← Table of contents
Multatuli

II. MULTATULI EN „DE MENSCHEN”. (continued 2)

Reading edition

„Is dat nu niet gloeiend jammer,” schrijft Dekker, „dat door zulke slaperigheid mijn boek minder effect maakt dan het bij een flinken boekverkooper maken zou? Het is om te schreien. En je begrijpt dat als de furore eens voorbij is zooals alle fureurs en enthousiasmes voorbijgaan,—dat het dan te laat is.”

Wij spatiëeren deze laatste woorden. Hierop, zal men zien, komt het aan, hierop is het geschil tusschen Dekker en Van Lennep gegrondvest; namelijk op het antwoord, dat de vraag uitlokt: waarvoor het „dan te laat” zoude zijn.

Maar wij zien verder. Blz. 71 lezen wij: alles zou goed gaan... „maar die vervloekte De Ruyter”. „Ik klaag bij V. L. steen en been over De Ruyter. ’t Is een ware schande,” do. 25 Juni: „Ik begin hoe langer hoe meer in te zien, dat men wel mijn boek verheft als boek, maar verder niets. ’t Is wel hard!”

Voortdurend houdt hij zich nu bezig met de recensiën, die achtereenvolgens de verschillende tijdschriften over Max Havelaar publiceerden. De brieven aan Tine zijn daar vol van. Hij had toen nog niet de verachting voor het publiek en de publieke opinie, die zich langzamerhand van hem zou meester maken. Hij genoot er nog even kinderlijk als buitensporig van zijn naam overal gedrukt te zien—iets volstrekt ongewoons—en al de verschillende meeningen en uiteenloopende waardeeringen over zijn, hem zoo innig van nabij bekend, geesteskind te lezen. Men kan dit genot vergelijken bij dat van eene moeder, die een eenig teér bemind zoontje heeft, dat eenige jaren lang met de uiterste zorg door haar is verpleegd en opgevoed, altijd in het stille huiselijk intérieur, waar alle leed en elke harde aanraking met de buitenwereld ver van hem werd gehouden; en die nu, voor het eerst, hem een kinderpartij laat bezoeken. Hoe leeg voelt zij hare hand als zij hem loslaat, opdat hij zich alleen en vrij onder de speelgenootjes zal gaan bewegen. Zie, daar gaat hij, zij kijkt hem na. Ja, hoe kijkt ze hem nu na, hoe spitst ze nu het oor, om te zien en te hooren, wat die en wat die en wat die derde zal zeggen van haar schat, van haar kind! Wèl luistert zij aandachtig naar wat men dáarvan zal zeggen, en wát dáarvan, wat van zijn oogjes, wat van zijn heele gezichtje, wat van zijn blonde haar, wat van zijn lieve kleertjes, die zij met zooveel zorg en oplettendheid heeft gekozen en geschikt...

Nu, zóo volgde Multatuli de appreciaties, die zijn eerste boek ten deel vielen.

De eerste uiting van ontevredenheid tegen Van Lennep treffen wij aan in een brief van 23 Juni:

„Van Lennep komt mij voor alsof hij zeggen wil: ik heb het mijne gedaan! En eigenlijk heeft hij niets gedaan, want als de M. H. het aan mij verstrekte geld niet dekt, dan is dat de schuld van den beroerden boekverkooper waar hij mij gebracht heeft.”

De Ruyter had maar dertig ex. van M. H. naar Indië gezonden. „Is dat niet om te schreien?” roept Dekker uit. „En dan praat V. L. van ondankbaar [-heid jegens De Ruyter.]” Do. 22 Juli lezen wij: „Ik zoek geld om baas te worden over de uitgave, want die de R. is ellendig. De vent heeft geen verstand van de zaak, maar Van Lennep zit mij in den weg”; 29 Aug.: „Ik ben dol op dien De Ruyter! V. L. is weer in stad gekomen, maar ik heb hem niet te huis gevonden. ’t Is bedroevend!” 1 Sept. lezen we, dat Dekker nog bij V. L. geweest was, waar allen hem heel hartelijk ontvingen. Een paar dagen later: „Die vervloekte zaak met Van Lennep. Nog ben ik daarmee niet klaar.” Op 12 Oktober: „[ik heb] ruzie met Van Lennep” en „Van Lennep is... ja ik weet niet wat ik er van zeggen moet.” Van Lennep had namelijk, eindelijk, na lang talmen, op Dekker’s voortdurend aandringen, dat er van Max Havelaar een goedkoope uitgaaf zou bezorgd worden, geantwoord: „Wie een huis koopt heeft het recht het te verbouwen zonder den verkooper te raadplegen.”

Dit antwoord van Van Lennep bracht het tusschen hem en Dekker tot een uitbarsting. Op 20 Oktober lezen wij: „Misschien zal ik moeten overgaan tot de treurige noodzakelijkheid om V. L. een proces aan te doen. Dat zal mij zeer hard vallen. Prof. Veth is het met mij eens dat hij mij infaam behandeld heeft. De opgang van M. H. stijgt nog. ’t Is ongehoord. De eerste druk is zoo goed als uitverkocht en V. L. wil de volgende drukken voor zich houden!” 3 November 1860: „Ik lig overhoop met Van Lennep. Ik moet gelooven dat hij mij bedrogen heft. ’t Is schande.”

13 November vernemen wij dat de kogel door de kerk is in deze lakonieke woorden: „Proces met Van Lennep.”

Zes maanden later, 15 Mei 1861, werd in dit proces voor de eerste maal gepleit.

In een brief van 2 Juni schrijft Dekker: „Proces Van Lennep eerste instantie, heb ik verloren. Never mind! appel! Ik zal ’t behandelen.”

Dekker of zijn advokaat hebben geäppelleerd van het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, en den 22sten Mei 1862 kwam de zaak voor het provinciaal gerechtshof.

In het schrijven van 24 Mei 1862 heet het: „Verleden Donderdag heb ik gepleit voor ’t Hof. Had je ’t gelezen in de courant? Maar er staat niets bij, alleen dat ik gepleit heb. Die zaak met V. L. verveelt mij.”

Het Hof heeft toen het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Wij teekenen hierbij terstond aan, dat Dekker zich in dit proces misschien meer dan bij welke gelegenheid ook, door zijn zenuwachtigheid en ongestadigheid heeft laten beheerschen. Hij verloor het proces in eerste instantie en keurde de rechterlijke uitspraak goed, omdat het punt, waar het op aankwam, niet in behandeling was geweest; ja maar, zeggen wij, als hij wat bedaarder was geweest, zoude hij zelf gezorgd hebben, van te voren, dat het in behandeling kwam. Maar goed, dit was dus een afgedane zaak, en hij had besloten te appelleeren. Voor het provinciaal gerechtshof, een jaar later, pleitte hij zelf. Men moet naar alle redelijkheid veronderstellen, dat hij persoonlijk heeft willen pleiten, om des te zekerder te zijn van te overwinnen, nú zéker te overwinnen. En ziet, toen het op stuk van zaken kwam, verwaardigde hij zich niet te pleiten, zoodat hij, ten tweeden male, erkennen moest, dat ook het provinciaal gerechtshof goed had gehandeld met hem in het ongelijk te stellen. In Idee 289a leest men hierover:

„Wat mij zelf aangaat, voor ’t hof betuigde ik kortelijk dat boek niet aan den heer V. L. verkocht te hebben. Betoogd, bewezen, gepleit heb ik niet. Vóór de zitting reeds ontwaarde ik dat de voorzitter stokdoof was, en bovendien ik wist... kortom, ik was misselijk van de zaak en dat ben ik nog. Toch voel ik mij verplicht te erkennen dat het Hof, na mijn dédain om de zaak behoorlijk uit te leggen, niet anders beslissen kon dan het gedaan heeft.”

Indien men de toedracht dezer zaak goed overweegt, zal men in dit geval een zoo duidelijk en plastisch mogelijk gegeven vinden van den voorraad, waaruit de heer Swart Abrahamsz heeft geput, om tot zijne kenschetsing van Dekker als neurasthenicus te komen. Dit is zoo echt neurasthenisch mogelijk. Men doorziet den toestand van hier, daghelder, zoo als hij zich heeft voorgedaan. Dekker was bepaald voornemens persoonlijk voor het provinciaal gerechtshof te pleiten. Wie weet of hij zelf geen uitvoerige rede op papier had geprojekteerd. Maar toen de zitting aanving, had hij bemerkt, dat de voorzitter hem en zijner zaak antipathiek gezind was, hij stond daar tegenover lieden, die hij wist dat verreweg zijn minderen waren, hij las op hun gelaat een dom en onherroepelijk misnoegen jegens hem,... toen kwam, onwederstaanbaar, een hevige wrevel in hem op, nooit was het kontrast schriller geweest tusschen hem en de maatschappij, nooit pijnlijker onmiddellijk merkbaar, schier stoffelijk voelbaar,... wat! hij de van God gezondene, hij met zijn koninklijke ziel (in bruisende fantasieën leefden de grootheids-verbeeldingen in hem op), hij stond hier tegenover ordinaire menschen, die hem aankeken zooals fatsoenlijke burgermenschen een ploert aankijken in wiens gezelschap zij genoodzaakt zijn eenige oogenblikken door te brengen,... en zij, in welke hoedanigheid bevonden zij zich tegenover hem... als rechters, die hij goedgunstig voor zijn zaak moest trachten te stemmen... het was te erg, ziet, zij zagen hem aan, minachting bespeurde hij in hunne fysionomie, als hij gepleit had zouden ze hem openlijk veroordeelen en... in hun binnenkamers, in hun gezin, wellicht heimelijk... bespotten... Het was te vreeselijk... déze wrevel kòn hij niet overwinnen, in zich zelf dacht hij: laten ze naar de weêrlicht loopen, liever het grootste nadeel, dan déze vernedering! Hij moest zich nog inhouden om hun geen stoel naar ’t hoofd te werpen; het was al wél; hij beheerschte zich reeds voldoende met hun nog een oogenblik te woord te willen staan. Maar méer zou hij ook niet doen.

Zóo stellen wij ons de toedracht dezer zaak voor. Ware Dekker beter geéquilibreerd geweest, hij hadd’ zijn wrevel onderdrukt, hij hadd’ zijn oogen gesloten voor de stemming van het Hof, zooals die op het gelaat der leden voor zijn scherpzienden blik te lezen stond, en hij hadd’ eene zoo vernuftige rede gehouden, dat hij de rechters te gelijk in bewondering ontstak voor zijn talent en overtuigde van de rechtvaardigheid zijner zaak. Maar Dekker kón niet, hij was een prediker maar geen advokaat, hij had hartstocht maar geen takt, en hij werd het slachtoffer van de eigenschappen van zijn gestel, zoo als die zijn gedragingen influenceerden.

Later, 2 October 1863, heeft Dekker vrede gemaakt met Van Lennep; de uitgeefster der Brieven vermoedt dat geldverlegenheid hiervoor de hoofdzakelijke reden is geweest.

Na de bescheiden betreffende het proces, behelst het 2e deel ten slotte de brieven van den heer Van Lennep aan Dekker van de jaren 1863–67, waarbij telkens de aan Dekker komende gelden wegens den verkoop van den Havelaar per assignatie worden overgemaakt. De laatste brief betreft het voorstel van Dekker, dat De Ruyter het kopierecht van M. H. zoude verkoopen, hetgeen Van Lennep ontraadt. Een jaar later, 25 Augustus 1868, overleed Van Lennep; in Augustus 1870 is het kopierecht werkelijk verkocht, in den zomer van 1871 hebben de erven van Van Lennep de helft van de opbrengst dier verkooping (zijnde dit hun geheele aandeel, daar de andere helft den uitgever toekwam), aan Dekker uitgekeerd. De termen, waarin Dekker, ten einde het piëteits-gevoel der Erven V. L. jegens hun vader niet te kwetsen, om die uitkeering vroeg, luidden: het „op welwillende wijze ten behoeve van den schrijver door wijlen den heer Mr. J. van Lennep gereserveerde aandeel in den Havelaar.”

De uitgeefster besluit deze episode en het 2e Brievendeel, met deze woorden:

„In armoede was de Havelaar ontstaan, en in armoede zocht de gemartelde schrijver naar een term om bij den eersten verkoop van het copyrecht van zijn boek, de helft der opbrengst in handen te krijgen. Want òf hem dat gelukken zou, was, toen hij de woorden samenvoegde, nog een vraag.

Kassian over hem!

En over die anderen...”

De uitgeefster dezer Brieven heeft den beoordeelaar voor een moeilijk vraagstuk gesteld. Tusschen de regelen bevat dit tweede deel de uitnoodiging een oordeel uit te spreken in de zaak, welke ons hier voorgesteld wordt. Het heele boek bevat één doorloopende aanklacht tegen Van Lennep. Het is alsof er tusschen de nagedachtenis van Van Lennep en die van Dekker beslist moet worden. Het is eene beschuldiging van Van Lennep wegens verraad (dit woord wordt in de Brieven herhaaldelijk gebruikt), verraad aan de vriendschap, die hij met Dekker had aangegaan, eene beschuldiging, die, in de schatting der volbloed-Multatulianen zich ongetwijfeld vergroot tot een van verraad jegens het vaderland, omdat, zoo redeneeren zij, had de Havelaar uitgewerkt hetgeen Dekker er mede bedoelde, dan zoude Dekker het bestuur der koloniën of iets dergelijks in handen hebben gekregen en zou het vaderland tot bloei en grootheid zijn gebracht. Ja, het jongere, radikale, geslacht in Nederland zal er eene beschuldiging te meer in zien tegen het oude régime, vertegenwoordigd door een zijner leiders, Van Lennep.

Er is echter nog een andere zijde aan dit vraagstuk, en als wij het van die zijde bezien ontwaren we, dat wij dubbel voorzichtig en vooral niet voorbarig moeten zijn met het formuleeren eener opinie. Wij bedoelen: als wij den blik wenden naar Van Lennep’s nakomelingen. Al achten wij, naar onze persoonlijke meening, karakterdeugden van een sekundair belang waar het de appreciatie van verbijsterend groote talenten geldt (uitdrukking van Huet),—wij achten Van Lennep, gelijk reeds werd aangemerkt, volstrekt niet een talent van die grootte te zijn. Opdat hij eenigszins eene reputatie behoude, moet zijn karakter onaangetast blijven. Dit meenen wij niet alleen, dit meenen ongetwijfeld zijne nakomelingen evenzeer, en hij zelf was niet minder van die meening. 2 October 1863 schrijft Van Lennep aan Multatuli: „.... ik ben herhaaldelijk door u in openbaren druk beschuldigd, gespeculeerd te hebben op uw boek. Niet voor het publiek, waar ik mij evenmin aan stoor als gij het doet, maar voor mijn kinderen en kindskinderen, wien ik gaarne het bewijs wilde nalaten, dat geen vlek van baatzucht op mij kleeft, verlang ik van u een schriftelijke retractatie van die beschuldiging.”

Laat ons, voor we ons eene meening over deze zaak vormen, met aandacht en kalmte nagaan wat er eigenlijk was geschied. Om met juistheid en volledigheid Dekker’s eigen interpretatie der feiten te doen kennen, zouden wij den brief, waarin hij aan zijn advokaat, Mr. Faber, een exposé van den toestand geeft, geheel en al moeten aanhalen; doch wegens de te groote uitgebreidheid van dien brief moeten wij daarvan afzien. Dit stuk bevat trouwens bijzonderheden over de armoede en het ongeluk, waarin Dekker verkeerde toen hij tot den heer Van Lennep kwam, die wel zeer geschikt zijn om den heer Faber een juiste waardeering van den toestand te geven, naar moreelen maatstaf; maar die ons vooreerst reeds meer dan bekend zijn en ten andere tot de feiten als zoodanig niets afdoen.

Laat ons zien, wat was er gebeurd, waarover liep het proces?

Toen Dekker in het voorjaar van 1860 in Brussel was gaan wonen met zijn gezin om eenige rust te genieten, daartoe in staat gesteld door Van Lennep’s voorschot op de opbrengst van Max Havelaar (zoo als de heer Van Lennep het later volhield), daartoe in staat gesteld door een voorschot van den heer Van Lennep buiten verband met de eventueele opbrengst van M. H. (zooals Dekker steeds bleef beweren); toen Dekker dus in Brussel vertoefde, ontving hij van Van Lennep een schrijven, waarin de volgende alinea:

„Om nu met De Ruyter een contract te kunnen maken dien ik bewijs te hebben, dat ik daartoe recht heb. Noch hij, noch eenig uitgever zal natuurlijk drukken, veelmin geld geven zonder overdracht van het copyrecht, en dat kan ik hem niet overdragen, zonder te kunnen aantoonen dat ik het bezit. Wees daarom zoo goed mij met het adres aan Sire een stuk op zegel (Belgisch) te zenden, waarbij gij verklaart mij het copyrecht over het werk, getiteld enz., te hebben afgestaan, en daarvoor te zijn voldaan naar uw genoegen. Ik kan dan in de overeenkomst die ik met De Ruyter maak...”

Dekker voldeed aan dit verlangen door aan Van Lennep de volgende akte van cessie te zenden:

„De ondergeteekende Eduard Douwes Dekker, schrijver van het werkje, getiteld: Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappij, door Multatuli, verklaart het copyrecht over gezegd werk te hebben afgestaan aan den heere Mr. J. van Lennep, zijnde de ondergeteekende daarvoor naar genoegen en volkomen voldaan.

Douwes Dekker.”

Brussel, 25 Januari 1860.

Toen, in zijn „Vrije Arbeid”, Dekker, nadat hij het proces in eerste instantie verloren had, Van Lennep over deze zaak, „voor de rechtbank der publieke opinie” daagde en hem nogmaals toeriep dat hij, Dekker, en niet Van Lennep, eigenaar van den Havelaar was, en o. a. zeide: „Het voorgeven van den heer Van Lennep dat hij eigenaar was van „’t copyrecht, is van later datum en van later uitvinding”,—antwoordde Van Lennep hierop in een openbaren Brief aan den heer E. Douwes Dekker, waarin hij o. a. repliceert:... „Maar zoo werkelijk dat systeem van latere uitvinding is, dan komt niet mij, maar u zelven de eer dier uitvinding toe. Reeds op 7 April 1860 schreeft ge mij: „Het boek behoort u. Mag ik het vertalen?”

Hiermede hebben wij een beknopt maar volledig overzicht van het geding.

Nu komt, naar onze meening, de geheele zaak hierop neder: Indien de heer Van Lennep, Dekker’s meening deelende, dat er van den Havelaar een goedkoope en zooveel mogelijk te verspreiden uitgaaf in de wereld gezonden moest worden, opdat er zoo iets als een algemeen nationaal adres met honderdduizenden handteekeningen voorzien, aan de Kamers der Staten-Generaal of aan den Koning zou gezonden worden, en opdat er, mocht zulk een adresbeweging zonder de gewenschte uitwerking blijven, zelfs een burgeroorlog zou losbarsten (zie de brochure Swart Abrahamsz-Multatuli door F. v. d. Goes), met het doel Dekker tot zulk een hoogen post te doen bevorderen, dat hij het bestuur der koloniën naar zijn inzicht kon hervormen;—indien de heer Van Lennep, van die meening zijnde, met Dekker afgesproken had, dat er een goedkoope uitgaaf zou komen; en hij later, van meening veranderd zijnde, om het ministerie te believen, waarmede hij toen op goeden voet was, de goedkoope uitgaaf heeft tegengehouden, daarvoor gebruik makende van een eigendomsbewijs, dat hij vroeger voor een formaliteit van ondergeschikt belang van den schrijver had gekregen;—indien het zóó met de zaak gesteld is, dan moet de heer Van Lennep veroordeeld worden.

Maar: zoo is het niet met de zaak gesteld. Wij nemen aan, dat de heer Van Lennep, omdat hij met het ministerie weêr vrede had gesloten, nu Max Havelaar eenigszins in zijn macht wilde houden. Wij nemen aan, dat hij dáarvoor het bewijs van eigendom in handen wilde hebben, dat hij, om het gemakkelijk te krijgen, aan Dekker een onware doch in Dekker’s belang klinkende reden opgaf, waarom hij het moest hebben,—dan is hierin wel een zekere veinzerij te bespeuren, maar dan is dat daarom geen laaghartige bedriegerij, die een klad op iemand’s nagedachtenis kan werpen.

Wij herhalen: de quaestie is alléen of Van Lennep èn in Dekker’s belang èn in het belang van het nederlandsche volk een goedkoope uitgaaf wenschelijk achtte, en haar terughield om een bijreden, in casu om het ministerie te believen.

Van Lennep schrijft: „In confesso. Dat ik de acte van cessie gevraagd heb, om met een uitgever een kontrakt te kunnen sluiten, dat is volkomen waar, en, voeg ik er bij, volkomen natuurlijk.”

De uitgeefster der Brieven repliceert hierop: „Neen, natuurlijk is dat niet. De heer Van Lennep had hoogstens een volmacht van den auteur noodig om namens dezen een contract te sluiten met een uitgever. De heer Van Lennep wist als rechtsgeleerde natuurlijk zeer goed, dat daartoe geen acte van cessie vereischt werd.”

Zeer wel, dat is ook onze meening. De advokaat Feisser heeft in zijn brief aan Dekker volkomen gelijk, waar hij aantoont hoe listig het briefje, waarmede de heer Van Lennep de acte van cessie vroeg, is opgesteld. Van Lennep wist dat hij met Dekker voorzichtig moest omgaan, hij vond dat hij Dekker met ƒ1200.– voor de eerste uitgave goed betaalde (ook al heette het verstrekken dier gelden niet betaling van het werk), hij wilde de macht over Max Havelaar in handen hebben,—en nu schreef hij een wat draaierig briefje om dat gedaan te krijgen, over welk briefje hij zich later vruchteloos poogde te verdedigen,—dat alles is heel eenvoudig. Daar Van Lennep een goedkoope uitgaaf noch in het belang van uitgever en schrijver, noch in het belang van het land achtte te zijn, hield hij die, door listig bedachte middelen, tegen. De uitgeefster der Brieven had in haar pleidooi eene uiting van den heer Van Lennep moeten kunnen bijbrengen, waarbij deze heer zich ten sterkste vóór een goedkoope uitgaaf verklaarde. Dan had zij haar zaak gewonnen; nú moet zij geacht worden haar, wat de hoofdzaak betreft, te hebben verloren.

Er is buitendien iets tegenstrijdigs in Dekker’s beweringen. Immers zijn éene bewering luidt, dat Van Lennep’s voorgeven eigenaar van ’t kopierecht te zijn, „van later datum en van later uitvinding” is; maar indien dát zoo ware, dan zou de beschuldiging als hadde de heer Van Lennep zijn briefje, waarin hij het cessiebewijs vraagt, met een niet daarin uitgedrukt doel geschreven, niet kunnen blijven bestaan. Het beweren eigenaar te zijn was niet van later datum en het briefje was met eene bijbedoeling geschreven, zóó is de waarheid.

Ook doet de uitgeefster, op grond van Dekker’s eigen mededeelingen natuurlijk, het voorkomen als hadd’ Dekker er zelf geen oogenblik aan gedacht, dat hij met dat bewijs van cessie af te geven het eigendomsrecht aan Van Lennep overdroeg. Zelfs Dekker’s volzin: „Het boek behoort u, mag ik het vertalen?” interpreteert zij als volgt:

„Ik, die Multatuli zoo goed kende in de exuberantie van zijn indrukken en uitingen, kan me denken hoe hij in April ’60, toen nog in de overmaat van zijn dankbaar en hartelijk gevoel voor Van Lennep, die vraag stelde met kinderlijk genot. Zeker, daar was een toespeling in op dat bewijsje van cessie, dat hij gegeven had, zonder erg. Ook deze vraag was spelerij. Een deftig toestemmend antwoord zou hem zeker wakker hebben gemaakt, maar nu... hij vond het prettig alle eigendom weg te werpen. Wat kwam het er ook op aan wien dat boek behoorde? Aan dien flinken vriend, aan dien trouwen helper Van Lennep, of aan hem, of aan beide? Wat deed het er toe? Was het niet gelijk? Ja, was ’t niet heerlijk dat boek, zijn boek, de eindvorm van zijn gedragen leed, zijnen trouwen bondgenoot toe te werpen als behoorde het hem?”

De uitgeefster heeft gelijk in hare beschouwing, maar ongelijk in de gevolgtrekking. Zeker, Dekker vond het pleizierig het eigendomsrecht weg te werpen, daarom deed hij het, en wist zeer goed wat hij deed. Hij deed het, hij stond het eigendomsrecht af omdat hij meende, dat Van Lennep juist zoo over zijn (Dekker’s) belang dacht en over het nederlandsche volk als Dekker daar zelf over dacht. Daarin vergiste hij zich, dit merkte hij toen het te laat was, en toen, in zijn ontsteltenis, zonder zich precies te herinneren hoe het gegaan was, riep hij uit, dat hij het eigendomsrecht nooit had afgestaan.

Nu wij de zaak Multatuli-Van Lennep van naderbij hebben bekeken en tot een besluit daaromtrent gekomen zijn, blijft ons, ter volledige kenschetsing van Dekker’s toestand, toen hij, in volle levensdrukte, plotseling „onder de menschen” was geplaatst, de vermelding van eenige buitensporige bijzonderheden over, die de gedachte doen ontstaan: met dien Dekker moesten nu ook álle zonderlinge dingen te gelijk gebeuren. De eerst te vermelden dier gebeurtenissen, moet tevens dienen om de bewering te staven, dat Dekker nagenoeg voortdurend zonder nagedachte en zelfbeheersching handelde.

In Juni 1860, kreeg Dekker, die te Rotterdam vertoefde, een brief van Van Lennep, waarin deze onder anderen een geval vertelde, dat hem een dier dagen was overkomen. Hij had namelijk op zekeren dag plotseling bezoek gekregen van... Barbier, den beroemden dichter der Jambes, die om staatkundige reden uit Frankrijk verbannen was en nu, hulpbehoevend zijnde, hulp kwam vragen bij een Hollandschen kollega. Daar Van Lennep, zooals hij schreef, juist aan tafel was, kon hij tot zijn genoegen den armen kunstbroeder een kotelet en een glas wijn aanbieden. Bovendien gaf hij hem wat oude kleeren en eenig reisgeld om verder te gaan. Het was Barbier’s bedoeling zich naar Baden te begeven, waar hij hoopte vrienden te zullen aantreffen. Toen Dekker dit vernam, begon zijn bloed te koken. Hij was een vereerder van Barbier, wiens Jambes zijn lievelingsgedichten waren; in gloed en kracht stelde hij Barbier bóven Victor Hugo. En dat het voorwerp zijner vurige bewondering een oude broek zou dragen, kon hij niet velen. Zonder zich te bedenken, zonder in ’t minst onderzoek in te stellen, wist hij dadelijk raad. Hij vraagt aan Tels, hoofdredakteur der Nieuwe Rotterdamsche Courant, waar hij hier ergens een lokaal zou kunnen krijgen. Tels verwijst hem naar het Notarishuis. Dekker brengt daar de zaak in orde en dien avond verschijnt in de courant eene advertentie, waarin Dekker het „fatsoenlijk Rotterdamsch publiek” uitnoodigt den volgenden middag in het Notarishuis bijeen te komen, tegen vrijen toegang. Om twee uur, den aangegeven tijd, kon Dekker waarnemen dat aan zijne oproeping zoo goed mogelijk gehoor was gegeven. Er was een volte, waardoor heen hij zich nauwelijks een weg kon banen. Dekker beklimt het spreekgestoelte, leest Van Lennep’s brief voor zonder den schrijver te noemen, en zegt: Mijne Heeren, ik kom u vragen u te vereenigen om iets voor dien armen grooten dichter te doen. Misschien kent gij hem niet. Dan zal ik zoo vrij zijn u hem te doen kennen. Daarop draagt hij het schoone fragment uit Barbier voor, waarin deze Napoléon vergelijkt bij een ruiter die zijn paard dooddrukt:

O Corse à cheveux plats, que ta France était belle

Au grand soleil de messidor;

C’était une cavale indomptable et rebelle.

De uitgeefster der Brieven geeft dit citaat niet, doch wie kent deze regelen niet van buiten! Goed; na de voordracht neemt Dekker afscheid van het publiek. Tels doet hem opmerken, dat hij het ijzer had moeten smeden terwijl het heet was en van de geestdrift gebruik maken om een kollekte te houden; maar beiden zijn van gevoelen, dat dit verzuim nog verholpen kan worden. In de N. Rott. Crt. zal een bericht worden geplaatst, waarbij het bestuur zich bereid verklaart giften in ontvangst te nemen, die de menschen, welke onder Dekker’s gehoor zijn geweest, bereid mochten zijn voor het door Dekker besproken doel af te zonderen.

Nu keert Dekker terug naar zijn hôtel en een uur later komt er, buiten adem, een employé der N. Rott. Crt. binnengeloopen. Stotterend brengt hij uit: mijnheer, wij kunnen dat... dat bericht niet plaatsen. „Wat drommel wat is er dan met die zaak?” vraagt Dekker. En het bleek dat Barbier Barbier niet was, maar een valsche Barbier, een listige oplichter, die in België en Nederland, door zich uit te geven voor den dichter der Jambes, menigen letterkundige reeds wat geld uit den zak had geklopt. Het was op een grappige manier uitgelekt. Onze Barbier had zich namelijk ook vervoegd bij den dichter Bogaers te Rotterdam, maar deze was ongelukkigerwijze... doof! In plaats van een kotelet, schrijft Dekker, bood hij Barbier een leitje aan, waarop deze zou gelieven te schrijven wat hij mede te deelen had. Toen heeft het schrift en de spelling onzen slimmerik verraden. Het gevolg was, dat de heer Bogaers informaties nam aan het konsulaat, en dat de valsche Barbier in allerijl de goede stad Rotterdam van zijn beminnelijke tegenwoordigheid bevrijdde.

Dekker maakte dus eigenlijk een mal figuur, maar hij merkte er weinig van, daar hij niet meer in aanraking kwam met zijn publiek van het Notarishuis.

De overige buitensporige bijzonderheden vallen meer voor in Multatuli’s omgang met het schoone geslacht. Daarom zullen wij de behandeling er van in ons nieuw hoofdstuk opnemen, over: Multatuli en de vrouwen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings