← Table of contents
Lucifer

LUCIFER

Reading edition

Treurspel

door

JOOST VAN DEN VONDEL

Met inleiding en aanteekeningen van L. SIMONS

* * * * *

PRAECIPITEMQUE IMMANI TURBINE ADEGIT

[HIJ DEED HEM NEDERTUIMELEN IN EEN ONTZAGLIJKEN DWARRELWIND"—

VERGILIUS: AENEIS VI, 599]

'k Zag er ook Salmoneus, Aeols zoon, Vervaarlijk pijnigen, die, als een allersnoodste, Gods weerlicht, donderkloot en bliksemstraal nabootste. Dees liet in Griekenland, en midden door de stad Van Elis, daar hij trotsch op zijnen wagen zat, Zich met vier paarden door den drang der Grieken roeren En, zwaaiende eene toorts, braveeren met rumoeren De Goden in de lucht en stak ze naar hun kroon. Dees zinnelooze durft de koopren brug uit hoon Oprennen met zijn paard en weet met razen, ruischen En storm den bliksem en den donder na te kuischen Dat niemand ooit vermocht. Maar Gods almogendheid, Om fakkel, rookrig licht noch zulk een onbescheid Verlegen, schoot met kracht en uit de dikke wolken, Dreef met een dwarrelwind, ten spiegel aller volken, Hem neder dat hij plofte.

Uit VONDELS vertaling van Vergilius: Aeneis, VIe Zang

* * * * *

VOORWOORD

Vondel en zijn werk te verstaan is daarom voor ons, in dezen tijd, zoo moeilijk omdat de dichter zoo veelzijdig gerijpt was in een wereld van weten, denken en gevoelen, die ons niet alleen vreemd is in menigerlei opzicht, maar die we nauwelijks meer kennen. Schrijvers las hij en kerkschrijvers kende hij, en autoriteiten eerbiedigde hij, en gebeurtenissen beleefde hij, wier bestaan ons al te licht ontgaat als wij zoeken zijn arbeid te verklaren. Een wonderbaarlijke mengeling leefde in hem van middeleeuwsche opvattingen, klassieke leerstellingen en histories, en bijbelsch-kerkelijke legenden en dogma's, en dit alles, naar den weinig kritischen geest van zijn tijd en naar den tot eerbied gestemden eigen zin, die zoo sterk in hem leefde, aanvaard als niet of nauwelijks te betwijfelen waarheden. En daarbij hij levend in een eeuw van geweldige worstelingen: tusschen overgeleverd gezag en vrijheidsdrang; tusschen vorsten en volkeren; tusschen allerlei verscheidenheden van Christendom, en tusschen Christendom en Mohammedanisme.

Vondels Lucifer is dan ook geen louter "bijbelsch" en "Christelijk" werk. Zonder dat hem "de grijze fabelen van den Reuzenstrijd" of het verhaal van Salmoneus[1] of de fabel van Faeton door het hoofd gespeeld hadden, als symbolisch ware worstelingen tegen de oppermacht der wereld, had hij van de eenvoudige kerklegenden omtrent Lucifers verzet, afval en val geen aldus gefigureerd treurspel kunnen opbouwen, waarin een strijd tusschen de oproerige en de standvastige Engelen geteekend wordt, met wapens, zwaarden en in krijgsorde geschaarde legers. In de voorstelling van een wereld van Goden en halfgoden, waarin de almacht zelfs van den Oppermachtige beperkt was door de wereldorde, en die elkaar benijdden en bestreden, was een worsteling denkbaar als tusschen Zeus en Prometheus, tusschen Thor en Loki. In een hemel met een werkelijk almachtig God is de strijd vooruit beslist; een pogen om zich op Zijn plaats te zetten ondenkbaar, en een worstelen met wapengeweld iets wezenlijk onzinnigs. Maar geen treurspel, geen drama had kunnen ontstaan, indien Vondel zich aanstonds en geheel aan deze beschouwing had overgegeven. En ten andere was Vondel, hoezeer ook ingeleefd in de oude mythologieen en klassieke overleveringen, te zeer een Christen, om van de worsteling tusschen hoovaardij en Almacht een zoo sterk, zoo doorleefd, zoo gewijd en hooggehouden spel, als zijn Lucifer geworden is, te maken, wanneer hij niet die worsteling geteekend had als begonnen tegenover zijn eigen, innigst vereerde Godheid en in verband met wat hem het opperst wereldgegeven was: de menschwording Gods in Christus. Zijn Salmoneus en zijn Faeton zijn vergelijkenderwijs blasse en bloedlooze werken gebleven, zonder aanwarming van zijn dieper devotioneel leven als in zijn Lucifer uiting vond.

* * * * *

Is Vondel, behalve door de klassieke wereld en haar overleveringen, naast de Christelijke, ook nog beheerscht door de historische gebeurtenissen en door politieke bedoelingen?

Men weet dat en Jonckbloet en Van Lennep het betoog geleverd hebben, dat Lucifer zelfs heel en al niets was, of tenminste voornamelijk, dan een politieke allegorie op onzen opstand tegen Spanje.

Ik heb aan deze betoogen nooit veel waarde gehecht, al was het allereerst omdat Jonckbloet—en Van Lennep, ondanks zijn groote Vondelvereering, toch eigenlijk ook—beiden veel te rationalistisch waren om Vondel te begrijpen. Jonckbloet, (ik heb als zijn leerling veel met hem omgegaan) was een eerlijk, humoristisch-satyriek, nuchter- scherpzichtig, kritisch mensch, maar de fijnere zieleplooibaarheid om in een andersdenker en -voeler, als Vondel geweest was, zich in te leven, ontbrak hem geheel; en zijn Vondelbeoordeeling is, zoo goed als die van Huet en Jorissen, niets dan een groote vergissing geweest. Rationalisten altemaal! voor wie het katholiek mysticisme iets griezeligs was, en die in zulk een complexen geest als die van Vondel ganschelijk niet konden komen. Er trouwens nooit eenige moeite voor deden, Vondel uit Vondel en zijn eigen bronnen te verklaren, maar hem maten met dogmatische kunstmaat van 18e-19e- eeuwsche "kunstphilosophie".

Niet dat Vondel buiten staat zou geweest zijn, zich te bedienen van den allegorischen vorm; hij zelf erkent in zijn Berecht, dat hij de Hoovaardij en Nijdigheid allegorisch doet optreden in het gespan van den Leeuw en den Draak, voor Lucifers wagen gespannen. Hij stond trouwens nog dicht genoeg bij de middeleeuwen ervoor; en had niet Hooft in zijn vroeg-17e-eeuwsche treurspelen nog zeer sterk geallegoriseerd? Maar Vondel, hoewel allerminst een psychologisch-analyseerend of persoonlijk-verbizonderend dichter, heeft toch wel altijd zijn tot typen gegeneraliseerde figuren zuiver-menschelijk en levend willen houden. Dat hij, al dichtende het eeuwige spel van den eerzuchtigen opstandeling, daarbij alles zou hebben uitgesloten aan reflexen van aardsche bizonderheden, hem uit historie en beleving bekend, is intusschen geenszins aan te nemen. Hij stond zoo midden in zijn tijd; geen wereldgebeurtenis of hij bezong ze; hij was partijganger; en zuiver objectiveeren was allerminst een 17e-eeuwsche eisch. Zoo zal wel Wallensteins verzet hem door het hoofd gespeeld hebben (Cramer), en ook aan onzen opstand tegen Spanje zal hij gedacht hebben, (zeker vrs 1264 en 1266) en door deze en dergelijke reflexen van het leven zijn anders licht te ver van de menschen verwijderd "tooneel des hemels" hun wat dichter hebben willen bijbrengen. 't Is juist het veelkleurige, dat zijn werk vaak zijn waarde geeft en het is dit menschelijke, waardoor zijn Lucifer in het bijzonder ons boeien blijft als het treurspel van het verzet der Naijverigheid. Maar dit is alles wat anders dan zij bedoelen, die hem een politieke allegorie tegen Oranje hebben willen doen schrijven in een periode, toen hij zelf juist na den dood van Prins Willem II (dien hij als would-be overweldiger van zijn Amsterdam niet kon dulden) ook weer met den Oranjestam, verbonden aan de afstammelingen van den hem sympathieken Jacobus I, in sympathie kwam.

* * * * *

Een inleiding tot de Lucifer kan niet ontberen een inwijding van den lezer in den Hemelbouw en -verhoudingen, gelijk Vondel zich die dacht. Zijn voorstelling van het Heelal is nog geheel die van Ptolomaeus en Dante (zie h.o. "De Ploeg" 2e Jaarg.: J. Brandt, Wereldstelsels en Prof. Hauvette's in onze W.B. verschenen werk over Dante). De aarde vormt het midden van het wereldruim; er omheen zeven schalen of bogen, waarlangs de Maan, Mercurius, Venus, de Zon, Mars, Jupiter en Saturnus in eenparige beweging hun wenteling volbrengen. Als achtste schaal of boog komt die der vaste sterren; als negende de kristallen hemel. En nog weer daaromheen: het Empyreum, of de Hemel van het Volmaakte Licht: der Hemelen Hemel, waar de zaligen, de Engelen en het Opperwezen zelf toeven. De Engelenwereld was intusschen, in middeleeuwsch- katholieke opvatting, verdeeld in drie hierarchieen (rijen) en elk dezer weer in drie koren (orden):

1. Serafijnen, Cherubijnen, Tronen;

2. Heerschappijen, Krachten, Machten;

3. Vorstenheden, Aartsengelen, Engelen.

Een verdeeling, die Vondel door Gabriel, ten bate van zijn toehoorders en lezers, nadrukkelijk laat aangeven:

"Gij weet hoe 't Engelschdom moet onderscheiden worden In drieerhanden rij en negenvoudige orden: De hoogste in Serafijn, en Cherubijn en Troon, Die zitten in Gods Raad en sterken zijn geboon. De middelrij bestaat uit Heerschappijen, Krachten En Machten, die op 't woord van Gods geheimraad wachten, Tot 's menschen nut, en heil en hulp in 't algemeen. De derde en laagste rij, gewijd uit Vorstenheen En groote Aartsengelen en Engelen, moet duiken Voor 't woord der middenrij"—

Deze schikking, in verband met het feit dat Lucifer herhaalde malen (vs 1672, 1704, 1775; zoo ook in Opdracht, het Berecht en den Inhoud) als Aartsengel wordt aangeduid, zou doen vermoeden dat de hoofdfiguur van het treurspel tot op een na de laagste orde behoort. Doch Gabriel (vs 504) spreekt ervan dat God Lucifer ten top van alle hierarchijen geplaatst heeft, terwijl Rafael hem er op wijst, hoe hij, Lucifer, boven duizenden gekroonde Heerschappijen (1e orde der middelrij) gezalfd is tot Gods Stedehouder. En in vers 834-836 vinden we als L.'s volgelingen in het verzet genoemd Tronen (3e orde der eerste Rij), Heerschappijen en Machten. Volgt daaruit niet dat we minder aan het woord "Aartsengel" te hechten hebben, en ons Lucifer inderdaad moeten denken als een Engel van de hoogste orde der eerste Rij, den uitverkoorne Gods onder de Serafijnen?—gelijk de Inhoud hem dan ook noemt: "opperste en doorluchtigste boven alle Engelen". Aan een mindere zouden alle Engelen-groepen zich niet, als hun leider, betrouwd hebben; een mindere zou niet zoo fel en hevig zich teruggezet hebben gevoeld op het vernemen van Gods bedoeling, den "Zoon des Menschen" naast zich ten troon te verheffen, d.i. boven Lucifer; en dus tusschen dezen en God zelf een nieuwe macht stellend. En van een mindere zou het verzet niet zoo vreeselijk, de val niet zoo diep geweest zijn. Men stelle zich dus niet Lucifer voor als een gewonen Aartsengel, maar als inderdaad den Opperste van alle Hierarchijen. Ook de plaats van Gabriel, Michael en Raphael kan niet gedacht worden onder de 8e orde, die der Aartsengelen. Zij zijn toegelaten tot Gods Raad, en behooren dus tot een der eerste drie Orden (van de eerste Rij), Serafijnen en Cherubijnen, waaronder geen afvalligen voorkomen. Belzebub, aangesproken als "Raad van Lucifer" en "Prins", zal tot de 7e orde (of eerste der derde Rei: "Vorstenheden") te rekenen zijn; Belial en Apollion tot de gewone Engelen, evenals de Hemelteekenen, die deelnemen aan den strijd: de Leeuw en de Draak als trekkers van Lucifers wagen; de Reus Orion (vs 1929), Noorsche Beeren(1932), Hydra (1934), in de beschrijving van Uriel als meekampende monsters vermeld.

En heel deze verzetsworsteling om de laatste scheppingsdaad, die de geruste Engelen naijverig maakt op de van God naar zijn beeld geschapen menschheid, welke de lagere Engelen verplicht worden te dienen, en wier toekomstbestemming, als gezegd, den staat der Opperste Engelen bedreigt! Naijver dus en zucht tot handhaving van bevoorrechte positie, die onder de fraaie nationalistische leus: "de Hemel voor de Engelen" zich te weer stellen, en hun doel voorbijschieten;—een geschiedenis uit den hoogsten Hemel die waarlijk niet mist van de Aarde te wezen, en ons daardoor als menschelijk, indien al "oppermenschelijk," te boeien. Vooral door de kracht van Vondels verbeelding; de vastgehouden stoutheid van zijn verzenvlucht; de levendigheid van de schildering der worsteling; de pracht van zijn taal en de devotie van zijn Gods-eerbied, tegenover de felheid van verzetstuw.[2]

* * * * *

Voor de aanteekeningen bij den volgenden tekst heb ik natuurlijk ook gebruik gemaakt van de vonden mijner voorgangers, zonder dat blindelings te doen. En, evenals voor de andere stukken, niet met het doel taalgeleerdheid te toonen, maar louter om den hedendaagschen lezer te helpen zich in Vondels dichtwerk in te leven.

Bij het herdrukken van deze uitgaaf voor onze complete editie zijn eenige drukfouten hersteld, en eenige nieuwe aanteekeningen opgenomen.

Febr. 1913. L. S.

Noten:

[1] Zie aanhaling, achter titel, uit zijn eigen vertaling van de Aeneis.

[2] Voor het overige zie men mijn uitvoerige beschouwing over Vondels dramatiek in het algemeen en de "Lucifer" in het bizonder, in mijn Inleiding: Vondels dramatiek (1e stuk, 2e deel der complete uitgaaf van Vondels Spelen, Nederl. Bibliotheek).

* * * * *

OPDRACHT[1]

DEN ONVERWINNELIJKSTEN VORST EN HEERE DEN HEERE FERDINANDUS DEN DERDEN, GEKOREN ROOMSCHEN KEIZER, ALTIJD VERMEERDER DES RIJKS

Gelijk de Goddelijke Majesteit in een ongenaakbaar licht gezeten is, zoo zit ook de Wereldsche Mogendheid, die haar licht uit God schept en de Godheid afbeeldt, in haren glans verheerlijkt; maar gelijk de Godheid, of liever de opperste Goedheid, den allerminsten en ootmoedigen, met den toegang tot haren troon, begenadigt, zoo gewaardigt de tijdelijke Mogendheid ook den allerkleensten, dat hij zich eerbiedig voor haar voeten vernedere. Op deze hope verstout zich mijne Zanggodin, van verre, aan uwe Keizerlijke Majesteit op te offeren dit treurspel van Lucifer, wiens stijl[2] wel rijkelijk de deftigheid en statigheid vereischt, waarvan de Poeet spreekt:

Omne genus scripti gravitate Tragoedia nincit:

Hoe hoog men drave in stijl en toon, Het treurspel spant alleen de kroon.

Doch wat aan de hoogdravendheid[3] des stijls ontbreekt, dat zal de tooneelstof, titel en naam en doorluchtigheid des persoons vergoeden, die hier, ten spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen[4], zijn treurtooneel, den hemel, bekleedt; waaruit hij, die zich vermat[5] aan Gods zijde te zitten, en Gode gelijk te worden, verstooten, en rechtvaardiglijk ter eeuwige duisternisse verdoemd werd. Op dit rampzalige voorbeeld van Lucifer, den Aarts-engel, en eerst heerlijksten boven alle Engelen, volgden sedert, bijkans alle eeuwen door, de wederspannige geweldenaars, waarvan oude en jonge historien getuigen, en toonen hoe geweld, doortraptheid, en listige aanslagen der ongerechtigen, met glimp en schijn van wettigheid vermomd, ijdel en krachteloos zijn, zoo lang Gods Voorzienigheid de geheiligde Machten en Stammen[6] handhaaft, tot rust en veiligheid van allerhande Staten, die, zonder een wettig Opperhoofd, in geene burgerlijke gemeenschap kunnen bestaan: waarom Gods Orakel[7] zelf, den menschelijken geslachte ten beste, deze Mogendheid, als zijn eigen, in eenen adem, bevestigt, gebiedende Gode en den Keizer elk hun recht te geven. Christenrijk doorgaands, gelijk een schip in de wilde zee, aan alle kanten, en tegenwoordig van Turk en Tarter, bestormd, en in nood van schipbreuke, vereischt ten hoogste deze eendrachtige eerbiedigheid tot het Keizerdom, om den algemeenen erfvijand des Christen naams te stuiten, en den Rijksbodem en zijne grenzen, tegens den inbreuk der woeste volken, te veiligen en te sterken; waarom God te danken is, dat het hem beliefde, 't Gezag en de Kroon des H. Roomschen Rijks, voor 's Vaders overlijden, op den jongsten Rijksdag, in den Zone, Ferdinandus den Vierde[8], te verzekeren; een zegen, waarop zoo vele volken moed dragen, en de tooneeltrompet van onze Nederduitsche Zanggodinne te moediger, voor den troon van Hoog-duitschland, den overwonnen Lucifer, in Michaels triomf-staatsie, ommevoert.

UWE KEIZERLIJKE MAJESTEITS

allerootmoedigste Dienaar,

J. VAN VONDEL. anno 1653.

Noten:

[1] Dat deze opdracht van Vondel zich richtte tot den Roomschen keizer vindt begrijpelijke verklaring in het verband, straks door hemzelf aangegeven, tusschen de stof van zijn Lucifer en diens verzet tegen de gestelde macht, en den aanslag der Turken op de macht der Christenheid, voor hem, in het wereldsche, in den Roomschen keizer gesymboliseerd. Dr. Cramer heeft ook nog gewezen op de betrekking tusschen keizer Ferdinand III en den oproerigen Wallenstein, aan wiens zelfverheffing Vondel bij het schrijven van zijn Lucifer gedacht zou hebben.

[2] Wiens stijl, voor "welks stijl".

[3] hoogdravendheid heeft bij V. niet de beteekenis van "gezwollenheid"; maar van "hooggestemdheid"; "verhevenheid".

[4] Staatzuchtigen: politiek-eerzuchtigen—Het treurtooneel bekleeden: Vondels geliefkoosde uitdrukking voor: een voorname rol in het treurspel spelen.

[5] die zich vermat: feitelijk kwam het niet tot die daden; dus meer op te vatten als: "die het waagde te willen".

[6] Machten en Stammen: De Koninklijke stam is de dynastie.

[7] Gods Orakel: Jezus: "Geef den keizer wat des keizers is".

[8] Ferdinand IV, 's keizers zoon, was in 1653 tot Roomsch-koning, 's vaders opvolger, gekozen.

* * * * *

OP DE AFBEELDINGE VAN ZIJNE KEIZERLIJKE MAJESTEIT FERDINANDUS DEN DERDE;

toen Joachimus Sandrart[1] van Stokou mij, uit Weenen in Oostenrijk, zijn Majesteits afbeeldinge, met haar loofwerk en sieraden[2], vereerde.

Deus nobis haec otia fecit.

De Zon van Oostenrijk verheft haar schoone stralen, Uit schaduwen van kunst, veel schooner in elks oog, Dewijl ze, in haren troon gestegen hemelhoog, Zich niet ontziet zoo laag op ons gezicht te dalen.

De derde Ferdinand, geschapen tot regeeren, Gelijk een tweede August, en Vader van de peis, Zijn zoon de heirbaan wijst naar 't Hemelsche paleis, En leert met wapenen van Vrede triomfeeren.

Gezegend is het Rijk, gezegend zijn de volken, Daar zijn voorzienigheid genadig 't oog op houdt, En hem de Weegschaal wordt van 't heilig Recht betrouwd.

Een arend brocht zijn zwaard en schepter uit de wolken, Een kroon versiert het hoofd, ter heerschappij gewijd: Dit hoofd versiert de kroon, en schept een gulden tijd.

Noten:

[1] Sandrart: een zeer in trek staand schilder van Duitsche herkomst, die V. zelf meer dan eens schilderde en in zijn werk herhaaldelijk genoemd wordt. Men kent de beroemde regels van V. op Vossius:

"Sandrart, bekrans hem vrij met bloemen en met blaren Al wat in boeken steekt is in zijn hoofd gevaren."

[2] loofwerk en sieraden: Het loofwerk zal waarschijnlijk slaan op de lijst, in dien tijd vaak aldus versierd. De sieraden Z.M.'s ordeteekenen.—Deus nobis haec otia fecit. (Virgilius): een god heeft ons deze rust verschaft.

* * * * *

BERECHT

AAN ALLE KUNSTGENOOTEN, en BEGUNSTIGERS DER TOONEELSPELEN.

Hier wordt u, om uwen kunstijver weder t'ontsteken en uwen geest teffens te stichten en te verkwikken, het heilig treurtooneel[1], dat den Hemel afbeeldt, opgeschoven. De groote Aartsengelen, Lucifer en Michael, elk met hunne aanhangelingen van wederzijde gesterkt, komen de stellagie stoffeeren[2] en hunne rollen spelen. Het tooneel en de personagien zijn zeker zoodanig, en zoo heerlijk, dat ze eenen heerlijker stijl vereischen en hooger laarzen[3], dan ik haar weet aan te trekken. Niemand, die de spraak van d'onfeilbare orakelen des goddelijken Geests verstaat, zal oordeelen, dat wij een gedichtsel van Salmoneus[4] bijbrengen, die midden in Elis, op zijnen wagen en metalen brug, Jupijn braveerende, en met een brandende fakkel den bliksem en donder nabootsende, van den donder geslagen werd; nochte wij vernieuwen hier geen grijze fabel van den Reuzenstrijd[5], onder wiens schorse de Poezy hare toehoorders reukelooze[6] verwaandheid en godlooze kerkschenderijen zocht te verleeren, en natuurkennis in te boezemen; namelijk, dat lucht en winden, in den hollen buik en het zwavelachtige ingewand der aarde besloten, bijwijlen ademtocht zoekende, met geweld van geborsten steenrotsen, smook en rook en vlammen, en aardbevingen, en schrikkelijk geluid, uitbersten, en, hemelhoog opgestegen, in het neerstorten den grond van land en zee met assche en steenen bestulpen, en ophoopen. Onder de Profeten verzekeren ons van den afval des Aartsengels en zijnen aanhang, Isaias en Ezechiel[7]; bij den Evangelist, Christus, het allerwaarachtigste orakel, ons met eene stem uit den Hemel bevolen te hooren; en endelijk Judas Thaddeus, zijn getrouwe Apostel; welker spreuken waardig zijn in eeuwig diamant, en waardiger, in onze harten geprint te worden. Isaias roept: "O Lucifer, die vroeg opgingt, hoe zijt ge ter aarde geploft! die de volken kwetste, in uw harte spraakt: Ik wil in den Hemel stijgen, mijnen stoel boven Gods gestarnte verheffen, op den berg des verbonds aan de Noordzijde zitten. Ik wil boven de hooge wolken steigeren, den Allerhoogsten gelijk worden; maar gij zult ter Helle toe, in den poel des afgronds, vernederd worden." God spreekt door Ezechiel aldus: "_Gij zijt een uitgedrukte gelijkenis, vol wijsheid en volkomen schoon. Gij waart, in de weelde van Gods Paradijs, bekleed met allerhande kostelijke steenen, sardis, en topazen, en jaspis, en chrizoliten, en onix, en beril, safier, en karbonkel, en smaragden; goud was uw sieraad. Op den dag uwer scheppinge waren uwe schalmeien vaardig. Gij breidde u uit, gelijk een beschaduwende Cherubijn, en ik zette u op Gods berg. Gij wandelde midden onder de blakende steenen. Gij waart volschapen in uwen tred, van den dage uwer scheppinge aan, totdat men u op boosheid betrapte." Beide deze spreuken zijn, naar den letterlijken zin, d'een van den Koning van Babylon, d'andere van den Koning van Tyrus te verstaan, die, bij Lucifer, in hunne heerlijkheid 55 en hoogmoed, geleken, bestraft, en gedreigd worden. Jezus Christus ziet mede op den val van den weerspannigen Lucifer, daar hij zegt: "Ik zag den Satan, gelijk een bliksem, uit den Hemel vallen"; en Thaddeus ontvouwt den afval der Engelen, en hun misdaad, en de straf daarop gevolgd, zonder eenige bewimpelinge, beknopt op deze wijze: "Doch hij heeft de Engelen, die hunne hoogheid niet bewaarden, maar hun behuizinge verlieten, met eeuwige banden van duisternisse, tegens het oordeel des grooten Gods bewaard." Wij stuiten dan met deze gouden spreuken, en inzonderheid met Judas Thaddeus, leerling en afgezant des hemelschen Leeraars, en Konings aller Koningen, gelijk op eenen diamanten schild, alle de pijlen der ongeloovigen, die de zekerheid van der Geesten afval zouden durven in twijfel trekken. Behalve dit onderstut ons ten overvloed doorgaans d'eendrachtige en eerwaardigste aloudheid der godvruchtige oud-vaderen, die in den grond dezer geschiedenisse overeenstemmen; doch om de kunstgenooten niet op te houden, zullen we ons met drie plaatsen genoegen; d'eerste getrokken uit den heiligen Cypriaan, Bisschop en Martelaar te Carthago, daar hij schrijft: "Hij, die te voren door een Engelsche[8] Majesteit ondersteund, Gode aangenaam en waard was, borst, toen hij den mensch naar Gods beeld geschapen zag, door eenen boosaardigen naijver uit, hem door ingeven van dien naijver niet eer ten val brengende, voordat hij zelf door dien naijver ter neer gestort lag, gevangen eer hij ving, bedorven was eer hij hem bedorf; terwijl hij, van Nijdigheid aangeprikkeld, den mensche van de genade der onsterfelijkheid, hem geschonken, beroofde, en zelf ook verloor hetgene hij te voren hadde." De groote Gregorius[9] bestelt ons de tweede spreuk: "Dees afvallige Engel, geschapen om boven d'andere regementen der Engelen uit te blinken, is door zijn hoovaardij zulks ter neder gestort, dat hij nu de heerschappij der standvastige Engelen onderworpen blijft." Het derde en leste bewijs scheppen wij uit de predikatien van den honigvloeienden Bernardus[10]: "Schuwt de hoovaardij; ik bidde u, schuwt ze toch! d'Oorsprong van alle overtredinge is hoovaardij, die Lucifer zelf, klaarder dan alle starren uitblinkende, met een eeuwige duisternisse heeft verdonkerd. Zij heeft niet alleen eenen Engel, maar den oppersten van alle Engelen in eenen Duivel veranderd." De Hoovaardij en Nijdigheid, twee oorzaken of aanstokers van dezen afgrijselijken brand van tweedracht en oorloge, hebben wij uitgedrukt onder het gespan van twee bestarnde dieren[11], den Leeuw en den Draak die, voor Lucifers oorlogswagen gespannen, hem tegens God en Michael aanvoeren; aangezien deze dieren twee zinnebeelden van deze hoofdgebreken verstrekken; want de Leeuw, der dieren Koning, gemoedigd door zijne krachten, acht uit verwaandheid niemand boven zichzelven; en de Nijdigheid kwetst met hare tong den benijden van verre, gelijk de Draak, met het schieten van zijn vergift zijnen vijand van verre kwetst. Sint-Augustijn[12], deze twee hoofdgebreken Lucifer toeeigenende, maalt ons den aard derzelve levendig af, en zeit, dat Hoovaardij is een liefde tot zijn eigen grootschheid, maar de Nijdigheid een haatster van eens anders geluk; waaruit klaar genoeg blijkt wat hieruit geboren wordt: want een iegelijk, zeit hij, die zijn eigen grootschheid[14] bemint, benijdt zijns gelijken, naardien ze met hem gelijk staan; of benijdt zijnen minder, opdat die hem niet gelijk werde; of die grooter zijn dan hij, omdat ze boven hem staan. Nu dewijl de dieren[14] zelf van verdoemde Geesten misbruikt en bezeten worden, gelijk in den aanvange de Paradijsslang, en in de heileeuwe de zwijnskudden, die met een groot gedruisch in zee stortten; en dewijl de gestarnten, aan den Hemel zelfs bij dieren afgeteekend[15], ook bij de Profeten gedacht worden; gelijk de Pleiades of Zevenster, en Arcturus, Orion, en Lucifer, zoo gelieve het u de weligheid en leerzaamheid der tooneelpoezye te vergeven, dat de rampzalige geesten zich op ons tooneel hiermede wapenen en verweren; want den Helschen gedrochten niets eigener is dan slimme treken, en het misbruik der schepselen en elementen, tot afbreuk van d'eere en naam des Allerhoogsten, zooverre hij dit gehengt. Sint-Jan, in zijne Openbaringe, beeldt de Hemelsche geheimenissen, en den strijd in den Hemel, door een Draak uit, wiens staart nasleepte het derde deel der sterren, bij de Godgeleerden op d'afvallige Engelen geduid; waarom men in Poezye de gebloemde wijze van spreken[16] niet al te neuswijs behoort te ziften, nochte naar de scherpzinnigheid der schoollessen te regelen. Ook moeten wij onderscheiden de tweederhande personagien, die dit tooneel betreden, namelijk kwaadwillige en goede Engelen, die een ieder hun eigen rol spelen; gelijk Cicero en de voegelijkheid zelf ons elk personagie, naar heuren staat en aard, leeren uitbeelden. Ondertusschen ontkennen wij geenszins, dat heilige stof den tooneeldichter nauwer verbindt en intoomt, dan wereldsche historien of Heidensche verziersels[17]; onaangezien d'oude en befaamde handvest der poezy, bij Horatius Flaccus, in zijne Dichtkunste, met deze verzen uitgedrukt:

De Schilder en Poeeet ontvingen beide een macht Van alles te bestaan, wat elk zich dienstig acht.

Doch hier dient inzonderheid aangeteekend, hoe wij, om den naijver der hoogmoedige en nijdige Geesten te heftiger t'ontsteken, den Engelen de geheimenis van het toekomende menschworden des Woords, door den Aartsengel Gabriel, Gezant en Geheimenistolk der Godheid, eenigszins ontdekken; hierin (onder verbeteringe) volgende, niet het gevoelen der meesten, maar sommiger Godgeleerden, naardien dit ons treurtafereel rijker stof en luister bijzet[18]; zonder dat wij evenwel in dit punt, noch in andere omstandigheden van oorzaken, tijd, plaatse, en wijze (waarvan wij ons dienden, om dit treurspel krachtiger, heerlijker, gevoeglijker en leerzamer uit te voeren) de rechtzinnige waarheid opzettelijk willen in het licht staan, of iet, naar ons eigen vonden, en goeddunken, vaststellen. Sint-Pauwels, Gods geheimenisschrijver aan de Hebreen, verheft zelf, benijdenswaardig genoeg, tot afbreuk van het Rijk der logenen en verleidende Geesten, de heerlijkheid, macht, en Godheid van het menschgeworden Woord, door zijn uitstekendheid boven alle Engelen, in naam, in zoonschap en erfgenaamschap, in het aanbidden der Engelen, in zijn zalvinge, in zijne verheffinge aan Gods rechtehand, in de eeuwigheid zijner heerschappij, als een Koning over de toekomende wereld, en de oorzaak en het einde aller dingen, en een gekroond Hoofd der menschen en Engelen, zijne aanbidders, Gods boden en Geesten, gezonden ten dienst der menschen, erfgenamen der zaligheid, welker natuur Gods Zoon, de Engelen voorbijgaande, in het bloed van Abraham aanneemt. Bij gelegenheid van deze onschuld[19] achte ik niet ongerijmd hier ter loop iet aan te roeren tot onschuld van tooneel en tooneeldichteren, die Bijbelstof voorstellen, naardien ze bijwijlen opspraak onderworpen zijn[20]; gelijk trouwens 's menschen zinnelijkheid[21] verscheiden is, en d'ongelijke getemperdheid der hersenen veroorzaakt, dat d'een trek tot een zelve zaak heeft, die den anderen tegens het hart steekt. Alle eerlijke kunsten en oefeningen hebben hare beijveraars en tegenwrijters, ook haar recht gebruik en misbruik. De heilige treurspeldichters[22] hebben, onder de oude Hebreen, tot hun voorbeeld den Poeet Ezechiel[23], die den uittocht der twaalf Stammen uit Egypte in Grieksch nagelaten heeft; onder d'eerwaardige Oudvaders hebben zij het groote licht uit den Oosten, Gregorius Nazianzener[24], die zelf den gekruisten Verlosser in Grieksche tooneelverzen uitbeeldde; gelijk wij nog van wijlen den Koninklijken Gezant, Hugo de Groot[25], dat groote licht der geleerdheid en vromigheid onzer eeuwe, Sint-Gregorius' spoor nastrevende, voor zijn treurspel van den Gekruiste, in Latijn beschreven, en dien onverganklijken en stichtigen arbeid, eer en dankbaarheid schuldig blijven. Onder d'Engelsche Onroomschen heeft de geleerde pen van Richard Baker[26], Lucifer en al den handel der oproerige Geesten ook vrij breed in 't rijmeloos uitgestreken. Wel is waar, dat de Vaders der oude Kerke de gekristende tooneelspeelders buiten de gemeenschap der Kerke keerden, en het tooneelspel van dien tijd heftig bestreden; maar let men er wel op, de tijd en de reden van dien was heel anders gelegen. De wereld lag toen nog diep, op vele plaatsen, in Heidensche afgoderij verzonken. De grond des Christendoms was nog onbestorven, en de tooneelspelen werden Cybele, der gedroomde Goden moeder, een groote afgodinne, ter eere gespeeld, en gehouden voor een verdienstig middel om hierdoor landplagen van den hals des volks af te keeren. Sint-Augustijn getuigt, hoe de Heidensche Aartspriester, een bedienaar van Numa's instellingen en afgodendienst, te Rome, ter oorzake van een zware peste, de tooneelspelen eerst instelde, en door zijn gezag bekrachtigde. Scaliger zelf bekent, dat ze, om de gezondheid des volks te verwerven, door ingeven van de Sibille ingesteld waren; in voegen, dat dit spelen eigenlijk strekte tot een krachtig voedsel van de blinde afgoderij des Heidendoms, en verheffinge der afgoden; een ingekankerde gruwel, wiens uitroeien den eersten kruishelden, en de gedurig worstelende Kerke op zooveel zweet en bloed stond, maar nu lang uitgestorven, geene voetstappen in Europa laat. Dat de H. Oudvaders die tooneelen hierom, en tegelijk om het bederf der zeden, en andere openbare en schaamtelooze misbruiken van naakte jongelingen, vrouwen, en maagden, en andere vuiligheden, bestraften, was noodig en loflijk, gelijk het in dien gevalle nog zoude zijn. Dit nu overgeslagen, laat ons het nut en den oorbaar van stichtelijke en vermakelijke spelen niet te licht wegworpen. Heilige en eerlijke voorbeelden dienen ten spiegel, om deugd en Godvruchtigheid t'omhelzen; gebreken, en d'elenden, daaraan gehecht, te schuwen. Het wit en oogmerk der wettige Treurspelen[27] is de menschen te vermorwen door schrik en meedoogen[28]. Scholieren, en opluikende jonkheid worden door spelen, in talen, welsprekendheid, wijsheid, tucht, en goede zeden en manieren, geoefend, en dit zet, in de teere gemoeden en zinnen, een plooi van voegelijkheid en geschiktheid, die hun, tot in den ouderdom toe, bijblijven en aanhangen[29]; ja, het gebeurt bijwijlen, dat overvliegende vernuften, bij geene gemeene middelen te buigen noch te verzetten, door spitsvondigheden[30] en hoogdravenden tooneelstijl geraakt, en, buiten hun eigen vermoeden, getrokken worden; gelijk een edele luitsnaar geluid geeft en antwoordt, zoodra heur weergade, van dezelve nature en aard, op eenen gelijken toon en andere luit gespannen, getokkeld wordt van een geestige hand, die, al spelende, den tuimelgeest[31] uit eenen bezeten en verstokten Saul drijven kan. De historien der eerste Kerke bezegelen dit met de gedenkwaardige voorbeelden van Genesius en Ardaleo, beide tooneelspeelders, in den Schouwburg, door den H. Geest verlicht en bekeerd; terwijl ze, onder het spelen, den Christenschen Godsdienst willende beschimpen, overtuigd wierden van de waarheid, die ze geleerd hadden uit hun deftige speelrollen, doorgaands beter gestoffeerd met pit van wijsheid dan laffe redenen, uren lang in den wind gestrooid, en eer verdrietig dan leerzaam. Men worpt ons, ten opzichte van Bijbelstoffe, voor, dat men geen spel met heilige zaken behoorde te spelen; en zeker, dit zou wat schijns hebben in onze tale, die juist het woord van Spel mede brengt; maar wie slechts een woord of anderhalf Grieksch kan uitstamelen, weet wel, dat dit woord bij Grieken en Latijnen geen gebruik heeft in dien zin; want Tragoedia is een koppelwoord, en beteekent eigenlijk Bokkezang, naar der herderen wedgezangen, ingesteld om met zingen eenen bok te winnen, uit welke gewoonte de treurzangen, en sedert de tooneelspelen, hunnen oorsprong namen; en wil men ons immers dus ongenadig knuffelen om het woord Spel[32], waar blijven we dan met orgelspel, Davids harp- en zangspel, en het spel van tien snaren, en ander fluit- en snarespel, bij verscheidenheid van Onroomschen in hunne vergaderingen ingevoerd? Wie dan dit onderscheid vat, zal wel, het misbruik der tooneelkunste bestraffende, het rechtmatig gebruik niet ongenadig vallen, en dezen heerlijken, ja, Goddelijken vond, een eerlijke uitspanninge en honigzoete verkwikkinge van 's levens moeielijkheden[33], de jeugd, en kunstbeminnende burgerije niet misgunnen; opdat wij, hierdoor gemoedigd, Lucifer met meer ijvers ten Treurtooneele voeren, daar hij endelijk, van Gods bliksem getroffen, ter Helle stort, ten klaren spiegel van alle ondankbare staatzuchtigen, die zich stoutelijk tegens de geheiligde Machten en Majesteiten, en wettige Overheden durven verheffen.

Noten:

[1] Het heilig treurtooneel: tooneel waarop gewijd spel gespeeld wordt.

[2] de stellagie stoffeeren: Uitdrukking verwant aan een andere, bij V. zeer geliefd: "het tooneel bekleeden": bezetten, vullen. Men sprak ook van een schilderij stoffeeren, met figuren.

[3] hooger laarzen. De Grieksche en Romeinsche tooneelspelers, die op grooten afstand van de in halven cirkel gezeten toeschouwers optraden, moesten, om niet te klein te lijken, hun gestalte vergrooten. Zij liepen dus op Kothurnen, door V. vertaald als "tooneellaarzen", ook wel "brozen". Hoe verhevener het spel, des te hooger, meent hij, ook deze laarzen.

[4] Salmoneus. Zie achter het titelblad. Ook Voorwoord, en Inleiding van De K., blz. XVII.

[5] Reuzenstrijd. Zie ook hierover mijn Voorwoord en de Inleiding van De K.

[6] reukeloos: roekeloos.

[7] Isaias; Jesaja (Statenbijbel).

[8] Engelsche. Bij Vondel vaak gebruikt in verband met Engel, niet met Engeland. Engelsche Majesteit: Engelen majesteit.

[9] De groote Gregorius: Paus Gregorius Magnus, 6e Eeuw—bestelt ons: bezorgt ons.

[10] Bernardus (van Clairvaux), 12e E. bijgenaamd mellifluus = honingvloeiende, om zijn welsprekenskunst.

[11] bestarnde dieren: dieren die als sterrebeelden voorkomen.

[12] Augustijn, bisschop Augustinus van Hippo, 4e E.

[13] grootschheid: grandezza, heerlijkheid.

[14] Nu dewijl de dieren. Het verband tusschen de dieren en deze stof uitvoerig uitgewerkt in Bilderdijk's De Dieren. Zie ook Beets, Verscheidenheden, N.B. II.

[15] Zelfs bij dieren afgeteekend: door dieren.

[16] Waarom men in poezy de gebloemde wijze van spreken: Dichters, profeten, bijbelschrijvers gunne men de beeldspraak.

[17] verzieren is: bedenken, verdichten; versieren: opschiken. Verziersel dus: verdichtsel, verzinsel.

[18] rijker stof bijzet. Meer afwisseling geeft.

[19] onschuld: verontschuldigingen.

[20] Naardien ze bijwijlen opspraak onderworpen zijn. V. had hier een profetisch oogenblik. Inderdaad heeft zijn ten tooneele brengen van deze stof de verontwaardiging der predikanten opgewekt, die na de tweede voorstelling den Amsterdamschen magistraat een verbod van verdere vertooning wisten te ontlokken.

[21] zinnelijkheid, dat waar de zinnen zich op zetten: smaak. "De smaken zijn verschillend."

[22] heilige treurspeldichters. "Heilig" behoort bij treurspel, niet bij dichters: dichters van gewijde stoffen.

[23] Poeet Ezechiel. Niet profeet (2e E. na Chr.).

[24] Gregorius Nazianzener. Gregorius van Nazianze (4e Eeuw).

[25] Vondels eerbied voor Huig de Groot, ook als dichter, was onverwelkbaar. Hier huldigt hij zijn Christus Pattens; voor zijn Adam in Ballingschap inspireerde hem De Groots Adamus Exul; diens derde Latijnsche treurspel: Solompaneas vertaalde hij. Zie mijn Inleiding pag. 71.

[26] Sir Richard Baker (1568-1643) een Engelsch landedelman, die in schulden kwam voor familieleden en in de gevangenis Bespiegelingen en Overwegingen schreef over Bijbelsche onderwerpen (Chambers).

[27] wettige treurspelen: staat tegenover de onheilige, w.o. V. zoo juist gesproken heeft. Dus die gewettigd zijn door hun hoog karakter. Of: die geschreven zijn overeenkomstig de Tooneelwetten?

[28] de menschen te vermurwen door schrik en mededoogen. Voor de beteekenis van deze woorden in de leer van het tragische zie mijn Inleiding over V.'s dramatiek, pag. 32-45.

[29] _Zooals Vondel ook uitvoerig in zijn Berecht tot zijn (5 jaar latere) Jeptha den "matigenden" en "manierenden" invloed der treurspelen zou uiteenzetten; voornamelijk gegrond op den gewekten schrik.

[30] spitsvondig. Niet zoo scherp, en zeker niet ongunstig, op te vatten als tegenwoordig: Vernuftige vonden, spreuken.

[31] tuimelgeest: oproerigen geest; de geest, die de hersenen doet tuimelen, dazen.

[32] gestoffeerd: schoon gevuld met.

[33] Zie over V. en het Treurspel mijn Inleiding, "Vondel's Dramatiek", pag. 24/25 en 31.

* * * * *

INHOUD

Lucifer, d'Aartsengel, opperste en doorluchtigste boven alle Engelen, hoovaardig en staatzuchtig, uit blinde liefde tot zijn eigen, benijdde Gods onbepaalde grootheid, ook den mensch, naar Gods beeld geschapen, en in het welig Paradijs met de heerschappije des aardbodems begiftigd. Hij benijdde God en den mensch te meer, toen Gabriel, Gods Heraut, alle Engelen voor dienstbare geesten verklaarde, en de geheimenissen van Gods toekomende menschworden hun ontdekte; waardoor het Engelsdom voorbijgegaan, de waarachtige menschelijke natuur, met de Godheid vereenigd, een gelijke Macht en Majesteit te verwachten stond; waarom de hoovaardige en nijdige Geest, pogende zichzelven Gode gelijk te stellen, en den mensch buiten den Hemel te houden, door zijne medestanders[1], ontelbare Engelen oprokkende, wapende, en tegens Michael, 's Hemels Veldheer, en zijne heirkrachten, onaangezien Rafaels waarschuwinge, aanvoerde; en afgestreden, na de neerlaag, uit wrake den eersten mensch, en in hem alle zijne nakomelingen, ten val brocht, en hij zelf met zijne weerspannelingen ter Helle gestort, en eeuwig verdoemd werd.

Het Tooneel is in den Hemel.

Noot:

[1] door zijne medestanders: d.w.z. met behulp van zijn medestanders.

* * * * *

PERSONAGIEN

BELZEBUB..) BELIAL….) Wederspannige Oversten. APOLLION..) GABRIEL, Gods Geheimenistolk. REI VAN ENGELEN. LUCIFER, Stedehouder. LUCIFERISTEN, Oproerige Geesten. MICHAEL, Veldheer.RAFAEL, Beschermengel. URIEL, Michaels Schildknaap.

(Voor het eerst gespeeld te Amsterdam, op 2 Februari 1654.)

* * * * *

HET EERSTE BEDRIJF

BELZEBUB, BELIAL, APOLLION[1].

BELZEBUB:

Mijn Belial ging hene op lucht en vleugels drijven, Om uit te zien waar onze Apollion mag blijven. Vorst Lucifer zond hem, tot dezen tocht bekwaam, Naar 't aardrijk, opdat hij eens nader kennis naam' Van Adams heil en staat, waarin d'Almogendheden Hem stelden. Het wordt tijd, om weder van beneden Te keeren hier ter stede; ik gis, hij is niet veer. Een wakker dienaar vliegt op 't wenken van zijn heer En stut zijn meesters troon getrouw met hals en schouder.

BELIAL:

Heer Belzebub! gij Raad van 's Hemels Stedehouder, Hij steigert steil, van kreits in kreits[2], op ons gezicht. Hij streeft den wind voorbij, en laat een spoor van licht En glanzen achter zich, waar zijn gezwinde wieken De wolken breken. Hij begint ons' lucht te rieken, In eenen andren dag en schooner zonneschijn, Daar 't licht zich spiegelt in het blauwe kristallijn. De hemelklooten[3] zien met hun gezicht, van onder, Terwijl hij rijst, hem na, een ieder in 't bijzonder Verwonderd om dien vaart en goddelijken zwier, Die hun geen Engel schijnt, maar eer een vliegend vier. Geen star verschiet zoo snel. Hier komt hij aangestegen, Met eenen gouden tak, en heeft de steile wegen Voorspoedig afgeleid.

BELZEBUB:

Wat brengt Apollion?

APOLLION:

Heer Belzebub! ik heb, zoo vlijtig als ik kon, Het laag gewest bespied, en offere u de vruchten Zoo diep beneden ons, in andre zon en luchten, Gesproten; oordeel, uit de vruchten[4], van het land En van den hof, door God gezegend en beplant, Tot wellust van den mensch[5].

BELZEBUB:

Ik zie de gouden bladen, Met perlen van de lucht, den zilvren dauw, geladen. Hoe lieflijk riekt dit loof, dat zijne verf[6] behoudt! Hoe gloeit dit vroolijk[7] ooft van karmozijn en goud! 't Waar jammer zoo men dit ontwijdde met de handen. 't Gezicht bekoort den mond. Wie zou niet watertanden Naar aardsche lekkernij? Hij walgt van onzen dag, En hemelsch mann'[8], die 't ooft der aarde plukken mag. Men zou ons Paradijs om Adams hof verwenschen; 't Geluk der Engelen moet wijken voor de menschen.

APOLLION:

Nietwaar, heer Belzebub? Al schijnt de hemel hoog, Wij liggen veel te laag. Hetgeen ik met mijn oog Gezien heb, mist me niet[9]. 't Vermaak van 's werelds hoven, Een eenig Eden gaat ons Paradijs te boven.

BELZEBUB:

Laat hooren wat ge zaagt; wij luistren t'zamen toe.

APOLLION:

'k Verzwijg mijn henevaart, om niet te reppen hoe Gezwind ik nedersteeg, en zonk door negen bogen[10], Die, sneller dan een pijl, rondom hun midpunt vlogen. Het rad der zinnen kan zoo snel niet ommeslaan, In ons' gedachten, als ik, lager dan de maan[11] En wolken, afgegleen, bleef hangen op mijn pennen[12]. Om 't Oostersche gewest en landschap t' onderkennen[13], Op 't aanzicht van den kloot, daar d'Oceaan om spoelt, Waarin zoo menig slag van zeegedrochten woelt. Van verre zag men hier een hoogen berg verschieten[14], Waaruit een waterval, de wortel van vier vlieten, Ten dale nederbruist. Wij streken steil en schuin Voorover met ons hoofd, en rustten op de kruin Des bergs, van waar men vlak de zalige landouwen Der onderwereld[15] en haar weelde kon aanschouwen.

BELZEBUB:

Nu schilder ons den hof en zijn gestaltenis.

APOLLION:

De hof valt rond[16], gelijk de kloot der wereld is. In 't midden rijst de berg, waaruit de hoofdbron klatert, Die zich in vieren deelt en al het land bewatert, Geboomte en beemden laaft, en levert beken uit, Zoo klaar gelijk kristal, daar geen gezicht op stuit[17]. De stroomen geven slib, en koesteren de gronden. Hier worden Onixsteen en Bdellion[18] gevonden. Hoe klaar de hemel ook van sterren blinkt en barnt, Hier zaaide Vrouw Natuur in steenen een gestarnt, Dat onze starren dooft. Hier blinkt het goud in d'aderen. Hier wou Natuur haar schat in eenen schoot vergaderen.

BELZEBUB:

Wat zweeft er voor een lucht, waarbij dat schepsel leeft?

APOLLION:

Geen Engel, onder ons, zoo zoet een adem heeft, Gelijk de frissche geest, die hier den mensch bejegent, Het aangezicht verkwikt en alles streelt en zegent: Dan[19] zwelt de boezem der landouw van kruid en kleur, En knop en telg[20] en bloem, en allerhanden geur. De dauw ververscht ze 's nachts. Het rijzen en het dalen Der zonne weet zijn maat, en matigt zoo haar stralen Naar eisch van elke plant, dat allerhande groen En vrucht gevonden wordt in eenerlei seizoen.

BELZEBUB:

Nu maal me de gedaante en 't wezen van de menschen.

APOLLION:

Wie zou ons Engelsdom voor 't menschdom willen wenschen[21], Wanneer men schepsels ziet, die 't al te boven gaan, En onder wiens[22] gezag alle andre dieren staan. Ik zag den ommegang[23] van honderdduizend dieren, Die op het aardrijk treen, of in de wolken zwieren, Of zwemmen in den stroom, zoo ieder is gewend, En leven schept in zijn bijzonder element. Wie zou een ieders aard en eigenschappen ramen Als Adam? want hij gaf ze op eene rij haar namen. De bergleeuw kwispelde hem aan met zijnen staart, En loech den meester toe. De tiger lei zijn aard Voor 's Konings voeten af. De landstier[24] boog zijn horen, En d'olifant zijn snuit. De beer vergat zijn tooren; Griffoen en adelaar kwam luistren naar dien man, Ook draak, en Behemoth, en zelfs Leviatan[25]. Nog zwijg ik welk een lof den mensch wordt toegezongen En toegekwinkeleerd van 't lustprieel, vol tongen; Terwijl de wind in 't loof, de beek langs d'oevers speelt, En ruischt op een muziek, dat nimmer 't hart verveelt. Had zich Apollion in zijnen last gekweten, Hij had ons Hemelrijk in Adams Rijk vergeten[26].

BELZEBUB:

Wat dunkt u van het paar, dat gij beneden zaagt?

APOLLION:

Geen schepsel heeft omhoog mijn oogen zoo behaagd Als deze twee omlaag. Wie kon zoo geestig[27] strengelen Het lichaam en de ziel, en scheppen dubbele Engelen[28] Uit kleiaarde en uit been! Het lichaam, schoon van leest, Getuigt des Scheppers kunst, die blinkt in 't aanschijn meest, Den spiegel van 't gemoed. Wat lid mij kon verbazen, Ik zag het beeld der ziele in 't aangezicht geblazen. Bezit het lijf iet schoons, dat vindt men hier bijeen. Een Godheid geeft haar glans door 's menschen oogen heen. De redelijke ziel komt uit zijn tronie zwieren. Hij heft, terwijl de stomme en redelooze dieren Naar hunne voeten zien, alleen en trotsch het hoofd Ten hemel op naar God, zijn Schepper, hoog geloofd.

BELZEBUB:

Hij looft hem niet vergeefs voor zooveel rijke gaven.

APOLLION:

Hij heerscht, gelijk een God, om wien het al moet slaven. D'onzichtbre ziel bestaat uit geest, en niet uit stof. Z' is heel in ieder lid. Het brein verstrekt haar Hof. Zij leeft in eeuwigheid, en vreest noch roest noch schennis. Z' is onbegrijpelijk. Voorzichtigheid, en kennis, En deugd, en vrijen wil bezit ze in eigendom. Voor hare majesteit staan alle Geesten stom. De wijde wereld zal eerlang van menschen krielen; Zij wacht, uit luttel zaads, een rijken oogst van zielen. En hierom huwde God den man aan zijn mannin.

BELZEBUB:

Wat dunkt u van zijn ribbe[29], en lieve gemalin?

APOLLION:

Ik dekte mijn gezicht en oogen met mijn vleugelen, Om mijn gedachten en genegendheen te teugelen, Zoodra zij mij gemoette, als Adam met der hand Haar leidde door het groen. Bijwijlen hield hij stand, Beschouwde ze overzij, en, onder dat belonken, Begon een heilig vier zijn zuivre borst t'ontvonken: Dan kuste hij zijn bruid, en zij den bruidegom, Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom En brand van liefde, niet te melden, maar te gissen; Een hooger zaligheid, die d'Engelen nog missen. Hoe arm is eenigheid! Wij kennen geen gespan[30] Van tweederhande kunne, een jonkvrouw en een man. Helaas! wij zijn misdeeld; wij weten van geen trouwen, Van gade of gading, in een Hemel zonder vrouwen!

BELZEBUB:

Zoo wordt er met der tijd een wereld aangeteeld?

APOLLION:

Door een genot van 't schoon, in 's menschen brein gebeeld, En ingedrukt met kracht van d'opgespannen zinnen. Dat houdt dit paar verknocht. Hun leven is beminnen En wederminnen met een onderlingen lust, Onendelijk gelescht, en nimmer uitgebluscht.

BELZEBUB:

Nu pas me deze bruid naar 't leven af te malen.

APOLLION:

Dit eischt Natuurs penseel[31]: geen verf, maar zonnestralen. De man en vrouw zijn bei volschapen, even schoon, Van top tot teen. Met recht spant Adam wel de kroon, Door kloekheid van gedaante en majesteit van 't wezen, Als een ter heerschappij des aardrijks uitgelezen; Maar al wat Eva heeft vernoegt haar bruigoms eisch: Der leden teederheid, een zachter vel en vleisch, Een vriendelijker verf, aanminnigheid der oogen, Een minnelijke mond, een uitspraak, wiens[32] vermogen Bestaat in eedler klank; twee bronnen van ivoor, En wat men best verzwijge, eer dit een Geest bekoor';— Bejegent Engelen, hoe schoon ze uw oog behaagden, Het zijn wanschapenheen bij 't morgenlicht der maagden.

BELZEBUB:

Het schijnt, gij blaakt van minne om 't vrouwelijke dier[33].

APOLLION:

Ik heb mijn slagveer in dat aangename vier Gezengd. Het viel me zwaar van onder op te stijgen, Te roeien, om den top van Engleburg te krijgen. Ik scheidde, doch met pijn, en zag wel driewerf om. Nu blinkt geen Serafijn, in 't Hemelsch Heiligdom, Als deze, in 't hangend haar, een gouden nis van stralen[34], Die, schoon gewaterd, van den hoofde nederdalen, En vloeien om den rug. Zoo komt ze, als uit een licht, Te voorschijn, en verheugt den dag met haar gezicht. Laat perle en perlemoer u zuiverheid beloven; Haar blankheid gaat de perle en perlemoer te boven.

BELZEBUB:

Wat baat al 's menschen roem, indien zijn schoonheid smelt En endelijk verwelkt, gelijk een bloem op 't veld?

APOLLION:

Zoo lang die hof beneen niet ophoude ooft te geven, Zal dit gezaligd paar bij zulk een appel leven, Die daar in 't midden groeit, bevochtigd van den stroom, Waarbij de wortel leeft. Dees' wonderbare boom Wordt 's levens boom genoemd. Zijn aard is onbederflijk. Hierdoor geniet de mensch het eeuwig en onsterflijk, En wordt den Engelen, zijn broederen, gelijk, Ja, overtreft ze in 't eind, en zal zijn macht en rijk Verbreiden overal. Wie kan zijn vleugels korten? Geen Engel heeft de macht zijn wezen uit te storten In duizendduizenden, in een oneindig tal. Nu overreken eens, wat hieruit worden zal.

BELZEBUB:

De mensch is machtig dus ons over 't hoofd te wassen?

APOLLION[35]:

Zijn wasdom zal ons haast verschrikken en verrassen, Al duikt zijn heerschappij nu lager dan de maan; Al is die macht bepaald, hij zal al hooger gaan, Om zijnen stoel in top der Hemelen te zetten. Zoo God dit niet belet, hoe konnen wij 't beletten? Want God bezint den mensch, en schiep het al om hem.

BELZEBUB:

Wat hoor ik? een bazuin? gewis, hier wil een stem Op volgen; zie eens uit, terwijl we hier verbeien.

APOLLION:

d'Aartsengel Gabriel, gevolgd van 's Hemels reien, Genaakt in 's Hoogsten naam, om uit den hoogen troon T'ontvouwen, als Heraut, hetgeen hem wierd geboon.

BELZEBUB:

Ons lust te hooren, wat d'Aartsengel zal gebieden.

GABRIEL. REI VAN ENGELEN.

GABRIEL:

Hoort toe, gij Engelen! hoort toe, gij Hemellieden! De hoogste Goedheid, uit wiens boezem alles vloeit, Wat goed, wat heilig is; die nimmer wordt vermoeid Door weldoen, noch verarmd van haar genadeschatten, Tot nog met geen begrijp der schepselen te vatten; Dees' Goedheid schiep den mensch haar eigen beeld gelijk, Ook d'Eng'len, opdat zij te zamen 't eeuwig Rijk, En nooit begrepen goed, na 't vierig onderhouden Der opgeleide wet, met God bezitten zouden. Zij bouwde 't wonderlijk en zienelijk Heelal Der wereld, Gode en ook den mensche te geval, Opdat hij in dit hof zou heerschen en vermeeren, Met al zijne afkomst hem bekennen, dienen, eeren, En stijgen, langs de trap der wereld, in den trans Van 't ongeschapen licht, den zaligenden glans. Al schijnt het Geestendom alle andre t'overtreffen; God sloot van eeuwigheid het Menschdom te verheffen, Ook boven 't Engelsdom, en op[36] te voeren tot Een klaarheid en een licht, dat niet verschilt van God. Gij zult het eeuwig Woord, bekleed met been en aren, Gezalfd tot Heer en hoofd en rechter, al de scharen Der Geesten, Engelen, en menschen te gelijk, Zien rechten, uit zijn troon en onbeschaduwd Rijk. Daar staat de stoel alree geheiligd in het midden. Dat alle d'Engelen Hem passen aan te bidden. Zoo ras hij innerij, wien 't menschelijk gestalt, Ook boven ons' natuur verheerelijkt, gevalt. Dan schijnt de heldre vlam der Serafijnen duister, Bij 's menschen licht en glans en goddelijken luister. Genade dooft natuur en al haar glansen uit[37]. Dit 's noodlot, en een onherroepelijk besluit[38].

REI VAN ENGELEN:

Al wat de Hemel stemt[39], zal 't Hemelsch heir behagen.

GABRIEL:

Zoo past[40] u trouw in Gods en 's menschen dienst te dragen, Naardien de Godheid zelf de menschen zoo bemint. Wie Adam eert, het hart van Adams vader wint. De mensch en Engel, beide uit eenen stam gesproten, Zijn medebroeders, uitgekoren lotgenooten[41], Des Allerhoogsten zoons en erven, zonder smet. Een ongedeelde wil en liefde zij uw wet! Gij weet hoe 't Engelsdom moet onderscheiden worden[42] In driederhande rij, en negenvoudige orden: De hoogste in Serafijn en Cherubijn en Troon, Die zitten in Gods Raad, en sterken zijn geboon. De middelrij bestaat uit Heerschappijen, Krachten En Machten, die op 't woord van Gods Geheimraad wachten Tot 's menschen nut en heil en hulp in 't algemeen. De derde en laagste rij, gewijd uit Vorstenheen, En groote Aartsengelen en Engelen, moet duiken[43] Voor 't woord der middelrije, en laten zich gebruiken Beneden het gewelf van zuiver kristallijn, In hun bijzondren last, zoo wijd 't gestarrent schijn'. Wanneer de wereld koom' zich verder uit te spreiden, Wordt elk van deze rij in zijn gewest bescheiden, Of weet zijn eigen stad en huis, en wat persoon Zijn zorg bevolen blijft, ter eere van Gods kroon[44]. Getrouwen, gaat dan hene; onsterfelijke Goden, Gehoorzaamt Lucifer[45], verknocht aan Gods geboden. Bevordert 's Hemels eer in 't menschelijk geslacht, Een ieder in zijn wijk, een ieder op zijn wacht. Laat sommigen voor God de schaal vol wierook branden, En brengen voor Gods troon der menschen offeranden En wenschen en gebeen, en zingen 's Godheids lof, Dat zich de galm verspreie in 't eeuwigjuichend hof. Een ander draai gestarnte[46] en ronde hemelklooten, Of zett' den Hemel op, of hou de lucht gesloten Met wolken, om den berg te zegenen omlaag, Met eenen zonneschijn, of versche regenvlaag Van manne en honigdauw, daar God wordt aangebeden Door d'eerste onnoozelheid[47], de burgerij van Eden. Wie door de lucht, en 't vier, en aarde, en water rent, Die matige op zijn pas een ieder element, Naar Adams wensch, of legg' den bliksemstraal aan banden, Of breidele den storm, of breek' de zee op stranden. Een ander sla de treen des menschen gade op 't veld. De Godheid heeft zijn haar tot op een haar geteld. Men draag' hem op de hand, dat hij zijn voet niet stoote. Wordt iemand, als gezant, gezonden van een Groote[48] Aan Adam, 's aardrijks Vorst, dat hij zijn last verricht. Zoo luidt mijn last, waaraan de Godheid u verplicht.

REI VAN ENGELEN[49]:

ZANG.

Wie is het, die zoo hoog gezeten, Zoo diep in 't grondelooze licht, Van tijd noch eeuwigheid gemeten Noch ronden, zonder tegenwicht[50], Bij zich bestaat, geen steun van buiten Ontleent, maar op zichzelven rust, En in Zijn wezen kan besluiten Wat om en in Hem, onbewust Van wanken, draait, en wordt gedreven Om 't een en eenig middelpunt[51]; Der zonnen zon, de geest, het leven; De ziel van alles wat gij kunt Bevroen, of nimmermeer bevroeden; Het hart, de bronaar, d'oceaan En oorsprong van zoovele goeden[52] Als uit Hem vloeien en bestaan Bij zijn genade, en alvermogen, En wijsheid, die hun 't wezen schonk Uit niet, eer dit in top voltogen Paleis, der Heemlen Hemel, blonk; Daar wij met vleuglen d'oogen dekken, Voor aller glansen Majesteit; Terwijl we 's Hemels lofgalm wekken, En vallen, uit eerbiedigheid, Uit vreeze, in zwijm op 't aanzicht neder.— Wie is het? noemt, beschrijft ons Hem, Met eene Serafijne veder. Of schort het aan begrijp en stem?

TEGENZANG.

Dat 's God. Oneindig eeuwig Wezen Van alle ding, dat wezen heeft. Vergeef het ons, o nooit volprezen Van al wat leeft, of niet en leeft; Nooit uitgesproken, noch te spreken; Vergeef het ons, en scheld ons kwijt Dat geen verbeelding, tong, noch teeken U melden kan. Gij waart, Gij zijt, Gij blijft dezelve. Alle Englekennis En uitspraak, zwak, en onbekwaam, Is maar ontheiliging en schennis: Want ieder draagt zijn eigen naam. Behalve Gij. Wie kan U noemen Bij Uwen Naam? wie wordt gewijd Tot Uw Orakel? wie durf roemen? Gij zijt alleen dan die Gij zijt, U zelf bekend en niemand nader. U zulks te kennen, als Gij waart, Der eeuwigheden glans en ader, Wien is dat licht geopenbaard? Wien is der glansen glans verschenen? Dat zien is nog een hooger heil Dan wij van uw genade ontleenen; Dat overschrijdt het perk en peil Van ons vermogen. Wij verouden In onzen duur; Gij nimmermeer. Uw wezen moet ons onderhouden. Verheft de Godheid; zingt Haar eer!

TOEZANG.

Heilig, heilig, nog eens heilig, Driemaal heilig! eer zij God! Buiten God is 't nergens veilig. Heilig is het hoog gebod. Zijn geheimenis zij bondig[53]; Men aanbidde Zijn bevel. Dat men overal verkondig, Wat de trouwe Gabriel Ons met zijn bazuin kwam leeren: Laat ons God in Adam eeren. Al wat God behaagt, is wel.

Noten:

[1] BELZEBUB: vlieg van God; BELIAL: deugniet (beide Hebreeuwsche namen); APOLLION (Grieksch): verderver.—Deze Engelen zijn dus door Vondel alvast gekenschetst naar den hun toegeschreven, misdadigen, duivelschen aard.

BELZEBUB spreekt de eerste 9 regels als alleenspraak; voor de komst van Belial. Dat deze uitgezonden werd om te zien waar de naar de aarde gezonden Apollion mag blijven, toont aanstonds de spanning, waarin de laatste scheppingsdaad: de vorming van den mensch, den hemel der Engelen gebracht heeft. De volgende schildering van Apollion's opvlucht brengt lezers en hoorders in de sfeer der handeling.

[2] Kreits in kreits: de negen bogen of sferen, die tusschen den Hemel der Hemelen en de aarde liggen (Voorwoord).

[3] De hemelklooten: bollen, planeten, die rond die bogen loopen (id.).

[4] "Uit de vruchten zult ge den boom kennen". Van: over.

[5] De voorstelling dat het Paradijs door God ten bate der menschheid geplant is, opent de reeks der de engelen beroerende verkondigingen van Gods bevoorrechting van dit nieuwe schepsel.

[6] verf: kleur.

[7] vroolijk: fleurig.

[8] hemelsch mann: 't manna dat ten voedsel der Joden in de woestijn uit den hemel viel.

[9] mist me niet: ontgaat me niet, nl.: de beteekenis ervan.

[10] de negen bogen: (zie Voorwoord).

[11] De maan gleed rond de laagste schaal; dus de laatste, bij de aarde.

[12] pennen: vleugels.

[13] de beschrijving van Apollion geeft meer het Paradijs, naar Vondel en zijn lezers 't zichzelf voorstelden, dan naar 't geen een afgezant des Hemels 't zou waargenomen en geteekend hebben. Maar objectiveeren in modernen zin lag niet in den geest van dien tijd.

[14] verschieten: in 't verschiet opdoemen.

[15] onderwereld: dit is dus uit 't oogpunt der Engelen; niet van de menschen.

[16] valt rond: is rond (uitgevallen).

[17] daar geen gezicht op stuit; die gezichten weerspiegelen.

[18] Bdellion: (zie Adam in Ballingschap 314), een harts.

[19] Dan: daardoor.

[20] telg: tak.

[21] : Wie zou den staat van Engel boven dien der menschen willen wenschen?

[22] Wiens: wier.

[23] ommegang der dieren: hun leven en bedrijven.

[24] bergleeuw, landstier: voor "leeuw" en "stier". Maar wat zwieriger en voller, voor 't vers.

[25] Behemoth, Leviatan: voorwereldlijke reuzendieren.

[26] : De verklaring van deze door Van Lennep duister genoemde regels door dr. Cramer lijkt aannemelijk: had Apollion zijn last gekweten en was hij dus vrij geweest, hij zou op aarde zijn gebleven.

[27] geestig: (Wdbk.) "begaafd", "talentvol".

[28] Over de dubbele natuur der Menschen, den vrijen wil enz. zie "Adam in Ballingschap."

[29] Zijn ribbe, waaruit Eva immers geschapen was, klinkt hier vreemd in Belzebub's mond, die niet op de hoogte is van de Paradijshistorie.

[30] gespan: Wat samen in een gareel gespannen is. Thans nog: "span".

[31] Dit eischt Natuurs penseel. Hier spreekt Vondel (en niet Apollion, zeker!), wien alle poezie "levende schilderij" was.

[32] wiens: welker.

[33] dier: schepsel.

[34] : deze schildering van Eva, in de "gouden nis van stralen", van haar hoofd afhangend, doet denken aan de fraaie kleine schilderij van Rubbens, in 't Mauritshuis. Of Vondel die kende?

[35] Apollion's schildering van de toekomstige grootheid der menschen versterkt de onrust in Belzebub. En nu komt Gabriels mededeeling omtrent Gods bedoeling: om eenmaal den "Zoon des menschen" naast zich ten troon te verheffen, zoowel als het gebod aan d'Engelen om zich ten dienst der Menschheid te stellen—heel dramatisch—die onrust tot wrevel aansporen die evenwel in dit bedrijf nog onderdrukt blijft. Zie V.'s Dramatiek pag. 112.

[36] : van eeuwigheid, d.w.z. de menschverheffing is een raadsbesluit van d'Almacht, reeds lang geleden, van den aanvang af, genomen.

[37] : De orde der Genade, die Gods menschwording en dus 's menschen verheffing meebrengt, verduistert de orde der natuur, waarin wij, Engelen, grooter en schooner zijn.

[38] Dit vers is merkwaardig om de verwaarloozing der caesuur, de in alexendrijnen gebruikelijke rust na den derden voet of zesde lettergreep; de eerste syllabe van "onherroepelijk" wordt daardoor op bijzondere wijze beklemtoond.

[39] stemt: bestemt, bepaalt, vaststelt.

[40] passen, (evenals te voren): zorgen.

[41] In dit vers weer verwaarloozing der caesuur echter met minder effect dan in noot 38.

[42] Over die verdeeling der Engelen zie Voorwoord.

[43] moet duiken: moet buigen.

[44] De rol van Wachtengelen, beschermengelen van elk persoon in 't bizonder, is een Hebreeuwsch-Christelijke voorstelling.

[45] Gehoorzaamt Lucifer. Een heel gelukkige gedachte van Vondel om ons den straks afvallige hier door Gabriel te doen noemen als den eersten uitvoerder van Gods wil, door de anderen te gehoorzamen.

[46] Een ander draai gestarnte. Het was, ook volgens Dante, de taak der Engelen, de hemellichamen langs hun banen te geleiden (Zie Ploeg II, pag. 41).

[47] Onnoozelheid. Nog in de oorspronkelijke beteekenis van "onschuldig". Adam en Eva kenden nog geen kwaad en goed voor den zondeval.

[48] gezonden van een Groote: Zie tevoren, dat een Engel der laagste rij moet buigen voor de bevelen der middelrije, en zich laten gebruiken voor een aardsche zending.

[49] Rei van Engelen. Deze rei is blijkbaar tweeledig gedacht: de zang wordt aangeheven door de lagere rijen, de Tegenzang door die der hoogste. Immers de laatste wordt uitgenoodigd te beschrijven met een Serafijne veder. Maar zelfs de Serafijnen, hoewel gezeten in Gods Raad, aanschouwen Zijn aanzicht niet. Vandaar:

Dat zien is nog een hooger heil, Dan wij van uw genade ontleenen.

[50] noch ronden. De hemellichamen zijn gebonden aan de ronden, sferen; God niet.—Zonder tegenwicht bij zich bestaat: op zich zelf staat, steunloos; zie ook verder 't zelfde: Geen steun van buiten ontleent.

[51] Al wat draait en wordt gedreven om 't een en eenig middelpunt, is begrepen, besloten, in Zijn wezen. D.w.z.: God is het Al.

[52] Zoovele goeden: Wdboek: Zegeningen; volgens dr. Cramer: Al wat aan de schepping der Engelen (4den Scheppingsdag) voorafging, dus het licht, het uitspansel, zee en land, die er waren voor den Hemel de Hemelen. Heel duidelijk is dit dan echter nog niet, uit den mond der Engelen, voor wie immers deze Scheppingsdaden niet zoo waardevol zijn. Waarom niet als in Adam in Ballingschap vs. 465, "goede dingen"?

[53] bondig. Over dit woord is groot verschil van meening. 't Wdbk. meent: "verbindend"; Van Lennep geeft: "beknopt"; Cramer: "raadselachtig." M.i. beteekent het: "besloten, ondoordringbaar." D.w.z.: "al begrijpen we Gods geheimenis niet; men aanbidde toch zijn bevel." Dit is geheel in den geest van dezen slotzang die, tegenover het opdoemend verzet, de aanbiddende onderwerping ook aan 't onbegrepene uitdrukt.

* * * * *

HET TWEEDE BEDRIJF

LUCIFER, BELZEBUB

LUCIFER:

Gij snelle Geesten! houdt nu stand met onzen wagen[1]: Al hoog genoeg in top Gods Morgenstar gedragen, Al hoog genoeg gevoerd: 't Is tijd, dat Lucifer Nu duike, voor de komst van deze dubble star[2], Die van beneden rijst, en zoekt den weg naar boven, Om met een aardschen glans den Hemel te verdooven. Borduurt geen kronen meer in Lucifers gewaad, Verguldt zijn voorhoofd niet met eenen dageraad Van morgenstarre en straal, waarvoor d'Aartsenglen nijgen; Een andre klaarheid komt in 't licht der Godheid stijgen, En schijnt ons glansen dood; gelijk de zon, bij daag, De starren dooft, voor 't oog der schepselen omlaag. 't Is nacht met Engelen[3] en alle Hemelzonnen: De menschen hebben 't hart des Oppersten gewonnen, In 't nieuwe Paradijs; de mensch is 's Hemels vriend: Ons' slavernij gaat in. Gaat hene, viert en dient En eert dit nieuw geslacht, als onderdane knapen. De menschen zijn om God, en wij om hen geschapen. 't Is tijd, dat 's Engels nek hun voeten onderschraag', Dat ieder op hen passe, en op de handen draag', Of op de vleugels voere, op d'allerhoogste tronen[4]. Onze erfenis[5] komt hun als uitverkoren zonen. Onze eerstgeboorte leit nu achter, in dit Rijk. De zoon des zesden dags, den Vader zoo gelijk Geschapen, strijkt de kroon[6]. Met recht is hem gegeven De groote staf[7], waarvoor alle eerstgeboornen beven En sidderen. Hier geldt geen tegenspraak; gij hoort, Wat Gabriel bazuint voor 's Hemels gouden poort.

BELZEBUB:

O Stedehouder van Gods Opperheerschappijen, Wij hooren 't al te wel, en, midden in 't verblijen Der Reien, eenen klank, die 't eeuwig feest[8] bedroeft. De last van Gabriel leit klaar: dat woord behoeft Geen Cherubijnetong, om ons den zin t' ontvouwen. Men hoefde Apollion naar d'onderste landouwen Niet af te vaardigen, om nader ga te slaan, Wat Adam al bezit, zoo laag beneen de maan: Het blijkt hoe heerlijk hem de Godheid begenadigt, Ja door een lijfwacht van veel duizenden verdadigt, En handhaaft in zijn staat en aanzien, min noch meer Of hij gehuldigd waar tot aller Geesten Heer. De poort des Hemels staat voor Adams afkomst open. Een aardworm, uit een klomp van aarde en klei gekropen Braveert uw mogendheid. Gij zult het menschdom zien Zoo verre boven u, en, vallende op uw knien, Met nederslachtigheid[9] en neergeslagene oogen, Aanbidden zijne macht en hoogheid en vermogen. Het zal verheerelijkt van d'allerhoogste macht, Zich zetten aan de zij der Godheid, in zijn kracht, En heerschen, langer en nog wijder dan de ronden[10] Der endlooze eeuwigheid, aan tijd noch plaats gebonden, Om God, haar middelpunt en omloop te gelijk, Zich draaien, zonder rust. Wat hoeft men klaarder blijk, Dat God de menschen wil verheffen, ons verneeren? Wij zijn ter dienstbaarheid, de menschen tot regeeren Geboren. Leg voortaan den schepter uit der hand: Een lager is er, die de kroon daar boven spant, Of spannen zal eerlang. Leg af uw morgenstralen En hulsel voor deez' zon, of pas haar in te halen Met zangen, en triomf, en Goddelijk sieraad. Wij zien den Hemel haast veranderen van staat. De starren zien vast uit, en wijken met verlangen, Om vol eerbiedigheid dit nieuwe licht t' ontvangen.

LUCIFER:

Dat zal ik keeren, is het anders[11] in mijn macht.

BELZEBUB:

Daar hoor ik Lucifer, en zie hem, die den nacht Van 's Hemels aangezicht verdrijven kan en jagen. Waar hij verschijnt, begint het heerlijk op te dagen. Zijn wassend licht, het eerste en allernaaste aan God, Vermindert nimmermeer. Zijn woord is 't hoog gebod; Zijn wil en wenk een wet, van niemand t' overtreden. De Godheid wordt in hem gediend en aangebeden, Bewierookt en gevierd; en zou een lager stem Nu dondren uit Gods troon? gebieden boven hem? Zou God een jonger zoon, geteeld uit Adams lenden, Verheffen boven hem? Dat waar het erfrecht schenden Van 't alleroudste kind, en zijn stadhouderij Ontluisteren. Naast God is niemand groot als gij. De Godheid zette u eens in glorie aan haar voeten: Geen mensch verstoute zich onze orden om te wroeten. En dit bezworen recht t' ontwijden, zonder reen; Of al de Hemel raakt in 't harnas tegens een.

LUCIFER:

Gij vat het recht: het past rechtschapen Heerschappijen Geenszins, hun wettigheid zoo los te laten glijen; Want d'oppermacht is d'eerste aan hare wet verplicht; Verandren voegt haar minst. Ben ik een zoon van 't licht, Een heerscher over 't licht, ik zal mijn recht bewaren: Ik zwicht voor geen geweld noch aartsgeweldenaren. Laat zwichten al wat wil: ik wijk niet eenen voet. Hier is mijn Vaderland. Noch ramp, noch tegenspoed, Noch vloeken zullen ons vervaren, noch betoomen: Wij zullen sneven, of dien hoek te boven komen[12]. Is 't noodlot dat ik vall', van eere en staat beroofd, Laat vallen, als ik vall', met deze krone op 't hoofd, Dien schepter in de vuist, dien eersleep van vertrouwden En zooveel duizenden als onze zijde houden. Dat vallen strekt tot eer en onverwelkbren lof; En liever d'eerste Vorst in eenig lager hof, Dan in 't gezaligd licht de tweede, of nog een minder; Zoo troost ik mij de kans, en vrees nu leed noch hinder. Maar hier komt 's Hemels tolk en wakkere Heraut, Met Gods geheimnisboek, zijn zorge toebetrouwd. Het waar' niet ongeraan hem nader t' ondervragen. Ik wil hem tegentreen, en aftreen van den wagen.

GABRIEL. LUCIFER.

GABRIEL:

Heer Stedehouder! hoe? waarhene leidt de reis?

LUCIFER:

Naar u, Heraut en tolk van 't hemelsche paleis!

GABRIEL:

Mij dunkt, ik zoude uw wit aan 't voorhoofd kunnen gissen.

LUCIFER:

Gij, die den duistren grond van Gods geheimenissen, Door 't licht van uw vernuft ontdekt en openbaart, Verlicht me met uw komst.

GABRIEL:

Wat is 't, dat u bezwaart?

LUCIFER:

Het raadslot en besluit der Godheid, die de waarde Des hemels lager schat dan 't element der aarde, den hemel onderdrukt; het aardrijk uit een poel Door alle starren voert; het menschdom op den stoel Der englen zet; berooft hun 't recht der eerste gaven; Gebiedt ze, om 's menschen nut, te zweeten en te slaven. Het Geestendom, gewijd tot ambtenaars van 't hof Des Hemels, zal voortaan een aardworm, uit het stof Gekropen en gegroeid, ten dienst staan, op hem passen, En, in getal en staat, ons over 't hoofd zien wassen? Waartoe vernedert ons d'oneindige Gena Zoo vroeg? wat Engel paste op zijnen dienst te spa? En hoe waar' 't mooglijk, dat de Godheid zich zou mengelen Met menschen? de natuur der uitgekorene Engelen Voorbij slaan, en zijn aard en wezen storten in Een lichaam? d'eeuwigheid verknoopen aan 't begin? Het hoogste aan 't allerlaagst? den Schepper aan 't geschapen?— Wie kan uit dit besluit den zin te zamen rapen? Zal 't eeuwigschijnend licht nu schuilgaan in den nacht Der wereld? Zullen wij, Stadhouders van Gods macht, Voor dit geleend gezag, een wulpsch[13] vermogen, knielen? Ontelbre lichaamlooze en godgelijke zielen Zien buigen voor een grof en zakkende element[14], Daar God zijn majesteit en wezen inneprent? Wij Geesten zijn te grof om dit geheim te vatten. Gij, die het slot bewaart van Gods geheimnisschatten, Ontvouw ons, mag het zijn, dit donkere geschil Uit uw gezegeld boek; ontvouw ons 's Hemels wil.

GABRIEL:

Zooveel 't geoorloofd zij te melden uit Gods bladen. Veel weten kan altijd niet vordren, somtijds schaden. De Hoogste ontdekt ons slechts wat hij geraden vindt. Het al te sterke licht schijnt Serafijnen blind. De zuivre Wijsheid wou ten deel' haar wil bezegelen[15], Ten deele ontsluiten. Zich te schikken en te regelen Naar heur gestelde wet, dat voegt den onderzaat, Die aan zijn meesters last en wil gebonden staat. De reden en het wit, waarom wij namaals wachten, Na 't overleven van een tafel erfgeslachten[16], Den Heer, die, God en mensch geworden in der tijd, Den schepter voeren zal, en breed en overwijd De starren, aarde, en zee, en al wat leeft regeeren, Verbergt de Hemel u; de tijd wil d' oorzaak leeren. Gehoorzaamt Gods bazuin; gij hebt zijn wil gehoord.

LUCIFER:

Zoo zal een vreemdeling, een worm, het hoogste woord Hier boven voeren, en een ingeboren zwichten[17] Voor vreemde heerschappij? de mensch een zetel stichten Zoo verre boven God?

GABRIEL:

Genoeg u met uw lot En staat en waardigheid, u toegeleid van God. Hij hief u in den top van alle Hierarchijen: Doch niet om iemands glans en opgang te benijen. De wederspannigheid verplet haar hoofd en kroon, Indien ze wederstreef des Oppersten geboon. Uw aanzien schept zijn licht alleen uit Gods vermogen.

LUCIFER:

Ik heb tot nog mijn kroon voor God alleen gebogen.

GABRIEL:

Zoo buig ze ook voor 't besluit der Godheid, die het al Wat wezen heeft uit niet, of namaals wezen zal, Bestiert tot zeker eind, hoewel wij 't niet beseffen.

LUCIFER:

Den mensch in 't heilig licht der Godheid te verheffen, Den mensch, zoo hoog met God vergodlijkt in zijn troon Te zien het wierookvat toezwaaien, op den toon Van duizend duizenden eenstemmige koralen, Verdooft de majesteit en diamanten stralen Van onze morgenstar, die straalt nu langer niet; En 's Hemels blijschap slaat aan 't kwijnen van verdriet.

GABRIEL:

De zaligheid bestaat in een gerust genoegen, In 't stemmen met Gods wil, en zich naar Hem te voegen.

LUCIFER:

De majesteit van God en Godheid wordt verkleend, Indien ze haar natuur met 's menschen bloed vereent, Vereenigt[18], en verbindt. Wij Geesten grenzen nader Aan God en Zijn natuur, als zoons van eenen Vader Geteeld, en Hem gelijk. Indien 't geoorloofd is Te stellen tegens een deze ongelijkenis Van een oneindigheid en 't eindig', de bepaalde Bij d' onbepaalde macht. Indien de zon verdwaalde Uit hare streke, en zich bekleedde met een smook[19], Om al den aardkloot toe te lichten, uit een rook En zwarten damp, hoe zou de vreugd der wereld sterven! Wat zou het aardsch geslacht al glans en leven derven! De zon al majesteits ontberen, in haar loop! Ik zaag den hemel blind, de starren overhoop, Wanorden orden en geschiktheid overrompelen[20], Indien de bron van 't licht haar klaarheid kwam te dompelen In 't graf van een moeras. Verschoon me, o Gabriel! Indien ik uw bazuin, de wet van 't hoog bevel, Een luttel wederstreve, of schijn te wederstreven. Wij ijvren voor Gods eere: om God Zijn Recht te geven, Verstout ik mij, en dwaal dus verre buiten 't spoor Van mijn gehoorzaamheid.

GABRIEL:

Gij ijvert krachtig voor De glorie van Gods naam, doch zonder t' overwegen Dat God het punt, waarin Zijn hoogheid is gelegen, Veel beter kent dan wij; dies staak uw onderzoek. De menschgeworden God zal dit geheimnisboek, Met zeven zegelen gesloten, zelf ontsluiten. Nu smaakt ge niet het pit, maar ziet de schors van buiten Dan zal men d' oorzaak zien, de reden, den waarom Van zijn verholendheen, en diep in 't Heiligdom Der Heiligdommen gaan. Nu voegt het ons te duiken, En dezen dageraad t' aanbidden, te gebruiken Met dankbaarheid, totdat de kennis in haar kracht De twijfeling verdrijv', gelijk de zon den nacht. Nu leeren wij allengs Gods wijsheid tegenstappen[21]. Eerbiedig en beschroomd. Zij openbaart bij trappen Het licht der wetenschappe en kennisse, en begeert, Dat ieder, op zijn wacht, zich onder haar verneert. Heer Stedehouder! rust, en handhaaf d' eerste ons wetten. Ik ga, daar God mij zendt.

LUCIFER:

Men zal er scherp op letten.

BELZEBUB. LUCIFER.

BELZEBUB:

De stedehouder hoort, waar dit plakkaat[22] op draait, Dat Gabriels bazuin zoo trotsch heeft uitgekraaid. Hij gaf Gods oogmerk u, ook scherp genoeg, te ruiken: Men zal uw mogendheid aldus de vleugels fnuiken[23].

LUCIFER:

Zoo licht niet; neen, gewis, men kan er in voorzien. Geen minder droome hier zijn meerder te gebien.

BELZEBUB:

Hij dreigt weerspannigheid haar hoofd en kroon te pletten.

LUCIFER:

Nu zweer ik bij mijn kroon, het al op een te zetten[24], Te heffen mijnen stoel in aller Heemlen trans, Door alle kreitsen hene en starrelichten glans. Der Heemlen Hemel zal mij een paleis verstrekken[25], De regenboog een troon; 't gestarrente bedekken Mijn zalen; d' aardkloot blijft mijn steun en voetschabel. Ik wil op een karros van wolken, hoog en snel Gevoerd door lucht en licht, met bliksemstraal en donder Verbrijzelen tot stof, wat boven of van onder Zich tegens ons verzet, al waar' 't de Veldheer zelf; Ja, eer we zwichten, zal dit hemelsblauw gewelf, Zoo trotsch, zoo vast gebouwd, met zijn doorluchte bogen[26] Te bersten springen, en verstuiven voor onze oogen; 't Gerabraakt aardrijk zien, als een wanschapen romp Dit wonderlijk Heelal in zijnen mengelklomp[27], En wilde woestheid, weer verwarren en verkeeren. Laat zien, wie Lucifer durf trotsen en braveeren. Men dage Apollion.

BELZEBUB:

Hier treedt hij voor den dag.

APOLLION. LUCIFER. BELZEBUB.

APOLLION:

O, Stedehouder van Gods onbepaald gezag, Orakel, in den Raad der onderdane Goden, Ik offer u mijn dienst en wacht op uw geboden. Wat eischt de majesteit van haren onderdaan?

LUCIFER:

Het lust ons, uwen zin en inzien te verstaan, Op een gewichtig stuk, dat zal me niet mislukken. Het wit is[28] Michael de slagveer uit te rukken, Opdat ons' toeleg niet op zijn vermogen stuit'. Hij voert met zijnen arm zoovele Orakels uit, Als ooit de Godheid heeft met hare hand gedreven In eeuwig diamant; daar wordt de mensch geheven In top der Hemelen, door alle kreitsen heen, En ziet het Engelsdom, zoo diep, zoo laag beneen Zijn voettapijt, in stof vast grimmelen, als wormen. Het lust me met geweld dien zetel te bestormen, En op te zetten bij dat opzet, in een slag, Al teffens wat mijn staat, en star, en kroon vermag.

APOLLION:

Een loffelijk bestaan: dat uwe kroon vermeere En aanwasse op dien voet! Ik reken mij tot eere Te raden, onder u, tot zulk een brave daad. Hetzij die recht en wel of averechts beslaat[29], De wil is prijselijk, al wou het niet gedijen. Maar om niet reukeloos noch radeloos te strijen, Hoe treedt men allerbest tot zulk een stout bestaan? Hoe veiligst tegens 't punt van 't raadslot aangegaan?

LUCIFER:

Men kante hier met list onze eigen raadslot tegen.

APOLLION:

Dat zeggen heeft wat in: geleende macht[30] te wegen In eene zelve schaal met d'Almacht;—haar gewicht Weegt over[31]. Wacht uw kroon: wij vallen veel te licht.

BELZEBUB:

Zoo licht niet, of de kans zal eerst in twijfel hangen.

APOLLION:

Van wien, of hoe, of waar dien aanslag aangevangen? Het overpeinzen kwetst alree Gods majesteit.

LUCIFER:

Men hou haar ongekwetst, en stappe met beleid Die steile steilten op, en nooit gebaande rotsen. Beleid en moed verwint en durf gevaren trotsen.

APOLLION:

Geene Almacht, noch haar kroon: men koom' ze niet te na, Tenzij men leeren wil met naberouw te spa. De minder moet gedwee voor zijnen meerder wijken.

LUCIFER:

Laat d'Almacht rusten[32]; zet gelijkheid en gelijken Te zamen. Laat eens zien, wiens wapen zwaarder weeg'. Ik zie ons' vijanden gevlucht, den Hemel leeg Met eenen slingerslag; ons heiren overladen Van heerelijken roof: dan wijder zich beraden.

APOLLION:

Gij weet wat Michael, Gods Veldheer, al vermag: Gods regimenten staan verplicht aan zijn gezag. Hij draagt den sleutel van het wapenhuis[33], hier boven. De wacht is hem betrouwd. Hij houdt op alle Hoven[34] Getrouw een wakende oog, zoodat er niet een star Van al het hemelsch heir, in 't minst, zich reppen dar[35], Noch op dien hemeltocht uit zijn gelid verroeren. Men vangt haast aan[36], maar zulk een oorlog uit te voeren, Dat draaft ons macht voorbij, en sleipt een langen staart Van zwarigheden na. Wat tuig, wat stormgevaart' Kan tegens hem bestaan, en d'opperbenden sloopen? Al zette 's Hemels slot zijn diamantpoort open, Het vreesde list, noch laag, noch overrompeling.

BELZEBUB:

Indien men ons besluit bekrachtig' met de kling, Ik zie de morgenstar op onzen hoogen standerd Braveeren[37]; 's Hemels staat en heerschappij veranderd.

APOLLION:

De Veldheer Michael voert, ruim zoo trotsch en fier, Gods wonderlijken Naam[38] in 't veld van zijn banier, De zon in top.

LUCIFER:

Wat baat een naam met licht geschreven? Een heldenstuk als dit wordt geenszins doorgedreven Met tittelen[39] en pracht, maar dapperheid en moed En treken[40], van vernuft en loosheid uitgebroed. Gij zijt een meester, tuk om Geesten in te luien[41], Te rijgen aan uw snoer, te leiden, op te ruien. Gij kunt bederven zelfs de vroomsten van de wacht; En leeren weifelen wat nooit op weiflen dacht. Begin, wij zien Gods heir gereten aan twee deelen; De hoofden en de leen aan 't woeden en krakeelen; De meeste macht alree geblinddoekt en verdoofd, En oversten en elk vast roepen om een hoofd. Indien ge een vierde deel op onze zij kunt troonen[42], Men zal uw kloek beleid met eere en ambten kronen Ga hene, en overleg dit stuk met Belial: Het moet er duister zijn, daar hij verdolen zal. Zijn tronie, glad vernist van veinzen en bedriegen, In 't mommen niemand kent, die haar voorbij kan vliegen[43], Ik stijg te wagen: leg het over[44] met u twee. De Hofraad is vergaard en wacht ons' komst alree. Men zal, zoodra gij komt, u beiden binnen roepen. Heer Overste, bewaak de hofpoort met uw troepen.

BELIAL. APOLLION.

BELIAL:

Gods Stedehouder dient zich van ons beide omhoog.

APOLLION:

Wij vliegen te gelijk, als pijlen van zijn boog.

BELIAL:

En doelen op een wit, doch hachelijk te raken.

APOLLION:

Sta vast, de Hemel wil van dezen aanslag kraken.

BELIAL:

Laat kraken al wat wil; het moet er nu op staan.

APOLLION:

Hoe grijpen wij dit stuk[45] met kans en voordeel aan?

BELIAL:

De wapens dienen ons; men moet van 't heir beginnen.

APOLLION:

De hoofden eerst, meteen de stoutsten zien te winnen.

BELIAL:

Door ietwat glimpelijks[46], en met een schijn verbloemd.

APOLLION:

Zoo geef het dan een naam; laat hooren, hoe gij 't noemt.

BELIAL:

Men handhaaf' 't Engelsdom, zijn handvest, eer, en staten, En kieze een hoofd, waarop zich ieder mag verlaten.

APOLLION:

Dat heb ge recht gevat; ik wensch geen schooner stof, Noch zaad tot muiterij, om burgerij en hof Te schennen tegens een[47], en scharen tegens scharen; Want ieder is gezind zijn staat en eer te waren[48], En wettigheid, waartoe d'Almogendheid hem riep, Eer zij de menschen vormde, en zooveel spader schiep. Het Hemelsche paleis is ons tot erf gegeven. Den Geesten, die dus hoog op hunne vleugels zweven, En, vrij van lichamen, niet zakken naar omlaag, Past beter dit gewest dan 't aardsch geslacht, te traag Om tegens zijn natuur te kiezen deze bogen. Hier valt de dag te sterk, te krachtig, en hun oogen Verdragen geenszins 't licht, ons vroeger aangewend. De mensch beware[49] dan zijn eigen element, Als andre dieren; hij genoeg' zich met de palen[50] Van zijnen rijken hof. Het rijzen en het dalen Van zon en maan verdeel' de maanden en het jaar. Hij neem' den ronden loop der heldre starren waar. Hij nuttige zijn ooft, en al den geur der kruiden, En keer' zich Oost en West, ten Noorden en ten Zuiden[51]. Dat zij zijn tijdverdrijf, en wat behoeft hij meer? Wij kennen nimmer hier een aardschen opperheer. Zoo sluit ik. Kunt ge, help dien zin beknopter uiten.

BELIAL:

Den mensch in eeuwigheid ten Hemel uit te sluiten[52].

APOLLION:

Dat klinkt alle Engelen te wonder wel in 't oor. Dat vliegt, gelijk een vier, van 't een in 't ander koor, Door negen Ordens hene, en alle Hierarchijen.

BELIAL:

Zoo zal men allerbest versufte traagheid mijen. Ons heil en uitkomst hangt aan snelheid en aan spoed.

APOLLION:

Niet min aan kloek beleid, en dapperheid, en moed.

BELIAL:

Die zal, door toeval van ontelbre vanen[53], groeien.

APOLLION:

Zij morren vast; men moet hier heimlijk onder roeien, Zich mengen in dien hoop, en voeden hun beklag.

BELIAL:

Dan diende Belzebub, een Vorst van groot gezag, Zijn wapen aan hun klacht en wettigheid te hangen[54].

APOLLION:

Niet plotsling, maar allengs, en als door zijdegangen.

BELIAL:

De Stedehouder met zijn tegenwoordigheid, Bie zelf de sterke hand aan zulk een trotsch beleid[55].

APOLLION:

Wij zullen in den Raad zijn zin en voorstel hooren: Hij veinze voor een poos, en geve in 't end de sporen Aan 't opgeruide heir, verlegen om een hoofd.

BELIAL:

Aan 't hoofd hangt al de zaak. Hoe veel gij hun belooft, Zij zullen zonder hoofd dien optocht niet beginnen.

APOLLION:

Wat ree gewonnen is, behoeft men niet te winnen. Wie meest gekwetst wordt in zijn heerlijkheid en staat, Dien geldt het eerst; die stapp' vooraan, en sla de maat In zooveel duizenden!

BELIAL:

De billijkheid en reden Vereeren hem dees' kroon; doch eer we dieper treden, Zoo laat ons al 't gevaar eerst wegen, niets bestaan, Of al de Hofraad steek' hier zelf zijn zegel aan.

REI VAN ENGELEN:

ZANG.

Hoe zien de hoffelijke gevels[56] Zoo rood? hoe straalt het heilig licht Zoo rood op ons gezicht, Door wolken en bedroefde nevels? Wat damp, wat mist betrekt Dat zuiver, nooit bevlekt, En loutere saffier? Die vlam, dien glans, dat vier Van 't heldere Alvermogen? Hoe schijnt ons nu de diepe gloed Der Godheid toe, zoo zwart als bloed? Die flus zoo klaar alle oogen Verheugde? Wie begrijpt, wie kent Deze oorzaak, onder d' Engelsdommen, Die, boven Adams element, Nog flus op galm van kelen zwommen; Op lucht van Geesten, in den glans, Die galerij, en tin, en trans, Gewelf van koor en hof verguldde, En met een ziel van vreugd vervulde Al wat hier boven leeft, en zweeft? Wie is er, die ons reden geeft?

TEGENZANG.

Toen wij, op Gabriels bazuinen, Ontvonkten, en een nieuwe wijs Aanhieven, God ten prijs; De rozengaarden, en de tuinen Van 't Hemelsch Paradijs, Door zulk een dauw en spijs Van lof en zang verblijd, Ontloken;—scheen de Nijd[57] Van onder in te sluipen. Een groot getal der Geesten, stom En bleek en doodsch, ging, drom bij drom Misnoegend henendruipen. De winkbrauw hing verslenst op 't oog. Het gladde voorhoofd zette een rimpel. De Hemelduiven, hier omhoog, Onnoozel[58] eerst, oprecht, en simpel, Aan 't zuchten sloegen, zoo het scheen; Alsof de Hemel viel te kleen Voor haar, toen Adam wierd verkoren, En zulk een kroon den mensch beschoren, Dees' smet ontstelt het oog van 't Licht. Z' ontsteekt die vlam[59] in Gods gezicht.

Wij willen ons uit liefde in 't midden van hun mengen, En deze oploopendheid weer tot bedaren brengen.

Noten:

[1] Gij snelle geesten—trek onzen wagen: Lucifer is de eenige engel, van wien we hooren dat hij in een wagen gevoerd wordt; als de geest van het Licht, (denk aan den "Zonnewagen"!) en hoogste der Engelenscharen?

[2] deze dubbele star: Adam en Eva.

[3] 't Is nacht met Engelen: 't Wordt duister voor d'Engelen.

[4] op d'allerhoogste tronen: tot d'allerhoogste tronen; immers naast God.

[5] onze erfenis: ons erfdeel.

[6] strijkt de kroon: gaat met de kroon strijken.

[7] de groote staf waarvoor alle eerstgeboornen beven: de staf Gods zelf: de Engelen zijn voor den mensch geschapen.

[8] die 't eeuwig feest: de blijschap eeuwigdurendlijk.

[9] met nederslachtigheid: ootmoedig.

[10] vlgg De ronden der eindelooze eeuwigheid, die in God hun middelpunt hebben en om wien zij rusteloos draaien, zullen in hun duur en ruimtegrenzen nog overtroffen worden door den naast God gezeten mensch.

[11] anders: althans (Wdbk).

[12] dien hoek te boven komen: bij Vondel geliefkoosde zeemansterm; ook in Adam in Ballingschap aan te treffen.

[13] een wulpsch vermogen. Een wulp is een jong dier, in het algemeen, en V. gebruikt het woord "wulpsch" voor: jong, dartel, ongestadig.

[14] zakkende element. Zie vs. 690: "de Engelen" zakken niet; zij zweven, in tegenstelling tot den mensch.

[15] Wou haar wil bezegelen: met zegelen sluiten, bedekt houden. Zie hiervoor, op bondig.

[16] een tafel erfgeslachten: een ganschen stamboom.

[17] Een ingeboren zwichten. Hier kan V. gedacht hebben aan de oude grief der Nederlanders tegen de ingevoerde Spaansche ambtenaren. Maar is het niet trouwens nog een algemeen gevoeld nationalisme dat de ingeborene boven den vreemdeling gaat?

[18] vereent, vereeniqt: een maakt en innig een doet worden.

[19] God: de zon; de smook: de menschheid.

[20] Wanorden orden en geschiktheid overrompelen. "Geschiktheid" staat hier voor: "'t geen wel geschikt is," dus in denzelfden zin als orde.

[21] tegenstappen: tegemoetgaan, bejegenen.

[22] plakkaat: ordonnantie; voorschrift.

[23] Belzebub spoort Lucifer's verzet aan door hem voor te leggen hoe de menschverheffing geen ander doel heeft dan zijn achteruitzetting.

[24] vlgg. Hier openbaart Lucifer dus feitelijk een bedoeling om zich zelf naast, indien al niet boven, God te stellen. Zie ook V.'s Berecht.

[25] verstrekken: zijn tot.

[26] bogen, ronden; kreitsen. Zie Voorwoord.

[27] Zal het geschonden Aardrijk hier dit heelal zien terugvallen tot den ouden staat van woestheid. Mengelklomp is Chaos.

[28] Het wit is: het doel is.

[29] bestaan: uitkomen. Vgl: "zijn beslag krijgen".

[30] geleende macht: als van een leenman, die zijn macht ontleent aan den Leenheer, God.

[31] haar gewicht weegt over: voor "overweegt" "is zwaarder".

[32] d.w.z.: Wij strijden tegen Michael, niet tegen God.

[33] den sleutel van het Wapenhuis: een wat te nuchter-realistisch trekje, in deze hemelsfeer.

[34] Hij houdt op alle Hoven: Hof werd in de 16e en 17e E. gebruikt voor Paradijs (immers de opperste tuin!) en Hemel. Hier dus blijkbaar: de verschillende Hemelen, de Hemelkringen (Zie Wdbk).

[35] dar: durft. Zie in het Voorwoord: de Engelen geleiden de Hemellichamen op hun baan. Zie ook: een ander draaigestarnte.

[36] Men vangt haast aan: het aanvangen gaat vlug genoeg.

[37] braveeren: als bravade: pronken, uittartend glansen, als teeken van overwinning.

[38] Gods wonderlijken naam: Wonderbaarlijken.

[39] tittelen: titels, gezag, vertoon.

[40] treken: listen.

[41] in te luien: in slaap te wiegen.

[42] troonen: meetronen.

[43] Hier heeft de figuurlijke beteekenis van voorbij vliegen: overtreffen, wel geheel de letterlijke verduisterd. Aan "voorbijvliegende tronies" heeft V. natuurlijk niet gedacht.

[44] leg het over: overleg.

[45] dit stuk: aanslag.

[46] ietwat glimpelijks: iets dat er een goeden glimp aan geeft.

[47] te schennen tegens een: tegen elkaar op te zetten.

[48] waren: verdedigen. Verweren. Zie Gysbrecht: "ik kom dit slot bewaren."

[49] beware: blijve dan in.

[50] palen: grenzen.

[51] De mensch wende zich naar de vier windstreken; doch ga niet van de aarde.

[52] "De leus zij: de Hemel voor de Engelen." 't Hyper-nationalisme.

[53] door toeval van ontelbre vanen: ontelbre regimenten (vanen) zullen ons toevallen; zich bij ons aansluiten.

[54] Zijn wapen hangen. Het kenteeken van den Edelman was geborduurd op zijn wapenrok (d.i. de rok die over zijn harnas hing). Vandaar dat wapen de dubbele beteekenis kreeg van verdedigingswerktuig en adellijk insigne, dat ook in het zegel was afgedrukt (Vgl. ook Engelsen: arms). Zijn wapen hangen = zijn zegel hechten.

[55] trotsch beleid: trotseerend beleid.

[56] Hoffelijke gevels: hemelsche. Fraaie uitbeelding van een bloedrooden zonsondergang, die als een teeken van naderenden jammer gold.

[57] De Nijd treedt later nogeens zinnebeeldig op, in den Draak, die Lucifers wagen trekt; met den Leeuw, de Hovaardigheid.

[58] Onnoozel: van kwaad onbewust.

[59] die vlam (van toorn) waardoor "de hoffelijke gevels zoo rood zien".

* * * * *

HET DERDE BEDRIJF

LUCIFERISTEN. REI.

LUCIFERISTEN[1].

Hoe kan men in zijn waan zoo vroeg bedrogen worden! Hoe is 't alree verkeerd! wij schatten niemands Orden Gelukkiger dan d'onze, in dit opgaande Rijk, Ja, achtten onzen Staat den Oppersten gelijk, En onveranderlijk, en boven 't aardsch gezegend; Wanneer[2] ons Gabriel met Gods bazuin bejegent, En uit de gouden poort verbaast[3] met dit gebod, Hetwelk al 't Engelsdom versteekt van 't hoogste lot, Hem uit den vollen schoot der Godheid eerst geschonken. Daar leggen wij te laag, en zien de schoone vonken En stralen van onze eere en heerlijkheid gebluscht, De gansche Hierarchy des hemels ongerust, Den mensch, in top van staat en macht, zoo trots verheven, Dat wij, als slaven, voor zijn heerschappije beven. O onverwachte slag en staatverwisseling! Och! treurgenooten, zet u hier in eenen ring In 't ronde! zet u hier te zamen; helpt ons treuren En zuchten: het is tijd ons feestgewaad te scheuren, Te klagen; niemand kan ten minste ons dit verbien. De blijschap smilt, en zal nu d'eerste droefheid zien. Helaas, helaas, helaas! gebroeders, hemelreien, Legt af uw hoofdsieraad; verandert uw livreien[4], En vroolijkheid in rouw; slaat neer uw aangezicht, Zoekt schaduwen als wij. De droefheid schuwt het licht. Een ieder volge ons' stem en bange jammerklachten. Verdrinkt in jammer: zinkt in droevige gedachten! Het klagen helpt, en zet de droefheid ook van 't hart. Nu schept in kermen lust: het kermen heelt de smart. Nu roept uit eenen mond, en vollegt ons misbaren: Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!

REI[5].

Wat weeklacht hoort men hier? onaangename toon! De hemel ijst hier af. Dees' lucht is niet gewoon Te hooren een muziek van druk[6] op noten galmen Door 't juichende gewelf. Triomfen, kransen, palmen, En harpen passen ons en snaren. Wat wil dit? Wie of hier hangends hoofds ineengekrompen zit, Verlaten en bedrukt, en zonder nood beladen? Wie geeft hun treurens stof? wie kan dees' oorzaak raden? Mijn Reigenooten, volgt: 't is noodig dat men vraag' Naar d'oorzaak van hun leed en deze donkre vlaag Van droefheid, die den glans van onze pracht ontluistert, Het licht van 't eeuwig feest benevelt en verduistert. De Hemel is een hof van weelde en vreugd en vree. Hier nestelt aan dit dak noch rouw, noch hartewee. Mijn Reigenooten, volgt, en troost ze in hun bezwaren!

LUCIFERISTEN (koor):

Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!

REI:

Genooten van ons heil en blijschap, broeders, hoe? O zoons van 't vroolijk licht! hoe dus bedroefd te moe? Wie geeft u stof aldus te jammeren, te treuren? Gij hadt begonnen 't hoofd ten hemel op te beuren, Te bloeien in den dag, die neerstraalt van Gods glans. De Hemel brocht u voort, om vlug, van trans in trans, Van 't een in 't ander hof, te steigeren, te zweven, In 't onbeschaduwd licht, vernoegd, verzaad te leven, Op een gedurig feest, te smaken 't hemelsch mann' Van Gods onsterflijkheid, in een gerust gespan Van feestgenooten. Hoe? dit voegt geen burgerijen Van Englestad, o neen; dit voegt geen Heerschappijen[7], Geen Machten, Tronen, nog geen heerschend Hemelsdom. Gij kropt uw droefheid in, en zit versuft en stom. Laat hooren wat u deert; ontdekt het uw gespelen. Ontdekt uw hartkwetsuur, dat wij die mogen heelen.

LUCIFERISTEN:

Och, broeders, vraagt ge nog met errenst wat ons let? Gij hoort, zoowel al wij, wat Gabriel trompet: Hoe wij, door 't nieuw bevel, van onzen staat vervielen In eene slavernij der aarde, en zooveel zielen, Als uit een luttel bloeds en zaads te spruiten staan. Wat is bij ons[8] alree mishandeld of misdaan, Dat God een waterbel, vol wind en lucht geblazen, Verheft om d'Engelen, zijn zonen, te verbazen? Een basterdij verheft, gevormd uit klei en stof? Wij waren pas gewijd tot pijlers van zijn hof, Bekleedden onzen plicht[9] als trouwe rijksgenooten, En worden op een sprong gebannen, en gestooten Uit deze waardigheid, verdrukt te streng en straf; De handvest en het Recht, dat ons de Godheid gaf, Wordt ingetrokken, en, in stede van regeeren Met God en onder God, zal Adam triomfeeren[10], En heerschen, in zijn bloed en afkomst, onbepaald. De zon der Geesten is te plotseling gedaald. Och, lotgenooten, volgt ons' droefheid en misbaren. Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!

REI:

Ontstelt ge u om den last van God en Gabriel? Dit schijnt een razernij. Wie durf het hoog bevel Berispen? Wie verwaand de Godheid wederstreven? Wij zijn gehouden, God zijn Recht en eer te geven, Te rusten[11] in zijn wet. Wie treedt hier in geschil Met Gods Almogendheid? Zijn wenk en woord en wil Verstrekke ons eene wet en maat en vaste regel. Wie tegenspreekt, die breekt des Allerhoogsten zegel. Gehoorzaamheid behaagt den Heerscher in dit Rijk Veel meer dan wierookgeur en goddelijk muzijk. Gij zijt (och, weest zoo trotsch en hoog niet in uw wapen!) Tot onderdanigheid, tot heerschen min[12], geschapen. Och, medebroeders, staakt dit kermen en geklag, En buigt u onder 't juk van 't eenig hoofdgezag.

LUCIFERISTEN:

Zegt liever: onder 't juk van grimmelende mieren.

REI:

Wanneer het Hem behaag', moet gij u laten stieren.

LUCIFERISTEN:

Wat hebben wij verbeurd? Geeft reden en bescheid.

REI:

Verbeurd? Gij kwetst Gods kroon door ongeduldigheid.

LUCIFERISTEN:

Wij klagen van verdriet en enkel ongenoegen.

REI:

In stee van uwen wil gerust naar God te voegen.

LUCIFERISTEN:

Wij steunen op het recht, ons wettig toegestaan.

REI:

Uw recht en handvest blijv' de Godheid onderdaan.

LUCIFERISTEN:

Hoe kan de meerder voor een minder zich verneeren?

REI:

Die zich gelaten stelt[13]. God dienen is regeeren.

LUCIFERISTEN:

Gewillig, zoo de mensch regeere daar beneen.

REI:

De mensch leeft met zijn lot vernoegd, al is het kleen.

LUCIFERISTEN:

Den mensch is boven dat een hooger lot beschoren.

REI:

Na menige eeuwen wordt zijn opgang eerst geboren.

LUCIFERISTEN:

Een eeuw beneden is omhoog een oogenblik.

REI:

Het ga, zoo 't wil, zoo 't moet, zoo d'Oppermacht dit schikk'.

LUCIFERISTEN:

Men had ons nutter dees' geheimenis gezwegen.

REI:

De Godheid openbaart haar hart, tot u genegen.

LUCIFERISTEN:

Nog milder tot den mensch: Zij zet hem boven aan.

REI:

Verknocht met Gods natuur; een wonderlijk bestaan!

LUCIFERISTEN:

Och, Engelsdom! wou God zich paren met uw wezen!

REI:

Wat God behaagt en schikt, dat wordt met recht geprezen.

LUCIFERISTEN:

Hoe heeft Hij 's menschen peil alree zoo hoog gemerkt!

REI:

Het is al wel, al goed, wat God bepaalt en werkt.

LUCIFERISTEN:

Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven[14]!

REI:

Alle Englen zullen God in 't lichaam zien en loven.

LUCIFERISTEN:

Zij zullen slijk en stof aanbidden in het stof?

REI:

Bewierooken Gods naam, met geur, en prijs, en lof.

LUCIFERISTEN:

Den mensch bewierooken, van hooger hand gedwongen?

APOLLION. BELIAL. REI.

APOLLION:

Zij mompelen alree; gij hoort een strijd van tongen[15].

BELIAL:

Wat scharen treuren hier, gedompeld in den rouw, De sluiers om de borst en lenden; niemand zou Begrijpen, dat men dus, in 't midden van de Geesten, Op 't eeuwige banket en d'endelooze feesten, Kon treuren, zaag' men niet dit jammerlijk getal Verslensen van verdriet. Wat ramp, wat ongeval Ontstelt ze? Broeders, hoe? wat 's d'oorzaak van dit kermen? Beleedigt iemand u? men zal uw Recht beschermen. Wat deert de Broeders? spreekt: laat hooren, wat u deert.

REI:

Zij klagen, dat de staat der menschen triomfeert Door Gabriels bazuin, en opstijgt boven d'Engelen; Dat God zijn wezen wil met Adams wezen strengelen: De Geesten onderworpt het menschelijk gebied. Daar hoort gij, kort en klaar den grond van hun verdriet.

APOLLION:

Zoo groot een ongelijk valt lastig te gedoogen.

BELIAL:

Het overtreft bijkans ons' krachten en vermogen.

REI:

Wij bidden dat gij toch dien twist met ons beslecht.

APOLLION:

Wat raad? Hoe paait men hen? Zij steunen op hun Recht.

REI:

Wat Recht? die wetten geeft, vermag de wet te breken.

APOLLION:

Hoe kan Rechtvaardigheid een onrecht oordeel spreken?

REI:

Bestraft Gods oordeel eens, en schrijft Hem wetten voor.

BELIAL:

De vader leer' het kind hem volgen op zijn spoor.

REI:

Zijn spoor te volgen, is het zelve als Hij te willen.

APOLLION:

Verandring van Gods wil veroorzaakt dees' geschillen.

REI:

Hij zet den eenen van, den andren op den troon. De minder waardste wijk' voor eenen waarder zoon.

BELIAL:

Gelijkheid van gena de Godheid best zou passen. Nu durft de duisternis het Hemelsch licht ontwassen[16]. De kinders van den nacht braveeren zelfs den dag.

REI:

Wat ademhaalt, met recht den Schepper danken mag, Die elk zijn wezen gaf, en mindre en meerder waarde. Wanneer het Hem belieft, zal 't element der aarde Veranderen in lucht of water of in vier; De Hemel zelf in aarde, een Engel in een dier, Een mensch in Engleschijn of onbegrepen wonder. Een macht regeert het al en keert het bovenste onder. Wat d'allerminste ontvangt is loutere gena. Hier geldt geen willekeur; hier komt vernuft te spa[17]. In d'ongelijkheid is Gods heerlijkheid gelegen. Zoo zien we tegens 't lichtste 't zwaarste zwaarder wegen. Dus steekt het schooner af op 't schoon; de kleur op kleur; De diamantsteen op turkoosblauw; geur op geur; Het sterke op flauwer licht; gestarrent tegens starren. Ons schikken is den Staat van dit Heelal verwarren[18], Misschikken al wat God geschikt heeft en beleid; En wat het schepsel schikt, dat is wanschapenheid, In 't allerminste lid. Men staak' dit murmureeren. De Godheid kan den Staat van 't Engelsdom ontberen. Zij is met niemands dienst beholpen. Eeuwig rijk En heerelijk, behoeft zij wierook noch muzijk, Noch geur, haar toegezwaaid, noch lof, haar toegezongen. Ondankbre Geesten, zwijgt; betoomt uw snoode tongen. Gij weet Gods reden niet; genoegt u met uw lot, En onderwerpt u Gods en Gabriels gebod!

APOLLION:

Is dan de staat en 't lot der Geesten onbestendig? Zoo staan ze glibberig, zoo zijn ze alreede ellendig.

REI:

Omdat een minder zal regeeren in dit Rijk? Wij blijven die we zijn: geschiedt ons ongelijk?

BELIAL:

Zij zijn de naaste aan God, hun toeverlaat en vader. En lagen Hem aan 't hart: nu leit een minder nader.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings