← Table of contents
Langs lijnen van geleidelijkheid

LOUIS COUPERUS

Reading edition

TWEEDE DEEL

L. J. VEEN—UITGEVER—AMSTERDAM

1887

XXXII.

Urania schreef allerliefst. Dat zij het, met den ouden prins, heel stil hadden op San Stefano; daar zij geen logé's vroegen omdat het kasteel te somber, te vervallen, te eenzaam was, maar dat zij het allergezelligst vinden zoû als Cornélie eenigen tijd bij hen kwam doorbrengen. En, voegde zij er bij, zij zoû Mr. Van der Staal ook eene invitatie zenden. De brief was geadresseerd: Via dei Serpenti, en werd Cornélie van hare vroegere woning nagezonden. Zij begreep dus, dat Gilio niet had gesproken van haar wonen in Duco's atelier, en zij begreep tevens, dat Urania hun liaison aannam, zonder kritiek....

De aquarel der Banieren was naar Londen verzonden en in het atelier, steeds koel, terwijl de stad blaakte, hing eene lichte werkeloosheid en vage verveling, nu Duco niet meer werkte. En Cornélie antwoordde Urania, dat zij gaarne aannam en beloofde over een week te zullen komen. Zij was blij, dat zij op het kasteel geen andere gasten zoû aantreffen, want zij had geen toiletten voor een vie-de-château. Maar met haar tact verfrischte zij haar garderobe, zonder veel geld uit te geven. Het nam haar al die dagen in beslag en zij naaide, terwijl Duco op den divan lag en cigaretten rookte. Hij ook had aangenomen, om Cornélie, en omdat die streek van het meer van San Stefano, waarover het kasteel heen zag, hem aantrok. Hij beloofde Cornélie glimlachend niet zoo stroef te zijn. Hij zoû zijn best doen vriendelijk te zijn. Hij zag wat hoog neêr op den prins. Hij vond hem een kwâjongen, zoo geen ploert meer. Hij vond hem een kind, zoo niet onedel en laag.

Cornélie vertrok; hij bracht haar naar het station. In het rijtuig kuste zij hem innig en zeide, hoe zij hem missen zoû, die enkele dagen.... Of hij gauw zoû komen? Over een week? Zij zoû naar hem verlangen: zij kon niet buiten hem. Zij zag hem diep in zijn oogen, die zij liefhad. Hij ook, hij zeide, hoe hij zich vervelen zoû, zoo zonder haar. Kon hij niet vroeger komen? vroeg ze. Neen, Urania had den datum vastgesteld....

Toen hij haar hielp in een coupé der tweede klasse was zij verdrietig te gaan zonder hem. De coupé was vol, zij nam de laatste plaats in. Zij zat tusschen een dikken boer en een oude boerevrouw: de boer hielp haar vriendelijk met haar valiesje in het net te plaatsen, en vroeg of het haar niet hinderen zoû, als hij zijn pijpje rookte. Zij zeide vriendelijk van neen. Over hen zaten twee priesters in versleten soutanes, en tusschen hun voeten hadden zij een onaanzienlijk bruin houten kistje staan: het was het Heilige Oliesel, dat zij brachten aan een stervende.

De boer maakte een praatje met Cornélie en vroeg of zij vreemdelinge was, en zeker Engelsch? De oude boerevrouw bood haar een mandarijn.

Het andere gedeelte van de coupé was ingenomen door een burgerfamilie, vader, moeder, een jongentje en twee kleine zusjes. De boemeltrein schudde, rammelde en slingerde, hield telkens op. De zusjes neurieden. Aan een station steeg uit de eerste klasse een dame met een meisje van vijf jaar, in wit japonnetje en met witte struisveêren op den hoed.

—Oh, che bellezza! riep het jongentje. Mama, mama, kijk! Is zij niet mooi? Is zij niet heerlijk? Divinamente! Oh, mama...!

Hij sloot zijne zwarte oogen, verliefd, verblind, door het witte meisje van vijf jaar. De ouders lachten, de priesters lachten, allen glimlachten. Maar het jongentje was niet verlegen.

—Era una bellezza! herhaalde hij nog eens met overtuiging en met een blik in het rond.

Het was heel warm in den trein. Buiten gloeiden de bergen wit aan de kimmen en glanstrilden als een vuur met weêrschijn van opaal. Vlak aan den spoorweg rees een rij van eucalyptusboomen, de bladeren sikkelvormig, een zwaren geur uitbroeiend. In de vlakte, dor en verschroeid, graasden de wilde buffels, onverschillig hun zwarten kroeskop oprichtend naar den trein. De boemeltrein schudde, rammelde en slingerde, hield telkens op. In de stikkende broeiwarmte slaapknikkelden de koppen op en neêr, terwijl een lucht van zweet, tabaksrook en oranjeschil zich mengde met den wasem der eucalyptussen buiten. De trein zwenkte een bocht, rammelde als een speelgoedtreintje —blikken wagentjes, die bijna buitelden over elkaâr. En een effen reep van rimpelloos lazuur: spiegel, metaal, kristal, saffier, werd zichtbaar en verbreedde zich tot een ovalen beker tusschen glooiïngen van bergland, gelijk een zeer diep neêrgezette vaas, waarin een heilige vloeistof heel blauw en zuiver onbewogen werd bewaard, en beschermd door een muur van rotsige heuvelen, die hooger opklommen en hooger, tot, bij het rammelend zwenken van den trein, rondom den klaren beker, hoog op een piek een slot zich hief, rotskleurig, breed, massief en kloosterachtig, met de helling af neêrloopende arcaden. Edel en somber droefgeestig rees het op en nauwlijks was zichtbaar uit den trein, wat rots was en wat bouwsteen, alsof het éene barheid was, alsof het slot natuurlijk uit de rots gegroeid was en in zijn groei had aangenomen iets van den vorm van menschelijke woning uit heel vroegere tijden. En of de ovale beker met zijn heilig blauwe water een goddelijke ontvangschaal was, sloten de bergen het meer van San Stefano af en hief zich het kasteel gelijk zijn sombere waker.

De trein slingerde even met een arabesk langs het water, maakte een bocht, en weêr een en hield op: San Stefano. Het was eene kleine stille stad, slaperig in de zon, zonder eenig leven en verkeer, en alleen 's winters iederen dag bezocht door toeristen, die uit Rome den Dom kwamen bezichtigen en het kasteel, en in de osteria den landwijn proefden. Toen Cornélie uitstapte, zag zij dadelijk den prins.

—Hoe lief, dat u ons in ons uilennest komt opzoeken! zeide hij opgetogen en drukte hare handen.

Hij leidde haar door het station naar zijn rijtuigje, een soort panier, met twee kleine paardjes, en een kleinen groom. Een kruier zoû den koffer brengen naar het kasteel.

—Ik vind het heerlijk, dat u komt! herhaalde hij nog eens. U is nog nooit in San Stefano geweest? U weet, dat de Dom beroemd is. Ik rijd u de heele stad door, de weg naar het kasteel is achterom....

Hij had een glimlach van pleizier. Hij zette de paardjes aan met zijn tong, met een herhaald schudden aan de teugels, als een kind. Zij vlogen over den weg, tusschen de lage, slaperige huisjes, over de plaats, waar in den gloei van de zon de prachtige Dom rees, lombardisch-romaansch van stijl, begonnen in de elfde, bijgebouwd in eeuw na eeuw, met links de campanile, rechts het battisterio: wonderen van bouwkunst in marmer, rood, zwart en wit, éen beeldhouwwerk van engelen, heiligen en profeten en overpoeierd als met een dikke stof van oudheid, die de kleuren van het marmer al lang getemperd had tot roze, grijs en geel en tusschen de groepen nevelde, als het allereenigste, dat over was gebleven van al die eeuwen, of zij tot stof waren gezonken tusschen iedere voeg.

De prins reed over een lange brug, wier bogen waren de overblijfselen van een antiek aquaduct, en nu stonden in de rivier, geheel verdroogd en waarin kinderen speelden. Toen liet hij de paardjes stapvoets klimmen, de weg klom steil naar boven, dor en rotsig zich boven de neêrzinkende valleien van olijven opslingerend naar het slot, en wijder steeds uitziende over het steeds wijder uitbreidende panorama van de in de zon vergloeide blauwig witte bergen en opalen horizonnen, met plotseling een blik op het meer: de ovale beker, dieper en dieper neêrgezonken, nu als in een gecanneleerden rand van zongeschroeide heuvels, dieper en afgronddieper blauwend, en opvangend in zijn mystisch blauw, al het blauw van den hemel, tot de lucht er tusschen trilde, als met lange lichtspiralen, die wemelden voor de oogen. Tot plotseling een bedwelming aandreef van oranjebloesem, een adem zwaar en zinnelijk als van een hijgende liefde, of duizende monden geuradem bliezen, die stikkend bleef hangen in de windstille lichtatmosfeer, tusschen hemel en meer.

De prins, blij, druk, sprak veel, wees hier, wees daar met zijn zweep, smakte tegen de paardjes, vroeg wat aan Cornélie, of zij de streek niet mooi vond.... Langzaam, spierig spannend de achterbeenen, trokken de paardjes op. Het slot breidde zich uit, massief, massaal. Het meer zonk weg. De horizonnen werden wijder, als een wereld; zweem van een bries woei iets weg van den oranjebloesemadem. De weg werd breed, gemakkelijk, vlak. Als een fort, als een stad, breidde zich het slot uit, achter zijn getinde muren met poort bij poort. Zij reden binnen, over een hof, onder een gewelf een tweede hof binnen, door een tweede gewelf een derde hof in. En Cornélie omving een gevoel van ontzag, een vizioen van zuilen, bogen, beelden, arcades en fonteinen. Zij stegen uit.

Urania kwam haar tegemoet, omhelsde, verwelkomde haar met innigheid en bracht haar de trappen op, de gangen door naar hare kamer. De vensters stonden open; zij zag uit op het meer en op de stad en op den Dom. En nog eens kuste Urania haar en deed haar zitten. En het viel Cornélie op, dat Urania mager was geworden en niet meer had haar vroegere schittermooiheid van Amerikaansch jong meisje, met dat onbewuste van cocotte, in haar oogen, in haar glimlach, in haar kleeding. Zij was veranderd. Zij was een beetje afgevallen, en zij was niet zoo mooi meer, alsof haar schoonheid was geweest een schijn van korten tijd, meer frischheid dan lijn. Maar had zij haar glans verloren, zij had gewonnen een zekere distinctie, een zekeren stijl: iets, dat Cornélie verbaasde. Hare gebaren waren stiller, haar stem was zachter, haar mond scheen kleiner en spleet niet telkens open om witte tanden te toonen; haar toilet was doodeenvoudig: een blauwe rok en witte blouse. Cornélie had moeite te begrijpen, dat de jonge prinses di Forte-Braccio, hertogin di San Stefano, miss Urania Hope was, uit Chicago. Een weemoed was over haar gekomen, die haar flatteerde, al was zij minder mooi. En Cornélie dacht, dat zij eenig verdriet had, dat haar temperde en nuanceerde, maar dat zij ook met tact zich voegde naar hare zoo geheel nieuwe omgeving. Zij vroeg Urania of zij gelukkig was. Urania zei van ja, met haar glimlach van weemoed, die zoo nieuw was en zoo verbaasde. En zij vertelde. In Nice hadden zij een aardigen winter gehad. Maar met een cosmopolitischen club van kennissen, want hoewel haar nieuwe familie heel vriendelijk was, was ze zeer neêrbuigend en Virgilio's kennissen—vooral de dames—sloten haar bijna beleedigend uit. Zij had al in haar bruiloftsdagen gemerkt, dat de aristocratie haar tolereeren zoû, maar dat men nooit vergeten kon, dat zij de dochter was van Hope, tricot-fabrikant in Chicago. Zij had gezien, dat zij niet de eenige was, die, al was zij nu prinses, hertogin, geduld werd en geduld alleen om hare millioenen: er waren er anderen als zij. Vriendschap had zij niet gesloten. Men was gekomen op haar jours en bals: men was met Gilio frère et compagnon en koek en ei; de dames tutoyeerden hem, lachten met hem, flirtten met hem en schenen het heel goed te vinden, dat hij een paar millioen getrouwd had.... Tegen Urania waren zij maar even, ternauwernood, beleefd. De dames vooral, de heeren waren gemakkelijker. Maar het deed haar leed, vooral van al die hooge vrouwen van adel—al de beroemde namen van Italië—die haar neêrbuigend bejegenden, en altijd haar wisten uit te sluiten buiten elke intimiteit, elke intime bijeenkomst, elke intime samenwerking voor feesten, van liefdadigheid. Was alles al besproken, dan vroegen zij aan de prinses di Forte-Braccio om meê te doen, dan boden zij haar de plaats aan, die haar toekwam, en zelfs met scrupuleuze nauwgezetheid. Duidelijk behandelden zij haar als prinses en gelijke voor de wereld, voor het publiek. Maar in haar eigen côterie bleef zij Urania Hope. En de enkele andere burgerlijke millionair-elementen zochten haar, natuurlijk, op, maar zij hield die terug en Gilio vond dat goed. En wat had Gilio haar gezegd, toen zij hem haar nood eens klaagde? Dat zij, met tact, zeer zeker haar pozitie winnen zoû, maar met een groot geduld en na vele, vele jaren. Zij weende nu, haar hoofd op Cornélie's schouder: ach, zij, ze dacht: wel nooit zoû zij ze winnen, die trotsche vrouwen! Wat was ook zij, een Hope, vergeleken bij al die beroemde geslachten, die te zamen Italië's oude glorie maakten en zich, als de Massimo's, lieten afstammen van de Romeinen?

Of Gilio lief was? Jawel, maar dadelijk had hij haar behandeld als "zijn vrouw". Al zijne aardigheid, al zijne vroolijkheid was voor anderen: hij sprak nooit veel met haar. En de jonge prinses weende: zij voelde zich eenzaam, zij verlangde soms naar Amerika. Zij had ook nu haar broêr bij zich gevraagd, een aardige jongen van zeventien jaar, die bij gelegenheid van haar huwelijk was overgekomen en wat gereisd had door Europa, voor hij weêr naar zijn hoeve trok, in de Far West. Hij was haar lieveling, hij troostte haar, maar over enkele weken zoû hij gaan. En wat hield zij dan over? O, wat was ze blij, dat Cornélie gekomen was! En wat zag ze er goed uit, zoo mooi als zij haar nog nooit had gezien! Van der Staal had aangenomen: hij kwam over een week. Fluisterend vroeg ze: zouden zij niet trouwen? Cornélie antwoordde beslist van neen; zij trouwde niet, zij trouwde nooit meer. En in eens, oprecht, zich niet kunnende verbergen voor Urania, deelde zij haar mede, dat zij niet meer woonde in de Via dei Serpenti: dat ze woonde in Duco's atelier. Urania schrikte voor dat breken met alle conventie, maar zij beschouwde haar vriendin als een vrouw, die dingen mocht doen, die een ander niet doen mocht. Dus alleen hun geluk en hun liefde, fluisterde zij als bang, en zonder de maatschappelijke sanctie? Urania herinnerde zich Cornélie's imprecaties tegen het huwelijk en vroeger, tegen den prins. Maar nu mocht zij Gilio toch wel een beetje? O, zij, Urania, zoû niet jaloersch meer zijn. Zij vond het heerlijk, dat Cornélie gekomen was, en Gilio, die zich verveelde, had ook zoo naar haar uitgezien. Och neen, Urania was niet meer jaloersch....

En haar hoofd op Cornélie's schouder, en hare oogen altijd vol tranen, scheen zij alleen maar wat vriendschap, wat vriendelijkheid te vragen, wat lieve woorden en liefkoozing, het rijke Amerikaansche kind, dat nu den titel droeg van een oud Italiaansch geslacht. En Cornélie voelde voor haar, omdat zij leed, omdat zij niet meer was een kleine mensch, wier levenslijn haar lijn toevallig kruiste. Zij sloot haar in haar armen, zij troostte haar—het schreiende prinsesje—als met een nieuwe vriendschap: zij nam haar als vriendin aan in haar leven, niet meer als kleine mensch. En toen Urania zich, staaroogend, herinnerde de waarschuwing van Cornélie, sprak Cornélie daarover heen en zei, dat zij, Urania, meer moed moest hebben. Tact had zij, ingeboren. Maar moedig moest zij zijn, het leven onder oogen zien....

Zij stonden op, en voor het open venster, elkaâr omvattend in de armen, zagen zij uit. De klokken van den Dom beierden in de lucht; de Dom rees edel, trotsch op uit heel laag dakgewriemel, een reuzekathedraal voor zulk een kleine stad: immens symbool van geestelijke heerschersmacht over het eerbiedig neêrgeknielde dakenstadje. En het ontzag, dat Cornélie vervuld had in den hof, tusschen de arcades, beelden en fonteinen, vervulde haar opnieuw, omdat een roem en grootheid, stervende, maar niet gestorven, vermolmd, maar niet verteerd, scheen op te schemeren en schaduwen uit het mystieke blauw van het meer, uit den eeuwenbouw der kathedraal, langs de oranje-heuvels tot in het slot, waar aan een open raam een vreemde jonge vrouw stond, ontmoedigd, maar wier millioenen die schim van roem en grootheid eischte om voort te duren, nog enkele geslachten na....

Het is mooi en hoog, zooveel verleden, dacht Cornélie. Het is groot.... Maar toch is het niets meer. Het is een schim. Want het is weg, het is alles weg, het is alles maar herinnering van adeltrotsche menschen, van eng denkende zielen, die niet naar de toekomst zien....

En de toekomst, met een verwarring van sociale raadsels, met het gewuif van nieuwe banieren en wimpels, wemelde toen voor haar blik, in de lange lichtspiralen, die, blauwe vraagteekens, trillerden voor hare oogen, tusschen het meer en den hemel.

XXXIII.

Cornélie had zich verkleed en zij ging hare kamer uit. Zij liep den corridor af en zag niemand. Zij wist den weg niet, maar liep voort; plotseling, voor haar, treedde een breede trap naar beneden, tusschen twee reien van marmeren reuzenkandelabers, en Cornélie kwam in een atrio, die opende op het meer: de wandvakken met fresco's, van Mantegna—in beeld gebrachte daden der San Stefano's—welfden naar een koepel toe, die, met lucht en wolkjes beschilderd, open scheen en waar, rondom een balustrade, zich neêrkijkende engeltjes en nimfen groepten.

Zij trad naar buiten en zag Gilio. Hij zat op de balustrade van het terras, rookte een cigarette en zag uit naar het meer. Nu kwam hij naar haar toe.

—Ik wist bijna zeker, dat u hier langs zoû komen. Is u niet moê? Mag ik u eens rondleiden? Heeft u onze Mantegna's gezien? Ze hebben veel geleden. Ze zijn in het begin van deze eeuw gerestaureerd. Ja, ze zien er gedelabreerd uit, niet waar? Ziet u die kleine mythologische scène daarboven, van Giulio Romano? Kom hier, door deze poort. Maar ze is gesloten. Wacht....

Hij riep buiten, iets naar beneden. Na een poos kwam een oude dienaar met zwaren sleuteltros en bood ze den prins.

—Ga maar, Egisto! Ik weet de sleutels wel.

De man ging. De prins opende een zware bronzen deur. Hij wees haar de reliefs.

—Giovanni da Bologna, zeide hij.

Zij gingen voort, door een zaal met arazzi; de prins wees het plafond van Ghirlandajo aan: apotheoze van den eenigen Paus uit het geslacht der San Stefano's. Toen door een zaal met spiegels, beschilderd door Mario de'Fiori. De stoffige mufheid van een niet onderhouden muzeum, met een waas van verwaarloozing en onverschilligheid, beklemde den adem; de witte zijden venstergordijnen waren geel van ouderdom, bezoedeld door vliegen; de roode overgordijnen van Venetiaansch damast hingen aan rafel en rag, door mot opgevreten; de beschilderde spiegels waren dof verweerd; van de Venetiaansche glaskronen de armen gebroken. Slordig ter zijde geschoven, stonden als rommel op een zolder, de kostbaarste kabinetten, ingelegd met bronzen, parelmoêren en elpen paneelen, mozaiektafels van lapis-lazuli, malachiet en groene, gele, zwarte en roze marmers; de arazzi: Saul en David, Esther, Holofernus, Salomo, leefden niet meer met de emotie der figuren, alsof zij verstikt waren onder de grauwe laag van stof, die dik poeierde boven hun vergane weefsels, en alle kleur neutralizeerde.

Door de immense zalen, half donker in haar gordijnenduister, dreef als een weemoed, een melancholie van verbittering, hopeloos, overwonnen, een langzame versterving van grootheid en grootschheid; tusschen de meesterstukken der beroemdste schilders gaapten treurige vakken van leêgte, getuigend van nijpend geldgebrek, van schilderijen, toch voor fortuinen nog verkocht.... Cornélie herinnerde zich iets, enkele jaren her, van een proces, van een poging om, tegen de wet in, Rafaëls over de grenzen te zenden en te verkoopen in Berlijn.... En door de spectrale zalen leidde Gilio haar, vroolijk als een jongen, luchtig als een kind, blij zijne afleiding te hebben, haar haastig, zonder liefde en belang namen noemend, die hij gehoord had van zijn kindsheid, maar zich toch vergissende, zich verbeterende, en eindelijk lachend er voor uitkomend, dat hij niet meer wist.

—En hier is de camera degli sposi....

Hij zocht aan den sleutelbos, lezend op de koperen etiquette, opende knarsend toen de deur, en zij traden binnen.

En het was eensklaps als een innige exquize pracht van intimiteit: een groot slaapvertrek, geheel goud, geheel dof goud, vertaand en verteerd en verteederd goudweefsel; aan de wanden arazzi van goudkleur: de geboorte van Venus uit het gulden schuim van een gouden oceaan, Venus met Mars, Venus met Adonis, Venus met Cupido: de bleekroze naaktheid der mythologie heel even oplevend in niets dan gouden atmosfeer en sfeer, in gouden bosschen tusschen bloemen van goud; en cupido's en zwanen en duiven en evers van goud; pauwen van goud aan fonteinen van goud; water en wolken van goudelement, en al het goud vertaand en verteerd en verteederd tot éen kwijnenden zonsondergang van stervende glanzen: het praalbed goud, onder een baldakijn van goudbrokaat, waarop de familiewapens zwaar en relief geborduurd: de sprei van goud, maar àl het goud zonder leven; al het goud tot een weemoed geworden van bijna grauwende glinstering, uitgewischt, weggevaagd, afgestompt, of de stoffige eeuwen er eene schaduw over hadden geslagen, er spinneweb over hadden gespreid.

—Wat is dit mooi! zei Cornélie.

—Onze beroemde bruidskamer, lachte de prins. Vreemde ideeën hadden die oude lui, den eersten nacht te slapen in zoo een bizonder vertrek. Trouwden zij in onze familie, dan sliepen zij hier den eersten nacht. Het was zoo een bijgeloof. De jonge vrouw bleef alleen trouw, als zij hier den eersten nacht met haar gemaal had doorgebracht. Arme Urania! Wij hebben hier niet geslapen, signora mia, tusschen al die indecente godinnen der liefde. Wij huldigen de familietraditie niet meer. Urania is dus door het noodlot gedoemd mij ontrouw te worden. Tenzij ik die doem van haar overneem....

—In die familie-traditie werd van de trouw van de mannen zeker niet gerept?

—Neen, daar werd—en wordt nog altijd—heel weinig prijs op gesteld....

—Het is prachtig, herhaalde Cornélie, en zag rond. Wat zal Duco het hier prachtig vinden. O prins, ik heb nog nooit zoo een kamer gezien! Zie Venus daar met Adonis gewond, zijn hoofd in haar schoot, de nimfen weeklagend er om.... Het is een sprookje....

—Het is mij te veel goud....

—Misschien was het vroeger zoo, te veel goud....

—Veel goud, dat denoteerde rijkdom en liefdekracht. De rijkdom is nu voorbij....

—Maar nu is het goud zoo verzacht, zoo vergrauwd....

—De liefdekracht is gebleven: de San Stefano's hebben steeds veel bemind.

Hij schertste door en toonde de wulpschheid der tafereelen en waagde een toespeling.

Zij deed of zij niet hoorde, zij zag naar de afazzi. In de tusschenvakken dronken gouden pauwen aan gouden fonteinen en speelden cupido's met duiven.

—Ik hoû zooveel van je! fluisterde hij aan haar oor en omvatte haar middel. Engel, engel!

Zij weerde hem af.

—Prins....

—Zeg Gilio...!

—Waarom kunnen wij niet liever goede vrienden blijven....

—Omdat ik meer dan vriendschap wil.

Zij maakte zich nu geheel los.

—Ik niet, antwoordde zij koel.

—Heeft u dan alleen éen lief?

—Ja....

—Dat kan niet zijn.

—Waarom....

—Omdat u hem dan zoû trouwen. Als u niemand liefhad dan hem, Van der Staal, zoû u hem trouwen.

—Ik ben tegen het huwelijk.

—Praatjes. U trouwt hem niet om vrij te zijn. En als u vrij wil zijn, mag ik ook vragen, mijn moment van liefde.

Zij zag hem vreemd aan, hij voelde hare minachting.

—U begrijpt ... mij in het geheel niet, sprak zij langzaam en medelijdend.

—U mij wel.

—O ja. U is zoo heel eenvoudig.

—Waarom wil u niet?

—Omdat ik niet wil.

—Waarom niet?

—Omdat ik niet voor u voel.

—Waarom niet!? dwong hij, en zijn handen krimpten ineen.

—Waarom niet? herhaalde zij. Omdat ik u vroolijk en aardig vind om gekheid meê te maken, maar omdat uw temperament verder niet beantwoordt aan het mijne.

—Wat weet u van mijn temperament?

—Ik zie u.

—U is geen dokter.

—Ik ben een vrouw.

—En ik een man.

—Maar niet voor mij.

Razend, met een vloek, pakte hij haar in zijn trillende armen. Voordat zij het verhinderen kon, had hij haar woest gezoend. Zij wrong zich los en sloeg hem vlak in zijn gezicht. Hij vloekte weêr, greep wild, maar hooger richtte zij zich op.

—Prins! zeide zij, luid schaterlachend; u denkt toch niet mij te kunnen dwingen?

—Natuurlijk.

Zij lachte schamper.

—U kan niet, zeide zij luid. Want ik wil niet en ik laat mij niet dwingen.

Hij zag rood, hij was razend. Hij was nog nooit zoo getart en weêrstaan, hij had altijd overwonnen.

Zij zag hem stormen op haar af, maar rustig wierp zij de deur der kamer open.

De lange galerijen en zalen strekten zich uit, als eindeloos. Er was iets in dat perspectief van ancestrale ruimte, dat hem weêrhield. Hij was meer woest, dan beredeneerd geweldenaar. Zij liep heel langzaam voort, aandachtig kijkend links en rechts.

Hij voegde zich aan hare zijde.

—U heeft me geslagen, hijgde hij, razend. Dat vergeef ik u nooit. Nooit!

—Ik vraag u vergeving, sprak zij met haar liefste stem en lach. Ik moest mij toch verdedigen.

—Waarom?

—Prins, zeide zij met overreding; waarom nu toch die boosheid en die passie en die drift. U kan zoo lief zijn; verleden in Rome was u zoo charmant. Wij waren zulke goede vrienden. Ik genoot van uw conversatie en uw geest en van uw goed hart. Nu is alles bedorven.

—Neen, smeekte hij.

—Jawel. U wil me niet begrijpen. Uw temperament antwoordt niet aan het mijne. Begrijpt u dat niet? U dwingt me grofheden te zeggen, omdat u zelf grof is.

—Ik...?

—Ja; u gelooft niet aan de eerlijkheid van mijn onafhankelijkheid.

—Neen!

—Is dat dan hoffelijk tegenover een vrouw?

—Ik ben maar hoffelijk, tot zeker oogenblik.

—Wij zijn dat oogenblik voorbij. Wees dus nu weêr hoffelijk als vroeger.

—U speelt met mij. Ik zal het nooit vergeten, ik zal mij wreken.

—Dus een strijd op leven en dood?

—Neen, op zege, voor mij....

Zij waren de atrio genaderd.

—Ik dank u voor uw rondgeleide, zeide zij, een beetje spotachtig. De camera degli sposi, vooral, was magnifique. Laat ons niet meer zoo boos zijn.

Zij bood haar hand.

—Neen, zeide hij; u heeft mij hier geslagen in mijn gezicht. Mijn wang gloeit nog. Ik neem uw hand niet aan.

—Arme wang, plaagde zij. Arme prins! Sloeg ik hard?

—Ja....

—Hoe kan ik dien gloed weêr dooven?

Hij zag haar aan, nog hijgend, boos en rood, met flonkerende karbonkeloogen.

—U is zoo coquet, als ik geen Italiaansche ken.

Zij lachte.

—Met een zoen? vroeg zij.

—Demon! siste hij tusschen zijne tanden.

—Met een zoen? herhaalde zij.

—Ja, sprak hij. Daar, in onze camera degli sposi.

—Neen, hier.

—Demon! zei hij, zachter nog en sissender. Zij kuste hem vluchtig. Toen bood zij hem de hand.

—En nu is dit voorbij. Het incident gesloten.

—Engel, duivelin, siste hij haar achterna.

Zij keek over de balustrade naar het meer. De avond was gevallen en het meer schemerde in mist. Zij dacht niet meer aan hem, hoewel hij noch achter haar stond. Zij vond hem als een jonge jongen, die soms haar amuzeerde en nu ondeugend was geweest. Zij dacht aan hem niet meer; zij dacht aan Duco.

—Wat zal hij het hier mooi vinden, dacht zij. O, ik verlang naar hem!...

Er ruischte achter hen iets van de kleêren van een vrouw. Het waren Urania en de marchesa Belloni.

XXXIV.

Urania vroeg Cornélie binnen te komen, omdat het nu niet gezond was buiten, in de mist-uitwademing van het meer, met het ondergaan van de zon. De marchesa groette koel, stijf, knipte hare oogen dicht en deed of zij zich Cornélie niet heel goed herinnerde.

—Ik kan me dat begrijpen, zei Cornélie, vinnig glimlachend. U ziet zoo iederen dag andere locataires in uw pension, en ik ben veel korter gebleven, dan u eigenlijk wel rekende. Ik hoop, dat mijn kamers weêr gauw genomen zijn en u geen schade heeft gehad door mijn vertrek, marchesa?

De marchesa Belloni keek haar in stomme verbazing aan. Zij was hier, op San Stefano, in haar element van markiezin; zij, de schoonzuster van den ouden prins, sprak hier nooit over haar vreemdelingen-pension; zij ontmoette hier nooit hare gasten van Rome, die alleen als toeristen op bepaalde uren het kasteel wel eens bezochten, terwijl zij, de marchesa, enkele weken er haar zomervilligiatura doorbracht. Zij had hier ook afgelegd hare smedigheid van kille kamers aan te prijzen, haar handelstact van zooveel te vragen als zij maar dorst. Zij droeg hier haar gefrizeerden leeuwenkop met een hooge waardigheid en zij droeg wel hare kristallen brillanten in de ooren, maar een glimmend nieuw zijden spencer om haar ampelen boezem. Zij kon het niet helpen, dat zij, een geboren gravin, zij, de marchesa Belloni,—de markies was een broêr geweest van de overleden prinses—geene distinctie had, trots al hare kwartieren, maar zij voelde zich toch, die zij was, aristocrate. De kennissen, de monsignori, die zij wel eens op San Stefano ontmoette, verbloemden in hun gesprekken het pension Belloni, en noemden het palazzo Belloni.

—O ja, zeide zij eindelijk, met haar voornaam knippende oogen, heel koel. Nu herinner ik mij u ... hoewel ik uw naam ben vergeten.... Een vriendin van de prinses Urania, niet waar? Het doet mij pleizier u terug te zien, erg veel pleizier....

—En wat zegt u van het huwelijk van uw vriendin? vroeg zij, terwijl zij een oogenblik naast Cornélie de trap opging, tusschen de marmeren kandelabers van Mino da Fiesole. Gilio, nog boos en rood, en niet door den kus gekalmeerd, had zich verwijderd en Urania was hen vlug vooruit geloopen.

De marchesa wist van Cornélie's eerste tegenwerking, van haar vroegere raadgevingen aan Urania, en zij was er zeker van, dat Cornélie zoo had gedaan had, omdat zij voor zichzelve aan Gilio gedacht had. In hare vraag klonk ironie en triomf.

—Dat het in den hemel besloten was, antwoordde Cornélie, ook ironisch. Ik geloof, dat er op dit huwelijk een zegen rust.

—De zegen van Zijne Heiligheid, zei de marchesa naïef, niet begrijpend.

—Natuurlijk; de zegen van Zijne Heiligheid,... en de zegen van den Hemel....

—Ik dacht, dat u niet godsdienstig was?

—Soms.... Als ik over hun huwelijk denk, word ik zeer godsdienstig. Wat een rust voor de ziel van de prinses Urania, dat zij Katholiek is geworden. Wat een geluk voor haar leven, dat zij il caro Gilio heeft getrouwd. Er is toch nog geluk en vrede in het leven.

De marchesa vermoedde vaag iets van haar spot, en vond haar een gevaarlijke vrouw.

—En u, heeft onze godsdienst geen bekoring voor u?

—Heel veel! Ik heb veel gevoel voor mooie kerken en schilderijen. Maar dat is een artistieke opvatting. U zal dat wel niet begrijpen, want ik geloof niet, dat u artistiek is, marchesa? En ook het huwelijk heeft bekoring voor me, een huwelijk als dat van Urania. Zoû u mij ook niet eens kunnen helpen, marchesa? Dan blijf ik een heelen winter in uw pension, en, wie weet, dan word ik misschien nog wel Katholiek ook.... U zoû voor mij Rudyard nog wel eens kunnen probeeren, en als dat niet ging, de twee monsignori.... Dan word ik het zeker.... En winstgevend zoû het zeker zijn.

De marchesa zag haar hoog, wit van woede aan.

—Winstgevend....

—Als u mij een Italiaanschen titel bezorgt, maar met geld, zeker zoû dat winstgevend zijn.

—Hoe meent u?

—Vraag dat maar eens aan den ouden prins en aan de monsignori, marchesa....

—Wat weet u?! Wat denkt u?

—Ik? Niets! antwoordde Cornélie koel. Maar ik heb een double vue. Ik zie soms in eens iets.... Hoû mij dus maar te vriend, en doe niet meer, of u uw oude locataires vergeet.... Is hier de kamer van de prinses Urania? Gaat u eerst binnen, marchesa: na u....

De marchesa trad rillende binnen: zij dacht aan duivelarij. Hoe wist die vrouw iets van haar onderhandelingen met den ouden prins en de monsignori? Hoe vermoedde zij, dat het huwelijk van Urania en hare bekeering haar eenige tienduizend lire's had aangebracht?

Zij had niet alleen een les gehad: zij rilde, zij was bang. Was die vrouw dan de duivel? Had zij de mal' occhio? En de marchesa maakte in de plooien van haar japon met pink en wijsvinger de bezwering der gettatura, en lispelde: vade retro, satanas....

In haar eigen salon schonk Urania thee. Het vertrek zag met drie spitsboogvensters uit op de stad en den antieken Dom, die in een oranje weêrkaatsing van laatste zonnelicht even opleefde uit zijn grauwe stof der eeuwen met de onduidelijke wemeling van zijn heiligen, profeten en engelen. De kamer, behangen met mooie arazzi, een allegorie van den Overvloed,—nimfen met uitstortende hoornen van overvloed—was half antiek, half modern, niet overal goed van smaak en zuiver van toon, met enkele afschuwelijke banaal moderne ornamenten, een enkel schreeuwend modern comfort, maar toch gezellig, bewoond, en Urania's home. Een jonge man rees op en Urania stelde hem Cornélie voor als haar broêr. De jonge Hope was een stevige frissche jongen van achttien jaar; hij droeg nog zijn fietspak: het mocht wel, zeide zijn zuster, om even een kop thee te drinken. Zij streelde hem lachend over zijn kortharigen ronden kop en gaf hem, met vergunning der dames, het eerst zijn kopje: dan zoû hij zich verkleeden. Hij zat er zoo vreemd, zoo nieuw, en zoo gezond, met zijn frisch roze teint, zijn breede borst, zijn sterke handen en stevige kuiten, zijn jeugd van jongen Yankee-boer, die, trots de millioenen van vader Hope, werkte op zijn hoeve, daar ver in de Far West, om zelve fortuin te maken; hij zat er zoo vreemd, op dat oude San Stefano, in het gezicht van dien streng symbolischen Dom, tegen dien achtergrond van antieke arrazi, en nog vreemder trof Cornélie eensklaps, de jonge nieuwe prinses.... Haar naam, haar Amerikaansche naam van Urania klonk goed: de prinses Urania, dat kreeg eensklaps een zeer goeden klank.... Maar het jonge vrouwtje, een beetje bleek, een beetje weemoedig, met haar Yankee-Engelsch tusschen de tanden, scheen haar eensklaps zoo niet op haar plaats in die vertaande glorie der San Stefano's.... Cornélie vergat telkens, dat zij was de prinses di Forte-Braccio: zij zag haar altijd als miss Hope. En toch had Urania een tact, een gemakkelijkheid, een assimilatie-vermogen; heel groot. Gilio was binnengekomen, en de enkele woorden, die zij sprak tegen haar man, waren, natuurlijk weg, waardig bijna, en toch, voor Cornélie met een klank van zich schikkende ontgoocheling, die haar Urania deed beklagen. Zij had van den begin af voor Urania een vage sympathie gevoeld: nu voelde zij inniger genegenheid. Zij had medelijden met dat kind, de prinses Urania. Gilio was slordig koel tegen haar, de marchesa neêrbuigend beschermend. En dan die ontzettende eenzaamheid, rondom haar, van al die vervallen grootheid. Zij streelde haar jongen broêr over het hoofd. Zij bedierf hem, vroeg of zijn thee goed was en propte hem vol met sandwiches, omdat hij honger had na zijn fietstoer. Zij had hem nu bij zich als iets van huis, als iets van Chicago: zij klampte zich bijna aan hem.... Maar verder was rondom haar de neêrdrukkende melancholie van het immense kasteel, de verwaarloosde glorie van zijn oud-meesterlijke kunstpracht, de laatdunkendheid van dien adelhoogmoed, die haar niet van noode had, maar wel haar millioenen. En voor Cornélie verloor zij alle belachelijkheid van Amerikaansche parvenue; en kreeg zij integendeel iets tragisch van jeugdig slachtoffer. Wat zaten zij er vreemd, zij, de jonge prinses en haar broêr, met zijn stevige kuiten!

Urania toonde haar portefeuille met platen en teekeningen: ideeën van een jongen architect uit Rome voor restauratie's van het kasteel. En Urania wond zich op, een kleur kwam op haar wangen toen Cornélie haar vroeg of zooveel restauratie wel mooi zoû zijn? Zij verdedigde haar architect. Gilio rookte onverschillig cigaretten en was uit zijn humeur. De marchesa zat als een idool, met haar leeuwenkop, waar de oorkristallen flonkerden. Zij was bang voor Cornélie en beloofde zich op haar hoede te zijn. Een hofmeester kwam aankondigen aan de prinses, dat het diner gereed was. En Cornélie herkende in hem den ouden Giuseppe van het pension Belloni, de oude aartshertogelijke hofmeester, die een lepel had laten vallen, zooals Rudyard haar had verteld. Zij zag Urania lachende aan, en Urania bloosde.

—Poor man! zeide zij, toen Giuseppe vertrokken was. Ja, ik heb hem maar van tante overgenomen. Hij had het zoo druk in het palazzo Belloni. Hij heeft hier heel weinig te doen, en hij heeft een jongen hofmeester onder zich. Het personeel moest toch worden uitgebreid. Hij heeft hier een prettigen ouden dag: poor old dear Giuseppe ... Bob, nu heb je je niet verkleed!

—Goed kind! dacht Cornélie, terwijl zij allen opstonden en Urania haar broêr als een bedorven jongen heel zachtjes verweet, dat hij met zijn kuiten aan tafel kwam.

XXXV.

Zij waren in de groote sombere eetzaal, met de bijna zwarte arazzi, met het bijna zwarte plafond in caissons, met al het bijna zwarte eiken beeldhouwwerk; met de zwarte monumentale schouw; er boven, in zwart marmer, het familiewapen. Het kaarsenlicht van twee groote zilveren luchters op tafel gaf alleen wat schijn over het damast en kristal, maar verder bleef de te groote zaal in een sombere duisternis van schaduw, in de hoeken opgehoopt met massa's dikke schaduw, dunnere schaduw van het plafond wazende af, als eene vervluchtiging van donker fluweel, dat boven den kaarsenschijn in atomen rondzweefde. De antieke oudheid van San Stefano drukte hier zwaar neêr als een ontzag, tegelijk met een melancholie van zwart zwijgen en zwarten hoogmoed. Hier klonken de woorden gedempt. Dit was nog geheel gebleven als het altijd geweest was, dit was als iets heiligs van hunne voorname traditie, en waaraan Urania niets zoû durven veranderen, als dorst zij er bijna niet spreken en eten. Men wachtte een oogenblik, toen een dubbele deur werd geopend. En als een schim trad binnen een groote oude grijze man, die zijn arm gestoken had door den arm van den geestelijke naast hem. De oude prins Ercole kwam heel langzaam en waardig nader, terwijl de kapelaan zijn tred regelde naar die langzame waardigheid. Hij droeg een lange zwarte jas van een ouden ruimen snit, die in plooien om hem hing met iets van een tabbaard, en op zijn glinsterend grijze haren, even golvend in den nek, een zwart fluweelen kalot. En men naderde hem met heel veel eerbied. De marchesa eerst, toen Urania, die hij heel langzaam—als wijdde hij haar—een kus gaf op het voorhoofd; toen naderde hem Gilio en kuste zijn vader onderdanig de hand. De grijsaard knikte den jongen Hope toe, die boog en wendde zijn blik naar Cornélie. Urania stelde haar voor. En als verleende hij een audientie, sprak de oude prins haar enkele minzame woorden toe en vroeg haar of Italië haar beviel. Toen Cornélie geantwoord had, ging prins Ercole zitten en gaf zijn kalot aan Giuseppe, die haar diep buigend aannam. Daarop zetten zich allen: de marchesa met den kapelaan over prins Ercole, die tusschen Cornélie en Urania zat, Gilio naast Cornélie, Bob Hope naast zijne zuster.

—Mijn kuiten zijn niet te zien, fluisterde hij zijn zuster toe.

—Cht! zeide Urania.

Giuseppe, herlevende in zijn oude waardigheid, vulde aan een dressoir, plechtstatig, de borden met soep. Hij vond zich hier in zijn element terug; hij was zichtbaar Urania dankbaar; hij had een trek van voornamen zielevrede en zag er in zijn rok uit als een oude diplomaat. Hij amuzeerde Cornélie, die dacht aan Belloni, als hij ongeduldig werd, omdat de gasten niet kwamen, als hij uitvaarde tegen de jonge blanc-becs van kellners, die de marchesa voor de goedkoopte in dienst nam. Toen twee lakeien de soep hadden rondgediend, stond de kapelaan op, en zei het Benedicite. Er werd nog geen woord gesproken. Men at de soep in stilte, terwijl de drie bedienden onbewegelijk stonden. De lepels tikkelden tegen het porcelein en de marchesa smakte. De luchters trillerden nu en dan en van het plafond viel drukkender de schaduw, als vervluchtiging van fluweel Toen wendde prins Ercole zich tot de marchesa. En beurtelings wendde hij zich tot iedereen met een vriendelijk neêrbuigende waardigheid, in het Fransch, in het Italiaansch. Het gesprek werd iets algemeener, maar de oude prins bleef het leiden. En hij was heel vriendelijk tegen Urania, merkte Cornélie op.... Maar Cornélie herinnerde zich Gilio's woorden: papa heeft bijna een beroerte gehad, omdat de oude Hope op Urania's bruidschat beknibbelde. Tien millioen? Vijf millioen? Geen drie millioen! Dollars? Lires!! En de oude prins scheen haar eensklaps toe als het vergrijsd egoïsme van San Stefano's glorie en adelhoogmoed, scheen haar toe de levende schim dier opschaduwing van verleden, zooals zij het dien middag gevoeld had, starende met Urania in het diepe, blauwe meer: de veel eischende schim; de millioenen eischende schim, de nieuwe levensvatbaarheid eischende schim; spectrale paraziet, die zijn gedeprecieerde symbolen verkocht had aan de ijdelheid van een nieuw koopmanshuis, maar in zijn voornaamheid niet had opgekund tegen de slimheid van den koopman. Hun prinsesse- en hertoginnetitel voor nog geen drie millioen lire's! Papa had bijna een beroerte gehad ... had Gilio gezegd. En Cornélie, in de afgemeten minzame stijfte van het door prins Ercole geleide gesprek, zag van den ouden prins-hertog,—zeventig jaar—, naar den jongen frisschen Far-Wester—achttien, en zag van hem naar prins Gilio: de hoop van het oude geslacht, hun eenige hoop. Hier, in de somberheid van die eetzaal, waar hij zich verveelde, bovendien nog uit zijn humeur, zag zij hem klein, nietig, dunnetjes, een schraal, gedistingeerd viveurtje; zijn karbonkeloogen, die vroolijk, pervers geestig schitteren konden, zagen nu mat onder de vallende oogleden uit op zijn bord, waarin hij lusteloos pikte.

Zij kreeg medelijden met hem, en zij dacht aan de gouden bruidskamer.... Zij minachtte hem een beetje. Zij beschouwde hem niet als een man, hij kon niet wat hij wilde: zij beschouwde hem meer als een stouten jongen. En hij moest jaloersch zijn van Bob, dacht zij: van zijn frisch bloed, dat tintelde onder zijn wangen, van zijn breede schouders en zijn breede borst. Maar toch, hij amuzeerde haar. Aardig kon hij zijn, vroolijk en geestig, en vlug, als hij was opgewekt, vlug in zijn woorden, in zijn geest. Zij hield wel van hem. En dan zijn goed hart. De armband en vooral de duizend lire. Zij dacht er steeds aan met aandoening; hoe was zij aangedaan geweest, tijdens die wandeling, voorbij de post heen en weêr; aangedaan om zijn brief en om zijn royale hulp. Hij had geen fond, hij was haar geen man: maar hij was geestig en had een zeer goed hart. Zij hield van hem, als van een vriend en prettig kameraad. Wat was hij neêrgeslagen en uit zijn humeur. Maar waarom waagde hij zich dan ook aan die dwaze attaques...!

Zij richtte nu en dan het woord tot hem, maar zij vermocht hem niet op te wekken. Trouwens, het gesprek sleepte stijf en minzaam voort, steeds geleid door prins Ercole. Het diner liep ten einde en prins Ercole rees op. Uit de handen van Giuseppe ontving hij zijn kalot, allen namen afscheid van hem, de deuren werden geopend en, aan den arm van zijn kapelaan, trok prins Ercole zich terug. Gilio, boos, verdween. De marchesa, nog rillende voor Cornélie, verdween en wees, in haar japon, de gettatura naar haar toe. En Urania nam Cornélie en Bob meê terug naar haar salon. Zij herademden alle drie. Zij spraken vrij uit, in het Engelsch nu: de jongen zei wanhopig, dat hij niet genoeg at, dat hij niet dorst eten tot zijn honger gestild was, en Cornélie lachte, hem prettig vindend, om zijn gezondheid, terwijl Urania beschuitjes voor hem zocht en een stuk cake, van de tea nog over, en hem brood en vleesch beloofde, voor zij naar bed zouden gaan. En zij ontspanden hun gemoed na het plechtstatige middagmaal. Urania zei, dat zij den ouden prins anders nooit zagen, dan aan het diner, maar zij zocht hem 's morgens altijd op, bleef een uurtje met hem spreken of speelde met hem schaak. Anders speelde hij schaak met den kapelaan. Zij had het druk, Urania. De reorganizatie der huishouding, indertijd overgelaten aan een arme bloedverwante, die nu in Rome van een pensioen leefde, kostte haar veel tijd: zij besprak in de morgenuren van détails met prins Ercole, die, niettegenstaande zijne afzondering, van alles op de hoogte was. Dan had zij de beraadslagingen met haar Romeinschen architect over de restauraties van het kasteel: zij hadden soms plaats in het kabinet van den ouden prins. Dan liet zij in de stad een groot gesticht bouwen, een Albergo dei Poveri, waarvoor de oude Hope haar afzonderlijk doteerde: gesticht voor oude mannen en vrouwen. Toen zij voor het eerst te San Stefano kwam, hadden haar getroffen de vervallen, in elkaâr stortende huizen en huisjes der arme wijken, melaatsch en schurftig van vuil, opgegeten door hun eigen gebrek, waar een geheele bevolking planteleefde als paddestoelen. Zij liet nu bouwen het gesticht voor de ouden, zij bezorgde op het domein werk aan de gezonden en jongen, zij bemoeide zich met de verwaarloosde kinderen, zij had een nieuwe school opgericht. Zij sprak over dit alles doodeenvoudig, de cake snijdende voor haar broêr Bob, die zich te goed deed na de etiquette van het diner. Zij noodigde Cornélie 's morgens eens meê te gaan naar het werk van de Albergo, naar de nieuwe school, onder twee geestelijken van Rome, haar door de monsignori aanbevolen.—

Door de spitsboogramen schemerde in de diepte de stad, en onder den zoelen, met starren bezaaiden, zomernacht, rees de silhouet van den Dom omhoog. En Cornélie dacht: het is niet alleen voor schim en schaduw, dat zij hier is gekomen, de rijke Amerikaansche, die adel zoo lief vond—"so nice"—het kind, dat staaltjes verzamelde van de baljaponnen der koningin—album, dat zij nu als "zwarte" prinses verborg—het meisje, dat met haar licht laken tailorpak trippelde door het Forum, en niet begreep noch oud Rome, noch nieuw dagende toekomst....

En nu Cornélie door de stille zware nacht van het kasteel van San Stefano ging naar haar eigen kamer, dacht zij: ik schrijf, maar zij doet. Ik droom en ik denk, maar zij, zij leert de kinderen, al is het met een priester; zij voedt en huisvest oude mannen en vrouwen.

Toen, in haar kamer, uitziende naar het meer onder den zomernacht, bepoeierd met sterren, dacht zij na, dat zij ook gaarne rijk zoû willen zijn en een groot arbeidsveld zoû willen hebben. Want nu had zij geen veld, nu had zij geen geld, en nu ... nu verlangde zij alleen naar Duco, en moest hij haar niet te lang alleen laten, op dit kasteel, in al deze sombere grootheid, die op haar drukte als met eeuwen.

XXXVI.

Den volgenden morgen leidde Urania's kamenier Cornélie door een warreling van galerijen naar buiten, waar men ontbijten zoû, toen zij op de trap Gilio ontmoette. De kamenier keerde terug.

—Ik heb nog altijd geleide noodig om mijn weg te vinden, lachte Cornélie.

Hij bromde wat.

—Hoe heeft u geslapen, prins?

Hij bromde iets.

—Zeg eens, prins, dat booze humeur moet veranderen. Hoort u? Het moet. Ik wil het. Ik wil vandaag geen bouderie meer zien, en hoop, dat u zoo spoedig mogelijk uw vroolijken, geestigen toon van gesprek weêr aanneemt, dien ik in u apprecieer.

Hij mopperde iets.

—Adieu, prins, zei Cornélie kort.

En zij keerde op haar weg terug.

—Waar gaat u heen? vroeg hij.

—Naar mijn kamer. Ik zal op mijn kamer ontbijten.

—Maar waarom?

—Omdat u me niet bevalt als gastheer.

—Ik niet?

—Neen, u niet. Gisteren beleedigt u me, ik verdedig mij, u blijft grof, ik ben dadelijk weêr lief als altijd, geef u een hand en zelfs een zoen. Aan het diner boudeert u me op een alleronbeleefdste manier. U gaat naar uw kamer zonder me goeden nacht te wenschen. U komt me van morgen tegen zonder me te begroeten. U bromt, boudeert en moppert als een stout kind. Uw oogen staan nijdig, u ziet geel van galligheid. Bepaald, u ziet er slecht uit. Het flatteert u niets. U is alleronaangenaamst, grof, onbeleefd, en klein. Ik heb geen lust met u te ontbijten in zoo een stemming.... En ik ga naar mijn kamer.

—Neen, smeekte hij.

—Jawel.

—Neen, neen.

—Nu wees dan anders. Doe u geweld aan, denk niet meer aan uw nederlaag, en wees lief tegen me. U doet maar als de beleedigde partij, terwijl ik de beleedigde ben. Maar ik kan niet boudeeren, en ik ben niet klein. Ik kan niet klein doen. Ik vergeef u, vergeef mij ook. Zeg iets liefs, zeg iets aardigs.

—Ik ben dol op u.

—Ik merk er niets van. Als u dol op me is, wees dan vriendelijk, beleefd, vroolijk en geestig. Ik eisch het van u als van mijn gastheer.

—Ik zal niet meer boudeeren ... maar ik hoû zooveel van u! En u heeft me geslagen.

—Vergeeft u nooit die zelfverdediging?

—Neen, nooit!

—Adieu, dan.

Zij keerde zich om.

—Neen, neen, ga niet terug. Ga meê naar de pergola, waar wij ontbijten. Ik vraag u vergiffenis. Ik maak u mijn excuzes. Ik zal niet grof meer zijn en niet klein. U, u is niet klein. U is de bizonderste vrouw, die ik ken. Ik aanbid u.

—Aanbid dan in stilte, en amuzeer me.

Zijn oogen, zijn zwarte karbonkeloogen, begonnen weêr op te leven, op te lachen; zijn gelaat ontrimpelde en klaarde op.

—Ik ben te verdrietig om amuzant te zijn.

—Ik geloof er niets van.

—Heusch, ik heb verdriet, ik lijd....

—Arme prins!

—U gelooft mij maar niet. U neemt me nooit in ernst aan. Ik moet maar uw clown, uw paljas zijn. En ik heb u lief, en mag niets hopen? Zeg, mag ik nooit iets hopen?

—Niet veel.

—U is onverbiddelijk, en zoo streng.

—Ik moet wel streng tegen u zijn, u is net een stoute jongen.... O, daar zie ik de pergola. Dus, u belooft me beterschap?

—Ik zal zoet zijn.

—En amuzant.

Hij zuchtte.

—Povero Gilio! zuchtte hij. Arme paljas!

Zij lachte. In de pergola waren Urania en Bob Hope. De pergola, begroeid met wijngaard en een roze bruidstraan, die met roze bloementrossen neêrhing, verhief een rij van marmeren karyatiden en hermen—nimfen, saters en faunen—wier bovenlijven eindigden in slank voetstuk van sculptuur en die met opgeheven handen het vlakke blad- en bloemdak steunden; terwijl in het midden een open rotonde was als een open tempel, de cirkelbalustrade ook door karyatiden verheven en waar een antieke sarkofaag tot cisterna was vermetseld. In de pergola was een tafel gedekt voor het ontbijt; men ontbeet hier zonder den ouden prins Ercole, ook de marchesa ontbeet op haar kamer. Het was acht uur, een morgenfrischheid ademde nog op uit het meer, een waas van blauw fluweel donsde over de heuvelen, waartusschen als in zacht gebogen cannelures het meer verzonk als een ovalen beker.

—O, wat is het hier mooi! riep Cornélie verrukt.

Het ontbijt was een zonnig en vroolijk maal, na het zwartsombere diner van gisteren. Urania was vol levendigheid over haar Albergo, die zij straks met Cornélie zoû bezoeken, Gilio vond zijne beminnelijkheid terug en Bob at goed. En toen Bob daarna ging fietsen, ging Gilio zelfs met de dames meê naar de stad. Zij reden stapvoets in een landauer den slotweg af. De zon werd warmer en het oude stadje blankte op, roomwit en witgrijs van huizen als steenen spiegels, waarin de zon kaatste; de pleintjes als putten, waarin de zon gloed goot. Voor het werk van de albergo hield de koetsier stil, stegen zij uit en de aannemer kwam plichtplegerig nader, de zweetende metselaars zagen uit naar den prins en de prinses. Het was smoorheet. Gilio veegde zich telkens het voorhoofd af, en school achter de parasol van Cornélie. Maar Urania was éen levendigheid en belangstelling, vlug en energisch in haar wit piqué pakje, met haar witten matelot onder haar witte parasol, tripte zij over balken langs stapelingen van baksteen en cement en kalkbakken met haar aannemer voort, liet zich verklaren en gaf raad, was het niet altijd eens, en trok een wijs gezicht; zeide, dat die en die afmetingen haar tegenvielen, geloofde niet wat de aannemer haar verzekerde, dat naarmate het gebouw vorderde, de afmetingen haar zouden meêvallen, schudde haar hoofd, drukte dìt op het hart, drukte dàt op het hart, alles in een vlug, niet geheel correct, en hakkelig Italiaansch, dat zij kauwde tusschen hare tanden. Maar Cornélie vond haar lief, vond haar aardig, Cornélie vond haar de prinses di Forte-Braccio. Er was geen twijfel aan. Terwijl Gilio, bang zijn licht flanellen pak en gele schoenen te bezoedelen aan de kalk, in de schaduw van haar parasol bleef, puffende van de warmte, zonder belang, was zijn vrouw onvermoeid, dacht zij niet, dat haar witte rok een vuilen rand kreeg, en sprak zij met den aannemer met een zekerheid, levendig maar waardig, om eerbied voor te hebben. Waar had dat kind dat geleerd? Waar had zij haar assimilatie-vermogen vandaan? Waar vandaan had zij die liefde voor San Stefano, die liefde voor zijn armen? Hoe had dat Amerikaansche meisje dat talent verkregen om hare hooge en nieuwe pozitie zoo goed te bekleeden? Admirabile!—vond Gilio haar en fluisterde het Cornélie in. Hij was niet blind voor hare kwaliteiten. Hij vond Urania prachtig, uitstekend; ze verbaasde hem altijd. Geen Italiaansche vrouw van zijn kringen zoû zoo geweest zijn. En ze hielden van haar. De bedienden van het kasteel hielden van haar, Giuseppe zoû voor haar door het vuur gaan, die aannemer bewonderde haar, de metselaars keken haar met eerbied na, omdat zij zoo knap was, en er zooveel van wist en zoo goed was voor hen en hun misère. Admirabile! zei Gilio. Maar hij pufte. Hij wist niets van steenen, balken en afmetingen en begreep niet, waar Urania dien technischen blik vandaan had. Zij was onvermoeid. Zij liep het heele werk door, terwijl hij smeekend naar Cornélie opzag. En eindelijk, in het Engelsch, bad hij zijn vrouw er nu in godsnaam meê uit te scheiden. Zij stegen in, de aannemer groette, de werklui groetten met iets van dankbaarheid en aanhankelijkheid. En ze reden naar den Dom, dien Cornélie wilde bezichtigen, en waar Gilio, terwijl Urania haar vriendelijk rondleidde, genade vroeg aan zijn dames, en op de trappen van het altaar ging zitten, de armen hangende over de knieën, om te bekoelen.

XXXII.

Er waren zeven dagen verloopen en Duco was aangekomen. Het was na het plechtige diner in de sombere eetzaal, waar Duco was voorgesteld aan prins Ercole, en het was een zomeravond als een droom, toen Cornélie en Duco naar buiten gingen. Het kasteel lag al in zware rust, maar Cornélie had zich door Giuseppe een sleutel laten geven. En zij gingen naar buiten, naar de pergola. De starren poeierden als een blond licht over den nachthemel heen, en aan de toppen der heuvels kroonde de maan en trilde even terug in de mystieke diepte van het meer. Een adem van slapende rozen walmde uit den bloementuin aan de andere zijde der pergola, en beneden, in de dakvlakkende stad, stond aan zijn maanbelicht plein de Dom zijn reuzensilhouet uit tegen de starren. En een slapen was overal, over het meer, over de stad en achter de vensters van het kasteel; de karyatiden en hermen—de saters en nimfen—torsten slapend het looverdak van de pergola, als in een betooverde houding van dienaren der Slaapster. Een krekel knerpte, maar zweeg stil zoodra zij naderden, Duco en Cornélie. En zij zetten zich op een antieke bank, en zij sloeg om zijn lichaam haar armen en drukte zich tegen hem aan.

—Een week! fluisterde zij. Een volle week, dat ik je niet gezien heb, Duco, mijn lieveling! Ik kan niet zoo lang zonder je. Bij alles wat ik dacht en zag, en bewonderde, dacht ik aan jou, hoe mooi je het hier zoû vinden. Je bent hier wel eens geweest, als toerist. O, dat is niet het zelfde. Het is hier juist zoo mooi om te blijven, om niet door te loopen, maar om te blijven. Dat meer, die Dom, die heuvels! Die zalen binnen. Verwaarloosd maar zoo mooi. De drie hoven zijn vervallen, de fonteinen brokkelen in elkaâr Maar de stijl van de atrio, de somberheid van de eetzaal, de poëzie van deze pergola ... Duco, is die pergola niet als een antieke ode? We hebben samen wel eens Horatius gelezen, jij vertaalde me de verzen zoo mooi, je improvizeerde zoo heerlijk! Wat ben je toch knap, je weet zoo veel, je voelt zoo mooi. Ik hoû van je oogen, van je stem, en van je heelemaal, van allemaal wat jou is ... ik kan het niet zeggen, Duco. Ik heb mij langzamerhand gewonnen gegeven aan elk woord van je, aan ieder gevoel van je, aan je liefde voor Rome, aan je liefde voor muzea, aan de manier, waarop je die luchten ziet, die je op je aquarellen wascht. Je bent zoo heerlijk kalm, bijna als dit meer. O, lach niet, weer me niet af: ik heb je in geen week gezien, ik heb behoefte zoo eens tegen je te spreken. Is het overdreven? Ik voel hier ook niet gewoon, er is iets in die lucht, in dat licht, dat me zoo laat spreken. Het is zoo mooi, dat ik bijna niet gelooven kan, dat het gewoon leven, gewone realiteit is.... Herinner je te Sorrento op het terras van het hôtel, toen we over de zee uitkeken, over die parelen zee, met Napels zoo wit ver af, toen heb ik zoo gevoeld, maar toen dorst ik zoo niet spreken: het was 's morgens, er waren menschen om ons heen, die wij wel niet zagen, maar die ons zagen en die ik om mij heen vermoedde: maar nu zijn wij alleen, en nu wil ik het je zeggen, in je armen, aan je borst: ik ben zoo gelukkig! Ik hoû zoo van jou! Ik voel mijn ziel, al mijn mooiste voor jou! Je lacht, maar je gelooft me niet. Toch? Geloof je me?

—Ja, ik geloof je, ik lach niet om je, ik lach zoo maar.... Ja, het is hier mooi.... Ik ook, ik voel mij zoo gelukkig. Ik ben zoo gelukkig om jou en om mijn kunst. Je hebt me werken geleerd, je hebt mij opgewekt uit mijn droomen! Ik ben zoo gelukkig om de Banieren: ik heb brieven uit Londen: ik zal je ze morgen laten lezen. Ik heb alles aan jou te danken. Het is bijna niet te gelooven, dat dit gewoon leven is. Ik heb het ook zoo stil gehad in Rome. Ik zag niemand, ik werkte maar wat—maar niet veel; en ik at in de osteria alleen. De twee Italianen, je weet wel, hadden, geloof ik, medelijden met me. O, het was een vreeslijke week. Ik kan niet meer buiten je. Herinner je je onze eerste wandelingen en gesprekken in Borghese, en op den Palatijn? Wat waren we toen nog vreemd aan elkaâr, zoo niet samengevoegd. Maar ik voelde het, geloof ik, dadelijk, dat het mooi zoû worden tusschen ons....

Zij zweeg, en bleef aan zijn borst. De krekel knerpte weêr als met een langen triller. Maar verder sliep alles....

—Tusschen ons.... herhaalde ze als in koorts, en ze omhelsde hem geheel.

De geheele nacht sliep, en terwijl zij hun leven ademden in elkanders armen, torsten boven hunne hoofden de betooverde karyatiden—faunen en nimfen—slapende het bladerdak der pergola, tusschen hen en de met starren bepoeierde lucht.

XXXVIII.

Gilio vond de villegiatura op San Stefano verschrikkelijk. Hij moest iederen morgen om zes uur reeds klaar zijn om met prins Ercole, Urania en de marchesa de mis bij te wonen, die de kapelaan in de slotkapel bediende. Daarna wist hij met zijn tijd geen raad. Hij was een paar malen gaan fietsen met Bob Hope, maar de jonge Far Wester was hem te energisch, even als zijne zuster, Urania. Hij flirtte en redetwistte wat met Cornélie, maar in stilte was hij nog steeds beleedigd, en boos op zichzelven en op haar. Hij herinnerde zich haar eerste komst op dien avond, in het Palazzo Ruspoli; toen zij zijn rendez-vous met Urania was komen storen. En in de gouden camera dei sposi was zij hem voor de tweede maal te sterk geweest! Hij ziedde als hij er aan dacht, en hij haatte haar, en hij zwoer zijn groote goden wraak te zullen nemen. Hij vloekte zijn eigen weifelmoedigheid. Hij was te zwak om woest te dwingen en hij had nooit behoeven te dwingen: hij was gewoon, dat men hem toegaf. En van haar, die Hollandsche, moest hij hooren over zijn temperament, dat niet beantwoordde aan het hare! Wat zat er in die vrouw? Wat meende zij er meê? Hij was zoo weinig gewoon te denken, hij was zoo een gedachteloos kind van de gemakkelijke natuur van Italië, zoo gewoon zich te laten leven naar zijn gril en impulsie, dat hij haar nauwlijks begreep,—ofschoon hij den zin van haar woorden vermoedde,— nauwlijks begreep die terughoudendheid. Waarom zoo tegenover hem, de vreemde vrouw met hare nieuwe ideeën van den duivel; die zich niet stoorde aan de wereld, die niets van huwelijk weten wilde, die met een schilder leefde, als zijn maîtresse! Zij had geen godsdienst, en geen moraal—hij wist van godsdienst en van moraal—zij was des duivels; demonisch was zij: wist zij niet alles van de manoeuvres van tante Lucia Belloni, en had tante Lucia hem niet dezer dagen gewaarschuwd, dat zij gevaarlijk was, demonisch, des duivels! Zij was een heks! Waarom wilde zij niet? Had hij niet gisteren nacht door den cour haar silhouet zien gaan in den maneschijn, duidelijk naast de figuur van Van der Staal, en had hij hen niet zien openen de deur van het terras der pergola? En had hij niet éen uur, twee uur, slapeloos gewacht, tot hij ze had zien keeren, sluitende de deur weêr achter zich? En waarom had zij lief alleen hèm, dien schilder? O, hij haatte hem met al de gloeiende haat van zijn ijverzucht, hij haatte haar, om hare uitsluitendheid, om hare minachting, om al hun scherts en flirt, als was hij een paljas, een clown! Wat vroeg hij? Een gunst van liefde zooals zij aan haar minnaar toestond! Hij vroeg niets ernstigs; geen eeden, geen levenslange banden: hij vroeg zoo weinig: een enkel uur van liefde. Het was van geen belang: hij had dat nooit van veel belang beschouwd. En zij, ze weigerde het hem. Neen, hij begreep haar niet, maar wel begreep hij, dat zij hem minachtte, en hij, hij haatte haar en hem. En toch was hij verliefd op haar met al de woede van zijn weêrstreefde passie. In de verveling dier villigiatura, waartoe zijn vrouw hem drong in haar nieuwe liefde voor hun vervallen uilennest, was hem zijn haat en de gedachte aan zijn wraak een bezigheid voor zijn leêge hersenen. Uiterlijk was hij de zelfde weêr als vroeger, en flirtte hij met Cornélie, en zelfs meer dan vroeger, om Van der Staal te plagen. En toen zijne nicht, de gravin di Rosavilla, zijn "witte" nicht—hofdame der koningin—hen voor enkele dagen kwam bezoeken, flirtte hij ook met haar, en poogde hij de ijverzucht van Cornélie te wekken, wat hem maar niet best gelukte, en troostte hij zich met de gravin. Zij stelde hem schadeloos voor zijn teleurstelling. Zij was geen jonge vrouw meer, maar zij had het koude, sculpturale Juno-type, een beetje dom: zij had de Juno-oogen, die puilden: zij was een der toongeefsters aan het Quirinaal en in de "witte" wereld, en haar galante reputatie was algemeen bekend. Zij had met Gilio nooit een liaison gehad, die langer duurde dan een uur. Zij had over de liefde eenvoudige ideeën, met weinig nuance. Vroolijk pervers amuzeerde zij Gilio. En flirtende in hoekjes, zijn voet op den hare, onder haar japon, vertelde Gilio haar van Cornélie, van Duco en van het avontuur in hunne camera dei sposi, en hij vroeg zijn nicht, of zij begreep? Neen, de gravin di Rosavilla begreep ook niet zoo heel goed. Temperament? Ach ja, misschien hield zij—questa Cornelia,—meer van blond of bruin: er waren vrouwen, die deden keuze.... En Gilio lachte.... Het was zoo eenvoudig, l'amore, er was niet veel over te praten.

Cornélie was blij, dat Gilio de gravin had. Zij interesseerde zich met Duco, voor haar, Urania's, plannen; hij voerde gesprekken met den architekt. En Duco was verontwaardigd, en gaf den raad niet zooveel te verbouwen in die stijllooze restauratie-manier: het kostte hoopen met geld, en het bedierf alles.

Urania was uit het veld geslagen, maar Duco ging voort, brak den architect af, gaf den raad alleen bij te bouwen wat waarlijk stortte in elkaâr, maar zooveel mogelijk te stutten, te steunen en te behouden. En op een morgen verwaardigde zich prins Ercole met Duco, Urania en Cornélie de lange zalen af te loopen. Met alleen te onderhouden en geregeld—meende Duco—, met artistiek te schikken wat nu zonder gedachte op elkaâr stond gepakt, was al zoo veel te doen. De gordijnen? vroeg Urania. Laten, meende Duco: hoogstens nieuwe venstergordijnen, maar het oude roode Venetiaansche damast.... O laten, laten: het was zoo mooi: hier en daar, met veel zorg, kon het worden versteld. Hij schrikte van Urania's idee: nieuwe gordijnen! En de oude prins was verrukt, omdat de restauratie van San Stefano, op die manier, duizenden minder zoû kosten en artistieker zoû zijn: hij beschouwde het geld van zijne schoondochter als het zijne en had het nog liever dan haarzelve. Hij was verrukt: hij nam Duco meê naar zijn bibliotheek: hij toonde hem de oude missalen: de oude familieboeken en documenten, charters en schenkingen: hij toonde hem zijn munten en medailles. Het was alles verrommeld, verwaarloosd, eerst uit geldgebrek en toen uit onverschilligheid gekleinacht, maar nu wilde Urania, met geleerden uit Rome, Florence, Bologna, het familie-muzeum reorganizeeren. De oude prins voelde er wel voor, nu er weêr geld was. En de geleerden kwamen, verbleven op het kasteel, en heele morgens was Duco met hen bezig. Hij genoot. Hij leefde in zijne betoovering van verleden, niet meer in antieken tijd, maar in de middeneeuwen en Renaissance. De dagen waren te kort. En zijn liefde voor San Stefano werd zóó, dat eens een archivaris hem aanzag voor den jongen prins: den prins Virgilio. Aan het diner vertelde prins Ercole de anecdote. En allen lachten, maar Gilio vond de grap eenvoudig onbetaalbaar terwijl de archivaris, die meê aan tafel zat, niet wist hoe hij zich klein zoû maken in verontschuldiging.

XXXIX.

Gilio had den raad van zijne nicht, de gravin di Rosavilla, opgevolgd. Hij was dadelijk na den eten naar buiten geslopen, en hij liep de pergola af tot de rotonde, waarin het maanlicht viel, als in een witte schaal. Maar er was schaduw achter een paar karyatiden, en daar verborg hij zich. Hij wachtte een uur lang. Maar de nacht sliep, de karyatiden sliepen, roerloos staande en beurende het bladerdak. Hij vloekte en sloop naar binnen. Hij liep op de teenen de corridors af en luisterde aan de deur van Van der Staal. Hij hoorde niets, maar misschien sliep hij...?

Maar Gilio sloop verder een anderen corridor door, en luisterde aan de deur van Cornélie. Hij hield den adem in.... Jawel, er klonken stemmen. Zij waren samen! Samen!! Hij krampte de vuisten ineen en liep terug. Maar waarom wond hij zich op! Hij wist immers hunne verhouding. Waarom zouden zij hier niet samen komen. En hij klopte aan bij de gravin....

Den volgenden avond wachtte hij weêr bij de rotonde. Maar zij kwamen niet. Maar na enkele avonden, terwijl hij zat te wachten, zich verbijtend van ergernis, zag hij ze komen. Hij zag Duco de terraspoort achter zich sluiten: het slot knarste van verre, roestig. Langzaam zag hij ze aanloopen en naderen in het licht, vervagen in de schaduw, weêr uit komen in den maneschijn. Zij zetten zich op de marmeren bank.... Wat schenen zij gelukkig! Hij was jaloersch van hun geluk; jaloersch vooral van hem. En wat was zij zacht en teeder, zij, die hem, Gilio, maar goed genoeg vond voor amuzement, voor haar flirt: een clown: zij, de demonische vrouw, was engelachtig met wie zij lief had! Zij boog zich tot haar minnaar met een glimlachende liefkoozing, met een ombuiging van haren arm, met een naderen van hare lippen, met iets innig omstrikkends, met zoo een fluweelen loomte van liefde, als hij niet vermoed had in haar, met haar kouden flirtscherts tegen hem, Gilio. Zij leunde nu tegen Duco's arm, aan zijn borst, haar gezicht tegen het zijne.... O, haar zoen, nu, hoe zette hij Gilio in woede en vlam! Dat was niet meer hare ijskoude zinnen-onverschilligheid tegenover hem, Gilio, in de camera dei sposi! En hij kon zich niet langer inhouden: hij zoû hun dit oogenblik van hun geluk ten minste verstoren. En trillend in zijn zenuwen, kwam hij te voorschijn van achter de karyatide, en liep door de rotonde hen tegemoet. Zij zagen hem niet dadelijk, verloren in elkanders oogen.... Maar eensklaps schrikten zij, beiden tegelijk; de omhelzing van hunne armen viel plotseling, zij stonden in éene beweging op, zij zagen hem aankomen, hem klaarblijkelijk niet dadelijk herkennende. Pas toen hij vlak bij was, herkenden zij hem, en zagen, opgeschrikt, hem zwijgende aan, wat hij zeggen zoû. Hij boog ironisch.

—Een heerlijke avond, niet waar? Het uitzicht is mooi, zoo in den nacht, van de pergola af. U heeft gelijk hier eens te komen profiteeren. Ik hoop, dat ik u niet stoor met mijn onverwacht gezelschap!

Zijn trillende stem was zoo kwaadaardig twistzoekend, dat zij niet konden twijfelen aan zijn hevige ontstemming.

—Zeker niet, prins! antwoordde Cornélie, zich herstellende. Hoewel het mij verbaast, wat u hier doet, op dit uur.

—En wat doet u hier, op dit uur?

—Wat ik hier doe? Ik zit hier met Van der Staal....

—Op dit uur?

—Op dit uur! Wat meent u, prins, wat bedoelt u?

—Wat ik bedoel? Dat 's nachts de pergola gesloten is.

—Prins, zeide Duco; uw toon bevalt mij niet.

—En u bevalt mij heelemaal niet....

—Als u niet mijn gastheer was, gaf ik u een klap in uw gezicht....

Cornélie hield Duco's arm tegen: de prins vloekte en balde de vuisten.

—Prins, sprak zij. Het is klaarblijkelijk, dat u een scène met ons zoekt. Waarom? Wat heeft u er tegen, dat ik Van der Staal 's avonds hier ontmoet. Ten eerste is onze verhouding geen geheim voor u. En dan dunkt het mij onwaardig voor u ons hier te komen bespieden.

—Onwaardig? Onwaardig?—Hij was onmachtig zich meer te beheerschen.—Onwaardig ben ik, en klein, en grof, en geen man, en ik heb geen temperament, dat je aanstaat? Zijn temperament staat je wel aan, niet waar! Ik heb je zoen hooren klinken. Duivelin! Duivelin! Demon! Niemand heeft me zoo beleedigd als jij. Van niemand heb ik mij al zooveel laten welgevallen. Ik laat het mij niet langer! Jij, je hebt me geslagen, demon, duivelin! Hij, hij dreigt me met een slag. Mijn geduld is ten einde. Ik kan het niet verdragen, in mijn eigen huis, dat je mij weigert, wat je hem geeft.... Hij is niet je man! Hij is niet je man! Ik kan evenveel recht hebben als hij, en rekent hij uit, dat hij meer recht heeft dan ik, dan haàt ik hem!...

En hij vloog Duco aan, naar de keel, blind van woede. De aanval was zoo onverwacht, dat Duco struikelde. Zij worstelden samen, beiden razend. Al hunne verborgen antipathie sloeg uit als razernij. Zij hoorden niet Cornélie's smeeken, zij sloegen elkaâr met de vuist, zij omstrengelden elkanders beenen en armen, borst geperst aan borst. Toen zag Cornélie iets flikkeren. In het licht zag zij, dat de prins een mes trok. Maar zijn beweging zelve was een voordeel voor Duco, die zijn pols als in ijzer vastgreep en hem dwong op den grond, de knie stijf drukte op Gilio's borst en met de andere hand hem zijn keel omklemde.

—Laat los! krijschte de prins.

—Laat dat mes los! krijschte Duco.

De prins, onwillig, hield vol.

—Laat los! krijschte hij nog eens.

—Laat dat mes los....

Het mes viel uit zijn vingers. Duco greep het en stond op.

—Sta op! zeide hij. Wij kunnen, wanneer u wil, dit gevecht op minder primitieve manier morgen vervolgen. Niet meer met een mes, maar met degen of pistool.

De prins was opgestaan. Hij hijgde, blauw.... Hij kwam tot zichzelven.

—Neen, zei hij, langzaam. Ik wil niet duelleeren. Tenzij jij het wilt. Maar ik wil niet. Ik ben overwonnen.... Er is in haar een demonische kracht, die je altijd zoû laten winnen, welk spel wij ook speelden. Wij hebben al geduelleerd. Deze strijd zegt mij meer dan een geregeld duel. Alleen als jij het wenscht, heb ik er niets op tegen. Maar ik weet nu zeker, dat je me zoû dooden. Zij beschermt je....

—Ik wensch geen duel, zei Duco.

—Laat ons dan dezen strijd als een duel beschouwen, en geef mij nu een hand....

Duco strekte de hand. Gilio drukte die.

—Vergeef mij, zeide hij, neêrbuigend tot Cornélie; ik heb u beleedigd....

—Neen, zeide zij. Ik vergeef u niet.

—Wij hebben elkaâr te vergeven. Ik vergeef u uw slag.

—Ik vergeef u niets. Ik vergeef u dezen avond nooit, niet uw spionneeren, niet uw gebrek aan zelfbeheersching, niet uw recht, dat u op mij, ongetrouwde vrouw, meent te kunnen laten gelden, terwijl ik u geen recht geef, niet uw aanval, en niet uw mes.

—Wij zijn dus vijanden, voor altijd?

—Ja, voor altijd. Ik verlaat morgen uw huis....

—Ik heb verkeerd gehandeld, bekende hij nederig. Vergeef mij. Mijn bloed is hevig.

—Ik heb u totnogtoe gekend als een heer....

—Ik ben ook nog een Italiaan.

—Ik vergeef u niet.

—Ik heb u wel eens bewezen, dat ik een goed vriend kon zijn.

—Het is geen oogenblik het mij te herinneren.

—Ik herinner u alles, wat u zachter voor mij zoû kunnen stemmen.

—Dat is alles te vergeefs.

—Dus vijanden?

—Ja. Laat ons naar binnen gaan. Ik verlaat morgen uw huis....

—Ik wil alle boete doen, die u mij oplegt.

—Ik leg niets op. Ik wil dit gesprek eindigen en ik wil naar huis.

—Ik zal u voorgaan....

Hij deed zoo. Zij liepen de pergola af. Hij opende zelve de terraspoort en liet hen het eerst binnen.

Zij begaven zich zwijgend naar hunne kamers.

Het kasteel sliep in duister. De prins lichtte bij met een lucifer. Duco was het eerst bij zijn vertrek.

—Ik zal u verder bijlichten, sprak de prins nederig.

Hij vergezelde nog, met een tweede lucifer, Cornélie tot haar deur. Daar viel hij op zijn knieën.

—Vergeef mij, fluisterde hij met een snik in zijn keel.

—Neen, zeide zij.

En zonder meer sloot zij de deur achter zich. Hij bleef nog een oogenblik zoo geknield. Toen stond hij langzaam op. Zijn hals deed hem pijn. Zijn schouder voelde als ontwricht.

—Het is uit, mompelde hij. Ik ben overwonnen. Zij is nu sterker dan ik, maar niet omdat zij een duivel is. Ik heb ze samen gezien.... Ik heb hun omhelzing gezien. Ze is sterker, hij is sterker dan ik ... om hun geluk ... Ik voel, dat zij, om hun geluk, altijd sterker zullen zijn, dan ik....

Hij ging naar zijn kamer, die grensde aan Urania's slaapkamer. Een snikken golfde op in zijn borst. Hij wierp zich, gekleed, snikkend op zijn bed, zijn snikken inslikkend in den sluimerenden nacht, die door het kasteel heen donsde. Toen stond hij op, en zag uit het raam. Hij zag het meer. Hij zag de pergola, waar zij zoo even hadden gevochten. De nacht sliep er, de karyatiden blankten er, slapende, uit de schaduw op. En met den blik zocht hij de juiste plek van hun strijd en zijn nederlaag. En bijgeloovig, aan hun geluk, meende hij, dat er niet tegen te strijden zoû zijn, nooit.

Toen haalde hij de schouders op, als wierp hij zich een pak van den rug.

—Fa niente! troostte hij zich. Domani megliore....

Hij meende er meê, dat hij morgen, zoo niet déze, overwinning, wel een andere behalen zoû. En zijn oogen nog nat, sliep hij in als een kind.

XL.

Urania snikte zenuwachtig in Cornélie's armen, toen zij de jonge prinses zeide, dat zij dien morgen vertrok. Zij waren met Duco alleen in Urania's eigen salon.

—Wat is er gebeurd? vroeg zij snikkende.

Cornélie vertelde haar den vorigen avond.

—Urania, zeide zij ernstig; ik weet het, ik ben coquet. Ik vond het prettig met Gilio te praten; noem het flirten, als je wilt. Ik heb er nooit een geheim van gemaakt, noch voor Duco, noch voor jou. Ik beschouwde het als amuzement en niet meer. Misschien heb ik verkeerd gedaan; ik heb je er vroeger al meê geërgerd. Ik heb je beloofd het niet meer te doen, maar het schijnt sterker dan ik. Het ligt in mijn natuur, en ik zal me er niet om verdedigen. Ik beschouwde het als zoo weinig, als aardigheid en amuzement. Maar misschien is het slecht. Vergeef je het mij? Ik ben zooveel van je gaan houden: het zoû me leed doen, als je me niet vergaf....

—Verzoen je met Gilio en blijf nog....

—Onmogelijk, mijn lieve meid. Gilio heeft mij beleedigd, Gilio heeft tegen Duco zijn mes getrokken, en ik vergeef hem die dubbele beleediging nooit. Het is dus onmogelijk langer te blijven.

—Ik blijf zoo alleen! snikte zij. Ik ook, ik hoû veel van je, ik hoû van jullie beiden. Is er geen middel.... Bob verlaat mij ook morgen. Ik blijf heelemaal alleen. Wat heb ik hier. Niemand, die van mij houdt....

—Je houdt heel veel over, Urania. Je hebt een doel om voor te leven; je kunt veel goed doen in je omgeving.... Je stelt belang in dit kasteel, dat je eigen nu is.

—Het is alles zoo hol! snikte zij. Het geeft me niets. Ik heb behoefte aan sympathie. Wie is er die van mij houdt? Ik heb geprobeerd van Gilio te houden, en ik hoû ook wel van hem, maar hij, hij geeft niets om mij. Niemand geeft hier om mij....

—Ik geloof, dat je armen van je houden. Je hebt een edel doel.

—Ik ben daar ook blij om, maar ik ben te jong, om alleen voor een doel te leven. Ik heb verder niets. Niemand geeft iets om mij hier.

—Prins Ercole toch....

—Neen, hij minacht me. Wil ik je wat vertellen? Ik heb je vroeger eens verteld, dat Gilio mij gezegd had ... dat er geen familie-juweelen waren, dat alles was verkocht? Herinner je je wel? Nu, er zijn familie-juweelen. Ik heb dat begrepen uit een gezegde van de gravin di Rosavilla. Er zijn familie-juweelen. Maar prins Ercole bewaart ze in de Banca di Roma. Zij minachten mij en ik ben eenvoudig onwaardig ze te dragen. En voor mij doen ze alsof er niets meer is. En het ergste is!... dat al hun kennissen, geheel hun côterie weet, dat ze er zijn en bewaard worden in de Bank, en dat ze allen prins Ercole gelijk geven. Mijn geld is hunner wel waardig, maar ik niet hun oude juweelen, de juweelen van hun grootmoeders!

—Het is een schande! zei Cornélie.

—Het is de waarheid! snikte zij. O, leg het bij; blijf hier nog, om mij....

—Oordeel zelf, Urania: het is ons heusch niet mogelijk.

—Het is waar, gaf zij zuchtende toe.

—Het is alles mijn schuld.

—Neen, neen; Gilio is soms zoo hevig ...

—Maar zijn hevigheid, zijn drift en zijn jaloezie zijn mijn schuld. Ik heb er spijt van, Urania, om jou. Vergeef mij. Kom mij in Rome opzoeken, als je er komt. Vergeet mij niet, en schrijf, niet waar. Nu moet ik mijn koffer pakken. Hoe laat gaat de trein?

—Tien uur vijf-en-twintig, zei Duco. Wij gaan samen.

—Kan ik afscheid nemen van prins Ercole? Laat belet voor mij vragen.

—Wat zal je hem zeggen?

—Het allereerste, dat mij in den geest komt: dat een vriendin in Rome erg ziek is, dat ik er heen ga en dat Van der Staal mij begeleidt, omdat ik zenuwachtig ben. Het kan me niets schelen wat prins Ercole denkt.

—Cornélie....

—Lieveling, ik heb heusch geen tijd meer. Omhels me, vergeef me. En vergeet mij niet. Adieu, we hebben een lieven tijd samen gehad: ik ben veel van je gaan houden....

Zij wrong zich van Urania los, ook Duco nam afscheid. Zij lieten de prinses snikkende alleen. Op den corridor ontmoetten zij Gilio.

—Waar gaat u heen? vroeg hij met zijn nederige stem.

—Wij gaan met den trein van tien uur vijf-en-twintig.

—Het doet mij veel leed....

Maar zij gingen door en lieten hem staan, terwijl in het salon Urania snikte.

XLI.

In den trein, in den brandenden morgen, waren zij stil, en zij vonden Rome als barstende uit zijne huizen, van zonnebrand. In het atelier was het echter koel, eenzaam en rustig.

—Cornélie, zeide Duco. Vertel mij wat er gebeurd is tusschen jou en den prins. Waarom heb je hem geslagen?

Zij trok hem op den divan, wierp zich aan zijn hals en vertelde de scène van de camera dei sposi. Zij vertelde hem van de duizend lire en van den armband. Zij verklaarde hem, dat zij hierover gezwegen had, om hem niet over geldzorgen te spreken, terwijl hij zijn aquarel voor de tentoonstelling in Londen voltooide.

—Duco, ging zij voort. Ik ben gisteren zoo geschrikt, toen ik Gilio dat mes zag trekken. Ik voelde mij flauw vallen, maar ik heb het niet gedaan. Ik had hem nog nooit zoo gezien, zoo hevig, zoo tot alles in staat.... Ik voelde toen pas, hoeveel ik van je hield.... Ik had hem vermoord, als hij je verwond had....

—Je hadt niet met hem moeten spelen, zeide hij streng. Hij heeft je lief ...

Maar ondanks zijn strengen toon, trok hij haar vaster naar zich toe.

Zij legde met iets als schuldbewustzijn haar hoofd vleiend tegen hem aan.

—Hij is alleen wat verliefd ... verdedigde zij zich, zwakjes.

—Hij is heel gepassionneerd verliefd ... Je hadt niet met hem mogen spelen....

Zij antwoordde niet meer, hem met de hand vleiende zijn gezicht. Zij vond hem heel lief, dat hij haar zoo berispte: zij hield van dien strengen, ernstigen toon, dien hij bijna nooit tegen haar aannam. Zij wist, dat zij die behoefte tot flirt in zich had, gehad had van heel jong meisje: zij telde het niet, het was onschuldig amuzement. Zij was het niet met Duco eens, maar zij vond het onnoodig er over door te gaan: het was als het was, zij dacht er niet over, zij streed er niet tegen: het was als een verschil van opinie, bijna van smaak, dat niet telde. Zij lag te gemakkelijk tegen hem aan, na de agitatie van gisteren avond, na een slapeloozen nacht, na een overhaast vertrek, na drie uur sporens in de brandende warmte, om er veel tegen in te praten. Zij vond de stille koelte van het atelier lief, de eenzaamheid met hen beiden, na de drie weken op San Stefano. Er was hier een rust, een komen tot zichzelve, die zalig was. Het hooge raam was opgetrokken en de warme lucht vloot weldadig in en temperde zich in de natuurlijke kilte van het noordelijke vertrek. Duco's ezel, leêg, stond in afwachting. Het was er hun thuis, tusschen al die kleur en vorm van kunst rondom haar heen. Zij begreep nu die kleur en vorm: zij leerde Rome. Zij leerde dat alles in den droom van haar geluk. Zij dacht weinig over de Vrouwenkwestie en de kritieken over haar brochure keek zij nauwlijks in en interesseerden haar weinig. Zij vond den engel van Lippo mooi, en zij vond mooi het tryptiekblad van Gentile da Fabriano en de flonkerkleuren der oude kazuifels. Het was wel heel weinig na de schatten van San Stefano, maar het was het hunne en hun home. Zij sprak niet meer, zij voelde zich tevreden, zij rustte uit aan Duco's borst, en hare vingers streelden zijn gezicht.

—De Banieren zijn zoo goed als verkocht, zeide hij: voor negentig pond. Ik zal van middag telegrafeeren naar Londen ... En dan kunnen we gauw den prins die duizend lire teruggeven.

—Het is het geld van Urania, zeide zij zwakjes.

—Maar ik wil die schuld niet langer hebben ...

Zij voelde, dat hij een beetje boos was, maar zij was in geen stemming om over geldzaken te praten, en een zalige loomte doorvloeide haar aan zijn borst....

Ben je boos, Duco?

—Neen ... maar je hadt het niet moeten doen....

Hij nam haar vaster tegen zich aan, om haar te laten voelen, dat hij niet op haar brommen wilde, al vond hij, dat zij verkeerd had gehandeld. Zij vond, dat zij goed had gehandeld om hem niet te spreken over de duizend lire, maar zij verdedigde zich niet. Het zouden nuttelooze woorden zijn en zij voelde zich te tevreden, om over geld te praten.

—Cornélie, zeide hij; laten wij trouwen....

Zij zag hem aan, verschrikt, opgeschrikt uit hare zaligheid.

—Waarom?

—Niet om onszelven. Wij zijn even gelukkig, niet getrouwd. Maar om de wereld, de menschen.

—Om de wereld, de menschen?

—Ja; wij zullen ons hoe langer hoe meer geizoleerd gaan voelen. Ik heb er wel eens met Urania over gesproken. Zij had er veel verdriet over, maar zij tolereerde ons.... Zij vond het een onmogelijke verhouding. Zij heeft misschien gelijk. Wij kunnen nergens komen. Op San Stefano deed men nog of men niet wist, dat wij samen woonden. Dat is nu uit....

—Wat kan je schelen de opinie van "kleine onverschillige menschen, die bij toeval je pad kruisen", zooals je zegt....

—Dat is nu niet meer zoo: aan den prins zijn wij geld schuldig en Urania is de eenige vriendin, die je hebt....

—Ik heb jou: ik heb niemand noodig.

Hij kuste haar.

—Heusch, Cornélie, het is beter, dat wij trouwen. Dan zal niemand je meer beleedigen kunnen als de prins je heeft durven doen.

—Hij heeft bekrompen ideeën: hoe kan je willen trouwen om wereld en menschen als San Stefano en den prins.

—De geheele wereld is zoo en wij zijn in de wereld. Wij leven te midden van andere menschen. Het is onmogelijk zich geheel te izoleeren en izolement straft zichzelve later. Wij moeten ons aansluiten bij andere menschen: het is onmogelijk altijd op je eigen te bestaan, zonder eenig gemeenschapsgevoel.

—Duco, ik herken je niet meer: het zijn zulke maatschappelijke ideeën.

—Ik heb meer nagedacht in den laatsten tijd.

—Ik verleer juist na te denken.... Mijn lieveling, wat ben je ernstig van morgen. En dat terwijl ik zoo heerlijk tegen je aanlig, om uit te rusten van al die emotie, en die warme reis.

—Heusch Cornélie, laten wij trouwen....

Zij schuurde een weinig nerveus tegen hem aan, ontevreden, dat hij doorging en met geweld haar zalige stemming vernielde....

—Je bent een akelige jongen. Waarom moeten wij trouwen. Het zoû niets aan onzen toestand veranderen. Wij zouden ons toch niet met andere menschen bemoeien. Wij leven zoo heerlijk hier, in je kunst. Wij hebben niets anders noodig dan elkaâr, en je kunst en Rome. Ik hoû nu zoo veel van Rome: ik ben heelemaal veranderd. Er is hier iets wat mij telkens weêr aantrekt. Op San Stefano had ik heimwee naar Rome en ons atelier. Je moet weêr een ander motief zoeken—om aan het werk te gaan. Als je niets doet, dan denk je na ... in een maatschappelijke richting ... en dat is niets voor jou. Ik herken je zoo niet. En zoo klein maatschappelijk nog. Om te trouwen! In Godsnaam waarom, Duco? Je kent mijn ideeën over het huwelijk. Ik heb mijn ondervinding: het is beter van niet....

Zij was opgestaan en werktuigelijk zocht zij in een portefeuille tusschen half-affe schetsen.

—Je, ondervinding ... herhaalde hij. Wij kennen elkaâr te goed om voor iets bang te zijn.

Zij trok de schetsen uit de portefeuile: het waren de ideeën, die bij hem opgeschoten waren en die hij had aangeteekend, terwijl hij werkte aan de Banieren. Zij zag ze na en strooide ze uit.

—Bang te zijn? herhaalde zij vaag. Neen, hernam zij plotseling vaster. Een mensch kent zich en een ander nooit. Ik ken je niet, ik ken mijzelf niet.

Iets waarschuwde haar in het diepst van zich: trouw niet, geef hem niet toe. Het is beter van niet, het is beter van niet.... Het was nauwlijks een fluisterende zweeming van waarschuwend voorgevoel, het was onuitgedacht, onbewust en zielediep geheimzinnig. Want zij was het zich niet bewust, zij dacht het niet, zij hoorde het nauwlijks in zich. Het ging door haar heen en het was geen gevoel en het liet alleen achter een tegenwerkende onwil in haar, zeer duidelijk.... Pas jaren later zoû zij dien onwil begrijpen....

—Neen Duco, het is beter van niet....

—Denk er nu eens over na, Cornélie.

—Het is beter van niet, herhaalde zij star. Toe, laat ons er niet meer over spreken. Het is beter van niet, maar ik vind het zoo akelig het je te weigeren, omdat jij het verlangt. Ik weiger je anders nooit iets. Ik zoû anders alles voor je willen doen. Maar dit voel ik zoo: het ... is beter ... van niet!

Zij kwam als eéne liefkoozing naar hem toe en omhelsde hem.

—Vraag het mij niet meer. Wat een wolk op je gezicht! Ik zie, dat je er nog altijd over denken zult.

Zij streelde over zijn voorhoofd als om zijn rimpels weg te vegen.

—Denk er niet meer over na. Ik hoû van je, ik hoû van je! Ik wil niets anders dan jou.... Ik ben gelukkig, zooals wij zijn. Waarom jij ook niet? Omdat Gilio grof is geweest en Urania "prim?" Kom je schetsen eens bezien. Ga je gauw aan het werk? Ik vind het heerlijk als je werkt. Dan ga ik weêr wat schrijven: een causerie over een oud Italiaansch kasteel. Mijn souvenirs van San Stefano. Misschien wel een novelle en de pergola als achtergrond. O, die mooie pergola.... Maar gisteren, dat mes! Zeg Duco, ga je weêr werken? Laten wij samen eens zien. Wat had je toen veel ideeën! Maar word niet te symbolistisch: ik meen, krijg niet die trucs, die repetities van je eigen.... Die vrouw hier, die is wel mooi.... Ze loopt zoo in onbewust-zijn die hellende lijn af en die duwende handen om haar heen, en die roode bloemen in den afgrond.... Zeg Duco, wat meende je er meê?

—Ik weet niet: het was mezelf niet heel duidelijk....

—Ik vind het wel mooi, maar ik hoû niet van die schets. Ik weet niet waarom. Ik vind er iets akeligs in. Ik vind die vrouw dom. Ik hoû niet van die hellende lijnen: ik hoû van opgaande lijnen, als in de Banieren. Dat vloeide alles uit den nacht naar boven, naar de zon! Wat was dat mooi! Hoe jammer, dat wij het nu niet meer hebben, dat het verkocht wordt. Als ik schilder was, zoû ik nooit wat kunnen verkoopen. Ik zal de schetsen ervan bewaren, als souvenir. Vindt je het niet vreeslijk, dat wij het niet meer hebben...?

Hij beaamde het: hij miste ook zijn Banieren: hij had ze lief. En hij zocht met haar tusschen de andere studiën en schetsen. Maar behalve de onbewuste vrouw was er niets onder, dat hem duidelijk genoeg was, om uit te werken. En Cornélie wilde niet, dat hij de onbewuste vrouw afmaakte: neen, ze hield niet van die hellende lijnen.... Maar toen vond hij nog schetsen van landschapsstudiën, van wolken en luchten, over de Campagna, Venetië en Napels.

En hij zette zich aan het werk.

XLII.

Zij waren heel zuinig, zij hadden eenig geld en de maanden droomden voorbij, in den blakenden zomer van Rome. Zij leefden hun vereenzaamd geluksleven voort, zonder iemand anders te zien dan Urania, die een enkelen keer in Rome kwam, hen opzocht, bij hen déjeuneerde in het atelier en 's avonds weêr vertrok. Toen schreef Urania hen, dat Gilio het niet meer uithield te San Stefano, en dat zij op reis gingen, eerst naar Zwitserland, later naar Ostende. Zij kwam nog eenmaal om afscheid te nemen, en toen zagen zij niemand meer.

Vroeger had Duco nog wel eens gekend een enkelen artist, een schilder-landgenoot in Rome: nu kende hij niemand meer, nu zag hij niemand. En hun leven in het koele atelier was als een eenzaam oaze-bestaan te midden van de zonwoestijn van Rome, in Augustus. Zij gingen niet de bergen in, naar een koelere plaats, voor de zuinigheid. Zij gaven niet meer uit dan het allerhoogst noodzakelijke en hunne bohême-armoede was toch geluk in hun decor van tryptiek- en kazuifelkleuren.

Het geld echter bleef schaarsch. Duce verkocht eens een enkele aquarel, maar soms moesten zij wel eens hun toevlucht nemen tot het verkoopen van een bibelot. En het ging Duco altijd zeer aan het hart te scheiden van iets, dat hij verzameld had. Zij hadden weinig behoeften, maar soms moest de huur van het atelier worden betaald. Cornélie schreef soms een brief, een schets, en kocht ervan wat zij noodig had voor haar toilet. Zij had een zekeren chic van dragen, een talent er elegant uit te zien in een oude versleten blouse. Zij was coquet op haar haar, op haar huid, op haar tanden, op haar nagels. Met een nieuwe voile droeg zij een ouden hoed; met een oude wandeljapon, een paar frissche handschoenen, en zij droeg alles met coquetterie. Thuis, in haar rozen peignoir, die geen kleur meer had, had zij een lijn van zoo groote bevalligheid, dat Duco haar telkens schetste. Zij gingen bijna nooit meer naar een restauratie. Cornélie kookte thuis wat, verzon gemakkelijke recepten, haalde een fiasco wijn in de eerste de beste "Olio e vino" waar de koetsiers aan tafeltjes zaten te drinken, en zij aten thuis lekkerder en goedkooper dan in de osteria. En Duco, nu hij niet meer kocht bij de antiquaires aan den Tiber, gaf niets uit. Maar het geld bleef schaarsch. Toen zij eens een zilveren crucifix hadden verkocht, voor veel te weinig geld, was Cornélie zoo ontmoedigd, dat zij snikte aan Duco's borst. Hij troostte haar, streelde heur haar en verklaarde, dat hij niet veel om het crucifix gaf. Maar zij wist, dat het crucifix een heel mooi werk was van een onbekende uit de zestiende eeuw, en dat hij er veel leed van had het niet meer te bezitten. En ernstig zeide zij hem, dat het zoo niet langer kon gaan, dat zij hem, niet tot lastpost kon wezen, en dat zij maar scheiden moesten: dat zij iets zoeken zoû, naar Holland terug zoû gaan.... Hij schrikte van haar wanhoop, en zei, dat het niet hoefde, dat hij wel voor haar zorgen kon, als voor zijn vrouw, maar dat hij nu eenmaal zoo een onpractische jongen was, die niets anders kon dan een beetje kladderen, en niet eens genoeg om er van te leven. Maar zij zeide, dat hij zoo niet spreken mocht, dat hij een groot artist was, die niet had een geldmakende, gemakkelijke vruchtbaarheid, maar daarom des te hooger stond. Zij zeide, dat zij niet van zijn geld wilde leven, dat zij voor zichzelve wilde zorgen. En zij verzamelde de verwaaide resten van hare feministische ideeën. Nog eens vroeg hij haar toe te staan in een huwelijk: zij zouden zich verzoenen met zijn moeder en mevrouw Van der Staal zoû hem weêr geven wat zij hem vroeger gaf, toen hij nog met zijn moeder bij Belloni woonde. Maar zij wilde ten eerste van geen huwelijk weten en ten tweede van geen onderstand van zijn moeder, evenmin als hij geld van Urania wilde. Hoe dikwijls had Urania hun niet haar hulp geboden! Hij had nooit gewild: hij was zelfs boos geweest, toen Urania een blouse aan Cornélie had gegeven, en zij die met een zoen had aangenomen. Neen, het ging niet langer: zij moesten maar scheiden: zij zoû naar Holland terug, iets zoeken. Het was gemakkelijker in Holland dan in den vreemde.... Maar hij was zoo wanhopig, om hun geluk, dat wankelde voor zijn oogen, dat hij haar vasthield aan zijn borst, en ook zij snikte, de armen om zijn hals. Waarom scheiden? vroeg hij. Zij zouden sterker te zamen zijn. Hij kon niet meer buiten haar, zijn leven zoû zonder haar geen leven zijn. Hij leefde vroeger in zijn droom, hij leefde nu in de werkelijkheid van hun geluk.

En het bleef er bij: zij konden niets veranderen, zij leefden zoo gierig mogelijk, om bij elkaâr te blijven. Hij werkte zijn landschappen af, die hij altijd verkocht, maar hij verkocht ze dadelijk, voor veel te weinig geld, om maar niet behoeven te wachten. Maar toen dreigde weêr het gebrek en zij dacht er over naar Holland te schrijven. Juist echter ontving zij een brief van hare moeder, daarna een brief van eene harer zusters. En zij vroegen haar in die brieven of het waar was, wat men vertelde in Den Haag, dat zij leefde met Van der Staal. Zij had zich altijd zoover beschouwd van Den Haag en de Haagsche menschen, dat zij er nooit over had gedacht, dat haar leven bekend kon worden. Zij sprak zoo niemand, zij kende zoo niemand met Hollandsche relaties.... Hoe dan ook, hare onafhankelijkheid was nu bekend. En zij beantwoordde die brieven in een feministischen toon: zeide hare antipathie tegen het huwelijk, bekende, dat zij leefde met Van der Staal. Zij schreef koel en zakelijk, om in Den Haag indruk te maken als vrije vrouw. Men kende er natuurlijk hare brochure. Maar zij begreep, dat zij nu aan Holland niet meer kon denken. Ze schreef hare familie af. Het scheurde toch nog iets in haar, het onbewuste van familieband. Maar de band was reeds zoo los, door te weinig sympathie, vooral in de dagen van haar scheiding. En zij voelde zich geheel alleen: zij had alleen haar geluk, hare liefde, Duco. O, het was genoeg, het was genoeg voor heel haar leven. Als zij alleen maar geld verdienen kon! Maar hoe? Zij ging naar den Hollandschen consul: zij vroeg hem raad: het gaf niets. Voor liefdezuster was zij ongeschikt: zij wilde dadelijk verdienen en studeeren kon zij niet. In een winkel staan, dat kon zij. En zij bood zich aan, zonder Duco er iets van te zeggen, maar niettegenstaande haar versleten manteltje, vond men haar overal te veel dame, en vond zij het salaris te weinig voor een heelen dag arbeid. En toen zij voelde, dat zij het niet in haar bloed had te werken voor haar brood, trots al hare ideeën, al hare logiek, trots hare brochure en haar vrije-vrouwschap, voelde zij zich radeloos tot wanhoop toe, en terwijl zij naar huis ging, moê, afgebeuld door trappenklimmen en nuttelooze gesprekken van sollicitatie, kwam de oude klacht op hare lippen:

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings