← Table of contents
Mevr. Warren's Bedrijf

VIERDE BEDRIJF.

J. A. Simons-Mees translation

De kamers van Honoria Fraser in Chancery Lane. Een kantoor op de hoogste verdieping met een raam van spiegelglas; geverfde muren, electrisch licht en een vulkachel. Zaterdagmiddag. Men ziet de schoorsteenen van Lincoln’s Inn en den hemel daarachter in ’t Westen, door het venster. Er staat ’n dubbel schrijfbureau in het midden van de kamer met een kistje sigaren, aschbakjes en een verplaatsbare electrische lamp, de laatste half verborgen onder hoopen papier en boeken. Dit schrijfbureau heeft gaten voor de knieën, rechts en links ervan staan stoelen.—Het ziet er heel slordig uit. Het bureau van den klerk, gesloten en netjes, met ’n hoogen stoel er voor, staat tegen den muur aan, dicht bij ’n deur, die in verbinding staat tot de binnenkamer. In den tegenovergestelden muur is de deur, die voert naar de algemeene gang. Zijn bovenpaneel is van matglas, waarop met zwarte letters aan den buitenkant “Fraser en Warren”. Een groen baaien scherm verbergt den hoek tusschen die deur en het venster.

Frank, in ’n modieus licht sport-reispak met zijn stok, handschoenen en witte hoed in z’n handen, loopt heen en weer in ’t kantoor. Iemand probeert de deur open te maken, met ’n sleutel.

Frank (roept). Binnen! ’t Is niet gesloten. (Vivie komt binnen met hoed op en mantel aan. Zij blijft staan en staart hem aan).

Vivie (streng). Wat voer je hier uit?

Frank. Op je wachten. Ik hen hier al uren geweest. Is dat de manier om op je zaken te passen? (Hij legt zijn hoed en stok op tafel, gaat met ’n sprong boven op de klerks kruk zitten, en kijkt haar aan met al de symptomen van ’n onrustige, plagerige, lichtzinnige stemming).

Vivie. Ik ben precies twintig minuten weg geweest om ’n kop thee te drinken. (Zij neemt haar hoed en mantel af en hangt die achter het scherm). Hoe ben je binnen gekomen?

Frank. Het personeel was er nog toen ik kwam. ’t Is weggegaan om cricket te spelen op Primrose-hill. Waarom heb je geen vrouw in je dienst en geef je op die manier je sekse een kansje?

Vivie. Waarom ben je gekomen?

Frank (springt van zijn kruk af en komt naar haar toe). Viv, laten we uitgaan en ergens van den halven Zaterdagschen vacantiedag genieten, net als ’t personeel.—Wat denk je van Richmond, en daarna een tingeltangel en ’n gezellig soupétje?

Vivie. Ik kan ’t niet bekostigen. Ik zal nog ’n uur of zes werken, vòòr ik naar bed ga.

Frank. Niet bekostigen, hè? Aha! Kijk ’ns hier. (Hij neemt ’n handvol goudstukken uit z’n zak en rammelt er mee). Goud, Viv, goud!

Vivie. Hoe ben je daaraan gekomen?

Frank. Met spelen, Viv;—met spelen: Poker.

Vivie. Bah! Dat is minner dan stelen. Nee; ik kom nièt. (Zij gaat aan de tafel zitten om te werken, met haar rug naar de glazen deur en begint in de papieren te bladeren.)

Frank (beklaaglijk protesteerend). Maar beste Viv, ik moet heusch ’ns heel ernstig met je spreken.

Vivie. Best. Ga dan op Honoria’s stoel zitten en praat. (Hij moppert). Pruttelen helpt niet; ik ben onvermurwbaar. (Hij neemt mistroostig den tegenoverstaanden stoel). Geef me dat sigarenkistje eens aan, wil je?

Frank (het kistje naar haar toeschuivend). Akelige vrouwengewoonte. Nette mannen doen ’t niet meer.

Vivie. Ja, die maken bezwaar tegen de reuk in ’t kantoor,—en daarom moeten wij ons met cigaretten behelpen. Kijk! (Zij doet ’t kistje open, neemt er ’n cigaret uit en steekt die aan. Zij biedt er hem een aan, maar hij schudt z’n hoofd met ’n zuur gezicht. Zij gaat nu gemakkelijk in haar stoel zitten rooken). Ga je gang.

Frank. Wel, ik verlang te weten, wat je gedaan hebt—welke schikkingen je gemaakt hebt.

Vivie. Alles was geregeld in twintig minuten, nadat ik hier was gekomen. Honoria heeft dit jaar gemerkt, dat de zaak te veel voor haar werd en stond juist op ’t punt om me te laten komen en me ’n vennootschap voor te stellen, toen ik naar binnen kwam wandelen en haar vertelde, dat ik geen cent in de wereld bezat. Toen heb ik mezelf geïnstalleerd en haar weggestuurd voor ’n veertiendaagsche vacantie.—Wat is er in Haslemere gebeurd, nadat ik heen was gegaan?

Frank. Absoluut niets. Ik zei dat je naar de stad was gegaan voor particuliere aangelegenheden.

Vivie. En!

Frank. Wel, ze waren òf te verbouwereerd om iets te zeggen òf Crofts had je moeder al voorbereid. In ieder geval, zij zei niets, en Crofts zei niets en Praeddie zette alleen groote oogen op.—Na de thee gingen ze weg en ik heb ze na dien tijd niet meer gezien.

Vivie (knikt kalm, met haar ééne oog op ’n rookkringetje gericht). Uitstekend.

Frank (verachtelijk rondkijkend). Ben je van plan om in deze onmogelijke plaats te blijven?

Vivie (blaast den rookkring op besliste manier weg en gaat overeind zitten). Ja. Deze twee dagen hebben me al m’n kracht en zelfvertrouwen teruggegeven. Ik neem nooit meer ’n dag vacantie, zoolang als ik leef.

Frank (met ’n heel zuur gezicht). Phoe!—Je ziet erg in je schik, en zoo hard als ’n bikkel.

Vivie (streng). Goed, dat ik dat ben!

Frank (staat op). Hoor ’ns Viv, we moeten tot ’n verklaring met elkaar komen. Wij zijn verleden van elkaar gegaan, onder den indruk van ’n totaal misverstand.

Vivie (legt haar sigaret neer). Nou, helder ’t dan op.

Frank. Je herinnert je wat Crofts zei?

Vivie. Ja.

Frank. Die onthulling werd verondersteld ’n absolute verandering teweeg te brengen in den aard van onze gevoelens voor elkaar. Ze plaatste ons op den voet van broer en zuster.

Vivie. Ja.

Frank. Heb jij ooit ’n broer gehad?

Vivie. Nee.

Frank. Dan weet je ook niet hoe ’t voèlt om broer en zuster te zijn. Nou, ik heb ’n massa zusters. Jessie en Georgina en de rest. Het broedergevoel is iets heel bekends voor me;—en ik verzeker je dat m’n gevoel voor jou er niets mee gemeen heeft. De meisjes zullen hùn weg gaan, ik den mijnen en het zal ons niets kunnen schelen, of we elkaar ooit meer terug zien. Dàt is broer- en zuster-zijn. Maar wat joù betreft ben ik niet op m’n gemak als er ’n week voorbij gaat, zonder dat ik je zie. Dat is nièt broer- en zuster-zijn. ’t Is precies wat ik voelde ’n uur vòòrdat Crofts z’n onthulling deed. In ’t kort, beste Viv, ’t is echte, jonge liefde.

Vivie (bijtend). Hetzelfde gevoel Frank, dat jouw vader aan m’n moeders voeten bracht, niet waar?

Frank (verontwaardigd). Ik kom er met kracht tegen op Viv, om mìjn gevoelens te vergelijken met eenige, die de eerwaarde Samuel in staat is om te koesteren, en ik protesteer nog meèr tegen eene vergelijking van jou met je moeder. Daarenboven geloof ik niets van de heele geschiedenis. Ik heb er mijn vader de duimschroeven voor aangezet en van hem verkregen wat ik synoniem beschouw met ’n ontkenning.

Vivie. Wat zei ie?

Frank. Hij zei, dat hij zeker was, dat het ’n vergissing moest zijn.

Vivie. Geloof je hem?

Frank. Ik neem aan, om zìjn woord te gelooven tegenover dat van Crofts.

Vivie. Maakt dat eenig verschil? Ik meen in je verbeelding of voor je geweten;—want natuurlijk maakt het geen verschil in werkelijkheid.

Frank (hoofdschuddend). Voor mij in ’t minst niet.

Vivie. Voor mij ook niet.

Frank (haar aanstarend). Maar dat is al heel merkwaardig! Ik dacht dat in jouw verbeelding en voor je geweten, zooals je het daarnet noemde, onze verhouding totaal was veranderd, van het oogenblik af, dat die woorden uit ’t monster zijn muil waren gekomen.

Vivie. Nee, dàt was ’t niet. Ik geloofde hem niet. Ik wou dat ik ’t kon.

Frank. Wat?

Vivie. Ik vind dat broer en zuster een heele geschikte verhouding voor ons zou zijn.

Frank. Meen je dat heusch?

Vivie. Ja. ’t Is de eenige verhouding, waar ik voor voel, zelfs als we ’n andere konden bekostigen. Dat meen ik.

Frank. (Trekt z’n wenkbrauwen op als iemand wien ’n licht opgaat en zegt dan met ’n ontboezeming van ridderlijk gevoel). M’n beste Viv, waarom heb je dat niet eer gezegd? ’t Spijt me zoo, dat ik je lastig ben gevallen. Ik begrijp ’t nu natuurlijk.

Vivie (niet begrijpend). Wàt begrijp je?

Frank. O, ik ben geen dwaas in den gewonen zin, alleen maar in den bijbelschen zin van ’t woord; dat ik nl. al de dingen doe die de wijze man voor dwaasheid uitmaakt, nadat hijzelf ze eerst allemaal op de meest uitvoerige manier had onderzocht.—Ik merk, dat ik niet langer Vivums jongetje ben.—Wees maar niet bang,—ik zal je nooit meer Vivums noemen,—tenminste.... tenzij je genoeg mocht krijgen van je nieuwe jongetje, wie hij ook zijn mag.

Vivie. M’n nieuwe jongetje?

Frank (met overtuiging). Er moèt een nieuw jongetje zijn. Gaat altijd zoo op die manier. Iets anders is onmogelijk.

Vivie. Geen een, dien jij kent,—gelukkig voor je. (Er wordt aan de deur geklopt).

Frank. Vervloekt, die bezoeker, wie hij ook zijn mag.

Vivie. ’t Is Praed. Hij gaat naar Italië en wou me goeiendag zeggen. Ik heb hem gevraagd om van middag te komen. Doe hem even open.

Frank. We kunnen ons gesprek voortzetten na z’n vertrek. Ik zal wachten tot hij weg is. (Hij gaat naar de deur en opent die). Hoe gaat ’t Praeddie?—Prettig je te zien. Kom binnen. (Praed, gekleed voor de reis, komt binnen in ’n opgewekte stemming, opgewonden door het vooruitzicht van de reis).

Praed. Hoe gaat ’t u, juffrouw Warren? (Zij drukt hem hartelijk de hand, hoewel ’n zekere sentimentaliteit in zijn verhoogde stemming haar pijnlijk aandoet). Ik vertrek over ’n uur van Holborn Viaduct. Ik wou, dat ik u kon overhalen om mee naar Italië te gaan.

Vivie. Waarom?

Praed. Wel, om u te verzadigen aan schoonheid en romantiek natuurlijk. (Vivie, met ’n rilling, draait haar stoel naar de tafel toe, alsof het werk, dat haar daar wacht, ’n troost en steun voor haar is. Frank plaatst ’n stoel juist achter Vivie en valt er lui en nonchalant op neer,—terwijl hij tot haar spreekt over z’n schouder heen).

Frank. Geeft niets, Praeddie. Viv is ’n kleine Philistijn. Ze is onverschillig voor mìjn romantiek en ongevoelig voor m’n schoonheid.

Vivie. Eens vooral, mijnheer Praed, er bestàat voor mij geen schoonheid en geen romantiek in het leven. Het leven is wat het eenmaal is;—en ik heb me voorgenomen het als zoodanig te nemen.

Praed (enthousiast). Dat zoudt u niet zeggen, als u naar Verona en Venetië kwam. U zoudt schreien van verrukking om in zoo’n mooie wereld te leven.

Frank. Heel welsprekend, Praeddie. Ga zoo door.

Praed. O, ik verzeker u, dat ik gehuild heb—en ik hoop het weer te doen—op m’n vijftigste jaar! Op uw leeftijd, juffrouw Warren, zoudt u niet eens zoo ver hoeven te gaan als Verona. Bij het zien van Ostende al, zou uw ziel z’n vleugels uitslaan;—en u zoudt verrukt wezen over de vroolijkheid, de levendigheid, de heerlijk lichte lucht van Brussel. (Vivie schrikt terug). Wat scheelt u?

Frank. Allo Viv!

Vivie (tot Praed met diep verwijt). Kunt u geen beter voorbeeld van schoonheid en romantiek voor me vinden dan Brussel?

Praed (niet begrijpend). Natuurlijk,—’t is heel verschillend van Verona. Ik beweer geen oogenblik, dat....

Vivie (bitter). Waarschijnlijk zullen de schoonheid en de romantiek zoowat op hetzelfde neerkomen in die twee plaatsen.

Praed (nu totaal ontnuchterd en heel bezorgd). M’n beste juffrouw Warren, ik.... (ziet Frank vragend aan). Is er iets gebeurd?

Frank. Zij vindt je enthousiasme lichtzinnig, Praeddie. Er is haar iets heel ernstigs overkomen.

Vivie (scherp). Hoû je mond, Frank. Wees niet mal.

Frank (kalm). Noem je dàt nu goede manieren, Praed?

Praed (bezorgd en vriendelijk). Zal ik hem meenemen, juffrouw Warren? Ik ben er zeker van, dat we u gehinderd hebben in uw werk. (Hij wil opstaan).

Vivie. Blijft u zitten; ik zal vooreerst niet aan het werk gaan. U denkt allebei, dat ik ’n aanval heb van zenuwachtigheid. Geen kwestie van. Maar er zijn twee onderwerpen, die ik, met uw goedvinden, niet aangeroerd wil hebben. Het eene is: (tot Frank) jonge liefde, in welken vorm ook, en het andere: (tot Praed) de romantiek en de schoonheid van het leven,—vooral wanneer de vroolijkheid van Brussel er bij tot voorbeeld wordt genomen.—Ik gun u graag alle illusies, die u ten opzichte van deze onderwerpen mag hebben,—ik heb er geen. Als wij drieën vrienden willen blijven, moet ik behandeld worden als ’n vrouw van zaken,—onherroepelijk eenzaam (dit tot Frank) en onherroepelijk onromantisch (dit tot Praed).

Frank. Ik zal ook “onherroepelijk eenzaam” blijven, totdat je van opinie verandert. Praeddie, kies ’n ander onderwerp;—wees welsprekend over iets anders.

Praed (beschroomd). Ik vrees dat er niets anders ter wereld, is, waar ik over kàn spreken. Het evangelie van de kunst is het eenige, dat ik preeken kan. Ik weet, dat juffrouw Warren een vurige aanhangster is van de leer: “om vooruit te komen”;—maar daàrover kunnen we niet spreken zonder jouw gevoelens te kwetsen, Frank, aangezien jij besloten bent om nièt vooruit te komen.

Frank. O, bekommer je niet om mìjn gevoelens. Geef me voor mijn part wat heilzamen raad. Dat zal me goed doen. Probeer nog maar eens om een voorspoedig man van me te maken, Viv. Kom, laat ’t me allemaal nog ’ns hooren; energie, zuinigheid, overleg, zelfrespect, karakter. Je haat immers menschen, die geen karakter hebben, is ’t niet Viv?

Vivie (pijnlijk). O, hoû op, hoû op; niet meer van die afschuwelijke frases. Mijnheer Praed, als er werkelijk alleen maar deze twee evangelie’s in de wereld zijn, dan doen we beter met ons allemaal van kant te maken, want hetzelfde bederf is in allebei.

Frank (haar kritisch aanziend). Er is vandaag ’n waas van poëzie over je, Viv, dat je vroeger steeds ontbroken heeft.

Praed (vermanend). M’n beste Frank, ben je niet ’n beetje onsympathiek?

Vivie (zonder genade voor zichzelf). Nee, ’t is goed voor me. ’t Weerhoudt me van sentimenteel te worden.

Frank (haar plagend). Houdt je krachtige, natuurlijke neiging in dat opzicht wat in toom, niet?

Vivie (bijna hysterisch). Ja, ja, ga door; spaar me niet. Eèns in m’n leven ben ik, voor één oogenblik, sentimenteel geweest,—verrukkelijk sentimenteel bij maanlicht. En nu....

Frank (haastig). Zeg ’ns Viv, pas op. Verpraat je eigen niet.

Vivie. O, denk je, dat mijnheer Praed niet alles van m’n moeder af weet? (tot Praed). U hadt beter gedaan me dien ochtend alles te vertellen, mijnheer Praed. U bent tenslotte erg ouderwetsch geweest met al uw fijngevoeligheid.

Praed. Me dunkt, dat ù wat ouderwetsch bent in uw vooroordeelen, juffrouw Warren. Ik voel me verplicht u te zeggen, sprekend als artiest, en overtuigd dat de innigste familiebanden ver buiten en boven het bereik van de wet staan, dat ik, hoewel ik weet, dat uw moeder ongetrouwd is, haar daarom niets minder respecteer. Ik respecteer er haar integendeel te meer om.

Frank (luchtig). Luister, luister.

Vivie (hem aanstarend). Is dat alles wat u weet?

Praed. Zeker, dat is alles.

Vivie. Dan weet u geen van beiden iets. Uw gissingen zijn de onschuld zelf vergeleken bij de werkelijkheid.

Praed (verschrikt en verontwaardigd, bewaart met moeite zijn beleefdheid). Ik hoop ’t niet (met meer nadruk). Ik hoop ’t niet, juffrouw Warren. (Franks gezicht toont nu, dat hij Praeds ongeloof niet deelt, Vivie geeft ’n uitroep van ongeduld. Praeds ridderlijkheid zakt neer tegenover hun overtuiging). Als er iets erger is... ik meen iets anders, bent u dan wel zeker, of u er goed aan doet het ons te vertellen, juffrouw Warren?

Vivie. Ik ben zeker, dat àls ik den moed er toe had, ik de rest van m’n leven zou doorbrengen met het iedereen te vertellen, met het er bij hen in te stampen en te branden, totdat ze hun deel van de schaamte en afschuw erover zouden voelen, zoo goed als ik. Er is niets wat ik meer veracht dan de verkeerde conventie, die die dingen beschermt door ’n vrouw te verbieden om er over te spreken. En tòch kan ik ’t u niet zeggen. De twee afschuwelijke woorden, die uitdrukken wàt m’n moeder is, klinken in m’n ooren en branden me op m’n tong, en ik kàn ze niet uitspreken: m’n instinct is me te sterk. (Zij begraaft haar gezicht in haar handen. De twee staren verbaasd, eerst elkaar aan, dan haar. Zij licht haar hoofd weer op en neemt ’n vel papier en ’n pen). Kijk dan: ik zal ’n prospectus voor u opstellen.

Frank. O, ze is gek. Hoor je dat, Viv, gek. Kom, kom, niet bij de pakken neerzitten.

Vivie. Dat zul je zien. (Zij schrijft). “Gestort kapitaal: niet minder dan 40.000 pond op naam van Jhr. George Crofts, de voornaamste aandeelhouder. Wat komt er dan? Ik heb ’t vergeten.—O ja: perceelen in Brussel, Berlijn, Weenen en Budapesth. De directeur: mevrouw Warren.”—En laat ik nu vooral haar titel niet vergeten,—de twee woorden. Daar! (Zij schuift ’t papier naar hen toe). O, nee, nee, lees ’t niet. (Zij trekt ’t terug en scheurt het in stukjes. Frank, die over haar schouder heen nauwkeurig heeft gezien wat zij schreef en er met groote oogen naar gestaard heeft, neemt ’n kaartje uit z’n zak, krabbelt er ’n paar woorden op en geeft het zwijgend aan Praed, die ’t met verbazing leest. Frank buigt zich dan berouwvol over Vivie heen).

Frank (fluistert teeder). Beste Viv;—’t is in orde. Ik heb gelezen watje schreef; en Praeddie ook. We begrijpen het allebei. En we blijven je, met dit al, èven toegewijd als vroeger. (Vivie licht langzaam haar hoofd op).

Praed. Ja, dat doen we zeker, juffrouw Warren. Ik moet zeggen, u bent de bewonderenswaardigste, moedigste vrouw, die ik ooit ontmoet heb. (Dit sentimenteele compliment geeft Vivie kracht. Zij schudt het ongeduldig van zich af, en dwingt zichzelf om op te staan, hoewel niet zonder eenigen steun van de tafel).

Frank. Beweeg je niet, Viv, als het je moeilijk valt. Hoû je gemak.

Vivie. Dankje. Je kunt altijd op me rekenen met twee dingen: dat ik niet huilen zal en niet flauw vallen. (Zij gaat een paar stappen naar de deur van de binnenkamer en houdt stil dicht bij Praed, om hem te zeggen:) Ik zal meer moed noodig hebben dan nu, als ik m’n moeder vertel dat onze wegen zich voortaan zullen scheiden. En nu, als u ’t goed vindt, ga ik ’n oogenblik naar binnen om me wat op te knappen.

Praed. Willen wij heengaan?

Vivie. Nee, ik ben dadelijk terug. ’n Oogenblik maar. (Zij gaat de andere kamer in, waarvan Praed de deur voor haar opent).

Praed. Wat een merkwaardige onthulling! ’t Valt me verbazend van Crofts tegen; dat doet ’t werkelijk.

Frank. Mij in ’t minst niet. Ik heb het gevoel, dat nu eindelijk bij hem de aap uit de mouw is gekomen. Maar wat ’n tegenvaller voor mij, Praeddie! Ik kan haar niet trouwen.

Praed (streng). Frank! (Beiden zien elkaar aan, Frank bedaard, Praed diep verontwaardigd). Ik moet je zeggen, Gardner, dat, als je haar nu laat zitten, je je allermìnst gedraagt.

Frank. Goeie, oude Praeddie! Altijd ridderlijk! Maar je vergist je: ’t is niet de moreele kwestie van het geval,—’t is de geldkwestie. Ik zou er waarachtig nu niet toe kunnen komen om het geld van de ouwe vrouw aan te raken.

Praed. En zou je daàrop getrouwd zijn?

Frank. Waarop anders? Ik heb geen geld, noch de minste kans om het te verdienen. Als ik nu met Vivie trouwde, zou zij me moeten onderhouden, en ik zou haar meer kosten dan ik waard ben.

Praed. Maar me dunkt, dat ’n knappe, verstandige jongen als jij, toch zeker wel iets met z’n eigen hersenen kan verdienen.

Frank. O jawel,—’n kleinigheid (hij haalt z’n geld weer te voorschijn). Dat heb ik gisteren allemaal verdiend,—in anderhalf uur tijds,—in ’n hoogst speculatieve onderneming. Nee, beste Praeddie, zelfs wanneer Jessie en Georgine met millionnairs trouwden en de oude heer stierf na ze met ’n shilling te hebben afgescheept, dàn nog zou ik maar vier honderd pond ’s jaars krijgen.—En hij zàl niet sterven, vóor hij de zeven kruisjes gehaald heeft; daar is ie niet origineel genoeg voor. Ik zal op zwart zaad zitten voor de eerste twintig jaar.—Geen zwart zaad voor Viv, als ik ’t kan helpen. Ik trek me met gratie terug en laat de plaats vrij voor de jeunesse dorée van Engeland.—Dat is dus afgesproken.—Ik zal er haar niet over lastig vallen,—ik zal haar alleen een paar regels zenden, nadat we weg zijn gegaan. Dat zal ze wel begrijpen.

Praed (z’n hand grijpend). Je bent ’n beste jongen, Frank; ik vraag je van harte vergeving. Maar zul je haar nooit weerzien?

Frank. Haar nooit weerzien! Wat weerga, gebruik toch je verstand. Ik zal zoo dikwijls mogelijk bij haar aankomen en een soort van broer voor haar wezen. Ik begrijp niet die dwaze gevolgtrekkingen, die jullie romantische lui maken van de meest gewone dingen. (Er wordt geklopt). Wie zou dat zijn? Zou jij de deur willen opendoen? Als het ’n cliënt is zal het ’n beteren indruk maken, dan wanneer ik verschijn.

Praed. Wel zeker. (Hij gaat naar de deur en opent die. Frank gaat op Vivie’s stoel zitten om ’n paar regels te krabbelen). M’n beste Kitty, kom binnen, kom binnen.

(Mevrouw Warren komt binnen, angstig rondkijkend naar Vivie. Zij heeft haar best gedaan om er moederlijk en deftig uit te zien. De opzichtige hoed is vervangen door ’n bescheiden kapotje, en de bonte blouse is bedekt door ’n kostbare zwart zijden mantel. Zij is droeviglijk-angstig en weinig op haar gemak,—blijkbaar hevig ontdaan).

Mevr. Warren (tot Frank). Wat! Jij hier!

Frank (ronddraaiend op z’n stoel, zonder op te staan). Ja, en bizonder verheugd om u te zien. U komt binnen als ’n lentebries.

Mevr. Warren (tot Frank). Och, scheì uit met je onzin (zachtjes). Waar is Vivie?

Frank (wijst nadrukkelijk op de deur van de binnenkamer, maar zegt niets).

Mevr. Warren (gaat plotseling zitten en begint half te schreien). Praeddie, denk je, dat ze mij niet zal willen zien?

Praed. M’n beste Kitty, maak jezelf niet van streek. Waarom zou ze dat niet?

Mevr. Warren. Och, jij begrijpt niet waarom; jij bent te goedig. Mijnheer Frank, heeft ze ù iets gezegd?

Frank (zijn briefje dichtvouwend). Zij moèt u zien, als (met groote nadruk) u wacht tot ze binnenkomt.

Mevr. Warren (verschrikt). Waarom zou ik niet wachten? (Frank kijkt haar op komieke wijze aan; legt z’n briefje zorgvuldig op den inktpot, zoodat Vivie het moèt vinden als ze haar pen indoopt; staat dan op en wijdt z’n attentie geheel aan Mevr. Warren). M’n beste Mevr. Warren, veronderstel eens, dat u ’n musch was, zoo’n heel klein, aardig muschje, dat over den weg trippelt, en u zag in uw richting ’n groote stoompletrol aankomen, zoudt u er dan op wachten?

Mevr. Warren. Och, zeur niet met je musschen.—Waarom is ze op die manier van Haslemere weggeloopen?

Frank. Ik ben bang, dat ze het u vertellen zal, wanneer u wacht tot ze terugkomt.

Mevr. Warren. Wil je dan dat ik heenga?

Frank. Nee. Ik verlang altijd dat u blijft. Maar ik raad u aan om heen te gaan.

Mevr. Warren. Wat! En haar nooit terugzien?

Frank. Juist.

Mevr. Warren (weer schreiend). Praeddie,—laat hij toch niet zoo wreed tegen me zijn! (Zij bedwingt haastig haar tranen en veegt haar oogen af). Ze zal zoo boos zijn, als ze ziet, dat ik gehuild heb.

Frank (met werkelijk medelijden in z’n luchtige teederheid). U weet, Mevr. Warren, dat Praeddie ’n toonbeeld van goedheid is. Praeddie, wat zeg jij: weggaan of blijven?

Praed (tot Mevr. Warren). Het zou me werkelijk erg spijten om u onnoodig pijn te moeten doen;—maar ik geloof tòch misschien, dat u beter zou doen met niet te wachten. De zaak is.... (Men hoort Vivie aan de binnendeur).

Frank. Sst—te laat.—Ze komt.

Mevr. Warren. Zeg haar niet, dat ik gehuild heb. (Vivie komt binnen. Zij blijft ernstig staan, als ze Mevr. Warren ziet, die haar begroet met hysterische opgewektheid). Wel lieverd, daar ben je dus eindelijk.

Vivie. Ik ben blij, dat u gekomen bent; ik wou u graag spreken. Je zei, geloof ik, dat je heenging, hè Frank?

Frank. Ja. Gaat u mee, mevrouw Warren? Wat zegt u van ’n uitstapje naar Richmond en van avond ’n theater? In Richmond bent u veilig; daàr is geen stoompletrol.

Vivie. Gekheid, Frank. M’n moeder blijft hier.

Mevr. Warren (verschrikt). Ik weet niet;—misschien doe ik beter met heen te gaan. We hinderen je in je werk.

Vivie (met kalme beslistheid). Mijnheer Praed, neemt u Frank, als ’t u blieft, mee. Ga zitten moeder. (Mevrouw Warren gehoorzaamt hulpeloos).

Praed. Kom Frank. Adieu, juffrouw Vivie.

Vivie (hem de hand gevend). Adieu. Plezierige reis.

Praed. Dank u, dank u,—dat hoop ik.

Frank (tot mevrouw Warren). Adieu. U hadt beter gedaan met m’n raad te volgen. (Hij geeft haar de hand, dan luchtig tot Vivie). Boujour, Viv.

Vivie. Adieu. (Hij gaat vroolijk heen zonder haar de hand te geven. Praed volgt. Vivie, bedaard en hoogst ernstig, gaat op Honoria’s stoel zitten en wacht tot haar moeder begint te spreken. Mevrouw Warren, beangst voor een pauze, verliest geen tijd voor ze begint).

Mevr. Warren. Wel Vivie, waarom ben je op die manier van me weggeloopen, zonder ’n woord te zeggen? Hoe kòn je zoo iets doen? En wat heb je met dien armen George uitgevoerd? Ik had gewild, dat hij mee was gegaan, maar hij zocht er zich van af te maken. Ik kon merken, dat hij echt bang was. En verbeeld je—hij wou niet, dat ìk zou gaan. (bevend). Alsof ik bang zou zijn van jòu, lieverd. (Vivie wordt nog ernstiger). Maar natuurlijk zei ik hem, dat alles uitstekend tusschen ons in orde was en dat we beste maatjes waren (verliest opeens haar zelfbeheersching). Vivie, wat beteekent dit? (Zij neemt ’n papier uit ’n enveloppe, gaat naar de tafel en reikt het daarover heen aan Vivie). Dat kreeg ik van ochtend van de bank.

Vivie. ’t Is mijn maandelijksche toelage. Ze zonden me die gisteren zooals gewoonlijk. Ik heb ze toen eenvoudig teruggezonden, om in uw credit te laten boeken, en gevraagd of ze u de quitantie er van wilden sturen. Ik zal in de toekomst mezelf onderhouden.

Mevr. Warren (haast niet durvende begrijpen). Was het niet genoeg? Waarom heb je me dat niet gezegd? (met ’n sluwen glans in haar oog). Ik zal ’t verdubbelen; ’t was m’n plan al om dat te doen. Zeg me alleen maar, hoeveel je noodig hebt.

Vivie. U weet heel goed, dat dat er niets mee te maken heeft. Van nu af aan ga ik m’n eigen weg, in m’n eigen zaak en met m’n eigen vrienden. En u kunt den uwen gaan (zij staat op). Adieu.

Mevr. Warren (ontdaan). Adieu?!

Vivie. Ja, adieu. Kom, laten we geen noodelooze scène maken, u begrijpt me volmaakt goed. Jhr. George Crofts heeft me alles verteld.

Mevr. Warren (boos). Zotte, ouwe... (zij slikt ’t woord in, en wordt wit van schrik, dat zij het bijna heeft uitgesproken). Z’n tong moest hem afgesneden worden!—Maar ik had je alles toch uitgelegd en je zei, dat je er niets om gaf.

Vivie (vast). Pardon, ik geef er wèl om. U hebt me uitgelegd hoe de zaak tot stand kwam. Maar dat verandert er niets aan. (Mevrouw Warren, voor ’n oogenblik tot zwijgen gebracht, kijkt uit-’t-veld-geslagen naar Vivie, die zit als ’n standbeeld, in stilte hopend dat de strijd voorbij is. Maar de slimme uitdrukking komt terug op Mevr. Warren’s gelaat; en zij buigt over de tafel heen, sluw en dringend, terwijl ze fluistert:)

Mevr. Warren. Weet je hoe rijk ik ben, Vivie?

Vivie. Ik twijfel er niet aan, dat u hèèl rijk bent.

Mevr. Warren. Maar je weet niet wat dat allemaal beteekent; daar ben je te jong voor. ’t Beteekent: iederen dag ’n nieuwe japon,—’t beteekent, avond aan avond naar theaters en bals;—’t beteekent dat je de eerste heeren van heel Europa aan je voeten kunt hebben,—’t beteekent ’n prachtig huis en ’n sleep van bedienden; ’t beteekent het fijnste eten en drinken,—’t beteekent alles wat je maar verlangt, alles wat je noodig hebt, alles wat je maar bedenken kunt.—En wat ben je hier?—Een echte sloof, die van vroeg tot laat moet sjouwen en zwoegen alleen voor d’r kost en d’r twee japonnetjes in ’t jaar. Denk daar is over. (sussend). Ik weet ’t wel, je bent gechoqueerd. Ik kan d’er best in komen in je gevoelens,—ze doen je alle eer aan. Maar geloof me, niemand zal jòu er om hard vallen,—daar geef ik je m’n woord op. Ik weet wat jonge meisjes zijn; en ik weet dat je er anders over zal gaan denken, als je nog eens nagedacht heb.

Vivie. Dus op dèze manier wordt het gedaan, hê? U moet dit alles al aan heel wat vrouwen gezegd hebben, moeder, dat ’t u zoo vlot afgaat.

Mevr. Warren (hartstochtelijk). Wat voor kwaad vraag ik je om te doen? (Vivie wendt zich minachtend af. Mevrouw Warren volgt haar wanhopig). Vivie, luister naar me, je begrijpt ’t allemaal niet. Ze hebben je met opzet verkeerd ingelicht; je weet niet wat de wereld eigenlijk is.

Vivie (staan blijvend). Met opzet verkeerd ingelicht! Wat bedoelt u?

Mevr. Warren. Ik bedoel, dat je al je kansen wilt weggooien voor niks. Je gelooft, dat de menschen zijn, zooals ze zich voordoen,—dat wat ze je op school als goed en behoorlijk hebben leeren beschouwen, dat ook werkelijk zoo ìs. Maar dat is zoo nièt;—’t is alleen maar ’n verzinsel om de laffe, slaafsche gewone soort van menschen d’r ònder te houden. Moet je daar pas achter komen, net als andere vrouwen, op je veertigste jaar, als je je eigen hebt weggegooid, en je kansen verkeken hebt, inplaats dat je het intijds aanneemt van je eigen moeder, die van je houdt en je zweert dat het waarheid is. De waarachtige waarheid? (dringend). Vivie, de groote lui, en de knappe lui, en de lui die zaken doen, ze weten ’t allemaal. Die doen net wat ìk doe, en die denken wat ìk denk. Ik ken er verscheidene van. Ik ken ze om met ze te praten, en om ze an je voor te stellen, en om ze met je bevrind te maken. Ik meen niks kwaads; dat wil je maar niet begrijpen. Je hebt je hoofd vol met onnoozele ideeën over me. Wat weten de menschen, die jou onderricht hebben, van ’t leven af en van menschen als ik? Wanneer hebben ze me ooit ontmoet, of met me gepraat, of van anderen over me gehoord? de gekken! Zouden ze ooit iets voor je gedaan hebben, als ìk ze niet betàald had? Heb ik je niet verteld, dat ik wil, dat je fatsoenlijk zal zijn? Heb ik je niet gròotgebracht om fatsoenlijk te wezen? En hoe kan je dat blijven zonder m’n geld en m’n invloed en Lizzie’s vrinden? Begrijpt je dan niet, dat je je eigen nek breekt en mijn hart er bij,—als je me de rug toedraait?

Vivie. Dat is Crofts levenswijsheid, moeder. Ik heb ’t allemaal van hèm al gehoord, dien dag bij de Gardner’s.

Mevr. Warren. Je denkt, geloof ik, dat ik je dien verloopen ouden gek wil opdringen. Maar dat wil ik niet, Vivie, op m’n woord niet.

Vivie. ’t Zou niet geven, of u ’t deed. ’t Zou u toch niet lukken. (Mevr. Warrens gezicht vertrekt pijnlijk, ze is diep gekwetst door de kennelijke onverschilligheid tegenover haar goede bedoeling. Vivie, die dit òf niet begrijpt, òf wie ’t niet schelen kan, gaat kalm verder). U begrijpt in ’t minst niet, moeder, wat voor soort van mensch ik ben. Ik heb niets meér tegen Crofts, dan tegen iederen anderen ordinairen man van zìjn slag. Eerlijk gezegd bewonder ik hem zelfs wat, omdat hij kracht genoeg heeft om z’n leven te genieten op z’n eigen manier en flink geld te verdienen, inplaats van het gewone leventje te leiden van: jagen, schieten, uit-dineeren-gaan, toilet maken en slenteren, alleen maar omdat de rest van z’n kliek dat eenmaal doet. En ik ben me volmaakt bewust, dat wanneer ik in dezelfde omstandigheden was geweest als m’n tante Lize, ik precies eender als zij gehandeld zou hebben. Ik geloof niet, dat ik meer bevooroordeeld of bekrompen ben dan u;—ik geloof, dat ik ’t minder ben. Ik ben zèker minder sentimenteel. Ik weet heel goed, dat de wereldsche moraliteit maar ’n voor-de-gek-houderij is, en dat, als ik uw geld aannam en m’n verdere leven doorbracht met het op rijkelui’s manier te verteren, ik even nutteloos en slecht zou kunnen zijn, als de zotste vrouw maar zou kunnen verlangen, zonder ’n woord er over te hooren. Maar ik wil niet nutteloos wezen. Ik zou geen plezier hebben, als ik ’t park ronddraafde om reclame te maken voor m’n naaister en m’n rijtuigfabrikant, of als ik me verveelde in de opera om ’n hoop diamanten uit te stallen.

Mevr. Warren (verbluft). Maar....

Vivie. Wacht even, ik ben nog niet klaar. Zeg me eens waarom u uw zaak nog voortzet, terwijl u er toch onafhankelijk door bent? Uw zuster, hebt u me zelf verteld, heeft met dat alles afgedaan. Waarom doet u dat ook niet?

Mevr. Warren. O, dat is alles goed en wel voor Liz; die houdt van fijn gezelschap en ziet er uit als ’n dame. Maar stel je mij voor in ’n vrome stad? M’n hemel, de kraaien in de boomen zouden me zelfs in de gaten krijgen, laat staan nog, dat ik de verveling niet zou kunnen verdragen. Nee, ìk moet werk en opwinding hebben, anders zou ik gek worden van sikkeneurigheid. En wat moet ik anders uitvoeren? Het leven bevalt me, ik ben er voor geschikt, en niet voor iets anders. Als ik ’t niet deed, zou ’n ander het doen,—dus echt kwaad doe ik er niet mee. En dan brengt ’t geld in;—en ik hoû er van om geld te verdienen. Nee, dat geeft allemaal niks;—opgeven kan ik ’t niet;—voor niemand.—Maar wat hoef jìj er van af te weten? Ik zal er je nooit iets over zeggen. Ik zal Crofts uit den weg houden. Ik zal je ook niet dikwijls lastig vallen. Je moet denken, dat ik voortdurend rondtrek van de eene plaats naar de andere. Als ik dood ga, zul je voor goed met me afgedaan hebben.

Vivie. Nee, ik ben m’n moeders dochter. Ik ben net als u: ik moet werk hebben en meer geld verdienen, dan ik uitgeef. Maar ùw werk is mìjn werk niet, en mijn weg niet de uwe. We moeten van elkaar scheiden. Heel veel verschil zal ’t niet voor ons maken: in plaats dat we elkaar misschien ’n paar maanden zien in twintig jaar tijds, zien we elkaar nu heelemaal niet meer, dat is alles.

Mevr. Warren (met ’n door tranen verstikte stem). ’t Was m’n bedoeling geweest om meer met je samen te zijn, Vivie; dat was ’t waarachtig.

Vivie. Dat gaat niet, moeder. Ik laat me niet van m’n stuk brengen terwille van wat goedkoope tranen en smeekbeden, zoomin als u, daar ben ik zeker van.

Mevr. Warren (heftig). Noem je de tranen van een moeder goedkoop?

Vivie. Ze kosten ù niets; en u vraagt mij om in ruil daarvoor de vrede en de rust van m’n heele leven te geven? Wat zou m’n gezelschap u waard zijn, als u ’t had? Wat hebben wij twee gemeen, dat één van ons gelukkig zou maken, wanneer we bij elkaar waren?

Mevr. Warren (vervalt in haar dialect). We zijn moeder en dochter. Ik wil me dochter hebbe. Ik heb recht op je. Wie mot er voor me zorge as ik oud wor’? ’n massa meisjes hebbe zich an me gehecht as dochters en hebbe gehuild as ze van me af moste. Maar ik heb ze allemaal late gaan, omdat ik an joù dacht. Ik ben alléen gebleven om jou. Je heb ’t recht niet om me nou de rug toe te draaie en te weigere je plicht as dochter te doen.

Vivie (geprikkeld en vijandig, door de echo van de achterbuurten, die ze in haar moeders stem hoort). M’n plicht als dochter! Ik dacht wel, dat ’t dààrtoe zou komen! Eens vooral nu, moeder: u verlangt naar ’n dochter en Frank naar ’n vrouw. Maar ik bedànk voor ’n moeder en ik bedank voor ’n man. Ik heb noch hem, noch mezelf gespaard, toen ik hem wegzond. Denkt u nu, dat ik ù zal sparen?

Mevr. Warren (hevig). O, ik weet wat je d’r voor één bent; zonder genade voor jezelf of voor een ander. Ik weet ’t. M’n ondervinding heeft me dàt tenminste geleerd: dat ik de vrome, huichelachtige, harde, zelfzuchtige vrouw kèn als ik d’r tegenkom. Wel, veel plezier met jezelf; ìk heb je niet noodig. Maar luister hier nou is na: Weet je wat ik met je doen zou, als je weer ’n kind was, zoo waarachtig als er ’n hemel boven ons is?

Vivie. Me wurgen misschien.

Mevr. Warren. Nee; ik zou je grootbrengen als ’n èchte dochter van me en niet als wat je nou ben, met je trots en je vooroordeelen en je fijne opvoeding, die je van me gestolen heb, ja gestolen, ontken ’t maar als je kan. Wat was ’t anders dan stelen? Ik zou je groot brengen in m’n eigen huis, dàt zou ik.

Vivie (rustig). In één van uw eigen huizen.

Mevr. Warren (schreeuwend). Hoor d’r ís an! Hoor es hoe ze spuwt op d’r moeders grijze haren! O, ik hoop, dat je beleven mag, dat je eigen dochter je zal verscheuren, en vertrappen, zooals je mij vertrapt hebt! En dat zal je, dat zal je! Geen vrouw had ooit geluk, die door haar moeder vervloekt werd.

Vivie. Ik wou, dat u niet zoo te keer ging, moeder. Dat verhardt me alleen maar. Kom, ik vermoed, dat ik de eenige jonge vrouw ben, die u ooit in uw macht had en waar u goed voor geweest bent. Bederf ’t nu niet allemaal.

Mevr. Warren. Ja, de hemel vergeve me, dat is zoo. En jij bent de eenige, die zich van me af heeft gekeerd. O, de onrechtvaardigheid ervan, de onrechtvaardigheid! Ik heb altijd ’n goeie vrouw willen zijn. Ik heb het met fatsoenlijk werk geprobeerd en ik werd zoo afgejakkerd, dat ik de dag vervloekte, waarop ik van fatsoenlijk werk gehoord had. Ik ben ’n goeie moeder geweest, en omdat ik van m’n dochter ’n fatsoenlijke vrouw heb gemaakt, stuurt ze me nou van d’r weg, alsof ik de pest heb. O! als ik me leven nog maar es kon overleven! Dan zou ik die leugen-dominé van de Zondagsschool me meening ’ns zeggen! Van nou af an—de hemel mag me bestaan in m’n laatste uurtje—zal ik alleen maar doen wat slecht is; dàt zal ik. En daar zal ik bij gedijen.

Vivie. Ja, ’t is beter, dat u uw eigen richting kiest en dààr langs verder gaat. Als ik ù was geweest moeder, zou ik misschien gedaan hebben, wat ù hebt gedaan, maar ik zou niet het ééne leven leiden en gelooven in het andere. U bent in uw hàrt ’n conventioneele vrouw en daarom neem ik nu afscheid van u. Ik heb gelijk, niet waar?

Mevr. Warren (van haar stuk gebracht). Gelijk, dat je al m’n geld weggooit!

Vivie. Nee, gelijk dat ik van u af wil. Ik zou dwaas zijn, als ’k niet deed,—is ’t niet zoo?

Mevr. Warren (norsch). Nou ja,—wat dat aangaat, misschien wel. Maar de Heer mag de wereld bijstaan, als iedereen alleen ging doen wat goed en verstandig was.—En nou ga ik liever heen, dan dat ik blijf waar ik niet gewenscht ben (zij wendt zich naar de deur).

Vivie (vriendelijk). Wilt u me geen hand geven?

Mevr. Warren (na haar ’n oogenblik fel te hebben aangezien, met ’n heftig verlangen, om haar ’n slag te geven). Nee, dank je. Goeien dag.

Vivie (op gewoon-zakelijken toon). Goeien dag. (Mevr. Warren gaat heen en slaat de deur achter zich toe. De spanning op Vivie’s gelaat verslapt; de ernstige uitdrukking er van gaat over in een van blije tevredenheid; zij blaast haar adem uit ’n halven snik, halven lach van innige verluchting. Opgewekt gaat ze naar haar plaats aan de schrijftafel, schuift de electrische lamp wat op zij, verlegt ’n groote hoop papier en wil juist haar pen in den inkt doopen, als ze Franks briefje vindt. Ze opent het onverschillig, en leest het vlug, even lachend om ’n eigenaardige expressie er in). En adieu Frank. (Zij verscheurt het briefje en gooit de stukjes in de papiermand, zonder zich te bedenken. Dan plonst ze zich in haar werk en is gauw geheel verdiept in haar cijfers).

EINDE.

In de NED. BIBLIOTHEEK en WERELD-BIBLIOTHEEK zijn de volgende Tooneelstukken verschenen.

W. B. 70. ARISTOPHANES, De Ridders. Metrische vertaling Dr. H. C. Muller.

W. B. 36/37. BJ. BJÖRNSON, Boven Menschelijke Kracht. Tooneelspel in twee deelen door Marg. Meyboom.

N. B. XXXV. INA BOUDIER-BAKKER, ’t Hoogste Recht. Tooneelspel in 4 bedrijven.

W. B. 43. GERHART HAUPTMANN, De Verdronken Klok. Sprookjes-drama vertaald door Mr. Isidore Hen.

W. B. 19. FRIEDRICH HEBBEL, Maria Magdalena. Vertaling van Louis Landry.

W. B. 4. HENRIK IBSEN, Steunpilaren der Maatschappij. Vertaling F. Kapteyn.

W. B. 40. HENRIK IBSEN, Een Poppenhuis (Nora). Tooneelspel in drie bedrijven vert. door Marg. Meyboom.

W. B. 73. HENRIK IBSEN, Een Vijand van ’t Volk. Vertaling van Marg. Meyboom.

W. B. 16. MOLIÈRE, De Schelmenstreken van Scapin. Klucht in drie bedrijven. Vert. S. J. Bouberg Wilson.

W. B. 67. MOLIÈRE, Geleerde Dames.—Vertaling van W. J. Wendel.

N. B. XVIII. MULTATULI’s Vorstenschool. Met een inleiding van Mevr. Douwes Dekker-Schepel. 4e druk.

W. B. 21. WILLIAM SHAKESPEARE, Coriolanus. Treurspel in vijf bedrijven. Vertaling Dr. Edw. B. Koster.

W. B. 77. WILLIAM SHAKESPEARE, Macbeth. Vertaling van Dr. Edw. B. Koster.

W. B. 90. WILLIAM SHAKESPEARE, Othello. Vertaling van Dr. Edw. B. Koster.

W. B. 81. BERNARD SHAW, Je kunt ’t nooit weten. Komedie in 4 bedrijven. Vertaling van Ph. G. Gunning.

N. B. I. J. A. SIMONS-MEES, De Veroveraar.

N. B. XXIII. J. A. SIMONS-MEES, Atie’s Huwelijk.

W.B. 44. SOPHOCLES’ Antigone. Nieuwe vertaling van Dr. H. C. Muller.

N. B. LI. JOOST VAN DE VONDEL, Adam in Ballingschap. Inleiding en Aanteekeningen van L. S.

Met uitzondering van 36/37, elk stuk 20 cts. ingenaaid, 30 cts. in carton, 40 cts. in linnen.

Mij. van GOEDE en GOEDKOOPE LECTUUR, AMSTERDAM.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings