ACHTSTE TOONEEL
Reading edition
EPILOOG
Eenige stappen van elkaar af staande, ten halve tot elkander gewend, zien de man en de vrouw eerst nog mijmerend voor zich uit.
DE MAN
't Is of de droom van blonde weelde, Die straalde uit de lentelucht, Op eens, met al zijn blijde beelden, Den hemel weer is ingevlucht.
DE VROUW
Ach, laat ons aan het droomen blijven –! Hoe zoet om naar dat droomenland Van 't wilde leven weg te drijven, Als bloemen aan den waterkant.
DE MAN
tot haar tredend en zijn linkerhand op haar rechterschouder leggend
Neen! – schooner is 't waarachtig leven, Schooner dan droomen is de strijd! En meer dan droomen kunnen geven Geeft ons de groote werklijkheid.
DE VROUW
haar rechterhand op zijn linkerschouder leggend
Dan zal de droom ons leven sterken. Waar wij te zamen, hand in hand, Aan eene nieuwe wereld werken En vechten voor 't beloofde land.
Zij laten elkander nu los en komen naast elkaar vlak voor het voetlicht, vanwaar zij zich tot de toeschouwers wenden.
DE MAN
Zij onze droom voor uwen geest De schoonheid, die ge in 't leven leest –!
Bij de laatste woorden werpt hij een handvol bloesems van den meidoorn over de toeschouwers.
DE VROUW
Ons spel is maar een droom geweest – Ontwaakt gij tot een waarlijk feest –!
Bij de laatste woorden werpt zij eveneens een handvol bloesems. Zij strooien daarna de overige bloesems naar de toeschouwers, leggen dan den vinger op de lippen, nemen elk een slip van de dichte gordijnen en halen deze langzaam, op de teenen loopend, naar weerszijden open; met de eene hand het gordijn ophoudend, wijzen zij met de andere daarna de toeschouwers met uitgestrekten vinger op het tafreel daarbinnen: – Allen zijn, als een nog sluimerend toekomstbeeld, op hunne beurt in slaap gezonken; in het midden, tegen den takkenbos geleund, zit Mei, met het hoofd ter zijde op den linkerarm gebogen en in de rechterhand nog het schuin-gevallen stafje ophoudend, terwijl de grijsaard languit, met het witte, groenomloofde hoofd dwars in Mei's schoot rustend en den gezonken groenen staf nog naast zich in de hand, schijnt te sluimeren; aan beide zijden liggen de kinders, de jongeren en de gehuwden, allen neergevlijd en in slapende houdingen; achter Mei en den grijsaard liggen de deugden geknield op eene knie, met de lichtende schalen omhooggeheven, (de Liefde in het midden houdt in iedere hand met de naastknielenden een schaal op, deze houden met den anderen arm de beide naast hen geknielden wederzijds bij de schouders omstrengeld, welke met de beide uitersten wederom een schaal omhooghouden). –
De man en de vrouw schuiven de gordijnen weder dicht, en treden bij het sluiten nu tevens zelf daarbinnen.
DIT BOEKJE IS GEZET UIT DE HOLLANDSCHE MEDIÆVAL DER LETTERGIETERIJ „AMSTERDAM”, ONTWORPEN DOOR S. H. DE ROOS
VAN C. S. ADAMA VAN SCHELTEMA IS VERSCHENEN
DE GRONDSLAGEN EENER NIEUWE POËZIE Uitverkocht
EEN WEG VAN VERZEN Uitverkocht
UIT DEN DOOL Uitverkocht
VAN ZON EN ZOMER 3e druk f 0,60, geb. f 1,10
ZWERVERSVERZEN 3e druk f 0,60, geb. f 1,10
EENZAME LIEDJES 3e druk f 0,60, geb. f 1,10
UIT STILTE EN STRIJD 2e druk f 0,60, geb. f 1,10
EERSTE OOGST f 0,90, geb. f 1,50
MEIDROOM f 0,60, geb. f 1,10
LEVENDE STEDEN: I LONDEN, II DUSSELDORP, III AMSTERDAM per deel f 0,60, geb. f 1,10
Enkele exemplaren op geschept Holl. papier per deel f 2,50