← Table of contents
Lord Lister No. 0039

EEN KRANKZINNIGE.

Reading edition

Fournier slenterde naar Old Kent Road om naar een koffiehuis te gaan.

De Franschman scheen vele jaren ouder te zijn geworden. Het haar was hem aan de slapen vergrijsd en als doelloos dwaalde zijn blik heen en weer. Sinds het verlies, dat hij door den genialen boevenstreek van Lord Lister had geleden, was het bij hem tot een idee fixe geworden, in iederen voorbijganger den meesterdief te herkennen.

Hij was zoo langzamerhand reeds een stamgast in Scotland Yard geworden en steeds kwam hij daar vragen, of men Raffles nog niet had ontdekt.

Hoezeer ook allen op het politie-bureau er tuk op waren den meesterdief te arresteeren, zoo onaangenaam was hen ook het eeuwige vragen van den kleinen Franschman en inspecteur Baxter had reeds een hevigen afkeer tegen Fournier opgevat, wijl hij dat voortdurend vragen zonder eenig resultaat als een persoonlijke beleediging opvatte.

Even voordat hij het café bereikte, ontmoetten Baxter en Fournier elkander en uit het korte gesprek, dat zich thans ontspon, roerde de inspecteur terloops den terugkeer van Van Brixen aan.

Enkele minuten later reeds scheidden de beide heeren en Fournier trad het café binnen.

Nadat hij alle bezoekers met achterdochtigen blik had gemonsterd om te zien of de Groote Onbekende er niet bij was, ging hij met bedroefd gelaat in een hoek zitten en nam een krant op. Zijn gedachten dwaalden echter steeds weer af en hij begreep geen woord van wat hij las.

Van Brixen was dus terug!

Dat hij hem, Fournier, daarvan geen kennis had gegeven, lag voor de hand, want na de woordenwisseling op den ongelukkigen bruiloftsdag hadden de vrienden elkaar niet terug gezien.

Wat echter zou Van Brixen er toe gebracht hebben, zoo plotseling terug te keeren?—

Een gedachte schoot plotseling door Fournier’s brein.

Zou Van Brixen misschien een spoor van Raffles hebben ontdekt en daarom zoo spoedig zijn teruggekomen?

Ja—dat was het!—

De kleine gestalte van den Franschman scheen krachtiger te worden. Zijn oogen fonkelden.

Misschien zou hij nu zijn doel bereiken. En het besluit stond bij hem vast, den vijand op te zoeken, om zich zekerheid te verschaffen.

Hij riep den kellner, betaalde en verliet met veerkrachtigen tred het café. Toen riep hij een auto aan en liet zich naar Goldhawke Road brengen.

Met haastigen tred liep hij den hem welbekenden voortuin door en haalde de bel over.

Voor zijn ongeduld duurde het veel te lang, voordat de deur geopend werd en hij wilde, als naar gewoonte, vlug het huis betreden, toen Timmy hem tegemoet trad.

Zooals Baxter was teruggeschrikt, trad ook Fournier ontsteld achteruit bij den aanblik van het grijnzende negergelaat.

Wederom klonk de stereotiepe vraag van den neger:

„Hoe jij heeten?”

De Franschman was geprikkeld. Hij haalde de schouders op en wilde den neger op zij duwen, doch deze gaf den bezoeker op boksersmanier een stoot in de maagstreek.

Fournier week achteruit.

De neger grijnsde met breeden mond en herhaalde:

„Hoe jij heeten?”

Daar de handelaar in blanke slavinnen wel inzag, dat er tegen den neger niets was te beginnen, noemde hij zijn naam.

Als hij gedacht had, thans te worden binnengelaten, had hij zich vergist, want de deur werd voor zijn neus dichtgeklapt.

Zijn geduld werd op een harde proef gesteld, want vele minuten verliepen en de neger kwam niet terug.

Fournier was in den laatsten tijd erg nerveus geworden.

Hij stond nu van ongeduld te trappelen en ten slotte ging hij zoo geweldig aan de schel trekken, dat het dreunde door het huis.

Toen ook dat niet hielp, begon hij de deur met handen en voeten te bewerken.

Dat lawaai scheen dan toch te helpen, want de deur werd opnieuw geopend.

De neger verscheen weer, grijnsde verschrikkelijk en zeide:

„Meester èrg ziek; maak niet zoo lawaai, anders Timmy jou slaat.”

De zwarte dreigde met de vuisten.

Maar Fournier lette daar niet op. Hij vloog de trap op en de studeerkamer binnen, waar hij zijn vroegeren vriend dacht te vinden.

Toen hij binnentrad, zat deze weer, in dekens en kussens gehuld, in den leuningstoel.

Fournier stormde naar Van Brixen toe.

„Heb je een spoor van Raffles gevonden?”

De zieke antwoordde niet dadelijk.

Hij hield een hand voor den mond en steunde zachtjes.

Of was het een onderdrukt lachje, dat hij te voorschijn bracht?

Fournier kookte van ongeduld.

„Wat is dat voor een manier,” stoof hij op, „om mij zóó te behandelen! Aan wien lag de schuld, dat wij destijds boos van elkaar zijn gegaan? Aan jou—niet aan mij!—Zeg nou op! Heb je een spoor van Raffles gevonden?”

Weer klonk dat eigenaardig geluid.

Maar wat was dat?

Daar richtte de zieke zich plotseling zonder eenige hulp uit den stoel op en vroeg met welluidende stem:

„Vraagt ge mij, of ik iets van Raffles heb gehoord?”

Ontzet deinsde de Franschman achteruit.

Met groote oogen keek hij den spreker aan. De haren rezen hem te berge en met de handen sloeg hij in de lucht, als wilde hij ergens steun zoeken.

Zijn adem stokte en eindelijk stiet hij uit:

„Raffles! Dat is Raffles zelf!—Te hulp!”—

Voordat hij verder kon schreeuwen, had de zwarte hem gepakt en hem de hand op den mond gelegd.

De vermeende Van Brixen stond voor hem en lachte hartelijk. Toen haalde deze een touw uit den zak en bond den ander aan handen en voeten.

De neger had den Franschman een prop in den mond gestopt en nu droegen zij den spartelende naar een zijkamer en legden hem daar op een divan neer.

Daarna keerde John Raffles—want hij was het inderdaad—met den neger in de studeerkamer terug.

„Ziezoo, Charly,” sprak hij, „nu hebben we den knaap. We zullen nu eens zien of we hem met behulp van den braven Baxter niet onschadelijk kunnen maken.”

„Ik ben bang, Edward, dat die dolle streek ons nog in moeilijkheden brengt.”

„Hazenhart”, spotte Raffles en hij liet zich met Scotland Yard verbinden.

„Hier Baxter!” klonk het.

„Hier Van Brixen! Het spijt me, inspecteur, dat ik u alweer moet lastig vallen. Er is zoo juist een groot ongeluk in mijn huis gebeurd. Nadere bijzonderheden kan ik u onmogelijk per telephoon meedeelen. Kom dus zoo gauw mogelijk naar hier!”

De inspecteur beloofde het.

Raffles legde de microfoon op het toestel en stak een sigaret op.

„Over een kwartier kan hij hier zijn en dan kan het spelletje beginnen.”

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Nauwelijks was een kwartier verstreken, toen de huisschel overging.

Raffles kroop weer in de vermomming en ging in den leunstoel zitten.

Charly ging als Timmy naar de deur.—

Toen Baxter het huis betrad, zag hij, dat de neger buiten zich zelf was.

Hij sloeg met de vuisten zich tegen den kroeskop en riep uit:

„O, master, hij zoo dom is, zoo dom! Hij roept zoo dwaze dingen!”

Verschrikt vroeg Baxter:

„Wie? Van Brixen?”

„O, no master, die andere kleine man!”

Baxter ging naar boven.

Ook Van Brixen scheen buiten zich zelf te zijn.

Hij wrong de handen en steunde:

„O, beste inspecteur! Wat een ongeluk! Wat moet ik met dien armen kerel beginnen!”

„Maar wat is er dan om ’s hemels wil gebeurd?”

„Och ja, dat is waar ook. Je weet nog niets! Luister.

„Een paar uur geleden kwam mijn oude vriend Fournier mij bezoeken. Die brave kerel had zeker gehoord, dat ik ziek ben. Ik vertelde hem van mijn ziekte en dat ik had besloten, alles te verkoopen. Ik wilde hem nog een paar kostbaarheden geven en toen hij bezig was een en ander uit te zoeken, nam hij plotseling een kostbare vaas, wierp die op den grond en schreeuwde:

„„Daar is Raffles!”

„Ik wist niet, wat er gebeurde en vroeg:

„„Wat scheelt er aan, Fournier?”

„Toen draaide hij zich plotseling om, sprong mij naar de keel, trachtte mij te worgen en riep maar steeds: „Jij bent Raffles! Jij bent Raffles!” Als Timmy mij niet te hulp was gekomen, zou hij mij zeker vermoord hebben.”

De zieke hield, uitgeput, op.

De inspecteur had vol aandacht geluisterd. Toen zei hij:

„Ik heb het wel gedacht. Fournier had allang dat idee fixe. Nu is het tot een uitbarsting van krankzinnigheid gekomen.”

„Ja, ja, zoo is het!” hijgde de zieke.

„Waar hebt ge den ongelukkige gelaten?”

„Timmy heeft hem overmeesterd en daar wij ons leven niet zeker waren, hebben we hem gebonden en in de kleine kamer hiernaast gelegd. De aanval schijnt nu voorbij te zijn, want hij is geheel kalm.”

„Zoo’n aanval kan gauw terugkomen.”

Het scheen dat de inspecteur gelijk had, want nu klonk het weer uit de aangrenzende kamer:

„Die schurk, die dief is daar! Help! Help! Daar is Raffles!

„Heb ik het niet gezegd?” vroeg Baxter.

„Ja, inderdaad, ge hebt gelijk!”

„Laat ons maar eens naar hem gaan kijken.”

Het drietal ging naar de andere kamer. Van Brixen leunde op Timmy’s schouder en strompelde voort.

De gebonden man begon opnieuw los te barsten.

„Daar is de schurk! Neem hem gevangen, mijnheer Baxter! Het is Raffles!”

Baxter schudde het hoofd en zei tegen Van Brixen:

„Gaat u liever heen. Onze tegenwoordigheid schijnt hem verbazend op te winden.”

Met meewarigen blik keek Van Brixen naar zijn vriend en fluisterde:

„Die arme Fournier!”

Toen verliet hij het vertrek.

De Franschman begon met iedere minuut harder te schreeuwen:

„Laat hem toch niet ontsnappen, mijnheer Baxter, en maak mij toch vrij! Ge lijkt wel gek!”

Op goedigen toon zei Baxter:

„Ja, ja, beste vriend dat is Raffles! Zeker! Ik zal hem dadelijk arresteeren! We nemen een automobiel en rijden spoorslags naar de gevangenis!”

„Dat is goed! Dat is goed!”

Baxter ging nu naar Van Brixen toe.

„Het geval is inderdaad veel erger, dan ik dacht. De ongelukkige is razend en wij moeten hem knevelen om elk opzien te vermijden. Hij moet natuurlijk dadelijk naar een krankzinnigengesticht worden overgebracht!”

Van Brixen sloeg de handen voor het gelaat:

„Die arme, arme kerel!”

Baxter ging de straat op, floot twee agenten en beval deze, terstond een automobiel te halen.

Na enkele minuten was alles gebeurd.

Men had Fournier een prop in den mond gestoken, zoodat hij niet kon schreeuwen.

Maar de woedende blikken, die hij naar Van Brixen wierp, toen deze weer in den leuningstoel ging zitten, spraken boekdeelen.

Baxter nam afscheid van Van Brixen en volgde de anderen.

De auto was nauwelijks in beweging of de zoogenaamde Van Brixen sprong op, snelde naar het venster en loerde door een reet.

Toen lachte hij:

„Dat zaakje is dus geschikt.”

Daarna stak hij een nieuwe sigaret op.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings