← Table of contents
Lord Lister No. 0010

HET PRAALGRAF VAN DEN ONDERKONING

Reading edition

Bij een kromming van het pad verhieven zich voor hem twee grillig gevormde Indische zuilen, die echter bijna geheel verborgen waren onder mos, klimop en reusachtige varenplanten. Tusschen deze zuilen bevond zich een roestige ijzeren deur.

Lord Lister keek oplettend om zich heen. Maar het struikgewas en de natuurlijke wildernis van dit parkgedeelte beschutte hem volkomen voor ongewenschte blikken.

Hij haalde een prachtigen stalen breekbeitel uit zijn zak te voorschijn en na weinig moeite reeds kraakte het verroeste slot. Lord Lister was op alles voorbereid. Hij nam nu een oliespuitje uit een zijner zakken en smeerde hiermede zoowel het oude slot als de hengsels.

De deur ging nu geruischloos open en diepe duisternis gaapte hem aan.

De Lord sloot de deur weer achter zich en stak een kaars aan. Daarop daalde hij kalm de trap af, die voor hem lag.

Ongeveer twintig treden brachten hem in een phantastische Indische zaal, waarin aan weerszijden in donkerroode steenen nissen een Indische doodkist stond.

In het midden van de zaal bevond zich een rustbed, waarachter op een marmeren zuil een glimlachend, welgedaan Boeddhabeeld was geplaatst.

Aan dezen grafkelder was in de familiekroniek der Listers een geschiedenis verbonden, die bevestigd werd door de opschriften op de doodkisten.

Een Lord Lister, die in Indië was geweest, om daar zaken te doen voor de Oost-Indische Compagnie en daar den rang van vice-koning had bekleed, was gehuwd met een ongehoord rijke Indische prinses, welke hij, nadat hij zijn betrekking had neergelegd, had medegenomen naar zijn kasteel in Engeland.

Toen hij korten tijd daarna tengevolge van de klimaatsverandering stierf, was zijn echtgenoote ontroostbaar.

Zij liet, om steeds met haar man vereenigd te blijven, den onderaardschen grafkelder bouwen in het park.

Een geheime gang leidde van uit haar vertrekken in het kasteel naar het graf gewelf, zoodat zij, als zij het graf van haar echtgenoot wilde bezoeken, haar weg niet door het park behoefde te nemen.

Men noemde dezen grafkelder algemeen in het kasteel en in de naaste omgeving daarvan „Het praalgraf van den onderkoning.”

Lord Lister legde zijn pakje op het gouden rustbed en opende het.

„Mijn dappere voorvader zal het mij, denk ik, evenmin als de prinses, kwalijk nemen, dat ik mij hier ga verkleeden.”

Hij ontstak een nieuwe kaars, nam een opvouwbaren spiegel uit het pak en begon zijn gelaat met allerlei stiften te bewerken als de volleerdste acteur.

Al spoedig had het een bruinachtige tint gekregen en tevens door het aanbrengen van bijzondere schaduwen en donkere omranding der oogen een vrouwelijke uitdrukking.

Uit het meegebrachte pakket nam hij verder een prachtig geborduurd, zijden gewaad in schrille kleuren. Nadat hij zijn rok had uitgetrokken, hulde hij zich in het zijden gewaad.

Hij bevestigde een breeden gouden armband om een zijner polsen en schoof ringen met schitterende steenen aan zijn vingers.

Daarop nam hij een pruik van pikzwarte krullen, bevestigde die op zijn hoofd en versierde de zwarte haren met een zijden band.

Nadat hij zijn laarzen had uitgetrokken, zijn broekspijpen omgeslagen en gele zijden schoenen had aangedaan, stond de vorstelijke gestalte der Indische prinses, waarschijnlijk iets grooter dan zij het in werkelijkheid was geweest, in haar eigen grafgewelf.

Met een onderzoekenden blik in den vouwspiegel bekeek zij haar eigen beeld en, het moest gezegd worden, de vermomming was uitstekend geslaagd.

Het paste echter slecht bij de zijden japon, dat de Indische vorstin nu twee blinkende revolvers uit het pakket nam, die zij aan weerszijden in de zakken van het gewaad verborg.

Daarop pakte zij den mannenrok en de laarzen in het leeggeworden papier, rolde alles zoo klein mogelijk op en verborg het pakje achter haar eigen doodkist, in het donkerste hoekje van de nis.

Zij liep eenige oogenblikken heen en weer, ging in gedachten verdiept op het rustbed zitten en mompelde eindelijk:

„Nu moet ik eerst een cigarette rooken!”

Terwijl Raffles, in de vermomming der Indische prinses, zijn cigarette rookte, keek hij plotseling op.

Hij had een geluid gehoord.

Nu hoorde hij het nog eens.

Al was het nog op verren afstand, toch vernam hij duidelijk schreden. Het geluid was in het gewelf duidelijk verneembaar.

Lord Lister had zijn cigarette uit den mond genomen, trapte haar uit, opdat zij niet door zou smeulen en wierp haar achter het graf van den onderkoning.

Hij blies de kaars uit, drukte de pit tusschen zijn vingers en luisterde.

De schreden kwamen nader en hij onderscheidde een zuchten als van iemand, die zwaar ademhaalt.

„Er komt iemand door de onderaardsche gang van het kasteel hierheen!” fluisterde de Lord.

„Ik ben anders niet nieuwsgierig, maar wie zou nu hier komen en welken zwaren last zou hij dragen, dat hij zoo zucht? Daar moet ik meer van weten!”

Lord Lister haastte zich, om een schuilplaats te zoeken en vond die achter de doodkist der prinses, waar nog voldoende ruimte in de nis was.

In de gedaante der vorstin kon hij bovendien geen geschiktere schuilplaats kiezen, vooral, als hij eens lust mocht krijgen om een woordje met den bezoeker te spreken.

De verrijzing der Indische prinses uit haar graf zou ook den dapperste schrik aanjagen.

Daar het praalgraf vrij hoog was, behoefde hij slechts op zijn knieën te gaan zitten om niet gezien te worden, terwijl de marmeren omlijsting hem een uitstekend steuntje voor zijn armen bood.

In gespannen verwachting keek hij in de duisternis om den hoek van het praalgraf, vanwaar hij bij voldoende belichting de opening der gang achter het Boeddhabeeld kon zien.

Luid en zwaar naderden de schreden.

Plotseling werd een zwakke lichtstraal in de gangopening zichtbaar en de Lord hield zijn blik onafgewend op dezelfde plaats gericht.

Zijn geduld zou beloond worden.

De lichtstraal werd helderder en plotseling kwam een bejaard man hijgend den grafkelder binnen.

Hij droeg blijkbaar een zware grijze kist op den schouder, terwijl hij zichzelf bijlichtte door middel van een electrische zaklantaarn.

Hij plaatste zijn lantaarn op een uitstekende punt van het Boeddhabeeld, nam de grijze kist voorzichtig van zijn schouder en zette haar voor de zuil neer.

„Duivelsch!” bromde hij op ontevreden toon, „de slechte lucht in die vervloekte gang en de zware kist, het is bijna te veel voor mij.” Hij wankelde naar het rustbed en zuchtte.

Toen hij echter een hoog opgeslagen kraag weer neerdeed en den slappen hoed, die zijn gelaat gedeeltelijk had verborgen, naast zich legde om het zweet van zijn voorhoofd te vegen, had de schoone prinses, die in de nis op haar knieën lag en haar oogen niet durfde gelooven, zich zelf bijna vergeten en een kreet van verbazing geuit.

Maar met zijn gewone zelfbeheersching onderdrukte Lord Lister zijn verbazing en dacht:

„Kijk eens aan, oom Raynald! Nu ben ik toch nieuwsgierig, wat die hier te doen heeft, wat hij met die kist gaat doen en of hij het ding of den inhoud er van hier wil verbergen.”

Lord Raynald was een beetje bekomen van zijn vermoeidheid.

Hij stond op en ging naar zijn kist.

„Een eigenaardige lucht in zoo’n grafkelder,” sprak hij hoofdschuddend. „Als men niet beter wist, zou men denken, dat het hier naar cigaretten en waskaarsen rook!

„Maar nu aan het werk!

„Hier zal niemand de papieren zoeken! Hier zijn zij het beste bewaard, want ik wed, dat niemand behalve ik het geheim van Boeddha kent, dat ik in mijn jeugd toevallig ontdekte.”

Lord Edward verloor geen syllabe van de woorden van zijn oom en wendde geen oog van hem af. Maar hoe verbaasd was hij, toen de oude Lord op het edelgesteente drukte, dat hij reeds zoo dikwijls op de borst van het Boeddhabeeld had bewonderd. Maar nooit had hij er aan gedacht, dat de diamant den sleutel vormde van een geheim, dat hem nu onthuld werd.

Zoodra namelijk de oude Lord op den steen had gedrukt, viel het voorste gedeelte van het beeld tot aan de zuil neer. Lord Lister zag nu, dat de houten Boeddha hol was en reeds lang tot geheime bergplaats had gediend, want verschillende afgesloten vakjes werden zichtbaar.

De oude Lord opende met een sleutel een der vakken en ontsloot daarna de kist, die op den bodem stond. Hieruit nam hij een pak papieren of documenten, schoof ze in het geopende vak van het Boeddhabeeld en sloot het weer.

Daarop nam hij verschillende kleinere portefeuilles uit de meegebrachte kist en verdeelde ze in de andere vakken, die hij alle zorgvuldig weer afsloot. Eindelijk lichtte hij het voorste stuk van het beeld weer op en liet het op zijn gewone plaats weer dichtvallen.

Evenals tevoren glimlachte het Indische afgodsbeeld en ook het scherpste oog had aan dit beeld van houtsnijwerk geen verraderlijke voeg ontdekt.

„Ziezoo, nu kan mijn lieve neef komen en mij voor het gerecht dagen terwille van die pachters. Ik zal bezweren, dat er geen papieren bestaan en ten bewijze zal ik de jury mijn geheele archief ter beschikking stellen. Dan wordt het tenminste ambtshalve afgestoft!

„En ook om de juweelen der Indische prinses en om zijn erfenis mag hij komen! Hij kan mij niets bewijzen! En ook van het intrekken der onterving van den dollen admiraal, zijn vader, weet ik niets!

„Waarom bewaar ik al die prullen eigenlijk? Ik had alles al lang moeten verbranden! Maar ik weet niet, wat mij steeds ervan terug hield!

„Enfin, alles is goed opgeborgen; hij mag gerust komen en mij ter verantwoording roepen! Mijn advocaat zal hem de nietigheid zijner aanspraken bewijzen en zijn brutaliteit om als erfgenaam te willen optreden en in mijn rechten te treden, zal hem afgeleerd worden!”

De liefdevolle oom lachte boosaardig en zette zijn vilten hoed weer op.

Hij sloot de grijze kist weer, zette haar op zijn schouder, nam het licht weer op en verliet, zonder om zich heen te kijken, het onderaardsche verblijf. Weldra was hij in de gang verdwenen en aan Lord Edwards blikken onttrokken.

De Indische prinses kwam nu voorzichtig uit haar schuilhoek te voorschijn. Zij snelde naar de opening der gang en luisterde.

De schreden waren bijna niet meer hoorbaar en na eenige oogenblikken was alles weer doodstil.

Edward Lister stak zijn kaars aan, liep met haastige schreden naar het Boeddhabeeld en bleef in diep nadenken eenigen tijd voor het afgodsbeeld staan.

Onrustig liep hij tusschen het beeld en het rustbed heen en weer.

Eindelijk nam hij op het gouden Indische rustbed plaats en leunde met zijn linkerarm op een der met goud bestikte zijden kussens.

Diepe droefheid om zijn verloren leven maakte zich van hem meester, en deze oude schurk, dien hij zooeven beluisterd had, was oorzaak van dit alles. Gloeiende haat laaide in hem op, haat tegen dezen oom, tegen de maatschappij die slechts de rijken acht en vereert en de armen verstoot en hun allerlei hinderpalen in den weg legt, die hun beletten, zich weer op te werken.

En nu, nu hij met zijn vroegere leven had afgedaan, nu hij niet meer terug kon, nu moest hij door louter toeval vernemen, dat hij toch gelukkig had kunnen zijn!

Nu begreep hij, dat hij dezen schurk, die reeds zijn vader had bedrogen en ongelukkig gemaakt, die ook hemzelf in het verderf had gestort, in een afgrond, waaruit hij niet meer gered kon worden, nu begreep hij, dat hij zijn oom had kunnen ontmaskeren en bestrijden, als hij slechts het noodige geduld had gehad om af te wachten tot het juiste oogenblik gekomen was.

En zijn gedachten verwijlden ook bij het liefelijke jonge meisje, dat hij te laat op zijn levensweg had ontmoet.

Waarom was dit niet een jaar eerder gebeurd, evenals deze onthulling in den grafkelder der Indische prinses, bij het praalgraf van den vice-koning!

Dan had hij gelukkig kunnen worden met de goede, lieve Miss Walton!—

Lord Lister zuchtte diep. Daarop echter stond hij op en schudde zijn zwarte lokken.

„Wee u, valsche, misdadige oom, gij, die mijn vader en mij in het ongeluk heb gestort. Op een andere wijze dan gij vermoedt, zal ik met u afrekenen.

„Ik zal u daar treffen, waar gij het gevoeligst te raken zijt, in uw vuilen hartstocht van hebzucht en gierigheid, die u tot misdadiger heeft gemaakt.

„Ik heb nu geen medelijden meer met u, uit ontzag voor onzen familienaam! Vóór alles wil ik nu met u afrekenen! Gij zelf verschaft mij de bewijzen.

„Dat, wat gij het meest vreest, wat gij niet kun dragen, dat zal ik van u maken—een bedelaar! Gij zult u ellendig en wanhopig gevoelen in uw armoede en de liefde der menschen zal u niet troosten, zooals zij dat mij doet!

„De armste daglooner zal u van zijn drempel verstooten, want uw ondergeschikten zijn vervuld van haat jegens u!”

Groote vastberadenheid stond nu op het gelaat der prinses te lezen en haar oogen fonkelden, alsof zij werkelijk den haat weerspiegelden eener hartstochtelijke Oostersche vrouw. Lord Lister had zijn leed overwonnen en nam het leven, zooals het was.

Kalm verving hij de afgebrande kaars door een nieuwe, daarna drukte hij op den edelsteen, die in verbinding stond met het slot van het geheime mechaniek. Voorzichtig liet hij het voorste gedeelte van het Boeddhabeeld naar beneden glijden en de afgesloten vakken lagen voor hem.

Zijn stalen sleutel van eigen vinding paste op de weinig ingewikkelde sloten.

Het eerste vak, dat hij opende, bevatte de documenten, die de oude Lord Lister hier had opgeborgen. Bij het licht der waskaars onderzocht hij ze.

Bovenop lag de oorkonde betreffende de erfpacht van Mac Karthy; een oud perkament, dat Patrik Mac Karthy, een der strijders onder den toenmaligen Lord Lister wegens dapperheid aan de Bognerivier benoemde als erfpachter voor alle tijden en dat voorzien was van de handteekening van den Lordprotector Cromwell.

Behalve dit exemplaar, dat aan den Lord was toevertrouwd, bestond er waarschijnlijk geen tweede, daar in die tijden hoogst zelden duplicaten werden afgegeven.

En toch was de booswicht van plan, om den braven Mac Karthy met zijn familie van de pachthoeve te verdrijven, hoewel hij wist, dat hij daartoe het recht niet had.

En waarom? Wegens vertraging in de betaling der pacht?

Wat beteekende dat kleine bedrag voor den schatrijken grondbezitter?

Neen, omdat hij had vernomen, dat Mac Karthy op de hand van Lord Edward was en dat hij zich om hulp tot den jongen Lord had gewend.

De woede daarover en de bedoeling om zijn neef van allen mogelijken steun, hoe zwak dan ook, te berooven, had den liefdevollen oom tot zulk een onmenschelijke handelwijze tegenover zijn erfpachter doen overgaan!

In hetzelfde vak lagen ook de oorkonden der tien andere pachters van de Canaroon-hoeven, al stamden deze ook niet alle uit Cromwell’s tijd, zooals die van Mac Karthy.

Lord Edward legde al deze documenten op het Oostersche rustbed.

Daarop opende hij de andere vakken en de verschillende portefeuilles.

Smaragden, robijnen, topazen en diamanten schitterden in prachtige Indische goudwerken. Hij herkende onmiddellijk de familiejuweelen der prinses.

Hij herinnerde zich zijn kinderjaren, toen zijn moeder, die jong gestorven was, terwijl zijn vader op verre zeeën vertoefde, hem de zeldzaam schoone Indische sieraden had laten bewonderen.

Toen de oude Lord gestorven was, had haar valsche, oneerlijke zwager beweerd, dat de geheele schat spoorloos verdwenen was. De admiraal, zijn broer, zou ze zich op heimelijke wijze hebben toegeëigend en te gelde gemaakt, om speelschulden te betalen. En de doode had zich niet kunnen verdedigen.

Men geloofde Lord Raynald, zooals men ook zijn andere leugens had geloofd.

Ook voor den ouden Lord, Edwards grootvader, was de gedachte aan het feit, dat zijn oudste zoon zich aan de familiejuweelen zou hebben vergrepen, een hoofdoorzaak om den admiraal te onterven.

Met brandende oogen staarde Lord Edward naar de steenen. Daarop sloot hij de étui’s waarin ze verborgen waren en legde alles bij de documenten neer.

„Maar sprak de schurk niet van een testament? Van het herroepen der onterving van mijn vader? Zeker, dat zei hij en tevens, dat het echte testament nog aanwezig was. Wat beteekenen, daarbij vergeleken, de juweelen en deze papieren!

„Mijn vader in zijn eer hersteld en ik de rechtmatige erfgenaam, niet alleen van den naam, maar ook van de familiebezittingen der Listers! Ik moet het hebben!

„Als Raffles ooit heeft getoond een meesterdief te zijn, ook nu zal hij bewijzen, dat geen schuilplaats voor hem verborgen kan blijven!”

Met sidderende handen doorzocht hij nog eenmaal het inwendige van het afgodsbeeld; tevergeefs echter, alles was leeg! Nergens was het testament te vinden.

„IK had gedacht, dat hij ook dat hier bewaarde! Maar ik kan mij vergissen! Misschien heeft hij het op een andere plek in het kasteel verborgen, samen met zijn geldswaardige papieren.

„Deze juweelen van mijn moeder konden hem gevaarlijk worden, ingeval er eens een gerechtelijk onderzoek plaats mocht vinden! Het testament echter was gemakkelijk op een klein plekje te verbergen, waar niemand het zou zoeken.

„Maar ik zal het vinden, ik moet het ontdekken! Mijn vader moet in zijn eer hersteld worden en de schandelijke bedrieger zal zijn rechtvaardige straf niet ontgaan!”

Zorgvuldig droeg de Indische prinses de verschillende etuis achter de graftombe, waar zij er met den rok en de laarzen één pakje van maakte.

De verschillende documenten verborg Lord Lister in den wijden borstzak van het Indische gewaad. Daarop ontstak hij een nieuwe kaars, bij welks licht de Indische prinses, met een revolver in de rechterhand, door de onderaardsche gang met onhoorbare schreden den weg naar het kasteel insloeg.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings