XV. Op het water.
Reading edition

Zoodra zij midden in de rivier gekomen waren, vroeg Tsjetsjewiek:
“Welke tijdingen hebt u omtrent den anderen hetman?”
“Alles zal beter afloopen dan je denkt,” antwoordde de landbouwer. “De fortuin is met de gekken. Men braadt de kippen, men plukt de ganzen, men maakt goede sier. In één woord, er zijn te veel vreemdelingen, te veel weelde, te veel verteringen. Men ontcijfert de denkbeelden van den heer des huizes niet gemakkelijk, weet ge? Er is misschien niemand …”
“Dat zou gekker zijn,” viel de groote vriend hem in de rede. “Dat is het lot van hen, die aan allen toebehooren; zij behooren niet aan zichzelf toe.”
“Maar de andere hetman, hoe staat het daarmee?” liet Kniesj hierop volgen.
“Die,” hernam Tsjetsjewiek, “die is een man, en als allen waren zooals hij, zou er nog niets verloren zijn. Hij heeft zijn verkeerdheden, dat is waar,—hij is niet volmaakt,—maar hij houdt van zijn land meer dan van zijn leven, meer zelfs dan van zijn trots. Hij heeft in alles toegestemd, ja, zelfs om zich bij dien domkop in de schaduw te stellen, en dat is mooi! want een trotsch en fier hoofd is niet gemakkelijk te buigen. Maar het is geschied. Hij heeft geschreven, al ging het dan niet zoo een twee drie.”
“Nu,” zei Kniesj, “dat laat zich begrijpen. Het zal hem heel wat gekost hebben.”
“Hij moest het wel doen,” zei Tsjetsjewiek.
“Dan,” hernam Kniesj, “kunnen wij zeggen, dat, dank zij u, de helft van de zaak afgedaan is. Nu blijft nog de andere hetman over! Die heeft er den slag van, om de zaak heen te draaien.”
“Wij zullen het wel met hem klaar spelen,” merkte Tsjetsjewiek op.
Plotseling spreidde hij bij den achtersteven van de boot een dikken mantel uit, en, terwijl hij Maroessia optilde, legde hij haar ondanks den tegenstand, dien zij bood, daarop neer.
“Ik vergat, mijn kind te laten slapen,” zei hij.
“Ik wil niet slapen,” zei het meisje.
“Slaap dan niet, maar blijf bedaard liggen,” zei de groote vriend op vastberaden toon. “Ik zal je aanstonds sprookjes vertellen.”
In plaats van achter in de boot te slapen, bleef Maroessia, half op haar elleboog leunende, liggen. Zij had oogen, die alles zagen, voordat de anderen iets bemerkten.
“Daarginds, aan dien kant,” zei zij, terwijl zij haar arm uitstrekte, “zien jullie daar niets?”
“Het kind heeft gelijk,” zei Kniesj, “daar zijn ze.”
“Stil!” beval de groote vriend.
De boot vloog ten gevolge van de verdubbelde inspanning der beide roeiers over het water heen, en al spoedig herkende Maroessia, ondanks den verren afstand, in de beide mannen, waarnaar zij had gewezen, oude kennissen. Het waren de mannen, die zij in het huis van haar vader door de soldaten had zien slaan en knevelen: Semene Vorosjilo en Andry Kroek. God zij geloofd! Zij hadden dus weten te ontsnappen.

Men zou gezegd hebben, dat het een gevleugeld paard was. Blz. 142.
De boot lag spoedig daarna aan. De kozakken namen hun mutsen voor de aangekomenen af en zeiden:
“Goed geluk en gezondheid!”
“Goed geluk en gezondheid!” antwoordden de groote vriend en de oude Kniesj.
“Maroessia,” zei Andry Kroek, terwijl hij een pakje te voorschijn haalde, “dat moest ik je geven van je moeder.”
Met een kleur van blijdschap nam zij het pakje aan en vroeg:
“Gaat het met allen goed?”
“Met allen, zoowel met de kleinen als met de grooten.”
“En,” zei Maroessia, die zich een weinig schaamde over de vraag, “hoe gaat het met de kerseboomen en met den tuin?”
“Wat een huishoudster!” zei Andry. “Het gaat goed met je tuin, en je kersen zullen, als ’t een beetje meeloopt, met het warme weer rijp worden.”
“Welke tijdingen brengen jullie,” vroeg Tsjetsjewiek, “in ruil voor die, welke ik jullie gezonden heb?”
“Velen zijn tevreden,” antwoordde Vorosjilo. “Die zullen klaar wezen en zijn het reeds, maar anderen …”
“Anderen,” zei Andry Kroek, hem in de rede vallende, “anderen zijn ongerust. Zij vinden, dat alles wat te overijld in z’n werk gaat, en ik geloof, dat zij gelijk hebben.”
En zich tot Maroessia wendend zei hij:
“Ik had beloofd, je in het schuitje een sprookje te vertellen. Belofte maakt schuld. Als jij mijn sprookje begrijpt, dan zullen die mannen het ook wel begrijpen … Andry Kroek! je moet het maar oververtellen aan hen, die vinden, dat ik te overijld te werk ga.”
En hij begon zijn sprookje aldus: