De geschiedenis van den kreeft.
Reading edition
“Er was eens een kreeft, een kreeft, zoo mooi als de dag. Hij was goed, vrij verstandig voor een kreeft, en moedig. Hij leefde rustig in zijn schuilplaats; maar op zekeren dag hoorde hij van alle kanten te gelijk geschreeuw en gekerm. Het schijnt, dat het water gezakt was, zoo geducht gezakt, dat alles, wat in het water leeft, radeloos begon te worden. Hij had sedert lang reeds bemerkt, dat het water schaars werd; maar hij had evenals de anderen gedaan, hij had gehoopt, dat alles zich vanzelf wel zou schikken.
Bij het hooren van zoovele klachten, zei de kreeft bij zich zelf, dat dit wel nadenken verdiende. Hij dacht ernstig over de zaak na en kwam tot het besluit, dat het waarlijk wel nuttig zou wezen, als iemand zich opofferde om water te gaan halen. Maar aan wien een taak van zooveel gewicht op te dragen?
De kreeft dacht na, maar hij kon zijn keus op niemand vestigen.
Eigenlijk stelde hij alleen in zich zelf vertrouwen. De een kende den weg niet genoeg, de ander zou zich onderweg ophouden, een derde zou allerlei onvoorzichtigheden begaan. De meeningen van de meesten waren misschien een beetje voorbarig. Op den een viel niet veel staat te maken, en de ander was te zwak om de vermoeienissen van zoo’n verre reis door te staan, want het water was zeer ver.
“Ik zal zelf maar gaan,” zei hij eindelijk bij zichzelf.
Hij neemt de kruik op en begeeft zich op weg, gedurende eenige oogenblikken vergezeld door de toejuichingen van hen, die liever anderen wilden zien werken dan het zelf te doen.
“Wat een kreeft!” riep men van alle kanten. “Wat een geestkracht! Als hij zich wat haast, zullen wij gered zijn.” De kikvorschen weenden van aandoening, en de padden vielen van blijdschap flauw.
Daar begeeft de kreeft zich op weg; hij verliest geen minuut, gaat regelrecht op het doel af en loopt maar voort zonder zich zelfs den tijd te gunnen om even adem te scheppen.
Maar langzamerhand doet de vermoeidheid zich voelen en begint de verontwaardiging zich van hem meester te maken.
“Ben ik niet gek, dat ik zoo hard loop?” zei hij bij zich zelf. “Ik vlieg als een pijl uit den boog, en dat is toch wel wat al te erg. Laat ons verstandig zijn, laat ons bedaard loopen.”
Hierop begon hij weer als gewoonlijk te loopen. Hij besteedde zeven jaren om het water te gaan halen en tien om terug te keeren naar het punt, vanwaar hij uitgegaan was. Dat moet niemand verwonderen: een volle kruik is toch zwaarder en moeilijker te dragen dan een leege.
Op den drempel van zijn woning aangekomen, had hij nog een soort van kleine trap van vier treden te beklimmen. Het was daar, waar vroeger de schuiten aanlagen. Hij klom deze vier treden op, maar niet zonder moeite. Met een kruik gaat dat niet gemakkelijk.
Toen hij daar eenmaal was, keerde hij zich om en sloeg een blik op den vijver en op de beken, die er in uitliepen: dat alles was nu droog. Een mier zou tien mijlen in den omtrek niets gevonden hebben om haar dorst te lesschen.
“Het werd hoog tijd, dat ik kwam,” zei hij bij zich zelf. “Maar waar zijn zij toch, die mij bij mijn vertrek toejuichten? Wat een wonderlijke ontvangst is zoo’n stilzwijgen, en dat na deze groote opoffering!”
Een oude nieuwsgierige ekster zat op een half verdorden boom. Zij sloeg al de bewegingen van den kreeft gade en hoorde, hoe hij zich verwonderde.
“Duid het hun niet ten kwade,” zei zij tegen hem, “dat zij niet roepen: Leve de heldhaftige kreeft! Het is hun schuld niet: zij zijn allen dood. Kijk maar naar hun schalen en graten! Dat is alles, wat er van hen over is … Je moet niet uit het oog verliezen, dat je zeventien jaren besteed hebt om hun het water te brengen, dat zij binnen één jaar hadden moeten hebben.”
“De arme kreeft was zoo getroffen door de juistheid van de woorden, die de ekster gesproken had, dat hij, toen hij de pooten ten teeken van wanhoop ten hemel wilde heffen, de kruik, die hij droeg, vergat en haar liet vallen. De kruik brak in duizend stukken, de droge aarde slurpte in een oogwenk het water op, dat zij bevatte, en den volgenden dag was de kreeft ook dood.”
“Begrijp je ’t, Andry Kroek? En zullen je vrienden, die vinden, dat ik te overijld te werk gegaan ben, als je hun mijn sprookje verteld hebt, nog denken, dat zij er beter aan zouden gedaan hebben, een ander in plaats van mij tot boodschapper te kiezen, in mijn plaats een kreeft te zenden?”
Andry Kroek krabde zich achter de ooren en keek op zijn neus.
Vorosjilo klopte hem op den schouder.
“Word wakker,” zei hij tegen hem, “en laat ons de anderen wakker maken! Tsjetsjewiek heeft volkomen gelijk!”
Zich daarop tot den afgezant wendende, vervolgde hij:
“Op den bepaalden dag zal de geheele Ukraine op de been zijn; de vrouwen en de kinderen zullen er zich ook in mengen, als het noodig is.”
De oude Kniesj was al weer in de boot gestapt. Hij hielp er Maroessia in, en haar groote vriend sprong er weer met de lichtheid van een vogel in.
De kleine boot van den oever afgeduwd, gleed opnieuw over de sombere golven van den Dnjéper, en de zandige kaap met de onbestemde omtrekken der beide mannen, die zij daarop achterlieten, verdween al spoedig te midden van den nevel.
Toen zij aan land stapten, wees Kniesj aan Tsjetsjewiek een mooi en sterk zwart paard.
“Neem Maroessia achter u,” zei hij tegen Tsjetsjewiek, “en rijd den geheelen nacht door. Bij het aanbreken van den dag moet u het paard laten loopen; het zal den weg naar de hoeve van Samoes wel alleen terugvinden.”
De zanger steeg op het paard; Maroessia zette haar voet op het uiteinde van zijn laars, en in een oogenblik zat zij achter haar grooten vriend. Haar armen hielden hem omstrengeld, evenals het klimop den eik. Het paard reed in galop weg; ternauwernood hoorde men het geluid van zijn hoeven: men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was.