← Table of contents
Lord Lister No. 0039

REDT MIJN KIND!

Reading edition

Het was vijf uur in den middag.

Over Londen was de grauwe schemering neergestreken, die nog werd verdicht door dichte nevels.

In kantoren en winkels waren sinds lang de lichten ontstoken.

Voertuigen van allerlei aard reden puffend, stampend, hobbelend en knetterend door de groote verkeersstraten van de city en spookachtig gleden de schaduwen langs de huizen.

Het was een eentonig, grauwe aanblik, want elke schelle toon werd vergrijsd door den nevelsluier.

Plotseling veranderde de aanblik en uit het straten-gewirwar maakte zich een rood schijnsel los, dat opsteeg naar den hemel en met elk oogenblik in kracht toenam.

De voorbijgangers drongen verschrikt opeen en een oogenblik later weerklonk aan alle kanten het geroep van: „Brand! Brand!” door de straten.

Nu begon de menigte het op een loopen te zetten en van alle kanten snelde men naar de plaats, vanwaar de roode lichtgloed opsteeg.

Hoe langer hoe drukker werd het in de straten, hoe langer hoe scheller weerklonk het roepen en schellen en krijschen.

De aanblik van het brandende perceel was dan ook inderdaad schrikwekkend.

Een van die groote huurkazernes, die men vindt in elke wereldstad, stond in brand.

Als machtige armen kronkelden de vlammen omhoog naar den donkeren nachthemel. Kletterend en sissend vielen de zware waterstralen neer in de vuurzee en dan was het, of de roode tongen nog hooger lekten.

De brandweerlieden spanden hun uiterste krachten in, doch het gelukte hun niet, het vuur meester te worden.

Twee heeren, die er zeer opgewonden uitzagen, en die voor dat, wat de algemeene opmerkzaamheid trok, geen oog schenen te hebben, waren juist de plek van het onheil genaderd in hun auto.

De chauffeur zag nu, dat de weg was afgezet en hij maakte de heeren daarop opmerkzaam.

Deze besloten nu de auto te verlaten om te trachten hun hotel te voet te bereiken.

„Dat ook nog,” sprak de kleinste en hij trachtte zich door den menschenmuur een weg te banen.

Dit lukte hem slechts moeilijk en het tweetal kwam maar uiterst langzaam voorwaarts.

„Laat mij voorgaan, Mr. Fournier,” sprak Baxter, de inspecteur van politie, „ik zal mij legitimeeren, opdat wij gauwer vooruit komen.”

Hij schoof den kleinen Franschman op zij en drong zich met geweld door de menigte, die slechts onwillig ter zijde week.

De beide heeren waren dien dag al twee keer in het hotel geweest, waar Raffles had vertoefd onder den naam van markies d’Armand, en voor den derden keer richtten zij daarheen thans hunne schreden.

Plotseling onder het langzaam voortloopen over het door de politie afgezette terrein, voelde Baxter een ruk aan zijn jas en hoorde hij den naam „Raffles” uitroepen. Daarna hoorde hij het geluid van een harden slag en toen hij omkeek, zag hij den kleinen Franschman languit op den grond liggen.

Deze had tusschen de menigte aan den overkant der straat „markies d’Armand” ontdekt. Hij had naar den man willen toesnellen, maar inderhaast vergeten, dat overal slangen op den grond lagen en nu was hij daarover gestruikeld en languit op den grond gevallen.

Voordat hij was opgestaan en Baxter had verteld, wien hij gezien had, waren reeds zooveel seconden verloopen, dat de gezochte makkelijk was ontvlucht.

Baxter dacht, dat Fournier zich wel vergist zou hebben.

Deze echter beweerde met groote beslistheid, dat er van vergissing geen sprake was en zoo kwam Baxter ook tot de conclusie, dat nu toch eindelijk de gentleman-dief gepakt zou worden.

Maar hier, als ’t ware gevangen tusschen de geweldige menschenmassa, zagen de heeren wel in, dat oogenblikkelijk van een vervolging weinig resultaat was te wachten en zoo werd besloten om vooreerst dit plan te laten varen en naar het hotel te gaan.

Intusschen was de brand zoodanig toegenomen, dat van doorkomen geen sprake was.

Het geheele huis stond nu in lichterlaaie en loeiend sloegen de vlammen uit naar allen kant.

Met bovenmenschelijke kracht werkte de brandweer, maar nog steeds wilde het haar niet gelukken het vuur meester te worden.

De ongelukkige bewoners der bovenste verdieping hadden hun leven bijna allen langs de brandladders in veiligheid gebracht.

Uit de vlammen kwam nu een brandweerman te voorschijn met een rookhelm over het hoofd. Hij verscheen nu op een der brandladders en droeg een bewustelooze jonge vrouw op den arm.

Luide kreten van bijval loonden den dappere voor zijn moedige daad.

Men had de vrouw op den grond neergelegd en reeds schoten lieden toe om haar levensgeesten weer op te wekken.

De brandweerman verklaarde, dat er zich thans in het huis geen levend wezen meer bevond.

Nauwelijks echter was de bewustelooze weer tot haar positieven teruggekeerd, of zij kreet vol ontzetting:

„Mijn kind. Waar is mijn kind?—Redt, o, redt mijn kind!”

Bijna waanzinnig van smart trok zij zich de haren uit en omklemde de knieën van den brandweerman onder den uitroep:

„Redt mijn kind!”

Ieder was tot tranen toe geroerd.

Vrouwen jammerden met de moeder mede en wanhoopskreten weerklonken door de lucht.

Maar hulp was hier onmogelijk!

Doch daar—wat was dat?—

Met geweldige kracht had een man zich door de massa een weg gebaand en drong nu naar het brandende huis toe.

De brandweerlieden, die hem den weg wilden versperren, duwde hij met sterke hand ter zijde en voordat iemand nog goed wist wat er gebeurde, had hij reeds de onderste sporten der brandladder beklommen.

Een rauwe kreet steeg op uit gansch de menigte, toen de man met groote snelheid naar boven klauterde.

Daarop volgde ademlooze stilte.

Alle harten schenen stil te staan en aller oogen waren gericht op de vlammenzee.

De spanning was hevig en eenige vrouwen vielen flauw van angst.

Nu had de man het venster bereikt, waaruit de brandweerman zoo juist de bewustelooze vrouw had gedragen.

Eén oogenblik slechts zag men zijn donkere gestalte in de gloeiend roode vensterholte staan.

Even wendde zich de vreemdeling om en riep:

„Verder spuiten!”

Toen was hij verdwenen.

Angstige minuten volgden.

Onafgebroken slingerden de spuiten watermassa’s in het vuur.

Toen weerklonk plotseling een duizendstemmige jubelkreet door het luchtruim.

Boven, heel boven, op de hoogste sport van de brandladder stond de redder en hield een kind op zijn armen.

De vlammen verzengden zijn kleeren en sloegen aan alle kanten om hem heen, terwijl de brandweermannen breede waterstralen spoten naar den moedigen redder, die nu de ladder begon af te dalen.

Toen het grootste gevaar voor den koenen man was geweken, en luide jubelkreten alom opstegen, stortte het dak ineen en de oplaaiende gloed zette den redder met zijn last in daghelderen schijn.

Baxter en Fournier waren langzamerhand tot op de eerste rij gekomen en stonden de geheele redding met open mond mee aan te staren.

Daar! Eensklaps werd het gelaat van den man op de ladder verlicht en uit beider mond klonk het tegelijkertijd:

„Raffles!”

Baxter gaf in allerijl aan de omstaande politie-mannen bevel, den man, zoodra hij een voet op den bodem had gezet, in hechtenis te nemen.

De redder had nu den voet op den bodem gezet en de overgelukkige moeder drukte haar kind in de armen.

Alles verdrong zich om den held. Deze voelde plotseling, dat hem een hand op den schouder werd gelegd en toen hij zich omkeerde, zag hij Baxter, die met twee agenten op hem was toegetreden.

In hetzelfde oogenblik gebeurde iets vreeselijks. Een brandende balk stortte plotseling naar omlaag en sleepte in zijn val een der brandweermannen mede.

Een kreet van ontzetting werd geslaakt.

De ongelukkige man had bij den val den nek gebroken.

Baxter, Fournier en de agenten waren onwillekeurig terzijde gesprongen om niet door den vallenden balk te worden getroffen.

Toen de eerste schrik voorbij was, keken ze om naar den gearresteerde.

Deze was echter verdwenen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings