DERDE BEDRIJF.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
EERSTE TOONEEL.
Bolingbroke’s legerplaats bij Bristol.
Bollingbroke, York, Northumberland, Percy, Willoughby, Ross komen op, gevolgd door Dienaren, met Bushy en Green als gevangenen.
Bolingbroke.
Brengt nu die mannen voor.—Bushy en Green,
Ik wil hier uwe zielen, die terstond
Van ’t lichaam moeten scheiden, niet meer plagen
Door ’t gispen van uw snood en zondig leven,
Want dit ware onbarmhartig. Doch ik wil,
Om van uw dood mijn handen schoon te wasschen,
Voor ’t oor der mannen hier het een en ander,
Van wat uw dood veroorzaakt heeft, ontvouwen.
Een edel koning werd door u verleid,
Een vorst, door bloed en trekken rijk begaafd,
Door u verarmd, onkenbaar zelfs gemaakt.
Gij hebt, als ’t ware, door uw zondige uren
De koningin van haar gemaal gescheiden,
’t Bezit van ’t vorstlijk huwlijksbed verstoord,
Het schoon gelaat van een vorstin bezoedeld
Met tranen, haar door uw vergrijp ontperst. 15
Ikzelf,—een prins door ’t recht van mijn geboorte,
Den koning na in ’t bloed, nabij door liefde,
Eer hij door uw bedrijf mij heeft miskend,—
Ik boog mijn nek voor uwe krenking, zuchtte
Mijn Engelsche’ adem uit naar vreemde wolken,
En at het bitter brood der ballingschap;
Ik,—tijdens gij gebrast hebt van mijn leenen,
Mijn parken hebt ontparkt, mijn hout geveld,
Mijn wapens uit de vensters hebt gereten,
Mijn kenspreuk uitgewischt, geen teeken latend,—
Dan menschenheug’nis en mijn levend bloed,—
Dat mij den lande als edelman doet kennen.
Dit, en veel meer, veel meer dan tweemaal dit,
Veroordeelt u ter dood. Men stell’ hen dus
Terecht, en geev’ hen in de hand des doods.
Bushy.
De slag, die ’t leven endt, is meer mij welkom,
Dan Bolingbroke aan England.—Lords, vaartwel!
Green.
Mijn troost is, dat de hemel ons ontvangen,
En onrecht straffen zal met hellepijn. 34
Bolingbroke.
Mylord Northumberland, geleid hen weg.
(Northumberland en anderen met Bushy en Green af.)
De koningin, oom, zegt gij, is ten uwent;
Om ’s hemels wil, zij worde goed bejegend;
Zeg haar, dat zij op mij als vriend steeds reken’,
En zorg vooral, dat haar mijn groet geword’.
York.
Ik zond haar, door een edelman, een brief,
Die haar uitvoerig van uw vriendschap meldt.
Bolingbroke.
Dank, waardige oom.—Komt, heeren, op! met lust
Nog Glendower bestreden en zijn aanhang;
Een korte wijl aan ’t werk,—en dan volgt rust.
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
De kust van Wales. In de verte een kasteel.
Trommen en trompetten. Koning Richard, de Bisschop van Carlisle, Aumerle en Soldaten komen op.
Koning Richard.
Barkloughly-slot noemt gij den burg daar ginds?
Aumerle.
Ja, heer. Hoe vindt uw hoogheid hier de lucht
Na dat gewiegel op de holle zee?
Koning Richard.
Zij moet mij goed zijn; o, ik ween van vreugd,
Nu ik mijn koninkrijk eens weer betreed.
Geliefde grond, ik groet u met de hand,
Ofschoon rebellen-rossen u verwonden;
Gelijk een moeder, die haar kind in lange
Niet zag, bij ’t weerzien speelt met tranenlachjes,
Zoo, weenend-lachend, groet ik u, mijn bodem,
En wuif u met mijn koningshanden toe.
Voed, dierbaar land, uws vorsten vijand niet,
En laaf zijn roofzucht niet met uwe zoetheid;
Maar dat uw spinnen, van vergif gezwollen,
En trage padden op zijn weg zich leeg’ren,
Om zijn verraders-voeten leed te doen,
Die u met driest begeer’gen stap vertreden.
Breng voor mijn haters scherpe netels voort;
En, plukken zij van uwe borst een bloempje,
Dat dan een loerende adder het bewaak’, 20
Die, met zijn dubb’le tong moorddadig stekend,
Dood op uws vorsten tegenstrevers slinger’!
Lach niet, dat ik bezweer, wat reedloos is;
Want, lords, deze aarde zal gevoel erlangen,
Haar steenen zullen sterke krijgers worden,
Eer haar geboren vorst ooit struik’len zal
Voor ’t wapenklett’ren van een snooden opstand.
Bisschop van Carlisle.
Ducht niets, mijn vorst; Die u ten troon verhief,
Heeft macht uw troon te hoeden, tegen allen.
Doch grijp de midd’len, die de hemel schenkt;
Verzuim die niet; want, zoo de hemel wil,
En wij niet willen, weig’ren wij zijn bijstand,
Des hemels aangeboden hulp en heil.
Aumerle.
Hij meent, mijn vorst, dat wij nalatig zijn,
Wijl Bolingbroke, indien wij zorgloos rusten,
Sterk wordt en groot in vrienden en in macht.
Koning Richard.
O moedelooze neef! ik zeg u dit:
Als achter de’ aardbol zich het spiedend oog
Des hemels bergt en de onderaard beschijnt,
Dan sluipen dieven, roovers, ongezien,
In moord en euveldaad hier bloedig rond;
Doch als dat oog, van onder de aard zich heffend,
Der oosterdennen trotschen top doet gloeien,
Zijn licht doet schijnen door elk schuldig hol,
Dan wordt aan moord, verraad en vloekbre zonden
Des duisters mantel van den rug gescheurd;
Dan staan zij naakt en sidd’ren voor zichzelf.
Zoo zal die dief, die muiter Bolingbroke,—
Die heel de nacht nu heeft gerinkelrooid,
Terwijl wij onder de antipoden toefden,
Ons weêr zien stijgen op den troon in ’t oosten;
Dan zal ’t verraad gaan blozen op zijn voorhoofd,
En, niet in staat het daglicht te verdragen,
Zichzelve schuwend, sidd’ren om zijn schuld.
Niet al het water van de wilde zeeën
Wascht de olie weg van een gezalfden vorst;
Niet de ademtocht van stervelingen zet
Gods uitverkoren plaatsvervanger af; 57
Voor elken man, door Bolingbroke geprest,
Die onze gouden kroon met staal bedreigt,
Heeft God in hemelsche soldij voor Richard
Een engel;—en, met englen in gevecht,
Bezwijkt de mensch; de hemel schut het recht.
(Salisbury komt op.)
Welkom, mylord! hoe ver ligt uwe macht?
Salisbury.
Niet naderbij, noch verder af, mijn vorst,
Dan deze machtlooze arm. Ontroostbaarheid
Bestuurt mijn tong en slechts van wanhoop spreekt zij.
Één dag te laat, mijn eed’le vorst, dit vrees ik,
Heeft al uw blijde dagen overwolkt.
O, roep den tijd terug, roep ’t gistren weêr,
En dan hebt gij tienduizend weerbre mannen;
Deez’ dag, één dag, rampzaal’ge dag te laat
Ontrooft u vreugde, vrienden, heil, uw staat;
De Wallisers zijn allen, op ’t gerucht
Uws doods, naar Bolingbroke,—verstrooid—gevlucht.
Aumerle.
Houd moed, mijn vorst, waarom ziet gij zoo bleek?
Koning Richard.
Zoo even triumfeerde in mijn wangen
Het bloed van duizenden,—die macht ontvlood;
Heb ik, tot ze al dit bloed terug erlangen,
Geen grond om bleek te zien, gelijk de dood?
Wie wijs is, vliedt mij, wijl een rampuur thans
Zijn merk gezet heeft op mijn trotschen glans.
Aumerle.
Schep moed, mijn heer en vorst, denk wie gij zijt!
Koning Richard.
’k Vergat mijzelf daar, ja. Ben ik niet koning?
Ontwaak, gij trage majesteit! gij slaapt;
Des konings naam is veertigduizend namen.
Op, op, mijn naam! een nietig onderdaan
Wil uwe grootheid vellen.—Blikt niet neder,
Gij vorsten-gunstelingen! Staan wij niet hoog?
Hoog zij ook onze moed! Oom York, dit weet ik,
Heeft macht genoeg tot redding.—Wie komt daar?
(Scroop komt op.)
Scroop.
Meer heil en zegen vall’ mijn vorst te beurt,
Dan hem mijn tong, door zorg gestemd, kan melden.
Koning Richard.
Mijn oor is open, voorbereid mijn hart;
Wereldsch verlies is ’t ergst, wat gij kunt melden.
Spreek, is mijn rijk verloren? ’t Was mijn zorg;
Van zorg bevrijd te zijn, is dit verlies?
Tracht Bolingbroke zoo groot te zijn als wij?
Hij moet niet grooter zijn; en, dient hij God,
Dit doe ik ook, en sta met hem gelijk.
Staan de onderdanen op, wij moeten ’t dulden;
Zij breken God hun woord, zoowel als ons.
Roep wee, verlies, vernieling, val en nood;
De dood is ’t ergst, en komen moet de dood.
Scroop.
’t Verheugt mij, dat mijn vorst gewapend is, 104
Om tijdingen van onheil te vernemen.
Gelijk een booze dag, die zilvren stroomen
Onstuimig over de oevers bruisen doet,
Als waar’ de wereld opgelost in tranen,
Zoo rijst ver boven iedren dam de woede
Van Bolingbroke, die ’t bange land bedekt
Met hard, blank staal en nog veel harder harten.
Grijswaarden waap’nen tegen uwen troon
Den kalen schedel, vrouwenstemm’ge knapen
Beproeven grof te spreken en bedekken
Hun teêre meisjesleden met een stijve,
Plomplogge rusting tegen uwe kroon;
Zelfs uw bedeelden leeren bogen spannen
Van giftig, dubbelmoordend taxishout;
Ja, spinrokwijven drillen oude pieken
Op uwen troon; ’t woelt alles, jong en oud,
En erger is ’t, dan ooit mijn tong ontvouwt.
Koning Richard.
Te goed, te goed, meldt gij zoo booze dingen,
Waar is de graaf van Wiltshire, waar is Bagot?
Wat is van Bushy, wat van Green geworden,
Dat zij den fellen vijand ongemoeid
De perken van ons rijk doorkruisen lieten?
Verwinnen wij, dan zal hun hoofd het boeten.
Zij sloten vrede, wis! met Bolingbroke.
Scroop.
In vrede zijn zij met hem, ja, mijn vorst.
Koning Richard.
O schurken, adders, reddingloos verdoemd!
Die honden, vaardig kwisplend voor een elk!
Die slangen, ’t hart, dat hen verwarmde, stekend!
Drie Judassen, elk driemaal Judas waard!
Zij sloten vrede? voer’ de schrik der hel
Tot loon met hun bevlekte zielen krijg!
Scroop.
Als zoete vriendschap eens van aard verandert,
Dan, zie ik, wordt zij doodlijk bittre haat.
Neem uwen vloek terug; den vrede sloot
Hun hoofd, niet hunne hand; zij, die gij vloekt,
Gevoelden de’ ergsten slag, die ’t leven wondt,
En liggen diep bedolven in den grond.
Aumerle.
Zijn Bushy, Green, de graaf van Wiltshire dood?
Scroop.
In Bristol, ja, verloren ze allen ’t hoofd.
Aumerle.
Waar is mijn vader York dan met zijn macht?
Koning Richard.
Wààr ook, het helpt niet. Niemand spreek’ van troost. 144
Laat ons van graven spreken, wormen, grafschrift,
Stof nemen voor papier, en kommer schrijven
Met stroomende oogen op de borst der aard;
Van testamenten spreken, alles reeglen,
Uitvoerders kiezen,—neen, toch niet,—waartoe?
Wat kunnen wij vermaken, dan ons lichaam,
Dat afgezet, onttroond is, aan den grond?
Land, leven alles is van Bolingbroke;
Niets noemen wij meer ’t onze dan den dood,
En dit klein proefje van onvruchtbare aarde,
Dat om ’t gebeent gekneed is en het dekt.
Om Gods wil, laat ons op den grond gaan zitten,
Voor sombre praatjes van den dood van vorsten,—
Hoe deze in de’ oorlog viel; hoe die onttroond werd;
Die door den geest vervolgd, dien hij onttroonde;
In bed gesmoord; vergiftigd door zijn vrouw;
Allen vermoord;—want in de holle kroon,
Die om het sterflijk hoofd eens konings prijkt,
Daar houdt de dood zijn hof; daar zit de schalk,
Lacht om den troon en grinnikt om zijn praal,—
Laat hem een ademtocht, een kort bedrijf,
Monarch, gevreesd zijn, met zijn blikken dooden;
Doordringt hem gansch van ijdlen eigenwaan,—
Als waar’ dit vleesch, dat onze ziel omschanst,
Van onverganklijk brons,—hij speelt met hem,
Maar komt in ’t eind en boort met kleine naald
Zijn burgwal door, en—goede nacht dan, koning!
Bedekt uw hoofd, drijft niet door huldebrenging
Den spot met vleesch en bloed; verzaakt den eerbied,
Gebruik en vorm en statig plichtbetoon;
Gij hebt u altijd door in mij vergist;
Als gij, leef ik van brood; heb dorst, proef leed,
Zoek vrienden;—zooveel malen onderdaan,
Hoe kunt gij zeggen, dat ik koning ben?
Bisschop van Carlisle.
Geen wijze, heer, klaagt om het leed van heden,
Hij werkt op heden ’t leed van morgen tegen.
Vrees voor uw vijand geeft, wijl vrees verzwakt,
Van uwe kracht den vijand meerdre kracht;
En zoo bestrijdt uw dwaasheid steeds uzelf.
Brengt vrees den dood, het strijden brengt niets ergers;
Wie strijdend sterft, wint roem en doodt den dood;
Wie vreezend sterft, is slaaf van dood en nood.
Aumerle.
Zorg, dat mijn vader met zijn manschap naakt;
Zie dan, dat ge uit een lid een lichaam maakt.
Koning Richard.
’k Verdien dit;—trotsche Bolingbroke, één dag
Van bloed besliss’ voor uw of mijn gezag.
De koorts van vrees is af, die ’t hand’len stoort;
Licht te herwinnen is ’t, wat ons behoort.
Zeg, Scroop, waar ligt onze oom nu met zijn macht? 192
Spreek helder, man, al is uw blik omnacht.
Scroop.
We erkennen aan des hemels kleur en schijn
Het weder en de toekomst van den dag;
Zoo moog’ mijn somber oog u teeken zijn,
Dat ik slechts erger nieuws u brengen mag.
Ik speel voor folt’raar, wijl ik langzaam aan
Het ergste rek, wat toch gezegd moet worden:—
Uw oom van York is reeds bij Bolingbroke,
Uw burgen in het noorden in zijn macht;
In ’t zuiden staat heel de adel in de waap’nen,
Aan zijnen kant.
Koning Richard.
Gij hebt genoeg gezegd.—
Wee u, gij neef! die van mijn zoeten weg
Naar wanhoop mij teruggeroepen hebt!
Wat zegt gij nu? Wat blijft mij nu tot troost?
Bij God, ik haat den man met eeuw’gen haat,
Die mij nog eenmaal rept van hoop en troost.
Ik ga naar Flintburg, waar ik mij begraaf;
Bij Koning Leed zij daar een koning slaaf.
Ontslaat mijn volk; en elk beploege ’t land,
Waar hoop op oogst is, als hij zaait en plant;
Bij mij geen hoop meer.—Niemand spreek’, niets baat;
Besloten is ’t, en ijdel elke raad.
Aumerle.
Mijn vorst, één woord!
Koning Richard.
Neen;—dubbel krenkt hij mij,
Die mij te wonden tracht door vleierij.
Ontslaat mijn volk; elk vliede, die ’t vermag,
Uit Richards nacht naar Hereford’s heldren dag.
(Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Wales. Een vlakte voor Flintburg.
Bolingbroke en troepen, met trommen en vaandels, York, Northumberland en Anderen komen op.
Bolingbroke.
Dus zijn,—zoo blijkt het ons uit dit bericht,—
De Wallisers verstrooid, en Salisbury
Ging naar den koning, die op deze kust
Met enkle trouwe volgers is geland.
Northumberland.
De tijding is gewenscht en goed, mijn prins;
Richard houdt hier nabij het hoofd verborgen.
York.
Het paste lord Northumberland toch wel
Te zeggen: koning Richard.—Welk een tijd,
Dat een gezalfde koning ’t hoofd moet bergen!
Northumberland.
Misduid dit niet, mylord; om kort te zijn
Liet ik den titel weg.
York.
Liet ik den titel weg. Er was een tijd,
Dat, hadt gij hem verkort, hij korte metten
Met u gemaakt had; hij had u verkort,
Om kort te zijn, de hoogte van uw hoofd.
Bolingbroke.
Neem toch niet kwalijk, oom, wat gij niet moet. 14
York.
Neem gij niet, waarde neef, wat gij niet moogt,
Of gij neemt kwalijk, en de Hemel ziet het.
Bolingbroke.
Ik weet het, oom, en tegen Zijnen wil
Verzet ik mij geenszins.—Doch wie komt daar?
(Percy komt op.)
Wees welkom, Hendrik.—Geeft de burg zich over?
Percy.
De burg is koninklijk bemand, mijn prins;
De toegang blijft gesloten.
Bolingbroke.
De toegang blijft gesloten. Koninklijk?
Wat! hij omsluit een koning?
Percy.
Wat! hij omsluit een koning? Ja, mylord;
Ja, hij omsluit een koning; koning Richard
Is binnen de’ omvang van die kalk en steen;
En met hem zijn Aumerle, Salisbury,
Sir Stephen Scroop, alsmede een hooge kerkvoogd;
Doch wie, dit kon ik niet te weten komen.
Northumberland.
O, zeker is ’t de bisschop van Carlisle.
Bolingbroke.
(Tot Northumberland.) Mijn waarde lord,
Ga naar de ribben van dien ouden burg,
En zend door een trompet een vredesadem
Tot zijn vervallen ooren.
Breng dit hem over: Hendrik Bolingbroke
Kust koning Richards hand op beide knieën,
En brengt zijn leenplicht en zijn echte trouw
Zijn koninklijken heer, hierheen gekomen,
Om voor diens voeten zwaard en macht te leggen,
Zoo hij zijn ballingschap herroept, volkomen
Teruggave aller goed’ren mij verleent;
Zoo niet, dan bezig ik mijn overmacht,
Leg ’t zomerstof met regens vast van bloed,
Aan Engelschen ontstroomd, die ’t leven lieten.
Hoe ver dit is van Bolingbroke’s gemoed,
Dat zulk een vloed den frisschen, groenen schoot
Van koning Richards land zou overpurp’ren,
Mijn hulde toone ’t, op de knie gebracht.
Ga, breng dit over; ondertusschen trekken
Wij op het grastapijt van deze vlakte,
(Northumberland begeeft zich met een Trompetter naar het slot.)
Trekt op, maar zonder dreigend tromgeraas,
Opdat men op des burgs verweerde tinnen
Den zachten voorslag, dien wij doen, versta.
Mij dunkt, wij moesten, Richard en ikzelf,
Met niet gering’ren schrik elkaar ontmoeten,
Dan vuur en water, als hun donderschok
’t Bewolkt gelaat des hemels openscheurt.
Zij hij het vuur en ik het buigzaam water;
De woede zij aan hem, terwijl mijn regen 59
Op de aarde stroom’,—op de aarde, niet op hem.
Voorwaarts; merkt op, hoe koning Richard blikt.
(De Trompetter blaast, om een mondgesprek te verzoeken; een trompet van den burg beantwoordt het sein. Op den muur verschijnen: Koning Richard, de Bisschop van Carlisle, Aumerle, Salisbury en Scroop.)
Ziet, ziet daar, koning Richard zelf verschijnt,
Zooals de blakende en verstoorde zon
Vooruittreedt uit de vuur’ge poort van ’t oosten,
Als hij bespeurt, dat booze wolken streven
Zijn glorie te verduistren, ’t lichte pad,
Waarlangs hij naar het westen schrijdt, te vlekken.
York.
Toch blikt hij als een koning; ziet, zijn oog,
Eens aadlaars oog in schitt’ring, straalt gezag
En grootheid uit. Ach, ach, zoo eenig leed
Een majesteit, zoo schoon, verduist’ren deed!
Koning Richard
(tot Northumberland). Wij zijn verbaasd, en wachten hier reeds lang
Op de eerbiedvolle buiging van uw knie.
Wij hielden ons voor uwen heer en koning;
En zijn wij dit, hoe kan dan uw gewricht
De ontzagbetooning, ons verplicht, vergeten?
Zijn wij het niet, toon ons de hand van God,
Die ons ontsloeg van onze waardigheid;
Want, inderdaad, geen hand van vleesch en been
Kan onzes scepters heil’ge greep omspannen,
Indien zij niet ontwijdt of steelt of rooft.
En schoon gij waant, dat allen, zooals gij,
Hun zielen van mij scheurden en verdierven
En wij ontbloot staan, zonder een’gen vriend,—
Zoo weet, mijn meester, God almachtig, brengt
Voor ons in zijne wolken scharen samen
Van pestilentie; treffen zullen ze u
In uw nog ongeboren kind’ren, u,
Die tegen mij vazallenhanden opheft,
En de’ eed’len glans van mijne kroon bedreigt.
Zeg Bolingbroke,—want ginder staat hij, meen ik,—
Dat iedre voetstap van hem op mijn land
Strafbaar verraad is. Oop’nen wil hij hier
Het bloedig purpren testament des oorlogs;
Doch eer de kroon, waar hij naar streeft, in vrede
Zijn slapen siert, ontsieren tienmaal duizend
Bebloede slapen van geliefde zoons
Het bloemrijk moederaangezicht van England,
Verandren ’t meisjesbleek van haren vrede
In vurig roode gramschap en bedauwen
Der weiden gras met trouw, echt Engelsch bloed.
Northumberland.
Verhoede God de Heer, dat onze heer
Door burgerwapens zoo onburgerlijk 102
Bestormd zou worden. Hendrik Bolingbroke,
Uw eed’le neef, kust need’rig u de hand,
En zweert u bij de eerwaarde tombe, die
’t Gebeente dekt uws koninklijken stamheers,
Den vorstenadel van u beider bloed,
Ontstroomd aan ééne hoog te roemen bron,
Bij de begraven hand des dapp’ren Gents,
En bij zijn eigen eer en ridderdeugd,—
Wat iedren eed en elk gezegde omvat,—
Zijn komst alhier beoogt geen ander doel,
Dan ’t vragen van zijn rechten, en het knielend
Afsmeeken van onmidlijke herstelling.
Wordt dit door uwe hoogheid toegestaan,
Dan geeft hij ’t blanke staal aan roest nu prijs,
Verwijst zijn strijdros naar den stal, en wijdt
Zijn hart den trouwen dienst des konings toe.
Dat dit zoo is, bezweert hij hier, als prins;
En ik betuig dit mede, als edelman.
Koning Richard.
Northumberland, bericht: dit zegt de koning:
Zijn eed’le neef is hartlijk welkom hier;
En al zijn billijke eischen worden gaarne
Hem ingewilligd zonder tegenspraak.
Breng, zooals gij dit vleiend uiten kunt,
Aan zijn welwillend oor mijn beste groeten.
(Northumberland keert naar Bolingbroke terug.)
(Tot Aumerle.) Niet waar, neef, wij verneed’ren ons, niet waar,
Door zoo bedeesd te zien, zoo lief te spreken?
Waar’ ’t goed, Northumberland terug te roepen,
’t Verraad ten strijd te dagen, zoo te sterven?
Aumerle.
Neen, strijd met zachte woorden, tot de tijd
U vrienden schenk’, met zwaarden, u gewijd.
Koning Richard.
O God, o God, dat ooit mijn tong, die eerst
Dien trotsaard met den vloek der ballingschap
Belaadde, ’t vonnis weer herroepen moet,
Aldus, met vleitaal! O, ware ik zoo groot
Als nu mijn smart, of kleiner dan mijn naam;
Of dat ik kon vergeten, wat ik was,
Of niet begrijpen, wat ik nu moet zijn!
Zwelt gij, trotsch hart? klop vrij, met felle slagen!
Ons treffen ’s vijands slagen, u en mij.
Aumerle.
Daar komt Northumberland van Bolingbroke.
Koning Richard.
Wat moet de koning doen? zich onderwerpen?
De koning zal het doen. Den troon ontruimen?
De koning schikt zich. Wordt de naam van koning
Hem ook ontroofd? In Godsnaam, die vaar’ heen;
’k Geef mijn juweelen voor een bedesnoer,
Mijn vorstenwoning voor een kluiz’naarshut,
Mijn rijke kleeding voor een boetlingspij,
Mijn fijne bekers voor een houten nap, 150
Mijn scepter voor eens pelgrims zwerversstaf,
Mijn volk voor enkle grofgesneden heil’gen,
En mijn groot England voor een kleinen grafkuil,
Een klein, klein graf, in een verborgen hoek;—
Of neen, begraaft mij op des konings heerweg,
Waar ’t volk verkeert, waar de onderdanen telkens
Huns konings hoofd met voeten treden kunnen;
Zij treden mij op ’t hart, nu, bij mijn leven,
Waarom dan, na mijn dood, niet op het hoofd?
Aumerle, weeke vriend, gij weent? Kom, laat ons
Slecht weder maken met verachte tranen,
Dat die, met onze zuchten, ’t zomerkoren
Ter neder, ’t valsche land met honger slaan!
Of zullen wij gaan dartlen met ons wee,
Een wedstrijd aangaan in het tranenstorten?
Bij voorbeeld: steeds op ééne plaats ze drupp’len,
Totdat voor ons in de aard een tweetal graven
Zijn uitgehold, waarbij een opschrift sta,
Zooals: “Twee neven liggen hier, twee droeve;
Hun weenende oogen dolven zelf hun groeve.”
Deed zulk een wee niet goed?—Maar ik zie ’t in,
Gij spot met mij, ik praat hier zonder zin.—
Grootmachtig prins, mylord Northumberland,
Wat zegt de koning Bolingbroke? vergunt hij,
Dat Richard leeft, tot Richard sterft? ’k Versta,
Gij maakt een strijkvoet, Bolingbroke zegt ja.
Northumberland.
Mylord, omlaag in ’t buitenhof verzoekt hij
Een onderhoud; ’t behage u af te dalen.
Koning Richard.
Af! af! ik daal; als Phaëton de snoever,
Die woeste kleppers niet bedwingen kon.
(Northumberland keert naar Bolingbroke terug.)
In ’t lage hof! laag hof,—waar vorsten bukken,
Verraders vleien, komen op hun nukken!
In ’t lage hof? omlaag, hof! koning, daal!
De nachtuil krijscht, dan zwijgt de nachtegaal.
(Allen van boven af.)
Bolingbroke.
Wat zegt zijn majesteit?
Northumberland.
Wat zegt zijn majesteit? Door leed en kommer
Sprak hij verward als een waanzinnig mensch;
Maar toch, gekomen is hij.
(Koning Richard en zijn Begeleiders komen beneden op.)
Bolingbroke.
Maar toch, gekomen is hij. Staat ter zijde,
En brengt uw hulde aan zijne majesteit.
(Hij knielt.) Genadig vorst!
Koning Richard.
Mijn neef, uw prinselijke knie onteert gij,
Als de aard, hoe laag ook, trotsch haar kussen mag;
’k Erkende liever met mijn hart uw liefde,
Dan met mijn somber oog uw hoff’lijkheid.
Op, neef! uw hart verheft zich hoog,—getuige
Geheel uw doen,—hoe laag uw knie zich buige.
Bolingbroke.
Mijn vorst, ik kom slechts voor mijn eigendom. 196
Koning Richard.
Uw eigendom is u, en ik, en alles.
Bolingbroke.
Wees zooveel mijn, verheven vorst, als ik
Door trouwen dienst en liefde zal verdienen.
Koning Richard.
O veel verdient gij;—hij verdient te ontvangen,
Die vast en goed den weg weet om te erlangen.—
Mijn oom, uw hand; neen, neen, geen tranenvloed;
Die toone liefde, maar hij maakt niets goed.—
Voor vader, neef, van u ben ik te jong,
Gij oud genoeg voor erfgenaam van mij.
’k Geef u, wat gij verlangt, weerstreef ook niet;
Wij moeten doen, wat overmacht gebiedt.—
Naar Londen;—neef, niet waar, daar gaan wij heen?
Bolingbroke.
Ja, waarde vorst.
Koning Richard.
Ik mag niet zeggen, neen.
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Langley. De tuin van den Hertog van York.
De Koningin en twee Hofdames komen op.
Koningin.
Wat spel bedenken wij in dezen tuin,
Dat ons den druk der zorgen doe vergeten?
Eerste Hofdame.
Laat ons gaan keeg’len, hooge vrouwe.
Koningin.
’k Herdenk dan al den aanstoot in de wereld,
En mijn geluk, dat zijwaarts rolt en stuit.
Eerste Hofdame.
Laat ons dan dansen, hooge vrouwe.
Koningin.
Mijn voet vermag met lust geen maat te houden,
Nu mijn arm hart geen maat in kommer houdt;
Daarom geen dans, mijn kind,—een ander spel.
Eerste Hofdame.
Laat ons elkaâr verhaaltjes doen.
Koningin.
Van vreugde of leed?
Eerste Hofdame.
Van beide, hooge vrouwe.
Koningin.
Van geen van beide, kind.
Want is ’t van vreugde, die ik ganschlijk mis,
Dan doet mij dit te meer aan kommer denken;
En is ’t van leed, dat ik zoo ruimschoots heb,
Dan voegt het kommer bij ’t gemis van vreugde,
Want wat ik heb, behoef ik niet te hooren,
En wat ik mis, verhelpt geen weegeklag.
Eerste Hofdame.
Dan wil ik zingen.
Koningin.
Dan wil ik zingen. Goed, als gij dit kunt;
Doch liever waart gij mij, indien gij weendet.
Eerste Hofdame.
’k Zou kunnen weenen, als u weenen hielp.
Koningin.
En ik kon zingen, zoo mij weenen hielp, 21
En borgde dan van u geen enklen traan.
Doch stil, daar zijn de hoveniers;
Gaan wij ter zij, hier onder deze boomen.
Mijn rampspoed voor een speldenbrief,—zij praten
Daar van den staat; zoo doet een elk, zoodra
Een omkeer dreigt; men ducht, en wee komt na.
(De Koningin gaat met haar Hofdames ter zijde.)
(Een Hovenier komt op met twee Knechts.)
Hovenier.
Ga, bind die zwevende abrikozen op,
Die als moedwill’ge kindren hunnen vader
Doen bukken onder zwaren schuldenlast;
Geef een’gen steun aan die gebogen twijgen.—
En gij, sla als een dienaar des gerichts
Den kop af aan die al te weel’ge spruiten,
Die zich te hoog in onzen staat verheffen;
Gelijkheid moet er zijn in ons gebied.—
Terwijl gij dit bezorgt, wied ik het onkruid,
Dat schaadt, wijl ’t nutt’loos aan gezonde bloemen
De vruchtbre sappen van den grond ontzuigt.
Eerste Knecht.
Wat moeten we, in den omvang van een heining,
Naar wet en vorm en juistheid alles reeg’len,
Als waar’ ’t een beeld van onzen vasten staat,
Nu ’t rijk, die door de zee omwalde tuin,
Vol onkruid is, verstikt zijn schoonste bloemen,
Vruchtboomen ongesnoeid, zijn heggen woest,
Zijn bedden omgewoeld en ’t nuttig kruid
Van booze rupsen weem’lend?
Hovenier.
Van booze rupsen weem’lend? Houd u stil!
Hij, die dit woeste voorjaar heeft geduld,
Leeft zelf nu in het vallen van de blaad’ren;
Het onkruid, door zijn breede kruin beschermd,
Dat, op hem woekrend, hem te stutten scheen,
Is met den wortel uitgeroeid door Hereford,—
Ik meen den graaf van Wiltshire, Bushy, Green.
Eerste Knecht.
Wat! zijn die allen dood?
Hovenier.
Wat! zijn die allen dood? Dat zijn ze, ja;
En in de macht van Bolingbroke is onze
Spilzieke koning.—Welk een jammer, dat
Hij niet zijn land in orde bracht en hield,
Als wij den tuin! Zie, in den tijd van ’t jaar,
Verwonden wij de schors, de huid des vruchtbooms, 58
Opdat hij niet, te trotsch op sap en bloed,
Zichzelf verteer’ door al te groote weelde;
Had hij zoo ook gedaan met groote heeren,
Dan droegen zij voor hem, en hij genoot
De vruchten van hun dienst. Te geile takken,
Die kappen wij, opdat de vruchttak leve;
Had hij zoo ook gedaan, hij droeg de kroon;
’t Verlies is zijner tijdverspilling loon.
Eerste Knecht.
Wat! zou de koning worden afgezet?
Hovenier.
Zijn troon is half bezet, en afgezet,
Ja, wordt hij wel. Een brief kwam gist’ren avond
Bij een oud vriend des goeden hertogs York,
Die zwarte dingen meldt.
Koningin.
Ik stik bijna en zoek mij lucht door spreken.—
(Vooruittredend.) Gij Adamsbeeld, die dezen hof verpleegt,
Hoe waagt uw ruwe tong zoo boos een tijding?
Welke Eva, welke slang was ’t, die u ingaf
Den val en vloek der menschheid te hernieuwen?
Wat zegt gij, koning Richard afgezet?
Durft gij, gij, nauwlijks beter dan een aardkluit,
Zijn val voorspellen? Waar, wanneer en hoe
Kwaamt ge aan die onheilstijding? Spreek, gij worm!
Hovenier.
Vergeef mij, hooge vrouw; dit nieuws te melden
Is mij geen vreugd, doch wat ik zeg is waar.
De koning, ja, is in de sterke hand
Van Bolingbroke; hun lot wordt dra gewogen;
En in uws heeren schaal is slechts hijzelf,
Met ijdel tuig, dat hem nog lichter maakt;
Doch in de schaal des grooten Bolingbroke
Zijn, buiten hem, nog alle pairs van Engeland;
Dit overwicht weegt koning Richard op.
Spoed, wilt gij ’t zelf zien, u naar Londen heen;
Want wat ik zeide, weet daar iedereen. 91
Koningin.
Luchtvoetig onheil, steeds zoo vlug en haastig,
Gaat uwe zending mij niet aan, dat ik
Het laatst er van verneem? Gewis, het laatst
Komt gij tot mij, opdat mijn borst uw leed
Het langst bewaar’.—Jonkvrouwen, komt, gaat mee,
En ziet in Londen Londens vorst in wee.—
Werd ik hiertoe geboren, dat mijn oog
Door droefnis Bolingbroke’s triomf verhoog’?—
Tuinier, door u werd mij dit leed bekend,
Zoo tier’ dan nooit een boom, door u geënt!
(De Koningin met haar Hofdames af.)
Hovenier.
Ach, arme vrouw! zoo ’t u verbeet’ring bracht,
Wenschte ik, uw vloek ware op mijn kunst van kracht.—
Hier stortte zij een traan; ik zet er ruit,—
Hoe scherp, hoe bitter, toch Genadekruid,
En ik herdenk, als het zijn geuren spreidt,
Hoe eens een koningin er heeft geschreid.
(Allen af.)