LUCIFER (continued 2)
Reading edition
REI:
Zich over 's anders heil bedroeven, is gebrek Van liefde, en riekt naar nijd en hoogmoed. Laat dees' vlek Op Englezuiverheid en louterheid niet kleven. Elkandre in eendracht, liefde en trouw voorbij te streven, Behaagt den Vader, die het al in orden schiep.
BELIAL:
Zij houden d' orden, daar de Hemel hen toe riep; Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden[19].
REI:
Dat 's ongehoorzaamheid; zoo spatten ze uit hun Orden. Gij ziet hoe 't Hemelsch heir, geharrenast in 't goud, En in 't gelid gesteld, zijn beurt en schildwacht houdt; Hoe deze star gedaald, en gene, in top daar boven, De klaarste een minder klare in luister kan verdooven; Hoe d'eene een kleiner ronde, en d'andre een grooter schrijft; De laagste Hemel snelst, de hoogste langzaam drijft; En evenwel verneemt ge, in deze oneffenheden[20] Van ambten, licht en kreits en stand en trant en treden, Geen tweedracht, nijd, noch strijd; des Albestierders stem Geleidt dit maatgezang, dat luistert scherp naar Hem.
BELIAL:
't Gestarrent blijft in staat[21], daar God het in wou scheppen. Behaagde 't Hem, den Staat der Englen niet te reppen[22] Zij weken geen gestarnte in eendracht, noch in peis, Noch steurden met geklag de rust van dit paleis.
REI:
Zie toe, en wacht u wel, deze ongenoegt te stijven.
APOLLION:
Wij wenschen, dat dees' lucht en wolk mag overdrijven Eer ze uitberste, en 't gewest des Hemels zette in vier. Zij groeien in getal. Wie stilt ze? Wie komt hier?
LUCIFERISTEN. BELZEBUB. REI.
LUCIFERISTEN (koor):
Helaas, helaas, helaas! waar is ons heil gevaren!
BELZEBUB:
't Gaat wel, wij groeien aan; onze Engelen vergaren! En steken, vol misbaar, de hoofden vast bijeen.—[23] Wat port u, Engleburg met kermen en gesteen T'ontrusten? Kan de bloem der zaligheid verslensen? Gerust bezitten al wat eenig Geest kan wenschen Van God, den zegenaar, vernoegt u dat nog niet? Zoo staat ge u zelfs in 't licht, en koestert een verdriet, Waarvan ik d'oorzaak noch beseffen kan, noch raden. Houdt op van kermen: scheurt veldteekens, en gewaden Niet langer, zonder reen, maar heldert uw gezicht En voorhoofd met een straal, o kinders van het licht! De schelle kelen[24], die met zang de Godheid danken, Zien om, en belgen 't zich, omdat gij valsche klanken En basterdtonen mengt in 't goddelijk muzijk. Uw bittre weeklacht steurt de maat[25] van 't Hemelrijk. 't Gewellef huilt u na. De rouwgalm, in den hoogen Gestegen, rolt al voort, van d'eene in d'andre bogen; En zonder misdaad wordt, door zulk een ongeluid, De wasdom van Gods naam en glorie niet gestuit[26].
LUCIFERISTEN:
Heer Overste, op wiens wenk ontelbre keurebenden Zich wapenen, gij komt van pas, om onze ellenden Te zalven, en den smaad en onverdienden hoon Te schutten[27] door uw macht. Zal Gabriel de kroon Der heilige Engelen op 't hoofd van Adam zetten, Door Adams erfgenaam Gods eerstelingen pletten? Wij waren nutter niet geschapen, eer de zon Te wagen steeg en licht den Hemel geven kon. De Godheid koos vergeefs de Geesten tot trouwanten[28] Van 't onbeweegbre Hof, indien ze zich wou kanten En spitsen tegens 't recht der Geesten, zonder schuld Tot wederstand getergd, uit nood en ongeduld[29]. Wij juichten, in den lof der Godheid opgetogen, Aanbaden, wierookten met schalen, neigden, bogen Onze aangezichten neer. De Hemel gaf gehoor, Verslingerd op den dans des galms, van koor in koor Ja smolt van volle vreugd op tongmuziek en harpen; Toen Gabriels bazuin zich plotseling kwam werpen Met dezen donderslag in 't midden van Gods eer; Daar lagen wij verbaasd, verstrooid, verdrukt ter neer. De blijschap gaf den geest. De zwangre kelen zwegen. De jongstgeboren streek de kroon, den staf, den zegen; En d'oudste zoon, onterfd bij d'Oppermajesteit, Gemerkt bleef voor een slaaf. Dat valt gehoorzaamheid, Godvruchtigheid en liefde, en trouwe uit Gods trezoren Ten deele; dompelt haar in rouwe, ontvonkt den tooren En wraakzucht, om den mensch, uit een gerechten haat, Te smoren in zijn bloed eer hij der Englen Staat Verplette, en zij, geboeid als snoode en arme slaven, Gedwongen worden naar zijn zweep en wil te draven Gelijk hij daar beneen de dieren houdt in dwang. Heer Overste, gij kunt der geesten ondergang Verhinderen, en bij hun handvest hen bewaren: Beschut ze door uw macht; wij staan gereed, uw scharen, Uw standerd en uw heir te volgen: trek maar aan, 't Is eerlijk voor zijn eere, en kroone en Recht te staan.
BELZEBUB:
Mij deert uw ongelijk. O koning aller Heeren, Verhoe dit liever. Geef geen stof tot muitineeren, Noch tweedracht. Geef geen stof tot wederspannigheid. Wat raad? Hoe stil ik u en d'Oppermajesteit?
LUCIFERISTEN:
Zij kwetst het heilig recht, aan d'Engelen geschonken.
BELZEBUB:
Het recht te kwetsen kan den onderzaat ontvonken, Een vier ontsteken, daar de lucht af branden zou. O averechtschen loon van onbevlekte trouw! Hoe zullen wij ons best in dees' vertwijfling dragen?
LUCIFERISTEN:
Men trooste zich een kans, een stouten sprong, te wagen.
BELZEBUB:
Waartoe zich zelfs gewaagd? men ga een zachter gangk.
LUCIFERISTEN:
Hier geldt alleen geweld, en kracht, en wraak, en dwangk.
BELZEBUB:
Men kon, waar 't mogelijk, een veilig middel kiezen.
LUCIFERISTEN:
Met uitstel zal men hier niet winnen, maar verliezen.
BELZEBUB:
Men geef zijn ongelijk met reden te verstaan.
LUCIFERISTEN:
De reden heeft hier uit: men zet ons onderaan.
BELZEBUB:
Met smeeken mocht gij best en eerst uw wensch verwerven.
LUCIFERISTEN:
Het stuk ontdekken, is den handel glad bederven[30].
BELZEBUB:
Men kan dien aanslag nauw ontveinzen voor het Licht[31].
LUCIFERISTEN:
Wij groeien machtig aan, en staan in evenwicht.
BELZEBUB:
De kans begunstigt hun, die met Gods Veldheer vechten.
LUCIFERISTEN:
Hier is met sufferije en schrik niet uit te rechten.
BELZEBUB:
Wat zeit Apollion hiertoe, en Belial?
LUCIFERISTEN:
Zij trouwen onze zijde[32] en sterken het getal.
BELZEBUB:
Hoe heeft men dit verhaast? het is nu ver gekomen.
LUCIFERISTEN:
De Hemel vloeit ons toe vanzelf met volle stroomen.
BELZEBUB:
Betrouwt u op geen heir, vol lichte weifelaars.
LUCIFERISTEN:
Wij zien alree meer kans en voordeel, min gevaars.
BELZEBUB:
Wie reukeloos begint, beroem' zich van geen voordeel.
LUCIFERISTEN:
Aan d'uitkomst hangt het al, voor d'uitkomst dwaalt het oordeel. Dit gansche leger eischt u tot een opperhoofd En leidsman op dien tocht.
BELZEBUB:
Maar wie is zoo beroofd Van zinnen, dat hij uw gerechtigheid verdadig', En 's Hemels heirkracht terge? Ay, weest u zelfs genadig. Verschoon me van dien last; ik kieze geene zij. Men legge met verdrag deze ongelijkheid bij[33].
REI:
Gebroeders, geeft gehoor. Houdt boven aan met smeeken Bij God, door middelaars[34]; men wint met tusschenspreken Gemakkelijker veld dan door dien steilen weg Van oproer. Handelt koel, met raad en overleg. Wij willen tegelijk uw Recht omhoog verweren. Bedaart: gij kwetst de kroon van God, den Heer der heeren!
LUCIFERISTEN:
En gij ons' wettigheid: verstout u hooger niet[35]. Heer Belzebub, aanvaard dit wettige gebied, En zet de heiren schrap: wij volgen u te gader.
BELZEBUB:
O ijveraars, bedenkt, bedenkt u liever nader. Ik wil u voortreen naar den troon van 't groot paleis. En ons gerechtigheid bemiddelen door peis En onderling verdrag; gewillig, onbedwongen.
REI:
Houdt stil, houdt stil! gij wordt van Michael besprongen.
MICHAEL. BELZEBUB. LUCIFERISTEN.
MICHAEL:
Waar zijn we? wat gedruisch verneemt men hier alree? Dit schijnt een hof van twist en oproer, niet van vree, Gehoorzaamheid en trouw. Prins Belzebub, wat reden Beweegt u, als een hoofd van wederspannigheden, Dien oploop, zwanger van een goddeloos verraad, Te stijven tegens God, ons aller toeverlaat?
BELZEBUB:
Genade, o Michael, gewaardig ons te hooren, Eer gij een vonnis velt, uit ijverigen tooren, Ter eere van Gods Naam. Belast ons met geen schuld.
MICHAEL:
Ik zal uw onschuld dan aanhooren met geduld.
BELZEBUB:
De t'zamenrotting van zoo menig duizend troepen, Gesteurd om 't hoog gebod, ten rijkstroon uitgeroepen, Op Gabriels bazuin, vereischte een tusschenspraak, Tot slissing van dien brand; waarom ik van hun zaak En klachten kennis koom te nemen, om het muiten, Bij alle middelen en mooglijkheen, te stuiten; Zij varen echter voort, al razende en ontzind Aan 't hollen, buiten spoor, en dringen 't klachtbewind[36] Met kracht ons op den hals. Ik poog de macht te scheien[37] (Laat tuigen van mijn trouw dees' Godgetrouwe Reien!) Te raden, hunne klacht te storten voor Gods stoel; Maar ijvre vruchteloos, in 't midden van 't gewoel En oproer, als een zee ten hemel toe verbolgen. De Veldheer tree nu voor: wij staan gereed te volgen, Indien hij middel ziet tot slechting van 't geschil.
MICHAEL:
Wie durft zich tegens God en Zijnen heilgen wil Verzetten? wie dus stout den oorlogsstanderd planten, In 't Koninkrijk van peis? Indien ge door gezanten Wilt handelen omhoog, tot voorstand van uw lot, Wij willen uwen zoen bemiddelen[38] bij God; Of anders wacht uw hoofd: dit zal u niet gelukken.
LUCIFERISTEN:
Zoudt gij met wapenen ons heilig Recht verdrukken? Zij zijn den Veldheer niet tot zulk een eind betrouwd. Wij steunen op ons Recht; Rechtvaardigheid is stout.
MICHAEL:
D'inspanner[39] tegens God is allerminst rechtvaardig.
LUCIFERISTEN:
Wij dienen God: Hij kenne ons tot zijn diensten waardig. De Hemel blijve maar in zijnen eersten stand. Men stel geen ambtenaars van 't Hemelsch Vaderland Beneden 't aardsch geslacht: dat staat de Hierarchijen De Tronen, Machten, hooge en lage Heerschappijen Der Geesten, Englen, en Aartsenglen nimmermeer Te lijden: neen, geenszins; al zoude uw bliksemspeer Doorstooten borst aan borst, en d'allertrouwste harten: Wij laten ons geenszins van Adams afkomst tarten.
MICHAEL:
Ik wil, dat elk vertrekke, op 't wenken van mijn hand. Hij kant zich tegens God en Godheid, wie zich kant Meineedig tegens ons. Vertrekt naar uwe vanen. Dat past soldaten, en gehoorzame onderdanen Des Hemels. Wat geweld, wat moedwil drijft men hier! Wie anders ooreloogt dan onder mijn banier, Beoorloogt God, en is een vijand van zijn Rijken.
LUCIFERISTEN:
Wie op zijn Recht staat, hoeft voor geen geweld te wijken. Naturelijk[40] is elk beschermer van zijn Recht.
MICHAEL:
'k Gebiede u, dat ge fluks de wapens nederlegt. Door t'zamenrotten wordt uw eer en eed geschonden.
LUCIFERISTEN:
Natuur heeft d'Engelen door eenen band verbonden, Elkandre bij te staan: ook wordt niet een alleen Geraakt in dit geschil, maar 't raakt ons in 't gemeen[41].
MICHAEL:
Zoudt gij met wapenen den Hemel dan beroeren? Die zijn u niet betrouwd om tegens God te voeren. Misbruikt ge uw macht, zoo vreest des Allerhoogsten macht.
LUCIFERISTEN:
De Stedehouder wordt alle oogenblik verwacht. Hij is in allerijl gedagvaard en ontboden. Wij willen al op een, en Goden tegens Goden Opzetten, liever dan van ons' gerechtigheid Aftreden door geweld.
MICHAEL:
Zoo groot een onbescheid[42] Verwacht ik nimmermeer van 's Hemels Stedehouder.
LUCIFERISTEN:
Het zweemt naar onbescheid een eersteling, een ouder Te stellen onder 't juk des jongsten, als een knecht. Dat d'Engel de natuur der Engelen bevecht', En tegens zijns gelijk, in staat, en aard, en wezen, De wapens voere, wordt met onbescheid geprezen[43].
MICHAEL:
Hardnekkige aard[44], gij zijt geen zonen meer van 't licht, Maar eer een basterdslag, dat voor geen Godheid zwicht[45]. Gij tergt den bliksemstraal en onverzoenbren tooren; Volhardt ge, wat een ramp en val is u beschoren! Gij luistert naar geen raad, noch onderwijs: laat zien Wat d'Allerhoogste stem ons boven zal gebien. Welaan, ik wil dat zich d'oprechte en vrome Reien En scharen daadlijk van rebelle rotten scheien.
LUCIFERISTEN:
Laat scheiden al wat wil; wij houden ons bijeen.
MICHAEL:
Getrouwe Reien, volgt Gods Veldheer.
LUCIFERISTEN:
Trekt vrij heen.
BELZEBUB. LUCIFER. LUCIFERISTEN.
BELZEBUB:
De Veldheer vaart naar God, om over u te klagen. Schept moed: Vorst Lucifer, gestegen op zijn wagen, Wordt herwaart aangevoerd. Gij moet u kort beraan. Een heirkracht, zonder hoofd, kan nimmermeer bestaan. Wat mij belangt, die last[46] valt mij te zwaar te tillen.
LUCIFER:
De gansche Hemel waagt en dreunt van uw geschillen. De keurebenden staan gereten en gedeeld. Het oproer slaat al voort. De hooge nood beveelt Hierinne te voorzien, en onheil voor te komen.
LUCIFERISTEN:
Heer Stedehouder, wijk en toevlucht aller vromen, Wij hopen nimmermeer, dat gij, als Michael, Den hals van 't Engelsdom, tot eene voetschabel Van Adams afkomst, zult verwerpen en verdoemen[47], En zulk een smaad en hoon vergulden en verbloemen Met schijn van billijkheid, en stijven door uw macht Den opgang van den mensch, een grof, een aardsch geslacht. Wat wierook schenkt hij toch den schaars van hem gezienen[48]? Waarom belast men ons een snooden worm[49] te dienen, Te dragen op de hand, te luisteren naar zijn stem? Schiep God de Heemlen en Eng'len slechts om hem, Wij waren nutter nooit geschapen noch geworden. Ontfarm u, Lucifer! Gedoog niet dat onze Orden Zoo laag vernederd werde[50], en zonder schuld verzink'; De mensch, gelijk een hoofd der Englen, strale en blink' In 't ongenaakbre licht, waarvoor de Serafijnen, Al bevende van angst, als schaduwen verdwijnen. Indien gij u verneert zoo groot een ongelijk, Tot voorstand van ons Recht, te slechten[51] in dit Rijk, Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten. Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten.
LUCIFERISTEN (koor):
Wij zweren u met kracht en volle majesteit, Te zetten op den troon, aan Adam toegeleid. Wij zweren uwen arm eendrachtig t'onderstutten, Aanvaard dees' heirbijl; help, och help ons Recht beschutten[52].
LUCIFER:
Mijn zonen, op wier trouw geen vlek van ontrouw hecht, Al wat de Godheid wil en van ons eischt, is recht. Ik ken geen ander Recht; en stutte, als Stedehouder Der Godheid, zijn besluit en raadslot met mijn schouder. Den schepter, dien ik voer, ontving mijn rechte hand Van zijne Almogendheid, als een genadepand En teeken van Gods gunst en liefde tot ons allen. Is nu zijn hart en zin op Adam juist gevallen, En lust het hem den mensch, in volle heerschappij, Te zetten bovenaan, en boven u en mij Te kronen, schoon we nooit in onzen plicht bezweken[53]; Wat raad hiertoe? Wie zal dat raadslot tegenspreken? Indien hij Adam nog een zelve heerlijkheid, En d'Engelsche natuur gelijk, had toegeleid, Dat waar verdragelijk voor alle hemeltelgen, Gesproten uit Gods stam: nu mochten zij 't zich belgen[54], Zoo belgzucht geene vlek omhoog gerekend waar'. Maar hoe men 't vat, dit loopt van wederzij gevaar, Hetzij men zwichte uit schroomte, of moedig wederstreve: Ik wensche dat hij u dees' bellegzucht vergeve.
LUCIFERISTEN:
Heer Stedehouder, ay, aanvaard dien heirstaf toch, En handhaaf 't heilig Recht; wij volgen in uw zog. Wij volgen, streef vooruit op uw gezwinde veeren. Wij willen sneuvlen, of zeeghaftig triomfeeren.
LUCIFER:
Dit strijdt met onzen eed, en Gabriels gebod.
LUCIFERISTEN:
Dat strijdt met God, en zet het menschdom boven God.
LUCIFER:
Laat God zijn eer en stoel en majesteit bewaren[55].
LUCIFERISTEN:
Bewaar uw eigen stoel: wij willen, als pilaren, U stutten, en den staat der Engelen[56] meteen. Geen mensch zal onze kroon, Gods kroon, met voeten treen.
LUCIFER:
De Veldheer Michael, gewapend onder 't zegenen Van boven[57], wil ons fluks met al zijn heir bejegenen. Zijn heirkracht bij uw macht, wat is 't een groot verscheel!
LUCIFERISTEN:
Is 't geene helft, gij sleipt een staart van 't derde deel Der Geesten mede, indien ge u geeft op onze zijde.
LUCIFER:
Dan is de kans gewaagd, ons' gunst verloren bij de Verdrukkers van uw Recht.
LUCIFERISTEN:
De moed, de dapperheid, De hoon, de smaad, de spijt, de wanhoop, het beleid, De wraak, het ongelijk, niet anders te beslechten, En wat hier aanhangt, zal ons stijven onder 't vechten.
BELZEBUB:
Wij hebben 't heilig Rijk alleen in onze macht. Wat raadslot men besluit', de wapens geven 't kracht En nadruk, zoo wij slechts ons in slagorden stellen; Wat nu nog weifelt, straks op onze zij zal hellen.
LUCIFER:
Ik troost me dan geweld te keeren met geweld.
BELZEBUB:
Zoo stijg de trappen op, o allerbraafste Held[58]. Heer Stedehouder, stijg dien troon op, dat we u zweren.
LUCIFER:
Vorst Belzebub, getuig, en gij, doorluchtste Heeren! Apollion, getuig, getuig, Vorst Belial! Dat ik, uit nood en dwang, dien last aanvaarden zal, Tot voorstand van Gods Rijk, om ons bederf te keeren.
BELZEBUB:
Nu brengt den standerd voort, dat wij den stander zweren: Getrouwigheid aan God en onze Morgenstar.
LUCIFERISTEN:
Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer[59].
BELZEBUB:
Nu brengt het wierookvat, gij Godgetrouwe scharen, Bewierookt Lucifer met wierookkandelaren, En schalen, rijk van geur. Verheerlijkt hem met licht, En glans van fakkelen. Verheft hem met gedicht, Gezangen en muzijk, bazuinen en schalmeien. Het voegt ons hem aldus met staatsie te geleien. Heft op[60] een heldren toon, Ter eere van zijn kroon.
LUCIFERISTEN:
Op! trekt op, o gij Luciferisten, Volgt dees' vaan. Rukt te hoop al uw krachten en listen. Trekt vrij aan. Volgt dezen God[61], op zijn trommel en trant; Beschermt uw Recht en Vaderland, Helpt hem Michaels heirkrachten stuiten, Houdt nu moed. Helpt den Hemel voor Adam nu sluiten En zijn bloed. Volgt dezen Held op zijn bazuin en trom. Beschut de kroon van 't Engelsdom.— Ziet, ay ziet nu de Morgenstar[62] blinken. Voor die pracht Zal des vijands banier haast verzinken, In der nacht[63]; Wij met triomf kronen God Lucifer, Bewierookt hem: aanbidt zijn Star.
REI VAN ENGELEN:
ZANG.
Waar zijn we toe gekomen, Dat 's Hemels burgertwist De regementen splitst, En 't zwaard is opgenomen, Te zinneloos en blind? Wie is er van ons benden, Hij sneuvelt of verwint, Gelukkig? die d'ellenden Van hunne broedren zien En Rijks- en Reigenooten? Of die verwonnen vlien, In ballingschap gestooten? O, zoons van eenen God, Waartoe verdwaalt uw lot!
TEGENZANG.
Helaas! waartoe verdwalen De Geesten? wat verleidt Hen, uit de zekerheid Van hunnen staat en palen Te spatten, zonder nood? Zich op het spits te wagen? Ons' weelde was te groot, Te dertel om te dragen; De Hemel niet genoeg Om Englen te paaien[64]; De nijdigheid most vroeg Dit zaad van oorlog zaaien, In 't vreedzaam Vaderland. Wie leit dien twist aan band?
TOEZANG.
Is dit krijgsvier niet te smoren, Door een macht van hooger hand, Wat wil blijven in zijn stand? Staatzucht[65] zal alle Orden storen: Hemel, aarde, zee en strand Zullen staan in lichten brand. Staatzucht, eens door triomfeeren Als gewettigd, zal verwoed God en alle macht braveeren. Staatzucht kent noch God, noch bloed.
Noten:
[1] LUCIFERISTEN. Eigenlijk is deze benaming hier nog voorbarig. Eerst aan het eind van dit bedrijf toch treedt Lucifer op als hoofd der beweging.
[2] Wanneer: tot dat.
[3] verbaast: ontstelt.
[4] livreien: kleeding.
[5] REI. De Rei van Engelen, die aan het slot van het vorig bedrijf te verstaan gaf, dat zij wilde pogen de gemoederen te doen bedaren.
[6] muziek van druk (treurmuziek) op noten galmen. Het woord "noten" lijkt overbodig.
[7] Heerschappijen, machten, tronen. Vlgg. over de verdeeling der Engelen. En Voorwoord. Uit dezen regel volgt, dat de derde orde der eerste rij, benevens twee van de tweede rij, tot de ontevredenen behoorden.
[8] bij ons: door ons; mishandeld: mis gehandeld.
[9] onzen plicht bekleeden. Bekleeden heeft bij V. een zeer ruime beteekenis. Hier: vervullen.
[10] in stede van regeeren zal Adam triumfeeren: Instede dat wij regeeren, zal Adam triumf vieren.
[11] te rusten: berusten.
[12] tot heerschen min. Minder tot heerschen.
[13] Die zich gelaten stelt: door in Gods wil te berusten.
[14] de kroon verdooven: in haar glans verdooven.
[15] APOLLION zegt dezen regel zacht tot BELIAL. DE LUCIFERISTEN zijn in dit volgende tooneel niet als aanwezig aangeduid. Maar zij spreken alleen niet; blijven wel op den achtergrond, zwijgend. Belials optreden als van een gansch onkundige is voortreffelijk begrepen. En heel gelukkig dit aanbod om ze bij te staan tegen rechtsverkrachting; nog voor hij, Belial, schijnt te weten wat ze bedreigt. Zoo komt hij ongezocht waar hij wezen wil.
[16] Nu durft de duisternis (de aardwormen) het hemelsch licht ontwassen (boven het hoofd groeien).
[17] Hier komt vernuft te spa. Vernuft, 't verstand kan dit niet begrijpen.
[18] Ons schikken is … verwarren. Gaan wij er ons in mengen, we brengen verwarring; misschikken alles.
[19] Maar kunnen traag verstaan des menschen slaaf te worden; Het valt hun moeilijk te begrijpen, waarom de Mensch boven hen gesteld moet worden.
[20] in deze oneffenheden: ongelijkheden.
[21] blijft in (den) staat.
[22] den staat niet te reppen: ongerept, ongestoord te laten.
[23] Ook BELZEBUB vangt met een terzijde aan.
[24] De schelle kelen: de klare, heldere kelen der zingende Engelenrei.
[25] steurt de maat: verstoort het evenwicht, de harmonie.
[26] Door zulk een wangeluid den groei van Gods glorie stuiten, kan u niet anders dan als misdaad worden aangerekend.
[27] te schutten: te stuiten.
[28] trouwanten: trawant, lijfwacht, satelliet. Hier denkelijk frouwant geschreven om verband te krijgen met trouw.
[29] ongeduld: wat niet te dulden is.
[30] Het stuk ontdekken is den handel glad bederven: door den toeleg te doen blijken, zou men de actie schade doen.
[31] Het Licht: God.
[32] zij trouwen onze zijde: hangen onze zijde aan.
[33] men trachte het geschil door een overeenkomst bij te leggen.
[34] smeeken door middelaars. Denk aan V.'s roomsche opvatting van de kracht der bemiddeling, die de kern van zijn Jepfta-treurspel geworden is.
[35] verstout u hooger niet: waag niet verder te gaan.
[36] 't klachtbewind: bewind over de klagers: 't aanvoerderschap.
[37] Ik poog de macht te scheien: beproef als scheidsman, kalmeerder, op te treden.
[38] Wij willen uwen zoen bemiddelen: optreden als bemiddelaar ter verzoening.
[39] d'Inspanner: Opstandeling.
[40] Naturelijk: volgens de Natuur. Vgl. Jeptha: "Naturelijk staat elk in 's doods gewoud": "het is een natuurwet dat ieder aan de macht des doods onderworpen is".
[41] 't raakt ons in 't gemeen: gemeenschappelijk; het treft ons allen.
[42] onbescheid: drieste overmoed, vermetelheid (Wdbk.).
[43] "dat een Engel de positie der Engelen bestrijdt, (dit tegen Michael, wijl hij aldus gezegd wordt te doen) dit wordt onbescheid genoemd".
[44] Hardnekkige aard, voor: "hardnekkigen van aard".
[45] dat voor geen Godheid zwicht: "dat zich niet buigt voor God."
[46] die last (van 't hoofdschap). Kiest dus een ander: Lucifer.
[47] dat gij den hals van 't Engelschdom tot eene voetschabel zult verwerpen: zult verlagen. "Dat gij de Engelen den nek zult doen buigen onder Adams voet, ten teeken van slavernij."
[48] den schaars van hem gezienen: God.
[49] snooden worm. Snood is in 't M. Nedl.: gering, onaanzienlijk.
[50] werde: worde.
[51] Zoo groot een ongelijk te slechten: zulk een groot onrecht te beletten.
[52] Dr. Cramer meent dat deze vier regels hier bij ongeluk tusschen den tekst zouden zijn gekomen, vooral omdat ze de zuivere herhaling zijn. Maar kan het niet zijn, dat V. zich deze laatste vier regels gedacht heeft als in koor gesproken, dat dan wat zijn woordvoerder eerst uiteenzette, bevestigt en herhaalt? Ook het: "Helaas, helaas, helaas, waar is ons heil gevaren!" van is blijkbaar als "Koor" bedoeld. Ik heb me veroorloofd dit in den tekst aan te geven.
[53] schoon we nooit in onzen plicht bezweken (te kort schoten). Een heel gelukkig trekje om Lucifer, terwijl hij schijnbaar tot onderwerping aanspoort, toch even te laten erkennen dat de grief wegens onbillijke behandeling eenig recht heeft. Verder neemt hij dan voorzichtig den draai naar hun zij.
[54] 't zich belgen; belgzucht: belgen is "opblazen"; dus "zich daarover vertoornen," "er in verzet over komen." Belgzucht: oproerigheid.
[55] Laat God zelf de zorg voor zijn eer, macht en majesteit.
[56] den staat der Engelen: de orde der Engelen.
[57] gewapend onder 't zegenen van boven: wiens wapens door God gezegend zijn.
[58] allerbraafste Held: aller moedigste.
[59] De eed wordt tegelijk gedaan aan God en Lucifer, om te doen uitschijnen dat men zich niet jegens God verzet; gelijk Oranje in het Wilhelmus in den mond gelegd wordt, dat hij den koning van Hispanje trouw blijft, al verzet hij zich tegen de krenking der Volksrechten.
[60] Heft op: heft aan.
[61] volgt dezen God. De Engelen worden zelf ook Goden genoemd. Trant maat, stap. Vgl. "trant en treden" en "trantelen."
[62] de Morgenstar: Lucifer.
[63] In der nacht. Nacht was vroeger vrouwelijk.
[64] paaien, als nog oorspronkelijk, in samenhang met peis: tevreden stellen.
[65] Staatzucht. Zie Inleiding, pag. 22.
* * * * *
HET VIERDE BEDRIJF
GABRIEL. MICHAEL.
GABRIEL:
De gansche hemel gloeit, in eenen lichten brand Van oproer en verraad. 'k Verdaag u[1], als Gezant Van God en zijnen stoel, nu daadlijk op te trekken Met eenen gloed van vier en ijver deze vlekken Te branden uit Gods naam, en 't zuiver Hemelsdom. Vorst Lucifer braveert: hij roert trompet en trom.
MICHAEL:
Is Lucifer, helaas! in zijne trouw veranderd?
GABRIEL:
Des Hemels derde deel heeft reede zijnen standerd, Die valsche morgenstar, gezworen; zijnen troon Bewierookt als een God, en met een lastertoon Van goddeloos muzijk hem eere toegezongen. Zij komen herwaart aan in volle kracht gedrongen, En dreigen schrikkelijk de poort van 't wapenhuis Te rammen met geweld. Een woest, een wild gedruisch Van onweer buldert vast, van boven en van onder. Het weerlicht, stormt, en raast. De bliksem en de donder In arbeid[2], schudden vast de pijlers van ons Hof. Men hoort geen Serafijns, noch wedergalm van lof. Een ieder zit in druk gedompeld over d'ooren. Dan zwijgen plotseling, dan huilen al de koren Der Engelen, van druk en medelijden, om Den blinden afval van 't gezaligd Engelsdom. En d'Engelsche natuur. 't Is meer dan tijd om heden Te kwijten uwen plicht, en op uw heilige eeden, (Die gij, als Veldheer, op het punt des bliksems zwoert Bij God en Zijnen naam) te passen[3].
MICHAEL:
Wat vervoert Gods Stedehouder, dus zich tegens God te kanten, Als een verwaten hoofd van dolle vloekverwanten?
GABRIEL:
De Hemel weet hoe noode ik Gods gerechte zaak Verdadige, op dees' wijs. Hoe bitter wil[4] de wraak Hem treffen! want men weet geen middelen te vinden, Om dit verdoold geslacht rampzaligen en blinden Te leiden op de baan, de heirbaan van hun trouw. Ik zag Gods blijschap zelf zich met een wolk van rouw Beschaduwen; in 't end de wraak een vlam ontsteken In d'oogen van het licht[5]; eer, om dien slag te breken, Het last gaf tot dien tocht. Ik hoorde een wijl het pleit. Hoe de opperste Genade en Gods Gerechtigheid[6] Elkandre in wederwicht, met pit van reden, hielen. Ik zag de Cherubijns, hoe ze op hun aanzicht vielen, En riepen vast: "Gena, gena, o Heer, geen Recht!" Men had dit zwaar geschil gezoend, en schier geslecht; Zoo scheen de Godheid tot genade en zoen genegen: Maar als de wierookstank[7] in top komt opgestegen, De smook, die Lucifer omlaag wordt toegezwaaid, Met wierookvat, bazuin, en lofgezangen, draait De Hemel zijn gezicht van zulke afgoderijen, Gevloekt van God, en Geest, en alle Hierarchijen. Gena had uitgediend. Waak op, in 't harrenas. De Godheid dagvaardt u, eer 't oproer ons verrass'. Betem met uwen arm de woeste Behemotten En Leviathans, die dus godloos t'zamenrotten.
MICHAEL:
Uriel! schildknaap, fluks! men breng den bliksem hier, Mijn harnas, helm en schild. Breng herwaart Gods banier. Men blaze de bazuin. Te wapen! fluks te wapen. Gij Machten, Tronen! wat getrouw is en rechtschapen, Dat wapen' zich met ons. Gij regementen, voort, Een ieder in 't gelid: de Hemel geeft het woord. Men blaze de bazuin: men sla de holle trommels, Verdagvaarde in der ijl ontelbre dikke drommels[8] Gewapenden. Blaast op: ik schiet de wapens aan. Het geldt Gods eer alleen. Het moet er nu op staan.
GABRIEL:
Dit harnas past zoo braaf, als waar' 't u aangeschapen[9]. Hier komt de veldbanier, waarin Gods naam en wapen U toestraalt, en de zon in top u heil belooft. Hier komen de Kornels u groeten, als het hoofd Van 't heir der Hemelen, die Gods baniere zwoeren. Schep moed, Vorst Michael: gij zult Gods oorlog voeren.
MICHAEL:
Zoo zal ik. Hou mijn woord omhoog[10]: wij trekken heen.
GABRIEL:
Wij volgen uwen tocht met wenschen en gebeen[11].
LUCIFER. BELZEBUB. LUCIFERISTEN.
LUCIFER:
Hoe staat het met ons' heir? hoe is 't er mee gelegen[12]?
BELZEBUB:
Het heir verlangt, gereed, om onder uwen zegen, Te vliegen regelrecht op 't spits van Michael.
LUCIFERISTEN:
Zoo doet het: ieder wacht op Lucifers bevel, Om teffens d'armen en hun vleugels eens te reppen, Dien grooten vijand lucht en winden t'onderscheppen, En, als hij legt in zwijm, te ketenen met kracht.
LUCIFER:
Hoe talrijk is het heir? waarin bestaat ons' macht?
BELZEBUB:
Die groeit alle oogenblik, en bruist uit alle transen Ons toe, gelijk een zee van vier en heldre glansen. 'k Vertrouw het derde deel des Hemels houdt ons' zij, Is 't niet de halve streek; want Michaels getij Verloopt alle oogenblik, en ebt aan alle kanten. De helleft van de wacht en eerste hoftrouwanten, Uit ieder Orden, van een ieder Hierarchij, Verzweren hunnen Heer, Vorst Michael, als wij. Men ziet er Cherubijns, Aartsengelen, Serafijnen De vanen voeren. Zelf het Paradijs, aan 't kwijnen Geslagen van verdriet, verschiet zijn groente[13] en verf; En waar men d'oogen keert, daar schijnt een wis bederf En boven 't hoofd een bui en donkre wolk te hangen. Dat voorspook spelt ons heil; men heeft slechts aan te vangen. Gij draagt alree de kroon des Hemels op uw kruin.
LUCIFER:
Die klank behaagt me meer dan Gabriels bazuin. Hoort toe, en geeft gehoor beneden deze trappen[14]. Hoort toe, gij Oversten! hoort toe, gij Ridderschappen! En luistert wat wij u vermelden, klaar en kort. Gij weet, hoe verre wij alree zijn uitgestort In wraakzucht tegens 't Hoofd der opperste paleizen, Dat het een dolheid ware, op hoop van zoen, te deizen; En niemand denken durf deze onuitwischbre smet Te zuivren door gena; dies moet de nood een wet, Een wisse toevlucht van te wanken noch te wijken Verstrekken; gij, met kracht en zonder om te kijken, Dien standerd en mijn star verdadigen, meteen Den vrijgeschapen Staat der Englen in 't gemeen. Het ga zoo 't wil; volhardt groothartig, onverdrietig; Geen almacht heeft de macht, dat zij geheel vernietig' Het wezen, dat gij eens voor eeuwiglijk ontvingt. Indien ge fel en forsch met uwe heirspits dringt In 't Hart van 's vijands heir, en komt te triomfeeren, Zoo zal de tirannij der Hemelen verkeeren In eenen vrijen Staat, en Adams zoon en bloed, Gekroond in top van eere, en met een aardschen stoet Omsingeld[15], uwen hals niet boeien aan de keten Van slaafsche dienstbaarheid, om hem ten dienst te zweeten En onder 't koopren juk te hijgen, zonder end. Indien ge mij voor 't hoofd van uwen vrijdom kent[16], Gelijk ge uit eenen mond dien standerd hebt gezworen; Zoo staaft den eed nog eens eenstemmig, dat wij 't hooren, En zweert getrouwigheid aan onze Morgenstar:
LUCIFERISTEN:
Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer!
BELZEBUB:
Maar zie hoe Rafael, verbaasd[17] en vol meedoogen, Met zijnen vredetak van boven komt gevlogen, Om uwen hals, op hoop van stilstand en verdrag.
RAFAEL. LUCIFER.
RAFAEL:
Och, Stedehouder, mond van 't goddelijk gezag[18], Wat heeft u buiten 't spoor van uwen plicht gedreven? Zoudt gij den Schepper van uw glorie wederstreven? Lichtvaardig weifelen en wanklen in uw trouw? Dat hoop ik nimmermeer. Helaas! ik zwijm van rouw En blijve om uwen hals beklemd, bestorven hangen.
LUCIFER:
Oprechte Rafael!
RAFAEL:
Mijn blijschap, mijn verlangen Ik bidde u, hoor me.
LUCIFER:
Spreek, zoo lang het u behaag'.
RAFAEL:
Genade, o Lucifer[19]! Verschoon u zelven; draag Geen harnas tegens mij, die treurig smilte en kwijne Van druk, om uwentwil. Ik koom, met medicijne En balsem van gena, gestegen uit den schoot Der Godheid, die, gelijk ze in haren Raad besloot, U, boven duizenden gekroonde Heerschappijen, Gezalfd heeft op den stoel van haar stadhouderijen. Wat dolheid is het, die uw zinnen dus verrukt? Zij had haar zegel en gelijkenis gedrukt[20] Op uw geheiligd hoofd en voorhoofd, overgoten Met schoonheid, wijsheid, gunst, en wat er komt gevloten En stroomen, zonder maat, uit aller schatten bron. Gij blonkt in 't Paradijs, voor 't aanschijn van de zon Der Godheid, uit een wolk van dauw en versche rozen. Uw feestgewaad stond stijf van perlen en turkozen, Smaragden, diamant, robijn, en louter goud. De zwaarste schepter werd uw rechte hand betrouwd, Zoodra gij steegt in 't licht, en op bazuin en bommen[21] Door 't blakende gesternte en steenen kwaamt te brommen[22]: En zoudt gij reukeloos u storten uit dien troon[23]? Verreukeloozen al dat heerelijk en schoon? Zoudt gij uw glansen, die de Hemelen versieren, Ons licht verduisteren, in eenen knoop van dieren[24], En mengsel van gedierte en ondier ondereen, Griffoensklauw, drakenhoofd en andre gruwzaamheen Misscheppen[25] onbedacht? En zouden 's Hemels oogen, De starren, u zoo laag[26] beroofd zien van vermogen, En eere, en majesteit, door 't schenden van uw trouw? Dat keer' de goede God, wiens aanschijn ik aanschouw In 't zalig licht, daar wij, geheiligd alle zeven[27], Hem dienen voor zijn troon, en sidderen, en beven Voor zulk een Majesteit, die op ons voorhoofd straalt Verkwikt en leven geeft wat leeft en ademhaalt. Heer Stedehouder, mag mijn bede uw hart bewegen: Gij kent mijn zuiver wit en hart, met u verlegen[28]. Ruk af dien trotschen kam, schud uit dit harrenas, Smijt neder uit dees' hand de heirbijl, de rondas Uit d'andre! Hooger niet[29]; leg neder, och, leg neder, Leg neder, strijk vanzelf den standerd, en de veder Van uwe vleugelen, voor God en zijnen glans; Eer hij u uit den troon, den allerhoogsten trans Van eere, nederklinke aan gruis en stof te mortel, Ja zulks dat van den stam der Geesten tak noch wortel, Noch geen gedachtenis, noch leven overschiet; 't En ware een leven van ellende, van verdriet, De Dood, de Wanhoop, en een worm, een eeuwig knagen En knersetanden mocht den naam van leven dragen[30]. Verneer u, staak dien tocht[31]; ik offere u gena Met dien olijftak; grijp, of echter[32] 't is te spa.
LUCIFER:
Heer Rafael, ik verdien noch dreigement noch tooren. Mijn helden hebben God en Lucifer gezworen, En, onder 's Hemels eed[33], dien standerd opgerecht. Men strooie wat men wil den Hemel door: ik vecht En oorloge onder God, tot voorstand van zijn koren, De handvest, en het Recht, hun wettig aangeboren, Eer Adam zijne zon zag opgaan, eer de dag Zijn Paradijs bescheen. Geen menschelijk gezag, Geen juk van menschen zal den nek der Geesten plagen; Geen Engelsdom den troon van Adam onderschragen, Met zijnen vrijen hals, gelijk een dienstbaar slaaf, 't En zij de Hemel ons in eenen poel begraaf', Met zooveel scepteren en kronen, glans en vonken, Als ons de Godheid uit haar boezem heeft geschonken, Voor eeuwig en altijd. Laat bersten al wat berst; Ik handhaaf 't heilig Recht, door hoogen nood geperst, En, na veel wederstands, mij endlijk overdrongen[34], Op 't klagen en gekerm van duizenden van tongen. Ga hene, boodschap dit den Vader, onder wien Ik dus, voor 't Vaderland, den standerd voere en dien'.
RAFAEL:
Och, Stedehouder, wat verbloemt gij uw gepeinzen Voor 't alziende oog? Gij kunt uw oogmerk niet ontveinzen. De straal van zijn gezicht verraadt de duisternis, De staatzucht, daar uw geest zoo grof van zwanger is, En reede in arbeid gaat, om dit gedrocht te baren. Waar berg ik mij van schrik! hoe rijzen al mijn haren! Verdwaalde Morgenstar, verschoon uzelven toch. Gij kunt d'Alwetendheid niet paaien[35] met bedrog.
LUCIFER:
Wat staatzucht? heeft mijn plicht in eenig deel ontbroken?
RAFAEL:
Wat hebt gij in uw harte al heimelijk gesproken? Ik wil in 's Hemels top, door alle wolken heen, En boven Gods gestarnte opstijgen van beneen, God zelf gelijk, geen macht bestralen met genade, 't Zij ze aan mijnen stoel het leen verheergewade[36]. Geen majesteit braveer' met schepter nochte kroon, Tenzij ik haar beleene uit mijnen hoogen troon. Bedekt uw aangezicht; valt neder; strijk uw pennen, En wacht u, boven ons, een hooger macht te kennen.
LUCIFER:
Hoe nu toe? ben ik dan Gods Stedehouder niet?
RAFAEL:
Dat zijt gij, en ontvingt van 't onbepaald Gebied Bepaalde mogendheid, en heerscht uit Zijnen name.
LUCIFER:
Helaas, hoe lang? Totdat Vorst Adam ons beschame, En, boven de natuur der Engelen, zijn lot Uit 's Hemels schoot ontvange, en aanzitt' neffens God?
RAFAEL:
Wil d'opperste Monarch zijn macht met mindren deelen, Ja d'eerste kroon den mensch opzetten, en bevelen, Hem wijden tot een hoofd der Geesten, boven al Wat kroon en schepter voert, of namaals voeren zal, Zoo leer ootmoedig u Gods raadslot onderwerpen.
LUCIFER:
Dat is de wetsteen om dees' heirbijl op te scherpen[37].
RAFAEL:
Gij scherpt ze reukeloos voor uwen eigen nek. Bedenk eens waar wij staan. De Hemel kan geen vlek Van afgunst, haat en nijd, noch hoogvaardij verdragen. De wraak des Hemels dreigt dees' schandvlek uit te vagen. Hier helpt geen veinzen. Och, of voor d'alziende Zon, Het aldoordringende oog, ik deze lastren kon Bedekken. Lucifer, waar is uw glans gebleven?
LUCIFER:
Mijn glans is Adam en zijne afkomst lang gegeven. Men noem' mij langer niet den eerstgewijden zoon, Den oudsten erfgenaam.
RAFAEL:
Vorst Lucifer, verschoon Uzelven; onderworp u 't opperste behagen. Gewaardig ons, dat wij die blijde tijding dragen Naar boven; ieder ziet mijn weerkomst tegemoet. Ik valle ootmoedig dus uw heerlijkheid te voet. Om Gods wil, wacht u toch weerspannigen te stijven, Die op uw wil en wenk, als op hun aspunt[38], drijven. Zoudt gij, in wederwil van 't Hemelsche paleis, Dees' lucht, vol heiligheid, vol vrede, d'eerste reis, Met duizend duizenden in 't harrenas, beroeren? Op trommel en trompet den oorlogsstanderd voeren, En kanten tegens God, den sterksten worstelaar?
LUCIFER:
Men kant zich tegen ons. Was Adams afkomst maar Een zelven staat en stoel, als d'Engelen, geschonken; Dat scheen verdragelijk; nu vliegen vast de vonken Van dezen hemeltwist door alle daken heen. Zwijg Engelsdom! verhef eerbiediglijk het leen Van al wat gij bezit aan Adam en zijn neven[39]. Den mensch weerstreven, is de Godheid wederstreven. Hoe mag het God van 't hart, dat hij zoo laag, zoo diep Vernedert, dien hij tot den grootsten schepter schiep? Een edelmoedigheid, geheiligd tot regeeren, Voor eenen minder zoo zwaarlijk kan verneeren, Van heerlijkheid ontkleen, en opstaan uit haar staat En stoel, dat zij vervloekt den glans en dageraad Van haren opgangk, ja veel liever had gebleven Een schaduw, zonder verf, een niet, en zonder leven: Want niet-zijn overtreft verkleening duizendwerf.
RAFAEL:
Geleende heerschappij staat los, en is geen erf[40].
LUCIFER:
'k Misdank me dan[41] dit leen, als 't immers leen moet heeten.
RAFAEL:
Bewaar uw ambt: of is zijn oogmerk u vergeten? Het Stedehouderschap uw wijsheid werd betrouwd, Opdat gij 't al in ruste en orden houden zoudt; En hebt ge tegens God het pantser aangeschoten, Als een meineedig hoofd van blinde bondgenooten?
LUCIFER:
Wij schoten slechts, uit nood en noodweer, 't pantser aan; Zoo luttel wouden wij de Godheid wederstaan. De reden spreekt, al waar 't dat schild en wapen zwege. Wij vrijen onzen Staat: benijdt men ons dien zege?
RAFAEL: Geen zege is heerelijk, daar, in een zelve Rijk, Slagordens van een Staat bestrijden haars gelijk; En deerlijk is het, zoo gebroeders van eene Orden Door hun gebroeders zelfs in 't end verwonnen worden. Om onzentwil, om God, en Zijn gedreigde straf, Och, Stedehouder, voer uw regementen af; Voer af, en laat u toch vermorwen door gebeden. Ik hoor, 't is schrikkelijk, alreed ketens smeden, Om, na de neerlaag, u geketend door de lucht Te voeren in triomf. Ik hoor alree gerucht, En zie allengs het heir van Michael genaken. Het is hoog tijd, hoog tijd, dien dollen tocht te staken.
LUCIFER:
Wat baat het, schoon men zich op 't uiterste bera? Hier is geen hoop op peis.
RAFAEL:
'k Verzeker u gena, En stel me, als middelaar, omhoog voor u te pande[42].
LUCIFER:
Mijn Star te dompelen in duisternisse en schande! Mijn vijanden te zien braveeren op den stoel!
RAFAEL:
Och, Lucifer, waak op. Ik zie den zwavelpoel, Met opgespalkte keel, afgrijslijk naar u gapen. Zult gij, het schoonst van al wat God ooit heeft geschapen, Een aas verstrekken voor het vratige ingewand Des afgronds, nimmer zat, en nimmer uitgebrand? Dat hoede God! Och, och! bewillig onze bede: Ontvang dien tak van pais: wij offren u Gods vrede.
LUCIFER:
Of ergens schepsel zoo rampzalig zwerft als ik[43]? Aan d'een zij flauwe hoop, aan d'andre grooter schrik: De zege is hachelijk; de neerlaag zwaar te mijden. Op 't onwis tegens God en Gods banier te strijden? Den eersten standerd op te heffen tegens God, Zijn hemelsche bazuin, en openbaar gebod? Zich op te worpen als een hoofd van Gods rebellen, En tegen 's Hemels wet een wederwet te stellen? Te vallen in den vloek der snoodste ondankbaarheid? Te kwetsen de genade en liefde en majesteit Des rijken Vaders, bron van alle zegeningen, Die nog t'ontvangen staan, en wat wij reede ontvingen? Hoe zijn we nu zoo wijd verzeild uit onzen plicht! Ik zwoer mijn Schepper af. Hoe kan ik voor dat licht Mijn lasterstukken, mijn verwatenheid, vermommen?— Hier baat geen deinzen, neen, wij zijn te hoog geklommen. Wat raad? wat best geraamd in dees' vertwijfeldheen? De tijd geen uitstel lijdt. Een oogenblik is geen Genoegzaamheid van tijd; indien men tijd mag noemen Dees' kortheid, tusschen heil en endeloos verdoemen. Maar 't is te spa, en hier geen boete voor ons' smet. De hoop is uit. Wat raad? Daar hoor ik Gods trompet!
APOLLION. LUCIFER. RAFAEL.
APOLLION:
Heer Stedehouder, op! het is geen tijd te marren[44]; De Veldheer Michael, in aantocht met zijn starren En regementen, daagt u uit in 't vlakke veld. De tijd gebiedt, dat gij u in slagorden stelt. Trek op, trek op met ons: wij zien den strijd gewonnen.
LUCIFER:
Gewonnen? dat 's te vroeg: de strijd is niet begonnen. Men weeg' dien zwaren slag en oorlog niet te licht.
APOLLION:
Ik zag alree den schrik in Michaels gezicht, En al zijn benden doodsch schier omzien naar de hielen. Wij willen, twijfel niet, haar sloopen en vernielen. Hier komen d'Oversten met onzen standerd aan.
LUCIFER:
Een ieder in 't gelid: een ieder kenn' zijn vaan; Nu rustig de bazuin en krijgstrompet gesteken!
APOLLION:
Wij wachten op uw woord.
LUCIFER:
Zoo volgt ons op dit teeken.
RAFAEL:
Helaas! hij stond alreede in twijfel en beraad; Nu voert hem Wanhoop aan. Helaas! in welk een staat Van jammernissen stort d'Aartsengel al de zijnen! Nu mag hij nimmermeer in vreugd omhoog verschijnen, 't En zij de Godheid dit meedoogende belett'[45]. Gij hemelreien, komt, en geeft u in 't gebed: Misschien of nog dees' slag te schutten waar' met smeeken. Het bidden kan een hart van diamantsteen breken.
REI VAN ENGELEN. RAFAEL.
REI VAN ENGELEN[46]:
O Vader, die geen wierookvat, Noch goud, noch lofzang waarder schat Dan Godgelatenheid en stilte Van 't schepsel, dat uit needrigheid Behagen schept aan uw beleid, En in uw wil zichzelf versmilte; Gij ziet, o aller telgen stam, Hoe 't hoofd der Geesten zijnen kam Durf kanten tegens uw behagen; Hoe hij trompet en trommel roert, En blind, van Staatzucht aangevoerd, U tergt op zijnen oorlogswagen. Ontferm u over 't lasterstuk, En keer, och keer het ongeluk Van duizend duizend lotgenooten, Die, al te jammerlijk misleid, Met zulk een wederspannigheid Het harnas hebben aangeschoten.
RAFAEL:
Verschoon genadig, och! verschoon Den Stedehouder, die de kroon Der kronen op zijn hoofd wil zetten, Om neffens u en boven al Te triomfeeren. Och! wie zal Hem zuiveren van zulke smetten?
REI VAN ENGELEN:
Gedoog niet, dat de schoonste ziel, Waarop uw oog genadig viel, Gedoog niet, dat d'Aartsengel sneve. Hij boete deze ondankbre daad, En blijv' gehandhaafd bij zijn staat; Dat uw gena zijn schuld vergeve.
Noten:
[1] 'k Verdaag u: roep u op.
[2] in arbeid: in barensnood. Hier meer in den gewonen zin: aan 't werk.
[3] op uw heilige eeden … te passen: uw eeden na te komen.
[4] Hoe bitter wil: wil, als in 't Engelsch, voor zal.
[5] in d'oogen van 't licht: het licht, God. Zooals in 't Hebreeuwsch God wordt aangeduid door: de Naam.
[6] Genade en Gods gerechtigheid, eigenschappen van God, hier allegorisch-symbolisch aangeduid als pleitende krachten.
[7] Wierookstank. Immers de afgodische, ter eere van Lucifer gebrand.
[8] drommels: Voor drommen.
[9] aangeschapen. Aangeboren (Jammer dat we de termen ingeschapen … aangeschapen; ingeboren … aangeboren, als tegenstellingen, bijna verloren hebben. Ze teekenden zoo gevoelig!)
[10] Hou mijn woord omhoog: Spreek mij voor bij God.
[11] Deze regel van Gabriel doet meer denken aan den goedmoedigen toon van vader Willebrord, uit den Gijsbrecht, dan aan dien van een Aartsengel.
[12] Het tooneel is nu weer in de lagere hemelen. Vol wordt gehouden dat men zich wapent tegen Michael, niet tegen God, hoewel de hoofd-grief: Adams toekomstige heerlijkheid, Michael allerminst raakt.
[13] verschiet zijn groente. Groente: groenigheid; wat groen is. Bij Cats vinden we o.a. in de groente zitten, voor: in het groen zitten. Zijn groente en verf verschieten zal dus wel hier zijn op te vatten als: verschiet zijn blijde, frissche kleur.
[14] beneden deze trappen: Lucifer, als aanvoerder, staat hooger.
[15] en met een aardschen stoet omsingeld. Adams afkomst zou, ten hemelschen troon verheven, ook aardlingen met zich brengen. 't Zich omringen van eigen landgenooten was een onzer grieven geweest tegen Philips II; 't zou, later in de eeuw van Vondel, er een worden van de Engelschen tegen onzen Willem III.
[16] : als ge mij aanvaardt als hoofd van uw vrijheidsstrijd.
[17] verbaasd: als te voren: ontzet.
[18] Dit optreden van Rafael is een der gevoeligste vonden van onzen dichter. Hij leent dezen Engel der Liefde inderdaad de zoet-innigste klanken.
[19] Genade, o Lucifer! Hier is weer genade in den zin van het fransche: de grace.
[20] : de Godheid had u tot haar gelijke gestempeld.
[21] bommen, rinkelbommen, waarmee de Godheid geeerd werd. Vgl. Ifis in Jeftha: "Treen we in, op bommen en schalmeien".
[22] kwaamt te brommen. Hier in den zin van: "zich met luiden galm verheffen".
[23] Uit dien troon. Troon, met troonhemel, gedacht als een omheinde plek, van waaruit de beweging gaat. Daarom niet: van dien troon.
[24] in eenen knoop van dieren: mengeling van dieren. Zie later, Lucifers gestalte-verandering.
[25] misscheppen, doen wanvormen.
[26] zoo laag: immers in de hel.
[27] alle zeven: de zeven Aartsengelen.
[28] met u verlegen: om u begaan.
[29] Hooger niet: ga niet voort in uw verzet.
[30] "Tenzij een leven van ellende … leven mocht heeten".
[31] tocht: dit optrekken (ten verzet).
[32] of echter, of daarna.
[33] onder 's hemelseed, d.w.z. trouw zwerend aan den hemel.
[34] overdrongen: overdringen, hier: met aandrang doen aannemen (Wdbk) Thans: opgedrongen.
[35] paaien, hier: in slaap wiegen.
[36] Het leen verheergewaden: "Tenzij ze aan mijn gezag het hunne ontleenen." huldigen als leenheer.
[37] "Juist dat is de prikkel tot ons verzet." Heel teekenachtig uitgedrukt.
[38] : "wier bewegingsmiddelpunt ge zijt".
[39] Verhef het leen van wat gij bezit aan Adam en zijn neven! "Erken dat Adam en zijn nakomelingen uw leenheeren zijn." Neven staat hier in den ruimeren zin, dien het oorspronkelijk had, van "nakomelingen", "verwanten."
[40] "Wat geleend is, is geen bezit." God kan het u geleende terugnemen; als de leenheer 't goed van den leenman.
[41] 'k Misdank me dan. Ik dank er voor. De term "zich bedanken" leeft nog in de Amsterdamsche volkstaal.
[42] stel me te pande: stel mezelf tot borg.
[43] LUCIFERS wankeling is wel echt; ook al spreekt er meer vrees voor de hachelijke uitkomst dan oprecht berouw uit. 't Is weer een heel mooi moment in het treurspel.
[44] : tijd te marren, tijd tot toeven, aarzelen.
[45] "tenzij God, uit medelijden, belet dat hij nooit meer deel hebbe aan de hemelsche vreugd." Door de dubbele negatief wat onduidelijk. Versta dus: tenzij God uit meedoogen belette dat hij balling blijft van den hemel.
[46] vlgg. Dit gebed is van een waarlijk ontroerende innigheid, meedoogen en overgaaf; een der zuiverst mooie van Vondels vele mooie reizangen.
* * * * *
HET VIJFDE BEDRIJF
RAFAEL. URIEL.
RAFAEL:
De gansche Hemel, van den grond tot op de kruin Der Aartspaleizen[1], juicht op Michaels bazuin En zwaaiende banier. De veldslag is gewonnen. Ons' schilden schitteren, en scheppen nieuwe zonnen[2]. Uit elke schildzon straalt een triomfante dag. Daar komt Uriel zelf, de Schildknaap, uit den slag, En zwaait het vlammend zwaard, dat, scherp van wederzijden Gewet van 's Hemels wrake en gramschap, onder 't strijden, Door schild en harrenas, en helm van diamant, Gevaagd heeft, slinks en rechts, al wat de horens kant[3] En opsteekt tegen Gods doordringende Alvermogen. Gestrenge Schildknaap, die het scherprecht uit den hoogen Bekleedt, en 't ongelijk, dat tegens 't eeuwig Recht Zich opworpt, met een slag rechtvaardiglijk beslecht; Gezegend is 't geweer, gezegend zijn uwe armen, Die d'eer van Englestad handhaven en beschermen. Wat legt ge al prijzen in[4] bij d'Oppermajesteit! Verhaal ons toch den strijd: ontvouw ons al 't beleid, En 's Hemels eersten tocht[5]: wij luistren met verlangen.
URIEL[6]:
Uw lust ontvonkt mijn geest, om rustig aan te vangen. Dien vreeselijken storm t'ontvouwen op een rij[7]. Gelukkig vecht het heir, dat God heeft op zijn zij. De Veldheer Michael (verwittigd uit den hoogen, Door 's Hemels afgezant, die neder kwam gevlogen, Nog sneller dan een star, die door de lucht verschiet, Hoe Lucifer zoo trotsch zich tegens 't hoog gebied[8] Had opentlijk gekant, gereed hen aan te voeren, Die hem bewierookten, zijn starre en standerd zwoeren) Schoot voort, op 't aanstaan[9] van den trouwen Gabriel, Het schubbig pantser aan, en gaf terstond bevel Aan al zijn Oversten en hoofden en kornellen, De heiren, in Gods naam[10], in hun geleen te stellen, Om met gemeene macht en kracht, op 't luchtig ruim Van 't zuivre hemelsblauw, al dit meineedig schuim Te vagen[11], al dit spook[12] in duisternis te dompelen, Eer zij op 't ongezienste ons mochten overrompelen. Op dezen last vergaart Gods heirkracht inderijl Slagordenswijs, zoo snel, gelijk een vlugge pijl, Gedreven van de pees. Men zag ontelbre drommen, In een driekantig heir, aan alle kanten brommen[13], Gelijk een driehoek steekt en straalt op ons gezicht. Men zag een enkelheid in een driepuntig licht, Zoo spiegelglad, gelijk een diamant, geslepen; Een heirspits, eer van God dan eenig Geest begrepen. De Veldheer, met den gloed des bliksems in de hand, Hield, recht voor Gods baniere, in 't hart van 't leger stand. Wie moed wil houden, en triomf en zege baren, Die moet vooral het hart verzeekren en bewaren.
RAFAEL:
Waar bleef 't verwaten heir, dat ons bestormen wou?
URIEL:
Het kwam vol moeds ter bane, en had zijn eerste trouw Gehoorzaamheid en eer en eed en al vergeten, Te heilloos en verwaand op God en ons gebeten. Het groeide snel, en wies gelijk een halve maan. Het wet zijn punten, zet twee horens op ons aan, Gelijk 't gestarrent van den Stier de hemeldieren En andre monsters, die rondom hem henezwieren, Met gouden hoornen dreigt. De rechte horen wordt Vorst Belzebub, opdat hij ons de vleugels kort', En zijne wacht betrouwd; Vorst Belial de slinken. Men ziet hen beide om strijd in hunne rusting blinken. De Stedehouder, nu Veldmaarschalk tegens God, Verzekerde den buik des legers, om het slot, Der regementen knoop, in 't midden te bewaren. De trotsche standerd, daar de dag scheen op te klaren Uit zijne morgenstar, werd van Apollion Gehandhaafd, achter hem, zoo moedig als hij kon, In zijnen vollen krits, omhoog ten toon gezeten[15].
RAFAEL:
Helaas! wat durf, wat durf d'Aartsengel zich vermeten! Och, of ik hem bijtijds tot afstand had gebrocht! Beschrijf me niettemin het aanzicht van dien tocht, En in wat schijn de Vorst de benden kwam geleien.
URIEL:
Omringd van zijn staffiers en groene livereien[16], Hij, wreevlig aangevoerd van onverzoenbren wrok[17], In 't gouden pantser, dat, op zijnen wapenrok Van gloeiend purper blonk en uitscheen, steeg te wagen Met gouden wielen, van robijnen dicht beslagen. De Leeuw en felle Draak, ter vlucht gereed en vlug[18], Met starren overal bezaaid op hunnen rug, In 't parelen gareel, gespannen voor de wielen. Verlangden naar den strijd, en vlamden op 't vernielen, De heirbijl in de vuist; de scheemrende rondas[19], Waarin de morgenstar met kunst gedreven was, Hing aan den slinken arm, gereed de kans te wagen.
RAFAEL:
O Lucifer! gij zult dien hoogmoed u beklagen. Gij fenix[20] onder al wat God daarboven looft! Hoe steekt gij, onder 't heir, zoo fier met hals en hoofd, En helm, en schoudren uit! Hoe heerlijk past u 't wapen, Als waar 't naturelijk uw wezen aangeschapen[21]! O, hoofd der Engelen, niet hooger: keer weerom[22]!
URIEL:
Zoo stonden zij gekant en slagree, drom bij drom, Een ieder op zijn lucht en hoefslag[23], en bij rijen Gesnoerd aan hun gezag[24], om 't schoonst van wederzijen; Wanneer de dolle trom[25] en klinkende trompet Zich mengen; het geluid geweer en handen wet[26], En steigert in den trans van 't heilig licht der lichten; Een klank, waarop terstond een zwangre wolk van schichten[27] Geborsten, slag op slag, een gloenden hagel baart, Een' storm en onweer, dat de Hemelen vervaart, De hofpilaren schudt; de kreitsen en de starren, Verbijsterd in hunne ronde en ommeloop[28], verwarren Of zwijmen op de wacht, en weten niet waarheen Te drijven, Oost of West, of boven of beneen. Al weerlicht wat men ziet, al wat men hoort is donder. Wat blijft er in zijn stand? Het bovenste raakt onder. De heiren, na 't gedreun van 't eerste schutgevaart'[29], Geraken handgemeen met knots en hellebaard, En sabel, speer en dolk. Het gaat er op een kerven En steken. Al wat kan, wat toeleit op bederven, Op schenden, rept zich nu, bederft, en treft, en schendt. De broederschap heeft uit, en niemand ziet noch kent Zijn medeburger meer. Men ziet er parlen huiven, Gekrolde vlechten hairs, en pluim en pennen stuiven, En schitteren, in 't vier der bliksemen gezengd. Men ziet turkoosblauw, goud en diamant gemengd, En perlesnoer, en wat de hairlok kon versieren; De vleugels, half geknot, gebroken pijlen zwieren En zweven door de lucht. Een gruwzaam veldgeschrei Verheft zich uit den stoet der groene liverei; Daar lijdt het krijgsheir last, geperst uit nood te deinzen. De dolle Lucifer hervat den strijd drie reizen, En stut de flauwte van zijn regement zoo trotsch, Gelijk het zeegedruisch al schuimende op een rots[30] Gestuit wordt, reis op reis, en meer niet uit kan rechten.
RAFAEL:
Gewis, het heeft wat in, de Wanhoop af te vechten[31].
URIEL:
De dappre Michael laat blazen: Eer zij God! De regementen, op die leus en zijn gebod Gemoedigd, te gelijk aan 't steigeren en stijgen Naar boven, om de loef[32] van 's vijands heir te krijgen[33]; Dat stijgt meteen omhoog, maar met een trager vaart, En raakt in 't ende in lij; alsof men hemelwaart Een valk zag, van omlaag, op zijne wakkre pennen Zich geven in de lucht, eer hem de reigers kennen; Die sidderen van schrik, in 't bosch, bij eenen beemd Zoodra het hooge nest dien vijand daar verneemt. De reiger schreeuwt en stijgt, en, bang voor 's vijands pooten, Verwacht hem op den bek, om door de borst te stooten Van onder, als hij ploft van boven op den buit.
RAFAEL:
O Lucifer! wat raad? Het ziet er schriklijk uit. Gij zweeft hier op een vlakte, en zonder poort en wallen. Een gruwelijke orkaan wil plotsling u bevallen, En zinken[34] in een poel en afgrond, zonder grond.
URIEL:
Wat gaf 't een schoon verschiet, omlaag een hallef rond Of halve maan; omhoog een driekant spits t'aanschouwen; De regementen, die zich sluiten en ontvouwen, Op 't wenken van hun hoofd, een ieder in zijn vaan, Te zien zoo pal, gelijk metalen muren staan, Als op een wederwicht van lucht en eigen zwaarte, Met al hun slingertuig, geschut, en stormgevaarte[35]. Zij hangen evenals men zich een wolk verbeeldt, Een wolk, waarin de zon met heure stralen speelt, En schildert en schakeert door luchte regenbogen. De hemelsche adelaar, zoo steil in top gevlogen[36], Bespiedt Gods vijand vast, de haviksvlucht, beneen. Hij klapt van moedigheid zijn pennen tegens een, Misgunt ze 't weiden niet, en vruchteloos braveeren, Terwijl hij vlamt om hem te zitten in de veeren, Te plonderen eerlang van zijne gladde pluim; Zoo ras de kromme bek en klauw, op 't luchtig ruim, Het aas bevalle, of drijf voor wind af, uit zijn oogen. Dus komen ze afgestort, en stroomen uit den hoogen, Gelijk een binnenzee of noordschen waterval[37], Die van de rotsen bruist, en ruischt, met een geschal, Dat dier en ondier schrikt, in diepgezonken dalen; Daar steenen van de steilte en dikke waterstralen, En masten zonder tal, verpletten en vertreen Wat tegens woest geweld van stroom en hout en steen Niet opgewassen is. De heirspits treft den navel Der halve mane fel met roode en blauwe zwavel En vlammen[38], slag op slag, en donderkloot op kloot. Dat baart een luchtgeschrei. Het hart van 't heir in nood, Begint van langer hand den wrevelen t'ontzakken[39]. De boog der halve mane, aan 't kraken en aan 't knakken, Zoo stijf gespannen staat (want d'einden krommen vast), Dat hij in 't midden moet bezwijken voor dien last, En springen, wordt hem fluks geen ademtocht gegeven. De trotsche Lucifer, dan hier dan daar gedreven, Schiet toe op dit geschrei, en geeft zich rustig[40] bloot, Om zijn groothartigheid, in 't nijpen van den nood, Te toonen voor de vuist[41], op zijnen oorlogswagen. Dat geeft den flauwen moed. Hij schudt de wreedste slagen[42] En scheuten op 't gebit van zijn verwoed gespan. De Leeuw en blauwe Draak aan 't woeden, vliegen van Zijn hand op elken wenk, met vreeselijke driften. D'een brult en bijt en scheurt, en d'ander schiet vergiften Met zijn gesplitste tong; ontsteekt een pest en raast, En vult de lucht met smook, dien hij ten neuze uitblaast.
RAFAEL:
Hier wil de barrening van boven hem[43] beknellen.
URIEL:
Hij[44] zwaait de heirbijl vast, om Gods banier te vellen, Die neerstijgt, en waaruit Gods naam[45] een schooner licht En schooner stralen schiet, in 't gloen van zijn gezicht. Men denke eens na, of hij dit voorspook[46] ons benijdde. De heirbijl in zijn vuist, aan d'eene en d'andre zijde, Den toescheut stuit[47], en sloopt, of schut ze op zijn rondas, Totdat hem Michael, in 't schitterend harrenas, Verschijnt, gelijk een God, uit eenen kring van zonnen. "Zit af, o Lucifer! en geef het God gewonnen. Geef over uw geweer en standerd: strijk voor God! Voer af dit heilloos heir, dees' goddelooze rot, Of anders wacht uw hoofd!" Zoo roept hij uit den hoogen. D'Aartsvijand[48] van Gods naam, hardnekkig, onbewogen, Ja trotscher op dat woord, hervat in allerijl Den slag, tot driewerf toe, om met zijn oorlogsbijl Den diamanten schild, meteen Gods naam[49], te kloven; Maar wie den Hemel tergt, gevoelt de wraak van boven. De heirbijl klinkt en springt op 't heilig diamant Aan stukken. Michael verheft zijn rechte hand, En klinkt den bliksemstraal, gesterkt door 't Alvermogen, Dien wrevelmoedigen, door helm en hoofd, in d'oogen Al t' ongenadig[50], dat hij achterover stort, En uit den wagen schiet, die, omgeslingerd, kort[51] Met Leeuw en Draak en al, den meester volgt in 't zinken. Den standerd van de star vergaat hierop het blinken; Zoo ras Apollion mijn vlammend zwaard gevoelt, Den standerd geeft ten roof, daar 't barrent en krioelt Van duizend duizenden, om 't hoofd der helsche scharen In 't vallen, voor den val en neersmak, te bewaren. Hier ijvert Belzebub, daar trotst ons Belial. Dus wordt de macht ontsnoerd, en met den zwaren val Des Stedehouders breekt de boog der halve mane In stukken. Echter komt Apollion ter bane Met zooveel monstren, als de kloot des Hemels draagt. De reus Orion[52] schreeuwt, dat al de lucht vertsaagt, En poogt met zijne knots ons heirspits 't hoofd te kneuzen, Die op Orions past, noch knotsen, noch op Reuzen[53]. De Noordsche Beren[54] op hun achterklauwen staan, Om met een dommekracht in 't honderd toe te slaan. De Hydra[55] braakt vergift, en gaapt met vijftig kelen. Ik zie een galerij[56] vol oorlogstafereelen, Geboren uit dien slag, zoo wijd men af kan zien.
RAFAEL:
Geloofd zij God! valt neer, aanbidt hem op uw knien! Och Lucifer! helaas' waar blijft uw valsch betrouwen? Helaas! in welk een schijn zal ik u lest aanschouwen? Waar is uw klaarheid nu, die allen glans braveert?
URIEL:
Gelijk de klare dag in naren[57] acht verkeert, Wanneer de zon verzinkt, vergeet met goud te brallen[58]; Zoo wordt zijn schoonheid ook, in 't zinken, onder 't vallen, In een wanschapenheid veranderd, al te vuil; Dat helder aangezicht in eenen wreeden muil; De tanden in gebit, gewet om staal te knauwen; De voeten en de hand in vierderhande klauwen; Dat glinstrend parlemoer in eene zwarte huid. De rug, vol borstlen, spreidt twee drakevleugels uit. In 't kort, d'Aartsengel, wien nog flus alle Englen vieren, Verwisselt zijn gedaante, en mengelt zeven dieren[59] Afgrijselijk ondereen, naar uiterlijken schijn: Een' leeuw, vol hoovaardij, een vratig, gulzig zwijn, Een tragen ezel, een rinoceros, van tooren Ontsteken, eene sim[60], van achter en van voren Al even schaamteloos, en geil en heet van aard, Een' draak, vol nijds, een' wolf en vrekken gierigaard. Nu is die schoonheid maar een ondier, te verwenschen, Te vloeken, zelf van God, van Geesten, en van menschen. Dat ondier ijst, indien 't de blikken op zich slaat, En dekt met damp en mist zijn gruwelijk gelaat.
RAFAEL:
Dat leert de Staatzucht God naar zijne kroon te steken! Waar bleef Apollion?
URIEL:
Hij zag zijn tij verstreken, Op 't ondergaan der starre, en vlood: een ieder vlood. De hemelsche kortouw[61] van boven, schoot op schoot, Met weerlicht, bliksemen en donderen aan 't rollen, De monsters, in het licht geklauterd, holp aan 't hollen, En groeide in zulk een jacht. Wat was 't een dwarreling Van buien ondereen! hoe ruischt het hier! wat ging, Wat ging er een getij! Ons' macht, van God gezegend, Rukt voort, en treft, en sloopt voorhands wat zij bejegent. Wat green hier[62] overal, waar 't op een vluchten ging, Een wilde woestheid, een gestaltverwisseling, In leden en in leest! men hoort ze brullen, bassen. D'een jankt en d'ander huilt. Wat ziet men al grimmassen In Engletronien nu zweemen naar de Hel, En helsche gruwzaamheen!—Daar hoor ik Michael. Om triomfant in 't licht met Engleroof te pralen[63]. De Reien groeten hem met lofzang en cimbalen, Schalmeien en tamboer. Zij treden hier vooruit, En strooien lauwerloof, op 't Hemelsche geluid.
REI VAN ENGELEN. MICHAEL.
REI VAN ENGELEN:
Gezegend zij de Held, Die 't goddeloos geweld, En zijn macht, en zijn kracht, en zijn' standerd Ter neder heeft geveld. Die God stak naar zijn kroon, Is uit den hoogen troon[64] Met zijn macht in den nacht neergezonken. Hoe blinkt Gods Naam zoo schoon! Al brandt het oproer fel, De dappre Michael Weet den brand met zijn hand uit te blusschen, Te straffen dien rebel. Hij handhaaft Gods banier; Bekranst hem met laurier. Dit paleis groeit in peis en in vrede: Geen tweedracht hoort men hier. Nu zingt de Godheid lof, In 't onverwinbaar hof! Prijs en eer zij den Heere aller Heeren! Hij geeft ons zingens stof.
MICHAEL:
Geloofd zij God! de Staat hier boven is veranderd. D'Aartsvijand[65] leit er toe. Hij laat ons zijnen standerd, En morgenstar en helm en vanen en rondas, Dien afgejaagden roof[66], aan 's Hemels heldere as, Met juichen en triomf en eere en lofgezangen, Bazuinen en trompet, ten klaren spiegel hangen Van wederspannigheid en Staatzucht, die de kam Verheffen tegens God, den onverzetbren stam En oorsprong en de bron en Vader aller dingen, Die wezen en natuur en eigenschap ontvingen. Men zal niet meer den glans der Oppermajesteit Bezwalkt zien door den damp van snoode ondankbaarheid. Zij zwerven in de lucht, en tuimelen en woelen, Heel diep beneden ons gezicht en deze stoelen, Beneveld en verblind en ijselijk misvormd. Zoo moet het gaan, die God en zijnen stoel bestormt.
REI:
Zoo moet het gaan die God en zijnen stoel bestrijden, Den mensch, naar 't Hemelsch beeld geschapen, 't licht benijden.
GABRIEL. MICHAEL. REI.
GABRIEL:
Helaas, helaas, helaas! hoe is de kans gekeerd! Wat viert men hier? 't Is nu vergeefs getriomfeerd; Vergeefs met wapenroof en standerden te brallen.
MICHAEL:
Wat hoor ik, Gabriel?
GABRIEL:
Och, Adam is gevallen; De vader en de stam van 't menschelijk geslacht Te jammerlijk, te droef alree ten val gebracht. Hij leit er toe[67].
MICHAEL:
Dat is een donderslag in d'ooren. Al ijze ik, mij verlangt die nederlaag te hooren. Heeft dan 't verwaten Hoofd het aardrijk ook bestreen?
GABRIEL:
Hij rukte, na den slag, 't verstrooide heir bijeen, Doch eerst zijn Oversten, die voor elkandre gruwen[68]; En zette zich, om 't licht van 't alziende oog te schuwen, In een holle wolk, een duistre moordspelonk Van neevlen, daar geen vier dan uit hun blikken blonk; En, midden in den ring des helschen Raads gezeten, Hief uit zijn zetel aan, te helsch op God gebeten: "Gij machten, die zoo trotsch voor ons' gerechte zaak Dien afbreuk hebt geleen; nu is het tijd om wraak Te nemen van ons leed, en listig en verbolgen, Met onverzoenbren wrok den Hemel te vervolgen, In zijn verkoren beeld[69], en 't menschelijk geslacht Te smoren in zijn wieg en opgang, eer het macht In zijne zenuw krijge en aanwinne in zijne erven. Mijn wit is, Adam en zijn afkomst te bederven[70]. Ik weet, door 't overtreen der eerstgestelde wet, Hem aan te wrijven zulk een onuitwischbre smet, Dat hij, naar lijf en ziel, met zijn nakomelingen Vergiftigd, nimmer zal ten zetel innedringen, Waaruit men ons verstiet; edoch gebeurt het al, Dat iemand bovenstijge, een kleen, een dun getal, En nog door duizend doon en arrebeid en lijden, Zal steigren tot den Staat en kroon, die ze ons benijden. Ellenden zullen zich terstond, op Adams spoor, Verspreien zonder end de wijde wereld door. Natuur zal, van dien slag geteisterd, schier verteren, En wenschen in een Niet of mengelklomp[71] te keeren. Ik zie den mensch, die naar het beeld der Godheid zweemt, Van Gods gelijkenis verbasterd en vervreemd, In wil, geheugenis, en zijn verstand ontluisterd, Het ingeschapen licht beneveld en verduisterd, En wat den dag beschreit, in 's moeders bangen schoot, Gevallen in den muil der onvermijbre Dood. Ik wil de tiranny verheffen, altijd stouter, En u, mijn zoons, gewijd tot Godheen[72], op het outer, In kerken, zonder tal, tot aan de lucht gebouwd, Vereeren offervee, en wierookgeur, en goud, Ja zooveel menschen, als geen tong vermag te noemen, En al wat Adam teelt in eeuwigheid verdoemen, Door gruwelstuk op stuk, Gods naam ten trots begaan. Zoo dier wil hem mijn kroon[73] en zijn triomffeest staan!"
MICHAEL:
Verwaten vloek, zoo trotsch de Godheid nog braveeren! Wij willen u eerlang dat lasterstuk verleeren.
GABRIEL:
Aldus spreekt Lucifer, en zendt Vorst Belial, Opdat hij dadelijk de menschen breng' ten val. Dees schiet[74] de boosheid zelf, de listigste aller dieren, De slang aan, om met glimp van woorden te verzieren Het lokaas, 't welk aldus d'onnoozle schepsels ving, Daar zij geslingerd om den tak der kennis[75] hing: "Heeft God, op halsstraf, u zoo dier, zoo streng, benomen Den vrijdom van het ooft, den smaak van 't puik der boomen? Neen, Eva, simple duif, geenszins; gij zijt verdwaald. Aanschouw eens, bid ik u, dien appel! Ai, hoe straalt, Hoe gloeit dit ooft van goud en karmozijn te gader! Hoe noodt u dit banket! Ai, dochter tree wat nader; Hier nestelt geen venijn in dit onsterflijk loof. Hoe lokt dees' vrucht! ai pluk, ai pluk vrij; ik beloof U wetenschap en licht. Wat deist ge, bang voor schennis? Tast toe, en word God zelf in wijsheid en in kennis En wetenschap gelijk, en eere en majesteit, Hoezeer Hij 't u benij. Zoo vat men 't onderscheid, Het wezen en den aard en d'eigenschap der zaken." Terstond begint het hart der schoone bruid te blaken, T'ontvonken, en zij vlamt op d'aanprezen vrucht. De vrucht bekoort het oog, het oog den mond, die zucht. De lust beweegt de hand al bevende te plukken. Zoo plukt ze en proeft en eet (dat wil haar afkomst drukken!) Met Adam, en zoodra hunne oogen opengaan, En zij hun naaktheid zien, bedekken ze, met blaan, Met vijgenloof, hun schaamte en schande en erfgebreken[77], En gaan zich in geboomte en schaduwen versteken, Versteken, maar vergeefs, voor 't aldoordringende oog. De lucht betrekt allengs. Zij zien den regenboog[78] Gespannen, als een bode en voorspook van Gods plagen. De Hemel treurt in rouw. Geen handenwringen, klagen, Noch schreien helpt den mensch en zijne weergade. Ach! Het weerlicht reis op reis; het dondert slag op slag[79]. Al wat men hoort en ziet, is schrik en angst en zuchten. Zij vluchten voor hun schim, maar kunnen niet ontvluchten Den worm, die 't hart doorknaagt, het overtuigd gemoed. Zij knikkebeenen beide, en struiklen, voet voor voet. Het aangezicht ziet doodsch, en d'oogen, diepverdronken In tranen, zien geen licht. Hoe is de moed gezonken! Hoe stak hij flus het hoofd zoo moedig in de lucht! Het ritslen van een blad of beek, een klein gerucht Verbijstert hen; terwijl een zwangre wolk komt dalen, Die scheurt, en baart allengs een licht, een glans en stralen, Daar d'Opperste uit verschijnt, in dien bedrukten staat, En dondert met zijn stem, die hen ter aarde slaat.
REI:
Och, och! och, och! de mensch waar' nutter nooit geschapen. Dat leert zich aan een vrucht, een mondvol saps, vergapen!
GABRIEL:
"O Adam!" dondert God, "waar zijt gij toe geraakt?" "Vergeef me, o Heer! Ik vlucht uw aanzicht, bloot en naakt." "Wie leerde u," vraagt hem God, "uw schaamte en naaktheid kennen? Durft gij uw lippen aan verboden vruchten schennen[80]?" "Mijn gade, mijne bruid, bekoorde mij, helaas!" Zij zegt: "De slimme slang bedroog me met dit aas." Dus schuift elk van den hals den oorsprong der gebreken[81].
REI:
Gena! Wat vonnis wordt op dit vergrijp gestreken?
GABRIEL:
De Godheid dreigt de vrouw, die Adam heeft verleid, Met ween, en barensnood, en onderworpenheid; Den man met arbeid, zweet, en zorge, en lastig slaven; Den akker, die den mensen ten leste zal begraven, Met onkruid en veel ramp; de Slang, om 't loos misbruik Van haar doortrapte tong, zal kruipen op den buik Langs d'aarde hene, en slechts bij stof en aarde leven. Maar om den armen mensch een' vasten troost te geven, In zulk een jammernis, belooft de Godheid trouw Te wekken[82], uit het zaad en bloed van d'eerste vrouw, Den Sterke[83], die de Slang, den Draak, het hoofd zal pletten Door erfhaat, van geen tijd noch eeuwen te verzetten. En schoon dat felle Dier hem naar de hielen bijt[84], Nog triomfeert de Held met eere, na dien strijd. Ik koom uit 's Hoogsten naam dat onheil u ontvouwen Stel daadlijk orden, eer ze ons moeite op moeite brouwen.
MICHAEL:
Uriel[85], Schildknaap, die het heilig Recht bewaart En reukeloosheid straft, grijp aan uw vlammend zwaard: Vlieg hene naar omlaag, en drijf ze beide uit Eden, Die d'eerste wet zoo blind, zoo reukloos overtreden. Bewaak den ingang van 't ontheiligd Paradijs, En keer de ballingen met kracht af van de spijs, Den boom, die 't leven rekt. Gedoog niet, dat ze pluiken D'onsterfelijke vrucht en 't hemelsch ooft misbruiken. Gij wordt op schildwacht voor den hof en boom gesteld. Dat Adam buiten zwerve, en, vroeg en spade, veld En kleigrond ommeploeg', waaruit hem God bootseerde. Ozias[86], aan wiens vuist de Godheid zelf vereerde Den zwaren hamer van geklonken diamant, En ketens van robijn, en krammen, spits van tand, Ga hene, vang en span het heir der Helsche dieren, Den Leeuw en fellen Draak, die tegens ons' banieren Dus woeden; vaag de lucht van dees' vervloekte jacht[87], En boei ze aan nek en klauw, en keten ze met kracht. Dees' sleutel van den put der afgronds[88] en zijn holen Wordt, Azarias, u en uwe zorg bevolen. Ga hene, sluit in 't hol al wat ons' macht bestrijdt. Maceda, neem dees' torts, die vlam is u gewijd: Ontsteek den zwavelpoel in 't middelpunt der aarde, En pijnig Lucifer, die zooveel gruwelen baarde, In 't eeuwig brandend vier, gemengd met kille vorst; Daar Droefheid, Gruwzaamheid, Versteendheid, Honger, Dorst, De Wanhoop, zonder troost, de prikkel van 't geweten, En Onverzoenbaarheid, een straf van 't boos vermeten, Versteken van den glans der Godheid, in dien rook, Getuigen 's Hemels ban, geveld op 't heilloos Spook; Terwijl 't beloofde Zaad[89], verzoenende Gods tooren, Herstelle uit liefde al wat in Adam werd verloren.
REI[90]:
Verlosser[91]! die de slang het hoofd verpletten zult, 't Vervallen menschdom eens van Adams errefschuld Verlossen, t'zijner tijd, en weer, voor Eva's spruiten, Een schooner Paradijs hierboven opensluiten; Wij tellen d'eeuwen, en het jaar, en dag en uur, Dat uw gena verschijn'; de kwijnende Natuur Herstell', verheerelijke, in lichamen en zielen; Stoffeerende den troon, daar d'Engelen uit vielen.
Noten:
[1] van den grond tot op de kruin der Aartspaleizen: de hemel was verdeeld in een aantal kringen, bogen, sferen, (Voorwoord), hier gedacht als verdiepingen. Aartspaleis: Opperst paleis.
[2] En scheppen nieuwe zonnen, nl. in hun schittering en weerkaatsing.
[3] de horens kant: scherpt, punt. De horens, in gelijkenis met stootende stieren.
[4] Wat legt ge al prijzen in: hoeveel prijzen verzekert ge u niet, vergelijk "wat legt gij een eer in".
[5] eerste tocht: strijd.
[6] URIEL. Vondel, zoomin als een der klassieke dichters, laat ooit een strijd, zien, maar beschrijft hem. Want hen dramatische kunst is allereerst die van het woord en niet van de reeel uitgebeelde handeling. Dat dit in dit geval juister is dan de Shakesperiaansche methode om wel dien strijd ten tooneele te brengen, behoeft geen betoog. Er zou van de grootschheid der hier nu volgende hemelsche worsteling niets terecht komen, als we haar in werkelijkheid moesten zien, en niet het beeld ervan in Vondels vers. (Zie ook Inleiding tot V.'s Dramatiek).
[7] t' ontvouwen op een rij: achtereenvolgens uiteen te zetten.
[8] tegens 't hoog gebied: tegen d'oppermacht.
[9] op 't aanstaan: op 't aandringen.
[10] in Gods naam: Natuurlijk niet in onzen alledaagschen zin van: "omdat hij 't niet laten kon", maar: "in naam des Heeren".
[11] op 't luchtig ruim … te vagen: het schuim leeft op het ruim en daarvan moet het weggevaagd worden.
[12] Al dit spook: al dit gespuis.
[13] brommen. Hier: "zich luidruchtig aanstellen, gereed maken. —Driekantig heir. Het leger van Michael vormt dus een driehoek; dat van Lucifer neemt den slagorde-vorm aan van een Halve Maan. Dr. Cramer ziet in het eerste een toespeling op de heilige Drieeenheid; en in laatste een op de Turken. Het schijnt inderdaad die eerste opvatting te bevestigen, doch het volgend verhaal van Uriel doet vermoeden dat Vondel eer alleen aan het Sterrebeeld van den Stier dan aan de Turken gedacht heeft, ook al wordt er even van de halve Maan gerept.
[14] Werd van Apollion gehandhaafd: werd door A. in de hand gehouden; hooggehouden.
[15] In zijnen vollen krits omhoog ten troon gezeten; Apollion troonde hoog, in zijn volle glorie.
[16] groene livereien: De een ziet in dit "groen", de kleur van de slang, de ander die van den Turk. Misschien hebben beiden gelijk.
[17] Wreevlig aangevoerd van wrok: door wrok wrevelig geworden en nu opgestuwd.
[18] De Leeuw en de Draak: twee sterrenbeelden, (zie Berecht); ter vlucht gereed en vlug: gereed en in staat tot vliegen.
[19] rondas: rond schild.
[20] Gij fenix: Fenix is de uit zijn asch herlevende vogel; beeld der onsterfelijkheid en dus der hoogste voortreffelijkheid. Zoo noemt Vondel ook Huigh de Groot wel een Fenix.
[21] Zie hiervoor zoowel over naturelijk als over aangeschapen.
[22] Een levendige indruk van 't gebeurende in plaats van 't beschreven gebeurde geeft die uitroep van Rafael, herhaling van zijn vroegere bede tot Lucifer.
[23] Hoefslag: wachtpost.
[24] gesnoerd aan hun gezag: onderworpen aan hun commando.
[25] dolle trom: dol, Eng. dull: dof.
[26] het geluid geweer en handen wet: op dit geluid komen hand en wapen in gereedheid tot den aanval.
[27] schicht: pijl; bliksemschicht.
[28] de kreitsen … in hun ronde, de starren … in hun omloop.
[29] schutgevaart. De bliksem en het onweer stellen in dezen hemelschen strijd de eerste uitbarsting voor van het schieten, waarmee op aarde een strijd begint. In de volgende beschrijving spreekt Uriel alsof hij een van V.'s tijdgenooten was. Maar dit localiseeren in den eigen tijd was deze periode nog eigen. Ook voor de volgende beeldspraak van een zee, beukend op een rots, de toef te krijgen, geldt dit.
[30] zie [29].
[31] de Wanhoop af te vechten: een wanhopigen strijd te strijden.
[32] zie [29].
[33] Heel levendig moment, dat opstijgen van Michaels macht, boven die van Lucifer uit, om den gunstigen wind te krijgen. Ook het volgende uitgewerkte beeld van de valk en de reigers is krachtig-gevoelig van teekening; doet alleen in de beschrijving van deze worsteling wat klein. Ditzelfde ook voor de waterval-vergelijking, [37] vlgg.
[34] En zinken. Feitelijk: zenken d.i. doen zinken.
[35] Uit dezen regel blijkt duidelijk de bevestiging van het opgemerkte bij [29]: V. denkt zich beide legers voorzien met de aardsche strijdmiddelen van zijn tijd.
[36] De hemelsche adelaar en zijn pennen: De gevleugelde Michael.
[37] zie [33].
[38] roode en blauwe zwavel en vlammen. Hier denkt V. weer aan de geschutwerking van bliksem en donder.
[39] het hart … ontzakt voor: de moed ontzinkt.
[40] rustig = moedig.
[41] voor de vuist: openlijk.
[42] Hij schut de wreedste slagen: weert de hardste slagen af.
[43] hem en [44] hij slaan beide op Lucifer.
[45] Gods naam (zie ook [49]), die op Michaels schild is aangebracht.
[46] Dit voorspook: voorteeken.
[47] den toescheut stuit, stuit het toeschieten, opdringen; hen, die opdringen.
[48] d'Aartsvijand: d'Opperste vijand, Lucifer.
[49] zie [45].
[50] Al t' ongenadig: in zoo sterken mate ongenadig.
[51] kort: onmiddellijk.
[52] De reus Orion. Hier is Vondels mythologische kennis aan het woord: de reus Orion, als sterrebeeld met zijn knods, is Grieksch. Maar ook dezelfde primitieve klassieke herinneringen als hem in de Gijsbrecht den "Sparre-wouwer reus" aan het gevecht doen deelnemen. Zonder een reus was deze strijd voor hem niet compleet, ook al verwierp hij in zijn Berecht het denkbeeld, een goddeloozen Reuzenstrijd te hebben willen schilderen. (Zie ook Voorwoord.)
[53] "die niet geeft om Orions, knodsen of reuzen".
[53] De bekende sterrebeelden van de Beer, dicht bij de Noordster.
[55] De Hydra, mythologische draak met vele koppen, ook sterrebeeld.
[56] Ik zie een galerij: Gelijksoortige wending als in het verhaal van den Bode in Gijsbrecht: "ik zie de deugden zelf." De verhaler tracht even door een samenvattend beeld de verbeelding der toehoorders te doen wijden in een visioen. Een galerij van oorlogstafereelen is zoo echt Vondeliaansch. Immers waren hem poezie en schilderkunst zeer nauw verwant.
[57] nare nacht. Naar (Engelsen narrow): nauw. Vandaar dat "naar" en "eng", angstig, in beteekenis verwant zijn, en naar ook donker beteekent, met de bijgedachte "beangstigend."
[58] vergeet met goud te brallen, nalaat met goud te pronken, dus: "eindigt met schitteren."
[59] mengelt zeven dieren afgrijselijk ondereen: neemt de afgrijselijke gedaante aan van een mengeling der zeven dieren: de hoofdzonden: Hoovaardij, gulzigheid, luiheid, wellust, toornigheid, nijdigheid en gierigheid.
[60] eene sim: een aap.
[61] Kortouw, kartouw, geschut. Zie de aanteekening bij [29].
[62] Wat green hier: green, verleden van grijnen, boosaardig kijken (Wdbk). Voor de gedaanteverwisseling der gevallen Engelen zie men o.a. de schilderij van Pieter Breughel, te Brussel, afgebeeld in De Ploeg, IIe Jaarg. 120.
[63] met Engelenroof te pralen: "Te pralen met 't den Engelen (zie ook [66]) "ontroofde". Een barbaarsch idee; zeker niet hemelsch.
[64] troon: hemel.
[65] d'Aartsvijand leit er toe. Ligt onder, is overwonnen. Zie ook [67].
[66] zie [63].
[67] zie [65].
[68] die voor elkander gruwen. Na hun gedaanteverwisseling.
[69] In zijn verkoren beeld. Immers: God schiep den mensch naar Zijn Evenbeeld.
[70] te bederven: ten verderf te brengen.
[71] Mengelklomp, gelukkig Nederlandsen woord voor chaos.
[72] U mijn zoons, gewijd tot Godheen. De duivelen en de heidensche afgoden worden in de Christelijke opvattingen vereenzelvigd. Maar ook kan Vondel hier gedacht hebben aan de duivel-aanbidding, die tot op onzen tijd voortleeft.
[73] Mijn kroon, d.w.z. de mij ontroofde kroon.
[74] schiet (de gestalte van) de slang aan.
[75] tak der kennis voor: "tak van den boom der kennisse".
[76] bang voor schennis: bevreesd het verbod te schenden; zie [80]: uw lippen schennen: bezoedelen.
[77] Erfgebreken: Erfzonden. Zie ook [81].
[78] Regenboog. Ietwat vreemd den bijbelvasten Vondel hier den regenboog te zien aanduiden als een voorspelling van straf, in plaats van als teeken van Gods verbond met den mensch. Genesis IX, 12-17.
[79] vlgg. Een levendige, aangrijpende schildering van angst en berouw.
[80] zie [76].
[81] zie [77].
[82] belooft de Godheid trouw te wekken. Trouw: "zekerlijk."
[83] Zie ook [90]. De Sterke is de Verlosser (En [89]: 't beloofde Zaad). Immers Jezus overwon het kwaad (door erfhaat, ingrondigen haat) ondanks Satans pogen hem te bestrijden en verleiden [84].
[84] zie [83].
[85] Uriel. In Adam in Ballingschap treedt dezelfde Engel op, om Adam en Eva ter verantwoording te roepen, ze daarna uit Eden te verjagen. Doch de dramatische toestand is in beide stukken in ieder opzicht verschillend, en in de Adam moest de hier geschilderde volgorde en rol der personagien wel afwijken.
[86] Ozias, Azarias en Maceda. Of Vondel deze Engelennamen zelf verzonnen heeft, dan wel ze aan onbekend gebleven overleveringen ontleende, is nog niet gebleken. V. was ontzaglijk belezen in de theologische literatuur van zijn tijd (zie ook mijn studie over zijn Jeftha) en het zou me niet verwonderen als men ook hier den oorsprong van deze namen nog eens vond. De rol van Ozias doet denken aan die van Hephaistos in Aeschylos' Promotheus Geboeid (W.B. 182.)
[87] Vervloekte jacht, 't Vervloekte wild.
[88] de put des afgronds en zijn holen: de Hel met al haar afdeelingen, waarin 't eeuwige vuur en de felste koude samen wonen, met al de verdere gruwelen, door Dante beschreven.
[89] zie [83].
[90] vlgg. Plechtiger en vromer kon Vondel zijn gewijd treurspel moeilijk besluiten dan met deze laatste aanbidding van den Rei. (Zie Inleiding.)
[91] zie [83].
* * * * *