← Table of contents
Lord Lister No. 0115

Raffles maakt kennis.

Reading edition

„Wat denk je er van, Charly, om van avond eens een kijkje te gaan nemen in het Panopticum,” vroeg Lord Lister zijn vriend en secretaris Charly Brand, die tegenover hem in een wijden fauteuil had plaats genomen en nu in langzame trekjes een Egyptische sigaret in fijne, blauwe rookwolkjes deed opgaan.

Lord Edward Lister woonde nu sinds geruimen tijd met zijn vriend Charly Brand in de hoofdstad van Nederland.

Den grooten onbekende beviel het leven in het kleine landje en speciaal in de hoofdstad van Nederland, uitstekend.

Zijn Londensche avonturen was hij moede en met een onmerkbaren glimlach dacht hij nog eens terug aan zijn laatste reis naar Amerika en het avontuur, dat hem bijna het leven had gekost en zonder naar Charly’s antwoord te luisteren, verviel hij in een langdurige mijmering.

Hij reisde destijds naar Harrisburg om een vriend te bezoeken, die daar directeur der waterwerken was.

Den ganschen nacht reeds had het geregend en toen de Groote Onbekende te Harrisburg aankwam, verdween zijn hoop, dat het weer zou ophelderen gansch en al.

Ook hier viel de regen in stroomen neer.

Roberts haalde zijn vriend van het station en al spoedig begon men over het slechte weer te spreken.

„’t Is vervelend Edward,” zei Roberts „dat de regen maar niet op wil houden; hij bederft den watertoevoer en de menschen kijken mij er op aan, alsof ik het helpen kan.

„Zijn de vergaarbakken dicht bij de stad?” vroeg Raffles.

„Neen. Ze zijn ver weg, boven in de bergen; morgen kun je wel eens meerijden, dan moet ik inspectie houden.”

„Dolgraag,” had Lord Lister geantwoord.

Den volgenden middag was het tweetal naar boven in het gebergte gereden.

Al spoedig had men daar een kleine herberg bereikt, die in den volksmond „Het watergat” werd genoemd.

De vrienden sprongen uit de rammelkast.

Een machine-opzichter naderde en groette.

„Alles in orde?” vroeg Roberts.

„Ja, meneer! Alles in orde, behalve dan— — —”

„Wel, behalve?”

„De indamming aan de zuidzijde van het reservoir bevalt me niet.”

Roberts ontstelde.

„Ga mee” sprak hij kortaf.

Weldra werd de indamming zichtbaar, die het water der drie grootste reservoirs der Toledo-waterwerken bevatte.

Een frissche bries dreef het water in kleine golfjes tegen den bovenaan gemetselden dam, nu en dan spattend tegen het metselwerk.

„Hier is de minder veilige plek, die ik van morgen heb gevonden,” zeide de opzichter.

„Neem dadelijk mannen en vul dit aan,” sprak Roberts, wijzende op een kleine spleet, die een minder geoefend oog stellig ontgaan zou zijn.

Al lager en lager zakten de donkere, grauwe wolken boven de geheele omgeving. Een zachte, klagende toon scheen door de lucht te trillen. De wind kon het niet wezen, daar deze bijna geheel was gaan liggen. De boomen bewogen nauwelijks— — — — — — — — —

Het was den Grooten Onbekende, in zijn wijden armstoel geleund, plotseling, alsof hij de wonderlijke emoties uit die dagen wederom doorleefde en hij hoorde het Roberts vragen.

„Zou je niet alleen naar huis willen rijden, Edward?”

„Waarom? Ben je van plan hier te blijven? Dreigt er gevaar?” luidde de wedervraag.

„Dat nu juist niet, Edward. Maar ik acht het mijn plicht hier te blijven. Morgen of overmorgen zal ik volgen.”

„Laat me bij je blijven, Roberts.”

Zoo werd besloten, dat Lord Lister zoude blijven.

Door vermoeienis overmand begaf Raffles zich ter ruste.

Om vijf uur in den morgen, in het grauwe schemerlicht, kwam Roberts de kamer binnen.

„Kleed je zoo snel mogelijk aan en kom beneden” sprak hij, en toen:

„Verlies geen tijd en praat niet; ik heb je hulp noodig.”

De Groote Onbekende sprong haastig op en snelde naar het raam toe om naar buiten te zien.

Nog steeds viel de regen in stroomen neer. Met geweld stortte het water van de hoogten. De wind boog de takken en huilde door de twijgen.

Haastig kleedde zich Lord Lister om zich naar zijn vriend te begeven, die bezig was een spoorboekje door te zien, dat hij steeds op zak droeg.

„Wil je een paard nemen, Edward en naar het verbindingsstation rijden?” vroeg hij.

„Natuurlijk. Een rit bij stroomenden regen is spoedig volbracht, kerel. Binnen vijf minuten kan ik klaar zijn! Waar is het paard?”

Raffles ging zijn regenjas halen en toen hij terug kwam, stond het paard reeds voor de deur, waarvan Roberts de riemen nakeek.

„Edward, rijd naar den stationschef te Lowton en zeg hem, dat het zuidelijke reservoir het geen drie uur meer houden kan.

„Het water zal doorbreken en het groote viaduct vernielen even als alle bruggen van de zijrivier. Hij moet het spoorwegverkeer tegenhouden en de reizigers redden. Vaarwel, Edward, je rijdt op je leven.—Als de dam doorbreekt, zal ik het signaalgeschut ter waarschuwing afvuren. Vaarwel, kerel!”

Werktuigelijk greep Lord Lister de teugels.

Zwijgend knikte hij zijn vriend toe—toen begon de woeste rit.

Nog drie uren!

Dan zou het water het dal overstroomen!!

Voor honderden menschenlevens had hij te rijden!!!

Het Lowtonstation lag op eenige mijlen afstands.

De weg voerde door moerassige weiden en gezwollen beeken; de stormwind joeg den regen.

Alle wilskracht werd van den ruiter vereischt om zijn taak ten uitvoer te brengen, maar Lord Lister achtte het zijn plicht vol te houden.

Hij zette zijn paard tot spoed aan— — — — — —

Nu splitste zich de weg. Langen tijd tot aarzelen was er niet—geen handwijzer wees den weg—de ruiter sloeg den linkschen kant in.

In vliegen den galop, voortgedreven door den ontzettenden wind, joeg de Groote Onbekende verder.

En weder splitste zich de weg—hier stond een handwijzer, hier was te lezen, welke richting thans moest worden genomen.

De ruiter verloor schier zijn bezinning!— —Op den handwijzer stond in de richting, die hij volgde:

„Naar Toledo en Smithville”.

Raffles kon zijn oogen niet vertrouwen!—Den vorigen dag had hij met zijn vriend toch dien zelfden weg afgelegd. En nu schoot het hem door de gedachte, dat hij in de verkeerde richting had gereden.

Het was een noodlottige vergissing!

’t Was omstreeks zes uur.

Een der drie kostbare uren was verloopen en de ruiter was verder van het doel van zijn tocht verwijderd dan op het oogenblik, toen hij zijn tocht begon.

Wat moest hij doen?

Twee uur bleven er nog.

Nog drie mijlen bergopwaarts en nog zeven mijlen over het moeras moesten worden afgelegd, voordat het station was bereikt.

Tot lang overleg was het nu de tijd niet.

De toppen der naburige bergen waren in een dichten nevel gehuld, maar van de hoogte af, waarop de ruiter in dolle vaart voortsnelde, kon hij op grooten afstand den spoorwegdam en het station onderscheiden.

Een donkere rook scheen daar op te trekken—misschien een locomotief, die een trein moest wegbrengen.— — —

De borst van Lord Lister zwol van trots, toen hij bedacht, hoe hij er destijds op los had gereden.

Hoe het mogelijk was, dat zijn paard zich op de been hield, was hem heden nog een raadsel.

Toen het acht uur sloeg, kwam hij bij het station aan.

De drie uren waren om!—Nog had Roberts niet het afgesproken noodsignaal gegeven. Er kon nog getelegrapheerd worden.

Raffles riep den portier.

„Ge komt te laat”, sprak hij „de sneltrein is zooeven afgereden.”

„Ik wilde niet met den trein mede, maar ik moet een telegram afgeven. Waar is de chef?”

„Hij komt terstond. Maar ge kunt niet telegrapheeren, de storm heeft alle draden vernield.”

„Niet telegrapheeren? Maar het verkeer moet worden tegengehouden, het Toledo-reservoir zal in dit uur nog springen.”

„Kan dat waar zijn?”

Een heer vroeg dit op ietwat koelen toon.

Het was de stationschef zelf.

„Maar ál te waar! Ik ben met levensgevaar hier heen gereden om u dit mede te deelen.

„Wij moeten in elk geval de treinen ophouden!”

„De eerstvolgende trein”, zei de chef, „verlaat om acht uur vijf minuten Pottstown, het zal misschien nog tijdig genoeg zijn. Volg mij snel.”

Men spoedde zich naar een dichtbij gelegen schuur.

In hetzelfde oogenblik doortrilde een dreunend schot de lucht en donderend werd het door de bergen weerkaatst.

„Het is een afgesproken teeken, het reservoir is gesprongen.”

De chef riep luide.

Een beambte verscheen.

„Is de machine klaar?”

„Ja, chef! Klaar voor den eersten trein.”

„Haast je! En u, meneer, kunt er opklimmen!”

Dit geschiedde en men reed tot aan den hoofdweg.,

En vandaar, nadat eenige aanwijzingen aan de werklieden waren gegeven, begon de wedren met het water.

Men moest den vloed vóór zijn.

Zou men het winnen?

Een fluiten—de machine reed weg.

„De vloed! De vloed!” riep de stoker.

Een hooge, donkere, beweeglijke muur met een sneeuwwitten schuimkroon rolde van de bergen af op het viaduct toe.

„Vooruit!” riep de chef. „Volle stoom!”

Men suisde verder—nog enkele minuten—dan zou het lot beslist zijn.

Het was een wedren, die men tot aan zijn dood niet vergeet en in dit oogenblik, dat Raffles er aan dacht, onderging hij wederom volkomen de emotie van dat oogenblik.

Al meer en meer naderde de vloed, groote steenen als schuim voor zich uit vegend.

Boomstammen, hooibergen, voorwerpen van allerlei aard kwamen aanjagen in ijlende vaart.

En uit den schoorsteen van de locomotief vlogen gansche vuurbundels.

Nog een ruk!—Raffles haalde de kruk over tot het uiterste.

Men naderde de brug—nog één seconde—men was er over!

En toen!

Een ontzettend gebruis—een donderend gekraak.

De brug bezweek. Met een gedreun en gekraak, dat men mijlen ver in den omtrek hoorde, werd het viaduct weggeveegd door den woedenden storm.

Nu gold het, den trein te waarschuwen.

De Groote Onbekende zwaaide een roode vlag en de chef gaf een noodsignaal. Het doel was bereikt.

Alle passagiers werden gered door den vermetelden rit—een rit op leven of dood!

In véél korter tijd, dan wij het hier hebben kunnen mededeelen vloog deze Amerikaansche herinnering door het levendige brein, den altijd werkenden geest van John C. Raffles.

Hij verdiepte zich voor zoo’n korte spanne tijds wel eens gaarne in herinneringen aan jeugdiger, onstuimiger tijd.

Gaarne dacht hij aan al die moedige, niet zelden overmoedige daden, door hem bedreven, soms tot heil der menschheid.

De vele, de honderden avonturen, die hij daarna had beleefd en medegemaakt in Engeland’s hoofdstad waren gevolgd door een weeldeleven, gewijd aan sport en van de vermakelijkheden, die de Club der Lords hem zoo ruimschoots had geboden.

En nu was de Groote Onbekende, de Londensche gentleman-dief, de man, die zoo langen tijd den almachtigen Baxter, den politie-inspecteur van Scotland Yard voor den mal had gehouden en die zooveel sterke stukjes had uitgehaald in het opsporen van dieven, woekeraars, chèque-vervalschers en andere misdadigers, hij was het leven in Londen tijdelijk moe geworden; hij verlangde naar prettige afwisseling van zijn club- en sportleven.

En zoo genoot Amsterdam de eer (velen zouden het een twijfelachtige eer noemen) den gentleman-dief te huisvesten binnen zijn poorten.

Doch niemand van al de personen uit de eerste en aristocratische kringen, met wie John C. Raffles alias de Groote Onbekende en zijn vriend en secretaris Charly Brand hadden kennis gemaakt en met wie zij thans omgingen op vriendschappelijken voet, niemand van hen allen koesterde ook maar de geringste argwaan.

Er was geen sterveling, die vermoedde, dat zij hunne salons gastvrij openden voor een wereldberucht persoon.

Lord Edward Lister van zijn kant, maar ook zijn jonge vriend, beiden van adellijken bloede, gaven dan ook niet den geringsten aanstoot.

Integendeel!

De heeren bewonderden onwillekeurig de onberispelijke manieren en den aangenamen conversatietoon van den eleganten Lord.

Het kwam in de Amsterdamsche salons dan ook niet elken dag voor, dat men een Lord, een heuschen, onvervalschten Lord kon ontmoeten.

Zoo had Lister al spoedig een breeden kring van vrienden verworven.

En de dames!

Wie zou bij benadering kunnen constateeren, hoeveel mooie en leelijke, jonge en oudere en oude dames uit de hoofdstad, uit de residentie en ook uit de andere steden waar hij had vertoefd, dweepten met den slanken, knappen, gereserveerden heer, die, van Hollandsche afkomst (had de Lord niet verteld, dat zijn grootmoeder een Arnhemsche van geboorte was) zoo op en d’op een Engelsch gentleman was geworden in den volsten zin van het woord.

Als Edward Lister in de schouwburg-loge of in de concertzaal verscheen, dan werd menige kijker gericht op het knappe gelaat van den donkeren edelman; dan klopte menig hartje sneller en dan waren er heel wat gelukkigen, die in deze pauze een handdruk mochten wisselen met „hem”.

De Groote Onbekende was een gevierde persoonlijkheid geworden.

En al liet hem dit ook volkomen koud; al lachte hij er binnenskamers om, spottend tegen zijn vriend, dat de dames uit het koude kikkerlandje even dwaas bleken te zijn als haar zusters uit warmer landen, toch was hij diplomaat genoeg om die innerlijke onverschilligheid te verbergen achter een masker van innemendheid, hartelijkheid en sympathie.

Maar ook de blonde secretaris van den Lord, de jeugdige Charley Brand, mocht zich verheugen in groote populariteit.

Charly met zijn jongensachtig open gelaat, waarin een paar groote, blauwe oogen tintelden van overmoed en levenslust, Charly Brand was heel wat minder gereserveerd tegenover de schoonen, die zoo openlijk haar bewondering voor hem lieten blijken.

En als niet Raffles, zijn „heer en meester”, zooals Charly hem steeds placht te noemen, hem tot de grootste reserve had aangemaand, dan zou Charly zich reeds in een groot aantal liefdesavonturen hebben gewikkeld.

Nu hield hij zich kalm, al flirtte hij ook met de lieve jonge meisjes, die op bals en partijen met hem dansten en die zoo gaarne luisterden naar al de dolle verhalen, die Charly met grooten spot en met het leukste gezicht van de wereld ophing van zijn reisavonturen.

Het mooie, ruime villa-achtige heerenhuis, door den Grooten Onbekende in het Willemsparkkwartier gehuurd en met verfijnden smaak ingericht, was dikwijls de plaats van samenkomst van een groot aantal personen uit de „beau monde”, de groote wereld.

En bij die personen voegden zich dan bekende musici en schilders.

Lord Edward Lister was mooi op weg om de toonaangever te worden in het aristocratische milieu van Neerlands hoofdstad.

Met een schokje richtte Lord Lister zich op en even streek hij over het hooge, gladde voorhoofd.

„En Charly, willen we den tango eens zien dansen of heb je plan, vanavond te blijven lezen?”

Uit zijn zwaren, gouden sigarettenkoker had Raffles een sigaret genomen en ook hij liet nu dunne straaltjes rook door zijn lippen glijden.

„’t Panopticum?” zei Charly, „ik heb je al een paar keer geantwoord, Edward, dat ik dien tango nu al zóó vaak gezien heb! Véél te vaak! En mooier dan ze in het Rembrandt-Theater wordt uitgevoerd, kan ik het mij al niet denken! Waar heb je al dien tijd met je gedachten gezworven?”

„Dus thuisblijven?” vroeg Raffles, zonder verder in te gaan op de vraag van zijn vriend.

„Nee!”

„Wat dan, boy?”

„Ik voel heel veel voor het Circus!”

Raffles keek op.

„’t Circus?”

„Ja, Edward; hoe denk je daarover?”

„All right, Charly! Ik voel daar ook wel iets voor. Dan gaan we vanavond eens een kijkje aan den Amstel nemen.”

Charly haastte zich om een paar koppen thee in te schenken.

Een ervan zette hij op het geel marmeren rooktafeltje bij zijn vriend neer.

Lord Lister rekte zich uit en geeuwde.

Toen stond hij op, nam den theekop in zijn handen, roerde er in met groote aandacht en zei:

„Charly, ik verveel me.”

De jonge secretaris lachte.

„Ik verveel me”, herhaalde Raffles, „en daarom behoef jij niet te lachen.”

„Maar Edward, het is toch belachelijk!”

„Zóó! En waarom?”

„Omdat jij geen dag zonder avonturen kunt!”

„De geschiedenis spreekt daar heel anders van!”

„De geschiedenis?”

„Zeker! We zijn nu al drie maanden zonder de minste emotie. En jij spreekt van een dag!

„Ik geloof, dat Nederland voor mij al afgewerkt is.”

„Kan zijn, Edward. Maar daarom behoef je toch niet dadelijk in verveling te vervallen. Jij hebt alleen maar plezier in avonturen. Hoe gevaarlijker ze zijn, hoe meer jij eraan smult.

„En ’t liefst sleep je mij er dan ook in! Ik ben den hemel te rijk, dat we nu eens rustig kunnen genieten van „onze vacantie”!”

Raffles lachte.

„Je bent een goede boy, Charly, maar jouw levensopvatting is nu eenmaal niet de mijne. Je weet, dat ik er steeds werk van maak, om, zooveel dat in mijn vermogen is, begaan onrecht te herstellen en te wreken!

„En als ik nu geen aanleiding heb om me daarmee bezig te houden, dan—ja, dan verveel ik me!

„En maak je nu klaar, Charly, anders mis je de paardensport.”

Toen Edward Lister en zijn jonge vriend, omstreeks half negen plaats namen in een der loges van den Circus-Carré, was de groote ruimte bijkans geheel gevuld met een belangstellend publiek.

De muziek speelde slepende walsen, een vurig paardje danste op de maat van een populair wijsje uit „Die schöne Cubanerin”, en te midden van die luidruchtige vroolijkheid kwam Lord Listers goed humeur weer terug.

Het was alsof hij begreep, dat hier in de nabijheid het wild was op te sporen, waarnaar hij reeds eenigen tijd tevergeefs verlangend uitkeek.

John C. Raffles was een hartstochtelijk sportliefhebber en hij wees Charly vol geestdrift op het prachtige, zwarte paardje, dat zoo sierlijk trippelde op de fijne beenen, terwijl de wijde neusgaten briesend snoven en de hoeven van de voorpooten zenuwachtig wroetten in het mulle zand van de arena.

Een groot aantal aardige en grappige nummers werd vertoond vóór de pauze. Daarna zou een pantomime, eindigend in een waterballet, het publiek worden geboden.

De Groote Onbekende haalde zijn binocle te voorschijn en keek de loges langs. Maar er was niets en niemand, dat zijn belangstelling trok.

Totdat, omstreeks half tien in de loge naast die, waarin de beide vrienden zaten, een dame en een heer kwamen plaats nemen.

„Ook vreemdelingen”, was de eerste gedachte van Lord Lister, toen hij van terzijde opkeek naar het tweetal, dat heel wat opzien baarde in de loges.

De heer had een zeer donkere gelaatskleur en toen hij den cylinder afzette, kwam een glanzend zwarte haardos te voorschijn. Zóó glad en zóó glanzend, dat Charly voor zichzelven de opmerking maakte, dat dit kapsel alleen dien glans kon hebben gekregen door ijverige en voortdurende bewerking met de een of andere pomadesoort.

De overpeinzingen van den Grooten Onbekende waren echter van minder oppervlakkigen aard.

Hij had het voorkomen van den heer met het zuidelijk type en den loerenden blik goed opgenomen. Toen keek hij naar de dame, die den heer vergezelde.

Zij had haar kostbaren zijden mantel achteloos van de schouders laten glijden. Een kanten japon van zilvergrijze kleur, gegarneerd met hel groene zijde omsloot haar welgevormde taille.

„Een fijn profiel”, merkte Raffles op, „een uitheemsch gezichtje—toch een geraffineerde uitdrukking in de oogen”, voltooide hij, toen de vrouw zich half omwendde en met haar fascineerende oogen Lord Lister in het gelaat zag.

Toen, even later, een paar koddige kleine clowns de arena kwamen binnen duikelen, klonk de lach der mooie, vreemde vrouw luid-op.

Terzelfdertijd maakte zij een opmerking tot haar geleider.

Even hief Raffles het hoofd op, luisterende naar den klank der woorden.

De dame had in de Spaansche taal gezegd, dat ze het zoo héél erg warm vond.

„Spanjaarden”, peinsde Raffles. En zijn gedachten vlogen naar het schoone Pyreneesch schiereiland, waar hij eenige jaren had vertoefd.

Hij had Spanje in al zijn schoonheid leeren kennen en het was het eenige land, waaraan hij met een tikje weemoed terug dacht.

Want in Madrid was het geweest, dat Lord Lister voor de eerste en de eenige maal waarachtige liefde had opgevat voor een jonge vrouw.

Zijn liefde werd beantwoord, maar het jonge meisje was gestorven ten gevolge van een val van haar paard.

Carmen Donpertusso was toen 23 jaren oud.

Dat was nu al tien jaar geleden, maar Lord Lister dacht nog dikwijls aan het bekoorlijke meisje en hij werd weemoedig gestemd, als de een of andere ontmoeting hem herinnerde aan zijn eerste en eenige liefde.

In de pauze stelde Charly zijn vriend voor, de stallen te gaan bezichtigen, Raffles stond op en volgde.

„Je hebt zooveel verstand van paarden”, zei Charly, „ik ben benieuwd, of de dieren zóó zijn, dat ze je belangstelling wekken.”

Lord Lister had indertijd een prachtigen renstal gehad en tot twee keer toe was een zijner hengsten de eerste prijswinner in de Derby-rennen geweest.

Hij monsterde de fraaie beesten in de stallen dan ook met veel kennis van zaken en Charly deelde hij mede, dat de eigenaar van dit stel paarden inderdaad trotsch mocht zijn op die kostbare verzameling.

„Kijk eens naar het hoofd, let op de oogen,” legde hij zijn vriend en secretaris uit, toen hij vol geestdrift de bijzondere schoonheid en de teekenende raseigenschappen van een zwarten hengst uitlegde.

Een heer en dame stonden naast hen. Deze heer scheen eveneens een groot sportliefhebber te zijn. Ook hij was enthousiast van het fraaie, zwarte dier, want in de Spaansche taal verkondigde hij den lof ervan.

Raffles wendde zich om, lichtte even den cylinder van het hoofd en eveneens in de Spaansche taal vroeg hij:

„U is ook paardenliefhebber?”

De aangesprokene keek verrast op en de dame, die in zijn gezelschap vertoefde, boog zich voorover om dien heer, die zoo zuiver Spaansch sprak, eens goed op te nemen.

De vreemdeling antwoordde:

„Ja ik ben paardenkenner. En ik verzeker u, dat dit beest niet behoeft onder te doen voor den besten Arabischen hengst.”

Een levendig gesprek ontspon zich nu over paarden, sport, Spanje, Nederland. In de koffiekamer en daarna in de loge werd het gesprek voortgezet.

Toen omstreeks elf uur de pantomime was geëindigd, noodigde Raffles de beide Spanjaarden om in zijn auto mee te rijden.

Gaarne werd het aanbod aanvaard en men besloot in Trianon het souper te gaan gebruiken.

Schijnbaar zonder de minste belangstelling, doch inderdaad uiterst nieuwsgierig en gespannen om een en ander te vernemen van de levensomstandigheden van dit Spaansche tweetal informeerde Raffles, hoe Holland den vreemdelingen beviel.

Dat ging nogal.

Ze logeerden in Rotterdam—voor zaken. Maar Rotterdam was nu juist niet de stad om het den vreemdeling aangenaam te maken. Karren, vrachtwagens, sleepwagens in de straten, slechte bestrating. Alleen het nieuwe stadsgedeelte en de haven boden wel eenige aantrekkelijkheid.

Om zich wat te verstrooien, ging men dan ook van tijd tot tijd eens naar Den Haag, naar Amsterdam.

Gelukkig was nu spoedig de tijd verstreken, die een verblijf in Holland noodzakelijk maakte. Hoogstens nog een dag of drie.

„Wel jammer”, beweerde de zwartharige Spanjaard en hoffelijk neeg hij het hoofd, „dat wij niet eerder het genoegen smaakten, met de heeren kennis te maken. Dat zou ons den tijd heel wat bekort hebben. Dubbel jammer”, voegde hij erbij, „omdat de tijd te kort is, voor ons vertrek om u van onzen kant nog het een of ander aan te bieden.”

„Maar ge gaat eerst over drie dagen,” kwam Charly daartegen op, meer openhartig dan handig.

Hem beviel die mooie vrouw maar àl te goed en het ontging hem dat de Spanjaard verdere ontmoetingen niet wenschte.

Doch den Grooten Onbekende ontging dit niet en tevens zag Raffles, dat er even iets flikkerde in de oogen van den Spanjaard, toen Charly op zoo trouwhartigen toon die opmerking maakte.

De blikken der jonge vrouw ontmoetten over de tafel heen, die van haar landgenoot en dat scheen voor haar voldoende te zijn om te zeggen:

„Ik denk reeds eerder te vertrekken. Ik zal misschien morgen reeds naar Madrid terug gaan. En ik zal zéér verheugd zijn, als ik het water weer door de Manzenares zie stroomen. Ik houd niet van dit waterlandje, waar de zon slechts bij hooge uitzondering schijnt en waar zoo weinig ontspanning is.”

„Weinig ontspanning?” vroeg Charly, „maar dat is niet waar.

„Ik heb mij nog geen dag verveeld tijdens mijn verblijf in Nederland en als ik hier voorgoed moest blijven, zou ik mij daarmee uitstekend tevreden kunnen stellen.”

„Hoe is ’t mogelijk”, sprak nu Adèle de Confuelo, „neen, zonder de opwindende gewaarwording van een stierengevecht zoo van tijd tot tijd te krijgen, zou ik mij inderdaad het leven niet kunnen denken.”

„En dan de vrouwen, mijne heeren! Zijn er schoonere vrouwen op gansch de wereld dan de Spaansche?” voegde markies Brancella er aan toe.

Adèle bloosde even, toen ze den bewonderenden blik opving, dien Charly op haar wierp.

Raffles echter sprak op hoffelijken toon en een innemende glimlach plooide zijn lippen. „Inderdaad, de Spaansche vrouwen zijn schoon! Zéér schoon!”

Nog langen tijd bleef het kleine gezelschap samen.

Toen men, des nachts om twee uur, afscheid nam voor Hotel de l’Europe, waarheen Lord Lister de vreemdelingen had gebracht, sprak de markies:

„Ik stel het op prijs, met u kennis te hebben gemaakt. En mocht ge nog ooit uwe schreden richten naar de Spaansche hoofdstad, dan houd ik mij voor een bezoek dringend aanbevolen.”

Bij deze woorden haalde hij uit zijn portefeuille een groote adreskaart te voorschijn, die hij Lord Lister overhandigde.

„Ik ben ervan overtuigd”, sprak Raffles, den Spanjaard de hand drukkend, „dat onze wegen elkaar nog wel zullen kruisen”.

Even lichtte het in zijn oogen, toen hij deze woorden sprak, doch ook héél even maar.

„Ik ben al weer verliefd, Edward,” beweerde Charly, toen de beide vrienden, zeer laat in den nacht, samen nog zaten na te praten in de wijde clubfauteuils.

Lord Lister had een sigaret opgestoken en Charly Brand dronk een glas ijskoud selterwater.

„Zóó!” was het lakonieke antwoord van den Lord.

„Tot over m’n ooren! Ben je niet nieuwsgierig, te weten op wie?”

„Dat behoef je me waarlijk niet te openbaren, Charly. ’t Is ditmaal de schoone Spaansche hertogin de Confuelo!”

„Precies!”

„Maar boy!”

„Wat is er, Edward?”

„Neen, niets!”

„Daarmee kom je niet van me af! Zeg me, wat je denkt!”

„Ik bewonder je smaak of beter gezegd, ik bewonder dien niet!”

„Vindt je de hertogin dan niet heel mooi?”

„Ja, mooi is ze! Maar ik had toch gedacht, Charly, dat jij je liefde niet zoudt verspillen aan de eerste de beste avonturierster, aan de mooie handlangster van een—laat ik het noemen van een flesschentrekker!”

„Jij beweert daar heel wat, Edward!”

„Ik beweer nog lang niet genoeg!

„Enfin, laten wij de geschiedenis niet vooruit loopen. Je weet, dat ik over het algemeen niet zoo heel mededeelzaam ben, maar ditmaal wil ik je toch wel voorspellen, dat we van onze Spaansche kennissen nader zullen hooren.

„En nu, wel te rusten, boy!”

Raffles wierp het overschot van zijn sigaret in een kristallen aschbak, met zilver gemonteerd, Charly dronk den verfrisschenden drank uit en toen begaven de vrienden zich naar hunne slaapvertrekken, die op de eerste verdieping van het mooie, ruime huis waren gelegen.

„En toch”, peinsde Charly, toen hij het electrisch licht uitknipte, „en toch geloof ik niets van al de praatjes van Edward. Niets dan hersenschimmen—dwaze hersenschimmen.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings