← Table of contents
Lord Lister No. 0115

De schuilplaats van den kroonprins.

Reading edition

Markies Leonard Brancella was een Spanjaard, geboortig uit Saragossa, in het land van de Ebro.

Zijn vader had het grootste gedeelte van zijn vermogen verbrast aan de speeltafels en in het gezelschap van schoone vrouwen, zoodat den zoon en erfgenaam niet veel was overgebleven van de aanzienlijke eigendommen der Brancella’s.

Leonard had zich echter met groote handigheid door het leven weten te slaan.

Jaren achtereen had hij in Amerika gewoond, waar hij, door het verduisteren van belangrijke papieren aan een groot bedrag was gekomen.

Een onschuldige was verdacht van den diefstal en de Spaansche markies had ongemoeid zijn geboorteland weer kunnen opzoeken.

In den loop der jaren was hij daar zelfs de vertrouweling geworden van den vorst van Navarra, die in Brancella een raadsman en vriend meende te hebben gevonden.

Vorst Pedro van Navarra was op middelbaren leeftijd weduwnaar geworden en, daar hij kinderloos was, had zijn jongere broer Arto er reeds op gerekend, eenmaal erfgenaam te zullen worden, te meer daar men beweerde, dat de vorst aan een nierziekte leed.

Drie jaren na den dood zijner echtgenoote was de vorst echter hertrouwd en zijn jonge vrouw had hem een zoon geschonken.

De geboorte van dit kind, die zijn moeder het leven kostte, haalde een streep door de rekening van Arto en deze, die zijn broeder steeds vijandig gezind was geweest, had door middel van omgekochte handlangers reeds tweemaal een poging laten doen om den kleinen kroonprins uit den weg te ruimen.

Beangst voor het behoud van zijn kind, had vorst Pedro besloten, het in veilige haven te brengen en de vorst had markies Brancella deelgenoot van zijn geheim gemaakt.

Brancella had den monocle uit het rechteroog genomen, eenige oogenblikken peinzend voor zich uitgekeken en toen gevraagd:

„En hebben uw plannen reeds een vasten vorm aangenomen? Hebt gij reeds besloten, onder wiens hoede de kroonprins gesteld zal worden?”

„Neen, ik wilde juist uw raad in dezen inwinnen. Gij hebt mij reeds meer dan eens in moeilijke gevallen uitstekende adviezen gegeven, misschien weet gij ook in dit geval een goede oplossing.

„Ik behoef u zeker niet te zeggen”, vervolgde de vorst, „dat gij voor geen onkosten behoeft terug te deinzen. Het voornaamste is, dat de kroonprins in veilige handen komt, zoodat wij er zeker van kunnen zijn, dat er op uitstekende wijze voor hem gezorgd en over hem gewaakt wordt.

„Hier aan ons hof is hij helaas niet veilig, daar een gedeelte der hovelingen omkoopbaar, een ander gedeelte op de hand van mijn broeder schijnt te zijn.”

„Ik geloof inderdaad, dat ik er iets op weet, dat ik u een persoon kan noemen, in wiens huis en onder wiens hoede gij uw zoon gerust kunt stellen”, antwoordde de markies.

En geheimzinnig fluisterend vervolgde hij:

„Toevallig weet ik, dat in een der grootste koopsteden van Nederland de Spaansche consul een alleszins betrouwbare man is; hij en zijn echtgenoote zijn edele, brave menschen. De lieden zijn beide reeds bejaard, zij behooren tot den welgestelden, deftigen stand en bewonen een groot huis in een der voornaamste wijken der stad.”

„Welke stad in Nederland bedoelt gij? Ik heb eenmaal dat land bezocht en vertoefde toen eenige dagen in Amsterdam en ’s-Gravenhage. Is het in een van deze beide steden?”

„Neen, de persoon, dien ik op het oog heb, is de Spaansche consul in Rotterdam, jonkheer Deelman. Zooals ik u reeds zeide, weet ik door toevallige omstandigheden, dat hij in alle opzichten een gentleman is, op wien wij ons in dit geval gerust kunnen verlaten.”

„Ik vertrouw uw oordeel volkomen en gij zoudt mij een onschatbaren dienst bewijzen, indien ik in deze uiterst teere en voor mij zoo gewichtige zaak op uw tusschenkomst mocht rekenen.”

Een oogenblik dacht de markies na.

Een stout en gewaagd plan vloog bliksemsnel door zijn brein.

Hier was een fortuin te verdienen, als de zaak goed werd aangepakt.

„Ik zie in, van welk onberekenbaar belang het welslagen van deze zaak voor u en voor het geheele vorstendom is,” sprak hij tot Pedro.

„En omdat het mij een eer en genoegen is, u te kunnen helpen, wil ik persoonlijk voor de behouden aankomst van den kroonprins ten huize van den Spaanschen consul te Rotterdam zorgen.”

„O, indien gij dat wildet …! Maar hoe kunt gij, een man, met een klein, hulpbehoevend kind reizen? Ik zoude u een vertrouwd verpleegster uit onze omgeving moeten aanwijzen om de reis met u en den kroonprins samen te maken …”

„Dat is onnoodig!” antwoordde de markies op beslisten toon. „Ik zal zelf voor een persoon zorgen, die in alle opzichten te vertrouwen is en die voor uw zoon zal zorgen als ware hij haar eigen kind.

„Het is een dame uit de beschaafde kringen, zij is een bloedverwante van mij en daar zij van mij afhankelijk en zeer aan mij verknocht is, zal er moeilijk geschikter persoon te vinden zijn. Voor haar stilzwijgendheid sta ik in!”

Ontroerd stak de vorst hem zijn hand toe.

„Ik ben u zéér dankbaar voor de moeite en opoffering, welke ge u onzentwege wilt getroosten. Ik zal u een chèque geven tot een bedrag van honderdduizend peseta’s. Gij kunt dit bedrag naar eigen goedvinden besteden om de onkosten, welke gij zult hebben, te dekken. Mocht deze som niet voldoende zijn, wees dan zoo goed, mij dit mede te deelen.”

„Ik neem nu afscheid van u,” antwoordde de markies, zonder iets te zeggen op de geldkwestie, „om de noodige besprekingen te houden met bedoelde dame.

„Wij kunnen dan zoo spoedig mogelijk de reis aanvaarden.”

Een uur daarna stond markies Brancella onaangediend in het boudoir van Adèle Confuelo.

Een verbaasde blik uit haar mooie oogen trof hem en reeds wilde zij op verontwaardigden toon vragen, wie hem het recht gaf, ongevraagd in haar huis binnen te dringen, toen Brancella haar met een gebiedend handgebaar het zwijgen oplegde.

Zijn geheele gelaat vertrok zich tot een hatelijken glimlach.

„Ik ben nu de Leonard niet meer, die zich als een hond laat behandelen, je zingt nu een toontje lager, nietwaar mijn schoonheid?”

Adèle, die haar romannetje op een klein tafeltje had gelegd, schrikte hevig van den toon, dien hij aansloeg.

Zij gevoelde, dat die man, die zoo lang het mikpunt van haar spot was geweest, haar meester was.

Met een afschuwelijk loerenden blik gluurde hij haar aan.

Hij had in een gemakkelijken stoel plaats genomen en keek naar haar, zooals een vos loert naar een zilverfazant, waarvan niets hem meer scheidt.

Hij was altijd in alles geslaagd.

Ook nu was het hem gelukt, haar in zijn macht te krijgen en haar te doen boeten voor al datgene, wat hij van haar had verduurd.

Hij bleef haar een poosje strak aanstaren en terwijl zijn oogen onheilspellend schitterden, sprak hij:

„Je moet je zoo spoedig mogelijk gereedmaken voor een reis naar Nederland. Voor een dringende aangelegenheid moet je mij daarheen vergezellen. Je moogt er tegen niemand een woord over spreken. Ik reken erop, dat je morgenochtend geheel reisvaardig bent. Zorg voor de noodige toiletten, want het verblijf zal van onbepaalden tijd zijn.”

Stom van verbazing had zij naar zijn woorden geluisterd.

Was die man plotseling krankzinnig geworden?

Wat gaf hem aanleiding om op dezen toon te bevelen, haar als de minste ondergeschikte te behandelen?

Nog nooit had iemand op zulk een wijze tot haar durven spreken.

Een gloeiende blos van toorn vloog haar naar de wangen; haar oogen schoten vlammen, zij balde de vuisten, dat haar ringen schaafden.

„Je durft mij te beleedigen, op dezen toon tot mij te spreken, omdat …”

„.… Omdat ik er het recht toe heb. Maak geen schandaal, hertogin. Ik ben je vijand niet. Ik stel een vrouw nooit bloot aan de publieke opinie, als ik er buiten kan blijven. Ik kom hier alleen voor zaken; laten wij ons daaraan houden.

„Antwoord mij; kan ik erop rekenen, dat je mij morgenochtend op reis naar Nederland vergezelt, om een gewichtige opdracht uit te voeren?”

Zij staarde strak op de vensters van het huis aan de overzijde en merkte op, zooals men in oogenblikken van verschrikkelijke ontroering soms uiterlijkheden opmerkt, dat de kanten gordijnen daar zeer vuil waren.

Haar hart klopte hevig onder haar zijden japon en hij zag, dat zij zich met geweld bedwong om kalm te blijven.

„Je bent geheel in mijn macht,” klonk haar weer de koude, cynische stem van den markies in de ooren. „Bedenk dit wel, nu ik je nogmaals en nu voor het laatst vraag, of ik op je kan rekenen?”

„Ik zal je op reis naar Nederland vergezellen,” sprak zij met klanklooze stem.

„Wil je mij niet zeggen, wat het doel van deze reis is?”

„Dat vertel ik je onderweg wel. Reken erop, dat een kind, een zeer jong kind, een zuigeling nog, met ons mee zal reizen. Het is voor de verzorging van dat kind, dat ik je hulp noodig heb. Morgenochtend om zeven uur zal ik met mijn auto hier zijn om je af te halen. Reken daarop!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings