bijgestaan, kon hem ook nu uit den nood redden. Maar weldra raakte ook die bron uitgeput en den 23sten Augustus 1859 trok het gezin, in den toestand der diepste armoede, naar Antwerpen, voor welke reis nauwelijks nog het noodige geld beschikbaar was.
In Antwerpen was het gezin nog slechts enkele dagen vereenigd. Den 27sten Augustus bleef Dekker alleen met hun koffers en de onbetaalde rekening in het Hôtel du Temple aldaar achter, terwijl zijne vrouw met de kinderen en de baboe den laatsten uitweg insloeg, die hun nog overbleef en op reis ging naar Den Haag, naar hare zuster Henriëtte van Heeckeren van Waliën. Dit waren, voor zoover wij kunnen nagaan, de bitterste dagen, die Dekker en de zijnen doorleefden. Want,—inderdaad deze toestand was vreeselijk—er was letterlijk volstrekt geen geld meer over, zoodat Dekker’s echtgenoote met de haren met ledige portemonnaie zich op de Rotterdamsche boot inscheepte. Om zich uit de verlegenheid te redden, had zij—arme vrouw!—een list bedacht, die gelukte. Zij veinsde namelijk, toen de bootbeambte rondging om de passagegelden op te halen, met voorgewenden schrik, hare portemonnaie te hebben vergeten en zeide in Rotterdam hem het geld te zullen bezorgen. In Rotterdam was een hôtel waar Dekker vroeger eens gelogeerd had, en toen, daar aangekomen, de bootbeambte mevrouw Dekker ter aangeduide plaatse vergezelde, leende de logementhouder haar vijftien gulden om haar passage te betalen en met de haren de reis naar Den Haag voort te zetten.
In ’s Gravenhage werd zij ten huize harer zuster ontvangen. Men gaf haar daar „een maal eten”, en twintig gulden om de reis voort te zetten naar Brummen, waar de heer Jan Dekker een buiten, „De Buthe” genaamd, bewoonde. Tevens liet men haar daar (te ’s Gravenhage; wij volgen de mededeelingen van de uitgeefster der Brieven) een brief aan haar man schrijven, die geheel tegen haar hart moet geweest zijn, waarin zij hem de noodzakelijkheid eener scheiding betoogde en hem in overweging gaf ergens op een schip een betrekking als matroos of hofmeester te zoeken.
Deze daad van de familie schijnt een oogenblik bijzonder wreedaardig. Wij herinneren er aan, dat Dekker,—van wiens hoogere gaven nog niets gebleken was—door zijn gedrag der laatste jaren zich de allerafschuwelijkste reputatie bij die menschen had gemaakt; voorts dat de Van Heeckerens geen bloedverwanten van hém waren, alleen van zijn vrouw; dat zijn persoonlijk lot hun dus nagenoeg onverschillig was, en zij het als de eenige uitkomst voor hunne zuster moesten beschouwen, dat zij van zulk een echtgenoot als den haren ontslagen raakte. Hadd’ Dekker nog een vader of moeder gehad, nooit zoude hij van die eene dergelijke behandeling hebben ondervonden. De hulp, hem telkens en telkens door zijn broeder Jan verschaft, bewijst dat de verwanten van zijn kant zich nooit geheel van hem afgekeerd hebben. Die broeder Jan was zelfs een zeer goedhartig en hulpvaardig mensch.
Kort na het ontvangen van dezen brief van zijne vrouw, toen hij haar hare koffers op haar verzoek had nagezonden, dus in het begin van September 1859, vertrok Dekker van Antwerpen naar Brussel; hij nam daar weder zijn intrek in den „Prince Belge”, de eenige gelegenheid, waar hij krediet had. Daar voltooide hij in dien tijd zijn Bruid daarboven en schreef er zijn Max Havelaar.
De brieven, die den inhoud van het eerste deel der korrespondentie uitmaken, zijn geschreven in Augustus-November, de allereerste van Antwerpen, al de overige van Brussel uit.
Voor zoover uit die Brieven Dekker’s geestestoestand, het volkomen bewust worden in hem van zijn talentvollen aanleg, blijkt, hebben wij er in het eerste hoofdstuk van dit opstel, de passages uit aangehaald, die ons voorkwamen de meest welsprekende te zijn. Wat Dekker’s overige stoffelijke, levensomstandigheden betreft, brengen zij ons verder bijzonderheden, waaruit dezelfde toestand blijkt, dien wij reeds hebben leeren kennen, toen van zijn eerste verblijf in deze herberg werd melding gemaakt.
Het publiek bestond daar uit ondergeschikte beambten van het aan de overzijde der straat staande postkantoor en uit „mannen in blousen”, die daar hun faro kwamen drinken. Dekker wist zich in het huis zelf en in de geheele buurt bemind te maken. Pauline, een gevallen vrouw met haar zuigeling, die daar ook op kosten van den menschlievenden waard in de herberg habituée was, de slager Deprez en diens gezin, waren er zijn vrienden.
Dekker had het er aller-armoedigst. Het koopen van schoenen, van inkt, van een lampje, waren vraagstukken van belang, die eerst na rijp beraad konden worden opgelost. Men at in die herberg een „burgerpot”; naar zijn getuigenis was Dekker hiervan overigens een liefhebber; als zij wist, dat iets hem goed smaakte, maakte de waardin dat voor hem klaar. Deze tijd was echter in onze schatting, en ongetwijfeld ook in zijn eigen schatting, de smartelijkste, maar tegelijk de schoonste, tijd zijns levens. Men kan hem zich voorstellen daar op dat zolderkamertje gezeten, de vingers krom getrokken van schrijfkramp en van kou niet zelden, de oogen ontstoken van het bovenmatig werken, ten prooi aan de hevigste zenuwopwinding, aan de meest verregaande exaltatie, en zoo het schoone werk voortbrengend, waarmede hij zich aan zich zelf en aan zijn land ontdekte.
Den 14den September reeds had hij zich voor het eerst in letterkundige betrekking met eenige zijner landgenooten gesteld. Hij was, door bemiddeling der logemannen van het Rozekruis, met eene schouwburgdirektie in onderhandeling getreden over de opvoering van zijn Bruid daarboven. Zes jaar geleden, in zijn verloftijd,—dus verhaalt de uitgeefster der Brieven—was Dekker te Gorcum in die orde opgenomen, „en had er in snelle opvolging vele rangen doorloopen tot hij een der hoogste sporten bereikt had en benoemd was tot Prins van het Rozekruis”. (Arme Prins!) De heer Eduard de Vries, schouwburg-bestuurder, was Dekker komen spreken. Deze had zich met het stuk uiterst ingenomen betoond, zich terstond bereid verklaard tot de opvoering. Maar van droits d’auteur kon voorloopig weinig of geen sprake zijn. Bij gelegenheid van dat bezoek las Dekker den heer De Vries eenige bladzijden voor uit Max Havelaar, waardoor de heer De Vries zeer getroffen werd. Hij ried Dekker evenwel ten sterkste aan het handschrift naar den koning te zenden, vóór hij tot openbaarmaking overging.
Toen Dekker Max Havelaar had voltooid, zond hij het handschrift den 5den November, naar zijne vrouw en broeder te Brummen. Ofschoon zij het eerst den 9den ontvingen, had hij den 11den ’s avonds reeds twee brieven van zijn vrouw ontvangen, waaruit bleek, dat zij het werk toen reeds gelezen hadden en er hoog mee ingenomen waren. Aandoenlijk is de brief, dien Dekker, toen Multatuli geworden, als antwoord op den haren, den 11den November aan zijne vrouw schreef (1e dl., blz. 125). Op hare bewering, dat hij haar, in de persoon van Tine, te veel geprezen had, antwoordde hij bijv.:
„Neen, neen, waarachtig niet, ik heb u niet in de hoogte gestoken. Integendeel, je staat veel te veel op den achtergrond. Ik heb mij dat al verweten, doch ik werd daartoe geleid omdat Max hoofdpersoon blijven moet (om het doel van ’t boek) en voorts dat ik goed van mijzelf spreek heb ik u vroeger al uitgelegd.”
En verder deze regelen, die de geschiedenis van den Max Havelaar belangrijk toelichten:
„Het was mijn plan Jan te verzoeken naar Van Hasselt (de Br∴ R + die met Dekker het eerst over De bruid daarboven had gecorrespondeerd) en Van Lennep te gaan, of naar den eersten alleen, dan krijgt Van Lennep het ook...
Maar nu het delicate punt. Als men komt met een boek met de vraag „wil je dat afkoopen?” dat is chantage, afzetterij. Dat is dus de bedoeling niet. Ik heb mijn boek geschreven met een dubbel doel: namelijk verbetering van den boel in Indië, en herstel van mijne positie. De zaak is dus niet dat ik zeg: geef mij zooveel of zooveel, dan zwijg ik; want ik meen wat ik op het slot zeg. Ik zal strijden voor die arme verdrukten, ik heb mij dat nu voor mijn roeping gekozen. De vromen zouden zeggen dat de Heer mij daartoe dringt, daar hij mij alle andere uitwegen afsloot.
Doch dat dubbele doel kan bereikt worden door samengaande maatregelen, namelijk een hoogst-eervolle benoeming van mij met eene considerans dat Z. M. mijne wijze van handelen approuveert, en die van het toenmalig bestuur desavoueert. Dat is eene zedelijke triomf van ’t principe, en eene materieele zegepraal voor mij, die ik, God weet het, noodig heb.
Willen zij met Jan samenzweren om mij dien dubbelen triomf te bezorgen, goed. Doch er moet goed vermeden worden er op te doelen als of ik voor mij alleen winst vraag. Want behalve dat dit onedel wezen zou, komt hier nog bij dat ik meer winst behaal door mijn boek te laten drukken. Jan kan aan Van Hasselt zeggen (niet als bedreiging maar als eenvoudige waarheid) dat ik mijn boek in ’t Fransch, Duitsch en Engelsch vertalen zal. Als mijn oogen het toelieten was ik al begonnen.
Hoe het zij, ik vind goed dat Jan naar Van Hasselt gaat. Doch dit staat vast, als Van Hasselt of Van Lennep niet willen of kunnen bewerken, dat aan mijn dubbel verlangen koninklijk wordt voldaan, dan zal het gedrukt worden, en als ik daartoe geen geld heb, dan zal ik het afschrijven en rondzenden in manuscript. Doch in Frankrijk zal ik de vertaling wel gedrukt kunnen krijgen, en in Duitschland ook.”
Den 20sten November daaraanvolgende kende Dekker het oordeel van Van Lennep over zijn werk, aan wien Van Hasselt het had gegeven. Hij schrijft op dien datum:
„Maar nu ben ik in grooten tweestrijd wat ik doen moet. Jan namelijk zendt mij ƒ50, en stelt voor het boek aan Rochussen (den toenmaligen minister van koloniën, opdat die de uitgave nog zou kunnen voorkomen) te vertoonen. Van Lennep zegt: ik moet zoo dwaas niet zijn het voor niet aan een boekverkooper te geven. Hij maakt zich sterk een prijs te bedingen. Nu moet ik kiezen tusschen schrijven in Holland of eene betrekking in Indië.
Zooals de zaken nu staan houd ik het er voor dat ik slaag in wat ik ook kies.
Maar ik ben in vreeselijken tweestrijd.
Jan vraagt antwoord met ommegaande en ik kàn van avond niet antwoorden. Ik wilde u zoo gaarne spreken. De schulden jagen mij naar Indië, de kinderen houden mij in Europa. Je begrijpt de spanning.
Ik heb nagedacht. Ik hel over naar Rochussen, doch conditiën:
1 Resident op Java. Speciaal Passaroeang om mijn schulden te betalen.
2 Herstel van diensttijd, voor ’t pensioen.
3 Een ruim voorschot.
4 Ned. Leeuw.
Doch ik zal deze conditiën niet zeggen, eerst wil ik zien wat hij biedt.”
Den 22sten November ontving Dekker twee honderd gulden van zijn broêr, om zijn schuld bij den Brusselschen waard af te doen en naar Amsterdam te reizen. Den 23sten vertrok hij en kwam dienzelfden dag te Amsterdam aan.
Tot zoover de opeenvolging der feiten, die wij thans hebben nagegaan tot het punt, waar het eerste deel der Brieven en de eerste faze van Dekker’s lijdensgeschiedenis eindigt. Want, al hebben wij er niet telkens en telkens de aandacht op gevestigd, daar uit de feiten zelf genoeg het lijden bleek, dat er in gelegen was voor hem, wiens geschiedenis zij uitmaken, en daar het ons er hier vooral om te doen was, helder te doen blijken, welken indruk de vijandig gezinde familieleden en kennissen, die ver af woonden en natuurlijk alleen oordeelden naar den uiterlijken schijn der dingen, ontvingen; want, herhalen wij, geleden heeft Dekker in deze jaren waarschijnlijk meer, dan wie ook, die niet uit eigen ondervinding weet hoe hevig het doorleven van zulke toestanden menschen van Dekker’s geëxalteerd temperament aandoen, zoude kunnen beseffen.
Want behalve door het, niemand buiten hem en hem zelf ternauwernood toen nog bekende, letterkundig talent, onderscheidde Dekker’s persoon in de woeste levensperiode, welke wij hem hebben zien doorloopen, zich ook nog hierdoor van gewone avonturiers, dat, terwijl deze lieden zich juist plegen te kenmerken door de grijnslachende onverschilligheid, waarmede zij alle tegenspoeden doorleven, mits die hun maar geen onmiddellijke physieke pijn of ongemakken veroorzaken,—Dekker’s buitengewoon zenuwgestel door dat onregelmatig en koortsachtig leven ten eenenmale werd van streek gebracht.
Maar,—en zoo keeren wij tot ons uitgangspunt terug—de feiten blijven de feiten, en niemand, vermoeden wij, die er zich verwonderd over zal betoonen, dat „de menschen” niet veel goeds, maar alles slechts in Dekker’s gedragingen vonden, van het oogenblik af dat hij zijn vrouw alleen in Indië achterliet tot dat waarop zij te Brummen vertoefde en hij in Brussel geheel aan lagerwal was geraakt.
Twee zaken waren er,—dus zullen sommigen oordeelen,—waardoor Dekker zich dan toch gunstig van gewone avonturiers onderscheidde en die in het oog moesten springen; te weten: zijn beminnelijkheid en edelmoedigheid, èn zijn hoogere geestesaanleg, die wel in de verste verte niet de allerbuitengewoonste hoogte kon doen vermoeden, waarop zijn talent later zou schitteren, maar waaruit toch bleek, dat hij, in den gewonen zin des woords, een begaafd man was. En deze twee zaken,—dus zal men konkludeeren—zouden het oordeel en de houding der familie hebben moeten wijzigen.
Wij zullen repliceeren met eene verwijzing naar hetgeen wij omtrent publieke vrouwen in ’t algemeen in ’t midden hebben gebracht. Evenals publieke vrouwen meestal enkele zeer goede eigenschappen hebben, zijn de meeste avonturiers daarvan ook niet verstoken, en de eigenaardigheid van hun bestaan, het voortdurend leven op plaatsen van openbaar vermaak, het dagelijks den heelen dag luieren in koffiehuizen, speelzalen en diergelijke, het voortdurend in aanraking zijn met gezelschappen van menschen van allerlei slag, ontwikkelt de deugden in hen, die men de eigenaardige deugden van den Gesellschafter noemen kan: de beminnelijkheid en daaraan verwante goedhartigheid en edelmoedigheid. Avonturiers b.v. zijn in ’t algemeen veel goedhartiger en edelmoediger dan parvenu’s, die zich met verwaande deftigheid van armen en on gelukkigen afkeeren, dan vele gezeten burgers, wier deugden eerder in spaarzaamheid, zedelijkheid, zindelijkheid en stiptheid in handel en wandel bestaan. Avonturiers: drinkers, spelers, hoereerders, gewoon hun leven te verdeelen of liever verdeeld te zien in tijdperken van weelde en losbandigheid, en van armoede en gebrek, tot gewoonte hebbend hun zóo-gewonnen geld dadelijk te verkwisten, vinden het gooien met groote sommen iets zoo natuurlijks, dat zij ook in hun aalmoezen-geven buitensporig zijn en zij even graag een tientje in de hand eens armen doen glijden, als meer bezadigde menschen daarin een kwartje zouden deponeeren. Dus de edelmoedigheid in dezen zin maakte Dekker niet tot een uitzondering onder de lieden, waarmede zijn verwanten hem gelijk stelden.
En wat de begaafdheid, het vernuftige, aangaat, ook hierin hebben vele chevaliers d’industrie het tamelijk ver gebracht. Niet alleen heeft het avontuurlijke leven, het leven van reizen en trekken, van hotels, koffiehuizen en kroegen, van spoorweg-coupé’s, stoombootdekken en kajuiten, van stadstrammen en dorpsdiligences, het leven in gewesten van allerlei klimaat en aspekt, het omgaan met menschen van allerlei ras, stand en karakter, eene dagelijks gevoed wordende ongewone vatbaarheid voor indrukken in hen doen ontstaan, en een vernuftig gemak van beweging en konversatie, waardoor eenvoudige lieden worden overbluft en meer ontwikkelde aangenaam beziggehouden; maar het is of hun vernuft zich,—daar zij toch allen een vaag besef hebben van de groote lakune, het gemis aan degelijkheid, in hun leven—bij uitstek gescherpt heeft op het punt, dat het recht-praten van hun eigen kromme leven betreft.
Er bestaat bijna geen min of meer toonbaar avonturier, die u, in oogenblikken van gemoedelijkheid als zijne stem week wordt en zelfs zijn oog vochtig, niet fraai en breedvoerig weet uit te leggen, òf dat hij het slachtoffer is der vervolgingen van het noodlot, dat hij heel anders terecht had kunnen komen indien alles hem maar niet zoo ware tegengeloopen, en dat hij zich, door losbandig en onwaardig te leven, nu wreekt op de meêdoogenloosheid van het leven jegens hem; òf hij neemt de tegenovergestelde houding aan, en overreedt u, in een kunstig samengesteld pleidooi, opgeluisterd door geschiedkundige voorbeelden en spitsvondige redeneeringen, dat zijn manier van leven de slimste, de beste, de prettigste is. Zij die arbeiden en een goed geregeld maatschappelijk leven leiden, nu ja, dat zijn de sukkels, de domooren, hij en de zijnen begrijpen het leven eerst op de goede manier. Wat de geregelde lieden in een jaar tijds van hoofdbrekens en moeilijk werk winnen,—wèl, dat wint hij in éen avond aan een speeltafel. Overigens, leven de meeste aanzienlijken, de hoogst-aanzienlijken, zij die niets behòeven te doen om den broode, niet even als hij, met alleen een verschil in de onderdeelen, een verschil van minder of meer; bestaat niet het leven van vele vorsten en prinsen uit een aaneenschakeling van vermaken, van reizen en feestvieren, van dansen en jagen en eten en drinken?... Zoo zijn de redeneeringen dezer menschen.
Vele avonturiers buitendien maken een aardig gezelschapsvers, zitten vol woordspelingen en behendige replieken.
Dus, konkludeeren wij, noch de beminnelijkheid, noch wat men in den gewonen zin vernuftigheid noemt, kon ten opzichte van Dekker de oogen der menschen openen en hen in hem iets anders dan een niet van het type afwijkend avonturier doen zien.
Er kwam nog bij,—wat in dit geval een buitengewoon gewicht in de schaal legde, daar Dekkers verwanten van zijn vrouws kant tot de zeer vrome geloovigen behoorden,—dat hij in hunne schatting een brutaal godloochenaar was. Hij vereenigde dus in zich ongeveer alle eigenschappen, die hem in hunne oogen tot het afschuwelijkste individu moesten maken, dat men zich denken kan. Hij was hun tegenvoeter, in alles; en omdat hij tot hunne familie behoorde en zij dus beducht waren dat zijn leelijke reputatie ook hunnen naam zou smetten, groeide hun afkeer tot haat.
Doch wij willen dat alles slechts beschouwen als een vraagstuk ondergeschikt aan dat andere, dat de geheele verhouding van Dekker tegenover „de menschen” beheerschte, dat de kern vormt van het groote misverstand van zijn leven, met de behandeling waarvan wij te gelijk in het tweede deel der Brieven en in de tweede faze van zijn leven komen.
Wij willen namelijk beweren, dat,—een waarheid die trouwens duidelijk blijkt uit de houding der familie ná het verschijnen van Max Havelaar en den door den schrijver verworven naam,—al ware de familie van den beginne af aan op de hoogte geweest van Dekker’s buitengewone schrijversgaven (iets, dat niets te maken heeft met het soort vernuftigheid, waarvan wij boven spraken)—zij toch zich niet wezenlijk anders jegens hem zou gedragen hebben dan zij nu deed. Zij zou hem dan misschien wel niet matroos of hofmeester op een schip willen maken, maar toch zou zij zich geheel van hem vervreemd hebben en God gebeden hem nooit te mogen ontmoeten.
Voor wij nu verder gaan om deze bewering te staven en toe te lichten, willen wij den geestestoestand van Dekker zelven beschouwen, zooals die geworden was in deze jaren van wild leven buiten de Hollandsche maatschappij, om daardoor des te duidelijker te doen uitkomen het schrille kontrast tusschen hem aan den eenen en die maatschappij aan den anderen kant, dat de oorzaak werd der mislukking van zijn leven. Want zijn leven, hoe vorstelijk geslaagd een gedeelte van het thans levend geslacht het moge achten,—is mislukt in wat hij zelf er van had willen maken. Op menige plaats in zijn werk kan men het bewijs van deze stelling vinden.
Indien er een schril kontrast bestaat tusschen Multatuli aan den eenen en de maatschappij aan den anderen kant,—een kontrast ook, dat weinig minder opvallend is, wordt waargenomen tusschen Dekker’s uiterlijke omstandigheden en het zelf-gevoel in zijn binnenste, in den tijd van zijn vertrek uit Indië af tot lang na het verschijnen van Max Havelaar toe. Dit zelf-gevoel zou door de prikkels van buiten al grooter en grooter worden, tot hij, eenmaal in het publiek getreden, het geheel van onder zijne beheersching zal hebben verloren en het te pas en te onpas op de geweldigste wijze zal uiten.
Was hij naar het uiterlijke een avonturier, behoorde hij oogenschijnlijk tot een der minst eerbiedwaardige klassen van personen,—innerlijk gevoelde hij zich groot en verheven boven alle menschen, innerlijk droeg hij de wetenschap met zich van bij de meest eerbiedwaardige aller menschen te behooren. Wel was hij zich in ’t minst niet van letterkundige bekwaamheden bewust, wel moest zijn letterkundige genialiteit nog geheel aan hem zelf ontdekt worden, maar, juist door de weinige bepaaldheid, door de vaagheid, sterker, droeg hij het bewustzijn in zich van een kracht, een grootheid, datgene wat iemand een groot man maakt, eene groote en schoone ziel, te bezitten.
Nu, met de kracht van de verontwaardiging, met de kracht van het protest, groeide tegen de verdrukking in, tegen de verdrukking van den uiterlijken schijn in, het zelf-gevoel in zijn binnenste, dat later tot zelf-verheerlijking uitdijen zoude, en hoe lager hij zonk hoe hooger hij zich gevoelde.
Hij was voortdurend onder vreemdelingen en kon aan niemand openbaren wat er in hem omging. Hieraan moet het worden toegeschreven, dat de zelf-verheerlijking in hem vastgroeide hoe langer hoe hechter, en voor goed onuitroeibaar zou worden. Hij was geheel alleen, van allen verlaten, daarom klemde hij zich met alle macht vast aan den eenigen steun die hem overbleef: het geloof aan zich zelf.
Nu, nu dit zoo was, nu allen hem hadden verlaten, nu hij door iedereen voor een ellendeling werd gehouden, nu de menschen en de omstandigheden, nu de geheele wereld om zoo te zeggen tegen hem was gekeerd en hem verachtte,—nu, zoo kan men zich het spreken der stem in zijn binnenste voorstellen, nu zou hij ook álles doen en álles zijn, nu zou er ook niets zijn wat hij niet bereiken zou, nu zou hij tot de hoogste hoogte klimmen, waartoe ooit menschen waren gekomen, neen, hooger nog, de grootste droom, die ooit het onderwerp van menschelijke eerzucht was, zou hij verwezenlijken.
Wie of wat hem daartoe in staat stelde? Wel hij, hij zelf, zijn kracht, zijn eigenschap van de grootste aller menschen te zijn, was ’t die hem er toe in staat stelde. En wat dan de nadere aanduiding was van wat hij eigenlijk doen zou? Wel, hij zou zijn land tot het beroemdste der landen, hij zou zijn volk tot het gelukkigste der, tot een voorbeeld voor alle volken maken, en zijn gezin zou hij uit de diepste ellende tot de hoogste sport van eer en aanzien voeren...
Zoo bruiste en brandde het in zijn gedachte.
Het resultaat was, dat hij een schoon letterkundig werk maakte. Nooit heeft hij een zweem van het vermoeden gehad, dat zijn zelf-gevoel, zoo ongekontroleerd, zoo in ’t wilde weg als het was, uit niets anders bestond dan uit de universeele grootheidsfantazieën die menschen met veel artistieken aanleg niet zelden in zich omdragen, en die geheel verkeerd uitkomen zoodra zij ze bij vergissing eens in de werkelijkheid beproeven toe te passen.
Gelijk bekend is, wilde hij later van de letterkundige schoonheid van Max Havelaar niets hooren. Want,—zoo droomde hij,—een boek, dat daar voor u ligt, een stapel papier; en ... woorden van lof daarover uit de monden van menschen, van eenige in burgerkleêren gestoken menschen, die men zoo nu en dan ontmoet, en voorts in de kolommen van dagbladen, op de bladzijden van tijdschriften, regels van zwarte letters op wit papier,—wat was díe realiteit in vergelijking met die, welke een buitengewoon mensch van zíjn grootheid omgeven moest! Wat hadden díe zaken uit te staan met de heerschappij en de glorie, die hem wachtte, hem, Multatuli, den éersten man eener natie, den wereldhervormer, den machthebber, die zich al zag gedragen in een gouden draagkoets met purperen gordijnen, voorafgegaan van muzikanten en zonneschermdragers in scharlaken livrei, met een gevolg van militairen in schitterende uniformen, omgeven, op eerbiedigen afstand, van de menigte des volks, hoogen en lagen in aanzien en stand, die allen hem bewonderende blikken toewierpen en hem liefhadden als hun weldoener en de beschermheer hunner landen. Wat was er voor verband tusschen die onnoozele kleinigheden en hem, den toekomstigen vorst, den onderkoning, die in marmeren paleizen het rijke Insulinde zou bewonen, nadat hij Amsterdam tot de hoofdstad der wereld zou hebben gemaakt, die in gebeeldhouwde ledikanten onder troonhemels ’s nachts zou slapen en bij dag loopen over kostbaar ingelegde vloeren tusschen zijn onderdanigen hofstoet, die des avonds schitterende feesten zou geven, waarop hij de hoogstgeplaatsten des lands zou nooden en hun dan wel genadiglijk een oogenblik te woord zou willen staan. Hij zag zijne zalen reeds prachtig verlicht, stralend van weelde, gevuld met vrouwen in satijnen gewaden en in bloementooi, gevuld met mannen, wier borsten glinsterden van ridderkruisen. En rondom in den lande, tot zoover zijn gebied reikte buiten de balustraden zijner parken, zou nergens gemor zijn in de woningen der lagere bevolking en geen nijdigen blik zou hij ooit in de oogen van den minsten zijner onderdanen zien flikkeren, want zijn edel en wijs beleid zou allen gelukkig hebben gemaakt.
Dat alles voorzag hij reeds, als, op het geroep van zijn alvermogende stem, het rechtsgevoel der natie ontwaakt zou zijn en zij als éen man zou zijn opgestaan om het bittere onrecht den edelsten harer zonen aangedaan, schitterend te wreken.
Dat alles voorzag hij, en, als hij om zich heen keek, wat?... Een armelijke kamer, eenige brieven met volzinnen van ingenomenheid, een stad, waar bijna niemand op hem lette, op de enkelen na, die hem met verbazing bekeken of met sympathie begroetten en verder gingen.... Het was om krankzinnig te worden.
Deze geestestoestand van Dekker heeft op al het werk van Multatuli zijn stempel gedrukt.
Beschouwen wij thans de appreciatie, welke de maatschappij, de maatschappij grosso modo, voor personen als Dekker heeft. Wij spreken dus niet van het betrekkelijk kleine gedeelte der maatschappij, dat hooger intellektueel en artistiek ontwikkeld is en een bijna uitsluitende vereering koestert voor het talent in den mensch. Dit gedeelte integendeel zonderen wij nadrukkelijk uit, en spreken dan voor ’t overige van de maatschappij in ’t algemeen, in haar geheel, met al hare standen en graden van ontwikkeling.
De kunst dan staat niet zoo allerhoogst aangeschreven bij die maatschappij. Het gevoel van Lodewijk den XIVden, de inkarnatie en verpersoonlijking van het begrip „aanzienlijkheid” in de maatschappij, voor Molière b.v., dien hij zonder twijfel voor den grootsten blijspeldichter zijner eeuw hield, en dien hij, ten blijk daarvan, tot den rang van hof ... kamerdienaar bevorderde,—dat gevoel leeft, hoezeer ook door de veranderde toestanden gewijzigd en in andere vormen zich openbarend, nog steeds voort in de hoogere standen, voor zoover althans hunne kerkschheid de kunst niet geheel en al tot een verboden artikel voor hen maakt. De vorsten en prinsen, en in hun gevolg de geld-aristokraten, en in dier gevolg wederom de deftige en minder deftige burgerij, beschouwen de kunstenaars nog altijd min of meer als de lieden, wier taak is hun amusement te verschaffen, hun eenigen tijd aangenaam of lachwekkend bezig te houden, die zij daarvoor betalen, de musici en muzikanten om hun gehoor streelend aan te doen als zij aan tafel zitten en zelf de zorg voor het genot van hun verhemelte op zich hebben moeten nemen (diner), en om hun het dansen gemakkelijk te maken (bal), om hun een voorwendsel te geven bijeen te komen, de dames om elkanders toiletten te bewonderen en te benijden, de heeren om deze dames te courtiseeren en elkander hun dekoraties of andere voornaamheid te toonen (soirée, koncert); de schilders, zoo al niet om hun woningen fraaier te verven dan rijtuigschilders daartoe in staat zijn, dan toch om hun wanden te behangen met kostbaarder voorwerpen dan Delftsch aardewerk of gobelintapijten; de letterkundige kunstenaars, ja, het moet gezegd worden, dat deze nog het minst in aanzien staan.
Vroeger had men aan de hoven den nar, dien geestigheden te zeggen, den poëet, dien de cither te bespelen en roerende liederen te zingen of te deklameeren als hunne taak was opgedragen. Zij waren de bedienden, die met de zorg voor het humeur van den vorst en zijne omgeving waren belast, zooals anderen in de keuken, met de zorg voor zijn maag, anderen met het reinigen en optooien zijner vertrekken belast waren. Heden ten dage treft men, in gewijzigden vorm, hetzelfde verschijnsel aan, als de gastvrouwen op hunne soirées een dichter noodigen om het gezelschap wat van zijne verzen voor te dragen en de liefhebberij-vertooning van een zijner tooneelstukken te leiden. Maar dat deze gezelschappen, de dragers der algemeene maatschappelijke opvattingen, den dichter bepaald als hun meerdere beschouwen om zijn talent, hem als zoodanig de voornaamste plaats in hun midden aanbieden, hem eeren en eerbiedigen, dit komt niet voor.
O zeker, er zijn vele uitzonderingen op dezen regel. Het gebeurt wel, dat menschen, vooral dames, dwepend ingenomen zijn met een schrijver en hem om zijn talent boven andere menschen stellen in hun hoogachting, dat vermaarde auteurs aan middagmalen worden genoodigd en hun de eereplaats aan de zijde der gastvrouw wordt aangeboden. Deze laatste gevallen zijn vooreerst zeldzaam, in de tweede plaats geldt de eer aan den auteur bewezen veeleer zijn roem, zijn vermaardheid, en—dit is een gewichtig punt—de karakterdeugden, die hij moet bezitten naast zijn talent om zich tot zulk eene vermaardheid te hebben kunnen opwerken.
In het algemeen kan men zeggen, dat in de maatschappij, in haar geheel genomen, het letterkundig talent an und für sich zeer weinig in aanzien staat, en dat het talent in een persoon zonder karakter zelfs in het geheel niet wordt geëerd.
„Nu ja,”—dacht of zeide de maatschappij van Douwes Dekker, toen, wat wij zijn enorm talent noemen, eenmaal gebleken was, „nu ja, veel talent, veel „macht over de taal,” maar overigens een man zonder karakter, een slecht mensch, die zijn talent misbruikt in dienst der booze neigingen van zijn hart. Wat heeft men aan een talent, wat beteekent al talent, indien het niet gebruikt wordt in dienst van God of van de maatschappij, om er ernstige en stichtelijke werken mede tot stand te brengen. En wat is een man waard, welke aanspraken kan een man op onzen eerbied doen gelden, indien hij al mooie boeken schrijft zoo hij zelf door zijn leven een slecht voorbeeld geeft aan zijn medemenschen.”
Dus luiden de typisch maatschappelijke redeneeringen over het talent. Men ziet, wij zijn hier ver van de meer artistieke opvatting, die het talent als de hoogste en alles overheerschende eigenschap beschouwt, die het spreekwoord huldigt „le talent excuse tout.”
Ver ook, ja lijnrecht tegenover, de verwachting, waarmede Multatuli als erkend talent-vol man het openbaar leven in de maatschappij betrad.
Hij ondervond dus twee ontgoochelingen, die hem des te heviger aangrepen, naardien in zijn geëxalteerden toestand zijne verwachtingen zich hooger hadden gespannen. Hij werd niet tot onderkoning onmiddellijk verheven; maar de maatschappij, zijn talent nu kennend, behandelde hem zelfs in veel opzichten als een gewoon medeburger, wiens karakter door velen gewogen en te licht bevonden werd.
Dit was te veel voor zijn zoo licht ontvlambaar en nu ontvlamd gemoed. Zoolang hij nog niet getoond had wie hij was, zoolang hij zijne ziel nog niet had geopenbaard, kon hij ten minste nog denken, als hij zat te peinzen over al zijne vernederingen: ja, wacht maar, wacht gij lieden maar, ééns zal ik u beschamen en de wereld versteld voor mij doen staan, eens zult gij allen naar mij opzien als ik mij boven u allen zal hebben verheven.
Doch nu kon dat niet meer, nu ontzonk hem ook de laatste hoop en troost, in ’t groote namelijk, waartegen de verbetering van zijn levenstoestand in ’t kleine niet kon opwegen. Hem bleef niets over dan groote, woedende bitterheid. Uitlatingen als die in zijne Ideën, waar hij de geheele natie nu voor een troep schelmen uitmaakt, waren van deze bitterheid de openbaringen.
Openbaringen van dien alles beheerschenden wrevel waren ook zijn zonderlinge en heftige handelwijzen tegenover bijzondere personen. Zijn prikkelbaarheid had haar toppunt bereikt.
Beschouwen wij met onpartijdige bedaardheid zijne houding tegenover zijn broeder Jan Dekker, zooals die vooral in het tweede deel der Brieven uitkomt. Aan dien broeder had hij voor zoover uit de zeer volledige gegevens, die nu tot ons gekomen zijn ten duidelijkste blijkt, groote verplichtingen, terwijl niets er op wijst, dat die broeder ook aan hem, Eduard, iets te danken zoude hebben gehad. Het geld, waarvan Dekker te Batavia leefde in 1857, vóór hij naar Europa vertrok, zal hem wel grootendeels door dien broeder zijn verstrekt; het was dezelfde broeder, die te Rembang Dekker’s gezin bij zich noodde toen hij eindelijk op reis ging, dezelfde, die, in het voorjaar van 1858, Dekker’s rekening over zeven maanden in het Brusselsche logement betaalde, zeer waarschijnlijk was ’t dezelfde gulle man, die hem in staat stelde in dat zelfde jaar verder naar Cassel te komen en daar hem van het noodige voorzag (al kwam Dekker er niet mee toe, zoodat hij te Cassel andere schulden maakte); dezelfde die, in het voorjaar van 1859, de passage van Dekker’s vrouw en de haren naar Europa bekostigde; dezelfde die gedurende de tweede helft van 1859 aan Dekker’s gezin weder een gastvrij dak bood op zijn buitengoed te Brummen; dezelfde eindelijk, die in November 1859, voor de tweede maal zijne logementsrekening te Brussel voldeed en hem in staat stelde naar Amsterdam te komen.
Indien men in het oog wil houden, dat de meeste dezer gewichtige diensten door den heer Jan Dekker aan zijn broeder bewezen werden, in een tijd dat deze van zijn hoogere gaven nog niets had doen blijken, terwijl de heer Jan over de handeling van Dekker’s ontslag-nemen geen ander gevoelen kon hebben dan hetgeen wij als het algemeen gevoelen der menschen hebben leeren kennen,—dan zal ongetwijfeld een ieder van meening zijn, dat de heer Jan Dekker een bijzonder goedhartig en edelmoedig mensch was, Eduard in hem een voortreflijk en hem te benijden broeder bezat; en het jammer vinden, dat Eduard zich niet in deze kleinigheid meester kon blijven, dat hij zóó’n broeder ten minste dan alléén in aanraking liet komen met de beminnelijke zijden van zijn karakter (waar hij elders, naar wij lezen, zoo mede te woekeren wist,) zorgvuldig de minder aangename kanten voor hem verbergend, opdat hij zich daar aan niet stooten kon.
Reeds uit Brussel schreef Dekker aan zijn vrouw over zijn broeder als over iemand, die eigenlijk verplicht was hem te onderhouden. „Voor de tiende maal vraag ik u: hoe denkt Jan toch dat ik leef” (dl. 1, blz. 133) enz. Reeds in dien tijd, dus vóór het verschijnen van Max Havelaar, is Dekker verbitterd tegen of allerliefst voor zijn broeder in zijn uitlatingen. Toen de heer Jan zoo ingenomen was met Max Havelaar, dat hij in handschrift gelezen had, en Eduard in staat had gesteld naar Amsterdam te komen, was het tusschen hen tweeën al „botertje tot den boôm” en schrijft Dekker aan zijne vrouw (dl. 2, blz. 11 en volgende):
„Beste beste Tine! Heerlijke tijding! Van avond hier gekomen. Jan opgezocht in de Variété. Hartelijk en verzoend, en ik kom meê naar De Buthe......” „Hartelijke ontmoeting, verzoening, afspraak om niet meer te kibbelen” (tusschen de broeders)... „Jan heeft mij een mooie overjas gekocht” ...
Spoedig doet de heer Jan echter al weder dingen, die den opgewonden Douwes mishagen: „Wat de zending van Jan naar Rochussen aangaat, ze is compleet mislukt. Toen hij (maar ik vrees niet op de goede manier) gesproken had over Raad van Indië, was R. opgesprongen. Dát kan mij niet schelen, maar wat me wel kan schelen is dat Jan zelf die mij, na mijn uitlegging, had toegestemd dat dit de eenige wijze was om mij te herstellen, nu ook vond dat ik te veel vraagde. Dus alweer de ambassadeur die zijn eigen zaak verlaat.
Van morgen wou hij dat ik vragen zou om directeur te worden van eene school te Batavia. Dat was juist iets voor mij, zeide hij en dan was zijn contract gesauveerd! Hij drukt gedurig op zijn contract dat door mijn hoofdigheid, door mijn te veel vragen kon geknepen worden.”
Mevrouw Dekker teekent hierbij aan, dat de heer Jan een tabakskontrakt had in Rembang (dat gevaar scheen te kunnen loopen).
Dekker vervolgt: „Ik laat me niet buigen. Noch door Fuhri (den ’s-Gravenhaagschen hôtelhouder), noch door geldgebrek, noch door schijnbare schande, noch door Jan. Als jij me afviel zou ik buigen, maar dat kan niet.”
Betrekkelijk geruimen tijd blijft nu de verhouding tusschen de twee broeders zoo goed als men maar wenschen kan. Een enkele maal krijgt de heer Jan nog een standje omdat hij niet spoedig genoeg geld zendt, maar de vriendschap wordt niet verstoord. 16 Juni 1860, schrijft Dekker, die toen toevallig in Rotterdam was: „Begrijp eens, Jan is hier, en alles heel wel. God geve dat het zoo blijft,” en dd. 17 Juni: „Jan is van morgen vertrokken. Wij zijn tot het laatst wèl gebleven. Hij is uiterst ingenomen met het éclat van M. H., en spreekt er gedurig van. Het is of hij voelt dat hij mij een beetje respecteeren moet, omdat de menschen zoo hoog met mij loopen, en ik dus een soort van renommée van den dag ben.” 18 Juni (Dekker’s gezin was toen in Brussel, hij zelf in Amsterdam) begint hij een weinig ontevreden te worden tegen den heer Jan: „Jan had wel uit den hoek mogen komen. Maar neen! Allerlei vertellingen over donkere toekomst, enz.” Er is echter eene verontschuldiging: „Nu ontken ik niet dat thans bij de intrekking van den Vrijen arbeid de zaak beroerd wordt”... Op 2 Juli hoopte Dekker dat de heer Jan geld zou zenden, „de geest was goed.”
16 Juli was Dekker naar Spa gereisd, plotseling naar het schijnt, en bevond zich daar weer aan de speelbank. Hij schrijft zijn vrouw te Brussel, hem duizend francs te zenden. 22 Juli was hij weder te Amsterdam terug en bericht zijn vrouw de ontvangst van haar brief, waarin zij hem van haar vergeefsche reis naar „Uccle” verhaalde. De uitgeefster der Brieven heldert dit geheimzinnige woord op, door als haar stellig vermoeden te kennen te geven, dat Tine óok naar Spa was geweest en daar haar geld had verloren. „In zijne en hare omstandigheden vond Multatuli zoo’n tochtje zoo al niet positief goed dan toch zeer verschoonbaar.” Om echter de zaak verborgen te houden, ging hij zoover in zijne voorzichtigheid van het woord Uccle, den naam van een dorp bij Brussel, te gebruiken, als pseudoniem voor het woord Spa.
In den loop der korrespondentie vernemen wij nog eenige malen, dat Dekker den heer Jan verzoekt geld te zenden, zijne vrouw „boven water te houden,” enz. De heer Jan ging voort hem onophoudelijk bij te staan. Hij deed bijna alle démarches bij den minister Rochussen, bij vrienden, bij allerlei personen, die Dekker moesten helpen zijn doel te bereiken. In een niet gedateerden brief, van Augustus 1860, blijkt echter dat de heer Jan het weder bijna geheel bij zijn broeder verkorven heeft. Deze schrijft aan Tine: „Ik ga nog eens aan Jan schrijven en zal probeeren hem uit te leggen dat ik geen partij kan dienen,...” enz., verder: „In het briefje van Jan dat je mij toezendt komt voor dat hij zoo blijde is dat ik wil treden in de voorstellen. Ook aan mij heeft hij iets dergelijks geschreven! Hij schijnt dus van het komplot te weten en er aan getwijfeld te hebben dat ik de voorwaarden zou aannemen. Na mij sedert weken te hebben opgehouden met praatjes komt nu de zaak neer op eene schandelijke omkooperij. ’t Is infaam!”
Het komplot en de omkooperij, waarvan hier sprake is, hebben betrekking op de pogingen, die de staatkundige partijen aanwendden om Dekker in hunne gelederen op te nemen. Dat hij niet wilde weten van de enkel letterkundige verdienste van Max Havelaar, omdat het boek alleen als een pleidooi in een zaak, een zaak van landsbestier, moest beschouwd worden naar zijne opvatting,—en dat hij tévens weigerde in de praktijk te treden en zich aan te sluiten bij eene partij, die de wijze van bestuur voorstond, die ook hij zelf de beste achtte,—kwam iedereen, dus ook den heer Jan, onbegrijpelijk voor. Ons is het nu wel duidelijk, wat Dekker wenschte: dadelijk eene invloedrijke positie, maar daar nog nooit iemand op die wijze daartoe gekomen was, begreep men niets van deze ongeziene wijze van denken en handelen. De heer Jan wilde, om velerlei redenen, zijn broeder zoo spoedig mogelijk uit den nood geholpen zien. Reeds bij den aanvang der Havelaar-zaak had hij aan Eduard geschreven: „om godswil, verschop niets.” De heer Bekking had „het masker” afgeworpen en „medewerking aan zijne partij, dat is de tabakskontrakten” als voorwaarde voor hulp bedongen. Van zulk een overeenkomst wilde Dekker niet weten.
Eene brouille tusschen Dekker en den heer Jan had tegen het eind van Augustus plaats.
Hij schrijft (do. 27 Aug.) „... Ieder is meer dan beleefd... behalve Jan. Hij is hier, en na het ontmoeten dat eerst vriendschappelijk was, begon hij, of wilde hij weer beginnen te schelden.
1o. Omdat ik niet had toegegeven in de voorstellen van Bekking.
2o. Omdat ik aan Cath. en Sietske wat papeterie had cadeau gedaan.
’t Was in het café restaurant. Veenstra was er bij.
Ik stond dadelijk op en ging heen. Ik heb hem door Abrahamsz laten zeggen dat ik niets meer met hem wil te maken hebben, en dat ik hem verbied zich met mijne zaken te bemoeijen. Uit!”
In een daarop volgenden brief schijnt hij de ware toedracht der zaak weêr vergeten te zijn, want hij schrijft: „De hoofdzaak is dat Veenstra inziet dat Jan verkeerd doet mij in den steek te laten.” Of hij moet de verwijten door den heer Jan hem gedaan gelijk gesteld hebben met een „in den steek laten.” Verder in denzelfden brief schrijft hij, na van het steeds toenemend succes van Max Havelaar te hebben gewaagd: „Maar heb ik nu ook niet gelijk, dat ik het schelden van Jan niet meer verdraag? Bodenheim (die N.B. een woekeraar is) is beleefd en zelfs hartelijk, en mijn eigen broer is grof. Ik ben er dan ook glad overheen en verdraag het niet meer.”
In een lateren brief, van 28 September, heet het: „Als ik aan zoo iets (het schrijven in den Tijdspiegel om geld te verdienen) denk, kookt het mij dadelijk tegen Jan. Die had mij voor zoo iets moeten vrijwaren. Kassian, ik hoor nu bepaald dat ze met Mei in Den Haag gaan wonen, die arme menschen! Liefje, ik vind niet goed dat je Mary (de echtgenoot van den heer Jan) schrijft. Het zou schijnen alsof ik weer wou aanknoopen, en dat wil ik niet. Je weet niet hoe Jan mij traitert. Ik had aan de meisjes A. wat papeterie gegeven (dat hij mij in een koffiehuis verweten heeft) en kort daarop kreeg ik van Kees (vader der meisjes A[brahamsz]) een briefje met verzoek aan zijne kinderen geen geschenken te geven „wijl ik mijn geld beter besteden kon aan mijn vrouw en kinderen.” Dat had Jan mij bezorgd. Ik noem zoo iets vervloekt laag.
De zaak staat zoo dat ik niet den minsten twijfel heb om te slagen, als ik maar van die vervloekte dagelijksche zorg bevrijd was. Zoo’n Jan die in Den Haag gaat wonen. Hij kan zijn geld beter aan mij besteden. Maar dat is nu uit. Al wilde hij nu, nu ben ik er moe van.”
Do. 20 Oktober lezen wij nu over deze zaak: „En nu Jan! Ik ben er regt verdrietig over. Heden nog schreef ik aan Pieter: „Met Jan wil ik niet meer te doen hebben! Daar blijf ik bij. Dat weet je, en je gaat met hem naar de opera. Hij heeft mij in een publiek koffiehuis... (enz. over de papeterie)—dat was zijn geld! En nu neemt gij geld van hem aan! Ik moet er nu rijp over denken hoe te doen... (nog lang wordt hierover uitgeweid)... moet ik nu de eerste keer dat ik Jan ontmoet—maar ’t zal niet gebeuren!—hooren dat je van zijn geld naar de komedie bent geweest? Je wist toch alles. Tine, Tine! Hoe kon je zoo doen! ’t Was mij wel fr. 500 waard geweest als je gezegd hadt:
„Jan, na alles wat er is voorgevallen heb je het regt verbeurd ons te helpen!”
Wij zullen de laatsten zijn om de handeling van het verwijt omtrent de kleinigheid van het papeterie koopen, in den heer Jan een voorbeeld van delicatesse te noemen, maar de heer Jan was in ’t algemeen ontstemd tegen zijn broer omdat deze zich niet bij de partij-Bekking c.s. wilde aansluiten, en verborg daarom ook deze kleine grief niet. Niets zeldzamer dan zóo edele en kiesche menschen, die diensten bewijzen en zich zoo gedragen als deed degene, wien zij bewezen werden, hun een weldaad door ze aan te nemen. Zulke menschen bestaan, maar behooren tot de groote zeldzaamhed en er is niet de minste reden, om er den heer Jan een verwijt van te maken, dat hij het zoo buitensporig ver niet gebracht had in zeldzaamheid van karakter-deugden. Trouwens, daar moet dan ook van den anderen kant eene hoffelijkheid en bescheidenheid in het aanvaarden der diensten tegenover staan, die Eduard Dekker zelf nagenoeg vreemd schijnt geweest te zijn. De zinsnede, waarin Eduard schrijft, dat Jan (die reeds zooveel voor hem gedaan had) beter zou doen zijn geld aan Eduard te besteden dan er voor in Den Haag te gaan wonen, is karakteristiek en licht zoo goed als wij maar wenschen konden, de trekken onzer karakterschets toe, waar wij, in verband met de algemeene appreciatie van kunst en talent in de Maatschappij, Multatuli’s ontgoocheling bespraken over het, dat men hem in vele opzichten als een gewoon sterveling bleef behandelen.
Van de verhouding tusschen de twee broeders vernemen wij verder in de tot nu toe verschenen deelen der korrespondentie niets. Waarschijnlijk zal die wel steeds geen effene, doch eene geaccidenteerde verhouding zijn gebleven van brouilles en verzoeningen.
⁂
Welk een verschil tusschen het eerste deel Brieven en het tweede deel in ’t algemeen! Een verschil dat in den text der gedrukte bladzijden uitkomt met de helderheid der twee schril kontrasteerende levensperioden zelf. Is het eerste deel vol van het diepe leed, in de stilte van het Brusselsche zolderkamertje, als in een kloostercel, gedragen, waar Dekker’s leven slechts zeer weinig uiterlijke afleiding vond in den omgang met zijn enkele plebejische vrienden daar uit de buurt; nemen wij in het eerste deel Dekker waar,—onder den zwaren druk van het wreede leven, dat hem daar opgesloten hield,—in een tête-à-tête met zijn smart, waarin hij zijn talent als een lijdensbloem zag ontluiken;—het tweede deel voert hem en ons plotseling als in de drukte en in het gekrioel van een marktplein; het is of er in den stijl der Brieven iets is doorgedrongen van het gedruisch op de Botermarkt, waar Dekker boven den winkel van Lobo, den Israëlietischen boekverkooper, die ook met een „stalletje” op de markt zelf was geposteerd, zijn kamer had en zijne geschriften samenstelde. Uit de eenzaamheid is hij met de grootste snelheid midden in het woeligste maatschappelijk leven overgeplaatst. Van onbekend is hij als met tooverslag beroemd geworden, van geschuwd gezocht, van geminacht hoog-geprezen. Hij komt in betrekking met de staatkundige partijen, de eene trekt hem hier, de ander daarheen; binnen eenige maanden tijds worden dertien honderd exemplaren van zijn Max Havelaar verkocht, overal waar hij zich vertoont, op straat, in hotels, in publieke vermakelijkheden, wordt hij met belangstellende nieuwsgierigheid bekeken, vreemden spreken hem aan, een onbekend meisje in het park, bij eene muziekuitvoering, komt hem haar handje reiken; van links en rechts wordt hij uitgenoodigd om lezingen te komen houden, tijdschrift-redaktiën en uitgevers schrijven hem, komen hem opzoeken, telegrafeeren hem, loopen hem na om eenige bladzijden van zijn hand voor hun orgaan of hun drukpers machtig te worden. De uitgever Thieme wil al aanstonds zijn partikuliere briefjes uitgeven, waarmede hij uitstekende zaken denkt te maken, de bezadigde redakteur van het Nederlandsch-Indische tijdschrift verzint totaal ongebruikelijke opschriften om boven de bijdrage van Dekker te plaatsen, die hij wenscht op te nemen: „Van den genialen Multatuli” zal hij er boven zetten. Kortom het is, zooals Dekker zelf in de brieven schrijft, een „rage”.
De persoon met wien Dekker nu in de eerste plaats te doen kreeg en met wien hij in belangrijke betrekking zou blijven gedurende het geheele tijdperk, dat wij in het tweede deel der Brieven afgespiegeld vinden, was de heer mr. J. van Lennep, rijksadvokaat, een der leiders der oud-konservatieve partij, Amsterdamsch patriciër. Tusschen de menigte menschen, die wij, als wij in onze verbeelding een résumé vormen van Dekker’s leven uit dezen tijd, hem zien omringen, staat Van Lennep vooraan; op hem valt het meeste licht. En geen wonder! Van Lennep toch bezorgde de uitgave van Max Havelaar, stelde Dekker in de gelegenheid de eerste helft van ’t jaar 1860 met zijn gezin als een rustige tusschen-periode door te brengen, en bleef voortdurend met hem in relatie over financiën en andere, wellicht nog gewichtiger, de uitgave rakende zaken. Wij zullen deze geschiedenis, als zijnde een der belangrijkste perioden in Dekker’s leven, volgen zoo als de Brieven ons geleidelijk met haar bekend maken. Er zal onder meer nog een deel Brieven verschijnen, getiteld Multatuli en Busken Huet. Nu, met evenveel recht, had de uitgeefster dit, tweede, deel, kunnen betitelen: Multatuli en Van Lennep.
Den 23sten Nov. 1859 reisde, gelijk wij gezien hebben, Dekker voor het eerst van Brussel naar Amsterdam. Reeds had hij van den heer Jan vernomen, dat Van Lennep met Max Havelaar, door Van Lennep na Tine en Jan, als de derde begunstigde, in handschrift gelezen, uiterst ingenomen was. Van Lennep had aan Van Hasselt geschreven: „In weêrwil van de bleeke inkt, klein schrift, donkere lucht en toenemende verzwakking mijner oogen, heb ik het boek verslonden, „pectus est quod disertos facit” en „facit indignatio verbum” worden ook hier bewaarheid... ’t Is een meesterstuk, met zijn gebreken, of neen, de gebreken, waarover ik klagen zou, zoo ’t een gewonen roman gold, geven in dit werk juist iets meer eigenaardigs, meer verrassends, meer schokkends aan ’t verhaal. ’t Is bl.... mooi, ik weet het niet anders uit te drukken.” De heer Jan had aan Eduard geschreven, toen hij hem deed overkomen: „Hij (v. L.) wil met handen en voeten uwe zaak voorstaan, en verzekerde mij onuitgenoodigd dat hij al zijn invloed in uw belang zal aanwenden. Hij zeide mij zijn zoon (aspt. ambt. eerste klasse) met een en ander bekend te hebben gemaakt, en hem gezegd te hebben: „Ik wenschte mij die zaak aan te trekken met klem, maar misschien zal men later u daarvoor donderen.” Zijn zoon antwoordde: „Pak het aan.””
De eerste brief, dien Dekker uit Amsterdam schreef, aan zijn vrouw, bevatte deze hoopvolle zinsnede: „Morgen tien uur naar Van Lennep, die volgens Jan, dol ingenomen is met mijn zaak, en mij absoluut wil helpen. Dus heerlijke vooruitzigten.” En in den tweeden, na het bezoek bij Van Lennep, heet het: „Maar Van Lennep! Daar ben ik geweest, en ik kan je niet uitdrukken hoe die man mij ontvangen heeft. ’t Is kompleet een schadeloosstelling voor al de miskenningen. Nooit had ik op zooiets durven hopen...” enz.
Dekker begon dus Van Lennep te beschouwen, en Van Lennep begon zich ook werkelijk te gedragen als: Dekker’s beste vriend. In een brief van 6 Dec. ’59 lezen wij dat De Bull, met wien Dekker ook in konnektie kwam, na den plotseling voorgevallen dood van het Kamerlid Stolte, Dekker in diens plaats wilde doen verkiezen, en dat Van Lennep zelfs zoover gegaan was op eigen houtje over Dekker te spreken met de kiesvereenigingen. Als de voormalige minister Baud, dien ook Dekker zeer waardeerde, zich bij die gelegenheid niet ook kandidaat had gesteld, zou Dekker kamerlid of althans kandidaat zijn geworden. Hij had dit trouwens alleen willen worden om R[ochussen, den minister] te dwingen hem Raad van Indië te maken (zie 2e dl., blz. 20). Ten dien einde, om Rochussen te doen voelen dat hij wakker was en werkte, schreef Dekker toen ook een paar staatkundige dagbladopstelletjes, die 9 en 10 December in de Amsterdamsche Courant verschenen en onderteekend waren: „Eduard Douwes Dekker, op verzoek eervol ontslagen Assistent-Resident.” Wij lezen in dezen tijd van de korrespondentie niet anders dan dat De Bull, Tydeman en vooral Van Lennep dagelijks voor Dekker in de weer waren. Dato 8 Dec. lezen wij: „Gister zond ik een brief aan V. L., en hij, die een perfecte kerel is, zond dien aan R[ochussen] met een flink bijschrift. Hij zegt: „pas op, vriendje, ik verzeker je dat D. D. een man is, en als je hem wat lang laat wachten maak je hem ongeduldig en dat raad ik je niet aan.””
Van Lennep, Hartsen en De Bull (Amsterd. Courant) en Tydeman (Handelsblad) vertegenwoordigende de twee staatkundige partijen, wilden allen Dekker in de Kamer hebben. Daarop stelde Baud zich op de rij, aan wien de eerstgenoemde partij zedelijke verplichtingen had en dien zij dus, vóór alles, nu moesten steunen. Tydeman was echter tegen Baud en wilde Dekker als den tegenkandidaat poseeren. Daar Tydeman echter door Van Lennep zelf zoo voor Dekker was opgewarmd, vond Dekker het onedelmoedig door met Tydeman mede te gaan Van Lennep in het vaarwater te zitten. Hij kon dit dus niet doen.
Reeds bij dezen brief, van 8 December 1859, biedt de uitgeefster ons een exposé van den toestand, waarop al deze zaken betrekking hebben.
Van Lennep was een der leiders van de konservatieve partij, waartoe ook de minister Rochussen behoorde. Door het ministerie, waarvan ook Rochussen deel uitmaakte, was juist nu echter een spoorwegwet voorgesteld, waar de Amsterdammers, met o. a. Van Lennep aan ’t hoofd, sterk tegen waren. Van Lennep en De Bull met zijn Amsterdamsche Courant ageerden dus tegen het ministerie. Toen de zaken juist zóo stonden, kreeg Van Lennep het handschrift van Max Havelaar in handen. Hij begreep terstond de portée van dit werk en welke waarde het als wapen in het arsenaal der ministeriebestrijders hebben kon. Van Lennep’s ingenomenheid met Max Havelaar op zich zelf was oorspronkelijk oprecht. Maar, „hetzij dan gaandeweg, hetzij reeds terstond” zegt de uitgeefster der Brieven, kwam bij Van Lennep de gedachte op, Max Havelaar vooral als strijdmiddel tegen het ministerie te gebruiken. De uitgeefster gebruikt niet het woord „vooral” maar uit haar toon valt op te maken, dat zóo toch haar bedoeling is. Wij zijn het daarmede niet eens. De bespiegelende ingenomenheid van Van Lennep met Max Havelaar kon zeer goed met zijn inzicht in het praktische nut, dat het boek voor hem en de zijnen hebben kon, samengaan, zonder dat het éene in zijne waardeering zwaarder woog dan het andere. Maar verder is de voorstelling, door de uitgeefster aan de zaak gegeven, naar ons voorkomt juist,—tot aan de eindkonklusie. Zij zegt dan, dat Van Lennep, die volgens Dekker’s beschrijving een joviaal, aangenaam mensch was, schik had in den strijd en er dus een soort van schalksch genoegen in vond den minister Rochussen uit de verte met dat boek, den M. H., te dreigen. Maar zijne partijgenooten vermaanden hem tot kalmte en ingetogenheid. Vooral zijn schoonzoon Hartsen, deftig man van den eersten graad, lid der Eerste Kamer, van wien de uitgeefster eenigszins ironisch vermeldt, dat hij „ontzaggelijk ingenomen” met Max Havelaar was, maar ondertusschen het manuscript weken lang onder zijne berusting hield, zonder aan den schrijver eenig blijk te geven van geestdrift of waardeering. De spoorwegwet werd in de Eerste Kamer afgestemd, en de uitgeefster zegt, dat Van Lennep zich toen „liet sussen”. Hij had toen den Max Havelaar niet meer noodig als wapen tegen het ministerie, hij bezorgde dus wel de uitgaaf van het boek, „maar in zijn, in 1862 uitgegeven brochure, staat toch met ronde woorden te lezen, dat het zijn doel was de verspreiding van het werk te belemmeren.” Hieruit zou men dus moeten konkludeeren, dat, indien de spoorwegwet niet afgestemd geworden ware, Van Lennep den Max Havelaar uitvoeriger zoude hebben doen verspreiden. Met deze opvatting kunnen wij ons slechts gedeeltelijk vereenigen.
Doch wij zeggen met de uitgeefster „later meer daarover”, en willen eerst de geschiedenis van Dekker’s betrekking tot Van Lennep voortzetten waar wij haar geschorst hebben.
Van Lennep dan, vernemen wij nog, had aan Rochussen geschreven: „Indië heeft een man noodig en Dekker is die man.” Intusschen maakte Dekker zich steeds zeer bekommerd over de „bijzaken” en begon de vreeselijke drukte van zijn leven, waaraan hij niet gewoon was, hem zeer te vermoeien; zoodat wij, do. 10 December, lezen, dat, nu Rochussen eindelijk geantwoord had in afwijzenden zin op het voorstel om Dekker Raad van Indië te maken, Dekker er naar verlangde uit Holland weer weg te komen en in Brussel op zijn gemak wat te rusten en te werken. 11 Dec., toen hij nog niet wist, wat het „ontzaggelijk ingenomen” van Hartsen beduidde, wilde hij weer wèl in Amsterdam blijven, enthousiast als hij was over Van Lennep’s brief, waarin dat oordeel van Hartsen werd medegedeeld.
Tusschen 11 December 1859 en 11 Januari 1860, vernemen wij nog alleen, dat de heer Jan een voorloopige bijdrage van vier honderd gulden wil geven om Dekker in staat te stellen zich met zijn gezin in Brussel te etablisseeren, waar hij dan door werken zelf verder ook geld zou verdienen; maar dat Dekker, rekenende met zijn familie vier honderd gulden per maand noodig te hebben, zich op dié verbintenis alleen niet durfde verlaten om de expatriëering te ondernemen. Ook hooren we, dat de heer Hartsen wel duizend gulden op de Max Havelaar-uitgave zou willen voorschieten, maar dat Dekker dit voorstel repugneerde daar het zooveel overeenkomst had met „beleenen op pand.”
Vóór den éénigen brief, die uit deze periode beschikbaar was en waarvan wij hier den inhoud mededeelden, heeft de uitgeefster der Brieven een aanteekening geplaatst, die, indien men bedenkt in welke verhouding zij zelve gestaan heeft tot Dekker’s eerste echtgenoote, niet onaardig karakteristiek is, in hoe bezadigde en kroniek-achtige termen dan ook vervat. „De brieven,” schrijft zij, „sluiten nu niet meer zoo geregeld aan elkaar als vroeger. Eenigen zullen verloren zijn gegaan, anderen opzettelijk vernietigd. Dit laatste durf ik veronderstellen omdat ik dikwijls in later jaren heb bijgewoond (wij wisten niet, dat de dames elkaar zóo intiem hadden gekend, dat de eene in bijzijn der andere handelingen volbracht, die anders bij uitstek behooren tot die, ter volvoering waarvan men een oogenblik van eenzaamheid afwacht) dat Tine een brief van Dek ontvangende, zoodra zij bemerkte dat er iets in stond wat haar onaangenaam zou aandoen, dien verscheurde en in de kachel wierp.”
Men kan begrijpen welk een gevoel zulk een handeling van Dekker’s eerste vrouw opwekte in Dekker’s tweede vrouw. Zij, die Dekker zoo vereerde, moet deze handeling wel afgrijselijk hebben gevonden, en indien, waaraan na haar eigen mededeeling natuurlijk niet te twijfelen valt, mevrouw Douwes Dekker-Hammink Schepel er in levenden lijve bij tegenwoordig is geweest, dat mevrouw Douwes Dekker-Van Wijnbergen Dekkers brieven, als teeken van afschuw, in de kachel wierp zonder ze gelezen te hebben, mag men wel aannemen, dat al haar wél-opgevoedheid haar op zoo’n oogenblik ten dienste heeft moeten staan om haar te beletten als eene furie op hare voorgangster aan te vliegen en haar de kostbare papieren te ontrukken, die zij snood aan de vernietiging wilde prijs geven.
Intusschen moeten wij met de uitgeefster van meening verschillen, waar zij uit het feit, dat Dekker’s eerste echtgenoote, toen de verhouding tusschen haar en haar man ten uiterste gespannen geworden was, zijne brieven in woede en verdriet vernielde, het gevolg trekt, dat Tine zich ook reeds in een vroegere periode, toen de verhouding, in vergelijking met later, nog weinig te wenschen overliet, zich aan soortgelijke handelingen zou hebben schuldig gemaakt. Wij gelooven eerder dat de brieven die hier ontbreken „verloren zijn gegaan”, dan dat zij „opzettelijk vernietigd” zouden zijn.
De eerstvolgende brief, welken wij nu te lezen krijgen, is van 10 of 11 Januari 1860. Wij vernemen daaruit, dat Dekker met zijn gezin den 15en Januari naar Brussel zal gaan, om eenige maanden rust te genieten. De heer Jan gaf ƒ400 als voorloopig voorschot, waarvan echter ƒ100 afgetrokken zou worden, naar wij uit den brief meenen te begrijpen, voor de passage van de baboe, die naar Indië teruggezonden werd. En de heer Van Lennep—daarom passen deze mededeelingen hier noodzakelijk in dit historisch overzicht—zou ƒ200 per maand geven, waarvan echter ƒ50 zou worden afgetrokken ten bate der Wageningsche tantes. Tijdens Dekker’s afwezigheid zoude dan Van Lennep de uitgaaf van Max Havelaar bezorgen.
Zeer juist merkt de uitgeefster op, dat het, met het oog op het, later gevolgde, bekende rechtsgeding tusschen Dekker en Van Lennep, over het eigendom van Max Havelaar, niet weinig belangrijk geweest zoude zijn, indien zij ook de tijdens Dekker’s verblijf te Brussel in dezen tijd tusschen hem en Van Lennep gewisselde brieven had kunnen opnemen in de korrespondentie. Doch de pogingen, in 1871 door Dekker zelf, en nú, bij de voorbereiding dezer uitgave der Brieven, door de uitgeefster aangewend, om die brieven machtig te worden, zijn mislukt. Tijdens het rechtsgeding had Dekker ze, ter vervollediging der geding-bescheiden, aan zijn advokaat, Mr. J. G. A. Faber, ter hand gesteld. Doch deze heer wist later niet waar zij gebleven waren, en Mr. Mouthaan, de opvolger van Mr. Faber, had ze ook niet, bij den overgang van het kantoor, van dezen overgenomen. Ook de heer Willem van Lennep, zoon van Mr. Jacob, door de uitgeefster daarnaar gevraagd, kon zich niet herinneren bij de papieren zijns vaders brieven van Dekker te hebben gevonden. De uitgeefster neemt dus aan dat die vernietigd zijn. (Zie Br. 2e dl., blz. 61, 62.)
Eenige maanden leefde Dekker nu vereenigd met zijn gezin te Laeken (Brussel). De uitgeefster merkt aan, dat dit een tijd van betrekkelijke rust voor het gezin was. De uitstapjes, van hier uit naar Spa ondernomen, hebben wij reeds vermeld. In Mei verscheen de Havelaar, 14 Juni reisde Dekker terug naar Holland.
Wij vestigen er de aandacht op, dat Dekker dus, toen de voorbereidende maatregelen ter uitgave werden genomen en toen de uitgave plaats had, niet ter plaatse aanwezig was. Wij vestigen hierop nadrukkelijk de aandacht, omdat Dekker op die wijze verzuimde den persoonlijken invloed op de wijze van uitgeven te oefenen, waardoor wellicht de verkeerde praktijken voorkomen hadden kunnen worden, waarover hij zich later vruchteloos beklaagde. Was deze onthouding van onmiddellijk persoonlijk beheer niet wijs, niet verstandig,—zij was daarentegen zeer natuurlijk en verklaarbaar. Dekker had de grootste behoefte aan rust, na al het tobben en zwerven en de druktes der laatste jaren, en: Dekker beschouwde Van Lennep als zijn besten vriend en vertrouwde hem volkomen; dat wil zeggen: vertrouwde volkomen, dat Van Lennep Dekker’s belang begreep, precies zooals Dekker dat zelf begreep, en dat hij dit op die wijze begrepen belang, zonder eenige andere konsideratie, tot richtsnoer van zijn handelingen zoude nemen.
Dekker reisde naar Rotterdam, van waar uit hij de korrespondentie met zijne vrouw hervatte. Hoofdzakelijk vernemen wij nu vooreerst alleen Dekker’s blijde uitingen over het steeds grooter en grooter wordend, en hem zelf verbazend, welslagen van zijn werk. Do. 17 Juni (1860) spreekt Dekker reeds van eene „nationale inschrijving,” waar hij toen zekeren Van Prehw zich aan ’t hoofd van wilde zien stellen. Dit schijnt dus geen denkbeeld van later geweest te zijn, maar tijdens of even vóor de Havelaar-uitgave bij hem te zijn opgekomen. Waar wij echter op ’t oogenblik, met betrekking tot de kwestie-Van Lennep meer belang in stellen, is de reeds in dienzelfden brief van 17 Juni voorkomende uitlating: „Maar uit alles blijkt dat die De R. een slaapmuts is.” Hiermede werd bedoeld: de door Van Lennep voor deze onderneming aangezochte uitgever De Ruyter. Tels, de hoofdredacteur der N. Rott. Crt., had namelijk gezegd, dat er nú reeds (na pl. m. vier weken) een derde druk van het werk had moeten zijn, en Nijgh, de uitgever der N. Rott. Crt., dat er duizend exemplaren naar Indië hadden behooren te worden gezonden.