VIERDE HOOFDSTUK. (continued 2)
Reading edition
—Wie mot ’r ’n nommer?.… Gijs Janse! Kaike?.. daa’s vaiftien, klonk hard-galmend z’n stem door den koelen bries-stoei, klank-zangerig Wierelandsch.
—Bekermaa’n.… achttien?.… Grint.… drie en veertig! Hassel.… ses-en-dertig!.…
—Main d’rook ain!.. riep ’n tuinder uit achtergroepje, die nog wat kwijt wou wezen, hopend op ’n begin-nummer, om ’t eerst te kunnen veilen.
—Vaif-en-veertig!.. Nailis Roskam.… hee! „netoàris”… Roskam!—lachte de Bode, lolligjes met oolijken oogenknik naar den „schrijver-notaris”, die luiiger weggedoken lag achter de pijp.
—Logge megoggie! nou ka je wachte, gromde de pachter, woest dat ie zoo’n laat nummer beet had. Nou was ie zoo heet geweest op ’n begin-blikkie.—Stem van Bode bleef afgalmen de nummers met veil-namen, en telkens lacherig, uitblankend z’n tanden, bloed-rooie lippenmond wijd open, kraaide ie schooirige grapjes uit, strooide ie schalksheidjes en hekelwoordjes boven hun hoofden rond, omgierd van terugkonkelende stemmen en giegelende kreetpretjes. Telkens klauterden andere kerels op en af ’t machinescherm, naast en tegen de pijp lawaaiend, rond den „notaris”, die overal spottend om z’n eeretitel beschaterd werd. Van hun hooge standplaats schreeuwden ze mee, boden, kochten en verscharrelden, de koppen, warm en zweetbedropen, paarsig en brons-nat, rood en geel-grauw aangegloeid in zonnebrand. Van achterdek af was alles plots naar voren gedrongen om vlak bij Bode te staan. Op kisten, morsige vaten, walm-stinkende manden en zakbulten, hingen en hurkten de kerels, in struikel en klauter, achter elkaar opgepropt.
De achtersten, ver van den Bode, loerden tusschen schoudergeultjes van vóórstaanden, in drom saamgestrompeld, heet op den scharrel.
—Veertig! vrouw Plenk.… dreunde Bodestem.… vaif.. vrouw Boterblom.… naigtien.… mamselle Kiester.… sestien.… vrouw Zeune!.…
Eindelijk had ieder z’n nummer, kon de veiling beginnen. Zacht briesden en woei-koelden luchtige windscheringen over ’t smoezelige, walm-stankige dek, als ging er tochtige wiekslag van vliegende vogels rond. Recht voor den boeg, sprankelden waterglanzige sparteltjes licht, violet-zilverig, paars-goud, kabbel-deinend hemelblauw-vuur, dat in schuimig golfjes-spel zich heet verbraste in damp. Tusschen de fel-groen bezonde ochtend-oevers, komde in eindloozen kring, ’t vlakke zonnignevelende polderland, in vochtige ochtendpracht. En overal rondgekringd, goudden de lage hooi-schelfjes, tusschen siddergroei van korenhalmen, brokken weiland, ontsluierd uit morgennevel, uit nat-dampig goud en zilverende gloeiingen. Schitterig flitste ’t dauw-vuur, dat mijlen ver, weiland aan weiland in arabesk vonkspel omtooverde.
Bode op z’n bank, hoog boven de opgepropte tuinders uit, al dichter op één punt van de boot bijeengedrongen, klankte met z’n jolige, rauw-heldere spotstem in:
—Wai selle d’r beginne met seve-en-twintig pond raspers van.…
—Neelis Skorpioen.… las „notaris” haperig af van z’n lijstje.
—Van Skorpioen.… uit Slangetje.… wie sait dur ’n gulde! daa’s vier sint ’t pond!.…
Inmiddels had ’n tuinder, ’n zwaren zak doppers losgesjord uit kistenrommel, zich door lijfgedrang heengewurmd, z’n waar, àchter koppen, vaten-stapels en manden-torens, met krampigen arm, hijgend op veilbank vóór Bode neergesmakt. Dadelijk grabbelde die, met één hand tusschen de groene vruchtjes, liet ze speelsch rond z’n vingers glijen en riep weer opjagend:
—Prechtig jong goed!.… ruikt puur aa’s.… oo-de-kolonnie!.… wie sait dur.…
—Tachtig, krijschte ’n stem uit het menschkluw op de koelkast.—
—Tachtig, vaif en tachtig, draafde Bode door.…
—Naigtig! zenuwachtig scherp, piepte ’n vrouwestem onder de pijp uit.
—Naigtig, zang-dreunde, hard-klaar Bode’s geluid nà, tusschen bries-stoei en koelen kabbelgolfjesruisch in.… Naigtig.. vaif en naigtig.… da goan.… eenmoal.… veur de derde moàl.… Rietvink!
Pachtertje Rietvink had ’t laatst geboden, kreeg erwtenzak over koppendrom naar zich toegesleept en warm wroetten en graaiden z’n armen, tusschen ’t heete gedrang en getast van lijven. Dwars achter de pijp, waar ’n groep kerels zich spitste op ’t veilgoed, en uit alle hoekjes gretige kijk rondging, klonk dof gestommel en geschuur van voeten op stalen plaat en kijverige stemmenroes, warrelend en schreeuwerig als gesmoorde ruzie.
—Halt doar Kempees, krijschte de Bode naar de pijp, t’met d’r al heet! nog gain hallef ses … je hep dur puur nog ’n vaiftien uur om malkoar an rieme te snaie hee?.… kaik hier!.. is dur twintig pond mooie kapcainders.… wie set.…
—Tachtig! schreeuwde daad’lijk ’n venter, stemschor, rauw.
—Tachtig, van fier kant gelaik!
Vrouw Banke, met’r zwartig-rood kapertje over ’t hoofd, ’r korte, spek-vette, trillige armen, boven ’r tonnigen romp-buik, grabbelde in den kapucijnerzak dien Bode op de veilbank sleepen liet.
Lacherig schalkte ie, hoog boven de venters uitkijkend:
—’t Benne gain kuite.… vrouw Banke.… je ken dur sain nie knaipe!
Gegier stortte in, en heeterig aangevlamd in hartstocht, tapten wat kerels schunnige moppen, die vrouw Banke met minachtend lipgepuf afweerde.
Bode had toegeslagen, en telkens weer ’n andere venter kwam op àfroep van zangnummer, van achter, bijzij, uit kajuit, door den opgeknelden menschenkronkel heenduiken, met zware zakken of bakken boven hoofd en onder arm, alles neersmakkend in vloek-heeten sjouw-zucht op veilbank voor den Bode.
—Nou he’k vaiftig pond piek-faine groentjes!
—’n Gulde:.…
—Een-tien.… een-tien.. mi je drieë.… een vaiftien!.. een twintig.… mi-je viere.… een vaif.… een dertig!.…
Overal keek z’n rood-frissche kop rond, lachte z’n lichtpaarsige wipneus, drinkebroer-komisch, kleurden z’n wangen alsof vrieswind ’n blosgloed op z’n kaken geschminkt had. En hagelwit lachten z’n tanden, tusschen z’n hel-rooie lippen, bij elk opbod. Hoog pagaaiden z’n arm-gebaren door de lucht, hitste z’n stem de venters op. Achter en om koelscherm bleef roezemoes gonzen van kakelwijven en schorrige kerels, rond ’t zwarte stoompijp-gevaarte.—
—Nou he’k nog twintig pond prêchtige loage woaltjes hee? eerste prime-kwoaletait!.. hai jai doàr!.… kalf-mi-je-natte neus!.… hoeke motte ’t weuse?.…
Op plaatdek van machinekamer, dat gloeide van stoom en zon, trampelden de kerels ’n deuntje, brak weer herrie en gestrij los, tot de Bode er met z’n staalharde stem weer tusschen invloekte. ’n Knappe donkre vrouw, was uit ’t gedrang opgesjokt, met ’n zwaren zak voor d’r buik, dien ze met knieduwetjes opsjorde, en in blaas-zucht smakken liet op veilbank. Haar kop droop van roodzweet en gloeiing.—
—Dominie hiet! paa’s d’r op en bran je bekkie niet, schaterde de Bode.… seg vrouw Reep.… soo is dur puur gain vatte àn.… hee doàr!.. help jullie ’t goeie mins ’n handje sjorre.… hooger òp.… soo!.… soo is ’t broaf!
Plots gulpte de zwartmastige pijp rook uit, verwaaiend in roetgolvende mistkransen over de tuinderskoppen, hun rompen wegdonkerend in roetbruinen damp. Ze kuchten en vloekten de werkers, achter den brons-zwarten mist, en stil éven bleef Bodestem weg. Maar daadlijk uit wegroeting van rook kwam ’t afgeroepen nummer opzetten, naast de donker-vette vrouw, opdringend met blauw beschilderde manden.—
—’n Uijtvinding, lachte de Bode, blauwkokke in ’n beskilderde skulpmand.… hi-hi!.… nou minse.… wa segge jullie veur veertig pond blauwkokke!.. prechtige kapcainders!.…
Snel en stemme-knetterend joeg opbod-jacht tegen elkaar in.
—Ke jài die nie hebbe Dirk, jai hep tug gain blauwkokke teelt!
—Es kaike hoeke se goan.
—Sestig.… tachtig!.… tachtig.. allegoar!.. Bi-jai-t-Hain!
—Naigtig! viel Dirk kalm uit.—Hij kon sullie d’r bestig bruike.… bai s’n aige doppers.… had ie vroag veur bai s’n klante!.…
Meer en meer doppers werden opgesjord naar veilbank, en haastiger wisselden de venters hun waar uit. Zak op zak bonkte neer voor den Bode, en woester grabbelden z’n vingers in ’t groen.—Vóór de veilbank gedrongen uit achterste rij, stond ’n oue, beverige pachter, knorrige kop met ingegroeid zwarte vlekken op z’n neus en mottig voorhoofd. Aan z’n bepukkelde kleine oortjes, glimmerden koperig-gouden ringetjes, waar ie telkens met beverige handen naar greep, aan trok en kneep, dat z’n lelletjes bloed-rood gloeiden bòven z’n bontvervigen halsdoek, die morsig om z’n vest kreukelde.
—Veur ’n f’randring.… vaif bosse duifeke! wie set dur in!
Laag, armen uitgestrekt, hield Bode de bossen wortelen in z’n hand, wortelen, breed-puntig als priktollen.
—Die mo’k main hiete!
—Aràit!.… moàr se sitte vast an twee mandjes postelain.. wie sait dur wá’—Harder, staliger klonk z’n stem, uitdagend, verwaaiend in brieskoelte.—
Onder koelscherm uit, kwam roetige negerkop van stokersmaatje koekeloeren. Langzaam groeide zijn lijf hooger òp uit de, hittesfeer rondschroeiende machinekamer, waar ’t heet stootte en bonkte in treinrhytmus.… De stikwarmte uit hamerend boot-hart vloeide rond de groenten en vruchten, stookte en gistte ’r zwijmel van stankdampen. Tusschen de tuinders drong stokersmaatje zich heen, naar ’t dwars-vat met water, gretig loerend naar ’t kraantje en wit-steenen kom. Z’n roetige handen graaiden haastig door opening tusschen wat venters, naar drank. Gretiger nog omknelde hij ’t kraantje, met z’n beenen en romp weggedrukt achter de woelige jagende veilers, die in vuur van koop ’m niet doorlieten. Stil werkten z’n allééne handen en armstompjes in woeligen grabbel, als afgehouen levend, tusschen wat kleine ruimte-spleetjes, lieten ze ’t waterstroompje de kom inkletteren. Zacht-voorzichtig werkten de roet-handen zich weer achteruit tusschen de lijven door, de zwarte vingers krampig strak in greep om den wit-steenen rand gekneld. Gejaagd slurpte stokersmaatje, ingebukt àchter de ventersruggen in klokkende lafenis, z’n heete keel vol koude vloeiing begietend. Weer woelden z’n handen en armstompjes naar voren, tusschen dijen en koppen van laag zittenden, en weer slorpte ie bak na bak lauw vat-water in.—
—Gaif main d’r ook us ’n koppie, kost tug niks hee? lolde Klaas Grint.
Maar roetgezicht van maatje, waarin de oogen nikkerig met ’t vreemd-wild wit hadden òpgelicht, was al weer verdwenen achter de kerels, in de stoom-heete, blakerende machine-kamer.
Weer acht bossen tolronde wortelen bracht Bode in veiling. Drie tegelijk dongen gretig, heet.
—Ksj.… ksj!.… katjes! joag d’r malkoar moàr op.… schaterde de Bode.… dertig sint!.… veertig.… mooi soo.. ksj!.. kaik!.. da’ hai je Antje Meele.… kom Teun!.. gaif toe!.… gaif toe.… ’t is tug ’n maissie.…
Teun lachte, was blij dat ie van ’t bod af was, begreep den vrindenwenk.
—Vaiftig.. veur de derde moal.. Antje Meele.. hai je-en-hoord netoàris?.. nou doar dan.… anpakke maid! g’luk d’r mee.… aa’s sullie dur nie veur aige bik benne!.…
Over de koppen zeilde Bode de bossen naar Ant Meele heen, ’n rood behaarde, slank mooie meid die opgedrongen stond, tusschen de rumoerige kerels. In vaart nog greep ze de peenen tegen ’r borst op.
—Nou he’k drie bakke mooie sloà.… nie te sien.… mo je-en-gloofe.… op éere-wachtwoord.… stoan … onder kiste-stoapel.… bai àn wal te kraige, drie fersche bakke!.…
—Sestig, plots zonder voorbod schreeuwde ’n mottige venter op ’n kist, weggeduwd achter twee vrouw-ruggen, èven in wippertje uitrekkend z’n hals, dat Bode net nog z’n pukkel-neus zien kon, voor hij weer snel in die diepte verzonk.—
—Sestig.… seventig.… vaif en seventig riep Bode, z’n hoofd draaiend naar allen kant, om te kijken of ’r opbod gewenkt werd in verre hoekjes.
—Tachtig schreeuwde nerveus, de laagzittend weggeduwde weer, even opwippend, nù met z’n heele mottige kop boven de vrouwruggen uit.
—Naigtig, van andere zij klonk ’t sarrend.
—Roggemegoggel! f’rek jai!.… die flop is main de heule uchend t’met in de wiele.…. ikke ken d’r niks praise.… of hai is d’r bai.… nou ikke dankkie.… ikke mo nie meur.… wa jou Dirk?.…
—Mo jai waite, binne d’r main soake nie!
—Nou seg.… dá’ binne d’r drie bakke.… die je nie sien kenne.… drie bakke.… kroppies!.… kenne wel floddermusse weuse.… die sloà, hee?.… heuldegoar slap!.… ikke mo nie.… wa? wà?.… nog hooger.… hoeveul sait ie doàr?
—Eén vaif schreeuwde Dirk, éen vaif.… je mag je wel hoaste laileke brompot!
—Roggemegoggel! ikke mó’ nie’.… kenne wel puur floddermusse weuse hee?.… mijmerde ie voor zich uit, tegen de donkere wollig-besjaalde wijfruggen op, met z’n weggezakten kop in de diepte.
Van allen kant gonsde snater en rauwe klankenwarrel van stemmen. Zon gloeide fel, barnend, stoofde de stanken, de broeilijven, en al pafferend zweetten de kerels, in lollige rumoering van veilhartstocht.
—Nou stoàn ’k tog puur van drie uur.… f’rdomd aa’s je hier sitte kenne, klaagde ’n tuindersvrouw, met morrend, moe-nijdig gezicht, ’n zwart breikous-stompje telkens van d’r borst, onder d’r kippige oogjes trekkend. Snel, in naaldflitsend beweeg breide ze mopperend voort, van ’r vingers-dansend draadgeweb, aldoor òpstarend naar Bode en groenten.—Geen gaatje plaats was er meer op de boot. Al de tuinders, lomp en hebzuchtig, hadden zich neergesmakt op manden of kisten of stònden op koelscherm. Dikke dijbrokken en achterwerk van ventsters, spanden ingekneld tusschen broeibeenen van kerels. Tegen de donkere pijp in ’t luchtbrandende blauw, leunde ’n troep beweeglijke werkers, lachend en krijschend, grimassend achter stillen rug van kapitein. Ze lolden met de breiende vrouw, die kippig en doodmoe van ingekneld-staan en hitte, niet veel zag van de waar, knorrig gromde, dat ze nog den heelen dag te sjokken, te venten had in de stad, in die pesthitte, en nòu d’r beenen al voelde als verlamd … En aa’s se d’r nou moar ’n kop leut kon naime.… ze had d’r dorst en honger veur drie.…
Nerveuzer breidde ze door, tegen ’t hoofd van een kerel, vóór haar buik en beenen neergehurkt, d’r stuipig stompje kous boven z’n pof-pet komiekerig verkronkelend, onder de snelvingerige webberijtjes van ’r naalden en draad. Telkens flitste zon bliksemend licht op de naalden, die even hel-elektrisch gloeiden en schichtige flikkerpijltjes puntig àfslingerden, tusschen de sjofele kerels en hun morsige stankplunje.—
Bode had uit de kajuit ’n borrel gekregen, gelijk met „notaris,” die in vadsige houding bleef luieren in zonnegloei, tegen de pijp aangeleund, den borrel in één achterwaartschen smak van z’n hoofd, z’n keel ingoot.—
—Netoaris hep ’m glat laid s’n happie!.. lolde ’n groenboer met afgunst, hunkerend naar eigen zuip.—
Rooie kop van Bode lachte, mond-wijd.—Z’n tong klapte klakjes van genot tegen z’n gehemelte òp en prachtig z’n tanden glinsterden blank tusschen z’n vuurrooie lippen uit. Lustig hadden de venters den zoet-inglijenden borreldronk beloerd, want allen snakten naar ’t brandvocht, zalige lafenis in de venthitte.—
—Nog een borrel veur aige bik, veur de Bode, ironizeerde Klaas Grint.… enne een veur de „neerstige netoaris”.… daa’s veur sain drooge keel van ’t skràive … hei smoàkkert?
Dirk veegde z’n mond af, watertandde, voelde flauw speeksel op z’n lippen klefferen, en van allen kant, de zwoegers rumoerden heete grappen rond, nou er zoo vroeg al door de „heeren” geheschen werd.
—Strakk-en-an jullie beurt hee?.… beet de Bode terug.. En nou!.. manne broeders!.. luistert!.. tien bosse rebarber.. segge tien.… wie seit dur?.…
Van alle kanten tegelijk, krakeelde bod tegen elkaar òp. Een vurigste, schreeuwde hoogsten prijs, bleef winner.
—Veur Vink.… ses bos.—Nou he’k nog vaiftien.. wie sait dur? Weer daverden stemmen in golfstoot tegen elkaar in. Geraas kraterde los. Ze scholden, keven, nijdigden, nu de làter-geveilde rhabarbers veel goedkooper gingen dan de eerste.
—Da’ binne dur gemoedereerde liefhebbers, grinnikte de Bode.… nog ses bosse.—In woesten slinger zeilde ie de verkochte stelen naar den groenteboer die ze gekregen had.
—Gooi jai hullie moar in ’t bakkes hee, jai kailt moar roak t’met!
—Nog vaiftien bosse vàn.… „netoaris?.…” vroeg Bode, doend of ie niet merkte dat ie ’n kerel pal tegen z’n pijnlijken neus gemept had.
—Houweke!, schreeuwde achter de pijp notaris uit, met even oprekking van z’n hoofd uit luien armenleun.—
Dirk bood ’t hoogst, kreeg ook, in joligen zwier, de heele vracht van Bode toegesmakt, pal in z’n armen. Maar nergens kon ie zich roeren, wist ie z’n bossen te bergen. Schuin achter ’m hing al ’n rij manden, los, tusschen vaten en kisten.—Met de vracht z’n armen ingekneld, paf van zweet en hitte, bleef ie staan, tusschen de zittenden, hurkenden en woelenden; probeerde ie zich langzaam los te werken, met z’n zakken erwten en manden, uit het wasemende, broeiende menschenkluw.
—Nou nog sestig pond witte kapcainders.… wá’ segge jullie nou.… de loatste ressies.… Veur d’n dag manne.… dappere vrouwe of te wel kenàu-Ha?.… neenet.… kenau.. boè seloars!.…
Zwaar sjorde ’n zak uit ’n bres geboorden hoek, op veilbank. Half afgezakt van den zinken rand sleepte ’n pachter z’n waar bij ’n touw, blaas-hijgend van hitte. Maar niemand bood meer, dat woedend de kerel z’n vracht van den veilbank terug rukte, opbonkerde tegen beenen en hoofden, met ’n vloek achteruitstoof, rood van gift. Z’n waar schoot de bres door, die achter ’m weer sloot, knellend, walmend-benauwd.
Tusschen den muur van koppen en ruggen, gromde ie nijdig nog:
—Wâ suinige Job.… die laileke takkebos kaikt je an of je ’t d’r stole hep!
—Nou wa’ dan.… pluk jai vaire van ’n kikker hee? aa’s d’r gain sinte binne, moedereerde ’n oudje, z’n neus hard snuitend met ’n vuil rood zakdoek, dat ie als geronnen bloedlap tusschen z’n beverig gelige vuist kreukelde.—
—Nou he’k nog vaif bosse wortele, schoof ie weer nijdig af bij ’n ander.
—Dank hee?.… ken jou wortele nie hebbe.… binne main veuls te groot.
—Loop jai rond, duufelstoejoager.… sain f’rassereerd-goed.
—Disketeere komp hier nie van paa’s foàder!.. lachte de Bode.… wá’ há’ je nog meer?.… komt dur dan mee veur ’t licht hee?.… O? wà? niks meer? niks?.… dus je bin dur uit! Mooi!.… dan he’k hier nog ’n prechtig kisje ongetelde tuinboone.… Wie sait dur veertig sint.. veur die heule sak.… soo wait aa’s de broek van vrouw Zeune!
—Vaiftig dofte ’n stem!
—Sestig, er boven uit gilde één heeter, trillender.
—Naigtig, ikke mose hebbe snauwde een ander driftig.
Weer zag de kerel op de lage kist, weggezonken achter de stom-breede vrouwe-ruggen ’n koop afgetroefd door z’n veiling-vijand.—
Even had ie weer ’n wipper van z’n bak genomen, den mottigen kop uitgerekt en gezien, met woede, dat ’t z’n ouë tegenstander was. Nijdig trampelde ie met ingeknelde zenuwbeving z’n beenen naar alle kant, dat de makkers voor en achter ’m vloekten en duwden, om de bemorsing van hun plunje.—
—Ben jai daas snurkert! hak je beene d’raf, aa’s je hullie d’r nie stil houe ken.
Weggezakt weer achter ruggenmuur, z’n pukkelkop gebukt, kookte ’t weer in ’m van drift, probeerde ie zichzelf wijs te maken, dat ’t toch veel te duur ging, hij zelf blij moest zijn dat ie ’r zoo goed afgekommen was.
—Haa’k strak-en an meskien die floddermusse had.. en nou.… potdoorie.… die haireboone!.… ongeteld!.… sitte d’r vast gain duusend in.… magge veur main bestig hebbe.… haha, wat ’n dolle smak.… Nou.… ikke mo nie!.. wa?.… wà?.. hoeveul sait ie?.… kaik.… prechtig! prechtig, joàge hullie sain d’rais ook op!.….. kaik! nog hooger.. hoor main-dàt-t’rais an!.… kaik.… goan die nog hooger! hoor! daa’s d’r puur doas.… Wá’ brenge die op?… vast gain duusend in.… ongeteld! Gain duut!
—Een vaif en twintig, staalhard, hortend klonk Bodestem.. mi je tweeë.. één dertig.… mi je drieë.… éen vaif en dertig.. één vaif en dertig.… een vaif en dertig.… éen moàl.… andermoal.… veur de derde moal.… Ritsema!
Stomp keek ie, de hals rekkende venter, stomp op donkre vrouwruggen. Zacht, in zenuwnijd trampelden z’n beenen tusschen engte van lijven, schijnheilig overgaand in ’n deuntje op ’t doffe hout, en brommerig raspte z’n ventersstem, dat ie d’r niks van hebbe most, van floddermusse en ongetelde boone.—
—Nou nog veertig pond peule, bestige, malsige, soetige, schreeuwde de Bode, nog de loàtste ressies en dan is ’t puur daan!
Weer stortte ’n veiler rhabarber neer op de heet-zonnige zinken veilbank, die dampte van geuren als ’n wierookaltaar. Weer sjorden zakken doppers òp, en voort joeg onder proestlach en juichender krijsch, gedol en nijd, de roezemoezende koop; kwam er begeeren naar eerste schoft in de schorre, droge, heete keelen. Drukkender hitte gloeide en zwamde néér op menschenprop en koppen. Warmer stanken in zonnevuur, ontbroeiden op hun morsig vel, en de kajuit ademde wee-zoete luchten uit, van bakmuilen en grijnzende mond-manden, walmzwaar en duf-bezwangerd, naar ’t dek. Aardbeien, wee-zwoel geurden rond in ’n damp van benauwde zoetigheid, en telkens, in verschuif en versjouw van groenten, brandden de kisten hun rood uit, in zengenden blaker; kogelende vruchtjes vuur tusschen helgroen en zacht bleek, donker droef groen.—Groen, rauw als plankenkoloriet van Zaandamsche hutjes, omzond in heete murmeling van zomervreugd; tusschen pastel-teer bleek-groen.—En alles daar, zoefte voort in ’t landelijk kanaal, ’t hel-rood, ’t groen, ’t donkere en licht-felle, ’t brandende wortelenoranje, de zee-groene lichtverwiegende kroppen, de pastel-fijne erwten, de boonen en bakken, stoofgloeiend onder ’t blauwe vuur van de eindlooze lucht, hemeldom van brandend lichtblauw; hitte die wit vergloeide in daverenden zonnebrand op wei en bouwgrond, eindloos in ’t rond.
Als schroeiend brok zomer, levend brok aarde, in schipvorm saamgestampt, zoog de boot door het schitter-fel, licht-beketst water; als kleur-drijvende aarde-ark van groen en rood, tusschen goud-koperen gloeiing van roer-brokken en randstukken in glimmigen zwier van verglijende glansen. En rond de groente-ark, de hevige wemel, ’t brandende trillende koloriet van alkleurig kistenschmink. Vóór „Tuinders Geluk” zwierde kleurenbrand van andere booten, tusschen de heete zonneoevers van eindloos poldergroen. Vaag rumoer van stemmen klonk daar òp, achter de pijpen. Van ver brandde ’t aardbeirood uit kistenmuur, feller, hevig-heerlijk tegen hemeldom van brandend blauw. En windeke van zomermorgen, briesde en stoeide, koel-streelend en wuft om de vruchten, de zweetkoppen. In ’t water ruischte ’t golfjesschuim, stoeide de zon met z’n sprankelend vuur van zilverend-goud. Droom’rig murmureerde rhytmische kabbeling van zonne-golfjes, om boeg en steven heet vervloeiend.
Dirk stond van geuren en bries bekoeld, polderland te overstaren. Van den luchthelm naast ’m sprong plots ’n rooie kerel àf met ’n zwaren zak lage waalen.—Rook wolkte over hen uit. Donkere gulping en bronzen veeg van stoom verroette, en pijp-zang baste in beev’rige galmen ’t vuur-stoeiende watervlak over. Bronzerig in wolksmook, verlicht in dagbrand, bleef áánroetten de rook, dat de kerels vloekten achter de pijp. De rooie venter, kuchend en keelschrapend, sleepte z’n zak op veilbank, van boven nauw dichtgesnoerd met ’n dikken vuil-witten band.—
—Wa binne ’t veur snoake?.… vroeg ongeduldig van z’n bank, de Bode droog-komisch op den rooie neerkijkend.
—Sestig pond loage woale.… de leste!
—Sestig pond.… prèchtige loage woale, schreeuwde Bode dadelijk, zonder te sien.… fersche, malsche woale.… wie sait dur honderd gulde.…
—Eerst kaike hee?.… se kenne d’r puur te dik weuse, norschte ’n vrouw.
—Sièn je woàr, duwde Klaas Grint er tusschen door.
Gejaagder morrelde de Rooie aan den zak, driftig rukkend, aan ’t wit stuk band dat er niet afkronkelen wou. Bode ophitsender, bonkte al met z’n handen op schouders van den venter, grimassig doend of ie ’m hielp trekken. Ongeduldiger geprikkeld, verhit, dolden en schaterden de kerels op ’m ààn.
—Die boel ken d’r nie los, vast nie.… da’ binne d’r gain woàle.… da seg ikke jullie!.. smak die gaip op s’n almenak.. da s’n ribbe kroake!
—Aas je main! je ben d’r nie lekker op.… aa’s ’n kikker op ’n kluitje hee?.… verontwaardigd snauwde knorrig en sputterend van vermoeienis de rooie groenboer terug, z’n zak even loslatend, van verlamd moeheidsgevoel in z’n armen.
—Furt d’r mee, los die rommel, joeg de Bode weer op, dien ’t nou begon te vervelen.… furt! of ikke sèl ’t doen.… f’rdomme, ’t kroakt hier op de bank of Sinterkloas er reeë heb!
Van z’n stoel, beenen uitgekromd, rukte ie aan de zak, nijdig met driftige handmeppen, maar de knoop bleef in kronkel gesnoerd. Giftiger rukte de Rooie, dat ’t vette glimzweet van z’n blanken kop waterde. Niets hielp. Allen in voorsten rij beukten en rukten den zak, die als ’n levende romp, gepijnigd op folterbank, in z’n grauwbrons en plooi’rige vadsigheid méékronkelde en stuipte onder de driftige meppen der kerels. Lol hadden ze ’r van, gierende lol om de zweetende, vloekende onmacht van den rooien groenteboer.—
—Da’ goan nie, dolde Klaas Grint, hai hep sain d’r vàstbakt.…
—Nou, ikke seg daa’s ’t kouseband van sain tante!.…
—An-main-hupla!.. van sain skoonmoeder t’met.… die hep dur koabels om d’r kuite!
—Niks gedoan! ’t kouseband van sain maid! kaik d’r stoan ’n merrekie op!
Woedender voelde de kerel hitte-drift in zich òpfuriën onder ’t heete geschater en de stekelige lolletjes van de groenboeren rondom.—Maar ’t dolst maakten ’m de nijdige grapjes boven z’n hoofd van den Bode, dien ie niet zàg, maar hòòrde grimassen. Eindelijk viel ie nijdig op den zwikkenden en krampenden zak áán, beet er z’n tanden woedend op in, rukte den knoop heen en weer met z’n drift-gloeienden mond, als ’n hond ’n been-kluif,—knaagde, scheurde en knarste. Even kwam er ’n stompje loswarrelen. In grabbel trok ie z’n mes, sneed plots den band door, dat de zak, gerammeid, gehurkt en vernederd, van boven lossprong uit z’n worgenden klem als met ’n snikzucht naar lucht.—
Weer nieuw goed werd aangesjouwd, nù losse slabakken.
—Mo’ je nog twai bakke, soo uit ’t knuisje van Knelis Tijsse?
—Hee, hai je d’r veur main ook nog twai?
—Ikke hep per nog één veur je, krijschte ’n ander er dwars door heen, veur de hàlft van sain prais.
—Daa’s liederlik, jai natte kip! hou je bek, jai ben d’r nie in vailing.
Met ’n grooten bak sla wou de dwarsdrijverige onderduiker zich door het kluw venters heen werken, maar van allen kant, bonkten ze’m terug, moest ie, strompelend en struikelend maken dat ie weg kwam, ’t stillere boot-achterend op.—
—La’ da’ varke nie deur.… eerst de bakke van Tientjes wèg.… hee Tientjes! wa hai je dur nog meer?.… rebarber he’k had, peene, sloà, postelain ook.… boonekruid … loate „spanneezie”.…
—Ben d’r uit! schreeuwde Tientjes opgeruimd terug!
—D’ruit! mooi, dan he’k nog tien bosse faine peene!.…
’n Sjofele, monsterleelijke tuindersvrouw, rimpelig begijntje, met dik-apige lippen en naarvoren gestomd kakement, had zich, in ’r hard-geel manteltje, vooruit gedrongen, bij kleine stootjes en duwetjes. Nou alles op ’t end liep, ’r verslapping kwam, en wrevelige hang naar schaft, drong zij vooròp, listigjes spekuleerend op vermoeiing der andere groenboeren.—
Met schuchter-zwakke stem zette ze’n bodje in, en plots dromde woeste snauw van alle kanten tegelijk op ’r af.
—Saa’k laife! da’ hai je ’t kallef mi-de-natte neus.—
—Loà de boere moar dorsse! ken hoàr ’t skele, minachtte ’n andere vrouw met venijnigen, puntig-bitsen kop, bejeukend d’r scherpen neus, die uitpriemde als ’n boor onder ’r gore steekmuts. De eeuwig-breiende ventster, moe, met ’r knorrige moppertronie, snauwde mee, schril. Niemand gunde ’t rimpel-begijntje ’r sjofele koopjes.—
—Roggemegoggel! de gele medam hep ’t puur op d’r heupies.—
—Se hep o-de-keloonie van d’r gelant op d’r jakkie, hoonschaterde vrouw Zeune, en de brei-vrouw rolde weer ’n vloek naar d’r verschrikt snuit.
—Veertig.… sint.… veertig, hakte de Bode door stemmen-gesnauw en gekef heen.… veertig eenmoal!.…
—Vaif- en veertig, nijdigde ’n andere vrouw, alleen maar om òp te bieden, wrevelig-wetend dat ze de waar toch niet noodig had, volgepropt als de mannen en wijven al zaten, bij den laatsten rondgang.
—Vaif en vaiftig! dolde ’n kerel ’r tegen in, die de gele madam niet luchten kon, met genot ’r uitgehuilde kaken zag verangstigen.
Zweet-rood glom de gele madam, stotterend in verlegen angst, bekrabbend ’r apigen gelen mond en kin. Benauwd glunderden haar oogjes, vol glinsterig, sluw-bang licht, òp naar den Bode. Want op ’t eind van elke veiling was zij taai, zij, dat wist de kerel.
—Sssjesjjtig, siste ze even uit, met ’n wenk van ’r magere knokels, sluw, schuchter toch.—
Nijdige snauwhoera’s gierden ’r hoon-scherp tegemoet.
—Je man kaikt mi sain skele lampies noa je hain!, sarde ’n tuinder achter ’r rug, haar telkens porrend tegen de schouers, dat ze schokte.
—Nouw sssjjoà.… nouw sssjjoa.… aa’s.. aa’s … tongsleepte ze, in wanhoop opgejaagd om hooger te bieden. Haar naar voren gestomd, geel kakement sidderde van zenuwschokjes, ’r apige lippen trilden, en ’r ingedrukten neus, wijd opgewipt bij de reukgaten, bewreef ze onder ’t lispen.. nouw.. sssjjoà.. jullie gunt t’r main gain sssjjpòg woàter!
—Wa’ mò je tug mi die peene veur sestig uitvoere waif?.. je koop hullie pattekelier veur vaiftig bai ònster.… lolde een weer in hoontoon.
—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … brabbelde ze verlegener terug, òpstarend in oogenangst naar den Bode, met zenuwsnel wimpergetril, als hing ’n slingerend mes boven ’r hoofd,—De vrouwen grolden, konkelden en schaterden vinnig jaloersch, lol-woest, dat ze’r zoo hoog opgedreven hadden, in hun gejaagd bieden.
—Nou mag sai d’r biertje loàte werrike?.. Bi-jai-’t-Hain!
—Sestig, eenmoal, veur de derde moal, hakte de Bode droog door, vrouw Joapeke!
Ze beefde als ’n riet, vrouw Jaapeke! Ze voelde, in ’r zenuwangst, dat ze toch te hoog was gegaan. Bang graaiden ’r gele, breed-bemouwde, slobberige armen, naar de penen die de Bode tegen ’r platte borst smakte. Geel-rooiïg vervlekt, dampte ’r tronie, dat monsterlijker rimpelde als oudwijverig apenbakkes, in glimmig zweetvet. Niemand durfde ze aankijken, als had ze een gemeene streek uitgehaald. Tegen ’r hardgeel, verkaald kort manteltje, knelde ze zenuwachtig de peenen, en banger loerde ’r monsterlijk verdroogde begijntjes-kop ùit, tusschen den fellen daver van ’r wortelen-oranje en ’t fijn-kartelig uitgeknipt donker groen loof.—
—Nog twai koopies, dan is de skaft dur, lachte de Bode, ’n bittertje weer met smaktong wegklapperend en opzuigend z’n adem.
—Nou he’k nog ’n sak mit laifende woar.… gain f’rklikker in de buurt?.… niks nergens peliesie?.… wel-nou-dan!.. dan he’k hier spring-laifende woar.… twee prêchtige kenaintjes!.… kaik hullie tippele!.. kaik hullie tippele!.. la’ main in gos noam niet langert proate.. beste minse!
De grauwe zak had ie opengefrommeld en er met één hand, bij de ooren, ’n donzig blond konijntje uitgegrabbeld, dat angstig spartelde en voorpootjes kramperig tegen wit-bevlekt borstje òptrok.—
Schater barstte òp naar ’t hangende diertje, kerels gierden, vrouwen gilden.
—Sou ’t d’r ’n broertje.… of ’n sussie van sain, moar dur sit dur nog een percies-eender in de sak.. wie blief dur hullie!
In rauwen humor, de twee ooren in één hand saamgeknoopt, keerde ie konijntje naar zich toe, ruggetje naar de koopers, vroeg ’t, venijnig tikkend met vingertop op beweeglijk zenuw-trillend neusje:
—Hoe vint ùfus de f’rgoadering.… die ùfus broàde sel? ouë jonge?.…
Heet gegier raasde uit den troep en konijntje draaide ie rond aan z’n ooren, dat dierke als ’n spiraalwrong, weer duizel-snel terug-schroefde.—Kramperiger spartelden opgetrokken voorpootjes; suf bleef staren ’t stomme kopje tusschen engen oorenknel; sneller en verbluft trilde angstiger ’t blanke neusje.—
Vrouw Jaapeke was er weer ’t eerst bij met ’r bod.—
—F’rvloekt, die komp nou altait op ’t lest! stiekem uit ’t hoekie.… snauwde de brei-vrouw weer, giftig doorwriemelend d’r steken, bij webbende vingertoppen.
—Is juffer luiwoàge weer an ’t woord? spotte ’n groenboer naast ’r.
—Nouw sssjòa … nouw sssjjoà … kauwden ’r dikke lippen weer, en zweeterig, met rooie vlekken, rondgetrokken als doffe bloedvinnen, glom ’r gele begijnentronie. Angstig loerden ’r oogen òp naar ’t zacht nog nàschommelende konijntje, dat de Bode telkens kleine draai-duwetjes gaf. Droeverig-gebluft staarde ’t kopje, de oogjes trilden, keken wijs, als voelde ’t deernis, dat ze ’m zoo plots uit z’n stik-donkeren, duffen aardappelenzak, in ’t felle zonlicht daar te kijk hingen. Z’n spichtige steilgrijze snorhaartjes beefden en z’n weeke angst-bekje mummelde wat, als verkauwde ’t z’n eigen angst.—
—Veertig éenmoal.…
—Sestig, ’n rauwe stem van tuinder klonk achteruit.
—Ksjt! ksjt! katjes.… siste ’n kerel, sloan jullie de gaile medam veur de sokke.…
Weer trok weduwe Jaapeke beverig aan ’n grooten knoop van ’r hard-geel manteltje; sterker beefden ’r oogwimpers.
—An joù juffer luiwoàge!.. veur aige bik!.…
—Wa’ mot dur medam mi’ knaine van doen? sai frait d’r puur kalkoene!.…
—Nouw sssjjoà … nouw sssjjoà … sleeptongde en lispte ze angstig terug, afwerend duwen en grapstooten in rug en zij, jullie gunt dur.… gunt dur.. ’n minssjch nikssjch.
Angstiger loerde ze naar Bode òp, of hooger bod inviel.
—Sestig één.… sestig anderr.…
—Vaif en sestig!.…
—Mooi soo!.… gooit de boel òp waife;.… aa’s alles brandt brandt woater ook.. la’ jullie je aige nie troefe.. van die gele sloerie-ekster,—stootte ’n venter uit, grinnekend tegen ’n buurman.
Weer had vrouw Jaapeke den Bode stiekem gewenkt, vlak op z’n schoenen, schuwtjes-snel ’n knauw met ’r beverige handen àfdrukkend.—
—Aaj! vrouw Joapeke! main eksterooge! krijschte de Bode een arm en been lawaaiig-komiek de lucht insliertend, ’t konijntje meeslingerend bij z’n ooren.
Joelende hoongier schaterde los. Vrouw Jaapeke stond bedremmeld, nu Bode ’r in z’n lol verraden ging, dat zìj aan ’t bod was; dat zìj op z’n schoenen gedrukt had. Weer hooger ging tegenbod;.… angstiglijker rilde gedachtetje door ’r heen, dat ze de beesjes niet kreeg.—
—Sien jullie, de gele medam waa’s ’t weer!.…
—Anme huppla!.… nou kraig sai twee fraiers thuis!..
—Tachtig, hakte weer door de Bode, en weer voelde ie ’n half verborgen druk van vrouw Jaapeke’s beverige knokels op z’n schoen.—
—Vaif en tachtig eenmoal.… andermoal.… veur de dèrde moal!.. vrouw Joapeke!
Weer barstte ’n rauw hoera los, rond de gele medam. Ribbe-stootend bonkten ze’r, gilden en hoonden de jaloerschen om ’r heen.—Want ze wisten wel, dat zij dingen plaatste, die anderen nooit gebruiken konden, bij wijven in de Nes. Daarom durfden ze niet nòg hooger tegen ’r opbieden, bang dat ze ’r misschien aan hangen bleven.—Bode had konijntje weer in den zak gesmakt en rolde de levende waar vrouw Jaapeke tegen ’r platte borst, boven wortelenstapel, waarmee ze nog onder de armen, tusschen de mensch-kluw ingepropt knelde.
—Saa’k f’rbrande aa’s ’k snap wá’ ’t waif d’r mee uithoale mot.… verleje.… mi Juni hep sai ook.. die vaif prêchtige leeuwerikkies kocht.… die hassebas.… woar hoalt ’t murmel de sinte van wèg!.…
—Van beroep is d’r man tug stroat-oàrm, hoonde ’n ander.. hee! gele medam, koop jai d’rais ’n nuwt stelletje kiese hee?.…
—Trek jai d’r veere van ’n kikker! schaterde valsch mee de vrouw met d’r rooie kap en woelige sierseltjes, boven ’r voorhoofd.… se is t’r moager aa’s ’n tang! en ’t laikt dâ se koopt veur aige bik!
—Nou, grinnikte de brei-vrouw,—in de stad … loopt ’t mins.… soo ver aa’s de hemel blauw is.… en roakt t’met nooit niks kwait van d’r kar.
—De leste koop!.… luistert wèl, goê-liën, schalde hoogklaar de Bode weer,.… om te beginne en an te vange mit ’t begin, he’k hier ’n prèchtige takrooie maidoorn.… wie blieft.. wie-sait!
Van vier kanten raasde áán, dooreengolvend stemgekletter.
—Tien! vaiftien!.… achttien!.…
—Mit je àlle achttien, lachte Bode, mit je àlle twintig.… wie mot!
Dat was blomgoed, waar de hééle stoet op loerde.—
—F’rfloekt.… de fint snait d’r ieder dag ’n takkie van sain boom.… aa’s tie dit joar.. gain tachtig pop veur s’n boom moak, hiet ik puur gain Teun Stainders meer.…
De eerste bloemenkoop was weggerùkt. Langzaam achter ’n stapel aardbeikisten, wrong groenboer nog twee kleinere takjes. Maar nòg schreeuweriger, voor hooger prijs, kochten ze die in. Ze wachten er op, en hurrieden alle tegelijk er om.—
—Op is de boel!… gelukkig, kwam d’r aêrs nog muiterai an board.… Moandag weer ’n handje!.… lachte de Bode, en nou he’k hier nog prèchtige lelies.… wie mot dur.. wie?..
Nauwelijks had ie de vormfijne lang-stengelige bloemen in de handen of ze smakten op ’m neer. Twee vrouwen rukten ’n heel bosje uit z’n warme knuist.
—Ikke ook, ikke mot d’r òòk.…
—Hier.… doar hai je vast màin.. vrachie sinte!.… Ikke hep d’r tien!.…
—Màin.… main!.… daa’s gemàin, gilde ’n ander.… ikke hep d’r eerst sait!.…
—Krikf’rdorie.… die blomme luchte lèkker, snoof Dirk verbaasd-loom òp.. die mo’k hebbe veur main klante!.…
De vrouw met de stuipige breikousstomp was plots òver de hurriënde en dringende kerels heengebukt, ’r vat-breed achterwerk ’n groenboer langs ’t gezicht schurend. In woesten ruk, had ze vrouw Jaapeke de lelies uit ’r hand gescheurd, de bloemen haastig in d’r schort beschermend.—Vier andere vrouwen, met verkoop van veiling, zwaarlijvig bijeengeklonterd, sprongen bijzij op gele madam af, om te zien of ze nog meer blommen bergde.—Maar in één ruk had de breivrouw ’r leeggeplukt. Grienerige woedetrekken groefden om schrei-mond van gele medam, en sputterend spoog-lispte ze vloeken uit, naar de woeststerke wijven. ’n Endje van vrouw Jaapeke af, waren nu wat groenboeren op de brei-vrouw losgesprongen, om die den blommeboel te ontfutselen, bonkend en haar bekrijschend dat ze niet had laten uitveilen. Maar breivrouw weerde zich heftig, trapte naar achter, beukte opzij, in den knellenden warrel van graaiende en rukkende handen, stampen van beenen en lijven. Bodestem schalde plots bòven ’t warme stoeigewoel uit, in lach van z’n frisschen kop.
—Nou nog wa’ prêchtige pioene, wie-se-hep kraigt de staikels.… ikke hou de blomme—.. In wat tellen hadden de venters ’m afgekocht.—Broeierige woeling gistte los in den veiling-prop.—Snikhitte dampte om hun zweethoofden. Zon priemde fellere lichtlansen neer op de boot. Elk plekje braadde en kookte.—Spraakloos buiten ’t gewoel, stond kapitein voor zich uit te staren, ’t vonkwater in, en hoorbaarder nu, achter veilingstilte uit, klotste de golfjeskabbel tegen schipwanden òp in schuimende koeling en week ruischgestroom.—
Hunkering naar ochtendschaft ging rond. Om den Bode klonterde de menschenkluit los. Twee dikke groenboeren kankaneerden in nauw gangetje van hangende manden en kisten, naar de kajuit. De dikste, achteruit dansend, met kwabbige schommeling van z’n vet lijf en spanning van dans-dijen, strompelde gladkoperen traprichel af. Springend met kromgebogen armen, ’n zwaai de lucht in, plof-bonsde de andere op z’n borst en buik. Achter hen ààn, trampelde ’n heele bende naar beneden, de kajuit in, waar al wat kerels, mistig berookt in halflicht hoekje, saamgebroeid hurkten achter hun manden.
Als ’n laag-bezolderde ark, spitsig toeloopend en hellend bij den boeg, dampigde de kajuit, volgesmookt van pijp- en sigarendamp, snikheet. Groòter en ruwer dan in ’t fel deklicht, onder half schaduw nù, lijfloom neergesmakt op de rooiige ruw-bekwaste banken,—leken de vrouwen- en manskoppen in de kajuitsdiepte. Achter enkele half-verduisterde hoofden, wangbrokken en kleurig haar, stroomde zonnelichtspuiing, door hooge ronde kijkgaten, beomtrekkend èven wat tronies in zoom van goud, fijn vloeiende lijn, die gloeide soms als electrische lichtdraad. Schuwere glansen schoten door morsig beruite kijkgaten, hoog ingeboord boven boeg, scheemrig vervloeiend in de halfdonkre kajuits-sombering.—Langs de wanden en midden in, plankten de ruw-rooiige banken, breed, waarop neergesmakt dromden in stomme hurrie van punten en brokkelige kanten, kisten, pakken en manden.—In de kajuit stonk ’t duffer, vunzer nog dan op ’t dek, waar dòòr de groenteluchten heen, soms nog ziltig zoute lucht van zee-windstroom aanwoei. De hooge kijkgaten, ’t heele schip langs, brandden in reflexvuur van kanaalwater en zonnegloed, tusschen ’t opkruipende half-duister in de stik-heete kajuit, als gloei-gouên oogen. Tegen de grijs-grauwe morsige zoldering zonden wat lichtkrinkels, die trillerig door elkaar heenspiraalden.—Vlak onder de gloei-gouden licht-oogenrij van kijkgaten, doorzond en fel-verblindend, kropen schaduwtinten langs verdonkerde wanden, zonk de kajuit in, vaag-kleurig van paarsen rook, even doorneveld van zwakke glanzen.—In al òpgeknelder drom trampelden de vensters van ’t dek, smakten zich neer op de banken, tusschen hun pakken en kisten.—In roodbruine somberheid plankten de banken, en heel de kajuit, met de oppropping van koopwaar, leek ’n groef, roodsteenig en duister, waarin schipbreukelingen saamgevlucht stumperden, bàng omknellend hun laatste rijkdommen.
’n Lange kerel, met heel kleine oogjes, z’n hoofd de zoldering rakend, waaronder z’n gebaren reuzigden, holde heen en weer te bedienen, stapte telkens op ’n vrouw af, die op bankpunt koffie schonk uit ’n bruin beschilderden koffie-stoomketel. Tegen muur van kajuitstrap, donkerde inhammend buffetje, waarin opgedrongen bijéén hinkten, diendertjes, manke jeneverglaasjes; tegen elkaar leunden, flesschen, koppen, broodbonken, kaas, steenen bordjes en sigaren. Van alle kanten, uit de half duistere kajuit, tusschen het triestige roodbruin van banken en morsig grijs van zoldering, roezemoesden zeurige, teemende en krijschend-jolige, hakkelende en sputterende stemmen. Uit elken hoek warrelde geraas, gekakel en boerenwoest geschater. Gretig pakten de venters hun stukkenzak met halve broodhompen en mikkies uit; hàpten, hàpten.
—Koffie main!
—’n Bakkie g’laik!
De heele bende verdonkerd en ver-reuzigd onder lage zoldering en balken, slurpte koffie. Overal, ingebukte nekken en gezichten, de warme lippen op de groote kopranden platgeperst, vuile handen rond de kom gekneld.—In anderen klauw, de halve mikkies gegrepen, hapten dierlijk de geile ruwe monden, slurpten de tongen, grepen en persten de morsig levend-beweeglijke vingers, groen en bruin vervuild van smeer. Op verhoogd boeg-end, druk roezemoesde ’n gierend troepje, de beschaduwde koppen naar elkaar toegebukt, in raaskallende lol, omwolkt van paarsblauwigen rookmist.—
Soms even schampte òp, achter nevel-paars, ’n pijpekop, ’n kiel, rooiig-donker, grimmig-gebarende hand, ’n wangkant, ’n harige achterkop, met even lichtbeflitste oorrand, plots weer wegduisterend in zwaarder rookgewolk. Naar alle kanten liep de lange kerel met z’n dampende koffiekoppen, zonder schotels rondgediend, oorloos en gloeiheet, de klef’rige greepklare ventershanden induwend. Al meer reuzige schoenen, beenen en lijven zakten de loom nauwe kajuitstrap af, waar ’n ruitje even licht sloeg, voor ààn, in ’t rookige hol. De vrouwen bijeengegroept kakelden en kuchten, op d’r hooge banken saamgedromd, tegenover de woeste rookers, aan spitsig-hellende boeg. Telkens moesten ze inschuiven, opschuiven voor al meer instrompelend volk, dat tusschen vrachten en meegesjouwde bakken, als onder ’n lagen hemel van zoldering-morsigheid bijeen kwam broeien. De balken met donkere reten en vuile flodders verf, kruisten vlak boven hun scheemrige tronies. Aan ’t eind van middenbank stond de schenkvrouw, breed ingebukt ’r oer-ketel te hellen. Telkens bracht de lange bediende, klefferig bevuilde koppen áán, hield éven schoongeplaste ònder den ketel-slurf, inmiddels vlug uit grooten suikerzak,—als overvloedhoorn blank-open neergetuit op bank-end,—’n schep opvisschend, en in zwierige vlucht afplonsend, in ieder kop ’n hoosje. Naast de ingebukte vrouw, die geen tijd had om ’r lijf te rekken, stond ’n vuil emmertje, van binnen bleek-rood uitgekleurd, met smoezel water, waarin ze luchtigjes,—toch doorschenkend uit ’r koffieslurf,—rond-spoelde de aangedragen, klodderig bestroopte koppen. Even ’t bruin-bestroopte van buiten wegplassend, druipend nog van vieze straaltjes grondig vocht, grabbelde ze met ’r natte handen de kommen weer òp, uit den emmer. En ’r zoon bleef bedienen, hield de reuzige koppen weer voor de tuit, die stroef stond, beklept-harig als ’n levende slurf, waarop vuiligheid bakte. En vlug, de eeuwig-gebukte schenkster rookte de kommen weer vol geurig koffiebaksel.—
Walgelijke stanken, duf en vuns rotbroeiden de groenten uit, de jenever, koffie en tabak. Tegen ’t roodbruine ruwe gebank, en den zwartmorsigen grond, zogen de stanken vast. Wilder, woester, in vergrootende donkering, slurpten, verhapten de koppen, met apig-dierlijke rukken ’t brood, in geilen slurp en zuig, smakkend zich gevend aan vroege vraatzucht en drank.
Dirk lag met z’n arm op ’n stapel duf-stinkende manden, en achter z’n hoofd, op tusschenplank van middenbank, tweekants bezet, stapelden bossen groenten en bloemen, zoet-zwoele lelies, tusschen voos-luchtende aardappels en kool, bruidsgeur en blankte, vermolmend onder gronderige stanken van benauwing. Elk ding wasemde stank uit. De kleeren van venters stonken als verrotte beenderen. Verhitte kroegasem en bloemengeur zogen door elkaar heen.—Naast Dirk, hurkten met beenen onder kin opgehaakt, Klaas Grint en Rink van den polder, happend en smakkerend in scharren en poonen, ronkend van vreetgenot. Dirk had z’n derde kop koffie al heet ingeslurpt, luisterde nu, dwars door leuter-geratel en handengeklakker van nasjacherende vrouwen en kerels om hem, naar Grint, moeilijk verstaand, z’n oor geheven als luistertrechter, tegen den heeten herrieraas van stemmen in. Grint bepeuterde voorzichtiglijk z’n poonen, smakkerde bij brokken de vet-glimmige blanke visch z’n mond in, sprak en vergierde schunnige moppen, dat z’n uitkauwsel, telkens tusschen z’n snaterende kaken opschemerde. Als ’n zaal, waarin rumoerige kakatoes op eigen houtje krijschend konverseeren, dazelde stemmesnater rond. In al gamma’s brulden, lolden, lachten menschenkelen, schorre, rauwe, zachte en weeke timbres dooréén.—Soms klonken er als schrei-geluid, kermende klanken; dàn bulderde en donderde woordkrijsch uit, hevig en verhit in de mist-rookige kajuit.—Rink van den polder, slobberde jenever, door z’n scharrenmaal hèèn. Van uit z’n apigen knie-hurk, rookmistig omdampt, keek ie telkens flikker-scherpe kajuitsoogen in, die trilrige zonnekringen, wazig-vloeiend verspuiden tegen zoldergrauw. Eén balk-brok kreeg felsten stroom, waarop, in krinkelige rilling, als ’n zwabberende kurketrekker, ’t licht invrat als wit vuur. Naast Rink, ingedrukt en bekneld van twee kanten, met mandwerk, stumperde ’n bochel, door z’n puntbult ’n end van bankwand afgeduwd.—Peinzend telde hij eiertjes. Zacht schuifelde z’n hand in ’t strooien bed, en koelblank tusschen z’n groenig-vuile vingers, marmerden de eitjes, telkens teederlijk door ’m weggekoesterd in ’t gouden stroo. Na koffieslurp voelden de kerels zich bijna in de stad, furiede zuiphartstocht òp. Overal rinkelden jeneverglaasjes, zogen de rooie dorstige kelen ’t vocht in, vol wellust.
—Màin segoàr.… moàr hardstikke swoàr! schreeuwde Dirk.
—Enne main nog ’n kats, veur sain sinte, grinnikte Grint op Rink wijzend.
Met acht kommen tegelijk, in balans-behendigheid deinde zacht de lange bediende door den rookmist heen, naar stijgenden boeghoek, al hooger onder de zoldering uitreuzend, in bukhouding z’n kop op borst gedrongen, om zich niet te stooten.—Zwier-vlug deelde ie de kommen rond, tusschen de gretig-uitgestoken handen.—Sterker klonk weer gelebber, smakking en dof eetgeronk. Klaterende roezemoes, gillerig en hoog, onder voortgonzenden toon van mannenbassen, gromde door de kajuit. Levende walvisch, leek ze menschen in angstlawaai opgehapt te hebben, die daar verwilderd in d’r half duisteren muil zaten te schreeuwen, te stampen en te reutelen tegen elkaar van kreupelen angst.—
Stooten van machinekamer bonkten trillingen door de wanden, bracht sidder in de koppen, handen en beenen. Door manden en bakken ging lèvende beefstroom. Alles zat in trilling; de tronies die raasden, de monden die zopen en vloekten, pruimden en kwebbelden; de handen, die vastklemden bevende kommen; de beenen, die trampelden of hurkten. Een flakkerende wiegel van schaduw en lichtvegen schemerde tonig en diep door de rook-paarse kajuit, rooïig-blauw verdampend in hel-lichtende òogenrij van kijkgaten, die loerden met zengenden vuur-blik.—Diep daarònder, de ingezonken lijven op banken, de handen op knieën, beverig doorschokt van machinedreun, de hoofden en oogen vertemperd in kleurigen wasem, tusschen den dof morsigen grom van roodbruin plankwerk en wandgrijs. Daar, midden in de broeihitte, sloegen, walmden en braakten de stanken òp, vunziger, uit half-open kelen van manden, uit zak-strotten, uit gaten en spleten van kisten. Zweet-rook van lijven dampte van kleeren; van barokke klompschoenen, enkele scheef en vergroeid als paardevoeten; van pilow-broeken en baaien rokken.—Uit alle hoeken wasemde rottende stank rond.—Schemervegen van schaduwzware tinten versluierden soms plòts groen-zwartig de kajuit. Rooie sigaarpunten gloeiden áán, in donkering van hoeken en de rondzonnige kajuitsoogen bleven loeren in fel vuur. Prachtige glansjes, smeltend en wiegelend, zwierden op menie-rooie randjes van drie gesloten venstertjes. Licht van waterkabbel wiegde méé met warrel van zonnespel daar in golfjes, àchter morsigblauw paarlmoerig-benevelde ruitjes. En wat trillerig geschijn deinde áán en af en om de kijkertjes. Als ’n diepe hangmat, waarin rookige schaduwen kwijnden en weer wazig-grillig verkleurden, in wiegel van gesmoord licht, hing de kajuit, plots weer in zachten schommel van boot; hangmat van rook en stank, waarin de menschlijven, opgepropt verduisterd in grauwig paars en dampig gesmoord zonlicht, bewogen in nachtmerrie-realiteit. Uit pracht van diepe donkerdroomrige tonen, stemmige diepte van zachtflakkrenden kleurmist, zwaarbefloersd in grillig verstaltigenden groenen rook, doken telkens ànders de boerenkoppen òp. Roodbruin de banken, angstiger verdoffend den getemperden kleurenstoei der mans- en vrouwkleeren; in rooknevels de groentebakken en manden, dwars en stapelend uitgestald op den donkeren vloer, vóór sprookjes-reuzige voeten, òp schootbrokken, tusschen glazen, vuile kommen en rommelzooi van stronken en afval. Daar, door dàt hangmatleven, zogen en walmden de helsch-gemengde stanken, tusschen gebeuk, getril en geraas; broeiden de koppen bijéén; lekte ’t zonnevuur door de naven en ’t dek naar kajuit, waar de snikkende hittedag verduisterd en gesmoord lag te reutelen tusschen engte van duffe wanden.—Ènkele menschkoppen bewogen in glansgouïgen zoom. Wangbrokken gloeiden beschminkt van goudpoeierig schijnsel. Pet-vormpjes vergrilden in zacht-kleurig dof-duister.—Praat en slok, deinde òp uit diepe tinttonen.—Eetmonden vervaagden omrookt onder nevels, snorre-baardig, in harige ruwheid. En de golfjes in schroeienden zonnedoop, verspoelden kabbelig-speels, ruischend tegen de lichtoogen bòven hun tronies.—In paarsigen waas, de groote werkhanden woelden en gebaarden in en uit lichtvegen, rumoerend méé met hun zuip, hun krijsch, lol en ironie.—Handen, breed en geweldig als levende wezens, op zichzelf, hevig gekromd, verbronsd in aardewroet, in rauwe energie van beweeg en passie, tusschen den rookmist en rood-groenen damp, in wilde gebaar-woeling wègslingerend scheemrige vegen en tint-grillige schaduwen. Handen van bronzen reuzen, graaiend in smoor van zonnevuur.—
—Dà waa’s d’r main ’n sjouw Dirk, schreeuwde Klaas Grint, met beverige stem, doorschokt van dreun,—nou he’k tug puur naitig bakke oarbei op de boot—hee annaime!—main nog ’n bakkie leut!.…—
—Daa’s f’rduufeld achste bak, lachte de bediende.
—Nou wà’ sel ’t?.… betoàl ’k hullie nie? houw tot soo langest je snoater,.… nou hoor-je Dirk? daa’s tug puur naitig bakke, allain van main rechterhoek!.…
—F’rek jai, viel Dirk met vollen mond in, zich verslikkend in hoestschokken, onder opslurping van koffie, dat z’n kop bloedrood te barsten dreigde.…
—Kaik nou, die wil d’r babbele aa’s tie te slikkebikke sit,.. wà noù f’rek?.. der kenne.. kenne hier op dek, puur.. dertienhonderd bakke oarebai!.… en f’middag komp ’r nog ’n nuute anvoer.… nou, dan wee’k daa’k goar bin!.…
—’t Is d’r dan ook duufels mit hoàst gonge hee?.. zei met diepe stem, zangerig, ’n venter vlak bij Dirk. Achter middenschot van bank zat ie, met verdraaid lijf, alleen neusbrok en oogen er boven uitloenschend naar de kerels.
Dirk, Grint en Rink draaiden zich half om.
—Hoe most da’ maint? vroeg stug Dirk.
—Wel nou, ’t is d’r nog gain drie weuke hee!.… t’met … daa’k … toe he’k de soete fransies sien hep hee?.… Wa’ màin dat d’r toen teugesloegte.… de vrucht wou nie sette.… alles d’r nog groen en half raip.. de grond uit!
—Daa’s net … veur drie weuke he’k niks aa’s rooie vlekkies in main tuin had, lachte Grint.
—Wel nou, zangde de diepe stem achter beschot weer, met halve tronie er boven uit, en een hand stumperig meebetoogend in beknelde gebaren,—de boel is d’r nou overstroomd hee?—
Met andere hand achter schot verscholen bonkte ie hevig op z’n weggedoken been, greep ie gretig naar ’n borrel, dien de lange kerel ’m brengen kwam. Achterover z’n kop, smeet ie z’n hapje donker mondgat in, bestelde smakkerend en likkend nog een.
—Nou, moar de haire hebbe d’r puur wâ inpalmt an ’t stêtjon en in de hoàfe hee?.… da stong t’met nie stil.… Van màin drie duusend kilo.. van sàin tweeduusend.. van Klaas, van Gijs, van Joap, van Dirk, sooveul aa’s sullie d’r hadde,—of aa’s je kèrtak veurskreef.…
—Wa?.… sooveul?… soo veul aa’s ’k f’rkoope wil hee? barstte smadelijk Rink uit,—buite da’ f’koop ikke tug òòk.. da kroak je ommirs?
—Nou daa’s nie net, onthutst zei Grint, moar nou mo’ je.. mó’ je ook segge dâ je van ’t winter.… al kèrtak moakt hep.. van hoeveul je laif’re mot.—’n Màn, ’n man,… ’n woord, ’n woord.… hee?.… wa’ jou Dirk?.… wá’ jou Staine, wa jou.… Gais?.… je hoef d’r ommers nie veur de heule mikmak te f’rkertakteere?.…
—Daa’s klesseneere, lolde Rink, woest verrollend z’n gemeengroene oogen,—màin nog ’n bakkie leut hee!.… moar ikke f’rkoop wa’ kwait kèn … aa’s d’r beteder martpraise binne, al hè’k kertak veur vaif joàr!.… vat je!.…
—Nou seg, vergoelijkte weer sluwig Grint, de groote afnaimpers hebbe d’r tog ook hoarlie rissieko? daa’s net nie?.… en dá’ jòar.… f’rdomd.… sullie betoale d’r bestig hoog! da mô sait! Daa’s tog moar ordentelik! Velaije joar stong de mart vol van oarebai.… nie te f’rkoope.… hee?.… doar stonge wullie.… mit de pet in de ooge hee?.… en op haide?.… op haide?.…
—Nou, giftte plots ’n rooie driftkop uit rookwolk òpduikend, z’n beenen met gestommel van de bank afsullend,—dà tuig f’rdient d’r g’nog!.… wa’ doene die likkebaire.… niks gedoan hoor!.… sai b’toale d’r lootjes feuruit bai de swoager van dokter Troost … komme hullie d’r effetjes kaike hee?.. de kontreleur doen d’r ommirs alles!.. enne.… dan.… dan hebbe hullie.… allain mit de oarbaie opsende.… allainig mit d’r oarbaie.… sien je!.… ’n duusend pop f’rdiend.… in ’n weuk of soo, hee?.…
—Joà, moar de rissieko, teemde Klaas Grint.—
—Je suster rissieko.… soake aa’s piere.… soo staif.… om dà sullie de loodpot hebbe om vèur te skiete.… sende sullie ònster goed.… deur Duitschland … Enggeland.. en moake sullie d’r joartje wel goed hee? O die diefe.… die sloeries! schreeuwde Rink.
—Nou moar.. wa’ há’ je f’rlaije joar dan?… basstemde weer Steyne achter z’n schot, met z’n mondlijn even ’r boven,.. toen hâ je Beijens.… da’ rooide noa niks hee?.… die kaèrel.. hep toen ònster goed afnome hee? al wat wullie niet kwait kenne hee?.… ’n sint ’n mandje hee?.… mit ’n straip of’r de bakke!.… je was d’r blai da’ se hullie d’r nog veur ’n sint kwait kwam!.… Moar die skevuit heb f’rdiend … die hep d’r waite … dá’ wai gain uitweg hadde hee?.… mit al ’t goed.… die hep d’r van màin.… van joù.… van jan en alleman kocht.… hee?.…
—Of daa’n skurk was, ’n geep.…. tromboneerde de woedestem van Rink, daa’s Beijens van de Skans hee?.… die skoelje hep d’r ’n achthonderd pop, in één slag f’rdiend, één middag.. Hai skunnigde alles noàr ’t buiteland.… hai hep d’r wacht, tut ie onster mi de pet in de ooge heb sitte sien!.…
—Je most d’r je stroopbek moar houe, woedde Dirk tegen Grint, jai.… jai!.… ’r sit d’r gain oasem nie soo goekòòp aa’s jai in Duinkaik.… en bestige grond da’ die vent hèp … swoare en lichte.… alles d’r aife bèstig … god’s kristus!.. aa’s d’r onse de half soo waa’s gaf ik d’r main pink veur … moar da rooit nà niks.…
Dirk gifte zich uit. Hij hield van z’n brok grond, maar de woede, dat ’t zoo belabberd was met afwatering en ie toch óók niet heelemaal kon werken voor zich zèlf, maakte ’m doodonverschillig. Hij gunde d’r geen korrel zand van aan Piet of z’n vader.… En nou ’t zoo beroerd ging, moest de boel maar waaien. Toch hield ie jaloersch, heet-veel van ’n brokkie tuin voor zichzelf en ’n wijf, als ie maar zoo iets ’n hoek had als Grint; vet, vruchtbaar, doorwaterd, warmpies in ’t zonnetje en licht.
—Nou jou lap is t’r àn de Beek ook bestig.… kermde Grint.
—Ferrek jai!.… mesiek! mesiek!… aldegoar bluf! doar motte wai àf.… of tie da’ nie weut hee?.… en kaik erais wa’ doar van de oarepels komme is?.… die hemme nou self poot!.… gain bloas!.…
—Wa’ ken main dat skele, jai beskait je land nie hee?.… suinige jop!.. moar heè? jullie sien nou dâ die mof van ’t stetjon d’r ook nie meer gaift.… aa’s veertien sint ’t kilo.…
—Krik f’rdorie, riep Steyne verbaasd en angstig,—en gister hep ie nog sestien sint betoald.… is die fint nou heuldegoar daas?.…
—Daa’s net, moar nou sien die da d’r te veul is.… nou goan ie onster an ’t knibbele hee?.… wa motte d’r wai mee?… aa’s je ’t nie goed vin.… la’ ie je stoan!.… Je ken je bakke tug nie je kooters te suige gaife?
Dirk bleef stom, lurkte aan z’n pijp die niet halen wou.. zoog en blies blauw-duisteren nevel rond de herriënde babbel-tronies.—
—Main nog ’n bakkie leut! riep Grint dof.—
—Daa’s kom naige!.… lachte stikkerig ingehouen de lange bediende, nou.… die suipt gain borrels meer.… die goan d’r mi’ sain neus allainig in de koffiewind.…
Dirk zoog behaaglijk reutelige haaltjes door z’n pijp, uitkraterend zwarten walm en vonksterren.—Zure stank broeide rond, dat de kerels kuchten.
—Main ’n brandewaintje mi’ suiker.… riep Rink schor, zich schurkend met z’n reuzige schoften tegen bankrug òp.—
—’n Bestige segoar! en ’n brandewaintje mi’ sonder suiker.. mi’ suiker smoakt ie màin te lekker, ke’k nie finte!
—Nou sullie wachte d’r, tû je weeròm bin,.… vast hoor, schaterde een achter bankrug.… Seg Hassel.… weneer sel je hooi overend sain?
—Da’ wee’k nie, bromde Dirk.
Ventersgroep drong uit donker doorrookte boeghoogte, klompbonkerend voorbij kerels op middenbank, naar kajuitstrap.—
Naast Grint bij den ingang, rumoerden stoeiige krijschkerels die om waar streden, zoo hevig, dat Klaas voorover moest bukken naar Dirk om te verstaan.
—Wa’ sai je?.…
—Daa’k nie weut.… wanneer wai ’t hooi of’rend hebbe! wai motte d’r nog één daik.… hooi is bestig.… sit van onder ’n strootje in.… moar bestig hoor!
Zoon van schenkster, aan punt van de middenbank, waar de kerels zaten te zuipkonkelen, drentelde nog met koffie door de kajuit, ingebukt z’n kop op borst.
—Toe skiet op! main die koffie!.. barstte Dirk ongeduldig uit, toen ie den kerel zag voorbij stappen met zìjn bak dampende leut.—
—Mo’ je van main nou nog wa’ mooie duiveke’s hewwe?.. vroeg de venter achter bankrug, met halve tronie er boven uit, oogen en neus strak gericht op Grint.
—Niks gedaan!.… ik hep d’r net waa’k ankèn hee?.… daa’s achtien bos!
—Mo’ je de mand pieterselie nog veur ’n kwart?.… mit ’n slokkie d’r op! krijschte uit de kajuitstrap, ’n rood-bukkende kop, boven zwaar-tonnigen buik, van ’n groenboer, schreeuwend naar ’n volgerookten kajuitshoek. Met hakkenstommel rumoerde hij op bovenste koper-beslagen tree.
—Mit ’n happie d’r òp is ’t daan, krijschte uit rookdiep hellend achterend ’n stem terug en ’n paarsige zuipkop op mager lijf, donkerde vóór, uit nevel van boeghoek.
Bij de kajuitstrap bonsden ze tegen elkaar-op. Dikke zuiper graaide centen òp van mageren zuiper, stopte den kooper ’n mandje zoet-geurende pieterselie in de knuist. Gretig slurpten ze hun borrel in, al klaargezet op buffetplankje door schenkster, die ’r klanten kende.—
—F’rek, daa’s nog hardstikke vol hier, bromde de dikbuik, met ’n zwiersmak z’n glaasje op buffetje bonzend. Strompelend wrong ie zich, snuivend en hijgend, door eng trapje naar ’t hek.—Magere pieterseliekooper stapte weer harkerig terug naar den kleurig-duisteren boeghoek. Telkens dáár, ’n ander nevelbrok van rooksfeer schemerde wolkerig òp, tusschen lichtkrinkels en wit-vuur van zonnespuiende open kijkgaten; weefde in diffuus licht, violet-zilverende damp, flakkerend en geheimvol tintfijn boven de donkere diepte van babbelkoppen, rookmonden, haar en handen. Eén wolkerige sfeer van rookglans rond duistere, in woelige diepte verdompelde menschen.
Van rechts schreeuwde ’n vrouw, midden uit ’n kakel-groep, naar den rookboeg tegen ’n kerel, ’t meest voorop in den damp:
—Nee!.… da’ waa’s ’t snuitwerk van Henk.… hai kwam ’n kiekie loere onder de trap hee?.… moar ’t waa’s vast Henk de koalbuik!
—Henk de koalbuik? lachte de kerel, Henk?.… Heé joa’ twee brandewaintjes mi’ suiker veur de doames … en nóg twai veur main aige hail hee?.… Nou Oàf!.… ik seg je dàn.… da die Henk d’r sain aige beeste la’ f’rhongere!—
—Nou, daa’s main ’n merk! de fint is d’r tuureluurs.… in de eeuwighait in de loorem.…
—Daa’s klesseneere, daa’s klesseneere, bulderde de vent uit rookhoek naar ’t vrouwengroepje, hai lait s’n borrel glad.… hai likt s’n urretje op sàin menier.… moar de fint.… ken d’r puur sain honde nie te vraite gaife.… s’n aigeste beeste.. da benne d’r vaif!.…—Hee.… hee!.… Dirk.… hai jai hoort da’ die trekhonde.… van.… vàn Henk.. de koalbuik.… da die d’r twai skoape van Jaanse van de Lemperwai hep afmoakt.… se hebbe de baiste puur van malkoar skeurt!
—Nou.… wa nou?.. schreeuwde Rink terug.… daa’s tug krek eender.… al die honger-meroakels.… die tuinders doar.… die Lemperhoek uit.… se hebbe d’r vast selfers niks, te fraite.. Is d’r netuurlik, daa’s sullie d’r honde snachts skiete loate! kenne sullie d’r aige potje soeke.… en woest aa’s die krenge binne.… se f’rskeure je.… van malkoar.… Bi-jai-’t-Hain!
—Nou ’t is d’r ’n klussie, blerde de breivrouw knorrig, dwars door ’t roezemoezige gekakel van andere schelle stemmen uit ’t vrouwentroepje,—’t is main ’n klussie.… main baiste legge d’r vast.… en fraite d’r aige vetje.—
—Wa’ sa’ je màin d’ran jokke.… laikt t’met of sullie ’n botertonnetje inslikt hebbe, soo ke’ je hullie ribbe aa’s hoepels deur d’r pins siene hainsteke.…
—Nou, zeurde een venter met geknepen schor geluid, wai binne aldegoàr noakend!.… die beeste motte f’r aige kossie skarrele.… se hebbe d’r gain fraite veur.. voed jai d’r noà hullie g’noege! vaif kaire t’met.… Se benne d’r soo ellendig sterk.… en bloeddorstig.… enne uithongerd.…
Van boeghoek waggelden de kerels òp, uit donkeren achtergrond, en dwars door de groen-violette wolksfeer, in ’t oogen-vuur der kijkgaten, sloegen de lijven en handen van opstaande en gaande kerels, een storm van lichtschokken, groot-donker in de rooksfeer, die zacht gloei-kwijnde in dampigen flakker bòven de banken.—Meer kerels stapten op, met d’r koppen zoldering rakend, sloegen door den walm heen, waggelden naar voren, bij trapje, plots onder ’t felle lichtgat uit kajuit-schemer, áángloeiend in zengend zonnegoud. De boel bleef leeggeslemperd, vermorst-suf op de banken staan.
Groote stad was in zicht, en van alle kant grepen de venters hun goed bijeen, manden, pakken, kisten. In groepjes, achter elkaar, drongen ze eng kajuitstrapje af, en met koopwaar op nek en schouders, rumoerden ze zich in woesten woel, los over ’t dek.
III.
Tusschen gewar van melkbooten aan ’t Westerdok, stuurde kaptein de stadshaven in. Tegenover „Tuinders Geluk”, waren al de drie andere booten, binnengeankerd.
Over den dwars dooreengestapelden warrel van kisten en manden sprongen de venters en vrouwen heen en weer, in woeligen stroom, overgolfd door snik-heete stanken. Van den „netoares” kreeg elk veiler ’n papiertje in de handen gestopt, waarop stond, hoe veel en van wie hij te vorderen had, bij teruggang naar Wiereland.—
In gistenden warrel, als ’n opgejaagde horde begon uiteenkluwing van kisten en manden, weggesjouwd, verdragen op nekken en koppen.—
Aan den walkant, in ’t zomerochtendgloeien, wemelde ’t van licht-bruine handkarren, waar de verhuurder in z’n zonnig-wit overhemd, bedrijvig doorheen manoeuvreerde, met elk venter wat snaterend en lollend. Vischvrouwen in kort-blauwe, roodbaaien rokken, en witflodderige jakkies, kanaljeus-aanhalig gekapt met de stijfbereepte haarkrullen, drongen, woelden in gillerigen kakel en ratel tusschen de enge karrengangetjes, opgejaagd, verhit snuffelend en schetterend, vastgrijpend de groenboeren om aardbeienwaar. Halsbloote Zeedijkers en stadsventers, met lawaaierige blousen, opgedirkt in heeten lok en streel met rooie strikjes om blank naakt, verdrongen de losse kijkers, paften vooruit, met hun borstzwaren zwel van lijf, pronkend in ’t vroolijke getinkel en gerammel van hun koralen snoertjes met gouden slootjes, in glans begoten. Op één hoek drongen samen, jodenmannetjes en jodenvrouwtjes, schuchter-brutaal,bang-overmoedig tegelijk. Van de boot àf, dromden, bonkten en zwoegden de venters, botsend tegen elkaar op, in gejaagden loer, ieder naar zijn huurkar. Telkens vàn hun plaats, joegen ze weer naar de boot, rukten en bonkten hùn waar uit den burcht van kisten, stormend in stortvloed terug, weer tegen elkaar opbonkend met nieuwe bakken en manden, dat ze verknelden tusschen hun eigen vrachten. Woest krijschten de vrouwen en mannen, die bakken of manden hadden gegrepen van anderen, er niet meer verder mee wilden sjouwen.
—Hassel.. hier:.. Has.. selll!.. jou bakke!
—Bierbrouwèr!.. pak d’r an!
—Bier.. broùwèrr! schreeuwde een naast den eersten krijscher, die ook ’n bak van dien venter had losgewoeld,—pak-àn! jou bakke!
Tusschen de aangolvende massa, waar gloeiender tempo van koortsige jacht en verkoophartstocht doorheen zwol, ging woelender angst van niet-gauw-genoeg bij hun markt te zijn. Zon laaide, priemde, verzengde alles, sloeg in fellen kleurbrand de golvende, wemelende scharrelmassa. En telkens àndere kerels sjouwden atlas-vrachten àf, van de boot naar hun karren, duwden in vloek en krijsch de Zeedijkwijven en joodjes op zij, die brutaler en heeter rond hun bakken en waàr opdrongen.—Eindelijk, na de eerste ontkronkeling van kisten en sjouwers, dobberden weer, met hebzucht-haat elkaar be-venijnend, de koopsters rond de groenboeren.—Tuk op aardbei, barstte er ’n heete dingdrift los, van allen tegelijk, als één vloedstorm, één aanrukking van feros jaagleven, brandend lawaai van stemmen, in de klater-schroeiende zon, die begloeide de kleurkleeren, de vruchten, en te zengen vlamde in de bakken. Breed bejakte vischwijven; joodsche mummieïg verdroogde groenteventertjes, met broeistank van zomersche zwoegmisere, verwalmend van d’r geteisterde lijven; kruiers, leegloopers met loenschig heeten oogstaar, venters en tuinders, woelden en krioelden rond de boot en aardbei-bakken.—Uitpuil-oogen gretigden overal waar vruchtjes òpgesjouwd werden. Vraat-zuchtige monden beefden rood-wreed en verwrongen van zenuwtrekken. Koop-hartstocht gierde en raasde door den zonne-brand van poer en scharrel. Van alle hoeken, nu manden en bakken losgestapeld rondgingen, sloeg ’t vruchtenrood uit, ’t gloeivuur van aardbei, tegen ’t blauwe hemelvuur van smoor-heeten Juli-brand. Op koppen en ruggen, de vruchten, sla, tuinboonen, aardappelen, doppers en wortelen, werden versjouwd, en hitsender, helscher joeg ’t schorre gekrijsch van kerels met verkeerde bakken, door de losgewoelde groepen.
—Joap Kerredaik!—hier hain! donderde rauw in zwel van drift, ’n stem.
—Vrouw Zeune!.… jai doar!!.. is d’r op kommende wège!
—Vrouw Engels.… daa’s jou goed! mô jai da’ nie tù je staike?
Rauw er doorheen brulde ’n venter, barstend van drift, met verzenuwden zweetmond, z’n kop doortrokken van bietrooie vlekken, in zwoeghitte:
—Gais Kerredaik kòm! of ik donder je bakke teuge de grond.… ikke kèn hullie nie langerst hewwe! se benne d’r swoàr aa’s ’n lokemetief!.…
—Gaa’-ais! Kerre.… dàik! bazuinde ’n ander tuinder, in rauwen woesten krijsch, ingekneld tusschen groenboeren en meiden. Vastgebeukt met loodzware bakvracht, zat ie tusschen drie karren in, en wilder krijschte hij om verlossing naar Kerredijk, die zèlf praatjes verlolde met ’n Zeedijkster.
Wilder en ziedender stroomde ’n krioelbende langs en òm hem zonder dat ie z’n eigen waar kon raken. Te dansen van moordende drift stond ie, vloekend bakken tegen buik en keel aangedrukt, z’n zweetkop, zóó heet en rood-verzwollen, dat ’t leek of ie met z’n tronie in ’n menie-pot gesmakt was.—
Bij hoeken en brokken was handel aan walkant al begonnen. Dirk had ’n bak of tien, niet te gebruiken voor z’n klanten, verkocht aan ’n dikke meid, die op z’n karkruk wiegeldijend en breed-uit d’r zwiepende beenen, met mandjes zat te spelen.—
—Nou seg erijs blondje.… vleide ze zoetig-Amsterdamsch, dat Dirk ’n huiver van wellust voelde kruipen door z’n korpus, feur die daar as je d’r nou ’s drie sint seit!.… drie pop de honderd!.… hai je dèn je b’komst?
—Bi je bedwaild geep! donder moar op! he jòu neudig! die vaif veur vier pop!.. gain duut minder!.. je ken d’r bai main nie figelaire!.…
Dikke dij-meid zat onrustiger op karkruk te wiebelen. Vòòr d’r neus zag ze Ka al, met ’r blanke jak wurmen tusschen karren-kronkel, om naar Dirk toe te dringen. Telkens keek ze van ’r zachten dij-wiebel òp naar Dirk, die norsch-stom z’n rommel bonkend weer in de kar terugschikte; rekende ze haastig uit, met mijmer-oogen luchtblauw in, nàtellend op haar vingers en d’r witte schort topfijn betingelend, hoe hoog dàn ieder mandje kwam te staan. Eén dij, schort-omspannen, drukte nu breed-uit op de kruk, onder plooiigen wriemel en kreuk van rokken-spul. En telkens aanhalig, met knipoogjes en zoetig lachje, probeerde ze Dirk’s kijkers in te staren, geil, verliefderig.—
—Nou blondje.. toe noù!..
Vlak achter de meid opgedrongen, ademhaalde in snurkerig gerucht, vuilneuzig zusje, dat toekeek, bleekgoor en stil. En rond de karren schreeuwden jochies en meisjes, liederlijk en vuil, als dolle duiveltjes in schel getier, tusschen elk engtetje en doorgangetje inkruipend en gierend. Van allen kant was nu de koopwaar losgebroken en uitgestald; smoorvolle karren als gloeiende karossen, bestapeld vóór den wal, beschaterd, en beblakerd van zonnevuur; ’t rood dat zengde, ’t oranje dat gloeide van hitte en ’t losgestorte groen, woelzee van gewas en vruchten. Hoog, in den dampenden gouddag, joelde en broeide kleurleven en sjacher daar sàmen, in den geluiden vermokerenden daver van zonne-begloeide stofstad. Golfwild en steigerend, sloeg en beukte de heete scharrel van vrouwlui en kerels dooréén.—
Ontzaglijk, in ruwe reuzenmacht van dondergeweld, zwel van krijsch en stemmenraas, schalden de geluiden door de snikheete lucht. In grilligen drom, wrongen de groenboeren tusschen de karren. Van allen kant klonk gepingel, gekrijsch als van schrei en lachstemmen, om geld, gèld. Toe- en afslag rumoerde. In dreun en rhytmus schokten koopers áán, verdwenen er weer, hier van elkaar geduwd, daar weer bijééngebotst, verkolkt in passiestroom van heeten sjacher, onder vloek en raas, tusschen gedrang en hitte. Schooierende sjouwers en kruiers wachtten, stoeiden met meiden in vuilen handgrabbel naar rokkenspul.—Dirk was met z’n vette schommeldame net afgehandeld. Ze had de bakken gekregen en breed, voor d’r buik, schort omgevouwen, werkte ze de kisten van de kar, terwijl hij geen vin verroerde. Telkens drong ze tusschen de kar-engten terug, sjouwde ze nieuwe vracht mee.—D’r zware kop schudde, ’r stijf bereepte krullen schudden, ’r oorbellen schudden, en wijder spande jakje òpen, bij vet-blanken wellusthals. Met ’r ingeperst, naar voren gebukt lijf, ’r breeë wiegende hangborsten op de bakken gekneld, armen in breeden span om d’r vracht uitgebogen, stapte ze zweetzwaar en snelademend vóórt, op de kort-stevige beenen, dòòr de venters en vrouw-stoeten heenzuigend; met d’r lijf teruggebonkt, op zij gewaggeld, toch doorporrend, tot ze bij ’r eigen kar, dood op en blazend, ’r boel kon neersmakken.
Dirk keek ’r na, loom-kalm. Dat waren de eerste warme centen in z’n hand, lolde ’t in hem. ’n lekkere markt.—.… kaike.… da waa’s net effe acht uur, da kon t’met.… En nou had ie nog ’n lollige reperoatie.. mit de maid.… ’n afsproàkie veur d’ aêre week.… Da’ gong … ’n vetje!.. lang nie mis.. Heere mejeepie! kaik! d’r stong sai te haige!… bloas jai moar maid.… da’ mo’k ook doen veur main kossie!.. kaik.… nou brenge de kooters d’r nog bakke noà!.…
Overal onder de venters was bestiaal gestoei met meiden; braakten vloeken en getier los, dierlijk en broeierig. Tusschen het dondergeraas van groote stad, ’t mokergeweld van bierkarren, van rijtuigen en trem-jacht, schel geklinkel en gebengel, bonkerde de groote stadsscharrel, mokerde ’t havenhart. En overal rondom, geklakker van paardhoeven op keien in het barende roezemoes van kreten en schreeuwen, in den ontwakenden ochtendwemel.—
Tusschen gedonder en gewarrel van melkbooten, vrachtschepen en tuinders verder op, scharrelden de venters, verhit in dollen woordstoei rond de meiden, onder wellust-schater en vloek, verkoopend hun waar. En de wijven, zinnen-dronken met d’r bevende hartstochtmonden, hun felle oogen,—oogen vol van liederlijk begeeren, rood van kanaljeuze passie-vlam,—lieten zich bestoeien, soms èven in schijn-afweer beproestend de knappe boeren van Wiereland, die grepen en knepen in d’r blanke borsten, in d’r warme lijven, d’r vette armen, gespannen en saamgesnoerd in witte jakken, d’r schommel-dijen voluptueus zwellend onder heet-rooie en blauwe rokken.—
Dol keken de kerels zich op dat blanke vleesch. Dronken luisterden ze naar de tartende kanaljeuse meidentaal, en gretig roken, snoven, dronken ze in den zonnegloei, den zweetwasem van hun blanke lijven, verblind en bezwijmeld door ’t hel-witte jakkies-spel, de witte schorten, de rooie lintjes en kraalsnoertjes, de lichte rokken en boezelaars, zondoordoopt in felle helheid van barnend zomerlicht.—
Telkens meer blauwe en rooie onderrokken zwierden in uitschulpenden zwaai van de karkrukken naar de boot. Fel gloeiden de kittelende, zwierslaande slootjes op kralensnoertjes, om de varkenshalzen, en felketsend, in verblindende hoogheid van begloeid wit, dromden dan hier, dan daar, de jàk- en blousen-meiden tusschen ’t vruchtenrood, ’t groen, tusschen ’t geblaker en gezoem van gonzende, heete kleuren.—
Dirk zocht naar z’n kruier, want alle venters hadden hun vasten man, die de kar duwde in den zwoegenden ommegang rond hun stadswijk. Eindelijk door ’n woeligen drom heen, zag Dirk zijn helper. ’n Schreeuw, rauw, geweldig, ’n arm-pagaaiend gebaar, nijdige veeg door de lucht bòven de koppen der venters, en de kruier wurmde op ’m aan, tusschen ’t gedrang.
Langzaam hotsten en ratelden de karren weg van den wal, met de opgestapelde, pronkende waar, de grommende stad in, stad van gebarsten muren en hooge huizen, in zonkleurigen gloei van gevelsteen en beblakerde keien, brandende stad van ratelend rumoer en gloeistoffige zonnigheid.—
Wijven met karren, armelijk vergeelde joodsche vrouwtjes, en donkerkrulharige joodsche groenteventertjes in mandrillig rad beweeg van uitbuilenden mond, rimpelige voorkoppen en vooruitgezwollen lippen, donker en harig,—bleven op ’n hoopje elkaar nog wat toeschreeuwen bij den wal, met heete gebaren en kefferige schorre stemmen.
Zon moordde en zengde tusschen ze in, als reuzebom, die hel vonkend schroot uitgeslingerd had naar de, in goud-gloei gewiegde zonne-aárde, toortswalmige hitte verschroeiend op karwanden, vruchten en steenen. Alles stond in Juligloei, dreunenden lichtval, goud en fel wit-vurig. En hemeldom, strak, tusschen de huisblokken uit, boven ’t Westerdok, waar teerwalm zonnig rookte, barnde als blauwvuur. Aan overkant, tusschen woeling van melkbooten gloeide blauw, blauw van vaten.—Vatengerucht, metaalhol, jolig en dartel klankte òp bij bonzingen van karren, tusschen stadsgejoel. Uit de heet-zonnige straatbrokjes in ’t verschiet, fel-begloeid in brokkelige gevellijnen van pleister en rooden baksteen, schetterde òp orgeldreun, kanaljeuze stem van zonne-stad.—Langs den wal zwermden nog treuzelende groenboeren van de andere booten, tusschen melkvaten en karren. Eindelijk, ook dáár ratelden de karren met de roode en groene furie van vruchten, de stof-zonnende wijken in, verdwenen langzaam kerels en waar om straathoeken en pleinbochten, in ’t hartje van ’t gerucht-zwellende, gloeiende en dreunende stads-leven.—
IV.
In den middag tegen vier uur, stond Dirk weer met z’n kar aan „Tuinders Geluk”. Loom en doodop, sjouwden de venters aan, ieder uit ’n andere wijk. Om drie uur had Dirk z’n kruier afgedankt, ’n daalder betaald, was ie met al z’n klanten klaar; duizelig en vermoeid van sjok in brandzon, zuchtend naar drank, in wat kroegen hier en daar neergesmakt, en eindelijk ’n uur later, op de boot aangeland. Nou had ie z’n duiten in den zak, wel zeventig pop, die ie zwaar en warm voelde proppen in z’n broek. Hij wou, moèst ’r wat kwijt van. ’t Was ’n heete stroom van geldgrabbel, die ’m bedroesemde. D’r mòst wat gezopen, gezòpen. Nou kreeg ie straks nog de laatste zending aardbei uit Wiereland.—
—Tjonge! Tjonge!.… da most d’r moar gauw van deur.. en dan hè je.. ’t end tug!.. de soàlige soaterdag-middag.… enne de sondag!…, Bi-jai ’t Hain?—
Hij was de kajuit ingestapt, sukkelig, met handen in de zakken ’t trapje af, vragend den kaptein, hoe laat hij de aardbeisloep verwachtte.
—Die ken d’r t’met in ’n ketiertje sain … kaik op dek!.. de lui stoan d’r weer an de kant te dringe!.… kaik die maide!..
—Wa sou ’t.… in ’t harretje van de groote hoal hee?.…
Grimmig en nijdig op alles, had Dirk zich in den hellenden boeghoek neergesmakt, languit z’n been op ’n bank, kop en schouders ingediept tegen ’n richel, die ’m pijn priemde in den rug.—Even moest ie toch adem scheppen. Hij zweette als ’n paard.—Z’n hemd dreef van ’t nat en door z’n lichaam rilden koortsige vloeiingen.
—Effe luiere.… veur da’ de bakke d’r ingoane, bromde ie, se’k t’met wel leeg smaite.…—
Al meer kerels doken de kajuit in, jolig opgewonden, lichtelijk beschonken en paf van hitte. Beemster, met slaperige oogen en schorre spraak kwam op Dirk áán.
—Allo moàt!.. lolde Beemster, zware kerel, met lupusneus zwerig afgevreten tot op wangplat,—nou gaif jai d’r ’n urretje hee?—of.. of.. hai je d’r al de prins sproke?
—Bestig! Hee Henk.… vaif!.… main brandewaintje!
Lange bediende schoof weer weg in ’t groezellicht van trap-hol buffetje.
Meer kerels dromden in en zwaar nevelde de kajuit, in vaal-groenen rook, grijnzeriger, nu de kisten en manden nog niet van de karren ingesmakt, hurrieden op den vloer. Telkens donkerden reuzige schoenen, broekspijpen, lijven, langzaam zakkend neer, uit ’t licht-felle trapgat, schuifelden de kerels tusschen de sombere vegen en zweverige warrel van rookmist. De vrouwen, vermoeid en gebroken van hitte en zwoeg, vielen als bezwijmden neer, achteruit op de banken. Zwijnige grapjes zinlijkten wat kerels uit op ’n ventster, die plat op ’r rug lag te snakken naar adem. ’n Paar jolige half-beschonkenen drongen òp, maar met rukken van d’r lompe beenen, trapten en snauwden ze de kerels de bankrand af.
Is d’r dut ’n hette.… main goed.… brant d’r puur op ’t laif.… zuchtte vrouw Zeune, donkere rokkenvracht, klefferig en doorbroeid, van d’r heupen schuddend en weer luchtigjes vasthakend om ’r vette middel.—
—Daa’s net! ikke sweet d’r aa’s ’n os hee?.… ik ken d’r gain stap meer! vast nie!
—Pak ’n happie!.. Beemstra gaift ’n rondje!..
—Bestig, gretigde verhit, met uitgedroogde stem, de brei-vrouw.
—En jai gele medààm? hep ie de klantjes beet had hee?.. hep je d’r op gefigelaird.. mô jai ’n happie?
Gele medam bedankte, zat verschrompeld in ’n hoekje te blazen, met ’r lange wollige mantelmouwen over ’r vingers verzakt. Haar mond stuipte in zenuwtrekken. Ze kon geen syllabe uitbrengen meer, òp van smoorhitte en vermoeiing.
—En jai vrouw Zeune?
—Nou, wel twee, schraapte ze mannerig uit, enne.… gaif d’r de gele medam ’n affekoatje.… an ’n boere jònge hep sai ’n sussie dood!
Woeste schater barstte los, rochelend gelach, dat in de rook-kajuit als schreistemmen verklonk.—Achter dampgroen gierden de koppen, lichtten de wellustmonden, flikkerden de oogen en verschoven kramperig van heete pret, de lijven.—Achter bankbeschot stampten boerenknuisten grof en hamerhard, tegen ’t hout, in lol.
—Wai selle d’r ’n affekoatje gaife.… Hee Henk!.. Klus d’r es ’n aitje.. smait da’ hard-stikke vol mi brandewain!.… en suiker.… en dan sel sai lurreke.… hei! medam.… sing d’rais mee!
Enne.… se stonge.… doar op toeters te bloase..
Toe da’ nou waa’s doan
Kwam d’r ’n man veur main stoàn
Enne die sprak.. wil je rais goàn kniele?.…
Ikke wist d’r nie wa-àt te doene.…
Moar hai.… gaf main ’n soen.…
En sai.… wài rèdde hier.. sie.… ie.… le!..
Schor en valsch-rauw zwabberde z’n stem achter rookwolkerige duisternis uit, en ’n demonische krijsch van dronkemans-passie ronkte door z’n lied.…
—Daa’s nou ’n hails-maid.… rochelde z’n dronken proets, dat als geschrei verdoften in de rook, en z’n kop gloeide áán plots baardig en donker, in ’n zuig-ophaal van z’n gouwenaar, die even roodvonkte en sterretjes vervuurde.—
Klaas Grint bonkerde hakke-zwaar de kajuitstrap af, met Rink achter zich aàn.—Daarachter nog drie tuinders en ’n vrouw met ’n steekmuts, doodmager met krokodillige, bruine kop-snoet, en valschen oogenloer.
Rink scheerde de zoldering met z’n pofpet al liep ie ingebukt met z’n kop.
—Krikemejenne!… daa’s s’n afferekòansche smoorte hee?.. god hait de sege! moar nou bi’k tug t’met deurmidde loope hee? zuchtte de reus, paf en onmachtig neersmakkend op ’n bank. Met twee handen tegelijk schuurde ie ’t zweet van z’n gezicht, met ’n grauwlinnen zakbrok.
—Moei!.… moei!.… ’t sel wá’.… bromde Dirk, z’n pijp nijdig uitblazend, dat donkergroene damp z’n kop omstòòmde.—
—F’rek.. bloas jai ’t siellemint van je paip d’r nie uit?.. ik sit hier veur main pelsier.…, lolde Grint naar Dirk.
—Moei, bromde Dirk, doorblazend, bolwangerig, dat ’t vuur weer uit den gouwenaar spatte in pijl-fijne dansjes.… moei, nou bi’k van drie uur t’met in de kous.… jai.… jai?.…
—Ikke.. ikke.. aarzelde stem van Rink, nou eerlijk sait.. sait d’r dan van vier hee!.…
—Da lieg-gie glad, sloeg Beemstra, de zanger er tusschen in, want om vaif uur stong je te haige an de boot nà oasem hee.… en je weut:
Ikke liep d’r.. o.. òp en nair
’t waa’s koud.… en slecht wair..
Och waa’s ’k moar bai moeder ge.. blai.. iife!
—Stik jai mi je Volledamse maid, rauwde Rink.
Achter ’m bonkte op bank-beschot, de kerel met z’n lupusneus, zwaaide met z’n borrel, krijschte in zang.
—Aa’s d’r alles brandt.… brandt woater ook! moar ikke seg!.…
—Jai houdt je bek, jai sait d’r niks.… je hep f’rdorie gain tait da’ je slikkebikt, schreeuwde Grint midden in.… hee Henk?.… main ’n brandewain!.…
—Main ’n biertje feur ’n f’randering!
Stroom borrels kwam aanspoelen. Met teedren hartstocht pakte de venter die bier had besteld, z’n flesch bij den hals, klakte ’t klepje er af en schonk, schònk in starend genot naar het blanke schuim, met zaligen huiver hoorend het koele geruisch van ’t bier in z’n glas. Gretig smakte ie z’n lippen in ’t bruis-blanke, rijzende schuim.—In één teug was z’n glas leeg. Heesch riep ie al naar ’n tweede fleschje terwijl ie ’t eerste nog leegschonk, zacht bij den hals, in verliefden tast. Even hief ie z’n glas tegen ’t licht, onder de kijkgaten, waar ’t òpkleurde in roodbruinen gloed, klaar en schuimzoet, en weer stortte ie z’n drank met één haal in z’n dorstigen duisteren strot, als ’n verkoelende lafenis.—
In elken hoek werd gezopen, geschreeuwd en geraasd. Dronken lachklanken proestten uit, rolden en dreunden geluid van kijvende en strijdende stemmen rond. Heet en opgejaagd werd ’r afgerekend onder elkaar, wat gekocht was op veiling. Telkens uit schetterklubjes brak gloeiende herrie los, dat zachtwijs gesust werd door „netoaris”; stille drinker die ’n heel buffet kon leegslurpen, zonder dat één ’m wist te betrappen op malle streken. Hij loerde maar rond, legde bij en suste; loenschte tòch met z’n rooie verhitte drankoogen of d’r iets voor ’m afviel. Overal werd ie tusschen geroepen, ingesleurd bij z’n arm, z’n jas, z’n broekspijpen, z’n schoenen, overborreld met kookstroom van hùn centenpassie, hùn gekwebbel en gevecht. Over en weer telkens de briefjes werden nagezien en boerenkoppen, met snuggere oolijkheid keken strak, bleven draaien op d’r stuk, wilden eenvoudigste rekensommetje niet vatten.—Eindelijk, bij beetjes en brokjes, werd geld afgeschoven, toch nog in gierigen klem en vasthou van elken cent.
Dwars door zingende en waggelende drinkebroers in schaduwen van den boeghoek, met hun glazen geheven in ’t doorrookte zilverlicht van de kijkgaten, nu uitgebrand in zinkende zon, barstte gestrij los van ’n paar kleine pachters, hoog in krijsch de zangers overschreeuwend.
—Nou ik sel d’r doodvalle.… ik bin d’r op ’t land lieferst veur.… tien gulde boas.… aa’s veur vàiftien knecht.…
—Nou, ik wil d’r groag.. wa’ binne wai d’r veur boase?.. je kè je land nie beskaite.… fesoenlik!.… je sit d’r in d’r aifigheit in smorende sorg.… je loop de rissieko.… van dit.… en van dat.… en aa’s ’t November is.… mô je je pachte betoale.… hai je d’r gain de half van!.… mô je laine.. en borge beklomppe en ’s winters.. hai je nood.… nood maa’n! nie te fraite.… En hullie.… de vraigeselle-daggelders.… hullie hebbe d’r kossie binne.. hullie hebbe d’r nooit nie-en-sorg!.. hullie fraite.… en snurke.… aa’s wai d’r onster blind sitte te telle veur sinte.… veur de pacht.… veur hooi in je poar beeste.. de raise, en.… je soad.… je hout.. je mest.. En t’met f’rdiene wai minder aa’s hullie.
—Nainet daa’s dondere!.… moar je bint dur tùg alletait je aige hair en maister.—Aa’s je d’r knecht bin.… mó’ je feurt.… aa’s ’t hard stikke raigent.. en je wil skeule.… d’r uit.… ho! wacht erais effetjes!.… segt de boas.… werrek aers ka’ je spuite! aa’s je d’r is vaif menute te langer skoffie houdt.. d’ruit sait de baos! je ken d’r je aige nie-en-roere!.. je heb van ochend tut nacht te werke.… en nie òm te kaike.. fort.. fort.… nainet, loate sullie d’r moar ’n poar sinte meer hebbe aa’s wai.… je heb d’r tug je aige mikke.… je hep je aige lappie grond.… je bin d’r je aige boas.… je hep d’r ’n aige groentetje.… je kèn d’r boofe òp! je kèn d’r nog boàs blàife.…
—Ik ruil d’r doalik.… doalik! schreeuwde ’n ander.… se kenne main lappie-en-kraige … aa’s ik d’r moar ’n beetje fesoenelike dagwerk hep.. van de honderd knechte f’rdiene d’r naigtig meer.… aa’s d’rlie aige boasies.… en de loodpot!.. doar komp d’r alles op neer, hee?
—Nou betoal jai d’r.… naige, tut tien gulde ’t roe hee? veur je kwoàje grond.… en tug is d’r veul te wàinig hee? hoe sit da’? daa’s tug ’n meroakel hee?.… je weut ’t hee?.… dure mest.… g’koope groente!.… daa’s alletait sòò.… en ikke twoalf vaiftig ’t roe.… daa’s bestig hoor!.. en nou, di joar is ’t bai main net mis.… Ikke seg d’r moar, ’n vroege somer.… ’n goeie somer hee?
—Moar jai roaskalt.… jai springt d’r van de hak op de tak.. ’n vroufemond goan de waoreld rond! wel of gain grond.… ikke bin d’r liefert knecht.. aa’s soo’n òngelukkig suinig boasie aa’s wai d’r binne.… wai f’rdiene minder aa’s hullie.… te veul om te sterrefe.… te wainig om te laife.… En veul meerer sorg.. en wài binne d’r pachters!.. nou hai je allain fraihaid.. da je of’r je aige te segge hep.. Daa’s ’m d’r ’n veurdeel!.. nou sel d’r gain besemsteel je bekolle.… en je segge.… je mò’ werrekke.… hee?.. je mag d’r nou heùlegoar uit je àige krepeere! kom ’t is d’r aldegoar ’n klus.… hier!.… Bi-jai ’t Hain!.. kom boòfe!
Zang, overstemde ’t spreekgeschreeuw van bank naar bank.
’n Drom kerels trampelde en lolde schorrig als bezetenen, in rood-groenen rookwoel, beklonken en rinkelden hun glaasjes.—Dirk was met z’n stelletje makkers naar dek geklauterd, had z’n kisten ingehaald, en in woesten sjouw weer bak en mand, leeg en licht, in stapels, op dek neergesmakt. Aardbeigloei was weg. Leege duffe mandjes en kisten stonden omslierd nog van stronken groen en verlepte bladeren.—Dekknechten en venters sjouwden weer op, pàf van ploeter, in moordende stofwalm van zonnebrand, die òpsloeg uit keien en boot.—
—Nou he’k tug nog gain hap daan van f’rmurge eerste skoft hee? klaagde ’n klein tuindertje, gebarend met handen, hoofd en schouders tegelijk.
—Wa sou ’t.… jai suipt d’r veur fraite en drinke g’laik, geep! snauwde ’n meidventster, gauw weghollend om kisten op te pakken naar achterdek, waar ze haar naam hoorde schreeuwen in alarm-krijsch.
Al meer venters keerden terug van hun zwerftocht door groote stad, half-dronken, luidrùchtig ondanks hun radbraking, of slap in elkaar gezakt, de heele reis làng zacht-rammelend met geld in d’r zak, waar zweethand op rustte, de wacht hield.
De karverhuurder, gewikste Amsterdammer, sloeg handig tusschen de kerels in, liet hen betalen, onder lolletjesstoei dòòr, pret waarnaar ze luisterden, kinderlijk, dronken-naief gierenden goedig, met huilerige schaters, de oogen nattig, in vaag bewustzijn verzwommen.
Aan walkant bralden en drongen weer meiden en joodjes, wachtend op laten aanvoer, geschrikt en ontnuchterd plots als ze gèèn dronken tuinder tegenover zich kregen. Tegen half vijf kwam kleine sloep met nieuwe aardbeibakken aanstoomen, en in halfdronken strompeling, stovende hette, woelden de moeë kerels weer tusschen hun kisten in, omdrongen van koopers, groentekarlui en schorremorrie, afzetters, gappende en smokkelende ventertjes, die loerden op afval en verwarring van bezopen boeren.—Er kraterde weer gevloek los, geprijs en gesjacher. Weer toeterden en raasden de kerels met verkeerde bakken, en de nog niet beschonken tuinders, met klaren hartstocht voor verkoop, scherpten en snauwden, elleboogden ruw door de òmdringers heen, in felle taal, om hun dronkeloozen kop te toonen.—
Laatste stuiptrek van sjouw en ploeter, krampte weer plots òp, in den snikkenden hittemiddag aan ’t dok, die stoffig doorzond er geschroeid kookte van licht, en uitsneed z’n strak-blauwe walmende schaduws op de keien. De half dronkenen waggelden weer èven vernuchterd, overeind. Duizenden in drang, driftigden daar bijéén, in woeling en sjacher, voelend bij instinkt dat ’t de laatste aanvoer zijn zou van ’t jaar, aanvoer zòò hevig, zòò vol en overvloedig.—
—De hoogste praiser hep ’m doalik, schreeuwde Dirk, in gul-dronken bui, kregel dat ie niet lekker-broeis, stil en zuipend in de kajuit kon blijven zitten met z’n borrel en z’n pijp.—
F’rdomme.… die Ouë.… nou hai hier in de smoorkook die naimt’ d’r van.… Nou.. wie mot d’r?—
’t Werd ’n jacht, ’n roes, ’n duizelende storm op de beschonken groenboeren, die waggelden in slappen beenstand, en lolden tegen de wijven.—De meiden glommen en vleiden weer, met geile mondjes en lok-lachjes, in glunderige zoete kijkerijtjes. Ze werkten weer met bloote halzen, blank rokkespul en smijig geplooi en gekreuk van d’r jakkies om borsten, d’r spanrokken om dijen.—Flik-zoete lintjes prikten weer òp en de blanke wellustkoppen gierden, en de handen friemelden weer.—
Als ’t niet ging met zoetig gestreel en weeïg gezanik, braakten ze plots uit ’n heeter stroom van smerigheidjes, met satanisch gevoel, in den laatsten sjacher, daarmee de kerels te overbluffen, te prikkelen en te verhitten. Veel venters, bek-àf, stemden toe in prijs, lam en gebroken van sjouw. Anderen, taaier en nuchter nog, hielden vol, begrepen hun eigen kansen, spotten en hoonden, braakten vuil terug uit, weerden de flikflooierijtjes en zoetigen wellusthuiver af, in bijtende woede. Onder gevloek en geraas gaf schorremorrie zich over, omdat ze de waar hebben moèsten, en kalm sarrend hielden de nuchteren hand òp, trechtervormig ingediept, om het zweet-plakkerige geld te ontvangen, vast te zuigen, in d’r zwaar-bronzen klepzakken van stinkende broek.—Een half beschonken stoetje kerels, half al geënterd en vastgenageld in kringetje van brutaal-bijéén gedromd klusje meiden, kreeg plots besef dat ze door bij elkaar hoorende koopers, betoeterd werden. Woest grabbelden de venters terug, rukten hun bakken weer in de karren, schreeuwden en vloekten als razenden tegen de beduusde wijven en handlangers, die op geen verzet meer gerekend hadden. Nu tierden en krijschten de áángeschoten boeren lànger dan de nùchtere, bleven taaier hangen aan hoogsten prijs.—Plots, ’n paar zwaar-beschonkenen, uit de verkoop-groep, verlekkerd op loktaal van meiden, dwongen ’n geel-harige Zeedijkster, vijftig mandjes voor niets mee te nemen. Om ’r heen kletste afgunst van andere wijven, die ’r verdrongen en aanstootten uit nijd dat ze dat niet doen kòn voor de politie. Maar de venters, dreigden de geelharige op ’r bek te ranselen, aa’s se nie toègreep!
Overal klonk dronken, herrieïg en halsstarrig gewawel, verbijsterend uitgesponnen gezeur, vast hakend gestrubbel en gestrij, tusschen de nuchtere koopers, en lachschreiende half-bezopen venters.—
Hitte braadde, priemde de koppen, de wangen, de nekken en drankstank walmde hun heete kelen uit. Te blazen van puf-benauwing, te schelden, vloeken en bonkeren met de morsige knuisten op de bakken, stonden ze, lawaaiend tusschen ratel en wegroffeling van karren, op dreun van gloei-dampende keien. Een aangeschoten groenboer was ingekneld tusschen ’n groepje joodsche vrouwtjes, met lepra-kopjes, gelig, vol huidbarsten, en groot-zwarte kijkers, àllen met zondig besef van hun sabbath-ontheiliging op d’r vergroefde zorgelijke gezichtjes, die klein onder kleurige mutsjes uitpuntten.—Niet los te woelen wist de lange tuinder zich uit den taai energischen babbel en sjàcher der kleine wijfjes, allemaal ’t zelfde gekleed, donker omsjaald, sprekend op elkaar lijkend, met lintkleurige mutjes op d’r glad-gekamde toertjes. En waar hij schoof z’n bewegelijk, zacht-waggelend lijf, schoof koop-heet kringetje van joden-vrouwtjes nauwsluitender mèè. Onder getier en geloei van stemmen, krijscherig en valsch, werkten ze ’m één voor één de waar uit z’n handen, goedkoop, héél goedkoop.…
Plots kwam nuchter strenge kapitein,—die nooit iets anders dronk den heelen snik-heeten dag door, dan koffie,—zeggen dat ’t tijd was om op stap te gaan. In jagender tempo nu dromden de prijzers òp, gingen vloekender schokken door koopers en venters. Na ’n half uur was alles leeg, stond de wal schoongeveegd van sjouwers en sjacheraars, kruiers, wijven, meiden, karren en kisten.
In woesten smak laadden de kerels hun bakken weer de boot òp, en dadelijk, nà droeven sein-zang van pijp in den blakerheeten middag, draaide de kaptein havenwoel van groote stad uit, ’t dampige, oversmookte, violet-grauw van hemel, en gloei-kleuren verspoelende IJwater, instevenend.
V.
Aan de Wierelandsche haven wachtten meisjes en jongens met karren, klaar om bakken en manden op te vangen van vader en broers.—
Vier booten, achter elkaar, stoomden in, en van vier booten tegelijk, meerden de loopers ’t touw vast aan de palen. Een wild gedrang stootte òp, woest geschreeuw ratelde los; gekrijsch van tuinders, met verkeerde bakken, roep òm roep. Rauwe moeheid klonk door de stemmen, en zwaar de zweetkoppen, roodgrauw, paars en bietig, vloekten en gromden weer te moeten sjouwen in den nog smoorhitten zonnedaver.—
Eén helsch karnaval van dooreenkrioelende zwoegers en waggelende beschonkenen, brak plots weer los aan de doorgloeide haven, gestoofd en geschroeid in den vonkenden zengdag.
Paarden loomden weer stil, achter drom van kleurige karren, en van allen kant, op de haven, golf-vloeide gewirwar van kerels en wijven, meisjes, en jochies. Van de hooge booten reuzigden de werkers, met de bakken en vrachten op nek en kop, tegen eindlooze polderlucht violet vuur, dat dampte en smeulde.—Heele stapels hoekten in dwarsen lijn-opstand de lucht in, op de hooge boot; wilde kankan van opgeheven kisten, schuin en vlak, rechtòp, dwars, scheef, en mandtorens waggelden geweldig op de zwoegschouers, en dampende zweetkoppen.
’t Stormde op den wal, en woester krioelden en afmarcheerden de karren in hotsende ratel-herrie en bonkering, naar huis; geduwd door jochies en meisjes in schreeuwerigen konkel.—Het heete gedaver en gesmak van kisten waarin de leege aardbei-mandjes nu beèfden van schokken, bulderde weer òp, cyclopisch, als donderende klankneerstorting van mokers op aambeelden en houweelen-ring-king op steenen muren. En òm ’t smak-geraas heen, bleef roezemoezen bassig gegons van straatgeruchten.
Troepen venters, klaar met hun manden en vrachten, afgereeën aan d’r kinders, drentelden rond met hun handen op geldzak, warmpjes de centen ingekneld tusschen vleesch-hitte en broek-voering, smakkend naar lekkeren Zaterdagavondzuip.
Afgebeuld of in drinklol opgewonden, strompelden de groenboeren herbergen in, waar ’t borrelde en gistte van schurige stemmen, dronk’rige roezemoes; waar ’t schuiflawaai knarste van stoelen op zandgrond, tusschen stikwalm, rook-rood.—Buiten woelde ’t haventje in hellegedaver.
’t Kraakte, klotste, hotste en smakte ’r in gloeiend zwoeggerucht, arbeids-hellebaardiers, die burchten sloopten.—In ’t watertje glom, kleurveegde en brio’de druk beweeg van kramen, sloepen, tjalken en bokken; op elkaar gedrongen, tusschen engen spoel van spoor-polderdijk en walkant in. Wemel van schipkleuren nog blond doorzond, gloeide òp in ’t àl zinkender licht. Op hoogen bakkenstapel, midden in thuiskomst van Zaterdagavondmarkt, herautte nù ’n kleine jood, met luchtig fluitspel.—
Kring van honderden stond om ’m heengekranst, in starenden luister naar z’n wonderlokkend, klank-zoet fluitgevlei. Weinig sprak ’t joodje. Met ’n groot blad muziek op ijzer lessenaartje vóór zich, wees ie op de methode, zei wat van de fluit, ’t klank mooie, ’t zuiver-hooge en lage, en speelde, spéélde.—
Joodje leek verliefd op eigen fluit. In zwierpracht en zoeten huiver van vloeiende vlei-toontjes, zilverende koloratuur, zong ie zich uit,—dan één, dan twéé fluiten den mond induwend, zich zelf begeleidend. Starre bewondering strakte van de tuinderskoppen. Ze voelden, voèlden dat ’t ècht was. Prachtig ebbenhoutig-zwart, glansden de gepolitoerde oktavo-fluitjes in joodjes hand, en wonderzoete, zilver-trillende tonen blies ie de heet-zonnige havenlucht in. Met gratie, in duizelend snelle vingerradheid, duikelden, trilden, zweefden de toontjes uit z’n fluit, en z’n vingertoppen leken tien betooverde zieltjes, vol klank en zaligen galm. Snel dansten de topjes op de zwart-geglansde fluit, en machtiger zwol z’n toon, fel in zingende kracht, de havengeruchten overklankend. Dan plots hield joodje in, droefde ie weemoed uit, in weeken, donkeren fluister van wiegelende klankjes, slepend-zoet en innig-ontroerend, droomrige melankolie van teere toontjes, in klagelijk register.—Zoo jubileerde z’n wonderfluit tusschen ’t sjacher-rumoer, dat zacht verstomde onder z’n tooverzang. Heelemaal méé, in de pathetische zoetheid van z’n lied, schokte jood’s lijfje.—Zacht zwierde z’n hoofd, lichtelijk heen en weer. Op de kadans van z’n lied, rekte zich z’n postuur als groeide ie boven den luisterkring uit, kromp ie plots weer in, bij teerdren melodie-zwenk. En vlak om z’n hoofd geurde en zweefde ie uit, ’n krans van zangerige kabbelende klankjes, met iets er in van starende smart; murmureerde z’n vlei-klankende fluit, diep en vroom ’n litanie van innigheid; bleef dóórdroeven z’n zang, in smartlijk mineur, speelde ie uit, ’n lied van tranen en hartewee. Dan plots, in ’n schater, zwol z’n toon in ’t hooge register, joelde de klare zilveren klank van z’n demonische fluit als ’n woeste jubel door de polderlucht en haven, schaterend en klaterend. Roerloos stond ’t landvolk in tooverban te luisteren. Eén laatsten stroom van klankenjubel tremoleerde hij nog woest en oriëntaal òver de koppen heen, wijd uitvloeiend de zonnelucht in; klankenpracht, als ’n vurige hymne rondbruisend door den havengang. Plots zweeg ’t joodje.—
Dronken en nuchtere kerels stonden gebluft, nà de plotse fluitstilte, in argelooze luistering.—Zwoegers uit de donkere bedompte kroegen, waren opgestapt, in furie en bedwelming, naar den man die daar zóó gejuicht en geweend had, onder de slavende massa.—
Joodje, zeker van z’n kunnen, zelf wèg in zoeten huiver van z’n klankinstrument, speelde weer opnieuw, gaf zich heelemaal over, aureooleerde zich in een sfeer van zilveren tonenzang.—Eindelijk, klaar met z’n spel, stroomden de kwartjes op ’m af. In fijn-gele vloeitjes wikkelde ie de glanzige zwarte fluitjes met goud-vergulde ornamentjes, drukte ie de kerels de gewichtige methode in de hand.
—Mit dat boekkie, in drie daagh en nachte, kan èllek manspersoon en vroùspersoon de heele kunsh! ’n Kind kèn de meledie! wattie wil! as ie ’t marr kèn! begrijbt u!
Z’n luisterkring van boeren stond als vastgezogen aan den grond, in verbijstering voor dàt spelen. Zoenen wouen ze den kerel. Joodje had geen handen genoeg. Jongens met lach-van-ontroering op d’r gezicht kochten; mannen, die in hun schemeravondstraatjes onder de lommerstille zomer-boomen harmonika speelden, kochten; dronken kerels, betooverd en half ontnuchterd kochten; meiden, wijven en „notabelen” kochten.
Strak-zelfbewust bleef gezicht van Joodje, die soms midden in ’t drukst van z’n verkoop, plots naar zich toegestrekte armen terug-wees, met stil gebaar z’n fluit, koester-zacht vatte, en speelde. En alles roerloos, in tooverban als klonk er geen hond-geblaf, kargehots en sjouwgekrijsch meer, bleef rond ’m staan.
Tot heel naar den polderweg verklonk de klaagroep, van z’n fluit, zoet gefluister, smachtende adagio’s, plots vervloeiend in stoute schalmei van jubelende scherzo’s. Begoochelder stonden rond ’m, in broozen luister, de afgemartelde zwoegwerkers, met verrukking in de oogen, bevende monden en verlegen handen. Plots weer brak joodje àf, deelde ie z’n fluiten uit, tot ie alleen z’n eigen instrument overhield. Eén groenboer, wou dàt ding hebben, met ’n gulden toe, zei ie sluw lachend naar de omstanders. Maar Joodje lachte ook, gaf ’m z’n fluit, ruilde met den boer, die ’t geld klaar had in z’n hand, en speelde nòg mooier op ’t kwartjes-instrument.
—’t Sit ’m weràchdig niet in ’t fluitje.. ze binne d’r as tweeh drobbele water geleik eender!.… ’t zit ’m in ’t hart meneer!.. in ’t hart!.…
—Hoart?.. hoart? sputterde ’n tuinder.…
—Nou ja.… ik bedoell eigelik in uwès boekkie.… de methoòde.… lachte Joodje weer ironisch, ’n kind kèn ’t leere.. in drie daaghe het tie ’t onder de knie!
Vier honderd fluiten had ie verkocht in één uur. En overal op de haven, door Wierelandsche straatjes en steegjes verklonk fluitgejoedel, valsch en onbeholpen, stooterig-monotoon lawaai, dat joodje sarkastischer lachte op z’n bakkenstapel en inpakkend z’n lessenaartje, nog spottend nariep:
—In drie daaghe te leere.… voor ’t kleinste kind!.… de meledie.…
Rond de bakken, honden en paarden, bleef ’t laat, tot in den schemer ratelhossen van karren, klakkeren van hoeven en orkanen van hellegeblaf.—
Bij aansluip van avond, begon éérste drinkmaal van venters. Lichte zuip was er geweest in de stad. Echte zuip barstte nu pas los. Ontembaar zouden ze zich gaan geven aan den heerlijken zoeten brand van dronk, als koelst ijs in hun stoffige ventstrotten verglijend. Bij wijven thuis was alleen gemor, kinderenherrie, schoonmaakploeter, geharrewar en zaterdagavond-afboenerijtjes. Geen zitje, geen likje. Niets lekkerder en plakkeriger noù, dan samenbroei in de stikheete kroeg, met gesuis van havenlawaai nog èven in de ooren, roezemoezigen verdoofden naklank van sjacher.
En niks doen dan lollen en babbelen, verdoofd tòch alles hoorend, maar van verre gebeurend, in ’n warrel. Zacht geklots, gezoen en getikker van biljardballen, kleurig en glanzend, robbelden over ’t gehavende lakengroen, bemorst en ingescheurd. Fel gevlam van gaspitten dampte hette uit.—Vuur en rook van pijpen en sigaren, rood-smokerden in een sfeer van kroeg-zwijmel.—