← Table of contents
Menschenwee

VIERDE HOOFDSTUK.

Reading edition

Zenuwachtiger jacht van werkdrift steeg, stéég. Ploetering waanzinde rond onder de tuinders. Alles moest geplukt, stond in vollen bloei.—Koortsend duivelde rond de pluk van aardbeien, doppers, kapucijners, tuinboonen, peulen, wortelen, postelijn.

Ouë Gerrit stond van drie uur met de jongens en twee helpers op ’t Beekbrok, naast Oom Hassel. Guurt kwam elken ochtend later, zorgde eerst nog voor de bedden en vaten, ging tegen elf uur weer weg om aardappels op te zetten en groenten te stoven.—Dirk stond nog vòòr het eerste schoft, doppers te plukken, tusschen de hoog-uitgegroeide rijze-paden, waar, tegen den middag, groen schemerlicht waasde, maar ’s morgens de zon op neerschroeide. Hij blies van puffe benauwing. Rond ’m rankten de doppers uit, de teere, dof-groene vruchtjes, mollig-zacht. Snel woelden z’n armen door de ranken, knakte ie vlug de schepseltjes eraf, z’n handen vol heet-zachte, week-geurende groentjes. Bij elken vollen haal smeet ie ’n vracht neer in z’n mandje naast z’n beenen, dat meeschoof bij elken stap dien hij deed, tusschen goud-groen zonnig padje. Guurt hielp mee, in ’n ander laantje, met ’n groot blauw boezelaar om ’r lijf gespannen, waarin ze vlùg de geplukte doppers oppropte. Dirk hoorde ’t trillend geritsel van ’r handen tusschen de ranken, ’t knak-geluid van ’r pluk achter ’t dichtgegroeide doorzonde groen, zonder dat ie ’r zien kon. Op goed geluk af schreeuwde ie maar achter zich uit:

—Guurt, denk ’r ’an, allainig de dikste, en dà je skòòn plukt,.… gister he’k nog ’n mandje vòl hoâlt, woar jai al weust wàa’s!

—Daa’s net! most t’r ook vaif moal of.… heè?.… ’k hep nog boone sneeë, oarebaie plukt!.… sloà stoke.… wortel skoomoakt.… f’skeur dan je pampiere moar hee?.…

Dirk gromde maar wat achter z’n groenen erwtenwand, loerde tusschen de dichtbebladerde rijzen uit, of ie t’met ’n puntje van d’r jak kon zien doorschemeren; knakrukte, zacht rondvingerend, toch sekuur, z’n doppers van de fijn-groene steeltjes, dat z’n handen kleefden van vocht. Guurt vlak achter ’m, ook zonder Dirk te zien, stapelde òp, in ’r boezelaar, knielde in moeilijken hurk, laag-zoekend, de vruchtjes tusschen het bladerenkroes en de ranke kronkels in, verwrongen bukkend en tastend onder dicht inééngegroeiden warrel van groen. Haar schoot zwol en ’r paf dik lijf zweette onder de zwaar-afhangende doppervracht, eng bewegend op ’t gloeiheete zandpaadje, waar onkruid bij boschjes tusschen prikte.—Ouë Gerrit plukte met Piet, zacht-zoete fransjes voor de markt, die Dirk den volgenden dag mee zou nemen naar de stad. Twee kerels achter hen áán, wroetten en poerden van de aardbeien naar de kapucijners, wortelen en sla. Stapels kisten purperden en vlamden half uit en in de zon, telkens endjes verder versjouwd in zuchtenden til-zwoeg, naar de luwte.—Stom en geweldig in gesmoorde jacht ging de kniel en hurk van de werkers weer over de akkers en overal vlamde en purperde ’t vuur van de aardbei, in slangekronkels langs ’t lichtstuivende bladgroen van bedjes, heet rood en wond’re brandende kleuren in zonnigen mist, broeierig gouden warmtenevel.

Bij Oom Hassel, vlak langs Kees, kroop kindergoedje van zes en zeven, pas aangekomen van verren aardappelenhoek in ’t duin. Hun smoezelige rokjes en broekjes schooierden dof en goor in den kleurdaver en dampende hitte, tegen den fellen schitter van de frisch-dauwvonkende groente ààn.—

Aardappelenhoeken stonden in prachtigen òpgroei met d’r rose en witte bloeseming. ’t Zilver-zijïge bladfluweel van tuinboonen, lag blank stroomend tusschen ’t groen, in lange kronkellijn, aan één kant donzig bezilverd. En ’t loof, ruischte en wiegde daar heel zacht, telkens donkergroen en zilver, als regenden ’r, in zwierigen val, zwermen duiveveertjes door de lucht. Aan de dikke, schuin-hellende stengels zwollen de vruchten. Zwaar donkergroen, met donzige deukjes en lichtglansjes op wat plekken, builde de tuinboonen-vracht in zacht-donzen vacht.

Hier en daar, tusschen zwaar-bevruchten in, stonden groepjes nog in bloeseming als zilverend witte kapelletjes, met git-zwarte zijïge vleugelvlekjes, waar ’t licht òp zoende, stoeide en vrijde.—Roode koolen, slecht opschietend in den zandgrond, stonden prachtig, toch in bladwrong, bij Oom Hassel. Dofpaars-roode dauw, waasde in teerste druivendons over de koolbollen, die òpkropten uit geweldigen bladerenkring. Forsch, in rood, zacht-rozerood, tusschen teerst-groene nerven, vlerkten de bladerenschalen uit.—

In wondre lichtglansen wasemden de roode kolen, naast elkaar over de akkers. Heele rijen slangden in bloedroode schijnsels, nevelig doorzond, in paars en groene wazen, gekronkeld in schelpschalen van dof-rood kristal, geweldig uitschulpend rond de kroppen.—Zwart-roode dauw, verpaarste er smeltende glansen in; glansen van blauwig dons naar violetrood, dof satijn, als er opgeademd rag, met tintfijnste kleurpoeier.—

Daartusschen, op de pastel-schoone, kleurtintige dauwbladeren, fonkten fèl als brandende parels, vurig gloei-groen en gloei-rood, wat druppels trillend kristal, zwemmend in weerschijnen, rondgestrooid grillig, op dons-doffe, fluweel-vertemperde bladerenwaas van de goddelijke vruchten.

In lange rijen, tusschen het fel-lichte groen van losgeplooide kroppen sla, waaronder enkele al, torentjes-spitsig doorschoten, glansde in heerlijken kleurzang ’t krotenloof, stalig rood, violet-licht, weerlichtend in tintdamp van mahonias, dwars door zonschijn omgloeid, als brandde er langs den zandgrond rood-paars fosfor, speelsch àfbliksemend, zonnesprankels; direkt weer omsluierd in waas van èigen kleurfelheid.

Tusschen de selderie en peterselie, zoet geurend verwaarloosd nu met aardbeihaal, pluimde onkruid, fijn-blommig en stekelig-wild.

Jong groenden spersie- en snijboonenblad, om stokken en latten gerankt, donker-groen, tusschen de fijne, licht smaragden kleur van doppers en kapucijners. Als vastgegroeide reuzespinnen, kroop ’t loof van de sjalotjes de aarde uit, tusschen wat snijboonpaden. En jonge savooie- en spruitkool stond in weelde-groei, doorvreten van rupsen, in angstige wacht op uitdunning, heet-droog in de akkergloeiing.

Hier en daar, hoekten heele plekken vervreten als zeeftige bladeren, in citroen-gouden wond’re pracht, sterfzang van loof, bloedrood bevlekt op stengels. In breeden kring reuzigde de rhabarber, zondoortinteld, om zich zelf ’n vleermuizigen schaduwmantel trekkend met ’t groen van z’n schulpend blad. Om vruchtboompjes heen, die stil-bloeiden in langzamen zwel van vruchtjes, bronzige peertjes, groenige appels en pruimen, kringden de bladzware rhabarbers.—Tusschen de rhabarberhoeken in, rankte òp, in rag-krulligen cier, als groene ruche de boerenkool, prachtig-donkere nuance van smaragd, tusschen het zeegroen van kroppen en doppers; tusschen de lichte kleuringen van savooie planten, gelig-groen, late victorias, spruitkool en zomer-kropandijvie in.—

De kleurige zomerprei stond uitgeplant, zuiver om de lange schorseneeren, fel-groene sprieten glanzend in ’t licht. In kleine zonnige hoekjes groende de fijn-wolkige fenkel, naast selderie en pieterselie, met z’n pijpige krulblaadjes als gefriseerd in ’t zonnevuur. En scherp kruidde fenkelgeur uit, tusschen den lagen groei van vruchtboompjes, lommerige plekjes, waar dicht opéén, in warmen zonnekoester bloeiden al soorten gewassen. Zoo, in heeten broei, stoofden de aanééngehaagde tuinderijen, warme lichtdampende glanzen uit, als kleur-klatering in diep-lanige oranjerie, waar de zon in rooden brandwalm doorheen vlamt.

Van alle kanten droegen de werkers wortelenbossen áán, oranje gloed op ’t fijne loofgroen, natgespoeld in de tobben en kuipen, en zilverparelend bij bergen op de bakken aardbei gesmakt. Tusschen wellustbloei van ’t gewas, groei en heete rijping, holden de werkers heen en weer, in angstige jacht.—Achter ’t groen verdoken, soms plots in ’t warme zonlicht uitschietend op open plek, kleurden hoeien en beenbrokken òp, gekromde ruggetjes van kinders, als zwerm ijverige bijtjes purend over de akkers.

Net barstte Willem Hassel uit tegen ’n zusje, woedend dat ie ’r had zien aardbeien snoepen, ’t ruggetje gekromd, argeloos en droomrig starend op de vruchtjes.—

—Is da’ wond’r da’ die soo moager kaikt aa’s s’n tang, schreeuwde ie naar z’n broer,—die frait te veul oarbaie, sai kraig t’met veul te veul nuwt bloed hee?.… sloàn d’r de dinge uit t’r poote.…

—Krik f’rdorie, loâ hullie moar fraite, aa’s hullie d’r senie in hebbe, komp bai de huur t’regt.… wa’ jou?… goeiïgde Jan, de dikbullige jonge broer.—Nee.… die bai joù doàr, daa’s main ’n lekkere.… ’n happie.… da’ he’k f’murge van lust!…

—Wa’ noù dan! vroeg nieuwsgierig Willem.

—Nou, stootte Jan er stem-dof uit, handen vol roodvochtige aarbeien wegkogelend in de slofjes,—dâ baist is soo sels, hee?… Wâ he’k roepe om half vier!… krik f’rdorie! die was d’r mi’ de mestvork nie uit te staike.… en Trien òòk nie.…

—Há’ je moar ’n emmer woàter over d’r kop uitsmaite motte! saine sullie t’met wassche ook, grinnikte Willem venijnig.

—Krik f’rdorie.… jai kookt ook nie goar!… je skraiuwt van kruis en munt, wà’ jou?.. da sullie d’r t’met ’n stuip bai oploope hee?.… mó’ je màin juùstig veur hebbe!… Nee, moeder hep hullie ’t netjes lapt.… krik f’rdori!… se hep sullie mit d’r sloapkoppe en d’r ooge puur toe, hep sai d’r éen veur één op de natte stroatsteene set.… krik f’rdorie.… je ha’ hullie ’n smoel motte sien sette.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje! se woàre wakker hoor!.… p’rdoes! en Trien.… die aêre.… nee.… die ha’ d’r slinger!…

Toos en Trien, twee meisjes, van tien en negen, gebogen over hun bedjes in jachtigen pluk, luisterden, deden toch net of ze niet verstonden. Elken ochtend had moeder verschrikkelijk met ze te doen. Ze konden maar niet uit hun zwaren slaap wakker. Als ze geroepen, met porren opgeschreeuwd werden, grienden ze van slaap en vermoeienis. Soms half gekleed, met de kousen in de hand, vielen ze weer loom terug in de peluw, snurkten ze weer dóór, om in angstbui op te schrikken als plots stem van moeder of broer bulderde achter bedsteegordijntje. Van morgen was ’t bar geweest. Toos en Trien hadden er niet uit gekund. Moeder had ze geranseld, gevloekt, gebonkerd met ’r knuisten tegen beddeplank, ’t gaf niets.—Telkens weer waren ze ingesnurkt. Toen plots had moeder, éen voor éen, woest-nijdig in den nek gepakt en slapend, met de bloote voetjes op de koue stoep van de straat gezet, in d’r ponnetjes, dat ze huiverend grienden, niet wisten waar ze plots stonden.

Nou had Jan ’t verteld aan Willem, en Toos had willen antwoorden dat de meisjes van Straik en Toomaas òòk eerst om vijf uur opstonden en dat ’t bij die lui, niet eens tien uur wier, eer ze naar bed gingen. Maar ze durfde niets zeggen, bang dat Willem ’r nog ’n pak slaag zou geven. Toch schuchterde talmend, Trien uit, met ’n zenuwachtig huilgilletje in ’r stem.

—Nou.… bai Hulse en Toomaas magge de maissies.… magge sullie tut vaif uur.… vaif uur sloape!… enne wai binne doodmoei.… wai kanne nie woàkker om bai hallef vier.… ikke hep sukke bloare àn.…

—Hou je bek, hufter! snauwde Willem, ’n mand aardbeien achter z’n hielen zettend,—’t is altait vet in ’n aeremans pot hee? Morge pirsint, of jullie sel ’t weute.… snurkers!

—Krik f’rdorie!.. je sel veul van hullie hoale hee?.. Trek jai d’rais faire van ’n kikkerbil! lachte Jan, z’n dikke lijf goeiig schuddelachend en z’n kop inwrijvend met zweet van z’n hand.

—D’r sel t’met ’n onwairtje rolle, stootte zwaar-gapend ’n plukker naast Jan uit,—’t is broeis hai?… saa’k f’rbrande aas’k ’t ooit soo hait had hep.… ikke leg te swemme puur in main swait hee?

—Nou, onwair da’ sî nog.… bromde Jan, naar de lucht kijkend waar wolken paarsig samendrongen,—ik voel niks, heulegoar niks an main groote toon.

—Jou toon deug nie.… laa’k je nie in je nek naime.…

—Sou ’k je ook puur nie roàje hee! ikke waig t’met tweehonderd vaiftig pond!…

Tweede schoft was snel afgejakkerd in hagenluwte.—Ouë Gerrit had loenscherig rondgekeken, wou niet dat de plukkers en de kerels lang kauwen bleven. Naast ’m, bij z’n broer, kropen ze al weer in de paadjes. Nou moesten de werkers wat opgepord. Hij joeg.—Er zat onrust in z’n handen, onrust in z’n lijf, omdat ie werking voelde in de lucht, waar zwaar gewolk doorheen grauwde.—

Tot vier uur bleef er stomme stilte onder de zwoegers. Plots van allen kant kwam er windwarrel opzetten, die gloeikolkerig zand over de akkers heenhoosde. Duisterende groening, angstig geel-donker wolkgestapel, stond rond den horizon gebouwd als grauwe vestingen en forten. Stug vreemd licht, met paarsgeligen glans in zonkant, kwam de akkers grillig beschijnselen, heele brokken in fellen valschen zilverbrand verfonkelend. In regenhel licht, groenden boomen, hagen en gewas rondom. Er zat benauwing, droog nog, en angstige werking in de lucht, en snik-heet doorstoofd, verstoft, slapte ’t lage gras en wild gestruik aan de akkerpaden.

De werkers, plots onder geweldig gelige wolk-zwavel verkleurd, tusschen het demonische fel-zilverend groen, voelden prangenden druk en smoorhitte in ’t hemelruim, woeste werking vlak bòven hun koppen en velen van hen, angstigden en beefden in de handen en beenen, als ging er ontlading en uitbarsting van onweer, kramperig en gejaagd, éérst door hùn lijven.

Ouë Gerrit vooral had zich den heelen dag al onrustig opgejaagd gevoeld. Onweer woelde in hèm uren vooruit. Angstig was ie van z’n plukbed versprongen naar Dirk toe. En aldoor keek ie òp naar de paarsgele luchtdreiging, ver uitgewelfd, geweldig boven de akkers, die heel ’t diepe luchtblauw weggeslurpt had. Heftige warrelwind, droog en stuivend in wilden loei, ging telkens door de boomen, uitgolvend zeegedruisch dat aanzwellen kwam sterker, al sterker over de akkers, ziedend uit ’t bange geel-groenige laantjesduister.

Al benauwder voelde Gerrit zich worden, banger, in wurgenden angst, als droeg ie boomen en luchtzwaarte op z’n hoofd; als stortte straks ’t heele uitspansel boven ’m in, op zìjn kop neerdonderend, hem alléén verpletterend. Hij telde maar, z’n handen tot vuisten in z’n zakken gekneld: een-twéé, drie-víér, vaif-zès, tot tien, rhytmisch maniakaal, telkens heen en terug, van tien weer naar één, uit zenuwbange gejaagdheid, om ièts toch te doen, te doèn.… dat ’t onweer afleiden kon, die bange, nare, donkere lucht.—’t Verveelde ’m, maakte ’m benauwder, dat tellen, en toch bleef ie ’t doen … Hij moèst ’t doen heen en terug, in de benauwing. Plots voelde Gerrit,—bij dreigender hemeldonker, dat de akkers angstiger vergrauwden,—alsof ie in ’n wolkzee moest stappen en drinken, drinken, water, niets dan water. Hij lustte ’t niet en toch moest ie drinken, drinken, tot ie z’n buik voelde zwellen, z’n darmen rammelen, z’n adem weghokken en warmtewaas voor z’n oogen nevelen. Dan inéén weer, telde ie van één tot tien—heen en terug, rhytmisch uitstootend: een-twéé, zooals ie ’t eens een paar polderkerels had hooren uitzingen bij ophijschen van palen. En telkens voelde ie andere, angstige dingen. Nou weer alsof ze stroomen ijskoud water over ’m uitstortten. Hij rilde, snikte, z’n adem brak ’m in z’n keel, z’n rug verstijfde, net of z’n hart even bleef stilstaan, en hij stikken moest.—Hij voèlde zich bleek zijn, akelig naar bleek, en telkens dacht ie ’r aan, of de regen, die ’r nou kwam, wel ooit zou ophouen. Of niet alles verstroomen ging, de heele wereld wegregende, dooreenspoelde, de lucht, de aarde, ’t groen, ’t land in de wolken en z’n huisje, z’n spullen, alles wèg, alles door elkaar, één eeuwige, natte vuile warrel van verstroomende dingen.—

Heen en weer liep ie, dol-angstig als plots zoo vreemd z’n hart stil bleef staan. De kerels keken naar hem; dat voelde ie wel. Toch wou ie zich goed houên, zorgen dat ze niet te veel van z’n angsten zien konden. Dat kwam nou altijd weer terug bij onweer, dat jaag-angstige, wurgend-angstige gevoel, dat onbestemd bange, alsof ie ’n moord had gedaan.—Hoe donkerder de lucht werd, hoe langer regen en bliksem wegbleven tusschen den droog-donkeren woesten windwarrel en het waai-bange boomgedruisch, dat golfde, gòlfde door de duistere middaglucht om ’m heen,—hoe benauwder ie werd. Nou wilde hij zich verschuilen, de luchtdreiging niet meer zien, die donkere wolkenforten niet. Nou wilde hij zich wel ergens ingraven, in z’n kelder met ’t luikje dicht, dat hij den bliksem niet zag en de bliksem hèm niet kon pakken! O! als de dood was ie ’r voor, als de dood! Te sidderen stond ie en ’t akelig-valsche licht maakte ’m bijna misselijk. Guurt was ook bang, heel bang voor onweer, en telkens keek ze naar den hemel, of er niet wat wegdreef van ’t donkere gewolk, er niet wat blauw òpklaarde.—

Kees bleef strak, in werkrust, als gebeurde er niets in lucht en aarde om ’m. Bak voor bak sjouwde ie met Dirk áán, naar ’t pad.

—Aa’s dur moar eerst op de boot is maane, veùr de bui, vibreerde angstig-klam stem van ouë Gerrit, goeiig tegen Kees, dien hij anders nooit aansprak.

—Seur nie, snauwde Dirk, komp’r aa’s aêrs, hee?

—Wee’k soo net nie.… wee’k soo net nie.… kaik de lucht hee?.. hoho! die is t’met vuil!.…

—Loop rond mi’ je lucht.… wa’ ken main je lucht skele, woedde Dirk achteruitgeduwd door Kees, met aardbeibak tusschen ze in, in sjouw naar ’t pad.

—Hier, neenet Kees, hier!.… soo … daa’s weer ’n aêre … boofe die bak.… Net soo!… ik mo’ nog main boome ansette!

Veertien bakken aardbei waren aangesjouwd. Breed raam van platte boomen, bonkte Dirk in hurriënden til op z’n kar. Al meer moest ie opladen, van vòòr, ver buiten de wielen, van achter, tot aan de kruk. Toen ie z’n raam op de kar geslagen had sjouwden Kees en Dirk bak voor bak aardbei òp, dof-angstig rood nu in ’t luchtdonker, sla-stapels en zakken met doppers op elkaar, en hoog boven de kisten weer wortelenbossen, nat nog, oranje bergjes op ’t groen van loof en kroppen.—

Vreemd schril, in woest-valsche lichtglanzing, fel goud-dampig, was zon achter paarse wolkbreuk plots doorgeschuimd. Blauwige gaten spoelden weer tusschen het dreigduister open. Ouë Gerrit luchtte òp. Er gebeurde iets in de lucht, waarop ie niet meer gerekend had. Net of ’t onweer ging wegdrijven. Om de kerels had ie rondgedrenteld, ze in z’n tel-rhytme: een-twéé, drie-víér, precies afmetend toegesproken, loopend en bewegend op maat, en hun allerlei kleinigheidjes aangereikt. Als ’t niet uitkwam met z’n tel, had ie ’t precies weer overgedaan nòg eens en nòg eens, tot ie ’r zelf misselijk van werd. Toen plots de lucht inkijkend, zag ie ’t opklaren, ’n blauw plekje hier en daar. O! wat voelde ie zich lekker opluchten.—Z’n borst weer loosde ademen. Ongevraagd, uit blijigheid, hielp ie goed mee, sprak ie druk, maakte grapjes uit zenuwachtige volheid, zonder dat de kerels ’r iets van begrepen.—Tellen deéd ie niet meer, voelde ie niet meer te moèten, nou ’r niks af te leiden was, weg te duwen viel uit z’n wurg-angst.—

Hoog stond de kar opgeladen, met z’n druipend groen en wortelenrood op ’t weer eronder uitvonkend aardbeivuur, in valsch-fel lichtgoud en duister-dreigende wolkenhallen. De wind was gaan liggen. Dòf nog ruischten de kruinen.—Met stootduwen in geweldige spierspanning, schoften krommig ingedrukt, lijf schuin vóór bakkenvracht, hand om karkruk geklauwd, zuchtend en ademuitpersend, ’t hoofd rood gezwollen, z’n beenpezen in strammen span, scheef-jukkig de schouders naar achter gerukt,—zette Dirk de zware kar in beweging, bonkerde ie, ’t heele lichaam kreupel, ineengekrampt, kracht uitstootend vóórt, over ’t zandpad naar den weg, ’n jochie vooròp dat met z’n rug naar de kisten aan de verleng-boomen meetrok. Aan de krukhaak sleepte Dirk nog mee, mandjes met selderie en pieterselie, geurend rond ’t schokkerig wielgeraas.—

Vóór de kar uit, zwiepten lichtelijk de boomen, wiegden de aardbeibakken en telkens moest Dirk z’n kop bijzij de kistuitstapeling buigen, om te zien waar ie reed. Guurt wou ’t helpertje, dat even de kar zandpad had uitgetrokken, niet missen met den pluk, zoodat hij dubbel uit moest zien achter z’n berg-zware stapeling. Bij helling van den weg, leunde ie met gestrekte armen en kin, bloedloos uitgedrukt, òp de kisten, zwaar persend en hangend aan z’n kruk, loerend bijzij telkens, of ie nergens tegen opbonkte. Dàn weer kromde ie z’n lijf in, stootte z’n klauwen òp, stond ie met één gestrekt achterbeen hoogten op te rijden, de heele karrevracht tegen z’n buik, borst en schoften gestut, in hevigen span van pezen, de nijdige chineesch-jukkige kaken beverig van krachtspanning, z’n tronie rood aangezwollen, langzaam duwend, dùwend.…

Dood van zweet en gebroken van hitte bonkerde en ratelde eindelijk z’n kar de Haven òp.—

II.

’t Was Vrijdagmarkt, tegen half vijf. Van enkele zijwegen en uit smalle, door zon verblakerde steegjes kwam áánrateling van karren; tuinders die hun waar vroeg opgeladen hadden. De havengrond bij brokken bekeid, lag vol koolstronken, aardbeirotte plasjes en groentenvuil. Eén brok weg, zwart, gruizig besinteld, rond rood-wit bemeniede lantaarns, frisch zomers opgekwast, lag bezaaid met kisten. De huizenkant van haven, met z’n gevel-trappige woningen van dominee, dokter en wat winkeliers, tot meer naar achter, waar ’n woelige oppropping van kroegen en pakhuizen samendrong,—koelden donker in zwaar uitgegroeid lommer van hooge kastanjeboomen, wonder-groene laan, ingeplant tusschen wal en stoepen. Het ruiten-licht van de oud-gevel-typische huizen in wazig-groene glanzingen, verschemerde ’r geheimzinnig ’n eigen bestaan; bestaan van diepe halfschaduwen, dwars door het aandroesemende lawaai en geraas van havengescharrel, geheim stil verwisselend achter zwaar lommer.—In ’t walletje kleurden achter elkaar, pas aangekomen booten, waarop dekknechten met oorverdoovende herrie kisten van ’n plank lieten glijen òp de steenen, langs de reeling, door ’n anderen kerel weer vèrder rondgeslingerd tusschen vuile stronken en groentenafval, sintel en kei.—Zoet-zwoele, tot stank verbroeide geur van aardbei vloeide wèg in vunzige lucht van duffe groenten. Heel de Haven zoog in, àl luchten en reuken, ademde weer uit, bedorven saamgebroeid zoet van aardbei, aardappels, sla en penen. Telkens achter groene kroeg-gordijntjes spuiden de herbergen jeneverstank uit, scherpen prikkelgeur doòr den warrelenden damp en de stank-zwangere atmosfeer van verbroeid zonnig havenleven.—

Geweldig in wijdheid, doorwolkt van onweersgedreig en half in zonnigheid weer, welfde de polderhemel met ’t weiland eronder, afgelijnd door spoordijk; ’n hemel niet te zien, maar ijl te voelen toch in verte en diepte ònder de àlmachtige luchtruimte. Groen-prachtig, in fel-grilligen zonneschijn, lichtte de lange dijk òp, waarover lawaai herriede van aamborstige lokomotieven, hijgend en puffend, heen en weer, als in zweetbenauwing, drentelend en geduwd voor- en achteruit.—Vastgehaakt en voortgebufferd in stooten en dreunige stampen, donkerden vrachtwagens dwars door den uitkoepelenden polderhemel.

Onder kastanjelaan, vóór huizenkant van Haven, het doorrijpad van karren en paarden, kermisten zuurkraampjes en betentdoekte vischstalletjes met poonen en scharren, die walglijke stanken rondbroeiden in de hittesfeer van sjachering en half afgedreven zomermiddag-onweer.—Stijgender geratel en gerammel van karren en wagens, dooreen-klakkerende hoefslag van zwoegpaarden op keien, kwam dreunend òprumoeren uit steegjes en zijwegen, naàr en vàn de groentenvervoer-booten.

Heel de aardbeistuip van ’t land, de koorts van wroet en pluk, pakte zich daar saâm, in één woesten drang van laden en lossen, één jagende scharrel onder de ventende afbeuling van ’t landvolk. Al tweemaal op één dag was er door de booten in den drukken broeihaal van aardbei nù, op de groote stad afgevaren; al tweemaal geladen en gelost. Om vier uur in den ochtend, de heele week, waren er zes groote vrachtbooten, tot hoog boven de verschansing opgestapeld, weggestoomd, met allerlei groentegewas, stikvol van aardbeien, aàrdbeien. Om twaalf uur ’s middags, léég, heelemaal uitgeput teruggeboegd, weer gevuld, alléén met aardbei en weer leeg naar huis gestevend. Alles had de groote stad opgeslokt, gretig en woest; en nu wéér werd ingeladen voor den marktdag.

De Haven lag gerammeid, begraven onder leege kisten met mandjes, en overal dreef rood sap, donker bloedend door ’t zwarte kolengruis, verkrinkeld in sporen en plasjes.—

Dirk had z’n zware kar met voorzichtige zwenkingen tusschen stilstaande paardjes ingewerkt, zoo dicht mogelijk bij de boot, waar ie z’n goed op te laden had. Telkens schokkerde ie ’n eindje verder, meer naar den wal, tusschen de dooreengezwaaide kistenruzie en manden, tonnen en planken.

Sterker kwam áánwemeling van groenboeren, vrouwen en kinderen, en oorverdoovend raasden de blaffen van karhonden, die daar woelden, rukten en huilden onder de donkere assen, jammerend tusschen hun bemodderden engen knel van spanriemen en treksels.—

Vervuilde, langharige kerels, met dronken-lacherige tronies stonden in overhemd, àchter d’r poon- en scharrestalletjes, hun eigen waar op te eten, schor futloos roepend: fèrsche poone.. fersche skàrre.… In kringetjes rond en onder ’t tentdoek, lolden wat venters en tuinders, poonen etend en uitzuigend, met hun handen de visch losbrokkelend. In nek-achter-over-zwaai, kwakten ze zich telkens stukken vettig vleesch ’t mondgat in.—

Zuigsmakkend en belekkend de goud-donkere poonvellen, plezierden ze, waggelend op de beenen. Stil stopte verkooper ze schar na poon in de handen, terwijl hij zelf smakkerend vrat, z’n mesje tusschen ’t scharrenvleesch peuterde, fijn reepje na reepje, achter de tanden vergoochelde.—

Zon, uitgloeiend achter weggedreven onweergewolk, brandde weer fel op tentdoekjes, die lichtstreepten rood-geel, onder boomlaan door, de smoezelige linnen kleuringen, warm-dampig verzonnigend.

In één uur tijd was de geweldige marktdrukte komen áándonderen in furiënd gescharrel en gesjouw, geraas, getier en roezemoezende stemmenbotsing. Paarden met karren, al méér, al méér, klakkerden en bonkerden onder de belommerde kastanjelaan, schurend langs de huisstoepen, zwenkend, tegen elkaar òp. Vrachtrijders verkrijschten: ho!.… ho!… hai!-daar!-geroep, tusschen kerels, vrouwen en kinderen; tusschen ladende en lossende werkers, of dwars door rumoerige groepen, opgepropt òm groote groenteuitstalling van afslag, waar koopgierige schobbejakkige venters rond-kankaneerden in schor opbied-geschreeuw, als dronken duivels.

Van zijstraatjes uit, dobberde zwaar-stootend gedrang van karren, de eene al hooger achter de andere òpbergend, met kisten- en zakkenlading.

Tegen half zeven daagde van allen kant ’t landvolk òp, voortstuwend pyramiden van kleurdruipende groenten, als was aan akkerzij van Wiereland overstrooming losgebroken, de zee over de duinen heengegolfd. Als was daardoor ’n chaotische beroering, ’n opstand, dwars door paniekheen gescheurd; had zich ’n drom angstigen aanééngestoet, verschrompelde bemodderde kerels, reddend van hun zwaren ploeter àl wàt ’r op ’t land nog te halen viel. Eén wilde, woeste samenstrompeling van mannen, vrouwen, kinders, met kisten en manden en zenuwbevende handen, die meehielpen aansjouwen en wegduwen van kar naar boot.

Aardbeigloei, rood-fel en purperdiep, brandde weer in zonnelaai. Honderden en duizenden bakken met de roode pracht-furie der vruchtjes gingen van hand tot hand op de booten, van de karren naar de dekplaatsen, en van alle kanten losten de wagens uit, stortten een groentezee neer, in branding van kleuren, aanklotsend tegen zonnegolven; tegen broklijven van schuiten, kerels, karren, paarden en honden, één woeste uitgolving, òpzieding van groen, groèn, van zeng-rood, vuur, donkerend purper en hel prachtig wortelen-oranje.—

Hemel was blauw-diep weer uitgetinteld, tusschen zilverende wolktochten en in de koelender zilverglanzen van gloedroode, stillere zon, lag de kastanjelaan doorzeefd in wondren glansnevel, doorvlàmd en zonnemistig tegelijk. En de groenbemoste boomstammen, in flitsen grillig beserpentiend, kromden gevangen in gouden kronkels van glans-slangen.

Dampig gezeef van goudschemer, gloedrood, vloeide over de bronzen en roode kielen der woelende kerels, werkersstoeten in sfeer van gouden lichtdamp en roode toortsentooverij bewegend.—

Midden in zonnetoover daverde ’t haventje van helsche donderbonkerende rumoering. Telkens ratelden van de zijwegen, uit smal-doffige broei-steegjes, nieuwe karren áán, waarachter angstig-verwrongen gezichten èven uithoekten, tusschen bakken en manden; monsterlijk gerammeide zweetkoppen, doodòp van zwoeg, benauwing en snikhitte.—Hun bakken overstroomden de markt, verzwolgen ’t licht. Uit àl andere weggetjes en spleetstraatjes, van rechts, van links, dwars, opzij, uit nog fel-bezonde achteraffe gaatjes en steegjes, flonkerend en dampend in verblindend schellen lichtgloei, bonkerden en schokkerden ààn, al meer paardwagens en handkarren, aardbeien en groentevrachten, rood en groen; felle uitbarstende gamma’s van purper naar papaver-vuùr, en al soorten smaragd, tusschen gelige goud-gloeiende kolen, al méér, al méér, als moest ’t haventje begraven, verzwolgen onder de bakken, manden, vrachten en vaten. Overal, de heete hartstocht van ’t gloeikleurig rood en oranje, de felle klater van ’t schelle en zingende groen, dook òp van alle zij, uit zon-overstorte zijweggetjes, blakerend, smal en vunzig verstoft in de Julihitte, met hun ordelooze wemeling van krijtwitte, bruine, fel-groene bekalkte geveltjes en rooddakig brio.—Overal doken òp, geweldig in drommen tusschen ’t kleurheete, zengende geveltjes-koloriet,—ònder de roodgoud doordampte boomenlaan uit,—al nader, àl nader, de wagens met hun lichtend groen en vruchtenpurper, tègen de hemelblauwing in; de huisjes al kleiner, verder wèg, de karren àl grooter en massaler, aanbonkerend op de Haven.

Later nog, de kastanjeboomen zeefden in zonnemist en de kruinen stonden weer uitgegloeid als was ’t goud er tusschen vervloeid.—

Hier en daar nog van boven schampte ’n flits, ’n gloeiende kronkel, ’n trillende spiraalglans; was lichtweb uitgescheurd en blijven hangen wat bevend spinsel van goud-gloed.—

Links van de karren zwenkten de tuinders hun paardwagens àchter paaltjes áán, op stiller gedeelte, ’n end van d’r boot af.—Stil, tusschen rumoering, suften de paardkoppen, de voorste vastgetouwd aan paaltjes. Maar ook dààr, heel gauw, dromde ’t stikvol, schoven al meer karren in, stonden de beesten met de lijven op elkaar ingedrongen, koppen, droefmelankoliek naar beneden, in zorgelijke bepeinzing over ’t oorlogend havenrumoer, geraas en gekrijsch. Te wachten, roerloos stonden de beesten, d’r half-leeggeladen karren kleure-jolend in zinkenden zonnedoop, kermisjubel van helblauw, groen, hard-geel, bruin en menie-roode beschildering. Zacht zwiepten de staarten, knokelden schimmel-blanke, goudbruine en donker-bronzen ruggen, gloed-laag beschenen. Van alle kanten manoeuvreerden, tusschen ’t geraas van weggeslingerde kisten, de karren zoo dicht mogelijk bij boot waarop geladen moest worden, voor vertrek van den volgenden ochtend. Hoog bestapeld, van achter tot voordek, krioelden de booten in rij vóór den wal. Geen plekje kon onbezet blijven. Dekknechten en kapteins sjouwden gelijkelijk mee met de tuinders, droegen de bakken met vruchten en groenten ààn, in zwaren zwoeg, over keiweg en loopplanken. Handiger dan de tuinders wrongen zij zich tusschen de kisten, mand- en zakvrachten door, opstapelend in zwaren smak van uitputting, de nieuwe vrachten. Dwars door elkaar, bouwden ze òp, monumentaal, dat de groentebakken vèr boven verschansing, als ’n kleurig fort van ruw hout, neergeblokt stonden. En overal bij spleetjes, gloeiflitste ’t vruchtenrood tusschen het monsterbouwsel van kisten, levend monument van vruchten, gesmoord tegen orànjebrand van wortelen en groen.—

Op alle booten tegelijk, bleef de laatste stapeling aardbeibakken, langs heel den havenwal neergewolkt in vuur, en de gemeen-beschilderde kisten in ruig koloriet, dansten een kankan van helsche kleuren in ’t doorzonde, heete havenrumoer. Zwoele stanken drassigden in de lucht ’t zoet uit van de vruchtjes, zwoel-vochtig tusschen de groenten, die opeengebroeid, voozer verstonken. Over den drogen gloeiend-stoffigen sintelgrond verwàlmden geuren, dwarrelde rond, draaikolk van stanken, zoetige en ransige, kanteloeplucht en citroenen, sinaasappels en bedorven uitwasemende poonen, scharren, zuur en eieren; gotenlucht tusschen ’t aardbeizoet, dòòrwaaid weer van kroegstank en spiritus. Alsof zieke reuzen ergens heeten stankadem uitbliezen over de Haven, zóó van alle zij wasemden de dingen hun luchten uit, vermengd en verbroeid in de hitte. En telkens gulpte van spoordijk, rook-roetige wolk-smoezel, in woeste vegen donker heendampend over ’t havengewoel, òver karren, vruchten en menschenoppropping, doorzond en verstoofd in kleuren en licht. Zóó, fel omklaterd en verbrand van kleuren, in de hartstochthitte der zwoegers, verdampten de geuren bevend licht bòven de karren, de mensch-koppen, kisten en manden dompelend in zichtbare sfeer, stralend-fijn van ijl stofgoud.—

Sfeer van trillend licht, als neergestroomd uit reuzige zonnelantaarns, in banen van damp en warrel. En tusschen de menschkoppen en koopwaar, grillig-verspatte nog zonnevuur kleurfelle vlakken, gooide vlammig spel op bevende kaken, òp handen, in oogen. Telkens nieuwe kisten sjouwden dekknechten met tuinders áán, in hijg-zwoeg, dood-af gewerkt van den ganschen dag landwerk; telkens in hun gang gestuit, teruggestooten, weggeduwd en verkneld, door andere werkers met vrachten op nek, hoofd en schouders, ingebukt en woest in d’r moeheid, terugsjokkend van de loopplank, achter elkaar, met de doffe, of kleur-felle kisten op de schonken, wat ruzie-schor verschreeuwend tegen de kerels die opdrongen of worstelden om plaats. Dan hier, dan daar holden en kankaneerden de sjouwers op zij, vòòr paardkoppen of langs geweldige vrachtwagens, die tusschen hen indrongen. Overal was gestruikel, gestrompel; dof-klankten smakkingen, daverde gebonker van verslingerde kisten en manden, gloei-stroom van jachting, verkronkelend in dol-botsende drukte. De kleurige booten, achter elkaar langs den wal, sloegen ’n branding in ’t hart van ’t levende haventje. Eén vloed en eb deinde er van duizenden verlompte werkgangers die òp en af, dwars en tusschen elkaar’s groen-waar heensjouwden en reden.—Zoo golfde bij den wal ’t sterkst, woeste stroom en tegenstroom, zich vertakkend en verbrokkelend in zijwegjes, weer aanspoelend in kleinere hurrie-golfjes van andere kanten. Drang tot afdoen vloeide samen op één punt, bij al de booten, drang en jacht, die angst-steigerend, al hooger àànstortte tegen ’t forthooge bouwsel, kleur-heet monument van bakken en manden; stroom die plots weer àfrazernijde naar kroegen, dat er spuiing kwam en luchtiger rammeling van karren tòt in de afgelegenste, koel-uitgezonde hoeken, bij pakhuizen naar polderkant.

Langs de havenvaart, achter kastanjelaan, lag de kei- en sintelweg hooger met leege kisten bestapeld, teruggestrooide vracht van ’n boot, die al twee maal aardbei naar de groote stad had vervoerd. Nu ook van polderkant donderden en bonkerden paardkarren en ezelwagentjes ààn, met ’n geraas of ’r mijlen in ’t rond muren van glaswerk instortten, telkens één op den ander vergletscherend. Tusschen ’t lawaai van lossers en laders, gilden en joelden kinderen aan karkrukken, klauterend in stemmenschater over wagens, kisten, manden; hingen en wipten ze aan karhoeken, elkaar bejoedelend òprukkend of terugsmakkend. Beestig woelden ze rond, furiënd in de herrie, stremmend ’t gedrang en gesjouw, tot plots in woedevlaag van werkers, ze verjaagd werden naar andere hoeken. Maar ook daar woelden en klauterden ze weer als losgebroken apen uit dierentuin, òphitsend de honden die basten en jammerden gelijk schreiende gekken.—

Als wegratelde, met kar en hond, één tuindersgroepje, stortten nieuwe wagens rumoer uit, was ’r in enkele minuten weer kargedrang en gestoot op-elkaar-in. Achter boomgroen, waar goud-rooden gloed dampte, en scheemrig de laan lommer-glansde, keken vreemd de geheim-stille ruiten, nù onder half bladerduister, in haven-zonnerood vertooverd; bij brokken weerkaatsend ’t belichte gewoel, worstelzwoeg van tuinders, die er vóór sprongen en holden, tierden en hotsten als gestrafte misdadigers, kankaneerend op heete platen, met hun verweerde tronies tusschen eigen walmende reukwaar in. Geen sterveling in ’t stroomrumoer, die stààn kon blijven. Van alle kanten stootten de vrachten òp, mannen, vrouwen, kinders, vloekend, scheldend tegen elkaar in. Méér dragers balanceerden bakkenstapels boven ’t hoofd, waar ze in angst naar grepen, als ze zich teruggebonkt voelden, in den karren-kronkel. Minuten lang werden lijven geblokkeerd, ingesloten, door dwarrelgang van andere sjouwers vòòr de booten, en eindelijk haastig strompelde ’n troep vooruit, als er spuiing kwam aan den walkant. Snel warrelden ze dooréén, aanschuivend en verglibberend op stronken en groenteafval, met één voet soms tusschen ’n opening ingekneld, de andere op bakken en manden neergetrapt. Elk bloot keiplekje lag dadelijk dichtgesmakt, als ’n werker z’n voet wegtrok, opschoof of weer naar z’n kar terugdrong om nieuwe waar af te laden. Angstig geroep en gekrijsch van ho!.. ho!.. hai-je-hee!.… verklonk opjagend de werkgangers.

—Kaik veur je!.… paa’s d’r-op-bout!.… hee doar je kop!—màin snuit ook nie!.… kruiste en spatte tegen elkaar òp, in rauwe ironie en spot. Bij de minuten nu, zwol áán de razernij, ’t gewoel, gedrom, gekrioel op havenengte, en wilder ging werkjacht onder de menschoppropping, de samengeknelde worstelende zwoegers, teelders van Wiereland, Duinkijk, Kerkervaart, Lemperweg, Lemper en van al de dorpjes rondom; moeë kerels, afgejakkerd door dàglangen landarbeid, met heeten wrevel in d’r lijven, tot laat in den avond opsjouwend naar marktwemel.—

Van de kroegen uit, tierde, raasde, ziedde rumoer. Als dampige holen, volgerookt met smook-blauwigen nevel, donkerde daar roezemoes van zuipende kerels, uitspattende drinkers en pijprookers, klodderend en spuwend op zandgrond. Flikkering en lichtflitsjes gloei-speelden ijl over karaffen en glaasjes bij buffet, onderschepte vonkjes en glansjes van verdwaald rood en groen-goud licht. Van alle herbergen stonden de deuren wagenwijd open, en achter de boomenlom’ring uit, verdrongen de werkers elkaar rumoerend, om eerder in haastigen slok ’t brandvocht, droge, moeë keelen in te gieten.—

Benauwend sloeg de stank van groenten, visch en aardbei de kroegen door. In woelige, opgedrukte kringetjes zaten groepjes bijeen onder schor dronkenmanslawaai, en telkens schoot geschater uit, dat als jammerhuilen verklonk. Jovialig beklopten ze elkaar op de petten, schouers, of stond ’n troepje, bij ’n hoek opgedrongen, met de jeneverkelken in de hand, morsend en plassend over kleeren en polsen, d’r groen-waar te versjacheren, klakkend in handslag.

Vlak langs de huizen en stoepen schuurden de paardwagens, uitwijkend als ’t kon, voor groenteuitstallingen om boomstammen; ging rond, ’n gang van slenterende meiden en moeders met kinderwagens, zuigelingen, angstig verschrikt kermend en krijschend tusschen den jachtarbeid in. Telkens uit zijwegjes en onder boomlaan uit, doken de paardkoppen vlak tusschen de verweerde menschtronies in, joelde de havelooze kinderbent, onder paardenpooten, achter karwielen, vaten, zakken en bakken uitklauterend. En heviger, boven alles uit, furiede hondgeblaf, angstige huilgamma’s van verhongerde kreupel-getrokken beesten, dorstig, geranseld, in woeste razernij van klachten, òver heet werkersrumoer heen, met ’n ontroerend-menschelijken jammerhuil in d’r blaf, als verschreiden ze hun ellende, hun dorstgemartel in hitte; verklaagden ze elkaar hun slaag en driftschoppen van d’r bazen, waarvoor ze zwoegden, den heelen zomerdag door.

Tusschen het ketsende paardgetrappel en kargeratel, door dwarsweggetjes uitgestort en neergeworpen in den woelstroom van ’t donderbonkerend marktgeraas, bleven de honden blàffen. Eén jammerkoncert van droeve klaagklanken, van nijdig gekef, van gekerm, gejank; schor en dreigend gebrul van door kinderen gesarde dieren, tegen de wielbanden getrapt, aan de spanriemen vermarteld, met steenen besmakt, dat de schrei-blaffende koppen verkrampten tegen de assen òp. En àl meer karren ratelden ààn, met span van drie en vier beesten vóór en ònder de wielen, die dadelijk meeblaften in oorscheurend geweld.

Plots braakten twee hoekkroegen ’n stoet uit van krijsch-jolende kerels, in malle sprongen, hals-bloot, met slappe handjes naar elkaar toe kankaneerend. Dronken verzwollen koppen, roode stropdoeken, losgescheurd op bloote borst, joolden ze èng en opgestooten onder paardkoppen door, waggelend tusschen kar-honden, die nijdig aanbasten, en in dol geterg, met hun woeste, kwijlige schuimbekken dreigden te happen. Voor de zuur- en vischstalletjes bleven de kerels staan, gretig grabbelend in de zon-bebronsde poonen, waarvan de vellen glansden als gloeiend ceramiek. En schor joegen ventersstemmen de kerels òp.

—Fersche poòne.… mooie poòne? faine skarre!.… fersche skarre!

Verhitte relletjeskring van arme tuindersventers, die onder elkaar wat bakken groenten hadden verkocht, niet op bootveiling en afslag hoefden te wachten, zongen rauw, in dronken joel:

—Oooaaw.… waa’t ’n skà-ànde!..

Hun vervuilde kleeren stonken en drank-asem walmden ze elkaar in de roode bakkesen.—Van rechts golfde ’n nieuwe zwoegstroom áán, die den lolkring terugdrong weer, in de smookige donkere kroegen, waar de zweetwasem verbroeide als zure vleeschstank, tusschen de scherpe prikkellucht van tabak en jenever.

Oorverdoovender buiten, brulde, loeide, raasde en kermde de hondenbent onder de karren; duizenden woedende en schreiende dieren tusschen ’t menschgekrioel in.—

Ze huilden als uit dwangbuizen losworstelende gekken, door brandangst, in ruimte zonder uitgangen, opgejaagd. Tegen elkaar in blaften de beesten onder assen, wielen of krukken, met bassende, dreigende, hakkende, schorre hoog klank-martelende razernij, onvermoeibaar in één krisis van kretensmart. En vonkwild, bloedbeloopen, gloeiden hun oogen zonder dat ’t landvolk omkeek naar de dieren, die ze verhongeren lieten, en versmoren van dorst.—

Aan linkerkant van Haven, waar menschen, paarden, karren, ezels en honden in één oppropping, ’t sterkst dooreenkrioelden, daverde zwaaibreed ’t kistengesmak; keilden tuinders, manden en bakken rond, klonk rauw gekrijsch, barstten vloeken uit, giftig en grof, in heete stemme-botsingen.—’n Politieman, tusschen geraas en gedrang, verkrompen tot mager angst-gestaltetje, keek rond, hand op de sabel, dan hier, dan daar geschouerbonkt, tegen z’n rug, getràpt tegen z’ beenen, z’n kop, geen raad wetend soms, waar zich te bergen.—Aldoor sprong ie opzij tusschen karrenknel en hondgedreig, maar dadelijk weer ver-bonkten ze’m naar andere plekken.—

En overal om ’m, zwol ’t daverend marktgeraas, ontkraterde het heete onweer van zwoeg, de sjouwende kleurige opstand van marktkerels; deinde de zee van druischend woelgeweld, in d’r licht en kleur-golvend beweeg, geraakt nog door laten zonnebrand; in d’r klotsende schuiming overstroomend, vèr, al verder, de Haven, de booten, den polder, met daverend rhytmus van treinengang, dreunend in den lagen, snikheeten zonneval.—

Tusschen het geraas en de blaffurie klonk als ’n demonische hooge stemmenspot, plots bel van den afslag, uitrammelend z’n schellen schater boven de kleurig-opgepropte menschenmassa. Daad’lijk trok ’n bronskleerige tuindersstoet met straat-groente-venters, zonder eigen grond, rond den afslager, die bengelen bleef; tusschen de helle klank-strooiing dóórkrijschend, dat nieuwe omgang van afslag beginnen zou. ’n Helper riep naast den verkooper, met twee handen aan den mond als toeter gebogen, heftig dat ’t bloed ’m naar de wangen schroeide, ’t zweet glimmig van z’n slapen druppelde, den druischdonderenden warrel van ’t marktgeraas pogend te overschreeuwen. De schelle klankenrammel bleef luiend lawaaien en daaràchter de schor-verkrijschte afslagers-stem, onverstaanbare radde handelstermen uitbrabbelend. Op ’n hooge stapeling van kisten stond ie naast z’n helper, en rond ’m, de stom toekijkende beweeglooze, ingedrukte klomp brons-kleerige tuinders, loerend naar de uitgestalde groentewaar, den geweldigen kring van sla, groen-doorzond, als smagarden kwallen, geplooid en bekerfd; douwig-doffe doppers, platte peulen, rhabarberbossen, rooiig-groen, en korrelig blanke boeketjes bloemkool, op stapels dooreengesjouwd, in kisten en bakken. Eindelijk stopte afslager, satanischen klankstrot van bel dicht, kringden de koopers nauwer op en achter elkaar. Kleine baasjes-pachtertjes stonden in den koopkrans gedrongen, met d’r sluwe kaal-geschoren tronies, loenscherig berekenend in klankloos lipbeweeg, wat ze voor de waar geven konden. Anderen, in gedachten, staarden als gekataleptizeerden naar de nu stille bel op kistenhoogte, die flonkerde bronzerig in zongloed, tusschen ’t groen. Lager gloei-glansde zon rond de kijkkoppen, rood-gouden toover sprankelend op tronies-brokken, de kerels vervlammend in toortsigen brand van d’r pracht-bronzende kleeren. Demonisch vlàmde er gloed, inbijtend op den kring, hier fel-licht verblindend op wit gekiel, daar goud-wolkerig verzevend op fronskoppen, bronzen ooren en handen, kleurige kielen en schonken.—

Venters die Wiereland doorsjacherden met wat groenteafval in hun verrotte schrompeling van kleeren, beloerden elkaar woest-nijdig, vooruit al bang, dat een den ander zou opjagen. Onstuimiger drong de stoet bijéén, scharrelkring van schorre kerels, in naakten drang elkaar met oogentaal vermoordend van afgunst. Snel, in woordratel van z’n kisthoogen stapel àf, had afslager z’n waren geprijsd.—

—Veur tachtig de duuzend,.… veur dertig.… die.… veur vaiftig die.…

—Main.… gilde één uit den kring, angst-ontzet als zouden ze ’m slaan.

Daar weerklankte helsche stemmestrot, van bel tingelingelinge! lingg!.… tin.… gelinge.… lingg-ling! ling! schel neerziedend in verdoovende vaart, in ’t rondomme geraas van karren, honden en menschen. Achter den afslager en kijkkring, was weer ’n ontzaglijke, aaneengekettingde rij aardbeikarren aangerateld, helrood tusschen de losgestapelde peenbossen. Als ’n geweldig fantomige opstand van plukkers en rooiers, was er ’n nieuwe stroom reuzige werkers en sjouwers uit den stationskant aangedrongen, dwars door de paardjes en ezeltjes, in ’n davering van ho!.. ho!.. hei daàr!!’s. Opstanding van titanische plukkers uit ’n heel anderen landhoek, tegen de paarden ingaand, die verhit, in pracht van trek-gang, trappelden en vernielden wat onder den hoef kwam.—

Rond handen en lijven, rond oogen van dieren en menschen bleef razen een heet gewoel, een druisch-hevige energie van demonische jacht, één krioelende gang van leven, tusschen boomen, tenten, stalletjes indringend en weer uitgulpend met overstroomenden golfslag van rondfuriënden ploeter.

Pal in den zinkenden zonnedamp, làger verglanzend in sfeer van goudrooden brand, doken de woeste zwoegkoppen òp, uit al meer verdonkerd boomlommer. Dààr, onder ’t verduisterd bladergroen sjacherden de kerels, met d’r tronies in geheim-fijnen schemer van half-licht, groen-goud en bleekblond omzeefd, soms plots uitgesmakt naar walkant, in ’t roodgoud gewolk, tot de voeten begloeid in fanatieken worstel van glansen.—

Van alle kanten in de avondzon, duwden ze òp de kerels, pracht-gespannen de spieren van stuw, al mèèr groenten, heele steden overrompelend met hun monumentale warenmassa. Inééngedrongen dààr, op karren bij elkaar, geplukt en gerooid, lag de éérst mijlen verspreide zwoeg van hun land, om straks te zien verdwijnen hun waar, hun voedsel en zoete spijs, als offerden ze, in angstige, stomme biecht van arbeid, aan den donkeren grom-muil van groote geweldige stad, verslindende metropool, die maar slikte, slikte, elken dag meer van wat er brandend en zweetend uit hùn gloeihanden zich opstapelen kwam.—

Van heinde en ver trokken ze op, van de stilste afgelegenste akkerhoekjes, waar eerst hun waar in zonnebrand had te gloeien gestaan. Van heinde en ver de kerelsstoeten trokken òp in orgieënden zwoeg, omjoeld van laat hemellicht, dat schaduwde en zacht vervlamde in beev’rige, goud-roode vegen, aarzelend purper en nevelig hitte-brio, verdonkerd onder lommerlaan in zeegroenige zweefglanzen. De kerelsstoeten er in, tusschen hun nog half levend goed, met den sappenden streng uit den grond gerukt, in den zwijmel van landgeur, den frisschen zwelg van aarde-lucht, verbrandend, verstovend in de havenstanken. Kerels-stoeten als ’n leger van werkers, met hun kleurfelle, gloei-dronken schitter-spijzen van overal, worstelend en optrekkend naar den grooten verren donder der stad, toestoppend den grommenden lekkenden reuzigen muil van het zwelgend, vraat-dolle, hongerige massa-monster, waar zij nu voor saamstroomden, met hun lèvende waar, doorzogen van hùn zweet; kerelsstoeten, onbewust van hun demonischen aanvoer, hun luidruchtige geweldigheid, en heet-koortsend kleurenbrio, hoorend in ’t kraterend marktgeraas, echo van den ontzettenden honger-grom van stads-strot.—Al maar, achter de kastanjelaan uit, van steegjes en weegjes, doken de karren òp, nu drukker in bedrijvig gedrang bij den molenkant van station. Ze waggelden de wagens, zwanger van hun vrachten, ratelden, hotsten heviger, alle door ’n blondroode baan van licht heenwadend, doortrilden gouddamp, die àchter hun koppen, hun waar, bleef hangen als ’n bevende nevel, laat zonnevuur waaruit ontzag’lijk, reuzige menschen groeiden. Eindelijk, hun lijven en karren, dromden buiten de lichtbaan, die zich achter hun koppen weer sloot als ’n wolkerig wonder van goud-roode glansen.… Al lager sloeg ’t zonnevuur de haven in tooverroes van kleur-vlammige schijnsels, als gebroken licht-vitrails, in scherven en brokken rondgestrooid over keien, sintelgrond, karren en vruchten, hout en steen; vlammige brandingen van ’n Juli-avond, waarin ’t marktgedruisch ziedde, kookte, in helle-sfeer van broeiing.—

De booten stonden al hooger opgestapeld, achter en òm de donkere pijpen en koelkast, bòven machinekamer. Gedraaf, hijgend òp en af de plankieren daverde en krioelde langs den wal. Te zinken dreigden de schepen van overvolle angstig-dicht opgepakte vracht. Burchten van ruw hout, in al woester koloriet, waar de late zon op neerlekte lichtvlammen. ’t Hoogst, bòven de bakkleuren uit, roest-rood, brons, groen, hel-blauw, goud-geel, bleven de aardbeien gloeien in hun ijl-zang van hel inkarnaat, purperend zonnegoud òpzuigend; de bakken volgedaverd van lichtende vruchtjes.—Daartusschen pyramidaalden bergen doppers, selderie, sla, postelein, wortelen, tuinboonen, bergen groen en oranje.—De bloemkoolen schaars aangevoerd van polder, stonken tegen de aardbei-zwoelte in, en telkens, uit den kroeg-smokigen mist, doken kerels òp, doodaf, in zweetvet verglommen, den heeten asem van hun drank in sjacher verhijgend over hun vruchten.

Midden in het oorsuizend donder-dof gesmak van bakken, in jagender tempo, stond plots ’n Jood, moorsch-zwart, op ’n kruk, voor ’n hoog standaard-tafeltje, waarop wat vuile tangen met kromme snavels, dooréén lagen; grimmig roodroestig gereedschap als martelwerktuigen van middeleeuwschen kerker.—

Midden tusschen ’t gekrioel en den furiënden aanstroom van lossing en lading, was de Jood tweemaal tusschen karren en boot doorgedrongen, maar weer teruggesmakt van z’n standplaats. Eindelijk had ie z’n tafeltje bij ’n wat uitgedaverd walhoekje vastgemoerd, was ie spraakloos in de giftige woeling rondom, blijven staan. Vòòr ’m dromden handkarren, volgestort met felgele komkommers, goud-glanzend, bij punten gepolijst, en telkens daverden kerels met groentebakken voorbij, die licht rondsloegen tusschen ’t overal wolkende aardbeirood.

Moorsch-zwarte Jood, met vonk-donkere oogen, stond hoog en rustig eindelijk op z’n smalle kruk, boven z’n tafeltje uit. Onder z’n tasch, tusschen de tangen, greep ie naar ’n trompet, tamboer-gebarig voor z’n mond drukkend. Valsch geschal toeterde en stootte ie uit, ééntonig als bazuindreun op grooten verzoendag in synagogen, kreten van vermoeienis en uitputting verjammerend.—Telkens bonkten, in ruwen daver kisten en manden tegen z’n kruk op, dat ie waggelde, zich vastgreep aan z’n vastgesnoerd tafeltje. Maar onvermoeid, toeterde ie door, energisch fel klankgescheur, dat de karhonden rondom nog ellendiger uitraasden, grienden en blaften, en telkens stortte ie ’n heet stjing! stjing! van bekkenslag er tusschen in.—

Achter den Jood, op z’n kruk, koepelde ’t geweldig polderluchtruim, doorgloeid van glansen, waartegen donkerhoog z’n gestalte oproer herautte, in ’t rondomme gebarrikadeer van manden, kisten en karren. Donker vonkten z’n oogen, en strak, taai-energisch, bleef ie toeteren en heete tjings van bekkenslagen afpauken in ’t geraas. Hem voorbij, in nijdige onverschilligheid, donderde ’t gewoel en gedraaf, gebroei en geschroei der zweetzwoegende kerels. Geweldige lasten voortzwoegende paarden zwenkten schurend langs z’n hoog standaardtafeltje. Ezeltjes huilbalkten achter z’n rug, en in loomen luister naar z’n getoeter en getjing-sjing stonden paardkoppen rondom, vlak tusschen het tuinders-gewoel, met heftigen tril van hun oortjes.—Wèg bleef ’t luistervolk, nog gebukt in sjouw, en sterker toeterden en dreunden de moorjood trompetscheuren, heet als schuimflitsen van golflicht, hooggoud en brandend rood, òver ’t woeste hurrie-rondkolkend marktgetier.—Eindelijk wat jongens en kerels, gedaan met sjouw, bleven hangerig en landerig staan voor z’n tafel, lacherig of in stompen staar bot òpkijkend naar den trompettenden Jood.—Grinnekend scholden ze ’m uit, krijschte een roomsch-nijdige kop, fel-spottend en dik-tongig.

—Enne.… ààpramm.… gewòn Isaak!… enne Issaakh!.. gewon Sjàkop enne.… Sjàkop ’r.. gewon.. heè! rot-smaus, appie!.… d’ur is d’r ’n goàtje in je trepetter!—

Maar Jood bleef star-kalm in z’n donkere figuring op de kruk, z’n vonk-zwarte oogen, hevig suggereerend in z’n hoofd. Stil had ie op z’n tafeltje de trompet en tsjing neergelegd, groote toortsen papier gerold en in brand gestoken, dat ze rookvlamden in z’n handen. Zachte kringen van vlammenlicht, zwierden hoog om z’n zwart hoofd, donkerend tegen den laag-stralenden zonschijn in. Walm-rook dampte blauwige mist rond z’n hoog-staand lijf, dat reuzigde tegen de polderlucht. Telkens als toortsen bijna uitgebrand waren, rolde ie met linkerhand nieuwe, zwaaide ze in kringen, dan één, dan twee, geheimzinnig om z’n gelaat; stak weer andere áán, wierp wèg de uitgebrande.—Nu en dan bazuinde ie tusschen het smokige, roetige gloed-rood gewalm, in den mist van z’n mysterieuze goochelsfeer trompetklanken uit, dat angstiger, burlesker, z’n omdampt-moorsche kop scheen te zwellen tegen ’t hemel-rood in.—

De jongens schaterden om mallen Jood, maar kerels nu bleven lijzerig staan kijken, bot, den mond van loome verbazing opengegaapt.—

Dirk was uit de kroeg, op ’t walmgerook toegesprongen in den kring, verbluft òpstarend naar den kwakzalver, als zag ie ’n wonder uit den hemel tusschen ’t havengewoel neergestort.

Onder de kastanjelaan woelde marktgescharrel, ’t drukst nu, rond de kleine tentjes en groenteuitstallingen.—De groote huisramen gloeiden rood in ’t zonnezinken, vreemd flonkerend, fel in gouden mist, onder den zwoel-duisteren bladerenschemer uit, rooden gloed, die diep, dièp, ’t marktkrioelen in bloedende gamma’s òverleefde, àchter de trillende boomschaduwen. In den geheimvol verwaasden ruitenbrand, mysterische vensterstaar, onder ’t scheemrige perspectief van havenlaan, stak zonnezink telkens andere ruiten ààn, die vlamden in lichter en donkerder gloei, tusschen het lommerig duistergroen dóór. Daar onder, en vòòr, joeg wilder gedrang en gedraaf òp en neer van kerels en vrouwen, in gekrijsch, geslikkerbik en ruwen klinkklank, òm de poonen- en stinkende scharstalletjes. Meisjesgegil joolde, tuinders lolden, dronken, in woesten stoei. En dwars door den brandgloed van ruiten, titaanden ze òp, naar ’t vlammegekring en getoeter van den Jood, met z’n makaber trompetgekrijsch en rossig-rookige toortskringen. Onder ’n oppropping van goud-gele, bronzen en bruine tentwagens, vóór kroegen en huizen uitgespannen, wiel- en rug-beflitst, holde ’t landvolk naar den trompetter, in gejaagder tempo.—Nieuwsgierig, verhit en afgebeuld, trok ènger en meer rijend achter elkaar, ’n kijkkring om den Jood. Telkens kwam karrendrom dwars door achterste loerders heendringen, in gesnauw, gevloek, geraas, verbrokkelend den stoet, maar aldoor vulden de gaten, propte zich voller de kijkkring.—Jood had goed rondgekeken, sluwigjes zich neergezet op plek waar de booten ’t hoogstmurend al volgestapeld stonden, de sjouw aan ’t afloopen was. ’n Tuinder had ’m gezeid dat ie doodgegooid zou worden met bakken en manden, als ie eerder begon. En stil, taai-rustig had ie gewacht, rondloerend met den heeten gitglans van z’n oogen, berekenend wanneer ie z’n slag moest slaan. Grooter werd koppengedrang om ’m heen, en telkens nog scheurde ie trompetgalmen de lucht in, tusschen het marktgewoel, dat soms plots woester langs ’m raasde en tierde; ontstak ie rustiger, z’n groote grauw-papieren toortsen, vlam-kringen boven z’n hoofd zwierend, als derwisch in godsdienstextaze, vreemd-woest in z’n moorsche, dreigend-suggestieve donkerheid. Nu en dan galmde ie wat woorden uit, die wègkreunden in ’t helle-geraas. In aandacht gespannen, verkuchten de kerels papierstank, brandlucht en rook; stonden ze op elkaar gewurmd en verdeukt van lijf, als menschenpròp vastgeslibd, saâmgeklonterd in de woelende aderen van dóórstroomend marktlawaai.

Eindelijk had Jood genoeg van z’n toortsen en toetering, lei ie z’n trompet neer, verschoof ie z’n papier, rammelend tusschen z’n trektangen en groote zwart-verlakte tasch. Stil-donker stond z’n lijf, hóóg op de kruk tegen ’t late zonlicht in, rug-beglansd, en schouers èven geveegd van goud-rooden glans.—Stil-donker, verduisterde z’n gezicht al meer. Z’n zwàrte flambard, breed model, dofte op z’n zwàrten kop, even boven z’n zwàrt-moorsche brauwen, als met kool-stift in z’n rimpel-hard voorhoofd geëtst. En z’n oogen, diep vergroefd in zwarte wallen, gloeiden vonkig, fosforig tegen ’t licht, als van ’n hond. Z’n snor, zwàrt en breed uitgekruld, en z’n baard, koolzwàrt, verdonkerd, vrat weg z’n smal geel-bleek gezicht, dat alléén oog en háár leek.

Sultan-achtig, èven ingebogen met rug en schouers, verdraaide ie hoofdsche gebaren, gratieus overdreven, met potsierlijk eigen-waarde-gevoel van hoffelijk markt-kunstenaar. Zwaar kuchte ie, èven beleefdelijk hand voor den mond, zette eindelijk in.

—Als hèt.… hooggewaardèèrdèn.… pùbliek.… eens èènèn.… oogènblik.… nààr mij.… luistèrèn wil.… zou ik mij.… bèkend willèn.… makèn.…—

Elk woord stootte ie uit, in breede sperring van den mond, optrekking van wang en lip, dat z’n prachttanden, hagelwit, òpblankten tusschen z’n donkeren snorbaard. Door vreemd-trillenden òphaal van z’n mond onder ’t spreken, leek ’t of ie bij elk woord dat ie uitstootte, duivelsch grinnikte, in samenfrons van roet-zwarte brauwen, boven satanisch-gele groeven van z’n voorkop.—Z’n stem klonk schor-vermoeid, als van iemand die walgt van eigen praat. Smart lag er in, schorre, angstige, stil weenende misère. Soms onder ’t stoot-fel spreken, verdofte de vonk uit z’n oogen, stààrde ie over de luister-koppen, kwam er lusteloosheid in het donkere rumoer van z’n anders felle kijkers. En dóór bleef iets weenen in z’n schorre, àffe stem. Geen van de drieste, in zweet afgebeulde werkers, in de havenhitte, broeiig opééngepropt als groote verbaasde kinderen, loerend, loerend,—die iets merkte van Jood’s vermoeienis. Z’n handgebaren gingen mee, moè, afgetobd, met z’n stem, elk woord afhakkend, om duidelijk te zijn, verstaan te worden, vreemd-zangerigen, verkeerden klemtoon-druk op èlk woord neerdreunend.—

Boertjes, tuinders en meiden stonden te dringen, te zweeten, te blazen in de hitte, maar al meer landvolk propte zich dichter, vaster om z’n tafeltje, gevangen door z’n schijn-gratie, z’n zeg-vuur en opgewektheid.

Van alle kanten begluurden ze den Jood, klaar om ’m te steenigen als ie hen bedroog. ’n Paar jochies zwierden òver koppenkring heen, palraak, hem vuile groentenstronken in ’t gezicht, en kinders gilden plots, boven ’t marktgeroes uit: smaus! dief!.… rotte joòd!

Even keek ie naar de kereltjes, gooide de koolstronken, die smoezelig op z’n tafel neervlerkten, achter z’n kruk, lachte stil, ironisch-droevig.—

Plots lichtte ie z’n grooten donkeren hoed, beleefd van zwartkrulligen kop, groette in tooneelbreed gebaar, schreeuwde uit, woord-afstootend in zangrigen dreun vervolgend.

—Hooggè.… wààrdeerd pùbliek.. Ik heb.… den bijzonderèn èèren mij-zelffers ààn Uw.… voor tè stellèn.… Ik ben.… tandhéélkundigèn … mijn naam is … Jaack Ròzel … woonàchtig.… sedèrt.… drie-en veertig jàren.… te Rottèrdam.… nùummééroo zès-en-zèstig.… alwàar ik.… prakkiseer.… sedert veertig.… jarèn.—Ik ben.… dèn zoon van dèn.… èx-èx-professor.… te Montabilie, gènaamd.… Jaack Ròzel, seni-or.… waarvàn ik.… den eer heb.… den èchten, den eenigèn afstammèlingg.… tè-zijn.… Ik represènteer.. zijnen.… nagedàchtenis.… en verkondig den volken.. zijn sàluut!

Even rustte z’n stem, doodop, als stervend in z’n schorre keel. Rond z’n luisterkring lawaaide herriestroom van karren, kisten, kerels, gierden honden.—’n Paar boeren met goudrooiige kaasjes op grooten wagen, duwden tegen den kring in, schreeuwend en roepend, òp van inspannenden sjouw. Gevloek en getier sloeg terug, over kerels en meiden heen, opzij gedrongen uit kijkkring. Duw-kerels raasden en spogen naar den Jood, die deed alsof ie niet hoorde. Even zacht, sloot ie de oogen, mijmerend in zichzelf. Plots sperde z’n mond weer, ging uitgekrulde zwarte knevel in lippendans heen en weer, op den burlesken donkeren kop; stootten z’n woorden weer in zangdreun, met den angstig-schorren klank-moeën stemmebeef:

—Mijn bèroep, geàcht pùbliek is te zijn tandheelkùndigèn.. Ik.… genees.… àllen tant-, àllen mond-, àllen kies-, àllen keel-, àllen verhemelten-, àllen reumatièken pijnen.… Ik.. gènees àllen zinkes.… àllen koòrtsèn, àllen aandoèningèn.… en … stòringèn.… gèlijk gij dat.… ondèrvindt.… van profèssèuren.… gèlijk gij mààr.… wilt.… luistèrèn!—

Plots daalde z’n stem tot zacht-vibreerend gespreek, doordringend, duidelijk te verstaan toch, in den doodstillen kring, waarachter de markt raasde, tierde, smakte en donderde, àl verder, met heet geluid van duizenden mokerslagen op aambeeldstaal.—

—Noemt mìj.… éénen.… leugènààr.… noemt mìj.… éénen.… bedrièger.… éénen galèiboef.… indien ik.… ù niet … den geëèrden argumènten … toon … Maaààrrrr!!.… stootte in één, ùit de zacht-vibreerende spreektoon z’n stem plots hevig òp,—àllen profèssèuren.… àllen doktòren.… àllen tandheelkundigen, àllen verlòs-, àllen heèl-, àllen gèneeskundigen.… kènnen.… Jaack Ròzel, Jaack Ròzel, den éénigen.… en èchten.… afstammèlingg vàn.… Profèsseur.… Jaack Ròzel.… Senì-or.… zijnèn vàder.. te Montabilie.… begràven.… mèt mùziek.… en militairen eèren.. Allen kennèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or!.… wien ik.… dèn eèren heb.… hièr tè zijn.… Voor wièn ik.… Hedèn.. mijn beproèvingen.… zal amploi-jèèren!.…

In kring van luisteraars en loenschige kijkers, bot en verbaasd òpstarend naar den kwakzalver, was groote stilte-spanning gezakt. En achter den aangroeienden menschprop, in kring vastzuigend een aan den ander, zwol het hondengeraas als hellegekerm; ratelden en hotsten de karren, rauwden in krijsch en hurrie kroeggangers en sjouwers. Vreemd in bleeker goud, stonden huisruiten achter boomlommer uitgebrànd. Er vòòr krioelden nog tentwagens, karren, paarden, ezeltjes, vrouwen en kinders, scharrelaars met kippenmanden en lichtbekleurde vogelenkooitjes. Aardbeizoet bleef zwoelen, overal rond. Telkens uit de kroegen doken koppen òp, onder ’t lommergroen uit,—waar ’t nu dampte van stanken en broeinevel—opdringend in woesten stoei naar den Jood.—

In strammen staar bleef kring om ’m heengepropt, loerig wachtend op z’n proeven, maar voortschorde, scherp, droog, z’n stem, gemarteld van moeheid.—

—Ik.… Jaack Ròzel, woonàchtig te Rottèrdam, gènees U.… van àllen pijnèn, àllen wervèl-, àllen gezichtspijnèn, van kràmpèn.… zoòwel àls van kolièkèn.… van klièrèen.… zoòwel.. als.. vàn verzwèeringèn.… van spierpijnèn, van pèèspijnèn, van likdoòrnpijnen.… van gezwelpijnen, zòòwel als van abscespijnèn.… En ziet toe!.. Hooggèwààrdeerd.. pùbliek.… zièt toe!.. Ik gènees allès met hèt.… kostbàren vocht vàn.… Valura.… in dezèn fleschjès.. saamgèperst.—

In groote omzichtigheid tastte ie met één hand in z’n tasch, haalde er flakons, in vloeipapier uit. Hoffelijk buigend weer voor z’n gehoor, ironietrek verborgen om z’n breeën donkeren mond, nam ie gratielijk z’n hoed af, stootte schor-rauw uit:

—Mijn gè-acht.. en hoog-gè.. waàrdeerd.… pùbliek.… met dit.… vocht.… van Valura.… geneès ik.… wondèren!.… Met dit vocht.… heb ik reeds.. genèzen.… dèn kòning van Itali-en.… dèn koningin van Spanje.… dèn oud-kroonprins van Groenland.… den princes van Montàbilie.… den èrfgraaf van Havana.… dèn rèsident van Djòkjo.. kàrta.… dèn dekens.. èn dèn.… bisschoppen van Ròmana.. Mèt dit.… duurzàmen.… vocht.… mijnèn.… geëerden hoordèrs.… verricht ik.… geneesingen.… dien gèèn.… doktèr.… gèèn tàndheelkùndigen, gèèn chirùrgein.… gèèn àrts.… gèèn profèsseur, gèèn spiritist, gèèn hypnotiseur, gèèn fàkir, gèèn Bedouien, gèèn Arabier, gèèn Israelièt.… gèèn Christèn.… gèèn Moor, gèèn Zweed, gèèn Spanjool, gèèn Fransch-, gèèn Duitsch-, gèèn Engelschmàn mijn kunnèn.… na-verrichten!.… Maaààrrrr!.… mijnèn vrienden.… Eenigèn.… druppèls, van dit.… duurzàmen vòcht.… in dèn mond.… eenigen roersèlen in dèn gehemèlten gehoudèn.… daarnà hèt vocht.… uitgespògen.… dèn mond.… nagèspoeld met koud water.… èn wèg.… èènsklaps zijn àllen pijnen, àllen koortsen, àllen zinkèns.… Maaààrrrr! aanstonds mijnen heèren!.. en mijnèn damès.… aanstònds.. zàl ik.. onder.. uwèn.… geëerden.… aanwezigheid.… dien er.… mààr wil.… den proef laten nèmen.… Ik bèn.… Jaack Ròzel.… Juni-or.… woonàchtig te Rottèr-dam.… Reeds sedert.… veertig jàren.… trek ik.. zònder pijnèn.. en zonder geldèn!.… graties!.… voor-niets-niemèndal!.… Alleen vòòr dit.… flèschje.… betaalt gij.…—Dat-wil-zeggen.… Ik ben.… hier niet.… gekomèn.… om wat.… te verdiènen.… maar.. òm dèn.. menschèn.. te bewijzen.… een weldààd.… Maarrr!!.… al zoudt.. gij mij.… vijfèn.… twintig guldèn.… willen gevèn.… ik zou dezèn.… niet akcepteeren.… Ik bèn hier.… òm ù.… van dienst tè zijn.. Alleenig daarom!—Dit vocht.… van Valura.… spéciaal.. bèreid van gè.. heime sappèn.… òntdekt.… ten tijdèn.… vàn het.… middernachtelijk uur.… door mijnèn.… vader.. profèsseur te Montabilie.… door zijnèn.… handèn.… den handèn.… van Jaack Ròzel.… Seni-or.… dit vocht.… met zijn.…. geheimen sàppen.… kùnt gij.… krijgèn.… Maaààrrrr! nièt voor.. dèn prijs.… van vijf-en.… twintig.. gulden.… Voor gèèn twintig.… gèèn vijftien.… gèèn tien.. gèèn negèn.… gèèn acht.… gèèn zevèn, gèèn zes.… gèèn vijf.… gèèn vier.… gèèn drie.… gèèn twee.… gèèn één gulden.… Maaààrrrr! dit vocht.… waarmeè ik.… genees.. àllen zinkèns.… àllen koòrtsen.… àllen keèl, àllen tant.. àllen maàg, àllen ingèwandspijnen, dit vocht.… kost slèchts.. dèn prijs vàn.… vijf-èn-twintig centen.… En al.… woudt gij.… mij nu gèven.… na te hebben.… gèzien.… den wondèren van mijn wèrken.… op hèt lijf en den ledèn.… den pezèn en den spierèn van iederèn persoonaadjen.… al woudt gìj.… mij betalèn den blootèn sommà van vijf-èn-twintig.. guldèn.… ik zou.… hèt.… niet.… aanvaardèn.… omdat ik.… een weldààd.… voor den armen bèdoel.…—

Even hijgde ie uit. Ronddaverend geratel was achter z’n kring heengedonderd, dat ie sterker z’n stem moest uitzetten.—Z’n gezicht glom van zweet, stond grauw van vermoeienis. Toch probeerde ie door te spreken met cier, hoogdravend in zinwending, langzaam, als uitrustend bij elk woord, overdreven in hoflijke geaffekteerdheid, alle woorden afstootend met zware „’n”. Weer had ie deftig z’n hoed van ’t hoofd gelicht, sprak ie ’t landvolk toe, meiden gapend van verbazing, kerels loenschend en heet op proeven.—Hier en daar, midden in en vooraan in den kring, stonden jongens en kerels met hand aan den mond gedrukt, zacht-kermend van pijn, gloeiend in hoop nu, van hun smart verlost te worden. Er begon wat bangelijk geloof en verschrikte suggestie in den menschklont rond te gaan. Dat voelde de Jood, zacht-triomfeerend met ingehouen ironielach.

Zon, al lager, verfde gouïge glanzen nu op de luisterkoppen, en tèlkens drong nauwer òp de groep, om tandentrekker.—

Zachte, plechtige verschuivingen van lijven en gezichten, armen en rompen, wurmden paffend in den kring, waar tusschen snikhitte dampte. Gezichten stramden strak, van vrouwen en kerels, nek-achterover, in òpstaar naar den al sterker suggereerenden Jood, in luisterspanning; koppen staarden, van jongens en kinders, waarop ’t late licht wondere schijnsels weefde in legendarischen gloed.

Karren ratelbonkten nu al verder van den kwakzalver af, die al breeder omsloten stond in kring, en sterker stootten z’n woorden òp, schorde z’n moe geluid, afgetobd en bevend:

—Maaààrrrr! nu.. Hoogè-eerd.. pùbliek.… Is er.… een-ònder u.… die soùffreert.… aan pijnèn.… ’t zij zinkens, ’t zij koòrtsen, ’t zij rheumà-tiek in dèn mond.… het strottenhoofd.… hij komèn.… tot mij.… opdat.… ik hèm.… òp slag gènees.… onmiddèlijk.… Ik ben.… Jaack Ròzel.. Juni-or.… heeren en dames!.… zoon vàn.… profèsseur.. Ròzel.… Seni-or.… woonàchtig tè.… Montàbilie.… Maaààrrrr!.. ieder.. dien nù.… lijdendèn is ààn pijnèn.… ’t zij oòrpijn, ’t zij.. wàng- ’t zij keèlpijn.… hij komèn.… tot mij!.… Mijnèn.… vriendèn.… en ik.… zal hèm.… dadèlijk.… genè-zen.… zonder smàrten.… met dit.… geheimen.… wondèr vocht.… van Valura!.… Laàt u.… hèden.. niet terughoùden, door.… àngsten of.… valschèn.. schaamtèn’s.… Want ìk trek.… zònder pijnèn.… en zònder àngsten.…

Twee opgeschoten slungels en ’n knecht-tuinder wrongen zich uit den knellenden prop los, gingen bleuerig en gemaakt-lacherig voor de tafel staan. Een blondharige jongen had onder elken arm ’n dik kaasje gekneld.—Uit z’n jekkerzakken bochelden goud-glanzende punten van komkommers. Met suggestieve kracht keek de Jood van z’n kruk op hen neer, door-oreerend toch tot publiek, zonder de patiënten iets te zeggen, manouvreerend den kring rond met z’n fleschjes. En donkerder figuurde z’n mager lang lijf tegen het late luchtruim, hoog-eenzaam op z’n kruk, in de afzakkende havenherrie, in den zwoeg van karren naar booten.

—Hei Jansse, hai hep ’t op sain ruijker!.… t’met stol ie.. je koàsies.… kaik de fint se klietere onder sain oàrreme!.. schreeuwde Dirk, telkens aan z’n wang voelend of ie ook t’met geen kiespijn voelde. Dan kon ’t nou toch beure feur niks.—Maar de Jood zangdreunde voort.

—Nièmand.. mijnèn vriendèn.… behoeft dit.. te koopèn.. àls hij.… niet dèn.. proevèn.… heeft gèzien.… gelukkèn.. Komt ééns hier.… gij vriend.. ja!.. lèg u.. kaasjès.. mààr neder!

—Komp nou op de koffie hee?.… die bi’-je t’met kwait, schreeuwde één heesch, uit de menschenprop.

—Leg.. uw.… kaasjès.… maar hier.… nèder!.. mijn vriend.… Hun zal.. gèèn leed u geschiedèn.… Neen! kom niet.… àllen drie!.… tegèlijk.. Gij àlleen.. ja.. laat ùw kazèn.. mààr los!.. weès niet.. zoo bèvreesd.… Gij.… àlzoo!.. juist.. hier!.. maar.. op dèn straat.. jongèn vriend.

Wat schèèlt u?… en waar mààkt gij.… u bezòrgd ovèr? Zeg hèt mij gerust.

—Nou?.… joa kaik.… doàr.… achteràn.… in main bek hee?.… aarzelde bleekig van angst en verlegenheid de slungel, die bangelijk z’n kazen op de straat had gezet, er telkens naar glunderend, of iemand in den kring ze ook vergoochelde.

—Hoe is ùw.. naam.… jòngèn.. vriend?.. èn waar.. woònt gij?.…

Van z’n stoelhoogte had tandentrekker zich voorover gebukt naar den beschroomden slungel, die met open mond, wijd gesperd, wat terug stamelde op z’n vragen, terwijl de Jood, ingezakt, beenen gekromd, ’n vies tangetje tegen de rottig-groene tanden van den jongen aantikkerde.

—Hier zit hij.. niet waar vriènd?.. juist.. dèzen.. juist dèzen.… dien doet u.. pijn? niet jongèling?.…

Harder tikte ie tegen ’n bovenkies áán, en de jongen, beverig van pijn en benauwing, met z’n kop in den nek gedrukt, z’n schonkige schouders van angstigheid hoog-scheef opgetrokken, oogen duizelig hemelruim instarend, schokkerde, kwijlde op Jood’s hand, stotterde wat woorden, achter gerommel van vuilroestige tangetje, dat z’n mond inwoelde.—

—Hier hèbt gij.… pijn nièt?.…

—Nou.… nou.… auw!.… ik f’rek puur fé’ pain!.…

—Zekèr.. vriend!.. stil moàr! Houd ùw hoofd.. wat hoogèr!.…

De twee andere patiënten, bleven gejaagd kijken, van den jood naar den slungel. Spannende angststilte hijgde door heel de menschenprop.

—Geef dit, tangètje ééns aan, gij vriend!

—Hoekke motte ’t weuse?.… stamelde de gevraagde verlegen.

—Dutte! dutte!—krijschte ’n andere er zenuwachtig schreeuwerig doorheen. Maar de Jood had zich, ongeduldig, zelf teruggebukt achter de tasch, z’n halven vuist in den gaapmond van den slungel stekend. Handig, uit z’n vuile rommel greep ie ’n kort-dikke tang, met roestige snavelkromming.—

—Kaik.. dat is weer ’n aêre!.. schreeuwde bang één uit den kring.

—Wá’ he’k main slinger!.… dá’ kost ’m sain heule stal!.. lolde zenuwachtig ’n ander.…

—F’rskeur nou je pampiere moar.. Joap Jansse!.. gilde ’n meid.

—Kom bai màin op de koffie Joàp!.…

Maar Jood bleef kalm, hield z’n tang op de tong van z’n patient gedrukt, keerde zich deftig naar het publiek, dopte weer hoofsch, met sierlijk groetgebaar, liet den slungel gapend, den kop diep den nek ingekrampt en sprak:

—Hooggè-waàrdeerd pùbliek.… gèachten.… vriendèn.. Ziet toè! gètroost uwèn.… geëerden oogèn.… den kòst.… te gevèn.… ziet toè … hoe mijn … vocht vàn … Valura.… wondèren.… uitrichten.… zal.… Dezen jongen vriend.… ùwen vriend, heeft.. hevigèn kièspijn.… koortsèn.… en zinkès.… van wegèn.… den verròtting.… èèns kies.… nièt waàr vriend? Gij lijdt.… gij hebt.… duldeloòzèn.. smarten.… in dèn ochtend.… wanneer gij.. u ten rùsten bègeeft, òp ùwen.. legerstedèn.…

—Nou furt dan.… furt!.. furt!!.. ik f’rek fè pain.… stamelde woedend de slungel, ’t hoofd nog achterover gebukt, klein gesuggereerd in houding, roerloos, als zou ’m de Jood, bij kleinste beweging, begoochelen. Maar kalm weer, boorde blik van den kwakzalver op z’n angst-slachtoffer neer, en dòòr stootten z’n afgebroken woorden:

—Gij hoort hèt.… gèacht pùbliek.… ùw vriend lijdt.. pijnèn … smàrtèn … zièt toe … hoe ik … dezen.. jonggèling.. éénigen.… dròppels.… van dìt.… gèheimèn.… vocht toèdien.… zièdaar!.. mijn jeugdigèn vriend! neemt èèns, een slòkje en spoelt u, op dèn plek.. ùws pijns.… Maar houdt hèt.… geheimèn sap over.. uwen gànschen.. tong vèrspreid. Zoò juist! En nu.… ter exploiteering der kràchten.… vàn mijn … geheimen Valurasavochten … blijkt dit … koelen vocht saamgèsteld.… uit bestanddeèlen van wònderen.… dien ik niet.. zeggèn mag!.… Maaààrrrr! waarmeden.… ik allen.. pijnen.… gènees.. bij koningen en princen.… gravèn.. en baronnen.… tot bij den vòlken.… van dèn.. laagsten ràng..

Ik zeg nù.… tòt u.… gij jòngen vriend! neemt dit.… koelen vòcht van Valura.. en laat hèt één oogènblik liggèn.. in den hoèken uws gebeentens, op dèn plek.. ùws pijns.. en gij zult nièts meer.… voelen. Dèn pijn.. zàl zijn.. verdwènen.… en nooit wèder.. kèèrèn.… Alzóó.… spuw nù uit.. mijn jeugdìgèn.… vriend.… het speeksel.. ùws monds.… Schaamt ù niet.… voor ùws.. gelijkèn.. èn uwèn mindèren.. Zòò juist.… Drink nù eens.… één slok.… vàn dit.… ijskoud heràldisch wàter.… dat is heraldischen spijzèn.… vàn oòrsprong. Egyptisch.… zòò juist!.… spoel daarmèden uit.… den ònreinhèden.… uws lichaams.… spoelt dàt.… àlles, dat meèleed aan uwen.… spieren.… en pezen.… gewrichten.… en gebeènten.… laat uwèn … mond verkoelen.… èn wèg.… wèg.… èènsklaps.… zijn àllen pijnèn! Spreekt vriend.… spreekt.… hoe.… voelt gij.… u? Waar is ùw.… pijn?… Waar?… zoo éénsklaps verdwènèn?.… Sprèèk!.… sprèèk!.…

Slungel, met uitgespoelden, smakkenden mond, stond beteuterd, keek sip rond, als zocht ie naar de pijn, verbluft … Angstig ’t eerst, greep ie naar de kaasjes op de straat, voelde in z’n zak naar z’n komkommers.

—Welnu.… jeugdigèn vriend.. sprèèkt—bid ìk u.… spreekt tòt u.… gèlijken.… tòt uw naasten.… vriendèn en maagdèn.… en zèg hèn.. dat Jaack Ròzel Juni-òr.. woonachtig.. te Rottèrdam.. Wagestraat zes en zestìg.… uw eensklàps.. heeft genezèn.… van àllen pijnen.… àllen smarten.… àllen zinkens.… àllen rheumatismen.… waarmedèn.… uw aangèzicht.… bezwangèrd wàs.… Spréékt!… Hebt gij pijn? nù nog?

—Nou f’vloekt.… nou hè’k puur main droai … dut is d’r tùg ’n meroàkel!.. ikke voel puur niks meer.. niks!..

Verbaasd drukte ie z’n hand op z’n kies, om te voelen of ie ’r nog zat. Triomf vonkte er in oogendonker van zwarten Jood. Deftig z’n hoed lichtend van den kop, met ciergebaar, vèr groetend en buigend lichtelijk voor den kring, krijschte plots z’n stem, heftig:

—Maaààrrrr!!.… nu zièt gij.… dat hèt wònder.. heeft plaats.. gègrepén.… Dezèn jeugdigèn vriend.… door mij àànschouwt.… begeeft zich tòt mij.… zoekend.… naar genèzing.… van dèn martelingèn.… des kiespijns.… Hij komt tòt mij.… uw allèr vriend.… met dèn hand.. aan dèn mond.. een gèzicht.… vertròkken vàn smart.. En ik.. naar gij zaagt.… geeft hèm.… eenìgen druppèllèn.… van mijn vocht … En éénen.… minuut.… staat hij hier.… hij drinkt vàn dit.… ijskoud heraldisch wàter.… en spoelt zich.… ònder … mijn toezicht.… En eensklaps … weg … is àllen … pijnen.… àllen koortsen.… Onthoudt nù.… geëerden menschen.… dàt hij èènen.… mìnuut.… voor hij.… hier kwaamt.… voòr mijnèn tafel.… nog hinkten.… nog jammerden en weènden.… van smàrten.…

En spreekt nù.… weer jonggèlingg!… En zeg.… niets.. dàn dèn.. waàrheid.… àlleen en uitsluitend den wààrheid!..

Moor-Jood keek doordringend den slungel aan, die maar knikte van ja, ja, verlegen, sip, met z’n kaasjes weer stevig onder de armen gekneld. Uit z’n twee logge jekkerzakken, onder z’n ellebogen, drongen hooger z’n geel-glanzende komkommerpunten. Komisch verbluft, draaide ie om de kruk rond, staarde ie òp naar den Jood, knikte en stamelde tegen de menschen, dat ie heelemaal niks meer voelde..

—Debies, dutte is d’r puur ’n meroakel, riep Dirk Hassel extatisch, spijtig dat ie geen pijn had, om ook ereis te probeeren of ’t echt was.

—Nou.. die hep ’r ook ’n knikker, wees een, met ontzaggebaar naar ’t hoofd van den Jood.

—Aa’s ’t gain mesièk is!.…

—Mesiek! mesiek! onderbrak een giftig.… en je sien ’t puur veur je aige lampies.… die vent hep rekloàme neùdig!.. mô joù hebbe.

—Tu tu tu.… sou d’r rais kaike.… mi’ de aêre hee!..

Verblufte aanhangers had Jood al en woest werd ongeloovige twijfelaar naar achter geduwd, met voettrappen en elleboog-stooten. Er ging gestommel en geschreeuw; kerels en meiden bliezen van de hitte.. krijschten ruig en paf-moe: daa’s puur ’n stookie hier!.… wa’ hitte!.… Maar Jood lachte stil, deftig doorgebarend, hoed in de hand. Verbluft verstierven de stemmen uit den kring, rumoerloos in luister.—Al dichter kringde menschenprop om kwakzalver heen en verder af daverde ’t kargebonk, gehots en geratel, om z’n kruk.—

—En nu gij.. mijn vriend.. wat dèèrt u?..

’n Woeste kerel, ruw uit verlegenheid strompelde vóór, met z’n pet in de hand, zweetharen over voorhoofd plat-verkruld, nattig glanzend. Wijd sperde ie z’n mond open, spoog ’n pruim voor de kruk, in klownig gebaar, dat ze schaterden in den kring. Z’n lippen, nog bruinend van pruimsap, smeerde ie woest af met handrug. Wild z’n hoofd achteruit, strammend den nek in, gaapte ie als ’n nijlpaard, zonder ’n woord te zeggen, z’n handen mèt pet, nù in z’n broekzakken saâm-gevuist.—

Jood keek, streng, donker, met één hand nog lager achterhoofd van kerel den nek indrukkend.

—Hoe heet gij.. vriend? wat dèèrt u?.. waar woònt gij?

—Da’ flop niks!.. waa’k hiet hee?.. aa’s jai main d’r moàr vèn furt holp, hee?.… barstte de vent woest-lachend uit, main heule bek is t’met rot.… de heule femielje sit dur in te kniese hee? en nou ke’k dur nie eens main flees an toàfel vèn baite.… hee?..

Schatergelach uit den kring barstte los om den brutalen schooier, van wien ieder wist dat ie noòit vleesch zag.—Kerel, aangestooten door ’t lachen, lolde zenuwachtig-schel door, om zich van z’n eigen verlegenheid en benauwing af te helpen. Door de menschenprop joeg weer drift. Nauwer drongen kerels en meiden naar ’t tafeltje òp.—Brallend gekrijsch uit den troep gierde uit:

—La’ jai je nie naime Piet!.… aa’s t’r pain is mo je.… f’rdomd,.… mo’ je ’t uitskraife.… aa’s ’n kerel!

—Nou.… da’ kaa’n je op toetere!.… riep ie driftig, op en neer wippend z’n kaken, terwijl tandentrekker telkens een tangsnavel z’n mond induwde, scherp loerend den beweeglijken donkeren gaapmond in.

—Ja vriend.… indièn gij.… ù niet rustig houdèn kùnt, gedurèndèn een kortèn poosèn zal ìk u.… moetèn opgèvèn.

—Nou seg … hep gain loàrie … ik stoan t’met aa’s ’n poal! furt! furt nou.… debies!.…

Wijder sperde tuindersknecht z’n mond en strenger, in tanggerammel, keek kwakzalver er in. Sierlijker en geaffekteerder wellustte z’n schorre stem hoogdravend gepraat uit.—

—Ja vriènd.… in dit gèval, bij dèn staat ùws monds.. zal één kies.… verwijdèrd.… moetèn worden.—Wil èvèn.. uw geëerden nek achtèruit dringen,… Zòò.. juist zòò!.… Ik zal u.. trekkèn geheel zonder pijnèn.… zoòals.. Jaack Ròzel altijd trekt.… zondèr.… schokkèn.… zonder stòòten.… zonder smartèn.… zondèr soufrànsèn.…

Doodstil loerde de kijkkring op z’n handen. Achterstaanders rekten zich op teenen, om beter te kunnen zien. Kalm draaide de Jood van z’n verroest grimmig stelletje, beplast met water uit ’n glas, een grooter snaveltang los, rood van roest.—Even boog ie in, z’n lichaam, sperde met één hand den mond, drukte plots haastig, de tang in donker gaapgat vóór ’m, verplaatste andere hand in bliksemsnel beweeg, achter den nek van den kerel, die òpstaarde hemelwijdte in, met gespannen kop, woest-verwrongen, donker-harig.—In één draairuk trok Jood de kies er uit, terwijl de kerel nog z’n kop naar achter hield gekrampt, niet beseffend dat ie al geholpen was. Zonder den patient tijd te gunnen tot spreken, zeide jood kort en suggereerend:

—En nu.… drink! dit ijskoud heràldisch watèr.… vèrmengd.… met vocht.… van Valura.… En wèg is.. àllen pijn.… èènsklàps! En nu.… spréékt ook gij vriend!.… Hèbt gij wat gèvoeld?.… bij hèt trekkèn? Sprèèk?.… zeg slechts.… den vollèn wààrheid!

Woest-harige kop, ook van dèzen patient stond gebluft naar den Jood op te staren. Niets, niets had ie gevoeld, geen sikkepit.

Toen ie dacht dat ’t nog beginnen moest, was ie al klaar.…

En nou stond de trekker daar voor ’m, met z’n eigen bebloede kies in de tang..

—Gô sa’ main kroàke!.… daa’s puur ’n meroakel.… viel ie uit, in kringetjes bloedspuwend rond z’n beenen.… f’rduufeld.… hai jai sàin doàr te pakke hee?… Heerekristis waa’n kanjer hee?.… dut is dur puur ’n meroakel!

—Spuug slèchts.. in dezèn bèkèr.… èn drink.. nog één slok … van Valura.… àlles gratiès.… Dit vocht.… dit ijskoud watèr.… het trekkèn!.… Houdt dit vocht.. éénen mìnuut in ùws mond.… op dén plek ùws pijns.… zonder.. te sprekèn.… zondèr.… ù te … bewègèn … laat koelen.… ùwes mond.… uws zenùwen.… uwen verhemèlten, uwèn spierèn, uwèn pezèn, uwén gebèèntèn.… en weg is uwèn smart.… weg uwèn lijdèn!.…

Twee minuten lang oreerde de kwakzalver weer door, al deftiger, hoogdravender, voelend z’n stijgender invloed op ’t bokkige, eerst scheldende publiek. De woeste kerel, stond onder ’m, met opgeblazen wangen, ’t vocht speelsch rond te spoelen in z’n mond, doodstil in één houding, bestaard, met ontzag, door heel den kijkkring.—

—Spuug nù uit, vriend, èn spreek!.… tot ùw maagden.. en makkèrs.… spreekt.. en zèg.. niets dàn den.. wààrheid.. Spréékt.. Drink nog éénen keer.. vàn dit.… ijskoùd wàter.. En zeg dàn.… of gij pijn hèbt … Zeg dèn … vollèn wààrheid aan uws gelijkèn.… aan uwèn meerdèren.… en mindèren.. spreekt.. hebt gij pijn?.…

—Gain spier! f’rdomd.… of ’k mot ’t liege hee? Jeesekrim! meroakel.… daa’s òplucht!.…

—Hai jai gain spier pain Piet? schreeuwde een.—

—Gain spier!

—En hep ie je nie van mékoàr hoald?

—Saa’k f’rbrande.… aa’s ’k wâ voelt hep hee? snó’f’rjenne moat.… daa’s de weg noà de haimel hoor!.… Jemikremi!

Maar Jood bleef stil even van z’n hoogte loeren met z’n gitpupillen op Piet gestard, en toen juichend den kring rond, hoed in den hand, schorde en stootte z’n stem weer:

—Gij àllen.. ziet hèt.… hooggè.. eerd pùbliek.… Ik ben gèèn.… leugènaar.. ik ben gèèn.… bedrièger.… ik ben.… gèèn.… galeiboef.… gèèn Chamberlain.. gèèn Rhodes!.… Hier vòòr u.… staat dèn.. èchtèn den èenigèn.. afstammèling van Profèsseur.… Jaack Ròzel.… Seni-òr.. woònachtig te Montabilie.… in zijn leven.. en strevèn.… op het rotsgebergte van Zuid-Amerika, alwààr hij.… de Sioux’s de Panie-ews!.. de Irokeèzèn, gràties hielp.… gèlijk ik.… dat ù doe.… Hier staat hij dan, in dèn.. levendèn lijven.. Gij ziet hèt.. gij hoort.. hèt.. gij rùikt het.. gij vernèèmt het.. gij beproèft het.… Hij gèneest.… ùwen maagden.… uwen vrièndèn.… uwèn kindèrèn.… Hij is.. den èenigèn.. Jaack Ròzel òp den ganschen wèèreld.. die hier komt om u.. te bewijzèn.. een weldààd.. Hij is.. tèr naam en tèr faam.… bèkend en spèciaal bè-vriend met àllen doktorèn.. professeùren, met àllen genèès-, hèèl-, verloskundigèn des heelen ààrdkloot.… En hij rèist den wèreld door mèt hèt vocht.… van Valura.… en den.… profesòren àchter hèm áán! En hij trekt.… gansch zondèr pijnen.… Hebt gij niet.… gèzien.. dat ik.… hier stàànden.… voor drie màànden.… twee lammen, van wien ik den krukken.… over dèn.… knieën, stuk bràk.… ter aarden.… wièrp,.… hen bèstreek … met hèt vocht.… van Valura.… èn zij.. van mijn tafél, weer loopènden vertrokken,.… rècht op!.… slank en elègant.… gelijk chiraffen.… En hebt gij niet-gezien.… dàt ik.… ùw vriend.… hiernèvens … trok-zòndèr … dàt één … spier vàn zijn.… gèlaat vèrtrok.… en dàt hij.. nu zelf.. bèweert en bèvestigt gèèn pijn te hebbèn.… gèvoeld? Zoo genees ik lammèn.… blinddèn.… doovèn.… rheumatieken.… met mijnèn wonderdruppels.. mijn vocht.. van Valura … Nu zal ik nog dezen.… vriend helpen.… en dan zal ik vertrekkèn.. uit hoofden en onherroepelijk.. zonder àànziens des persònen, na te hebben.… aangebodèn.. laatsten vòòrraad.…

Weer bedremmeld stond een derde kerel voor ’m, mond wijd open. Zacht beduidde hij den jongen, dat ie niet noodig had getrokken te worden. Ook hém liet ie spoelen met zijn Valura, en onderhands haalde ie flakons uit z’n tasch in vloeipapiertjes verpakt.—Weer aarzelde verbluffing rond, in den verhitten kijkprop van tuinderskerels en meiden, sjouwers en vrouwen, want weer stamelde de kerel, na twee minuten ’t vocht in z’n kies te hebben gezogen, dat ie geen pijn meer voelde.—Naar alle kanten werd ie getrokken en verbluft knikte, stamelde ie uit, nergens pijn meer te voelen.—

—Dat wondèr voor dén prijs.. van vijf èn twintig cènt!

Geen woord kon Moor-Jood meer uitbrengen van vermoeienis. Het zweet drupte als stijfselkorrels vettig op z’n donker hoofd. Van drie kanten uit den kring, drongen lijven òp, grijp-armen vooruit, hoog naar ’t tafeltje. Meer niet. Gezicht van den Moor-Jood betrok, zenuwachtig, spijtig, alsof ’r ’n huil draaide rond z’n mond. Maar toch beheerschte ie zich, sprak ie weer met afgetobder, heescher geluid.

Eindelijk, de geholpen kerels, waren weer den kring ingesjokkerd, schouerbonkend, getrokken en gesleurd, babbelden en schreeuwden ze met ondervragers mee. Wantrouwig landvolkje, beduusd en vergaapt, kwam in beweging. Weer had de Jood getoeterd, schel en hoornhoog den hemel in, spattend z’n klanken, schuimend tegen opsteigerend gewoel, en weer zwaaide ie z’n brandende toortsen tegen al donkerder luchtgoud. Er kwam beweging, woeling in den menschprop, uit elkaar brokkeling van broeierige kluiten. Telkens, slechts twee, drie tegelijk, drongen naar de kruk, met ’t kwartje klaar in de hoog gerekte hand. En drukker stalde ie z’n flakons uit, zalig-wachtend op uitwerking van z’n wond’re woorden en proeven.—Sneller drongen de lijven en armen òp, dat ie nieuwe voorraad uit z’n tasch moest halen. Rapper z’n handen graaiden in den tasch-muil, z’n donkere kop lachte, tegen ’t licht in, burlesk, ironisch, onmerkbaar bijna.—Nu zòng z’n stem met klank van zalvende zekerheid:

—Een iedèr.. dièn lijdt.… ’t zij aan zinkèns.. ’t zij aan koortsèn.… ’t zij aan wondèn, blindheid.. doòfheid.. làmheid.… ik help hèm.… ook zondèr gèl-den.…

Trager trok kring om ’m los. Meer en méér handen grepen, naar z’n hooge tafel, dat ’n stapel kwartjes tusschen z’n tangen ophoopte.—

Z’n oogen git-glanzigden, lachten, vonkten.—Eindelijk stopte ie. Zwaar gedaver en laatst gewoel dromde langs z’n tafel achter z’n kruk. Nou wou ie ook een ’n glas bier gaan drinken. Z’n keel brandde van rauwen krijsch en pijn. Eerbiedig weken de kerels voor den lang-mageren Moor-Jood, met z’n angst donkeren kop, z’n streng borenden blik, z’n kalmte. Even z’n schouders, in krommige lijn opgehaald, ging z’n lang lichaam tusschen de sjofele sjouwers en tuinders, z’n zwart-bleeke kop, prachtig beglansd in lichtwaas. Geheimzinnig in donkeren staar, schoof ie voort tusschen de botte kerels, zich-zelf voelend als ’n Cagliostro in zuidelijke gratie en suggestie.—

In eindloozen koepel, blauw-bleek glanzend, rondgestold in ontzaglijken hemelkring boven havenbrok en polder, wuifden struisveerige wolken, zilverzij-licht, en ver, heel naar den horizon, tusschen violette neveling van spitsjes en daakjes, bouwde de lucht porceleinen torens van lichtwolken, slank, met fonkelende tinnen.

Menschenprop was weggebrokkeld, nu kwakzalver bier dronk in rookige walmkroeg.—Daverend roezemoes ratelhotste in ’t zonnezinken als ging er hellevaart rond in Wiereland; begloeid en beglansd stedeke, met z’n hel-rood en zilver leigedak in vervloeienden goud-roes van eindloos polderruim.—

Op en af de booten ging ’t weer in laatsten ploetersjouw en afhitsende werkkoorts als hadden de kerels zich verzuimd met luistering naar den Jood.

Woester stormden de kroegen leeg en vol.—Verhitte zuipdrift stramde de koppen, en zwaarder, paffender in ’t zomerbrio, doorregenden geuren en stanken de haven; verklonk in rommelende donkerte ’t lawaai der zwoegers tegen al stillere rood-verre oneindigheid van polder-avondlucht; hemelkoepel, doorzeild van laatsten klankenjubel en verren vogelenkweel, leeuwerikkenvlucht, donker verstippend de luchtzee door.—

Sneller, àl lager sloeg de blink-glanzende gang van ’t licht over de haven, als kon de dag niet sterven dààr, vloedgolfde ’t over de kerels, roodgebrande tronies, nimbus van avondzon, gloedkoppen, verwaasd en verheiligd.—Dwars door den rauwrumoerenden gruwel van krijschende, furiënde sjacher en zwoeg, over pijpen, masten, zeilbrokken, pramen en sloepen, stroomde avondtooverige gloed, vreemd zilverrood, blond en telkens wisselend in gamma’s. Van de porceleinen wolk-torens, gloei-purperden de tinnen, vonkten hun gouden ommegangen.—Al lager de lichttoover doezelde over heete havenjoel, gedaver en gezwoeg; al wijêr glansde stralende purpering, verstillend de luchten, bedampend in wond’ren zonnemist, keien, sintels, en werkers. Paardkoppen droomden in stille, verglijdende glanzen en karren met aardbei en groen, doofden langzaam, bij stukken uit, in doffe zonloosheid.—

Zonnedroom, die uitdoezelde, wegnevelde, in violet gedamp en paarse vlekken, schaduw-fantomen wierp aan walkant, goudteer vergloorde, tusschen rag touwwerk en masten.

Over bootsrompen, en boegrondingen, waar kleurkopering van roeren en luikjes verbleekte; over heel het havengeraas, waar werkersopstand in drommen dooreen krioelde, starde al meer de vlam van den hitte-dag, de felle daverende blinkgang van licht, verdampend in wazige tonaliteit, in zilverige schemer-vegen en aarzelend blondrossig-goud.

Tusschen het al donkerder kastanje-geboomte, waar de schemer ’t eerst in duisternis verweefde, keken de kerels onder ’t lommer nog òp tegen den kleurzang van zonnedag, die lang, heel lang, tooverig begloeid, in polderhemel bleef nazingen z’n wond’re tinten. Menschen, paarden, honden en karren in opgepropte kronkel en warrel, onder ’t duisterende lommer kleurden nà, in de ver-affe roezemoes van ’t stervende licht.—Allen dáár, wriemelden dooréén in schemer-avondgoud.—Petten kleurden vaal, in al gamma’s; kielen, jassen, schorten, donkere sjouwers en tuinders-venters, boeren en kijkers, in één warreldrom, loom langs elkaar verkleurend en verkronkelend, als drasten ze voet-zwaar aan vastzuigende havenkeien, moeras van rottend groentenafval.—

Dirk Hassel was met Klaas Grint, z’n zoon Jan, en Rink van den polder, tusschen ’n groep tuinders de kroeg ingeschoffeld.—Voor hun beenen buldogde ’n ton-buikige boer, met ’n korf kleine varkentjes onder z’n arm gekneld, waar hooilucht uitrotte, urineachtig-vuns. Krijschend en ronkend woelden de dieren, scheefhangend tegen de korfbiezen op, en telkens bonkte bullige boer, met z’n worstige handen, ’n driftstoot op de krijscherige diersnuiten.—Achter kroeggangers ratel-rolden, dwars door de woelende menschenmassa, groote gele tabaksvaten, door troepje kerels met trappen tusschen de karren en dieren voortgebonkerd naar ’t spoor.

Dirk was blij dat ie eindelijk zat. Al twee maal van de haven naar de akkers geweest, extra-oplading, en nou zou ie ’t d’r eens lekkertjes van nemen. Hij grinnekte tegen z’n brandewijntje met suiker, dat op z’n schor-korten roep, dadelijk gebracht was. Om ’m krioelde ’t van klomp-klossende kerels, in stampigen gang op knarsenden zandgrond. Lekker en poeteloerig-duizelig snoof Dirk de jenever en bierlucht, zoetig en scherp, en stil tegen den muur ingedrukt, ’n pijp den mond ingebeten, sloeg ie, brandewijntje na brandewijntje klein, mummelde wat woorden uit, tegen groenboeren die naast ’m neersmakten, aemechtig hijgend van zwoeg.—

Zwaar-laag dampte de kroegrook, nevelig, en rood misterig toen gasvlam bij ’t buffet en boven biljart àànplofte. Stil bleef Dirk zitten, roerloos in z’n hoekje, uitspuitend pruimsop en pijpnikotine in de spuwbakken, doodop, lekker duizelig, in de wemeling van al meer aanstommelend landvolk en roezemoes van stemmen, achter hitterook uitkrauwelend, tot ie doorzopen, landerig en woedend, tegen tien uur naar huis waggelde.

III.

Om drie uur den volgenden ochtend, kwam er kort-driftig gestommel in de duister-beluikte woonkamer van ouën Gerrit. Zurige zweetlucht vervunsde uit de krottige slaapholletjes. Dirk uit ’t donker bedsteetje, was opgesprongen, òver Piet heen, nog slaperig en gaperig, rauw van pijn, geradbraakt van vermoeienis en katterigheid. Branderige matheid voelde ie door z’n lijf loomen. Driftig schouerbonkend stootte ie Piet op, die nijdig even gromde, maar dadelijk weer insnurkte. Dat maakte Dirk kregel en snauwender porde ie ouë Gerrit en Guurt, dat ruw z’n korte stem, kamerochtend-stilte doorscheurde. Wijê gapen loeide ie koeïg door ’t vertrekje, dàn vlak tegen beschot, dàn vóór bedsteedonker, telkens zich rekkend in achterwaartschen lijfkronkel, armen omhoog gerengeld en vingers verkrampt in slaapzoeten wellust, dien hij machteloos-heerlijk door z’n lijf voelde terugstroomen, tegen z’n luiigen lijfrek in. Langzaam slofferde ie op z’n kousen naar buiten waar ie de luiken van de ramen losmorrelde. Onder de pomp beplaste hij z’n gezicht, luchtigjes met water, vies van ’t nattige dat z’n hemdsmouwen en hemdboord beklefferde, en in branderige straaltjes tot op z’n naakte borst afdroop.—

Guurt was gauw opgestaan.—In ’r nachtpon, haarhang opgebonden in woesten kronkel, maakte ze vuur op ’t achterend, drentelde rond de stellen en zette boterhammenkoffie.—Ouë Gerrit en Piet in hun rooie onderbroeken waggelden nog slaapdronken en grommerig door de kamer, loom en lijzig hun bovenkleeren aansjokkerend. Even bleef Piet hang-zitten op z’n stoel, klepten z’n oogleden dicht, hield ie z’n stinkende pilow, half over z’n dijen getrokken, slap in de slaaprige, krachtlooze knuist. Ouë Gerrit, in schreeuw, schrikte ’m wakker.

—Wà sloapmus, jai toch, gromde ie, soo’n jonkie!

Na ’n kwartiertje rondgeslenter en gedribbel, sluipzacht op ’r kousen, had Guurt de kerels bakken koffie en hompen brood voorgeschoven. Gretig schuifelden de mannen hun stoelen áán, neerblokkend met armen op tafel, hoofden gebogen over hun dampende koffiebakken, slurpend, gaperig, rekkend en korrelig-stil. Rond hen, walmde slaapstank van ’t kamertje, dat al zacht volgevloeid glansde van vreemd, gloed-stil ochtendgoud. Roodflonkerende zonnedans koperde bliksempjes op de staartklok-gewichten, op ’t pronkstelletje, tang-pook-schep, onder het schuingetimmerde, versierde hoekschoorsteentje.—

Langzaam, in bedaarde ouderwetschheid tiktakte de klok, zacht-vlammig aangegloeid rond de gewichten.—Guurt had ’t duifje losgedekt en daadlijk koerde z’n kopje als van verre, droef door de kamerstilte heen, waar alleen smakten en slurpten de wreede werkersmonden, en de klok dreinerig ti-jik.… tàkte.…—

Moeder Hassel lag, met opengesmakte deuren, de kamer in te staren, bleek beslaapmutst hekserig hoofd, op peluwgrauw, de uitgedoofde staaroogen naar de slurpende kerels.—Ze hoorde koffie slurpen; dàt geluid kende ze. Ze zag ’t, voelde, besnuffelde ’t, met wilde, gesperde neusgaten.—Dàt geluid haakte vast in ’r ooren, ’t hoofd, bleef in ’r herinnering leven.… Woest instinkt naar koffieslurp.—Telkens gretig, even keek ze naar Guurt, als wist ze nu klaar, dat ze ’t van die moest hebben. Maar de kerels hapten door, slurpten onverschillig. Guurt klepperde nog ’n roodaarden bord voor hen neer, waar ze weer hompen brood op afsneed, slurpte zelf mee, gejaagd zittend op stoelpunt, ongewasschen in blauwkorten onderrok nu. Stil slurpte d’r mond in doorzond ochtendgoud van kamer, ’r blond hoofd in stil aureool. Buiten, achter ’t raam, glansden de akkers in aanbrandenden gloei van zonnekomst.

—Nou Ouë, gromde Dirk plots, kauwend en slikkend dat ie niet verder spreken kon eerst—aa’s ’tr nou moàr puur om drie uur, de oarbei-boel dur stoan, an de markt hee? daa’k hullie om vaif uur an de kant hep in de stad? kaa’k t’met nog ’n hooge markt moake.. hee?

—Sel d’r weuse.… mi sonder mekeere.… Hoho! ho!.… Piet loait op.… en Kees goan de hoàfe langest.…

—Hier-op-pan! aa’s Kees de hoafe opgoàn, ken ie t’met oploaje ook.…

—Hoho! dà lief ’k nie! dà lief ’k nie.… die suupt te veul.… die hep s’n skoenlappertjesmoandag.… enne.… dá’!.…

—Wa’! Kees?.. Kees suipt?.… krijschte Dirk uit, ’n stuk brood, dat ie half al in z’n mond gestopt had er weer uithalend, met ’n web van fijne spoegdraadjes,—f’rvloekt aa’s de fint één borrel lait! jai suinege Job!

—Hoho! vier en vaife en nie g’nog! bars jai nie uit!.. soo vroeg in ’t morgeuur hee?.…

—Wa’.… éénmoal.. andermoal.. ikke wil dá’ Kees oploait.. Piet hep s’n aige dood te plukke op haide.. En denk dur om.… niks aa’s oarbaie.… Op haide voart de boot twee keer!.… ikke goan doar.… om veur van … om twaalf uur is t’ie d’r wair.… sel main ’n dotje weuse op de kant!.. snof’rjenne, gain ploas om je klompe af te trappe, waa’n klus.… ’n drukte op de boot.… sullie dringe hoarlie aige t’met hardstikke dood.. hoagelvol!

Ouë Gerrit was opgestaan met ’n smak z’n koffiekop op tafel neerstootend, dat vrouw Hassel in ’r bed opschokte, iets brabbelend uitstamelde. Nog had Guurt ’r geen leutje gebracht. Onrustig, hongerden ’r oogen naar ’t zoete vocht, dat op stinkend petroleumvlammetje konkelde en leuterde. Ze besmakte ’r drooge lippen, zonder dat ze vragen durfde, vragen kòn. Besefloos Guurt te roepen, uit angst voor nijdigen snauw, in ban van trage dofheid, bleef ze staren, vroeg ze toch met ’r oogen, zonder dat iemand uit de aanlichtende kamer naar ’r omkeek. Gerrit, handen in zakken geknuist, keek met z’n neus op ’t raam gedrukt, naar buurman’s tuinderij, waar nu alles groen-goud in den ochtend-tintel gloeide, doorvonkt van dauwig druppelvuur.—Ochtendstilte, uit paadjes en wegjes, ruischte rond de tuindershuisjes en de roode bedakingjes vlamden licht-hel.—

Vandaag zou ie wat te plukken hebben, mijmerde Gerrit, speelsch drukkend z’n neuspunt tegen ’t ruit, wiebelend op z’n hakken. Z’n rug zwoor en stak van pijn. Maar ’t most, most nou. Hij had al dagen achteréén onrustig zitten piekeren, dat ’r geen regen kwam, gejaagd, nou de boel zoo droog stond. Maar nou most ie maar doèn, doèn en niet seure.…

Met hun drieën waren de kerels over ’t erf den tuin ingestapt. Guurt drentelde weer op ’t achterend, spoelde en sjokte, terwijl de kamer in ruischender glans van zonnige ochtendwarmte, sterker aangoudde, tot op ’t slaapholletje waar vrouw Hassel staarde, en besmakte ’r droge dorstlippen. Op de tafel brokkelden nog broodhompen. Aarzelende glansjes van schichtigen prismaschijn uit geslepen spiegelrandje, kaatsten trillige vlakjes rood, goud en groen, op twee rood-aarden doffe bordjes.

Daar stààrde ze op, vrouw Hassel, besefloos en traag, tot ze de kleuren voor ’r oogen zag verflakkeren.—

Buiten hurkte Kees al, in pluk bij de erwten. Nog ’n uur bleef Dirk werken op ’t land, achter de wortelen. Eindelijk werd ’t tijd voor ’m om op te stappen naar de haven. Nog ’n mandje pieterselie en postelijn, schokkerde ie over den schouder en stil liep ie den weg op naar de boot. Nou had ie zich nog puur te haasten merkte ie, toen ie even achter ’t ruit gluurde, hoe laat ’t was.—Kwart voor vijf. Om vijf uur precies ging de schipper van wal.

Zwaar hijgend, z’n mandjes dobberend op z’n rug, kwam ie snel de haven opbeenen. Maar „Tuinders Geluk”, de boot waar hij mee voer, lag er nog rustig, met vier andere schuiten achter d’r áán, hoog gestapeld ’t schel-groene van kroppen, beflonkerend aardbeirood en wortelenoranje, tegen den blauwen luchthemel in, die diep en wijd lichtte, in strakke, fel-heete zonnigheid al.—

Op àchter-en-voordek, stonden de groenboeren saamgedrongen, in hun sjofele plunje, tusschen de dreigstille punthoekende hurrie van hoog opgestapelde kisten en mandwallen, waaruit zwavel-zoete geuren walmig verwasemden. Tot onder den stuurstoel, stapel-brokkelden de aardbeikisten en langs de reeling, propten, saamgekneld, bakken, vaten, manden, zakken, dat de kerels en vrouwen, in bochten er tegen elkaar opgedrongen stonden. Enge doorgangetjes, kronkelden tusschen de ladingen, waar ’t landvolk elkaars lijf beschuurde, schreeuwerig verscharrelend en ruilend koopwaar die ze te veel hadden. Tusschen zakken gekneld, op manden of kisten neergestooten, sjacherden de zwoegers, klonken òp de gesprekken, levendig, krijscherig, overgoten van duffe groentestanken uit de achterkajuit opwalmend, voos en duf, zuur en ranzig. Aardbeien zoetten ’t hevigst en weeïgst tusschen de mestige koolstanken.—Zwaar dampte uit, in de broeierig lange boot, hageldicht bestapeld, de stinkende kleeren der tuindersmannen en vrouwen, de zweetlijven, wàrme walg tusschen de gronderige stanken van ’t groen.—

Prachtig, jubel-fel schalden de hooge groentebergen als festijnen van licht, tegen ’t doortrilde, in zon-zwemmende lichtblauw. Daar onder, barokke wal van kleur-woelige kisten, met donkerder groen in onderschepte glansdempingen. Maar hoog-schuimend, gloeide kleurbrand van aardbeien boven alles uit.—Versjofeld en kleurbemorst, scharrelden de tuinders bijeen, in de vroege ochtendboot, al meer, al méér, achter elkaar. Galm-luid, de klok van hoogen katholieken kerktoren sloeg vijf, bevend in de wegstilte en havenrust. Laatste bootsein van vertrek liet kapitein zangbassen over de ochtendleege havenkaai.—Wat karren met aardbei-aanvoer ratelhotsten kei-beukend weer weg, wreed rumoerend door de morgenstilte. Bas-zang van pijpen bleef seinen, als stemmegroet van tuinders naar de verre makkers op ’t land, dat de reis naar de stad beginnen zou. Een dekknecht van „Tuinders Geluk”, had plankier gelicht en ingeschoven, reeling saamgehaakt en kaptein was op z’n stuurstoel geklommen. Statig liet ie draaien, ’t kanaal in.—Uit ’t boothart schokkerde machinedreun òp. Achter ’m aan, zongen pijpen van andere tuindersbooten, stemzwaar en hevig vibreerend, dat de stille starende ochtendlucht sidderde onder ’t dreungeluid. Plots klonk jagend geroep, onder zwaar lommerende kastanjelaan uit, van twee groenboeren die zich verlaat hadden en meemoesten nog met „Tuinders Geluk”. In vlieggang holden ze langs de stille huizen, kei en sintelpad over.

—Piet Groome en Anseeler, riepen ’n paar van de boot, over de reeling gebukt,—hee keptain! t’rug!.… twee van Lemmer! Hij had ’t al gezien, toeterde wat zangerige woordjes door z’n spreekbuis naar machinekamer, waarop boothart heviger bonkte, de voorboeg achteruit bijdraaide, dat de kerels in hollende vaart, rood-bezweet, nog net tusschen kisten en manden, over verschansing, heenklauteren konden.—

Achter „Tuinders Geluk” lagen nog drie booten, „De Dageraad”, „Ons Welvaren” en „Weltevreden” met tuindersvolk van heinde en ver saamgestroomd, ongeduldig wachtend op vertrek van de voorliggende schuit. Ook daar stond ’t landvolk, achter en tusschen de aardbei- en groentebakken opgepropt, ingekneld; één donker-dreigende, sjofele kerels-stoet, vlak om ’t koelscherm van machinekamer saamgepakt, wegzwartend onder rookwolken van stoompijpen, die dreun-zangerig doorbasten als duistere stem van zwoeg, somber-smartelijk, in den fellen klaterenden zonnegloei van polderlucht, in ’t eindeloos blauw, en weigroen.—

Stil zoeften de booten achter elkaar áán, de kerels en wat vrouwen, al meer opeengedrongen, donker tusschen den frisschen jubel en stoeiende kleuren van hun vruchten en waar. In de havenstilte, roerloos weer na zwijg van pijpzang, verdwenen de booten één na één onder lage spoorbrug, ’t kanaal in, dat wijd-geplast, zilver-vonkte en dampte tusschen onmeetlijk poldergroen. Stil druischten de kerels weg van wal, de donkere opgepropte stoeten, in de ochtendglorie; zittend of half hangend op en over de verschansing, beklemd tusschen de neerbrokkeling der stinkende kisten, als ’n bende vervuilde schooiers en melaatschen, naarstiglijk verpakt en versjouwd, onder den heeten jubel van hun vruchtengloed. Al de booten waren „Tuinders Geluk” voorgedraaid. Langzaam zoefte die eindelijk, achter de andere áán, onder de enge spoorbrug, zacht-schuiflende pàl langs wanden van brugbogen en pijlers.—

Dirk stond ingehurkt naast Klaas Grint, die weer aanleunde, half tegen twee vrouwen, een lange, met ’n gore steekmuts op, de andere met ’n donker rood-wollig kapertje over ’r hoofd gefrommeld. Vóór de vrouwenbuiken, spannend gestrakt onder boezelaar, hoekten kistenstapels waarachter weer ’n stoet kerels gekneld stond.

—Tjonge.. Tjonge.. d’r’is nog puur wâ wind op de ruimte hée?.. zei met vertrokken gezicht Klaas Grint, naar de lucht kijkend.

—Daa’s net bromde Dirk terug.… hai jai ’n pruim Kloas? nou he’k f’rdroaid main sak legge.… loate!.…

—Bi-jai’t Hain!.. lolde Grint, da’ sel woar wese.… roep jai sàin d’r bai op Sint Jan hee?.… hier!.. pak-àn.. moar mondjes-moat.… oue!

„Tuinders Geluk” was ’t groote kanaal ingestoomd. Zacht kabbelden watergeruisch en schuim-zilverende vloedgolfjes langs de kanten. Zweef-luchtig zoefte ’t schip voort, tusschen ’t eindelooze poldergroen, bedauwfonkeld met vuurdroppels van trillend leven, robijnen weerlichtjes, en vurig smaragd.… Uren ver, verfonkelde nat goud-groen, glanzend en uitwebbend kleurige hette. Heerlijk frissche windbries stoeide luchtzuiverend om de boot, de voosduffe geuren en stank-wasem wegflapperend, ’t koele waterruim in. ’n Troep tuinders was achter de pijp geklommen, op zwarten kop van machinescherm, waar ze luiig neerhurkten in zonnegloei, of schuin opstonden achter den rooker, koppen fel omlijnd tegen luchtjubelblauw. Er was drukke stemmenhurrie onder ’t landvolk, gesnater en gelach tegen vrouwen, en overal brandende lust om van landgescharrel, marktwaar en prijzen te spreken. ’n Paar tuinders met fluweelig pilow-zwarte vesten en dof-zijden pofpetten, trommelden met hun gekleurde pantoffels, op ’t verhitte plaatdek van machinekamer, ’n orgeldeun meelallend. Plots de bootbode, kerel met roodgezwollen snuit, akteurskaal en voor-den-gekhouerigen, paarsen drinkebroersneus, werkte zich los uit stemmenroezemoes en scharrel van opgepropte tuinderstroep.—Z’n blauwig-glad geschoren komiekenkop grinnikte leukjes tegen z’n volkje en grimassig sprong ie op ’t veilbankje, hoog boven woel-massa uit, grabbelend in guitig steel-gebaar, met z’n hand in ’n grauwen zak.—Tegenover hem, op zon-doorhit koelscherm, zat luiig ingedoken tegen de pijp, ’n kerel met notitie-boekje, klaar om te schrijven. Bootbode, die onder reis van Wiereland naar groote stad, te veel waar van tuinders-zelf in veiling moest brengen, bleef rammelen in z’n zak, lolde wat tegen de kerels onder ’m, dat z’n roodfrissche wangen bolschaterden, sterker zwollen, z’n blanke tanden uitwitten onder z’n bieteneus en tusschen plaatjes-mooie helrooie lippen, hagelrein. Hard en stalig klonk z’n stem, toch vol, met ’n galm er in, als nadreun van klokgelui. Telkens uit den zak, vischte ie ’n blikken nummertje op, afroepend wie d’r ’t eerst veilen zou. Zoo regelde hij de beurten, schreef z’n maat, tegen de pijp, in kookzon luiig weggedoken, namen van veilers op.—

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings