LOUIS COUPERUS (continued 2)
Reading edition
Zij zat opgewonden voor hem, zij had gelezen haar allerlaatste bladzijden, met verhit gelaat, met klinkende stem, met een koorts in heel haar wezen. Het was als wilde zij nu smijten die bladen vol bitterheid voor de voeten harer Hollandsche zusteren, voor de voeten van alle vrouwen. Hij, verloren in zijne bespiegeling, weemoedig in zijn meêlij voor haar, had nauwlijks geluisterd, en schudde vaag goedkeurend het hoofd. En eensklaps sprak zij over zichzelve, en gaf ze zich geheel, vertelde zij haar leven: haar Haagsche-jongemeisjes-bestaan, haar opvoeding om wat te schitteren, en aardig en mooi te zijn, zonder éen ernstigen blik op haar toekomst, alleen afwachtende een goed huwelijk, met een flirtation hier, en een verliefdheidje daar, tot zij getrouwd was; een goed huwelijk in haar kringetje; haar man eerste luitenant van de huzaren, een mooie flinke jongen, goede notabele familie, een beetje geld,—op wien zij verliefd was geworden om zijn mooie gezicht, en zijn flink figuur in zijn uniform, die hem goed stond; die op haar verliefd was, zooals hij op een ander meisje ook had kunnen worden, omdat zij een aardig snoetje had: toen, de openbaring al dier allereerste dagen: de dadelijk uitbarstende disharmonie hunner karakters. Zij, thuis verwend, fijn, delicaat, fijngevoelig, maar egoïst fijngevoelig, maar prikkelbaar voor haar eigen verwende ik-je; hij, niet meer hofmakerig, maar dadelijk grofweg man met rechten hierop en rechten daarop, met een vloek nu en een gedonder dan weêr; zij, zonder eenigen tact, zonder eenig geduld nog te maken van hunne verongelukkende levens wat er misschien nog te maken zoû zijn: nerveus, driftig, drift tegen grofheid in, wat zijn ruwheid zoo oprazen deed, dat hij haar mishandelde, uitschold, sloeg, schudde en kwakte tegen den muur aan....
Toen hare scheiding; hij eerst niet gewild; trots alles, tevreden met een huis te hebben, en in dat huis een vrouw, wijfje van hèm, mannetje, en niet willende weêr de ellende van op kamers wonen, tot zij eenvoudig wegliep, naar hare ouders toe, de stad uit bij vrienden, razende op de wet, zoo onrechtvaardig jegens vrouwen.... Hij had eindelijk toegegeven, zich laten beschuldigen van overspel, wat niet bezijden de waarheid was. Toen was zij vrij, maar zij stond als alleen, aangekeken door al hare kennissen, niet willende toegeven aan hun conventie-eisch van die soort van halve rouw, die een gescheiden vrouw moest omgeven volgens hunne conventie-ideetjes, en dadelijk terugkeerende tot haar vroeger jonge-meisjes-schitterbestaan. Maar zij had gevoeld, dat dat niet wezen kon, niet om de kennissen en niet om zichzelve: de kennissen, schuin naar haar kijkende, en zij, walgende van de kennissen, van hun soirées en diners, tot zij zich diep ongelukkig gevoeld had, eenzaam, verloren, zonder iets, zonder iemand, en zij gevoeld had al den druk, die weegt op de gescheiden vrouw. Diep in zich had zij wel eens gedacht, dat zij met veel geduld en veel tact dien man nog had kunnen beheerschen, dat hij niet kwaad was, alleen maar grof, dat zij toch wel nog van hem hield, ten minste van zijn mooie gezicht en van zijn flinke lichaam. Liefde, dat was het niet, maar had zij ooit over liefde gedacht, zooals zij die nu wel eens voorgevoelde? En leefde niet bijna een ieder zoo-zoo maar, zich een beetje schikkende naar wat hem gegeven werd? Maar die spijt bekende zij nauwlijks zichzelve, bekende zij ook nu niet aan Duco, en wèl bekende zij haar bitterheid, haar haat tegen haar man, tegen het huwelijk, de conventie, de menschen, de wereld: tegen al de groote algemeenheden, generalizeerend haar eigen gevoel tot éen vloek tegen het leven. Hij hoorde haar aan, met medelijden. Hij voelde, dat er iets edels in haar was, maar verstikt, van den beginne af. Hij vergaf haar, dat zij niet artistiek was, maar het smartte hem, dat zij zich nooit gevonden had, dat zij niet wist wat zij was, wiè zij was, hoe haar leven moest zijn, en waar de lijn slingerde van haar leven, het eenige pad, dat zij gaan moest, zooals ieder leven volgt éen pad. O, hoe vaak, als een mensch zich maar gaan liet, als een bloem, als een vogel, als een wolk, als een ster, die haar baan zoo gehoorzaam beschreef, zoû een mensch zijn geluk en zijn leven wel vinden, als de bloem en de vogel ze vonden, als de wolk weg dreef in de zon, en de ster haar hemelbaan volgde. Maar hij zeide haar niets van zijn gedachten, wetende, dat zij vooral in hare stemming van bitterheid ze niet begrijpen zoû, en er geen steun aan grijpen kon, omdat ze haar te vaag zouden zijn, en te vreemd aan haar eigen denken. Zij dacht aan zichzelve, maar zij dàcht, dat zij dacht aan de Vrouwen, de Meisjes, en hare beweging naar de Toekomst. De lijnen van de vrouwen.... Maar had iedere vrouw niet haar eigen lijn? Alleen, hoe weinigen wisten haar, haar richting, haar pad, haar levenslijn, haar meander in de toekomstschemering. En misschien, omdat zij niet wisten voor zich, zochten zij allen te zamen nu een breed pad, een hoofdweg, waarop zij voortgaan zouden met scharen, met dringende menigte van vrouwen, met regimenten van vrouwen, met leuzen en vanen en oorlogskreet, breed pad, paralel aan de beweging der mannen, tot de paden zouden versmelten tot éen, tot de scharen der vrouwen zich vermengen zouden met de scharen der mannen, met gelijke rechten en levensbeweging....
Hij zeide haar niets. Zij merkte zijn zwijgen, en zag niet, hoeveel in hem omging, hoe innig hij over haar dacht, hoe diep meêlij hij voor haar voelde. Zij dacht, dat zij hem verveeld bad. En eensklaps, om zich heen, zag zij de duisterende naakte kamer, het vuur uitgedoofd, en zonk haar geestdrift, verkoelde haar koorts, vond zij slècht haar brochure, zonder kracht, overtuiging. Hoe gaarne had zij een woord van hem gehoord! Maar hij zat stil, hij scheen geen belang te stellen, hij vond haar stijl zeker niet mooi. En zij voelde zich treurig, verlaten, eenzaam, vervreemd van hem, en bitter om die vervreemding, zij voelde zich klaar om te weenen, te snikken, en—vreemd—in haar bitterheid, dacht zij aan hèm, haar man, met zijn mooie gezicht. En zij kon zich niet houden: zij weende. Hij naderde haar, hij legde op haar schouder zijn hand. Toen voelde zij iets, van wat er in hem omging, en dat zijn zwijgen niet koude was. Zij zeide hem, dat zij dien avond niet alleén zoû kunnen blijven, te rampzalig, te rampzalig.... Hij troostte haar; zei, dat er veel goeds, veel waars in haar brochure was, dat hij geen goed beoordeelaar was over zulke moderne kwesties; dat hij alleen maar knap was als hij sprak over Italië; dat hij zoo weinig voelde voor menschen, en zoo veel voor beelden; zoo weinig voor wat nieuw wordt opgebouwd voor een volgende eeuw, en zoo veel voor wat in ruïnes lag en restte uit vorige eeuwen. Hij zei het als vroeg hij verontschuldiging. Zij glimlachte door hare tranen heen, maar herhaalde, dat zij niet alleen kon blijven, en dat zij met hem meêging naar Belloni, dien avond, naar zijn moeder en zusters. En zij gingen samen uit, zij liepen samen om; en hij vertelde haar, om haar af te leiden, van eigen gedachten, vertelde haar anecdoten van meesters uit de Renaissance. Zij hoorde niet wat hij zeide, maar zijn stem was lief aan haar ooren. Hij had zoo iets zachts in zijn onverschilligheid voor het moderne, dat haar interesseerde: hij had zooveel kalmte, weldadig als balsem, in de rust van zijn ziel, die zich liet gaan aan den goudenen draad van zijn droomen—als was die draad zijn levensrichting,—zoo veel kalmte en zachtheid, dat ook zij kalmer werd, en zachter, en glimlachend tot hem opzag.
En hoe ver zij ook van elkaâr verwijderd waren, hij gaande langs droomenlijn, zij verloren in een duisteren doolhof,—zij voelden elkaâr toch naderen, voelden hunne zielen van verre toch naderen, terwijl hunne lichamen zich naast elkaâr bewogen op een straat van werkelijkheid, dwars door Rome in den avond. Hij stak zijn arm door den hare, maar steunde haár, ondanks dat gebaar.
En toen zij Belloni naderden, dankte zij hem, zij wist niet precies waarvoor: voor zijn blik, voor zijn stem, voor hunne wandeling, voor den troost, dien zij onuitlegbaar, maar toch duidelijk, uit hem voelde stralen, en zij was dien avond blijde met hem meê gegaan te zijn, en om zich heen te voelen de afleiding van Belloni's table-d'hôte.
Maar des nachts, alleen, alleen in haar rulle kamers, kwam hare rampzaligheid als een zwarte zee over haar heen, en, uitziende naar het Colosseum—donker te raden boog in donkeren nacht—, snikte zij, zich tot stervens toe voelende verzinken, wegspoelen, verlaten en eenzaam, zoo hoog boven Rome, boven de daken, boven de flauwe lichtjes der nachtstad, onder de wolken van den donkeren nacht, verzinken en wegspoelen, als dreef zij, schipbreukeling op een oceaan, die de wereld verdronk, en klagend opruischte tegen den onverbiddelijken hemel.
XIV.
Toch kwam er een kalmte in Cornélie nu hare brochure geschreven was. Zij pakte hare koffers uit, arrangeerde hare kamers wat gezelliger, en, rustiger, schreef zij de brochure over en verbeterde onder het overschrijven haar stijl, en zelfs haar gedachten. Als zij des morgens gewerkt had, lunchte zij meestal in een kleine osteria en ontmoette daar bijna altijd Duco van der Staal, en at met hem aan éen tafeltje. Meestal dineerde zij bij Belloni, bij de Van der Staals, om wat afleiding te hebben voor haar avond. De marchesa had haar eerst niet gegroet, al duldde zij haar aan de table-d'hôte, voor drie lire per avond, maar langzamerhand groette zij weêr Cornélie, met een zuurzoet lachje, want zij had de beide kamertjes al voordeeliger weêr verhuurd. En Cornélie, in hare kalmere stemming, vond het eene gezelligheid zich 's avonds te kleeden, naar Belloni te gaan, mevrouw Van der Staal en de meisjes te zien, verhaaltjes van haar te hooren over de salons van Rome, en een blik te weiden over de lange tafels. En zij zag, dat de gasten alweêr anderen waren, als met een kaleidoskoop van vluchtige menschen. Rudyard was verdwenen, met een schuld aan de marchesa, en niemand wist waarheen. De Rothkirchen waren naar Griekenland gegaan, maar Urania Hope was er nog steeds en zat naast de marchesa Belloni, en aan hare andere zijde de neef: de prins van Forte-Braccio, hertog van San Stefano, die geregeld bij Belloni dineerde. En Cornélie zag, dat het was als eene samenzwering: de marchesa en de prins, die de kleine ijdele Amerikaansche van beide zijden bestookten. Een volgenden dag zag Cornélie aan de tafel van de marchesa twee monsignori zitten in druk gesprek met Urania, terwijl de marchesa en de prins toeknikten. Alle gasten spraken er over, aller oogen zagen die kant uit, allen bespiedden de manoeuvre en vermaakten zich met dien roman.
Alleen Cornélie lachte er niet om; zij had Urania willen waarschuwen, voor de marchesa, den prins en de monsignori, die Rudyards plaats innamen, maar vooral waarschuwen voor het Huwelijk, al was het met een prins-hertog. En zich opwindende, sprak zij met mevrouw en de meisjes, herhaalde zij hare brochure-zinnen, gloeide, rood-òp, haar jonge haat tegen de maatschappij en de wereld en de menschen.
Het diner was afgeloopen; druk pratende nog ging zij met de Van der Staals mevrouw en de meisjes en Duco—naar het salon, zette zich in een hoek, vervolgde haar gesprek, vaarde uit tot mevrouw, die haar tegensprak, tot zij eensklaps een dikke dame—de meisjes hadden haar al bijgenaamd: het satijnen fregat—glimlachend naar hen toe zagen komen en zeggen al van verre:
—I beg your pardon, maar ik woû u iets zeggen.... Kijk, ik kom al sedert tien jaren geregeld iederen winter bij Belloni, van November tot na Paschen, en dan zit ik iederen avond, nà het diner—maar ook alleen maar nà het diner—in dezen hoek, aan deze tafel, op deze plaats. Neemt u me dus niet kwalijk, maar ik zoû ook nu gaarne mijn plaats weêr innemen....
En het "satijnen fregat" glimlachte lieftallig, maar toen de Van der Staals en Cornélie op rezen in stomme verbazing, liet zij zich ruischende ploffen op de canapé, deinde even op en neêr op de veeren, zette haar haakwerk op de tafel met een gebaar of ze een Engelsche vlag plantte op een kolonie, en zeide met haar lieftalligsten glimlach;
—Very much obliged, I thank you very much.
Duco schaterde het uit, de meisjes gichelden, maar het "satijnen fregat" knikte hen goedmoedig toe. En nog niet goed beseffende, verbaasd, maar vroolijk, zetten zij zich in een anderen hoek, de meisjes met een onuitbluschbaar gegichel. De twee esthetische dames, met de evening-dress en de Jaegers, die aan de middentafel zaten te lezen, sloegen tegelijkertijd hare twee boeken dicht, en stonden op en gingen verontwaardigd heen, omdat men in het salon lachte en praatte.
—It is a shame! zeiden zij hard op, en rechthoekig, verwaten en groezelig draaiden zij de deur uit.
—Vreemde menschen! dacht Duco glimlachend; schimmen van menschen.... Hun lijnen dwarrelen als arabesken door onze lijnen. Waarom kruisen zij onze lijnen met hun kleine beweging, en waarom kruisen ons nooit misschien die ons het liefst zouden zijn aan onze ziel...?
Steeds bracht hij Cornélie des avonds naar de Via dei Serpenti. Zij wandelden dan langzaam door de stille verlaten straten. Soms was het laat, maar soms was het dadelijk nà het diner, en dan wandelden zij nog het Corso in, dan vroeg hij haar meestal nog wat te gaan zitten bij Aragno. Zij deed dit, en samen gebruikten zij een kop koffie, in de vroolijkheid van het verlichte café, kijkende naar de avonddrukte op straat. Zij spraken dan weinig, afgeleid door de voorbijgangers en de bezoekers van het café, maar zij vonden het beiden een gezellig oogenblik, en voelden zich één met elkaâr. Duco dacht klaarblijkelijk niet na over het liberale van hun doen, maar Cornélie dacht aan mevrouw Van der Staal, en dat zij het niet goed zoû keuren en niet zoû toestemmen in een harer dochters: 's avonds alleen met een heer te zitten in een café. En Cornélie dacht ook aan Den Haag en glimlachte bij de gedachte aan hare Haagsche kennissen. En zij zag naar Duco.... Rustig zat hij, tevreden met haar samen te zitten, en hij dronk zijn koffie, en zei nu en dan een woord en wees haar op een type of op een mooie vrouw, die voorbijging.... Op een avond, na het diner, stelde hij voor allen te gaan naar de ruïnes: de maan scheen, dat was wondermooi. Maar mevrouw was bang voor malaria, de meisjes voor roovers; en zij gingen alleen, Duco en Cornélie. De straten waren heel eenzaam, het Colosseum rees dreigend op als een zwarte forteres in den nacht, maar zij gingen er binnen, en door de open bogen scheen het maanlichte blauw van den nacht: in de ronde put van de arena, ter eene zijde zwart, schaduw, stroomde ter andere de stroom van maneschijn binnen, als een witte vloed, als een waterval, en het was als spookte de nacht, als spookte het Colosseum en het geheele verleden van Rome: keizers, gladiatoren en martelaars; schaduwen slopen om als kruipende wilde beesten, een lichtvlak was als een naakte vrouw, en de galerijen schenen te ruischen van menigte.... En toch was er niets en waren zij eenzaam, Duco en Cornélie, in de diepte der hooge reuze-ruïne, half in schaduw en half in licht, en hoewel zij niet bang was, was zij onder den indruk van het ontzaglijk gespook des verledens, en schoof bij hem nader en klemde zijn arm, en voelde zich klein, heel klein. Hij drukte even haar hand, met zijn eenvoudige gemakkelijkheid, als om haar gerust te stellen. En de nacht beklemde haar, het spook benauwde haar, de maan scheen te duizelen hoog in de lucht en zich reusachtig uit te breiden en rond te draaien als een zilveren wiel. Hij zeide niets, hij was in zijn droom, hij zag het verleden voor zich.... En zwijgend gingen zij heen, en hij voerde haar door den boog van Titus het Forum binnen. Links rezen de ruïnes der keizerpaleizen, en om hen heen stonden de zwarte brokkelingen op, wezen de enkele zuilen omhoog en stroomde de blanke mane-stroom neêr, als een spookzee uit de lucht. Zij ontmoetten niemand, maar zij was bang en klemde vaster zijn arm. Toen zij even gingen zitten op een stuk fondament, huiverde zij van de kilte. Hij schrikte, zeide, dat zij op moest passen geen koû te vatten, en zij gingen verder en verlieten het Forum. Hij bracht haar thuis, en alleen ging zij de trappen op, een lucifer afstekende om wat licht te hebben in het duistere trappenhuis. In haar kamer bevroedde zij, dat het gevaarlijk was 's avonds in de ruïnes te dwalen. Zij dacht hoe weinig Duco gesproken had, niet denkende aan gevaar, verloren in zijn nachtelijken droom, turende in het ontzaglijk gespook.... Waarom ... was hij niet alleen gegaan? Waarom had hij haar meêgevraagd? Zij sliep in, na een chaos van warrelende gedachte: de prins en Urania; de dikke satijnen dame, en het Colosseum en de martelaren, en Duco en mevrouw Van der Staal.... Zijn moeder was zoo gewoon, zijn zusjes lief maar banaal, en hij ... zoo vreemd! Zoo eenvoudig, zoo zonder voordoen, zich zoo gevende als hij was; en daarom zoo vreemd.... Onmogelijk zoû hij zijn in Den Haag, onder haar kennissen.... Zij glimlachte als zij dacht aan wat hij gezegd had, en hoè hij dat gezegd had en hoe hij lustig kon zwijgen, minuten lang, een glimlach om zijn mond, als dacht hij aan iets moois....
Maar Urania moest zij waarschuwen.
En moê sliep zij in.
XV
Wat Cornélie voorgedacht had over mevrouw Van der Staals opinie omtrent haar omgang met Duco, werd bewaarheid: mevrouw sprak ernstig met haar, zeggende, dat zij, zoo voortgaande, zich comprometteeren zoû, en voegde er tevens aan toe, dat zij ook met Duco in dien geest gesproken had. Maar Cornélie antwoordde vrij hoog, en nonchalant, beweerde, dat zij, na zich steeds aan conventie gestoord te hebben, en toch diep ongelukkig te zijn geworden, zich voortaan niet meer aan conventie stoorde, en dat zij Duco's conversatie op prijs stelde zonder zich te laten weêrhouden door wat "men" dacht en vond. En dan, vroeg zij mevrouw Van der Staal, wie was "men"? Hun drie, vier kennissen in Belloni? Wie kende haar anders? Waar kwam zij verder? Wat deerde haar Den Haag? En zij lachte schamper, uit de hoogte afwerende de argumenten van mevrouw Van der Staal. Het gaf tusschen haar eene verkoeling: zij kwam dien avond niet bij Belloni dineeren, gekrenkt in hare prikkelbare overfijngevoeligheid. Den volgenden dag, Duco ontmoetende aan hun tafeltje in de osteria, vroeg zij, wat hij dacht van zijn moeders berisping. Hij glimlachte vaag, de wenkbrauwen opgetrokken, klaarblijkelijk niet beseffende de middelmaat-waarheid der woorden zijner moeder, zeggende: dat dat zoo ideeën waren van mama, natuurlijk heel goed en gangbaar in den cirkel, waarin mama en de zusjes leefden, maar waarin hij zich niet verdiepte, waaraan hij zich niet stoorde, tenzij Cornélie vond, dat mama gelijk had. En Cornélie vaarde schamper uit, haalde hare schouders op, vroeg terwille van wie en wat zij zich zouden laten weêrhouden in hun vriendschappelijken omgang. Zij bestelden samen een halve fiasco, en zij aten lang en gezellig, als twee kameraden, als twee studenten. Hij zeide, dat hij had nagedacht over hare brochure; hij sprak,—om haar lief te zijn—over den toestand der moderne vrouw, over het huwelijk, over de meisjes. Zij laakte de opvoeding, die mevrouw Van der Staal aan zijn zusjes gaf, de luchtige schitter-educatie en dat eeuwige uitgaan en zoeken naar een man. Zij sprak uit ondervinding, zeide zij. Dien dag wandelden zij de Via Appia op, en gingen in de Catacomben, geleid door een Trappist. Daarna namen zij een rijtuigje, reden naar Rome terug en dronken thee bij Ramazotti, den banketbakker. Toen Cornélie thuis kwam, voelde zij zich pleizierig en luchtig en vroolijk. Zij ging niet meer uit, stookte met veel hout haar vuur op voor den avond, die kil werd, en soupeerde alleen met wat brood en gelei, om niet uit te gaan voor haar diner. In haar peignoir, de handen om het hoofd gebogen, tuurde zij in het aardig brandende hout, en liet den avond over zich glijden. Zij was tevreden met haar leven, zoo vrij, los van alles, en iedereen. Zij had een beetje geld, zij kon zoo blijven leven. Vele behoeften had zij niet. Haar leven op kamers, in kleine restauraties kostte niet veel. Toiletten had zij niet noodig. Zij voelde zich tevreden. Duco was een prettige vriend; wat zoû zij eenzaam zijn zonder hem. Alleen, een doel moest haar leven krijgen.... Wat? Wat? De vrouwenbeweging...? Maar hoe, in den vreemde? Er aan te arbeiden was zoo moeilijk.... Hare brochure nu zoû zij zenden aan een nieuw blad voor vrouwen, pas opgericht. Maar dan? Zij was nu eenmaal niet in Holland, en zij wilde niet naar Holland: en toch, daar zoû ze zeker gemakkelijker werkzaam zijn, van gedachte wisselen met anderen. Maar hier in Rome.... Een luiheid kwam over haar, in de loomte van haar gezellige kamer. Want Duco had haar geholpen haar zitkamer te arrangeeren. Hij was toch een ontwikkelde jongen, al was hij niet modern. Wat wist hij veel van geschiedenis, van Italië, wat vertelde hij aardig. Zooals hij haar Italië verklaarde, vond zij Italië toch wel interessant.
Maar hij was alleen niet modern. Voor de politiek van Italië had hij geen oog, niet voor den strijd tusschen Quirinaal en Vaticaan; niet voor het anarchisme, dat er den kop opstak in Milaan, niet voor de woelingen in Sicilië.... Een doel; zoo moeilijk een doel.... En in hare avondloomheid na een prettigen dag, voelde zij het gemis van een doel niet, smaakte zij de zachte wellust hare gedachten te laten glijden met de lome avonduren meê, in een egoïsme van welbehagen. Zij zag naar de bladen harer brochure, verspreid op hare groote schrijftafel: een tafel om aan te werken: ze lagen geel in het licht van hare werklamp: ze waren allen nog niet overgeschreven, maar zij had nu geen lust: zij wierp een blok in het haardje, en het vuur rookte en vlamde op. Zoo gezellig in het buitenland, dat stoken met blokken hout.... En zij dacht aan haar man. Soms miste zij hem. Zoû zij hem niet hebben kunnen leiden met een beetje tact en geduld? Hij was toch heel aardig geweest in den tijd van hun engagement. Hij was ruw, maar hij was niet kwaad. Hij vloekte wel eens tegen haar, maar misschien had hij het niet zoo kwaad gemeend. Hij walste heerlijk, hij draaide je zoo stevig meê.... Hij was een mooie jongen, en, ze bekende zich, ze was verliefd op hem, alleen om zijn mooie gezicht, zijn mooie lijf. Hij had iets in zijn oogen en mond gehad, dat zij niet had kunnen weêrstaan. Als hij sprak, had zij naar zijn mond moeten kijken. Enfin, het was nu voorbij.... Het Haagsche leven was toch misschien te eentonig geweest voor hare natuur. Zij hield van reizen, van nieuwe menschen zien, van nieuwe gedachten in zich ontwikkelen, en ze had nooit kunnen vastgroeien in haar côterie-tje. En nu was zij vrij, los van alle banden, van alle menschen. Als mevrouw Van der Staal boos was, wat kon het haar schelen.... En Duco, hij was toch wèl modern, een beetje, in zijne onverschilligheid omtrent conventie. Of was het alleen artisticiteit in hem; of was het hèm, als on-modern man, onverschillig, zooals het haar, moderne vrouw, was? Een man kon zich meer veroorloven. Een man comprometteerde zich zoo gauw niet. Moderne vrouw.... Zij herhaalde het trotsch. Iets fiers stak op in hare loomheid. Zij richtte zich, rekkende-uit hare armen, zag in den spiegel haar slanke figuur, haar fijne gezichtje, een beetje bleek, de oogen groot, en grauw en glansend, onder opvallend lange wimpers; haar donker-blonde haren in een losse verwarde wrong; haar gebroken lelie-lijn heel bevallig in de frommelplooien van haar ouden peignoir, bleek roze en verschoten. Waar was haar pad? Zij voelde zich niet alleen werkster en streefster, zij voelde zich zoo complex; zij voelde zich vrouw ook, zij voelde veel vrouwelijkheid in zich, als een loomte, die haar werkkracht verlammen zoû. En zij dwaalde de kamer door, besluiteloos naar bed te gaan, en, starende in de gloei-asch van het uitgebrande vuur, dacht zij aan haar toekomst, aan wat en hoe zij worden zoû, en hoe en waar zij gaan zoû, langs welke arabesk des levens, wendende door welke wouden, krullende door welke dreven, kruisende welke andere arabesken, van welke andere zoekende zielen?
XVI.
Reeds langen tijd was het een idee-fixe van Cornélie, dat zij met Urania Hope moest spreken, en op een morgen schreef zij een briefje en vroeg belet voor dien middag. Miss Hope antwoordde toestemmend en om vijf uur vond Cornélie haar thuis in haar mooi en duur salon van Belloni: veel licht op, veel bloemen; Urania, hamerende op de piano, in een robe-d'interieur van Venetiaansche kant, terwijl een rijke tea met koekjes, boterhammetjes, bonbons, was klaargezet. Cornélie had geschreven, dat zij Miss Hope over een belangrijk onderwerp alleen wilde spreken en vroeg ook dadelijk of zij alleen zouden zijn, twijfelende, nu Urania haar zoo receptie-achtig ontving. Maar Urania stelde haar gerust: zij had alleen thuis gegeven voor Mrs. De Retz, en zij was zeer nieuwsgierig waarover Cornélie haar wilde onderhouden. Cornélie herinnerde Urania hare eerste waarschuwing en toen Urania lachte, vatte zij haar hand en zag haar met zulke ernstige oogen aan, dat zij indruk maakte op de luchtige natuur van het Amerikaansche meisje, en Urania geïntrigeerd werd. Nu vond zij het eensklaps zeer gewichtig—een geheim, een intrigue, een gevaar in Rome!—en zij fluisterden samen. En Cornélie, niet angstig meer in deze toenemende vertrouwelijkheid, bekende haar wat zij op het Kerstbal overhoord had, door de opengekraakte deur: de machinatie van de marchesa met haar neef, dien zij met alle geweld koppelen wilde aan een rijke erfgename ter wille van des prinsen vader, die haar item zooveel voor dat huwelijk scheen beloofd te hebben. Daarop sprak zij over de bekeering van Miss Taylor, door Rudyard bewerkt; Rudyard, die niet met haar, Urania, scheen te kunnen klaar komen—geen vat krijgende op haar argelooze, maar luchtige vlindernatuur, en—als Cornélie vermoedde, —daarom de ongenade van zijn geestelijke superieuren zich op den hals had gehaald, en verdwenen was, zonder zijn schuld aan de marchesa te hebben kunnen voldoen. Nu scheen hij vervangen te zijn door de beide monsignori, die er deftiger, wereldscher uitzagen, en zalvender waren, met meer glimlach. En Urania, starende in dit gevaar, in die lagen aan hare voeten, waarin Cornélie haar eensklaps blikken liet, verschrikte nu werkelijk, werd bleek, en beloofde op hare hoede te zijn. Eigenlijk had zij maar dadelijk hare kamenier willen zeggen in te pakken om zoo spoedig mogelijk Rome te verlaten, naar een andere stad, in een ander pension, waar veel adel was: adel was zoo lief! En Cornélie, ziende, dat zij indruk gemaakt had, voer voort, sprak over zichzelve, sprak over het huwelijk, zeide, dat zij een brochure had geschreven tegen het huwelijk en over den Maatschappelijken Toestand van de Gescheiden Vrouw. En zij sprak over het leed, dat zij had doorgemaakt, en over de Vrouwenbeweging in Holland. En, eenmaal op dreef, kon zij zich niet betoomen, heviger en heftiger, tot Urania haar erg knap vond—a very clever girl—zoo te kunnen redeneeren en te schrijven over een "question brûlante." Zij gaf een flinken nadruk op de eerste lettergrepen der Fransche woorden, bekende, dat zij wel gaarne kiesrecht zoû willen hebben, en plooide bij die woorden den langen sleep van haar kanten tea-gown uit. Cornélie sprak over de onrechtvaardigheid der wet, die de vrouw niets laat, alles ontneemt, geheel dwingt in de macht van den man, en Urania was het met haar eens en prezenteerde het schaaltje met fijne bonbons. En onder een tweede kop thee spraken zij, opgewonden, beiden te samen, de eene niet hoorende naar wat de andere betoogde, en Urania zeide, dat het "a shame" was. Van een algemeene beschouwing kwamen zij weêr op hare eigen belangen: Cornélie beschreef het karakter van haar man, in zijn grofheid de natuur van een vrouw niet begrijpende, en niet toegevende, dat een vrouw naàst hem stond, en niet beneden. En nogmaals kwam zij terug op de Jezuïeten, op het gevaarlijke in Rome voor rijke meisjes alleen, op die tang van een marchesa, en op dien prins: getiteld lokaas, dat de Jezuïeten uitwierpen, om een ziel te winnen, en een verarmd Italiaansch huis,—dat den Paus was trouw gebleven, en den koning niet diende—te verbeteren in zijn finanties. En zij waren beiden zoo hevig en opgewonden, dat zij niet hoorden, hoe er geklopt werd, en eerst opzagen, toen de deur langzaam open ging. Zij schrikten, zagen op, en verbleekten beiden toen zij den prins van Forte-Braccio zagen binnenkomen. Hij verontschuldigde zich met een glimlach, zei, dat hij licht gezien had in het salon van miss Urania, dat de portier hem wel belet had gegeven, maar dat hij het consigne geforceerd had. En hij zette zich, en trots alles wat zij zooeven besproken hadden, vond Urania het verrukkelijk, dat de prins daar zat, en een kop thee van haar aannam en een koekje wilde eten.
En Urania toonde haar album met wapens—de prins had het zijne er al in afgedrukt—en toen haar album met stalen van de baljaponnen der koningin. Toen lachte de prins en zocht uit zijn zak een couvert: hij opende het en haalde er voorzichtig uit een lapje blauw brokaat met zilveren parelen bewerkt. Wat was het? vroeg Urania verrukt. En hij zeide, dat hij haar bracht een staal van het nieuwste toilet van Hare Majesteit; zijn nicht,—niet een Zwarte, als hij, maar een Witte; niet pauselijk, maar koningsgezind, hofdame der Koningin,—had hem dit lapje weten te bezorgen voor Urania's album. Urania zoû het zelve zien: de koningin zoû dit toilet dragen op het hofbal over een week. Hij ging daar niet heen, hij ging zelfs niet officieel naar zijn nicht, niet naar hare receptie's, maar hij zag haar toch uit familierelatie, uit vriendschap. Nu smeekte hij Urania hem toch niet te verraden: het kon hem kwaad doen in zijn carrière,—welke carrière? vroeg Cornélie zich af—als men wist, dat hij zijn nicht veel zag, maar hij had haar veel bezocht, den laatsten tijd, voor Urania, om dat staaltje te krijgen.
En Urania was zoo dankbaar, dat zij alles vergat van den maatschappelijken toestand van meisje en vrouw, getrouwd of ongetrouwd, en zij had haar kiesrecht gaarne geofferd voor zoo een lieven Italiaanschen prins. Cornélie ergerde zich, stond op, groette met een koele hoofdbuiging den prins, en trok Urania even meê bij de deur:
—Vergeet ons gesprek niet, waarschuwde zij. Wees op je hoede.
En zij zag den prins, toen zij fluisterden, sarcastisch naar haar kijken, vermoedende, dat zij over hèm sprak, radende een antipathie in die Hollandsche vrouw, maar prat op de macht van zijn persoonlijkheid en zijn titel en zijn attenties, voor de dochter van een Amerikaanschen tricot-fabrikant.
XVII.
Er was eene verkoeling gekomen tusschen mevrouw Van der Staal en Cornélie, en Cornélie kwam 's avonds niet meer dineeren bij Belloni. In weken zag zij mevrouw en de meisjes niet meer, maar zag zij Duco iederen dag. Zij waren, trots hun essentieel verschil van karakter, zoo zeer gewend aan hun samenzijn, dat zij elkaâr misten zoo zij elkaâr éen dag niet gezien hadden, en zij waren langzamerhand als natuurlijkweg er toe gekomen iederen dag met elkaâr te déjeuneeren en te dineeren: 's ochtends in de osteria, 's middags in het een of ander kleine café, meestal heel eenvoudig. Om niet te behoeven af te rekenen, betaalde Duco den eenen keer en Cornélie den anderen. Meestal hadden zij veel te praten; hij leerde haar Rome, leidde haar na het lunch rond door kerken en muzea, en, onder zijne leiding, begon zij te begrijpen, begon zij te waardeeren en mooi te vinden. Onbewust suggereerde hij haar eenige zijner ideeën: schilderkunst was haar heel moeilijk, maar sculptuur begreep zij veel sneller. En zij begon hem niet alleen maar "morbide" te vinden; zij zag tegen hem op, hij sprak eenvoudig weg tegen haar als van zijn hoog standpunt van sentiment en kennis en begrijpen, over heel hooge dingen, die zij als jong meisje, als jonge vrouw later, nooit had gezien in het edele licht van verheerlijking, dat hij voor haar liet opgaan, als de eerste glans van een dageraad; nieuwe dag, waarin zij nieuwe dingen des levens aanschouwde, geschapen uit het edelste van kunstenaarsziel. Hij betreurde het, dat hij haar Giotto niet kon laten zien in Santa Croce te Florence, de Primitieven in de Uffizie, en dat hij haar dadelijk moest Rome leeren, maar hij leidde haar in al het exuberante kunstleven van de Pauselijke Renaissance, tot zij het, onder zijn woorden, meêleefde een enkele intense seconde, en Michelangelo, Rafaël, voor haar uitstonden, levende ook. Hij dacht, na zoo een dag: zij is toch niet zoo heelemaal onartistiek, en zij dacht aan hem met eerbied, ook als de suggestie verbroken was, en zij nadacht, en, eigenlijk heel diep in zich, niet meer zoo goed begreep als dien morgen, omdat haar ontbrak de liefde voor die dingen. Maar toch bleef er 's avonds dan nog zooveel glans van kleur en verleden dwarrelen voor hare oogen, dat haar brochure haar dof scheen, dat de Vrouwenbeweging haar niet interesseerde, en dat Urania Hope haar niet schelen kon.
Hij bekende zich, dat hij zijn rust geheel verloren had, dat Cornélie voor hem stond in zijn gepeins, tusschen hem en zijn antieke tryptieken; dat zijn leven, eenzaam, zonder kennissen, naïef en eenvoudig, tevreden met te dwalen in en buiten Rome, met te lezen, te droomen, en nu en dan wat te schilderen, geheel veranderd was in gewoonte en lijn, nu de lijn van zijn leven haar levenslijn gekruist had en zij samen éen weg schenen te gaan; hij wist, eigenlijk niet waarom. Liefde kon hij niet noemen het gevoel, dat hem tot haar aantròk.... En maar heel vaag, heel diep in zich, onbewust, vermoedde hij, altijd onuitgesproken, en zelfs onuitgedacht, dat het de lijn van haar lichaam was, bijna iets Byzantijnsch; de tengerte der gestalte, de lange armen, de gebroken lelie-lijn van die vrouw van leed, met de melancholie in haar grauwe oogen, waarover de bijna te lange wimpers schaduwden; dat het was de adel van haar hand, klein en lief voor een groote vrouw; dat het een beweging was van haar hals, als van buigenden stengel, of zwaan, die moê was, en omzag naar achteren. Hij had nooit veel vrouwen ontmoet, en die hij ontmoet had, waren hem steeds heel gewoon geweest, maar zij was hem oneigenlijk, in de contradicties van haar karakter, in het vage en ongrijpbare ervan, in al de halftinten, die aan zijn oog, toch gewend aan halftint, ontsnapten.... Hoe was zij?... Een vrouw in een boek, een heldin in een gedicht, had hij steeds gezien in haar karakter. Hoe was zij, een levende vrouw, vleesch en bloed?! Zij was niet artistiek, en zij was niet onartistiek; zij had geen energie, en zij miste toch geen energie, zij was niet zeer ontwikkeld, en toch schreef zij, na impulsie en uit intuïtie, een brochure over een der modernste kwestie's en zij werkte er aan, en zij schreef ze af, en het werd een geschrift, niet slechter dan anderen. Zij had ruimte van denken, hatende kleinheid van côterie, zich, na haar leed, niet meer thuis voelende in haar Haagsch cirkeltje, en hier in Rome luisterde zij op een bal, achter een deur naar wat onnoozele intrigue,—nauwelijks intrigue, dacht hij—en was zij gegaan naar Urania Hope, om zich te mengen in de verwarde arabesken van kleinere levens, zonder belang, van menschen, die hij minachtte om hun gemis aan lijn, aan kleur, aan droom, aan waas, aan alles, wat hem levensdierbaar was en voor hem het leven maakte.... Hoe was zij? Hij begreep haar niet. Maar hàre arabesk was hem van belang. Zij miste geen lijn: geen kunstlijn en geen levenslijn; zij bewoog zich in den droom harer eigen vaagheid voor zijn turende oogen, en zij schemerde op uit het waas, uit den schemer van zijn atelier-atmosfeer, en stond als fantoom voor zijn oogen. Hij kon dat geen liefde noemen, maar zij was hem dierbaar als eene openbaring, die zich telkens met geheim dichtsluierde. En zijn leven van eenzamen dwaler was wel veranderd, maar zij had in zijn leven geen onharmonische gewoonte gebracht: hij hield van te eten in een klein café of osteria, met het volk van Rome om zich heen, en zij deed dat met hem meê gemakkelijk en eenvoudig, niet vies doende, maar gezellig, harmonisch, met een groot gemak van zich voegen en met even veel natuurlijke gratie, als zij 's avonds dineerde aan Belloni's table-d'hôte. Dat alles, het weêrspel van oneigenlijkheid, van tegenstrijdigheid, dat levend vizioen van vaagheid, dat ontastbare van hare eigenlijkheid, dat zich verschuilen van haar ziel, dat samensmelten harer essence's, was hem eene bekoring geworden:—een onrust, een behoefte, een nervoziteit in zijn leven, anders zoo rustig, klein tevreden en kalm—maar bekoring vooral, onmisbare bekoring van iederen dag.
En zonder zich te storen aan wat men er van denken kon, aan wat mevrouw Van der Staal er van dacht, gingen zij soms een dag samen naar Tivoli, wandelden een anderen dag van Castel-Gandolfo tot Albano, en reden naar het meer van Nemi, en ontbeten op een antiek kapiteel—als tafel—in de villa Sforza-Cesarini. Zij rustten te samen in de schaduw der boomen, zij bewonderden de camelia's, zagen zwijgend naar de glasklaarte van het Nemi-meer,—spiegel van Diana—-en reden over Frascati terug. In het rijtuig waren zij stil, en hij dacht er over, glimlachend, hoe men overal hen had aangezien dien dag voor man en vrouw. Zij ook dacht aan hun toenemende intimiteit, en dacht tevens, dat zij nooit meer trouwen zoû. En zij dacht aan haar man en vergeleek hem bij Duco. Zoo jong in zijn gezicht, maar de oogen vol diepte, vol ziel, vol droom, zijn stem zoo geleidelijk, wat hij zeide zoo knap, zoo welwetend, en dan zijn kalmte, zijn naïveteit, zijn gemis aan drift, of zijn zenuwen alleen zich gevormd hadden tot het voelen van kalmte van kunst, in het droomwaas van zijn leven. En zij bekende zich, daar in dat rijtuig naast hem—rondom hen heen de zacht glooiende heuvelen, wegpaarschend in den avond, voor hen uit het verglanzende mauve-achtige roze van een nauwlijks goudenen zonsondergang,—dat hij haar dierbaar was om die kalmte, om dat gemis aan drift, die naïveteit, en dat welwetende: klare stem uit droomschemer opklinkend—en dat zij gelukkig was naast hem te zitten, te hooren die stem, en bij toeval te voelen zijn hand ... gelukkig, dat haar levenslijn de zijne gekruist had, en de lijnen beiden een pad schenen te vormen, naar het opschemerende, naar het iederen dag meer en meer opklarende, van hun dichtstbijzijnde toekomst....
XVIII.
Cornélie zag niemand meer dan Duco. Mevrouw Van der Staal had zich met haar gebrouilleerd en wenschte niet, dat hare dochters meer met Cornélie omgingen. Zelfs tusschen moeder en zoon was verkoeling. Zij zag niemand meer dan Duco en een enkelen keer Urania Hope. Het Amerikaansche meisje kwam dikwijls bij haar en vertelde haar van Belloni: men sprak er veel over Cornélie en Duco en maakte commentaren op hun omgang. Urania was blij zich verheven te achten boven die praatjes van het hôtel, maar zij wilde Cornélie toch waarschuwen. Er was in haar woorden iets eenvoudig spontaans van vriendschap, dat Cornélie sympatisch aandeed. Als Cornélie echter vroeg naar den prins, werd zij stilzwijgend, verlegen en wilde klaarblijkelijk niet veel zeggen. Toen na het hofbal—waar de koningin waarlijk het gepailletteerde brokaat had gedragen!—zocht Urania Cornélie weêr op en bekende onder een kop thee, dat zij dien morgen den prins beloofd had hem in zijne woning te komen bezoeken. Zij zeide dit eenvoudig weg, als was het de natuurlijkste zaak ter wereld. Cornélie schrikte en vroeg hoe zij zoo iets had kunnen beloven....
—Waarom niet? antwoordde Urania. Wat is daar aan? Ik ontvang zijn visites.... waarom, als hij mij vraagt zijn kamers te komen zien, —hij woont in het Palazzo Ruspoli—als hij mij een paar schilderijen toonen wil, miniaturen, en antieke kant ... waarom zoû ik dan weigeren te komen? Why should I make such a fuss about it? Ik sta boven zulke kleingeestigheden. Wij, Amerikaansche meisjes, hebben een vrijen omgang met onze heeren. En jijzelf? Je wandelt met Mr. Van der Staal, je dineert en déjeuneert met hem, je maakt uitstapjes met hem, je komt in zijn atelier....
—Ik ben getrouwd geweest, antwoordde Cornélie. Ik ben aan niemand verantwoording schuldig. Jij hebt je ouders.... Wat je doen wilt is onberaden en overmoedig.... Zeg mij, denkt de prins .... aan een huwelijk?
—Als ik Roomsch word....
—En...?
—Ik denk van ja.... Ik heb geschreven naar Chicago, zeide zij weifelend.
Zij sloot even haar mooie oogen en werd bleek, omdat de titel van prinses-hertogin haar schemerde voor de oogen.
—Alleen.... begon zij.
—Wat...?
—Ik zal geen vroolijk leven hebben. De prins behoort tot de Zwarten. Ze zijn altijd in rouw om den Paus. Er is in hun côterie bijna niets, geen bals, geen feesten. Ik woû, dat als wij trouwden, hij meêging naar Amerika. Hun kasteel in de Abruzzen is eenzaam en vervallen. Zijn vader is heel trotsch, ongenaakbaar en stilzwijgend. Ik heb dat gehoord van verschillende kanten. Wat moet ik doen, Cornélie? Ik hoû veel van Gilio; Virgilio heet hij. En dan, weet je, de titel is een oude Italiaansche titel: principe di Forte-Braccio, duca di San Stefano.... Maar zie je, dat is ook alles, alles. San Stefano is een gat. Daar woont de papa. Ze verkoopen wijn en daar leven ze van. En olijfolie; maar ze maken geen geld. Mijn vader fabriceert tricot, maar hij is er meê rijk geworden. Veel familie-juweelen hebben ze niet. Ik heb mijn informaties genomen.... Zijn nicht, de contessa di Rosavilla, de hofdame van de koningin, is lief ... maar die zouden we officieel niet zien. Ik zoû nergens naar toe kunnen gaan. Het lijkt me wel wat vervelend....
Cornélie nam heftig het woord, vaarde uit en herhaalde hare frazes: tegen het huwelijk in het algemeen en nu in het bizonder tegen dit huwelijk, alleen om een titel. Urania beaamde het: het wàs alleen een titel ... maar dan was het toch ook Gilio: hij was zoo lief en zij hield van hem. Maar Cornélie geloofde er niets van, en zeide het haar ronduit. Urania weende: zij wist niet wat zij doen zoû.
—En wanneer zoû je naar den prins gaan?
—Van avond....
—Ga niet.
—Neen, neen, je hebt gelijk, ik zal niet gaan.
—Verzeker je het mij?
—Ja, ja.
—Ga niet, Urania.
—Neen, ik zal niet gaan. You are a dear girl. Je hebt gelijk: ik zal niet gaan. Ik zweer het je, ik zal niet gaan....
XIX.
Er was echter zooveel vaagheid geweest in Urania's verzekering, dat Cornélie zich ongerust voelde en er Duco dien avond, in den restaurant, waar zij elkaâr ontmoetten, over sprak. Maar hij stelde geen belang, niet in Urania, niet in wat zij deed, of niet doen zoû, en hij haalde onverschillig zijn schouders op. Zij echter was stil en afgetrokken en hoorde niet naar wat hij zeide: een zijpaneel van een tryptiek, gedecideerd van Lippo Memmi, dat hij ontdekt had in een winkeltje aan den Tiber: de engel van de Annonciatie, bijna zoo mooi als die van de Uffizie, neêrgeknield in den waai nog van het laatste zijner vlucht, en de lelietak in de handen. Maar de koopman vroeg er tweehonderd lire voor en hij wilde maar vijftig geven. En toch, de koopman had den naam van Memmi niet genoemd: hij vermoedde niet, dat de engel van Memmi was....
Cornélie had niet geluisterd en plotseling sprak zij:
—Ik ga naar het Palazzo Ruspoli....
Hij zag verbaasd op.
—Waarom?
—Om naar miss Hope te vragen.
Hij was stom van verbazing en bleef haar met open mond aanzien.
—Als zij er niet is.... hernam Cornélie; dan is het goed. Is zij er ... is zij toch gegaan, dan vraag ik haar dringend te spreken....
Hij wist niet wat te zeggen, hij vond haar inval zoo vreemd, zoo excentriek, zoo nuttelooze arabesk om te kruisen arabesken van onbeduidende, onverschillige menschen, dat hij geen woorden wist te vinden. Cornélie zag op haar horloge.
—Het is over half negen. Gaat zij toch, dan gaat zij omstreeks dezen tijd.
Zij wenkte den kellner en betaalde. En zij knoopte haar manteltje dicht en stond op. Hij volgde haar.
—Cornélie, begon hij, is het niet vreemd wat je wilt doen. Je zal er allerlei last meê krijgen.
—Als men altijd tegen wat last opzag, zoû niemand eens een goede daad doen.
Zij wandelden stilzwijgend door, hij boos aan hare zijde. Zij spraken niet: hij vond het eenvoudig dol wat zij wilde: zij vond hem flauw Urania niet te willen beschermen. Zij dacht aan hare brochure, aan de Vrouwen, en zij wilde Urania beschermen voor het Huwelijk, en voor dien prins. En zij wandelden door het Corso, naar het Palazzo Ruspoli. Hij werd zenuwachtig, wilde haar nog eenmaal weêrhouden, maar zij vroeg al aan den suisse:
—Is de signore principe thuis?
De man zag haar argwanend aan.
—Neen, sprak hij kort.
—Ik vermoed van wel. Zoo ja, vraag dan of miss Hope bij zijne Excellentie is. Miss Hope was niet thuis; ik vermoed, dat zij van avond den prins komt bezoeken en ik moet haar dringend spreken ... over iets, dat geen uitstel lijdt. Hier ... la signora De Retz....
Zij reikte haar kaartje over. Zij sprak met zooveel aplomb, zij stelde het bezoek van Urania voor met zooveel rust en eenvoud, alsof het iederen avond voorkwam, dat Amerikaansche meisjes Italiaansche prinsen bezochten, en alsof zij niets anders dacht, dan dat de suisse die gewoonte wel wist. De man werd er door uit het veld geslagen, boog, nam het kaartje aan en verwijderde zich. Cornélie en Duco wachtten in den portiek.
Hij bewonderde haar om hare kalmte. Hij vond het wel excentriek wat zij deed, maar zij deed hare excentriciteit met eene zekerheid, die haar weêr in een ander licht bescheen. Zoû hij haar dan nooit begrijpen, zoû hij nooit iets tasten, en zeker weten, in het wisselen en ontastbare van die vaagheid van haarzelve? Hij had nooit die enkele woorden zoo tot dien suisse kunnen zeggen. Hoe had zij dien tact gevonden, dien hoog-ernstigen toon tegen dien impozanten deurwachter met zijn stok en zijn steek! Zij deed het even gemakkelijk als zij, met familiare minzaamheid, hun eenvoudig diner bestelde aan den kellner in hun kleine restauratie.... De suise kwam terug.
—Miss Hope en zijne Excellentie verzoeken u boven te willen komen....
Zij zag Duco glimlachend aan, zegevierend, geamuzeerd om zijne verwarring.
—Ga je meê?
—Wel neen, stotterde hij. Ik zal hier wel op je wachten.
Zij volgde een lakei de trappen op. Familieportretten hingen in den breeden corridor. De deur van het salon stond open. De prins kwam haar tegemoet.
—Vergeef mij, prins, sprak zij kalm en strekte de hand uit: zijn oogen waren klein als dichtgeknepen karbonkels, hij was wit van woede, maar hij bedwong zich en drukte even zijn lippen op de hand, die zij uitstak.
—Vergeef mij, ging zij voort. Ik heb miss Hope dringend te spreken....
Zij trad in het salon; Urania was daar, blozende, verlegen.
—U begrijpt, glimlachte Cornélie; ik had u niet durven storen, als het niet voor een zaak van gewicht was. Een zaak tusschen vrouwen ... maar toch van gewicht! schertste zij en de prins zeide iets terug, zoetsappig galant. Mag ik miss Hope even alleen spreken?
De prins zag haar aan. Hij vermoedde in haar: antipathie, en meer, een vijand. Maar hij boog, met zijn zoetsappigen glimlach en zei, dat hij de dames even alleen liet. Hij trok zich terug in een andere kamer.
—Cornélie, wat is er? vroeg Urania gejaagd. Zij greep Cornélie bij beide handen en zag haar angstig aan.
—Er is niets, sprak Cornélie streng. Ik heb je over niets te spreken. Ik vermoedde alleen en ik was zeker, dat je je belofte niet zoû houden. Ik woû zekerheid hebben, of je hier was.... Waarom ben je gekomen?
Urania begon te weenen.
—Huil niet! fluisterde Cornélie meêdoogenloos. In godsnaam huil niet. Wat je gedaan hebt is zoo onbezonnen mogelijk....
—Ik weet het ... bekende Urania zenuwachtig, hare tranen drogend.
—Waarom deed je het dan?
—Ik kon het niet laten.
—Alleen, met hem, hier, 's avonds...! Een bekend mauvais sujet....
—Ik weet het!
—Wat zie je in hem?
—Ik hoû van hem....
—Je wil hem alleen trouwen om zijn titel. Om zijn titel compromitteer je je. Wat, als hij je van avond niet respecteert als zijn aanstaande vrouw? Wat als hij je dwingt zijn maîtresse te zijn?
—Cornélie ... stil...!
—Je bent een kind, een onbezonnen kind. En je vader laat je alleen reizen. Om "dear old Italy" te zien.... Je bent Amerikaansch, liberaal: goed; flink op je eigen om de wereld door te trekken: goed, maar je bent nog geen vrouw, je bent een kind!
—Cornélie....
—Ga met me meê; zeg, dat je met me meêgaat. Om een dringende reden. Of neen ... zeg liever niets. Blijf. Maar ik blijf ook....
—Ja, blijf jij ook....
—We zullen hem roepen.
—Ja.
Cornélie belde, een lakei verscheen.
—Zeg zijne Excellentie, dat wij hem wachten. De man ging. Na een pooze kwam de prins binnen. Hij was nog nooit in zijn eigen huis zoo behandeld geworden. Hij ziedde van woede, maar hij bleef zeer hoffelijk, en uiterlijk kalm.
—Is de gewichtige zaak afgehandeld? vroeg hij met zijn kleine oogen en huichelglimlach.
—Ja, dank u zeer voor uw discretie ons even alleen te laten! sprak Cornélie. Nu ik miss Hope gesproken heb, ben ik gerust gesteld omtrent haar opinie.... O, u zoû gaarne weten, waarover wij hebben gesproken!?
De prins trok de wenkbrauwen op. Cornélie had coquet gesproken, met haar vinger gedreigd, geglimlacht, en de prins zag haar aan, en zag eensklaps, dat zij mooi was. Niet met de treffende schoonheid en frischheid van Urania Hope, maar met een complexere aantrekkelijkheid: die van een getrouwde vrouw, gescheiden, maar heel jong, die van een vrouw, eind'eeuwsch, met een lichte perversiteit in hare diep grauwe oogen, werkende onder heel lange wimpers, die van een vrouw, bizonder gracieus in de gebroken lijnen van haar moede, loome, morbide bevalligheid: een vrouw, die het leven kende, een vrouw, die hem—hij was er zeker van—doorzag; die hem—antipathiek—toch toesprak met coquetterie om hem te behagen, te winnen, onbewust, uit louter perverse vrouwelijkheid. Hij zag haar mooi en pervers, en hij bewonderde haar, gevoelig voor verschillende types van vrouwen. Hij vond haar eensklaps mooier en niet zoo banaal als Urania, en veel meer gedistingeerd, en niet zoo naïef gevoelig voor zijn titel, iets wat hij zoo mal in Urania vond. Hij was eensklaps op zijn gemak met haar, zijn woede zakte: hij vond het aardig twee mooie vrouwen bij zich te hebben in plaats van éene, en hij schertste terug, zei, dat hij van nieuwsgierigheid brandde, aan de deur geluisterd had, maar helaas, niets had opgevangen.... Cornélie lachte vroolijk, coquetteerde terug, en zag op haar horloge. Zij sprak iets van weggaan, maar zette zich tegelijkertijd neêr, knoopte haar mantel los en zei tot den prins:
—Ik heb zoo veel gehoord van uw miniaturen; nu ik in de gelegenheid ben: màg ik ze zien?
De prins was bereid, bekoord door haar blik, door haar stem, éen vuur, éen vlam in een oogenblik.
—Maar ... sprak Cornélie. Mijn cavalier wacht buiten in den portiek. Hij wilde niet boven komen, hij kent u niet.... Het is meneer Van der Staal.
De prins zag haar lachende aan. Hij wist de praatjes van Belloni. Hij twijfelde geen oogenblik aan een liaison tusschen Van der Staal en signora De Retz. Hij wist, dat zij zich stoorden aan niets. En Cornélie werd hem zeer sympathiek.
—Maar ik zal dadelijk den heer Van der Staal laten vragen om boven te komen.
—Hij wacht in den portiek, zei Cornélie. Hij zal niet willen....
—Ik zal zelve gaan, sprak de prins, levendig en gedienstig.
Hij ging. De dames bleven achter. Cornélie trok haar mantel uit; maar zij hield haar hoed op, omdat hare haren in de war zouden zijn. Zij zag in den spiegel.
—Heb je je poeier bij je? vroeg zij Urania.
Urania haalde haar ivoren doosje uit den zak en gaf het aan Cornélie. En terwijl Cornélie zich even poeierde, zag Urania hare vriendin aan, en begreep niet. Zij herinnerde zich den ernstigen indruk, dien Cornélie dadelijk op haar gemaakt had, studeerende Rome ... later schrijvende een brochure over de Vrouwenkwestie, en de toestand der gescheiden vrouw.... Toen haar waarschuwingen tegen het Huwelijk en tegen den prins. En nu zag zij haar eensklaps als allerliefst wufte vrouw, onweêrstaanbaar bekoorlijk, meer betooverend nog dan werkelijk schoon, vol behaagzucht in de diepte van haar grauwe oogen, die op en neêr glansden onder de kruivende wimpers, eenvoudig gekleed in een donker zijden blouse en een laken rok, maar met zooveel distinctie en toch coquetterie, zooveel voornaamheid en toch broze lijn van bevalligheid, dat zij haar nauwlijks meer herkende....
Maar de prins was binnengekomen en voerde Duco meê, onwillig, nerveus, niet wetende wat was voorgevallen, niet begrijpende, hoe Cornélie had gehandeld. Hij zag haar rustig zitten, glimlachend en hem dadelijk verklarend, dat de prins haar zijn miniaturen zoû toonen.
Duco zei ronduit, dat hij niet om miniaturen gaf. De prins vermoedde om zijn boozen toon, dat hij jaloersch was. En dit vermoeden prikkelde den prins, om Cornélie het hof te maken. En hij deed als toonde hij de miniaturen alleen aan haàr, als toonde hij haàr zijne kanten. Zij bewonderde vooral de kanten, en frommelde ze met hare fijne vingers. Zij vroeg hem te verhalen van zijne grootmoeders, die die kanten gedragen hadden. Hadden zij avonturen gehad? Hij vertelde er een, dat haar zeer lachen deed: hij vertelde een paar anecdoten na, levendig, opvlammende onder haar blik, en zij lachte. In de atmosfeer van dat groote salon, bureau van den prins—zijn schrijftafel stond er—de kaarsen op, bloemen gezet om Urania, begon iets te tintelen van perverse vroolijkheid en luchtigen lust om te leven. Maar alleen tusschen Cornélie en den prins. Urania was stil geworden, en Duco zei geen woord. Ook hem was Cornélie eene openbaring. Zoo had hij haar nooit gezien—niet op het kerstbal, aan de table-d'hôte niet, in zijn atelier niet, niet op hun uitstapjes, en in hun restauratie. Was zij éene vrouw, of tien vrouwen?
En hij bekende zich, dat hij haar liefhad, meer lief met iedere openbaring, meer lief met iedere vrouw, die hij in haar zag, als een facet, dat zij weêr liet glanzen. Maar spreken kon hij niet, meêschertsen kon hij niet, vreemd in die atmosfeer, vreemd in dat element van zooveel luchtigen levenslust, om niets dan doellooze woorden, als parelde het Fransch en het Italiaansch, dat zij door elkaâr spraken, als glinsterde hun scherts als klatergoud, en regenboogden hunne equivoque woordspelingen.... De prins betreurde het, dat zijn thee niet meer was te drinken, maar hij liet champagne komen. Hij vond zijn avond ten eenen deele mislukt voor zijne plannen—want bang Urania te verliezen, had hij Urania willen dwingen; want ziende hare weifeling, had hij vast besloten tot het onherstelbare—maar zijn natuur was zoo weinig ernstig—hij zoû trouwen meer om zijn vader en de marchesa Belloni, dan om zichzelven;—hij leefde even pleizierig met schulden en zonder vrouw, dan hij mèt een vrouw en millioenen zoû doen—dat hij dien mislukten avond alleramuzantst begon te vinden, dat hij er in zichzelven om lachen moest, als hij dacht aan de marchesa zijne tante, aan zijn vader: aan hunne machinaties, die geen vat op Urania hadden, omdat een aardige coquette vrouw niet gewild had. Waarom wilde zij niet, dacht hij, inschenkende de schuimende Monopole, morsende over de kelken; waarom stelt zij zich tusschen mij en die Amerikaansche kousenverkoopster? Zoekt zijzelve een titel in Italië? Maar het kon hem verder niet schelen: hij vond de indringster aardig, mooi, heel mooi, coquet, verleidelijk, betooverend. Hij bemoeide zich met haar. Hij verwaarloosde Urania. Hij schonk nauwlijks haar glas vol. En toen het eindelijk laat was en Cornélie opstond en in haar arm Urania's arm trok en den prins aanzag met een blik van triumf, dien zij beiden begrepen tusschen elkaâr, fluisterde hij aan haar oor:
—Ik dank u innig voor uw bezoek in mijn nederige woning: u heeft mij overwonnen: ik geef mij gewonnen....
De woorden schenen maar toespeling op hun scherts, op hun woordenstrijd om niets, maar tusschen henbeiden—den prins en Cornélie—klonken zij vol bedoeling en hij zag in haar oog de zege glimlachen....
Hij bleef alleen in zijn kamer en schonk zich het laatste in van de champagne. En hij sprak luid, het glas aan zijne lippen:
—O, che occhi! Che belli occhi...! Che belli occhi...!!
XX.
Den volgenden dag, toen Duco Cornélie in de osteria ontmoette, was zij zeer opgewonden en vroolijk: zij deelde hem meê, dat zij reeds antwoord had van het Vrouwenblad, waaraan zij een week geleden hare brochure verzonden had, en dat haar werk was aangenomen en zelfs gehonoreerd zoû worden. Zij was zoo fier haar eerste geld te zullen verdienen, dat zij vroolijk was als een kind. Zij sprak niet over den vorigen avond, scheen den prins en Urania vergeten, maar had behoefte exuberant te praten.
Zij had allerlei groote plannen: reizen als journaliste, zich storten in de beweging der steden, naloopen iedere actualiteit, zich laten afvaardigen door een blad naar congressen en feesten. De enkele guldens, die zij verdienen zoû, maakten haar al dronken van ijver, en zij zoû veel willen verdienen en veel willen doen en geen vermoeienis achten. Hij vond haar eenvoudig aanbiddelijk: in het halflicht der osteria, aan het kleine tafeltje etende hare gnocchi, voor zich de halve fiasco, waarin de gele landwijn bleekte, kreeg hare gewone loomte eene nieuwe levendigheid, die hem verbaasde; kreeg haar croquis, rechts half donker, links aangelicht door den straatschijn, een moderne gratie van teekening, die hem aan Fransche teekenaars herinnerde: het even bleeke gelaat met de fijne trekken, opgelicht door haar lach, geschetst onder haar matelot, die diep in de oogen stond; het haar, aangegoud, of donker schemerblond; de witte voile opgelicht en een waas kreukende van boven; haar figuur, rank en gracieus in het eenvoudige manteltje—losgeknoopt—en in hare blouse een ruikertje viooltjes gestoken.
De manier, waarop zij zich inschonk, aan den cameriere—den eenigen,—die hen goed kende, van iederen dag—familiaar minzaam iets vroeg; de levendigheid, die hare loomte afwisselde, hare groote plannen, hare blijde woorden—het schitterde hem alles tegen, studentikoos en toch gedistingeerd, vrij en toch vrouwelijk, en vooral gemakkelijk, zooals zij overal gemakkelijk was; met een tact van assimilatie, die hem trof als een bizondere harmonie. Hij dacht aan den vorigen avond, maar zij sprak er niet over. Hij dacht aan die openbaring harer behaagzucht maar zij dacht aan geen coquetterie. Ze was met hem nooit coquet. Ze zag tegen hem op, ze vond hem bizonder en knap, hoewel niet van zijn tijd; zij had een eerbied voor zijn zeggen en denken, en ze was zóo gewoon tegen hem, als een kameraad tegen een anderen, een ouderen, een knapperen. Zij voelde voor hem een innige vriendschap, iets onbeschrijflijks van samen-te-moeten-zijn, samen-te-moeten-leven; of hunne lijnen één lijn zouden vormen. Het was geen zustergevoel en het was geen passie, en vóor zich zag zij het geen liefde, maar het was een groot gevoel van eerbiedige teederheid, van opziend verlangen en van aanhankelijke vreugde hem te hebben ontmoet. Zag zij hem niet meer, zij zoû hem missen als zij niet éen in haar leven meer missen zoû. En dat hij niets voelde voor moderne kwesties, vernederde hem niet in haar oog van jonge moderne strijdster, die haar eerste vaan zoû zwaaien. Het kon haar ergeren voor een oogenblik, maar het overwoog niet in hare waardeering.
En hij zag het, dat zij met hem zoo eenvoudig aanhankelijk was, zonder behaagzucht. Toch zoû hij nooit vergeten, zooals zij gisteren met den prins was geweest. Jalouzie had hij gevoeld en ook bij Urania opgemerkt. Maar zijzelve had zeker gehandeld zoo spontaan naar hare natuur, dat zij nu niet dacht aan dien avond, aan geen prins, aan geen Urania, geen coquetterie, en geen mogelijke jalouzie van hun kant. Hij betaalde—het was zijn beurt—en zij stonden op en zij nam vroolijk zijn arm en zei, dat ze hem wilde verrassen. Zij wilde hem een pleizier doen. Zij wilde hem iets geven, een mooi, een heel mooi souvenir. Zij zoû aan dat souvenir willen besteden haar honorarium. Maar zij had het nog niet ... wat kwam het er op aan! Zij zoû het immers krijgen.... En zij wilde het hem geven.
Hij vroeg lachende wat het zoû zijn...? Zij riep een rijtuigje aan en fluisterde den koetsier een adres in; hij verstond niet wat zij zeide.... Wat zoû het zijn? Maar zij weigerde nog te zeggen.... De vetturino reed hen het Borgo door naar den Tiber. Daar hield hij stil voor een donker winkeltje van bric-à-brac, die tot op de straat gestapeld lag.
—Cornélie...! riep hij nu, iets radende.
—Je engel van Lippo Memmi: ik koop hem voor je, stil....
Hij kreeg tranen in de oogen; zij traden binnen.
—Vraag hem hoeveel hij er voor hebben moet.
Hij was zoo aangedaan, dat hij niet spreken kon en Cornélie moest vragen en dingen. Zij dong niet lang; zij kreeg het paneel voor honderd-en-twintig lire.... Zelve droeg zij het in de victoria.
En zij reden naar zijn atelier. Zij torsten samen den engel de trappen op, glimlachende, als torsten zij binnen zijn woning een rein geluk. In het atelier zetten zij den engel op een stoel. Edel, met het ietwat Mongoolsche type, de oogen lang amandelvormig, knielde de engel juist neêr in den laatsten waai van zijn vlucht, en de gouden sjerp van zijn goud-purperen mantel fladderde op, terwijl zijn lange wieken, hoog, recht, trilden. Duco staarde naar zijn Memmi, vol dubbele emotie; om den engel zelven en om hàar.... En natuurlijk weg breidde hij uit zijn armen.
—Mag ik je danken, Cornélie?
En hij omhelsde haar, en zij gaf hem zijn zoen terug.
XXI.
Toen zij thuis kwam vond zij een kaartje van den prins. Het was een gewone beleefdheid na gisteren avond—haar geïmprovizeerd bezoek in het Palazzo Ruspoli—en zij dacht er verder niet aan. Zij was in een prettige stemming, prettig voor zichzelve; tevreden, dat haar werk —artikel eerst—was aangenomen door "Het Recht der Vrouw"; later zoû zij het als brochure uitgeven; tevreden, dat zij Duco genoegen had gedaan met den Memmi. Zij verkleedde zich in haar peignoir en zette zich bij het vuur in hare mijmerhouding en zij dacht er over hoe zij gevolg zoû kunnen geven aan hare groote plannen.... Tot wie zoû zij zich moeten wenden? Er had in Londen een Internationaal Vrouwen-Congres plaats en "Het Recht der Vrouw" had haar een prospectus gezonden. Zij bladerde er in. Verschillende vrouwelijke leiders zouden spreken: tal van sociale kwesties zouden worden behandeld: de psychologie van het kind; de verantwoordelijkheid der ouders; de invloed der toelating van vrouwen, tot alle beroep, op het huiselijk leven; vrouwen in kunst, in medicijnen; de vrouw in de mode, de vrouw in huis, op het tooneel; wetten voor huwelijk en scheiding....
Kleine biografieën der spreeksters, met portretten, waren er bijgevoegd. Het waren Amerikaansche en Russische, Engelsche, Zweedsche, Deensche vrouwen; bijna elke nationaliteit was vertegenwoordigd. Het waren oude en jonge vrouwen; sommige mooi, sommige leelijk; sommige mannelijk, sommige vrouwelijk; sommige hard en energiesch met inseksueele jongensgezichten; een enkele elegant, gedecolleteerd en gefrizeerd. In groepen waren ze niet te verdeelen. Wat was in haar leven de stoot geweest om meê te strijden voor het vrouwelijk recht? In sommige zeker neiging, natuur; in een enkele roeping; in een vierde meêdoen met mode.... En in haarzelve, wat was de stoot geweest...? Zij liet den prospectus zakken in haar schoot, en zij staarde in het vuur en dacht na.... Voor haar oog trok weêr haar salon-educatie, haar huwelijk, hare scheiding....
Waar was de stoot...? Waar was de aanleiding...? Geleidelijk was zij er toe gekomen te reizen, haar gezichtskring uit te breiden; na te denken, kunst te willen kennen, het moderne leven der vrouwen.... Geleidelijk was zij gegleden langs de lijn van haar leven, zonder veel te willen, zonder veel te strijden, zelfs zonder veel te denken, en zonder veel te voelen Zij blikte in zichzelve, als las zij een modernen roman, psychologie van een vrouw.... Soms schéen zij te willen, soms te willen strijden, als nu, met hare groote plannen.... Soms dacht zij, als dezer dagen dikwijls, bij haar gezellig vuur. Soms voelde zij, als voor Duco nu.... Maar meestal was haar leven geleidelijkheid geweest, glijden langs de lijn, die zij gaan moest, met zachten vingerdruk van het noodlot.... Een oogenblik zag zij het duidelijk in. Veel oprechtheid was in haar: ze speelde geen komedie, noch voor zichzelve, noch voor anderen. Tegenstrijdigheden waren in haar, maar zij bekende ze zich allen, voor zoover zij zich zag. Maar het open van hare ziel werd haar duidelijk in dit oogenblik. Het complexe van haar wezen zag zij even schitteren met zijn facetten.... Geschreven had zij, met impulsie en uit intuïtie, maar was haar geschrift goed? Een twijfel rees in haar op. Het wetboek lag op tafel, haar nog bijgebleven uit hare scheidingsdagen ... maar had zij de wet goed begrepen? Haar artikel was aangenomen, maar waren de redactrices van "Het Recht der Vrouw" oordeelkundig? Haar blik weêr latende gaan over die portretten van vrouwen, hare biografieën, over de ernst en hardheid van sommige, werd zij bang, dat haar werk niet goed zoû zijn,—te oppervlakkig;—en dat hare gedachten niet werden geleid door studie en kennis.... Maar ook kon zij zich voorstellen haar eigen portret in dien prospectus met er onder haren naam en die korte toevoeging: schrijfster van: "De Maatschappelijke Toestand der Gescheiden Vrouw," verschenen in Het Recht der Vrouw; met datum, etcetera. En zij glimlachte: wat klonk dat hoog overtuigend! Maar wat was het moeilijk te studeeren, te doen, en te weten en te handelen en zich te bewegen in de moderne beweging van het leven! Zij was nu in Rome: zij had gaarne in Londen willen zijn. Maar de reis convenieerde haar niet op het oogenblik. Zij had zich rijk gevoeld toen zij Duco's Memmi kocht, denkende aan haar honorarium: en nu voelde zij zich arm. Zij had gaarne naar Londen willen gaan.... Maar Duco zoû zij dan gemist hebben. En het congres duurde maar een week. Hier was zij nu wat ingeburgerd, zij begon van Rome te houden, van hare kamers, van het Colosseum, ginds als donkere boog, als sombere coulisse aan het einde der stad, er achter de vaagblauwe bergen.... Toen kwam een gedachte in haar op aan den prins, en voor het eerst dacht zij aan gisteren, zag zij dien avond terug, avond van scherts en champagne—: Duco stil en boudeerend, Urania neêrgedrukt—en de prins, klein, levendig, slank, opgewekt uit zijne matheid van gedistingeerd viveur, en met zijn toegeknepen karbonkelen van oogen. Zij vond hem wel aardig, zij hield een enkelen keer wel van dien toon van coquetterie en flirt, en de prins had haar begrepen. Urania had zij gered: daar was zij zeker van: zij voelde de voldoening van hare goede daad....
Zij was te lui om zich aan te kleeden en naar den restaurant te gaan. Zij had niet veel honger en zij zoû alleen maar wat soupeeren met wat zij thuis in haar kast had: een paar eieren, brood, wat vruchten. Maar ze dacht aan Duco en dat hij zeker haar wachten zoû aan hun tafeltje en zij schreef hem een briefje, dat zij door het jongentje van de concierge bezorgen liet....
Duco ging juist de trappen af, om uit te gaan, naar de restauratie, toen hij het ventje op de trap ontmoette. Hij las het briefje en het was hem, als ondervond hij een groote teleurstelling. Hij voelde zich klein, treurig als een kind. En hij ging terug naar zijn atelier, stak een enkele lamp aan, gooide zich op een breeden divan, en bleef in den schemer turen naar den engel van Memmi, die, nog op den stoel, vaag goud opstraalde in het midden der kamer, zoet als een troost, met zijn gebaar van annonciatie, alsof hij aankondigen wilde al het geheim, dat wel gebeuren zoû gaan....
XXII.
Enkele dagen later wachtte Cornélie het bezoek van den prins, die haar belet had gevraagd. Zij zat aan hare schrijftafel en corrigeerde de proeven van haar artikel. Een lamp op de schrijftafel bescheen haar zacht door een geel zijden kap; en zij was in een peignoir van witte zijden krip, viooltjes op hare borst. Een andere lamp, staande, gaf een tweede schijnsel van uit een kamerhoek; en het vertrek schemerde gezellig, vertrouwelijk op in dien derden schijn van het houtvuur,—met aquarellen van Duco, schetsen en fotografieën, witte anemonen in vazen, viooltjes overal, en een enkele, groote palm. Over hare schrijftafel slingerden de boeken en gedrukte vellen, getuigende van haar werk.
Er werd geklopt en zij riep binnen, en toen de prins binnenkwam, zat zij nog even, legde haar pen neêr, en rees op. Zij kwam hem glimlachend nader en strekte de hand uit, die hij kuste. Hij was van een groote correctheid in zijn gekleede jas, hoogen hoed, lichtgrijze handschoenen; een parel in zijn das. Zij zetten zich bij het vuur en hij maakte haar enkele complimenten na elkaâr, over haar interieur, over haar toilet en over haar oogen. Zij schertste terug en hij vroeg, of hij haar stoorde.
—U schreef misschien een interessanten brief aan iemand, die u na aan het hart ligt?
—Neen. Ik zag drukproeven na.
—Drukproeven?
—Ja....
—Schrijft u?
—Voor het eerst.
—Een novelle?
—Neen, een artikel.
—Een artikel? Waarover??
Zij zeide den langen titel. Hij keek met open mond op. Zij lachte vroolijk.
—Dat had u nooit gedacht, niet waar?
—Santa Maria! prevelde hij in verbazing, in zijne wereld niet gewend aan "moderne" vrouwen, die zich bewogen in een Vrouwenbeweging.... In het Hollandsch?
—In het Hollandsch.
—Schrijf een volgenden keer in het Fransch: dan kan ik u lezen....
Zij beloofde het lachende en schonk hem een kop thee, prezenteerde hem bonbons. Hij knabbelde er ettelijke.
—Is u zoo ernstig? Altijd geweest? Verleden was u toch niet ernstig?
—Soms ben ik heel ernstig.
—Ik ook....
—Dat begrijp ik. Toen, als ik niet was gekomen, was u misschien heel ernstig geworden.
Hij lachte, met fatuïteit en zag haar welwetend aan.
—U is een bizondere vrouw! zeide hij. Heel interessant en heel knap. Wat u wil, dat gebeurt.
—Soms....
—Soms, wat ik wil, ook.... Soms ben ik ook heel knap. Als ik wil. Maar meestal wil ik niet.
—Verleden wilde u wel....
Hij lachte.
—Ja! Toen is u knapper geweest dan ik. Morgen ik misschien knapper dan u.
—Wie weet!
Zij lachten beiden. Hij knabbelde de bonbons, den een na den ander, uit het schaaltje, en hij dronk liever een glas port. Zij schonk hem in.
—Mag ik u wat geven? vroeg hij ernstig.
—Wat?
—Een souvenir aan onze eerste kennismaking.
—Het is charmant van u. Wat zal het zijn?
Hij haalde uit zijn binnenzak iets in vloei en overhandigde het. Zij opende het pakje en zag een stuk antieke Venetiaansche kant, gewerkt in den vorm van een volant, voor een laag lijf.
—Neem het aan, smeekte hij. Het is iets heel moois. Ik geef het u met zooveel genot.
Zij zag hem aan met al hare coquetterie in haar oogen, als wilde zij hem doorzien.
—Zoo moet u het dragen....
Hij stond op, nam de kant, drapeerde ze op haar witten peignoir van den eenen schouder naar den anderen. Zijne vingers frommelden de plooien, zijne lippen beroerden even hare haren. Zij bedankte hem voor zijn geschenk. Hij ging zitten.
—Ik ben blij, dat u het aanneemt.
—Heeft u Miss Hope ook wat gegeven?
Hij lachte, zijn overwinnaarslachje.
—Staaltjes zijn genoeg voor haar, van de japonnen van de koningin. Aan u zoû ik geen staaltjes durven geven. Aan u geef ik antieke kant.
—Maar u had voor dat staaltje bijna uw carrière gebroken?
—Ach! lachte hij.
—Welke carrière?
—Ach neen! weerde hij af. Zeg mij, wat raadt u mij?
—Hoe meent u?
—Zoû ik haar trouwen?
—Ik ben tegen alle huwelijk, tusschen ontwikkelde menschen....
Zij wilde eenige harer frazen zeggen, maar dacht: waarom? Hij zoû ze toch niet begrijpen. Hij zag haar diep aan, met zijn karbonkeloogen.
—Dus voor vrije liefde?
—Soms. Niet altijd. Tusschen ontwikkelde menschen....
Hij was nu zeker van een liaison tusschen haar en Van der Staal, had hij misschien nog getwijfeld.
—En.... vindt u mij ontwikkeld?
Zij lachte, coquet, met even iets van minachting.
—Hoor eens, wil u ernstig spreken?
—Heel graag.
—Ik vind noch u, noch Miss Hope geschikt voor vrije liefde.
—Dus ben ik niet ontwikkeld?
—Ik meen niet, in beschaving. Ik meen in moderne ontwikkeling.
—Dus ben ik niet modern?
—Neen, sprak zij, een beetje geërgerd.
—Leer mij modern zijn.
Zij lachte nerveus.
—Ach, laat ons niet zoo spreken. Wat ik u raad? Urania niet te trouwen.
—Waarom niet?
—Omdat uw leven samen een ellende zoû zijn. Zij is een lief, Amerikaansch parvenuetje....
—Ik bied haar wat ik heb; zij mij wat zij heeft....
Hij knabbelde de bonbons. Zij haalde de schouders op.
—Doe het dan, sprak ze onverschillig.
—Zeg mij, dat u het niet hebben wilt, en ik doe het niet.
—En uw papa? En de marchesa?
—Wat weet u daarvan?
—O, alles.... en niets!
—U is een demon! riep hij uit. Een engel en een demon. Zeg mij, wat weet u van mijn vader en van de marchesa?
—Voor hoeveel verkoopt u u aan Urania? Voor niet minder dan tien millioen?
Hij zag haar in stupefactie aan.
—Maar de marchesa vindt vijf genoeg. Het is ook mooi: vijf millioen.... Dollars of lire?
Hij sloeg de handen in elkaâr.
—U is een duivel!! riep hij uit. U is een engel en een duivel! Hoe weet u? Hoe weèt u? Weet u alles??
Zij wierp zich achterover en lachte.
—Alles....
—Maar hoé?
Zij zag hem aan, schudde het hoofd, coquetteerde.
—Zeg mij....
—Neen. Dat is mijn geheim....
—En u vindt, dat ik mij niet verkoopen mag?
—Ik durf niet raden in uw belang.
—En wat Urania betreft?
—Raad ik haar af.
—Hèeft u haar al afgeraden?
—Zoo nu en dan....
—U is dus mijn vijand? riep hij boos.
—Neen, zeide zij zacht, hem willende terugwinnen. Een vriendin....
—Een vriendin? Tot hoever?
—Tot zoo ver ik gaan wil.
—Niet tot zoo ver ik wil...?
—O, neen nooit!
—Maar misschien willen wij even ver?
Hij was opgestaan, zijn bloed in vuur. Zij bleef kalm zitten, bijna kwijnend, haar hoofd achterover. Zij antwoordde niet. Hij viel op de knieën en vatte haar hand en kuste die, voor zij kon afweren.
—O, engel, engel! O, demon! mompelde hij in zijn kussen.
Zij trok haar hand nu terug, duwde hem zachtjes van zich en sprak:
—Wat is een Italiaan toch vlug met zoenen!
Zij lachte hem uit. Hij stond op.
—Leer mij hoe Hollandsche vrouwen zijn, al zijn ze langzamer dan wij.
Zij wees hem zijn stoel, met een imperieus gebaar.
—Ga zitten. Ik ben geen specifiek Hollandsche vrouw. Anders zoû ik niet in Rome komen. Ik piqueer me cosmopolitisch te zijn. Maar we spraken niet over mij, we spreken over Urania. Denkt u ernstig haar te trouwen?
—Wat kan ik doen, als u me tegenwerkt? Werk liever met mij meê, als een lieve vriendin....
Zij weifelde. Deze menschen, noch Urania, noch hij, waren rijp voor hare ideeën. Zij minachtte hen beiden. Goed, zij mochten dan trouwen; hij om rijk te zijn; zij om prinses-hertogin te worden.
—Hoor eens! sprak ze, zich buigend naar hem toe. U trouwt haar om haar millioenen. Maar uw huwelijk is dadelijk ongelukkig. Zij is een wuft kindje; zij verlangt brille ... en u behoort tot de Zwarten.
—Wij kunnen in Nice wonen: dan kan zij doen wat zij wil. Nu en dan komen wij in Rome, en nu en dan op San Stefano. En ongelukkig....—hij trok een tragisch gezicht—: wat kan het mij schelen. Gelukkig ben ik toch niet. Ik zal Urania pogen gelukkig te maken. Maar mijn hart ... zal elders zijn....
—Waar?
—Met de richting der vrouwenbeweging meê.
Zij lachte.
—Nu wil ik dan lief zijn?
—Ja....
—En u beloven te helpen?
Wat kon het haar schelen?
—O, engel, demon! riep hij uit.
Hij knabbelde een bonbon.
—En wat denkt de heer Van der Staal ervan? vroeg hij ondeugend.
Zij trok de wenkbrauwen op.
—Hij denkt er niet over. Hij denkt alleen aan zijn kunst.
—En aan u.
Zij zag hem aan, en boog het hoofd, toestemmend als een koningin.
—En aan mij.
—U dineert dikwijls met hem.
—Ja.
—Dineer ook eens met mij.
—O, heel gaarne.
—Morgen avond? Waar?
—Waar u wil.
—In het Grand-Hôtel?
—Vraag er dan Urania bij.
—Waarom wij niet alleen?
—Ik denk, dat het beter is uw aanstaande vrouw er bij te vragen. Ik zal haar chaperonneeren.
—U heeft gelijk. U heeft groot gelijk. En vraagt u dan den heer Van der Staal mij ook het genoegen te doen....
—Ik zal het doen.
—Dan tot morgen, half negen?
—Tot morgen, half negen.
Hij stond op, om afscheid te nemen.
—Het is welvoegelijk, dat ik ga, sprak hij. Eigenlijk bleef ik liever....
—Nu blijf dan ... of blijf een anderen keer, als u nu weg moet.
—U zoo koel.
—En u denkt lang niet genoeg aan Urania.
—Ik denk aan de vrouwenbeweging.
Hij ging zitten.
—Eigenlijk moet u weg, sprak zij en lachte met haar oogen. Ik moet mij kleeden ... om te gaan dineeren met meneer Van der Staal.
Hij kuste hare hand.
—U is een engel en een demon. U weet alles. U kan alles. U is de interessantste vrouw, die ik ooit heb ontmoet.
—Omdat ik drukproeven corrigeer.
—Omdat u is, die u is....
En heel ernstig, nog vasthoudende hare hand, zeide hij, bijna dreigend:
—Ik zal u nooit kunnen vergeten....
En hij vertrok. Toen zij alleen was opende zij hare vensters. Zij was zich nu wel bewust wat coquet te zijn, maar het was zoo in hare natuur: zij deed het zoo van zelve, tegen sommige mannen. Volstrekt niet tegen iedereen. Nooit tegen Duco. Nooit tegen mannen, tegen wie zij opzag. Dat prinsje minachtte zij, met zijn vlammende oogen en zijn gezoen.... Maar hij was voldoende om haar te amuzeeren.
En zij verkleedde zich en ging uit, en lang over het afgesproken uur kwam zij in de restauratie, vond Duco op haar wachten aan het tafeltje, het hoofd in de handen, en vertelde hem dadelijk, dat de prins haar had opgehouden.
XXIII.
Duco had eerst de invitatie van den prins niet willen aannemen, maar Cornélie zeide hem, dat zij het prettiger vond als hij ging. En het was een keurig diner geweest in de restauratie van het Grand-Hôtel, en Cornélie had zich uitstekend geamuzeerd en zij had er allerliefst uitgezien in een oude gele baljapon, die nog dateerde uit haar eerste huwelijksdagen, dien zij fluks een beetje veranderd had en met de antieke kant van den prins gedrapeerd. Urania was heel mooi geweest, blank, frisch, schitterende oogen, schitterende tanden, in een heel nieuwerwetsch eng aansluitend toilet van zwart-blauwe pailletten op zwarte tulle, alsof zij was in een pantser: de prins had gezegd: sirene met schubbestaart. En van andere tafels had men veel naar hun tafeltje gegluurd, want een ieder kende Virgilio di Forte-Braccio; een ieder wist dat hij een rijke Amerikaansche erfgename zoû trouwen, en een ieder had gevonden, dat hij zeer het hof maakte aan de slanke, blonde vrouw, die niemand kende.... Zij was getrouwd geweest—meende men—; zij chaperonneerde de aanstaande prinses; en zij was zeer bevriend met dien jongen man, een Hollandschen schilder, die in Rome studeerde. Men had er spoedig alles van geweten....
Cornélie had het aardig gevonden, dat men naar haar gekeken had en zij had zoo opvallend gecoquetteerd met den prins, dat Urania boos was geworden. En den volgenden morgen vroeg, tenwijl Cornélie nog in bed lag, niet meer denkende aan gisteren avond, maar peinzende over een fraze in haar brochure—werd er geklopt, bracht de meid haar ontbijt en brieven, en zeide, dat Miss Hope haar spreken wilde. Cornélie liet Urania binnen komen, terwijl zij in bed bleef en hare chocola, dronk. En verbaasd zag zij op, toen Urania haar dadelijk overviel met verwijtingen, uitbarstte in snikken, schold, en een hevige scène maakte, en zeide, dat zij haar nu doorzag, bekende, dat de marchesa haar op het hart had gedrukt voorzichtig te zijn voor Cornélie en haar een gevaarlijke vrouw had genoemd. Cornélie liet haar uitvaren en antwoordde koel, dat zij zich geen kwaad bewust was, dat zij integendeel Urania had gered; dat zij, integendeel, als getrouwde vrouw, Urania als chaperonne van dienst was geweest, haar niet zeggende, dat de prins alleen met haar, Cornélie, had willen dineeren.... Maar Urania wilde niet hooren en vaarde voort.... Cornélie zag haar aan en vond haar vulgair in die woede, sprekende haar Amerikaansch-Engelsch, alsof zij kauwde op hazelnooten, en, koel, antwoordde zij eindelijk:
—Beste meid, je maakt je nerveus om niets. Maar als je dat liever hebt, zal ik den prins schrijven, dat hij mij geen attenties meer bewijst....
—Neen, neen, dat niet: Gilio zal denken, dat ik jaloersch ben....
—En wat ben je dan?
—Waarom accapareer je je van Gilio? Waarom flirt je met hem? Waarom stel je je met hem aan, zooals gisteren, in een volle restauratie?
—Nu, als je dat niet gaarne hebt,... zal ik niet meer met Gilio flirten en me niet meer met Gilio aanstellen.... Je heele prins gaat mij niets aan....
—Een reden te meer.
—Het is afgesproken, hoor kindje.
Hare koelheid kalmeerde Urania, die vroeg:
—En blijven wij toch "good friends?"
—Maar natuurlijk, beste meid. Is er een aanleiding om ons te brouilleeren? Ik zie er geen....
Beiden, prins en Urania, waren haar totaal onverschillig. Zij had tegen Urania eerst wel gepreekt, maar om een algemeen idee: toen zij later inzag Urania's onbeduidendheid, trok zij hare belangstelling van het meisje terug. En hinderde haar wat vroolijkheid en onschuldige hofmakerij, nu, dan zoû het gedaan zijn.... Hare ideeën waren meer bij de drukproeven van haar artikel, die de post haar had gebracht.... Zij stond op, rekte zich uit.
—Ga in de zitkamer, Urania-lief, en laat mij even mijn bad nemen....
Na een poos kwam zij, frisch en glimlachend bij Urania terug in de zitkamer. Urania weende.
—Beste meid, wat trek je je toch aan? Je illuzie is bijna bereikt. Je huwelijk is zoo goed als zeker. Je wacht een antwoord uit Chicago? Je bent ongeduldig? Telegrafeer dan. Ik had dadelijk getelegrafeerd. Je denkt toch niet, dat je vader er iets op tegen heeft, dat je hertogin di San Stefano wordt?
—Ik weet het niet van mezelve, weende Urania. Ik weet het niet, ik weet het niet....
Cornélie haalde de schouders op.
—Je bent nog verstandiger dan ik dacht....
—Ben je heusch een goede vriendin? Kan ik je vertrouwen? Kan ik vertrouwen op je raad?
—Ik wil je niet meer raden. Ik heb je geraden. Nu moet jezelve weten.
Urania vatte haar hand.
—Wat zoû je gaarne zien: dat ik Gilio nam ... of ... niet?
Cornélie zag haar diep in de oogen.
—Je maakt je ongelukkig om niets. Je denkt, en de marchesa denkt het denkelijk met je, dat ik je Gilio wil ontnemen? Neen lieveling, ik zoû niet willen trouwen met Gilio, al was hij koning en keizer. Ik heb iets socialistisch in mij: ik trouw niet om een titel....
—Ik ook niet....
—Natuurlijk, lieveling, jij ook niet. Ik zoû het nooit durven beweren, dat je het deed.... Maar je vraagt me, wat ik gaarne zag? Nu, ik antwoord je heel eerlijk: ik zie gaarne niets. Het laat me heelemaal koud.
—En je noemt je mijn vriendin....
—Ach, beste kind, dat wil ik ook wel blijven. Maar overstelp mij dan niet op mijn nuchtere maag met zooveel verwijten....
—Je bent coquet....
—Van natuur, soms. Ik zal het heusch niet meer zijn, met Gilio.
—Heusch?
—Ja, natuurlijk. Wat kan het me schelen. Ik vind hem amuzant, maar als het je hindert, offer ik gaarne mijn amuzement aan je op. Zooveel tel ik het niet.
—Je houdt van Mr. Van der Staal?
—Heel veel....
—Ga je met hem trouwen, Cornélie?
—Wel neen, kindlief. Ik trouw niet meer. Ik weet wat het huwelijk is. Ga je meê met me wat wandelen? Het is mooi weêr en je bent me zoo overvallen met je griefjes, dat ik van morgen toch niet werken kan. Het is prachtig weêr: kom, dan gaan we bloemen koopen op de Piazza di Spagna....
Zij gingen, zij kochten de bloemen, Cornélie bracht haar thuis bij Belloni. Toen zij verder liep, op weg naar de osteria om te ontbijten, hoorde zij iemand haar inhalen. Het was de prins.
—Ik zag u al van het begin van de Via Aurora. Urania ging juist naar huis?
—Prins, zeide zij dadelijk. Het mag niet meer.
—Wat?
—Geen visites, geen scherts, geen cadeaux, geen diners in het Grand-Hôtel en geen champagne.
—Waarom niet?
—De aanstaande prinses wil het niet.
—Is zij jaloersch?
—Cornélie vertelde hem van de scène.
—En u mag zelfs niet met me meêloopen.
—Jawel.
—Neen, neen.
—Ik doe het toch.
—Dus het recht van den man, van den sterkste?
—Juist.
—Mijn roeping is er tegen te strijden. Maar voor vandaag ben ik mijn roeping ongetrouw.
—U is allerliefst ... als altijd.
—Dat mag u niet meer zeggen.
—Ze is vervelend, Urania.... Zeg mij, wat raadt u mij? Moet ik haar trouwen?
Cornélie schaterlachte.
—U vraagt beiden mij raad!
—Ja, ja, wat denkt u?
—Zeker, trouw haar!
Hij zag niet hare minachting.
—Wissel uw blazoen voor haar beurs, ging zij voort en lachte, en lachte.
Nu zag hij er iets van.
—U veracht mij, ons beiden misschien.
—O, neen....
—Zeg mij, dat u me niet veracht.
—U wil mijn opinie weten. Urania is een allerliefst goed kindje, maar dat niet alleen moet reizen. En u....
—En ik?
—U is een charmante jongen. Koop mij die viooltjes, wil u....
—Dadelijk, dadelijk....
Hij kocht het boeketje.
—U is zoo dol op viooltjes, niet waar....
—Ja. Dit moet uw tweede ... en laatste geschenk zijn. Hier nemen wij afscheid van elkaâr.
—Neen, ik breng u thuis.
—Ik ga niet naar huis.
—Waarheen dan?
—Ik ga naar de osteria. Meneer Van der Staal wacht mij daar.
—Hij is wel gelukkig!
—Waarlijk?
—Kan het anders!
—Ik weet het niet. Dag, prins.
—Inviteer mij, smeekte hij. Laat mij samen met u lunchen.
—Neen, sprak ze ernstig. Heusch niet. Het is beter van niet. Ik geloof....
—Wat....
—Dat Duco precies is als Urania....
—Jaloersch?... Wanneer zie ik u dan weêr?
—Heusch, het is beter van niet.... Dag, prins. Merci ... voor de viooltjes.
Hij boog over hare hand. Zij begaf zich naar de osteria en zag, dat Duco door het raam hun afscheid had gezien.
XXIV.
Duco was stil aan tafel en zenuwachtig. Hij speelde met zijn brood en zijn vingers trilden. Zij voelde, dat hij iets op het hart had.
—Wat is er? vroeg zij lief.
—Cornélie, sprak hij ontroerd. Ik moet je spreken.
—Waarover?
—Je doet niet goed.
—In welk opzicht?
—Met den prins. Je hebt hem doorzien, en toch ... toch blijf je hem dulden, toch ontmoet je hem telkens.... Laat mij uitspreken, sprak hij—en zag om zich rond: er waren slechts twee Italianen in de restauratie, gezeten aan de verste tafel, en hij kon spreken zonder beluisterd te worden: ik wil uitspreken, herhaalde hij, toen zij hem in de rede wilde vallen. Je bent natuurlijk vrij te doen wat je wilt. Maar ik ben je vriend en ik wil je raden. Het is niet goed wat je doet. De prins is een ploert. Onedel, laag.... Hoe kan je cadeaux van hem aannemen en invitaties? Waarom heb je mij gedwongen gisteren meê te gaan? Dat heele diner was mij een marteling. Je weet hoeveel ik van je hoû—waarom zoû ik het je niet bekennen. Je weet hoe hoog ik je stel. Ik kan niet aanzien, dat je je zoo vernedert met hem. Laat mij spreken. Vernedert, zeg ik. Hij is niet waard je schoen vast te binden. En je speelt met hem, je schertst met hem, je coquetteert.... Laat mij spreken: je coquetteert met hem. Wat kan hij je schelen, die kwast. Wat is hij in je leven. Laat hem trouwen met miss Hope, wat kunnen beiden je schelen. Wat kunnen jou, Cornélie, die inferieure menschen schelen. Ik minacht ze en jij ook. Ik weet dat. Waarom kruis je dan hun leven? Laat hen leven in hun ijdelheid van titels en geld, wat is het jou? Ik begrijp je niet. O, ik weet het: je bent niet te begrijpen, alles wat vrouw is, is in jou. En ik heb lief alles wat ik van je zie: ik heb je lief in alles.... Het komt er niet op aan of ik je begrijp. Maar ik voel toch, dat dit niet goed is. Ik vraag je, zie den prins niet meer. Bemoei je niet meer met hem. Nieer hem.... Dat diner, gisteren, het was me een marteling....
—Arme jongen, sprak zij zacht en schonk hem uit hun fiasco in. Maar waarom?
—Waarom? Waarom? Je vernedert je.
—Ik ben niet zoo hoog.... Neen, nu wil ik spreken. Ik ben niet hoog. Omdat ik enkele moderne ideeën heb, en enkele andere, die liberaler zijn dan die van het gros van andere vrouwen? Verder ben ik gewoon vrouw. Als een man vroolijk en geestig is, amuzeert me dat. Neen Duco, nu spreek ik. Ik vind den prins geen ploert, ik vind hem misschien wel een kwast, maar ik vind hem vroolijk en geestig. Je weet, dat ik ook veel van je hoû, maar vroolijk en geestig ben je niet. Nu niet boos zijn. Je bent veel meer. Ik vergelijk il nostro Gilio zelfs niet met je.... Ik wil niet meer over je zeggen, anders wordt je pedant. Maar vroolijk en geestig, dat ben je niet. En mijn arme natuur heeft daar soms behoefte aan. Wat heb ik in mijn leven? Niets dan jou, alléen jou. Ik ben heel blij je vriendschap te bezitten, ik ben gelukkig je te hebben ontmoet. Maar waarom mag ik niet eens vroolijk zijn. Heusch, er is een beetje luchthartigheid in me, lichtzinnigheid zelfs.... Moet ik daar tegen strijden? Is het slecht? Zeg, Duco, ben ik slecht?
Hij glimlachte weemoedig, een vochtige glans was over zijne oogen en hij antwoordde niet.
—Ik kan wel strijden, als het moet, hernam zij. Maar is dit nu om tegen te strijden! Het is wat schuim van een oogenblik. Meer niet. Ik ben het dadelijk vergeten. Ik ben den prins dadelijk vergeten. En jou vergeet ik niet.
Hij zag haar glanzend aan.
—Begrijp je dat? Voel je, dat ik met jou niet flirt en coquetteer? Geef me een hand, wees niet boos meer....
Zij stak hem hare hand toe over de tafel en hij drukte hare vingers.
—Cornélie, hernam hij zacht. Ja, ik voel, dat je waar bent. Cornélie, word mijn vrouw.
Zij zag ernstig voor zich en liet het hoofd een weinig hangen en staarde voor zich uit. Zij aten niet meer. De twee Italianen stonden op, groetten en gingen heen. Zij waren alleen. De kellner had wat fruit voor hen neêrgezet en trok zich terug.
Beiden zwegen ze een oogenblik. Toen sprak zij met een heel zachte stem en haar wezen had zoo iets teeders van weemoed, dat hij in snikken had kunnen uitbarsten en haar zoo aanbidden.
—Ik wist natuurlijk, dat je me dat een dezer dagen zoû vragen. Het lag in de natuur der dingen. Een groote vriendschap als de onze geleidde natuurlijk weg tot die vraag. Maar het kan niet, beste Duco.... Het kan niet, mijn beste jongen.... Ik heb mijn ideeën ... maar dat is het niet. Ik ben tegen het huwelijk.... Maar dat is het niet. In sommige gevallen is een vrouw al hare ideeën ontrouw in éen enkele seconde.... Wat het dan wel is...?
Zij staarde met groote oogen, streek over het voorhoofd, als zag zij het niet duidelijk in.... Toch ging zij voort:
—Het is ... dat ik bang ben voor het huwelijk. Ik heb het gekend, ik weet wat het is.... Ik zie mijn man nu duidelijk voor me. Ik zie die gewoonte, die sleur voor me, waarin alle nuance uitwischt. Dat is het huwelijk: gewoonte, sleur. En nu zeg ik het je ronduit: ik vind het huwelijk vies. Ik vind die gewoonte vies. Ik vind passie mooi, maar het huwelijk is geen passie. Passie kan edel zijn, en bovenmenschelijk, maar het huwelijk is een menschelijke instelling van klein menschelijke moraal en berekening.... En ik ben bang voor zulke moreele en wijze banden geworden. Ik heb mijzelf beloofd—en ik geloof die belofte te houden—dat ik nooit meer trouwen zal. Mijn geheele natuur is er ongeschikt toe geworden. Ik ben niet meer het Haagsche meisje van soirées en diners, dat uitzag naar een man, te zamen met haar ouders.... Mijn liefde voor hém was passie! En in mijn huwelijk woû hij die passie breidelen tot een sleur en een gewoonte. Toen ben ik opgestaan.... Laat me er liever niet over praten. Passie duurt te kort om een huwelijksleven te vullen.... Achting daarna, etcetera? Daarvoor behoeft men niet te trouwen. Ik kan achten, ook ongetrouwd. Natuurlijk, er is de kwestie der kinderen, er zijn velerlei moeilijkheden.... Ik kan dat nu niet uitdenken. Ik voel alleen nu, heel ernstig en kalm, dat ik ongeschikt ben om te trouwen, en nooit meer trouwen wil. Ik zoû je niet gelukkig maken.... Wees niet treurig, Duco. Ik hoû van je, ik heb je lief. En misschien ... heb ik je ontmoet op het juiste oogenblik. Had ik je vroeger ontmoet in mijn Haagsche leven ... je zoû zeker te hoog voor me hebben gestaan. Ik zoû je niet lief hebben gekregen. Nu kan ik je begrijpen, je achten en tegen je opzien. Ik zeg je dit eenvoudig weg, dat ik je liefheb en tegen je opzie, tegen je opzie, trots al je zachtheid, zooals ik nooit tegen mijn man heb opgezien, hoe hij ook zijn mannelijke rechten deed gelden. En je moet dat gelooven, heel vast en heel zeker, en je moet gelooven, dat ik waar ben. Coquet ... ben ik alleen met Gilio....
Hij zag haar aan, door zijn stille tranen. Hij stond op, riep den kellner, betaalde vaagweg, en het zwom en glansde voor zijne oogen. Zij gingen de deur uit en zij riep een rijtuig aan en gaf het adres op van de villa Doria-Pamphili. Zij herinnerde zich, dat de tuinen open waren. Zij reden er zwijgend heen, overstelpt door hunne gedachten aan de toekomst, die voor hen opentrilde. Soms haalde hij diep adem en sidderde hij over zijn lichaam. Eenmaal drukte zij innig zijn hand. Aan de poort van de villa stapten zij uit, wandelden samen op langs de majestueuze lanen. In de diepte lag Rome, zagen zij eensklaps Sint-Pieter. Maar zij spraken niet, zij zette zich eensklaps neêr op een antieke bank en begon zachtjes te weenen, zwak. Hij nam haar in zijn arm en troostte haar. Zij droogde hare tranen, glimlachte en omhelsde hem en kuste hem terug.... Het begon te schemeren en zij gingen terug. Hij gaf het adres op van zijn atelier. Zij volgde hem daar. En zij gaf zich aan hem, in geheel hare oprechtheid van waarheid, en met een liefde zoo hevig en groot, dat zij dacht te bezwijmen in zijn armen.
XXV.
Zij veranderden hun leven niet. Duco echter, na een scène met zijn moeder, sliep niet meer bij Belloni, maar in een kamertje, grenzende aan zijn atelier, eerst vol koffers en rommel. Die scène speet Cornélie, zij had steeds sympathie gevoeld voor mevrouw Van der Staal en de meisjes. Maar een hoogmoed gierde in haar op, en Cornélie minachtte mevrouw Van der Staal, omdat deze noch haar noch Duco begrijpen kon. Toch had zij de verkoeling gaarne voorkomen. Op haar aanraden zocht Duco nog eens zijne moeder op, maar zij bleef koel en wees hem af. Daarop gingen Cornélie en Duco naar Napels. Zij deden het niet als een vlucht, zij deden het eenvoudig weg; Cornélie zeide aan Urania en aan den prins, dat zij naar Napels ging voor korten tijd en dat Van der Staal haar wellicht zoû volgen. Zij kende Napels niet en zoû het zeer apprecieeren als Van der Staal er haar leidde, in de stad en de omstreken. Cornélie hield in Rome hare kamers aan. En zij doorleefden een veertien dagen in een gedachteloos, groot en louter geluk. Hunne liefde groeide bloeiend en breed op in de gouden zuidlucht van Napels, aan de blauwe golven van Amalfi, Sorrente, Capri en Castellamare, eenvoudig, onwederstaanbaar en rustig. Geleidelijk gleden zij langs den purperen draad van hun leven, hand in hand liepen zij af hun tot éen pad gesmolten lijnen, gedachteloos aan de wetten en ideeën der menschen, en hun houding was zoo hoog, hun doen zoo rustig en zeker van hun geluk, dat hun toestand geen onbeschaamdheid werd, hoewel zij in zichzelven de wereld minachtten. Maar hun geluk verzachtte al dien hoogmoed hunner opzwevende zielen, als strooide hun geluk met bloesems rond. Zij leefden als in een droom, eerst tusschen de marmers van het muzeum, later op de bebloemde klippen van Amalfi, aan het strand van Capri, of op het terras van het hôtel te Sorrente: de zee ruischende aan hunne voeten; in een parelen waas, ginds, vaag wit, als uitgedoezeld krijt, Castellamare en Napels en de schim van den Vezuvius, met zijn wazige pluim van rook.