← Table of contents
Keur van Nederlandsche Synoniemen

VOORBERICHT

Reading edition

BIJ DEN EERSTEN DRUK.

Er is geen betere „stijloefening” dan het bestudeeren van synoniemen; hierdoor toch raakt men intiemer bekend met den rijkdom van vormen, waarover onze taal beschikt, om allerlei schakeeringen van eenzelfde hoofdbegrip uit te drukken. Het is dus wel te verklaren, dat het behandelen van zinverwante woorden een veel voorkomende en hoogst practische examen-opgave vormt. Toch mag het zeker verwondering baren, dat het Nederlandsch slechts weinig werken over dit belangrijk onderdeel der levende taal bezit. Na het thans verouderde „Woordenboek” van Weiland en Landré (1821, 3 dln.) is slechts één werk verschenen, aan de studie der synoniemen gewijd. Dit gunstig bekende „Handboek van Ned. Synoniemen”, door J. V. Hendriks (D. Mijs, ƒ 2.50), dat verre boven onzen lof verheven is, kan echter als eerste studieboek bezwaarlijk gebruikt worden: het geeft uit den aard der zaak te veel stof bij te weinig oefeningen. Het kwam mij daarom niet ondienstig voor, uit den rijken voorraad onzer synoniemen een keuze te doen, om zoo noodig een grondiger en uitvoeriger behandeling van dit onderwerp voor te bereiden.

Ik heb bij het schrijven van dit werkje een geleidelijke opklimming in het oog gehouden en zeer veel plaats aan oefeningen ter toepassing ingeruimd. Hierdoor vlei ik mij, dat dit boekje gebruikt kan worden op onze Normaal- en Hoogere Burgerscholen, op onze Gymnasia en misschien ook bij de studie voor de hoofdacte.

Welwillende opmerkingen, die de bruikbaarheid kunnen verhoogen, zullen mij steeds welkom zijn.

1904.

BIJ DEN TWEEDEN DRUK.

De tweede druk is zoo goed als ongewijzigd gebleven.

Van geachte zijde werd mij er op gewezen, dat ik van Hendriks een wel wat al te ruim gebruik zou gemaakt hebben. Waar deze schrijver niet schroomde dikwijls Landré en Weiland woordelijk te volgen, meende ook ik daartoe het recht te mogen hebben. Bovendien heb ik, evenals hij, van het Woordenboek der Ned. Taal een ijverig gebruik gemaakt, terwijl ik verder nog raadpleegde: Kuypers Woordenboek, dr. Nassau's Geschriften en een paar Duitsche werken. Ik heb dus, als zoo menig compilator, toegepast: „Je prends mon bien où je le trouve”, daarbij steeds voor oogen houdende, dat mijn werkje vóór alles practisch moest zijn. Uit de gunstige recensies en uit het vrij spoedig verschijnen van den 2en druk, meen ik te mogen besluiten, dat het bruikbaar bevonden wordt voor het doel, dat ik beoogde.

1907.

BIJ DEN DERDEN DRUK.

De derde druk is vermeerderd met een „Aanhangsel”, waarin nog een groot aantal (± 50 reeksen) der voornaamste synoniemen op meer beknopte wijze zijn behandeld. Aan den gebruiker is het—bij wijze van oefening—overgelaten zelf de voorbeelden ter toepassing te zoeken. Ik mag mij vleien, dat daardoor de bruikbaarheid van het werkje nog is toegenomen. (De prijs is niet verhoogd.)

1909.

BIJ DEN VIERDEN DRUK.

Van de welwillende opmerkingen in „De School met den Bijbel” is een dankbaar gebruik gemaakt. Ook heb ik op enkele andere plaatsen kleine verbeteringen aangebracht. Het toenemend gebruik van dit werkje is mij zeer aangenaam.

Baarn, Maart 1912.

T. PLUIM.

1. Draaglijk—draagbaar.

Wat gedragen kan worden.

Draagbaar zegt dit in letterlijken zin; het wijst dus aan, dat iets niet zoo zwaar is, of het kan gedragen worden: Een last van 75 K.G. is voor velen niet meer draagbaar. Soms beteekent het: verplaatsbaar, niet-vastgemaakt (portatief): een draagbare gaskachel.

Draaglijk duidt meer in figuurlijken zin aan, dat iets te dragen valt, d.w.z. te verduren, te dulden: Een ondragelijke hitte.

De zieke leed on— pijn.

Voor zoo'n reus als hij is, is zoo'n zak meel wel —.

Je hebt daar eindelijk eens een — opstel geschreven.

Men heeft tegenwoordig ook — electrische lampen.

2. Kostbaar—kostelijk.

Wat veel kost en dus hooge waarde heeft.

Kostbaar wordt in letterlijke beteekenis gebruikt. De drooglegging der Zuiderzee is een kostbare onderneming.

Kostelijk komt slechts figuurlijk voor; het wijst alleen op de hooge waarde, de voortreffelijkheid, die iets bezit. Bij hevigen dorst is water geen kostbare, maar wel een kostelijke drank (d. i. een drank, die uitmunt door zijn voortreffelijkheid om den dorst te lesschen).

De koningin droeg een — snoer van diamanten.

Het is zonde, zulk — eten te laten bederven.

De — hofhouding van Lodewijk XIV verslond schatten.

Het was werkelijk een — ingeving, zich zoo te kunnen redden.

3. Geestelijk—geestig—geestrijk.

Deze woorden zijn geen synoniemen en hebben dus geen gemeenschappelijke beteekenis. Men treft ze evenwel vaak als examenopgave aan. (Men noemt dergelijke woorden, die hetzelfde grondwoord hebben, paroniemen = stamverwante woorden.)

Geestelijk is de tegenstelling van wereldlijk of lichamelijk: De geestelijke stand; de geestelijke ontwikkeling.

Geestig is synoniem met aardig, grappig, humoristisch: Een geestig gezegde. Een geestige voordracht.

Geestrijk wil zeggen: rijk aan geest (van alcohol): geestrijke dranken.

Deze kinderen staan — verre bij uw leerlingen ten achter.

Ik heb hem een — spotprent op zijn redevoering laten zien.

Pater van Meurs, de bekende —, is vaak in zijn kleine gedichten zeer —.

„Het — vocht der blonde druif Maakt — op zijn tijd”,

zeide een dichter; maar, hij had er bij kunnen voegen, is vaak ook oorzaak, dat men — achteruit gaat.

4. Zorgeloos—onbezorgd.

Geen zorg hebbende.

Onbezorgd is hij, die niet bezorgd of bang voor gebrek of dreigende gevaren behoeft te zijn. Het woord heeft dus een gunstige beteekenis. Hij heeft zooveel gespaard, dat hij een onbezorgden ouden dag kan hebben.

Zorgeloos wijst aan, dat iemand de zaken, die aan zijn zorg zijn toevertrouwd, verwaarloost, of dat hij lichtzinnig voortleeft, zonder de noodige zorg voor zijn toekomst te hebben. Het woord heeft dus altijd een ongunstige bijgedachte. Ofschoon hij meermalen met ontslag bedreigd is, blijft hij nog altijd even zorgeloos.

Gij kunt — zijn: geen kwaad zal u deren.

Zou zij mij alleen getrouwd hebben, om een vroolijk en — leven te leiden? (Van Lennep.)

Het ergert mij altijd, dat hij zoo — en lichtzinnig voortleeft.

Hij deed alle moeite om een opgeruimd en — gelaat te vertoonen. (Van Lennep.)

Als gij zoo — met uw geldzaken omgaat, zult gij spoedig arm zijn.

Zonden, ofschoon gepleegd in — vroolijkheid, waarbij men zich zelve vergeet, ontgaan echter het oog van God niet. (Van der Palm.)

5. Geneigd—genegen.

Neiging tot iets hebbende.

Geneigd geeft te kennen, òf dat de neiging iemand van nature eigen is, dus tot zijn aard en karakter behoort, òf wel dat zij het gevolg is van redeneering, inzicht of oordeel, die iemand tot iets doen overhellen. (Neigen = overhellen.) De mensch is geneigd tot zonde: zijn aard brengt dat mede. Ik ben geneigd dit toe te stemmen: ik hel er toe over (daar ik er over nagedacht heb).

Genegen ziet meer op de neigingen, die uit lust of begeerte ontstaan: Men vraagt een keukenmeid, een burgerpot kunnende koken en tevens genegen eenig huiswerk te verrichten: die daar lust in heeft, er niet afkeerig van is. Bovendien kan genegen beteekenen: goedgunstig gezind, liefhebbend: De directeur is mij zeer genegen.

Mijn vriend is vroolijk van aard en altijd — tot schertsen.

Denkt gij, dat hij — is, mij te woord te staan?

Ik ben altijd —, het goede van iemand te denken.

Ik zou bijna — zijn, bij deze aanmerking nog een tweede te voegen. (Inzicht, oordeel.)

Niemand der aanwezigen scheen —, in het tekort der kas te willen bijdragen.

Het geluk is mij in deze onderneming niet —.

Indien hij niet zoo tot vadzigheid en luiheid — was, zou hij zeker de betrekking gekregen hebben.

Zoudt gij — zijn, het voorzitterschap onzer vereeniging te willen aanvaarden?

Niemand is dezen onvriendelijken postdirecteur —.

6. Kinderachtig—kinderlijk—kindsch.

Wat een kind eigen is.

Kinderachtig heeft een ongunstige beteekenis; het duidt aan, dat volwassen menschen zich gedragen, alsof zij nog even weinig verstand als een kind hadden. Hoe kinderachtig van haar zoo bang voor spinnen te zijn!

Kinderlijk is alles, wat met den aard van het kind overeenkomt, en wel in gunstigen zin genomen. Kinderlijke spelen.

Kindsch geeft te kennen, dat van oude menschen de geestvermogens zóó zijn verzwakt, dat zij als 't ware weer kinderen zijn geworden. Deze oude vrouw is sedert een paar jaren geheel kindsch.—Een enkele maal heeft kindsch nog de letterlijke beteekenis: Uit mijn kindsche jaren herinner ik mij nog, dat wij vaak paaschvuren stookten.

(Men lette er op, dat kindschheid de fig., en kindsheid de letterlijke beteekenis heeft.)

Foei, wat doet die groote jongen nog —.

Met — liefde hing de knaap zijn ouders aan.

Gij moet niet te veel waarde aan de verhalen van dezen grijsaard hechten: hij begint reeds — te worden.

Zijn — vertrouwen op God werd niet beschaamd.

Sedert mijn — dagen ben ik daar niet meer geweest.

In zijn — eenvoud gaf de boer den vorst de hand en vraagde, hoe hij het maakte.

7. Buigbaar—buigzaam.

Wat gebogen kan worden.

Buigbaar duidt aan, dat een lichaam meer toevallig gebogen kan worden, terwijl buigzaam te kennen geeft, dat het voorwerp krachtens zijn innerlijke samenstelling gemakkelijk te buigen is. Een eikenhouten stok is buigbaar, een glazen staaf niet; een stuk gummi is buigzaam.

Ook onbuigbaar en onbuigzaam hebben dit verschil. In figuurlijke beteekenis is het eerste dan ook sterker dan het tweede; bijv.: Hij heeft een onbuigzaam karakter, dat wil zeggen: hij toont in zijnen geheelen aanleg duidelijk, dat hij zich niet licht door een ander laat buigen of leiden in betrekking tot zijn meening of wil. Het is dus niet noodig aan een ongunstige beteekenis te denken.—Door zijn onbuigbaren trots berokkende hij zich vele vijanden, d.w.z. zijn trots was zóó sterk, dat hij zich door niets liet buigen. Gewoonlijk heeft onbuigbaar een eenigszins afkeurende beteekenis.

Zijn — koppigheid ben ik eindelijk moede.

Een dichter noemde onze taal: krachtig, rein, smeltend, — en rijk.

Als men een glazen buis verwarmt, is zij —.

Zet u niet in het hoofd, dat gij hem tot andere gedachten zoudt kunnen brengen: hij heeft een — wil.

Het karakter van den nieuwen consul was hun voorgesteld als welwillend: zij hoopten, dat het — zou wezen. (Beets.)

8. Lijdzaam—lijdelijk.

Niet op verzet bedacht.

Lijdzaam beteekent geduldig, gelaten in het leed berustend, of kalm en bedaard volhardend bij het volbrengen van een moeilijke taak. Met groote lijdzaamheid verdroeg hij de pijnen.

Lijdelijk wil zeggen, dat men geen tegenstand biedt, of bij zekere gebeurtenis werkeloos blijft. Hoe hij die beleediging zoo lijdelijk kon aanhooren, begrijp ik niet. Hij bleef bij dat afschuwelijk tooneel een lijdelijk toeschouwer.

Het was de politie onmogelijk, zulk een opruiende taal — aan te hooren.

De patiënt verdroeg — de hevige pijnen van zijn wonden.

Zoudt gij het — kunnen aanzien, dat men uw goeden naam belasterde?

De vrome pelgrim trekt vol ijver, maar toch —, langs het onverkwikkend pad naar Jeruzalem. (Zie Da Costa's Hagar.)

9. Openbaar—openlijk.

Voor of in het algemeen.

Openbaar is datgene, wat voor ieder open is, waarvan niemand is uitgesloten. Een openbare vergadering; een openbare wandeling. Verder duidt het woord aan, dat iets vanwege de regeering is opgericht of daartoe behoort: een openbare school, een openbare betrekking.

Openlijk wijst aan, dat iets niet in 't geheim geschiedt, dat het dus voor niemand behoeft verborgen te worden. Als gij niet betaalt, zet ik uw naam openlijk in de courant.

Het tegengestelde van openbaar is: particulier, besloten; van openlijk: in 't geheim, bedektelijk.

Ik zei hem — de waarheid.

Wanneer men in een — vergadering iemand iets in het oor fluistert, zegt men dat niet —. En wanneer men in een gesloten bijeenkomst iets — mededeelt, wil men dat nog niet altijd in het — herhalen.

De zaak zal in een — vergadering behandeld worden.

Ik zal u — zeggen, hoe ik er over denk.

De uitslag der vredesonderhandelingen werd door de Regeering — gemaakt.

Van alle — gebouwen waaide de driekleur.

Van der Duyn van Maasdam, Hogendorp en Van Limburg Styrum, in stilte werkzaam voor de bevrijding, hielden zich gereed om ook — op te treden, zoo ras het gunstig tijdstip zou komen.

Wat verstaat men onder het — Ministerie?

10. Ontrouw—trouweloos.

Zonder trouw.

Trouweloos handelt iemand, die van een vrijwillig aangegane verbintenis met voorbedachten rade afwijkt, om zich zelf te bevoordeelen en een ander nadeel te berokkenen; hij ontziet zich daartoe niet, valsch en laag te handelen. Trouweloos te zijn is dus min of meer een karaktertrek, d.w.z. de trouweloosheid blijft in den regel niet tot één geval beperkt. Op het gegeven woord van den trouwelooze, hoe plechtig bezworen, is geen staat te maken; hij is zelfs in staat zijn vriend te verraden of van diens geheimen misbruik te maken, als hij er voordeel in ziet. Hoewel hij mij plechtig beloofd had mijn plannen strikt geheim te houden, heeft hij ze toch aan mijn mededinger verraden; ik wist niet, dat hij zóó trouweloos was.

Ontrouw ziet meer op een bepaald geval. Het wijst óók wel aan, dat iemand een aangegane verbintenis niet nakomt, doch niet zoozeer, omdat dit in zijn karakter ligt, als wel tengevolge van veranderde inzichten; van eigenbelang behoeft niet eens sprake te zijn. Is de trouwelooze geheel en steeds zonder goede trouw, de ontrouwe is zulks slechts voor een bepaald geval. Hij is mij ontrouw geworden wil zeggen: hij heeft mijn partij verlaten—hoewel hij mij trouw beloofd had—maar hij kan daarom toch zijn nieuwe partij met de grootste trouw weer aanhangen.

Karel de Stoute werd door zijn gunsteling Campo Basso in den slag bij Nancy — verraden. Deze Italiaansche veldheer werd n.l. zijn vorst — en liep in 't beslissend oogenblik tot den vijand over.

De — dienstknecht leverde enkele brieven van zijn meester aan diens vijanden over.

Hij werd het oude geloof zijner vaderen —.

Zou hij zoo — zijn, dat hij zijn eigen broeder zou verraden?

11. Innerlijk—inwendig—innig.

Wat zich van binnen bevindt.

Inwendig is alles, wat zich in de binnenruimte van een lichaam bevindt; het is dus een tegenstelling met uitwendig, d.w.z. wat tot de buitenzijde of de oppervlakte behoort: De inwendige deelen van ons lichaam.

Innerlijk ziet meer op den aard en het wezen van de deelen, waaruit een voorwerp bestaat, in tegenstelling van uiterlijk, dat meer let op den vorm, dien de deelen te zamen hebben en waardoor die deelen min of meer verborgen worden. De innerlijke waarde van een stalen horlogeketting is niet groot (d.w.z. de waarde der bestanddeelen), al moge hij door zijn kunstig bewerkten vorm (de uiterlijke waarde) ook kostbaar zijn. Het wordt vooral figuurlijk gebruikt in betrekking tot 's menschen karakter of tot wat er in zijn gemoed omgaat, in tegenstelling met den lichamelijken vorm. Uiterlijk is hij voorkomend en vriendelijk, maar innerlijk is hij valsch en vol bedrog.—Hij werd innerlijk bewogen (d.i. in zijn gemoed, zonder dat het uiterlijk te zien was).

Innig geeft aan, dat iets uit het diepst van ons binnenste voortvloeit, waarvan onze ziel geheel doordrongen is: een innige liefde.

In het — van dit reusachtige standbeeld heeft men een trap gemaakt.

Hoewel hij — spijt had, liet hij het aan niets merken.

Hij stortte zijn hart uit in een — gebed.

De appel was — verrot, hoe mooi hij er uitzag.

Zijn — kracht hield hem staande in dezen zwaren geloofsstrijd.

De — samenstelling van dit werktuig is zeer vernuftig bedacht.

De Ruyter kenmerkte zich door zijn nederigheid en zijn — godsvrucht.

12. Wettig—wettelijk—wettisch.

Volgens de wet.

Wettig duidt aan, dat iets geheel overeenkomstig de bepalingen der wet is, bijv. een wettig huwelijk: bij het huwelijk is aan al de bepalingen der wet voldaan. De wettige erfgenamen zijn die erfgenamen, die volgens of krachtens de bepalingen der wet aanspraak op de nalatenschap hebben.

Wettelijk is datgene, wat bij de wet voorgeschreven is en dus een uitvloeisel daarvan is. Volgens wettelijk voorschrift moet bij besmettelijke ziekten een briefje op de deur geplakt worden.

Wettisch heet iemand, die zich streng aan de wet houdt en haar in volle kracht (volgens de letter) wil toepassen.

Doordat ons Koninklijk Huis in de laatste regeeringsjaren van Willem III zooveel leden verloor, werd het noodig de — bepalingen omtrent de — erfgenamen in de grondwet nader te omschrijven.

Deze notaris is een — man; hij staat er op, alle — formules nauwkeurig te gebruiken, opdat het testament — zij.

Wij zullen langs — weg verbetering van dien toestand trachten te bewerken.

Gij hebt den — termijn van cassatie laten verloopen, gij moet dus in het vonnis berusten.

Het salaris bedraagt 50 gld. boven het — minimum.

13. Dagelijksch—alledaagsch—daagsch.

Wel zijn deze woorden van dag afgeleid, maar eigenlijke synoniemen zijn het niet; toch worden ze vaak ter vergelijking opgegeven. (Zie ook no. 3.)

Dagelijksch is alles, wat elken dag geregeld terugkeert. De dagelijksche beweging der aarde om haar as duurt 24 uur. Hij verdient ruim zijn dagelijksch brood.

Alledaagsch beteekent, wat men alle dagen ziet, dus iets wat zeer gewoon is; het heeft min of meer een geringschattende beteekenis. Ik dacht, dat hij zeer veel talent bezat, maar hij blijkt slechts een alledaagsch mensch te zijn.

Daagsch wordt gebruikt in tegenstelling van zondagsch: dit is mijn daagsche hoed (d.i. de hoed, dien ik op gewone werkdagen draag).

Opmerking. Daags is een bijwoord en beteekent: over dag: De zon schijnt daags maar 6 uur meer.—Ook dagelijks is een bijwoord en beteekent: elken dag: Hij doet dagelijks een wandeling. (Hij doet daags een wandeling, wil zeggen: over dag, dus niet in den nacht.) 's Daags beteekent per dag (in een tijdruimte van een dag): hij verdient 2 gld. 's daags.

In het — leven wordt deze uitdrukking vaak gehoord.

Mijn — jas zit mij gemakkelijker dan mijn zondagsche.

Gij behoeft daarvan niet zooveel ophef te maken: ik vind het een — geval.

Op onze voetreis legden wij — 8 uur af.

Ik zou niet graag mijn — wandeling willen missen.

's Nachts loopen er vijf treinen en — twaalf.

14. Ruiterlijk—ridderlijk.

Openhartig.

Ridderlijk doet denken aan de edelmoedigheid, welke den ridder eigen was en die zijn eer het hoogste stelde. Zoodra hij bemerkte, dat hij zijn vriend ten onrechte beschuldigd had, heeft hij ridderlijk zijn beschuldiging teruggenomen.

Ruiterlijk heeft meer de bijbeteekenis van ruw, maar oprecht, zooals de oude ruiters waren, die meer den onverschrokken moed hoog hielden dan de fijne ridderlijke beleefdheidsvormen. De oude tuinman kwam er bij den graaf ruiterlijk voor uit, hoe hij over hem dacht. (Het was den graaf misschien minder aangenaam zulk een openhartig oordeel over zijn eigen karakter te hooren, maar dat oordeel was toch oprecht gemeend en bevatte niets dan waarheid.)

Het is — van hem, dat hij na de grievende bejegening, die hij van zijn besten vriend ondervond, hem toch weer in den nood bijstaat. (Het strekt hem tot eer!)

Het deed mij goed, dat hij zoo — voor de waarheid durfde uitkomen. (Het getuigt van moed!)

De tocht naar Chattam was een — bestraffing voor een schandelijke daad der Engelschen. (Het eervolle op den voorgrond stellen!)

De tocht naar Chattam was een — bestraffing voor den laaghartigen aanval der Engelschen op weerlooze visschersplaatsjes. (Het moedige op den voorgrond stellen!)

15. Jong—jeugdig.

Wat niet oud is.

Jong zegt dit in letterlijken zin. Een jong kind; een jonge vereeniging.

Jeugdig stelt meer het niet-afgeleefd zijn op den voorgrond, dus het vroolijke, het levenslustige, het sterke. De grijsaard wijdde zich nog met jeugdigen ijver aan de zaak, die hij voorstond. Verkeerd is het dus, van een jeugdige vereeniging te spreken in den zin van een jonge, pas opgerichte vereeniging.

In zijn — jaren was hij een liefhebber van visschen.

In — overmoed klom de reiziger onversaagd den steilen berg op.

Hij is nog betrekkelijk —, al ziet hij er oud uit.

Al is hij ook oud geworden, zijn hart blijft nog —.

16. Zuinig—spaarzaam.

Niet verkwistend.

Zuinig duidt aan, dat men zorg draagt, niet te veel uit te geven; men wil voorkomen, dat hetgeen men bezit, te vroeg opraakt, daar men anders te kort zou komen. Wie zes gulden per week verdient, moet zuinig huishouden.

Spaarzaam is nog sterker; het onderstelt, dat men nog wil sparen of overhouden. Een spaarzame hand koopt anderlui's land. Een spaarzaam mensch geeft dus betrekkelijk zeer weinig uit; vandaar dat spaarzaam in figuurlijken zin beteekent: niet overvloedig, beperkt; bijv.: Het vertrek was slechts spaarzaam verlicht.

Het nieuwe bestuur dezer vereeniging is — met de gelden omgegaan; er is dan ook dit jaar voor het eerst geen tekort.

Doordat hij — is, heeft hij reeds een aardig sommetje bijeen.

Over de oudste plaatsen in ons land vindt men in de oorkonden slechts — berichten.

Hij is van avond zeer — met zijn woorden.

17. Klooven—klieven.

Met eenige kracht de deelen van elkander scheiden.

Klooven duidt aan, dat na de werking de scheiding blijft bestaan, terwijl klieven onderstelt, dat de vaneengescheiden deelen zich spoedig weer vereenigen; klooven geschiedt daarom alleen met vaste, klieven met vloeibare of luchtvormige stoffen. Klooven ziet meer op het voorwerp, dat de werking ondergaat en duidt dus een doel aan, terwijl klieven meer let op het voorwerp, dat de werking verricht. Men zegt dus: de arbeider klooft het hout; 1º. is de verbreking der deelen blijvend; 2º. hout is een vast lichaam en 3º. het doel der werking is het hout klein te maken. Daarentegen zegt men: het schip klieft de baren, immers 1º. is de verbreking der deelen van voorbijgaanden aard; 2º. water is een vloeistof en 3º. het doel is niet het water te scheiden, maar men wil den nadruk leggen op het schip zelf, door aan te duiden, dat het snel vooruitkomt.

Ruwe diamanten moeten meestal — worden.

De blanke duiven door— de stille avondlucht.

De ridder reed op zijn vijand toe en — hem met één slag van zijn zwaard den kop.

De wind is gunstig, en vroolijk — het ranke schip de baren.

18. Stomp—bot.

Wat niet scherp is.

Stomp zegt men meer van een punt, bot van de snede: Een stompe naald; een bot mes. In figuurlijken zin beteekent bot: niet scherp van verstand, niet snedig, dus dom. Hij is een bot mensch, een botterik. Stomp beteekent in overdrachtelijken zin: traag van begrip of van oordeel, suf. Door het lange peinzen was hij geheel verstompt.

Dit potlood heeft een — punt.

Een — hoek is grooter dan een rechte.

Ik heb mij daarop — gedacht.

„Hij zwaait het vreeslijk treffend zwaard, door duizend slagen —geschaard.”

De jenever had hem geheel —.

19. Behandelen—bejegenen.

Zich op de een of andere wijze tegenover een ander gedragen.

Bejegenen onderstelt een ontmoeting (in het Duitsch beteekent het dan ook ontmoeten); het geeft de houding te kennen, die men bij zulk een ontmoeting tegenover anderen aanneemt. Het woord heeft dus alleen betrekking op personen. Hij heeft mij op straat onheusch bejegend.

Behandelen geeft het handelen aan met betrekking tot menschen, dieren of voorwerpen, zonder aan een ontmoeting te denken. In den regel wordt er het bijdenkbeeld aan verbonden van een voortdurende herhaling der werking. Zulk een behandeling laat ik mij niet wel gevallen. (Zulk een bejegening, zou slechts op één geval zien.) Men moet de dieren goed behandelen. (De werking wordt voortdurend herhaald.)

Hij trad het huis binnen en werd vriendelijk —.

Als gij deze plant niet goed —, zal zij spoedig sterven.

Ik had nooit gedacht, dat hij mij zoo minachtend durfde te —.

Deze patroon — zijn bedienden goed; de sollicitanten — hij steeds voorkomend.

20. Toonen—wijzen.

Laten zien.

Toonen drukt dit begrip zonder meer uit, terwijl wijzen de bijgedachte heeft, dat men iemand wil helpen of onderrichten. Toon mij den brief en ik zal u wijzen, hoe gij dien verbeteren moet. Wijs hem den weg eens.

Wijzen kan ook gebruikt worden zonder lijdend voorwerp en onderstelt dan, dat men iemand op iets opmerkzaam wil maken: hij wees met den vinger naar ons; zij wees op haar stoel.

Toonen komt soms ook voor in de beteekenis van: laten blijken, zonder dat dit steeds opzettelijk behoeft te geschieden. Zij toont weinig verstand van de zaak te hebben.

Ik zal u even —, hoe de weg loopt.

Om hem te —, dat ik het goed met hem meende, heb ik hem de gevraagde hulp verleend.

Wanneer gij hem uw overmacht —, zal hij zich wel laten gezeggen.

Hij — zich met het geschenk niet tevreden.

Ik zal u mijn opstel —, maar dan moet gij mij —, hoe ik de fouten moet verbeteren.

De zieke zeide niets, maar — voortdurend op zijn voorhoofd.

21. Dompelen—doopen.

Nederwaarts in een vloeistof drukken.

Dompelen duidt aan, dat het voorwerp geheel in de vloeistof wordt gedrukt, doopen dat dit slechts gedeeltelijk geschiedt. Een lichaam, dat men in het water dompelt, wordt lichter. Men doopt zijn vingers in het water om er iets mee te besprenkelen. (Vandaar de tegenwoordige beteekenis van doopen in kerkelijken zin; vroeger was het werkelijk een in- of onderdompelen.)

Waarom zegt men wel: in rouw dompelen, en niet: in rouw doopen?

Voor gij gaat zwemmen, moet gij u eerst geheel in het water —.

Deze beschuit is voor het kind te hard, — ze daarom in de melk.

22. Zich vernederen—zich verlagen.

Alle gevoel van eigenwaarde afleggen.

Vernederen zegt dit in gunstigen of ongunstigen zin. Hij vernederde zich voor God. (In deze beteekenis kan men ook zich verootmoedigen gebruiken.) Het kostte den trotschen ridder van voorheen groote moeite zich te vernederen tot het verrichten van veldarbeid.

Verlagen heeft altijd een ongunstige beteekenis en is veel sterker dan vernederen; het duidt aan, dat iemand alle gevoel van menschelijkheid of zedelijkheid op zij zet. Hoe hij zich heeft kunnen verlagen voor een handvol goud zijn besten vriend te verraden, kan ik mij niet begrijpen.

Wie zich zelven verhoogt, zal — worden.

De echtgenoote van Oldenbarnevelt wilde zich niet — om genade voor haar man te vragen.

De dronkenschap kan niet anders dan den mensch —.

Gij moet u niet zoo — om met zulk slecht gezelschap om te gaan.

Door louter hebzucht gedreven, — hij zich zijn vaderland te verraden.

23. Danken—wijten.

Iemand of iets als de oorzaak van een of ander beschouwen.

Danken heeft betrekking op iets goeds of aangenaams, wijten daarentegen heeft een ongunstige beteekenis. Ik heb u mijn bevordering te danken. Zijn armoede heeft hij zich zelf te wijten.

(Opmerkelijk is het, dat men dikwijls beide woorden verkeerd gebruikt ziet; men spreekt dan bijv. van iemands vijandschap aan laster te danken hebben, of wel van: zijn beschermer veel goeds te wijten hebben. Mogelijk geeft de uitdrukking: iemand iets dank weten, aanleiding tot deze vergissing.)

Vele huisgezinnen hebben hun ondergang aan den drank te —.

Uw slechte cijfers op het examen hebt gij aan uw ongeregelde studie te —.

Zijn schitterend examen heeft hij grootendeels aan zijn ijver te —.

De nederlaag onzer troepen was aan de weifeling van den bevelhebber te —.

De overwinningen van Maurits waren grootendeels te — aan zijn uitnemende veldheerstalenten.

24. Hoedanigheid—eigenschap.

Wat aan iets eigen is of het kenmerkt.

Is het kenmerkende meer toevallig aan de zelfstandigheid eigen, dan spreekt men van hoedanigheid; is dat kenmerkende aan het bestaan der zelfstandigheid noodwendig verbonden, dus van blijvenden aard, dan gebruikt men eigenschap. Als een blad papier dik of dun, goed beschrijfbaar, geel of wit is, zijn dat hoedanigheden; men kan immers deze hoedanigheden anders maken, zonder dat de stof ophoudt papier te zijn. Postpapier is beschrijfbaar, dit is een eigenschap er van, immers zonder die „hoedanigheid” zou het postpapier niet kunnen dienen.

Steenkolen hebben de —, dat zij brandbaar zijn. Geven zij bij de verbranding weinig roet, dan is dat een goede —.

Een bol heeft de —, dat hij rond is.

In zijn — als voogd, heeft hij uitstekend voor zijn neef gezorgd.

Deelbaarheid is een algemeene — der lichamen.

Deze dienstbode bezit vele goede —, en daarom kan ik haar wel aanbevelen.

25. Aanwezig—tegenwoordig.

Zich binnen een bepaalde ruimte bevindende.

Aanwezig zegt dit zonder eenig bijbegrip; tegenwoordig onderstelt, dat men invloed op de plaatshebbende handeling kan uitoefenen. Hoewel ik in de zaal aanwezig was, zat ik zoo in gedachten verzonken, dat ik van het gesprokene niets kan na vertellen. Bij de behandeling van een wetsvoorstel is de daarbij betrokken minister tegenwoordig.

Bij den hevigen brand was ik wel in de stad —, maar ik ben bij het onheil niet — geweest.

Hoeveel leerlingen zijn er in uw klas —?

Bij de proefles, die de sollicitanten gaven, waren ook de Raadsleden —.

Toen de Tweede Kamer deze gewichtige voorstellen behandelde, waren bijna alle leden —; ook was er veel publiek op de tribune —.

Gij moest ook op ons feestje — zijn, wij zouden het zeer op prijs stellen.

Er is nog een groote voorraad van dit papier —.

26. Aansprakelijk—verantwoordelijk.

Verplicht zijn de gevolgen van een daad op zich te nemen.

Men is verantwoordelijk wegens bestuur, men is aansprakelijk wegens bezit. Het doel der verantwoordelijkheid is rechtvaardiging, aansprakelijkheid verplicht tot schadevergoeding.

Je mag mijn fiets wel gebruiken, maar je bent er voor —.

De ministers zijn — voor hun besluiten.

Als de kooper zijn verplichtingen niet kan nakomen, zijn de borgen —.

Gij zijt nu oud en wijs genoeg, om — voor uw daden te zijn.

De notaris is — voor de beleende gelden; hij is — voor de fout in deze koopacte.

De voorzitter dezer vergadering is — voor de goede orde; de penningmeester is — voor de gelden.

27. Opmerken—aanmerken.

Zijn gedachten of zijn meening over iets te kennen geven.

Aanmerken veronderstelt een afkeurend oordeel. Ik heb zooveel op den inhoud van dit boek aan te merken, dat ik het werk niemand kan aanbevelen.

Opmerken heeft een meer gunstige beteekenis; het onderstelt, dat men op iets opmerkzaam maakt, hetgeen een ander over 't hoofd ziet en toch van min of meer belang is. Mag ik even opmerken, dat men op dien datum het schoolfeest niet kan houden, daar die dag een R.-K. feestdag is.

Opmerken veronderstelt meestal scherpzinnigheid, aanmerken een gezond oordeel en grondige kennis.

Men had zooveel op zijn plan —, dat hij het opgaf.

Wie een schrijver van een aardrijkskundig werk er op attent maakt, dat hij een voornaam dorp heeft vergeten, heeft iets —; wie een groote onjuistheid kan aanwijzen, heeft iets —.

Op het karakter van dit jongmensch valt zooveel —, dat ik hem u niet kan aanbevelen.

Omtrent het karakter van dit jongmensch moet ik u —, dat hij zich spoedig door anderen laat verleiden.

Men spreekt van een gegronde — en een snuggere —.

28. Afgelegen—eenzaam.

Wat buiten het gewone verkeer is.

Afgelegen duidt aan, dat een of andere plaats moeilijk te bereiken is, doordat zij ver van alle verkeerswegen ligt. Hij woont in een afgelegen hoekje van Drente.

Eenzaam wil zeggen: zonder gezelschap of bezoek. Op een afgelegen plaats is ook weinig verkeer en is het er dus tevens eenzaam, daar men er afgezonderd moet leven. Toch behoeft eenzaam niet altijd met het begrip van afgelegen verbonden te zijn; iemand kan te midden van een drukke stad toch een eenzaam leven leiden.

Hij werd tot straf naar een — eiland verbannen.

Ik vind den weg naar dit dorpje zeer —.

Ik mag gaarne over de — heide dwalen.

Hoe meer buurtsporen worden aangelegd, hoe meer de — streken van voorheen bezocht worden.

Hoewel hij een — leven leidde, gevoelde hij zich toch niet alleen, daar hij in zijn boeken zijn beste vrienden vond.

„De leeuwerik zingt op de — heide.”

29. Oorzaak—reden.

De omstandigheid, die een werking ten gevolge heeft.

Oorzaak zegt, dat de werking van 's menschen wil onafhankelijk is; zij kan dus in de natuur gevonden worden, bijv.: de oorzaak der aardbevingen is nog niet voldoende opgehelderd, of in omstandigheden, waarop wij geen invloed hebben: de oorzaak van den brand is onbekend.

Ook wordt oorzaak gebruikt ten opzichte van onze handelingen, waarbij onze wil niet opzettelijk in aanmerking komt: zijn verkwistende levenswijze is oorzaak, dat hij arm is geworden (hij was n.l. niet opzettelijk verkwistend om arm te worden).

De reden is ten nauwste verbonden aan iemands uitdrukkelijken wil en beweegt hem tot een daad. Wat is de reden, dat gij boos op hem zijt? (Die reden beweegt u boos te zijn.)

Opmerking. Waardoor? vraagt naar een oorzaak; waarom? naar een reden. Waardoor stijgt een luchtballon omhoog? Waarom hebt gij uw woord gebroken?

De — van dit ongeluk is aan zijn eigen onvoorzichtigheid te wijten.

Kent gij de —, waar— hij als lid der vereeniging bedankt heeft?

Kent gij de —, waar— hij zoo ongelukkig is geworden?

Wat is de —, dat men dit eiland niet bedijkt heeft?

De hooge vloed is —, dat dit eiland voor bedijking rijp is.

30. Naderen—genaken.

In de nabijheid komen.

Naderen wil zeggen, dat de afstand minder wordt; het bewegende voorwerp komt dus dichterbij. De trein nadert.—Het schip nadert de reede.

Genaken is zóó kort bij iets of iemand komen, als maar eenigszins mogelijk is: men wil het (of hem) bereiken. Door de hitte van het brandende huis kon men de deur niet meer genaken.

Door de vele klippen is het gevaarlijk deze kust te —. (De klippen liggen nog vóór de kust.)

Door de hevige branding kon het schip de kust niet —. (Het schip wilde op de kust landen).

Als er gevaar —, moet gij dubbel op uw hoede zijn.

Deze man is zoo trotsch, dat hij bijna niet te — is.

De cholera — al meer en meer ons land; men dient dus reeds voorbehoedmiddelen te nemen.

God geve, dat u geen leed zal —.

31. Ongerust—rusteloos—onrustig.

Geen rust hebbende.

Rusteloos duidt aan, dat de werking zonder rust, zonder ophouden voortduurt. Rusteloos arbeidde hij aan zijn grootsche taak voort.

Onrustig wijst aan, dat er geen rust, d.i. geen kalmte of bedaardheid aanwezig is: Een onrustige slaap. Met onrustige blikken zag de schuldige om zich, als vreesde hij elk oogenblik gegrepen te worden. Het woord komt dus vrijwel overeen met gejaagd.

Ongerust wijst aan, dat de rust (het kalme gevoel van veiligheid of zekerheid) afwezig is; het beteekent dus: bang, angstig, bezorgd. Ik maak mij over zijn lang uitblijven zeer ongerust.

Zijn — geweten joeg den moordenaar — voort van de eene plaats naar de andere.

De — ademhaling van het zieke kind maakt de moeder zeer —.

Hoewel de vluchteling wist, dat hij zijn vervolgers ver achter zich had gelaten, keek hij toch nog langen tijd — om zich heen.

Onvermoeide vlijt en een — arbeid komen vele hinderpalen te boven.

Daar wij in geen weken iets van onzen broeder hadden gehoord, werden wij zeer —.

32. Ontwennen—afwennen.

Langzamerhand van een gewoonte afstand doen.

Afwennen en ontwennen, beide overgankelijk en wederkeerend gebruikt en dus met hebben vervoegd, verschillen hierin, dat afwennen aanwijst, dat men opzettelijk zijn gewoonte of hebbelijkheid tracht af te leggen, terwijl ontwennen dit als meer toevallig, onwillekeurig voorstelt, als gevolg van veranderde omstandigheden. Op raad van den dokter heb ik mij het rooken afgewend. De reizigers in een vreemd werelddeel hebben zich al spoedig het rooken ontwend.—Van slechte gewoonten zegt men uitsluitend afwennen: Jongen, je moet dat stotteren afwennen (niet: ontwennen; de werking geschiedt opzettelijk!).

Worden ontwennen en afwennen intrans. gebruikt (dus met zijn vervoegd), dan is er niet zooveel verschil, daar afwennen in dit geval niet opzettelijk geschiedt; alleen is afwennen dan sterker, doordat het aanduidt, dat de vroegere geschiktheid geheel verloren is gegaan, wat bij ontwennen niet het geval is. Hij is het schaatsenrijden geheel afgewend, als hij het n.l. niet meer kan en dus weer moet aanleeren; hij is het schaatsenrijden ontwend, wanneer hij het in langen tijd niet gedaan heeft en het hem eerst dus wel weer vreemd zal vallen.

Gij moet u —, van iedereen kwaad te willen spreken.

Hij is het Duitsch spreken wel wat —, hoor maar, hoe moeilijk het hem valt.

Ik ben het kortschrift geheel —, het zal mij heel wat moeite kosten het opnieuw aan te leeren.

Het verblijf in Java's binnenlanden heeft hem spoedig de geriefelijkheden der beschaafde maatschappij —.

Het kind is zóó langen tijd in huis gebleven, dat het de buitenlucht geheel — is.

33. Gehecht—verkleefd—verknocht.

Door liefde of genegenheid aan een ander verbonden.

Gehecht heeft de meest algemeene beteekenis en drukt het gevoel van genegenheid niet zoo sterk als de beide andere woorden uit; het zegt alleen, dat men niet gaarne gescheiden zou worden van den persoon of de zaak, waaraan men gehecht is, daar die scheiding een smartelijk gevoel zou doen ontstaan. Deze jongen is zeer aan zijn onderwijzer gehecht; de hond is aan zijn meester gehecht, en omgekeerd: de meester is aan zijn hond gehecht.

Verkleefd wijst aan, dat er een engere band bestaat, voornamelijk van onwankelbare trouw, waarmede men zijn meerdere aanhangt. Het volk gevoelde zich verkleefd aan den vorst.

Verknocht drukt hetzelfde begrip als verkleefd uit, maar met de bijgedachte, dat de band van trouw of genegenheid nog inniger is, zoodat hij niet kan verbroken worden. Het Nederlandsche volk gevoelt zich aan het Huis van Oranje verknocht.

Hij is zoo aan zijn geboorteplaats —, dat hij nergens anders wil wonen.

De oude dienstbode was zeer aan haar meesteres —.

Door de teederste banden aan hun vorstin —, grepen de Hongaren naar de wapenen en stonden Maria Theresia getrouw ter zijde.

De Nederlandsche bevolking was van oudsher aan haar voorrechten —.

Gelderland voelde zich bij 't begin van den 80-jarigen oorlog meer aan Gulik en Kleef dan aan Holland en Zeeland —.

34. Loochenen—ontkennen.

Staande houden, dat iets niet zoo is.

Ontkennen drukt dit zonder meer uit. Deze schrijver ontkent, dat Jan van Schaffelaar van den toren is gesprongen.—De beschuldigde ontkent, dat hij gestolen heeft.

Loochenen heeft de bijgedachte, dat men tegen beter weten in iets ontkent, dus dat men met opzet liegt. Hij loochent wel dit stuk geschreven te hebben, maar zijn schrift verraadt hem.

Hoewel hij uitdrukkelijk —, dat hij de schrijver van dit artikel is, wordt hij er toch algemeen voor gehouden.

De dief — eerst wel de waarheid van de verklaring der getuigen, maar men bracht hem spoedig door overtuigende bewijzen tot bekentenis.

Hardnekkig — hij het bestaan van een zuster, die met hem de erfenis zou moeten deelen, maar het onderzoek bewees, dat hij wel beter wist.

Ten stelligste — hij het bestaan van een zuster, die met hem de erfenis zou moeten deelen; het onderzoek bewees, dat hij werkelijk gelijk had.

35. Onpartijdig—onzijdig.

Niet voor de eene of andere partij vooringenomen zijn.

Onzijdig zegt, dat men in het geheel geen partij kiest (althans niet openlijk); de onzijdige laat dus uit niets blijken, 't zij door woorden of daden, welke partij zijn sympathie heeft. In den strijd tusschen de Remonstranten en Contra-Remonstranten hield prins Maurits zich eerst onzijdig.

De onpartijdige kiest wel partij, d.w.z. geeft wel aan de eene of andere partij zijn voorkeur, maar hij doet dit uit volle overtuiging, zonder zich door vrees, omkooperij, winstbejag of andere onedele drijfveeren te laten leiden; het is hem alleen om de waarheid te doen; daarbij wil hij ook gaarne het goede in zijn tegenpartij erkennen. Deze geschiedschrijver staat bekend als een onpartijdig man.

Waarom kan men wel van een onpartijdige uitspraak (vonnis), maar niet van een onzijdige uitspraak spreken?

In den Fransch-Duitschen oorlog hield ons land zich —.

Ik heb hem als een — beoordeelaar leeren kennen en waardeeren.

Bij een twist tusschen man en vrouw blijve men liefst —.

Deze courant geeft een — voorstelling, van hetgeen in die vergadering gebeurd is.

Men heeft wel eens de — van Oldenbarnevelts rechters in twijfel getrokken; maar de geschiedenis van zijn rechtspleging weerlegt die beschuldiging ten volle.

36. Talmen—dralen.

Traagheid betoonen.

Dralen doet hij, die door zijn weifeling of vrees tot geen besluit komt en dus met het werk niet begint.—Talmen doet hij, die wel met het werk begonnen is, maar er geen voortgang mee maakt, doordat hij òf te traag van aard is, òf zich te zwak voor de opgenomen taak gevoelt.

Je moet niet zoolang —, begin maar terstond.

Hij — zoo vreeselijk met zijn werk, dat er van opschieten geen sprake is.

De veldheer — tot den slag over te gaan, daar hij met de stellingen van den vijand niet goed bekend was.

De vijand — met het beleg der stad zoo zeer, dat deze zich nog voldoende kon voorbereiden.

Door het lange — met de toezending der vereischte sollicitatiestukken heeft hij den vastgestelden termijn laten verstrijken.

Komt mannen, niet —! vol moed den vijand aangevallen.

37. Ontdekken—uitvinden.

Van een onbekende zaak kennis krijgen.

Men ontdekt, wat reeds bestond, maar nog niet bekend was: Columbus ontdekte Amerika (letterlijk: het dek der onbekendheid, dat het land voor Europa verborg, wegnemen).

Uitvinden heeft betrekking op nieuwigheden, die aan het menschelijk vernuft te danken zijn en die te voren nog niet bekend waren. De uitvinding van de boekdrukkunst schijnt men thans weer met meer recht dan vroeger aan Laurens Janszoon Coster te mogen toeschrijven.

(De uitdrukking: „Ik zal den dader wel uitvinden”, die men tegenwoordig in navolging van vreemde talen wel hoort, is dus beslist af te keuren; vooreerst bestaat de dader reeds, en 2º. wordt de dader niet door een gelukkige combinatie van het menschelijk vernuft te voorschijn gebracht, zooals uitvinden onderstelt.)

Tot zijn schrik — de bankier, dat de boekhouder hem bedrogen had.

Door de — van het microscoop heeft men vele wonderen in de natuur —.

Het geheim wist ik spoedig te —.

Weet gij, wie de draadlooze telegrafie heeft —?

Men heeft eindelijk het spoor van den misdadiger —.

Door de — van het rijwiel is het verkeer zeer vergemakkelijkt.

Wie heeft de slingerwetten —?

38. Plagen—kwellen.

Iemand verdriet of onaangenaamheden veroorzaken.

Plagen onderstelt, dat het verdriet niet bijzonder groot is, terwijl kwellen aanwijst, dat men iemand werkelijk leed (pijn, enz.) aandoet. Je mag den hond niet zoo plagen, maar nog minder mag je hem kwellen.—Plagen wordt ook gebruikt in verbinding met hongersnood, pest, duurte en andere onheilen, die al of niet als een straffe Gods worden aangemerkt. Het land werd met hongersnood geplaagd. (Denk ook aan de plagen van Egypte!)

De reiziger werd door een hevigen dorst —.

Gij moet de meid niet zoo —, door haar telkens om een wissewasje binnen te laten komen.

Wie de dieren —, heeft ook voor de menschen geen goed hart.

Gij moet dat kleine kind niet zoo —.

Karel V werd vaak door jicht —.

Mijn broer — mijn zuster altijd met haar dwazen hoed.

Zijn knagend geweten — hem dag en nacht.

39. Overeenkomen—overeenstemmen.

Bijna geheel aan elkander gelijk zijn.

Overeenkomen drukt dit zonder nadere aanduiding uit. De bouw van deze beide kerken komt met elkander overeen. Overeenstemmen ziet uitsluitend op meeningen, gevoelens of gedachten. (De letterlijke beteekenis duidt aan: dezelfde stem of toon hebben.) Wij stemmen in onze politieke gevoelens volkomen met elkander overeen. Men kan dus niet zeggen: de bouw van deze kerken stemt overeen.

De Veluwe — in vele opzichten met Drente overeen.

De getuigen — niet met elkander overeen.

De beide steden — in handelsbeweging vrij wel overeen.

Bij de keuze van een nieuwen president kon men niet gemakkelijk tot — geraken.

De berichten over sommige feiten uit onze geschiedenis — niet altijd overeen.

40. Schaarsch—zeldzaam—zelden.

Weinig voorkomende.

Zeldzaam duidt aan, dat iets slechts bij uitzondering gezien wordt, doordat er zeer weinig van die voorwerpen bestaan. Voor dezen zeldzamen postzegel heb ik drie gulden betaald.

Schaarsch wil zeggen, dat van iets op een gegeven tijdstip minder voorraad is, dan men verwacht had, zoodat er een tijdelijke behoefte aan bestaat. Daar de aardappelen dit jaar schaarsch zijn, besteedt men hooge prijzen.

Zeldzaam en schaarsch zijn bijvoeglijke naamwoorden, zelden is een bijwoord van tijd en beteekent bijna nooit. Hoe komt het toch, dat wij je tegenwoordig zoo zelden bij ons zien?

Dat is een — exemplaar van Vondels werken.

Door de invoering der muntgasmeters zijn in sommige steden de 2½-centstukken — geworden.

Rijkdom en geluk vindt men — vereenigd.

De berichten van het oorlogsveld zijn zeer —.

Bij Baarn groeit aan de Eembrug een — plant; men ziet die plant maar — in de tuinen.

Nu de aardappelen zoo — zijn, eten wij maar veel meelspijzen.

Haastige spoed is — goed.

De gastvrijheid onzer voorvaderen is — geworden.

Het is een — genot dezen vioolspeler te hooren.

41. Nijgen—buigen.

Een vooroverwaartsche beweging maken.

Nijgen is: slechts even buigen, liefst met een bevallige beweging, zoodat het vooral van vrouwen gebruikt wordt.

Buigen onderstelt, dat de beweging sterker is; als teeken van nederigheid of onderdanigheid is het dus van meer kracht dan nijgen. Zij neeg het hoofd tot een beleefden groet. Hij boog het hoofd in het bewustzijn van zijn schuld.

De vorstin werd luide toegejuicht; vriendelijk — nam zij die hulde in ontvangst.

De deputatie — zeer diep voor den koning.

Met een bevallige — nam de zangeres de bloemen aan.

Na den stormachtigen bijval — de acteur naar alle zijden.

Hij moest voor de overmacht —.

42. Overdrijven—vergrooten.

Iets grooter voorstellen dan het is.

Overdrijven geschiedt meer uit hartstochtelijkheid, uit zucht om iets van grooter gewicht te doen schijnen, dan het in werkelijkheid is; het geschiedt dus niet uit boos opzet. Dat er bij dit ongeval verscheidene menschen verongelukt zijn, laat zich denken; doch dit getal op 200 te stellen is zeker overdreven.

Vergrooten daarentegen onderstelt een bepaald opzet; men wil n.l. door dat vergrooten een of ander doel des te gemakkelijker bereiken. Om hun zoon van zijn vertrek naar Indië terug te houden, hebben zijn ouders hem de bezwaren van het Indische leven zeer vergroot voorgesteld.

Kinderen zijn geneigd, hetgeen hun wedervaren is, te —.

De vijand heeft de verliezen aan onze zijde zeer — opgegeven, om zich zelf des te meer roem toe te kennen.

Het is begrijpelijk, dat een moeder de deugden van haar kind vaak —.

Sommige couranten, die belang hadden bij den val van het ministerie, hebben de beteekenis van deze gebeurtenis zeer —.

„Ook 't goede kan men —, zoodat het ophoudt goed te zijn.”

Om hem van de sollicitatie terug te houden, heeft men de eentonigheid van deze standplaats zeer —.

Dat zij van opschik houdt, is waar, maar dat zij daardoor haar man arm zou gemaakt hebben, is —.

43. Reis—tocht.

Het trekken van de eene plaats naar de andere.

Tocht onderstelt, dat er moeilijkheden te overwinnen zijn, terwijl reis meer op den verren afstand ziet. Zoo spreekt men bij het leger van veldtochten, niet van veldreizen. Waarom is het beter te zeggen een plezierreisje dan een pleiziertochtje?

Op hun huwelijks— naar Zwitserland hebben zij prachtig weer gehad.

De kruis— hadden ten doel het Heilige Land te veroveren.

Op onze — door Duitschland hebben wij den Harz bezocht.

Napoleons — naar Rusland was het begin van het einde.

De — van den koning naar St.-Petersburg zal een week worden uitgesteld.

Maurits' — naar Duinkerken is niet geslaagd.

„Als iemand verre — doet, dan kan hij wat verhalen.”

44. Stom—sprakeloos.

Niet in staat te spreken.

Sprakeloos wijst op een tijdelijk onvermogen, hetzij door ziekte, hetzij door hevige gemoedsaandoening. Hij stond sprakeloos van schrik.

Stom wijst op een aangeboren gebrek: een stom kind; of wel op het natuurlijk onvermogen om te spreken: het stomme vee.

Soms staat stom gelijk met zwijgend: een stomme rol, of wordt ook wel gebruikt bij de hevigste ontroering en is dan sterker dan sprakeloos: Hij was stom van ontzetting.

Het geld, dat — is, maakt recht, wat krom is.

Door den hevigen schrik was zij langen tijd —.

Toen hij deze verpletterende tijding hoorde, was hij — van ontzetting.

Het front van dit orgel bevat verscheidene — pijpen.

Die man is wel ongelukkig: hij is — en blind.

Door een verlamming van de tong is zij — geworden (was zij eenige dagen —).

45. Vatbaar—geschikt.

De noodige eigenschappen voor iets bezittende.

Vatbaar zegt, dat iemand in staat is tot het vatten of ontvangen van invloeden buiten hem. Hij is erg vatbaar voor allerlei ziekten.

Geschikt duidt aan, dat iemand door zijn bekwaamheid of aanleg in staat is, om iets te doen. Hij is om zijn welsprekendheid zeer geschikt voor president dezer vereeniging.

Die jongen is niet — voor goede indrukken.

Zulk een bedaard mensch is niet — om als matroos te varen.

Deze tuinman is ook — voor koetsier.

Ik geloof niet, dat deze booswicht voor verbetering — is.

Van Wassenaar-Obdam was niet — voor vlootvoogd.

Michiel de Ruyter was volstrekt niet — voor vleierij.

De commissaris van politie is zeer — om het onderzoek te leiden.

46. Wijzigen—veranderen.

Iets anders maken.

Wijzigen heeft betrekking op kleine veranderingen, die aan de hoofdzaak weinig afdoen; veranderen onderstelt, dat iets, wat vorm of strekking betreft, geheel anders wordt, en is dus veel sterker dan wijzigen. Ik zal den titel van dit boek: „Verhalen voor Jong-Holland” wijzigen in: „Verhalen voor de Jeugd”.—Ik zal den titel van dit boek: „Verhalen voor Jong-Holland” veranderen in: „Vertelselboek voor 't Jonge Volkje”. Evenzoo beteekent: de wet wijzigen, daarin slechts kleine veranderingen aanbrengen, terwijl de wet veranderen beteekent: er een geheel andere strekking aan geven, 't zij door nieuwe toevoegsels, 't zij de bestaande artikels door geheel andere te vervangen.

Gij moet dezen zin in uw brief eenigszins —, want zoo is hij niet al te duidelijk.

Deze zin in uw brief bevat eigenlijk een beleediging; gij moet hem dus noodzakelijk —.

Hij — zijn kleeding om zich onkenbaar te maken.

De Minister heeft met de wenschen der Kamer rekening gehouden en een — wetsontwerp ingediend.

Deze bewering in uw opstel is geheel onjuist; gij moet dus dit gedeelte —.

De keizer heeft het doodvonnis van den moordenaar — in levenslange opsluiting.

De richting van de spoorlijn is met een kleine — door de Kamer goedgekeurd.

47. Verwelken—verdorren.

Zijn frischheid verliezen.

Verdorren wil zeggen: alle levenssappen verliezen, zoodat het sterven noodzakelijk moet volgen. Deze boom is bijna verdord.

Verwelken ziet meer op het verliezen van frischheid, kleur of geur. Een verwelkte bloem. De bladen verwelken bij droog weder, en, als zij niet begoten worden, verdorren zij ten laatste.

Deze plant staat te —; zij moet noodzakelijk water hebben.

Door den invloed van de nabijgelegen gasleiding schijnt deze beuk te —.

De koolplanten staan reeds te —; als het niet spoedig regent, zullen zij moeten —.

Deze zangeres is een — schoonheid.

48. Verzamelen—vergaderen (of vergaren).

Bijeenbrengen.

Vergaderen duidt op het bijeenbrengen of bijeenkomen van gelijksoortige zaken of personen, die bij elkander behooren, terwijl verzamelen gezegd wordt van ongelijksoortige dingen, die men bijeenbrengt. De gemeenteraad zal morgen vergaderen (de leden behooren bij elkander, om een eenheid te vormen).—Op de markt hadden zich vele menschen verzameld, om Uilenspiegel te zien vliegen. (Deze menschen behoorden niet bij elkander: er was oud en jong, rijk en arm, aanzienlijk en gering bijeen.)—Eindelijk ziet verzamelen soms vooral op hetgeen verstrooid was en weer bijeengebracht wordt: De veldheer wist zijn gevluchte manschappen weer tot een nieuwen aanval te verzamelen. Vergelijk nu: verzameling en vergadering.

Dit museum bevat een — van incunabelen of wiegedrukken (boeken, vóór 1500 in ons land gedrukt).

De bijen — ijverig honig en was. (De honing is her en der verspreid.)

In de zaal werd een — van schilders gehouden.

Wie den armen geeft, — zich een schat in den hemel.

Hij — zijn krachten tot een laatst verweer.

Mijn vriend doet veel aan het — van prentbriefkaarten.

Deze vereeniging — elken laatsten Vrijdagavond der maand.

Hij — al zijn moed om tot dien stap over te gaan.

49. Week—zacht.

Niet hard.

Week duidt aan, dat iets gevoelig is voor indrukken: de weeke klei; een week gemoed.

Zacht stelt meer het aangename gevoel, dat de aanraking geeft, op den voorgrond: het zachte fluweel, een zacht gemoed (d.i. aangenaam in den omgang).

Een — windje lispelde door de bladeren.

Ik wist niet, dat hij zoo — van hart was, zoodat hij geen lijden kan zien.

„En Neerlands — grond hijgde onder 't wicht van wee.”

Wij hebben dit jaar een — winter gehad.

De boter is door de warmte erg — geworden.

Een dokter moet niet —, wel — van gemoed zijn.

50. Breed—ruim—wijd.

Het tegengestelde van bekrompen.

Ruim wil zeggen, dat men zich naar alle zijden gemakkelijk kan bewegen, terwijl breed dit alleen van één afmeting zegt. Een breede gang, een ruime kamer.

Wijd geeft hetzelfde als breed aan, maar heeft de bijbeteekenis, dat er veel of zelfs te veel plaats is voor een of ander voorwerp: een wijde mouw, den havenmond verwijden.

Men heeft op dezen berg een — vergezicht.

Hij vat zijn taak — op.

Die jas is u wel wat —.

Hij heeft een — inzicht in die zaak.

Iets in den — uitmeten.

Een oneerlijk mensch heeft een — geweten: „men kan er met paard en wagen in omdraaien.”

Vele bewandelen den — weg der zonde.

„Het — hemelrond Vertelt met blijden mond Gods eer en heerlijkheid.”

Van zulk een inkomen kan men — leven.

Hij verliet met zijn vaderlijk erfdeel het ouderlijk huis en trok de — wereld in.

51. Zeggen—spreken.

Zich in woorden uiten.

Spreken duidt in het algemeen het vermogen daartoe aan, zonder op de beteekenis of den inhoud der woorden te letten. De mensch kan spreken.

Zeggen heeft de bijgedachte, dat men iets wenscht mede te deelen door middel van de spraak; het let dus vooral op den inhoud. Hij zeide, dat hij spoedig terug kwam. Vandaar komt zeggen altijd overgankelijk voor, terwijl spreken ook onovergankelijk gebruikt wordt, bijv.: Hij sprak zeer lang in die vergadering (d.w.z. hij voerde lang het woord). Men kan veel spreken en toch weinig zeggen.

Ik zal je later wel eens —, waarom ik niet meega.

De redenaar — zeer mooi.

Ik heb hem over die zaak —.

Ik heb hem het mijne van de zaak —.

Bij het — moet gij niet te veel uw keel gebruiken.

Dat is een — voorbeeld (d.w.z. het zwijgt niet, maar het spreekt).

Hij — met luider stemme: „Blijf, waar gij zijt!”

Toen ik hem naar de reden vroeg, — hij geen woord.

Toen ik met hem in den trein zat, — hij geen woord.

(Welk verschil is er tusschen: Hij sprak geen woord, en Hij zeide geen woord?)

52. Schrik—ontzetting.

Hevige ontroering bij het aanschouwen van iets beangstigends.

Schrik geeft meer de werking zelf aan, waarbij men bij 't zien of hooren als 't ware opspringt (schrikken = springen; vgl. schrikkeljaar, 't jaar waarin de datums één dag meer verspringen). Men kan zich spoedig herstellen en zijn kalmte terugkrijgen.

Is de ontroering heviger, zoodat zij ons gemoed geheel vervult, dan spreekt men van ontzetting. (Zie No. 44.)

(Verandert door schrik of ontzetting ons gelaat, dan spreekt men van ontstellen.)

Van — stond hij aan den grond vastgenageld.

Van — rezen hem de haren te berge.

Met — bemerkte hij, dat hij zijn geld verloren had.

Met — bemerkte de kapitein, dat het schip verloren was.

Met — zag de moeder het aan, hoe de vijand haar kinderen vermoordde.

Toen de patroon den bediende op de vervalsching wees, — deze.

Van — kon hij geen woord uitbrengen.

Ieder vernam met —, welke gruwelen door de Turken gepleegd werden.

53. Beloonen—vergelden.

Iemand iets geven voor hetgeen hij gedaan heeft.

Beloonen (soms loonen) geschiedt als een bewijs van goedkeuring (door een meerdere) of om voor een bewezen dienst iets stoffelijks (meest geld) te geven. De vader beloont zijn kind. De eerlijke vinder zal goed beloond worden.

Vergelden onderstelt meer het geven van iets onstoffelijks voor bewezen diensten en kan ook van een mindere jegens zijn meerdere gezegd worden. Het kind vergold door een voorbeeldig gedrag de zorgen zijner ouders.

Bovendien ziet beloonen op den persoon (het kind werd beloond), en vergelden op de zaak (de zorgen, niet de ouders werden vergolden). Men houde in het oog, dat beide woorden in figuurlijken zin soms in ongunstige beteekenis voorkomen: Het kwaad loont zijn meester. (Waarom niet vergeldt?)—Kwaad met kwaad vergelden. (Waarom niet beloonen?)

Moge God u voor al uw zorgen —. Moge God u al uw zorgen —.

De onderwijzer — den leerling voor zijn goed gedrag.

De tijd, dien ik aan deze studie wijdde, is ruim — geworden.

Het kwaad — steeds zich zelf.

Jammer, dat hem die weldaad met zulk een ondank werd —.

Jammer, dat hij voor die weldaad zoo met ondank werd —.

54. Slot—einde.

Het laatste gedeelte van een zaak of handeling.

Einde zegt dit in het algemeen, slot onderstelt het einde van een geordend en afgewerkt geheel. Een laan heeft wel een einde, maar geen slot; daarentegen heeft een brief wel een slot, doordat de brief een geordend en afgewerkt geheel is. Zoo zegt men: het einde van de bladzijde, niet het slot. Van een boek kunnen beide woorden gebruikt worden; het einde vindt men na den laatsten regel, het slot ziet op de laatste zinnen: Dat boek bevat een pakkend slot. Ik las dit boek van het begin tot het einde, maar vond niet het bewuste woord.

(Waarom zegt men wel slot-zin en niet einde-zin?)

Aan het — van dezen zandweg woont een jager.

Het — van dit gedicht munt uit door groote zeggingskracht.

Aan het — der volgende week hoop ik u te bezoeken.

Tot — gaf de spreker nog een gedichtje ten beste.

De vergadering werd aan het — rumoerig.

Het — zijner redevoering heb ik niet duidelijk verstaan.

Aan het — zijner redevoering verhief zich een daverend applaus.

Vergeet niet het — van uw brief in den behoorlijken vorm te schrijven.

De brief was zoo lang, dat er geen — aan scheen te komen.

55. Hooren—luisteren.

Door het gehoor iets waarnemen.

Hooren drukt uit, dat dit onwillekeurig, soms zelfs tegen onzen zin kan geschieden: Wij hooren altijd het geloop op de verdieping boven ons.

Luisteren drukt uit, dat men scherp en met aandacht naar iets of iemand hoort en is dus veel sterker. De keukenmeid luisterde aan de deur, wat er binnen gesproken werd.

Wat — ik, ga je vertrekken?

— eens, wat die man te vertellen heeft.

De reiziger — een vreemd geluid in het bosch; hij stond daarom stil en —, wat het zijn mocht.

De wind is zeker zuid, daar men den trein zoo goed kan —.

In die vergadering — men soms rare dingen.

De geheele vergadering — met gespannen aandacht naar den spreker.

Ik heb wel —, dat hij iets zeide; maar ik heb er niet voldoende naar — om het u over te vertellen.

56. Frisch—versch.

Nog onbedorven, niet oud.

Versch duidt aan, dat iets nog alle eigenschappen bezit, die het gevolg zijn van zijn nog kort bestaan. Dit vleesch is nog versch (het is nog niet bedorven of oud; het bestaat n.l. nog pas, d.w.z. de koe is pas geslacht); een versch ei.

Frisch duidt aan, dat iets er jong of jeugdig uitziet, zonder het daardoor nog te zijn; het nadert zoodoende de beteekenis van: sterk, vol leven, gezond. Na een rustigen slaap gevoelt men zich weer frisch.—Een frissche kleur; frissche rozen.—Soms ook is het synoniem met verkoelend: een frissche wind.

Een glas — melk is een gezonde drank. Een glas — water is in den zomer aangenaam.

De veldheer liet — troepen aanrukken.

Die man ziet er nog — uit, al is hij reeds op jaren.

Hier heb ik een bouquet — bloemen.

Dit vleesch schijnt mij niet — meer.

Al is in den winter — lucht soms ook wat —, zij is daarom toch onmisbaar.

Op den wand zag men een — gemetselde plek, waarachter de huisheer zijn geld verstopt had.

Er woei een — koelte.

Een glas citroen is 's zomers een — drank.

57. Verwaarloozen—verzuimen.

Nalaten, wat men behoorde te doen.

Verwaarloozen beteekent: niet meer voor iets zorgen, zoodat het bederft of onbruikbaar wordt. Hij heeft zijn tuin zoo laten verwaarloozen, dat er haast niets meer dan onkruid in groeit.

Verzuimen ziet op het nalaten van een of andere plicht. Gij hebt zeker weer verzuimd den brief te frankeeren.

De regenten lieten de vestingen zoo —, dat de grachten dichtgroeiden en de kanonnen op de wallen verroestten.

Ik heb schandelijk —, u van mijn vertrek in kennis te stellen.

Wat ziet dat kind er — uit.

Men beschuldigde de Gouvernante, dat zij opzettelijk de vloot liet —, om ons land des te gemakkelijker aan Engeland te kunnen overleveren. Deze valsche beschuldiging, dat zij haar plicht —, griefde haar diep.

Gij hebt heel wat —, door de uitvoering niet bij te wonen. (Het was dus uw plicht geweest te komen.)

58. Haast—spoed—ijl.

De snelheid, waarmee men een handeling volbrengt.

Haast doet denken aan de snelle beweging, die men maakt om voort te komen of om den arbeid af te krijgen. Als gevolg hiervan ontbreekt meestal overleg en nadenken. Gij behoeft met dit werk geen haast te maken; ik heb er den tijd nog mee en zie liever, dat gij het kalm en bedaard afmaakt.—In grooten haast heb ik dit geschreven: verontschuldig dus mijn onduidelijk schrift.

Spoed duidt aan, dat het werk geregeld en snel voortgaat, zonder door tusschenpoozen van rust te worden onderbroken. Dank zij den spoed, waarmee gewerkt kon worden, was het gebouw op den gewenschten tijd klaar. Spoed sluit dus evenals haast een snellen voortgang der handeling in, maar heeft niet de bijgedachte, dat het werk met weinig overleg tot stand komt. Wie met haast handelt, ontmoet soms een of anderen tegenspoed en komt dus niet vooruit. In zijn haast, om nog op tijd aan den trein te zijn, trok hij twee knoopen van zijn jas, die eerst weer aangenaaid moesten worden. Door dit oponthoud kwam hij te laat.

IJl heeft veel overeenkomst met haast, maar duidt meer aan, dat men den noodigen tijd voor 't werk mist en men zich derhalve reppen moet, om dien tijd uit te winnen. Men spreekt dan ook van een ijlbode, daar er geen tijd te verliezen is, integendeel er moet tijd uitgewonnen worden. Ik liet hem dit in allerijl weten.

Hoe meerder —, hoe minder —.

Ik hoop uw opdracht met bekwamen — te volbrengen.

Als gij zoo'n — maakt, zal er van dat werk niet veel terecht komen.

Ik zal zijn koffer als —goed laten bestellen.

Gebruik nu in zinnen: haastig, spoedig, ijlings.

59. Verwisselen—verruilen (of ruilen).

Zich van iets ontdoen, om er iets anders voor in de plaats te nemen.

Verruilen wil zeggen, dat de handeling opzettelijk en met eens anders toestemming geschiedt, terwijl het verruilde voorwerp een anderen eigenaar krijgt. Ik heb mijn kleurdoos tegen zijn passerdoos verruild.

Verwisselen duidt aan, dat daarbij niet de toestemming van een ander wordt vereischt, terwijl de handeling ook zonder opzet kan geschieden. Bovendien kan men slechts gelijksoortige zaken verwisselen. Bij vergissing had ik mijn hoed tegen den zijnen verwisseld. (De handeling is toevallig.)—Kinderen, verwisselt de leien! (De handeling is wel opzettelijk, maar elkanders toestemming is niet vereischt; ook veranderen de leien niet van eigenaars.) Wat beteekent: De kinderen verruilen de leien?

Zij — spoedig haar balcostuum tegen een huisjapon.

De beide ontvangers hebben van standplaats —.

In vroeger tijd dreef men uitsluitend —handel.

De kinderen spelen vaak „boompje —”.

Ik zou met al zijn geld toch niet graag met hem —.

De Zuidelijke Nederlanden zijn nog al eens vaak van naam —.

Engeland heeft Helgoland tegen een deel van Afrika —.

De beide vrouwen, die voor Salomo's vierschaar verschenen, hadden elkanders kinderen —.

60. Nieuwsgierig—weetgierig—benieuwd.

Begeerig om iets te weten.

Weetgierig is hij, die het wetenswaardige verlangt te kennen; het heeft dus een gunstige beteekenis. Deze knaap toont zich zeer weetgierig, zoodat hij vol ijver studeert.

Nieuwsgierig is hij, die allerlei nieuwtjes wenscht te weten, zaken, waarmee hij soms niets te maken heeft. In den regel heeft het dan ook een meer ongunstige beteekenis. Deze vrouw is zeer nieuwsgierig: onophoudelijk begluurt en beluistert zij haar buren.

Benieuwd ziet op de begeerte, om den afloop van iets, waarvan wij nog in het onzekere zijn, te kennen: dit feit kan nog gebeuren moeten, en in dit geval is de afloop natuurlijk nog niet bekend, of wel, het feit is al gebeurd, maar de afloop is ons nog niet bekend. Ik ben benieuwd, of hij zal slagen (of hij geslaagd is).

Toen men in 1903 den Amersfoortschen keisteen zou opgraven, was iedereen —, of hij nog te vinden zou zijn. Zoodra hij eindelijk gevonden was, waren velen — genoeg, om den historisch geworden steen eens te gaan zien. Enkelen waren zelfs — genoeg om zijn geschiedenis uit de oude geschriften op te diepen.

Deze dienstbode is uiterst —, voortdurend staat zij aan de deur te luisteren.

Een — jongen kan soms moeilijke vragen doen.

Een — jongen staat met zijn neus overal vooraan.

Wij zijn —, of hij benoemd zal worden.

Gij moet uw brieven beter voor de — blikken van anderen verbergen.

61. Nalaten—achterlaten—overlaten.

Overblijven door het weggaan van anderen.

Nalaten onderstelt altijd een overlijden en vestigt de aandacht op de personen, die blijven leven, of op de goederen, die de overledene bezat. Hij liet slechts één zoon na. Hij heeft een groot vermogen nagelaten.

Achterlaten onderstelt, dat iemand bij zijn vertrek de genoemde personen of zaken niet meeneemt. Hij liet bij zijn ontvluchting naar Amerika zijn huisgezin achter.

Moet bij dit woord niet aan een vertrek, maar óók aan overlijden gedacht worden (evenals bij nalaten), dan duidt het vooral den toestand aan, waarin de betrekkingen na den dood van hun bloedverwant verkeeren: Hij liet een diepbedroefde weduwe onverzorgd achter.

Overlaten duidt aan, dat iemand bij zijn heengaan afstand doet van het achtergelatene ten behoeve van een ander. De vluchteling ontdeed zich snel van zijn bovenkleeren, sprong te water en liet zijn kleeding aan zijn vervolgers over. Wordt overlaten gebruikt bij een sterfgeval, dan wijst het woord vooral aan, dat de overledene voor de nagelaten betrekkingen niet heeft kunnen of willen zorgen. Bij zijn dood heeft de verkwister zijn gezin aan de grootste ellende ten prooi overgelaten.

De overleden schrijver heeft nog een bijna voltooiden roman —.

Door zijn overhaaste vlucht moest hij een deel van zijn papieren —.

Bij zijn vlucht moest hij het grootste deel zijner papieren aan zijn vervolgers —.

De gierigaard heeft een groot kapitaal —.

Bij zijn dood liet hij zijn beide kinderen onverzorgd —.

Zijn daden zullen hier een aangename herinnering —.

Door zijn wanbeheer liet hij bij zijn dood zijn gezin aan de grootste ellende —.

Bij zijn vertrek liet hij groote schulden —.

Bij zijn dood heeft hij groote schulden —.

Hij liet mij aan mijn eigen lot —.

Bij vergissing heb ik bij mijn vertrek uit de stad in mijn hotel een handkoffertje —.

De Kelten hebben hier vele sporen van hun verblijf —.

62. Overtuigen—overreden—overhalen.

Iemand tot andere gedachten brengen.

Overreden wil zeggen: iemand door redeneering zoover brengen, dat hij het een of ander doet of toestaat, waarvan hij te voren niet wilde weten. Het kostte ons veel moeite hem te overreden, de benoeming van voorzitter aan te nemen.

Overhalen is niet zoo sterk als overreden; het onderstelt minder klemmende redeneering en duidt meer op goed gekozen woorden of verleidelijke voorstellen. Het wordt dus meer van alledaagsche zaken gebezigd en kan ook een ongunstige beteekenis hebben. Ik heb hem overgehaald nog een week zijn reis uit te stellen. Hij liet zich door de dieven spoedig overhalen het gestolene in zijn woning te verbergen.

Overtuigen ziet niet zoozeer op de daden van iemand, als wel op zijn meening, zijn inzicht. Het wil zeggen: iemand door grondige bewijzen brengen tot de erkenning, dat hetgeen wij zeggen, volkomen waar is. Het onderstelt meestal, dat wij zijn bedenkingen eerst moeten weerleggen, alvorens hij de waarheid onzer woorden wil aannemen. Ik heb hem eindelijk overtuigd, dat zijn levenswijze zijn gezondheid moet ondermijnen in plaats van die te bevorderen.

De verleider wist hem spoedig —, mee te doen.

Men heeft hem reeds lang te vergeefs willen — geheelonthouder te worden; eerst toen men hem eindelijk — had, dat de alcohol vooral voor zijn gestel zeer schadelijk is, heeft hij zich als lid laten inschrijven.

Hoewel hij geheelonthouder is, heeft hij zich in een zwak oogenblik laten —, een glas wijn te drinken.

Men kon hem niet —, de candidatuur voor den gemeenteraad te aanvaarden. Wij trachtten hem wel te —, dat een man van zijn kennis en ervaring in den Raad onmisbaar was, maar hij bleef bij zijn voornemen.

De gevangene wist den cipier —, hem bij de ontvluchting behulpzaam te zijn.

63. Achting—eerbied—ontzag.

't Gevoel, dat iemands voortreffelijkheid of meerderheid ons inboezemt.

Achting draagt men iemand toe, als men zijn voortreffelijke hoedanigheden erkent en hem daarom eert. Door deze edelmoedige zelfopoffering verwierf de held zich de achting van alle medeburgers, ja zelfs van zijn vijanden.

Eerbied onderstelt, dat men iemands meerderheid levendig gevoelt en hem dit door betooning van hulde en eer op eenigszins onderdanige wijze duidelijk bewijst. Een request aan regeeringspersonen begint meestal: Geeft met verschuldigden eerbied te kennen, enz.

Ontzag is de eerbied, dien men voor zijn meerderen gevoelt; het gaat min of meer gepaard met een gevoel van vrees, daar zij ons voor onze tekortkomingen en overtredingen kunnen straffen. Geloofd zij God met diepst ontzag! (Waarom diepst, en niet hoogst?)

Gij moet den ouderdom met — bejegenen.

Door zijn strenge straffen wilde Alva — inboezemen.

De burgemeester verwierf zich door zijn uitstekend bestuur spoedig de — aller ingezetenen.

Met diepen — naderde de afgezant den koning.

Onder de zwakke opvolgers van Karel den Grooten ging spoedig het — voor den vorst verloren.

Toen het bekend werd, dat Leicester met den vijand in het geheim onderhandelde, verloor hij weldra ieders —.

Zoodra de koning de vergaderzaal binnentrad, verhieven zich alle leden ten teeken van — van hun zetel.

Deze leerlingen schijnen weinig — voor hun onderwijzer te hebben; zij zouden anders ten minste met meer — over hem spreken.

64. Betuigen—betoonen—bewijzen.

Zijn gevoelen doen blijken.

Betuigen geschiedt door verzekeringen, door verklaringen, dus door woorden. Hij betuigde mij in hartelijke bewoordingen zijn vriendschap.

Betoonen is sterker: het onderstelt, dat men door zichtbare teekenen, bijv. door daden, van zijn gevoelen blijk geeft. Hij betoonde mij zijn vriendschap, door mij in mijn ziekte vaak te bezoeken.

Bewijzen komt vrijwel met betoonen overeen; alleen is het iets sterker, doordat het doet denken aan overtuigende bewijzen. Hij bewees mij zijn vriendschap, door mij in den nood getrouw bij te staan.

Hij — wel zijn onschuld, maar hij kon ze niet —.

De misdadiger was zeer bedroefd en — daardoor berouw te hebben over het gebeurde.

Hij — mij in een langen brief zijn leedwezen over de beleediging, die hij mij aangedaan had.

Jan van Schaffelaar — zijn waren heldenmoed, door zich onverschrokken van den toren te werpen.

De Tweede Kamer — haar deelneming in het overlijden van haar medelid in een brief van rouwbeklag aan de weduwe. Zij — haar deelneming, door de zitting als teeken van rouw op te heffen.

De regeering —, dat zij de verdiensten van den gesneuvelden held hoog waardeerde, door op zijn graf een prachtig gedenkteeken op te richten.

65. Noodzaken—dwingen—dringen.

Iemand met kracht tot een handeling bewegen.

Dwingen zegt, dat zulks door dwang, door geweld van anderen geschiedt; de gedwongene moet tegen zijn zin doen, wat van hem geëischt wordt. De vijand wilde den schildwacht dwingen de wapens af te geven, maar de brave soldaat liet zich liever doodschieten dan zijn post ontrouw te worden.

Noodzaken onderstelt, dat iemand niet door geweld, maar door den nood der omstandigheden tot het uitvoeren der daad gebracht wordt; hem blijft dus niets anders over dan zich te onderwerpen. Dwingen geschiedt door machthebbende personen, terwijl noodzaken meer op de macht der omstandigheden ziet. Doordat de proviand begon op te raken, waren de schipbreukelingen genoodzaakt, zich op rantsoen te stellen.

Dringen komt veel met dwingen overeen, maar is niet zoo sterk. Het onderstelt, dat de betrokken persoon nog altijd eenige vrijheid van beweging houdt (denk aan het opdringen te midden van een dichte menigte); bij dwingen daarentegen heeft de bedoelde persoon niet de minste vrijheid meer. De uitvoerigheid der stof drong mij mijn onderwerp slechts in hoofdzaken te behandelen.

De Spanjaarden wilden Leiden door hongersnood — zich over te geven.

Doordat de weg zoo modderig was, waren wij — van de fiets te stappen.

Ik gevoel mij —, U mijn hartelijken dank te brengen voor Uw medewerking.

Eerst toen de Mogendheden Lodewijk XIV wilden — zijn eigen kleinzoon te bevechten, greep hij weer vol moed naar de wapenen.

Heemskerck en Barents waren — den kouden winter op Nova-Zembla door te brengen.

Door ware vriendschap jegens u —, moet ik u ernstig tegen dezen man waarschuwen.

Door het ongunstige weer waren wij —, van de reis af te zien.

66. Tevreden—vergenoegd.

Niet hakend naar meer.

Tevreden is hij, die geen onbevredigde verlangens koestert en dus voldaan is, met hetgeen hij heeft.

Vergenoegd zegt eveneens, dat men genoeg heeft, dus alles wat men verlangt, maar drukt tevens uit, dat die tevredenheid met zichtbare vreugde of blijdschap gepaard gaat.

Hij is — met zijn lot en heeft daarom een gelukkig leven.

Hij ziet er vandaag — uit.

Ik ben zeer — over uw examen.

Deze eenvoudige en — menschen leven — en blij.

67. Misgunnen—benijden.

Een ander niet in 't genot of het bezit van iets kunnen zien.

Misgunnen duidt aan, dat men over dat bezit van een ander ontevreden is. Men kan zelf wel iets dergelijks bezitten, maar toch kan men uit vijandschap niet zien, dat een ander het ook heeft. Misgunnen stelt dus vooral den persoon, niet zoozeer het voorwerp (of genot) op den voorgrond. Hij misgunt mij dit genoegen, wil dus zeggen: hij draagt mij een kwaad hart toe en daarom kan hij niet zien, dat ik een genoegen smaak.

Benijden onderstelt, dat men het bezit (of genot) voor zichzelf verlangt, doordat men het zelf niet heeft. Men kan dus een ons geheel onbekend persoon benijden om zijn fiets; men behoeft hem dat rijwiel volstrekt nog niet te misgunnen.—Soms heeft benijden de ongunstige beteekenis verloren, bijv. ik benijd u waarlijk uw mooien tuin; men wil door deze uitdrukking den tuin des te sterker prijzen, zoodat deze zegswijze meer als vleierij moet opgevat worden.

De arme man stond getroffen door den rijkdom van zijn buurman; duidelijk was het te zien, dat hij hem dien overvloed —.

Ik — je, dat je geslaagd bent, maar ik — het je niet.

Deze man heeft een onaangenaam karakter: hij — ieder een vroolijken dag.

Er waren vele vrienden, die hem zijn succes —, maar nog meer vijanden, die het hem —.

68. Voorbedachtelijk—opzettelijk.

Deze woorden geven te kennen, dat men het bepaalde voornemen heeft iets te doen.

Voorbedachtelijk (of gewoonlijk: met voorbedachten rade) onderstelt meestal een slechte daad, opzettelijk daarentegen in den regel niet.

Opzettelijk is het tegengestelde van toevallig; men wil dus laten blijken, dat men iets niet toevallig doet. Ik heb hem opzettelijk opgezocht, om hem te overtuigen, dat ik niet meer boos was. Voorbedachtelijk onderstelt, dat men vooraf middelen bedacht heeft ter bereiking van zijn doel; dit doel is bij voorbedachtelijk altijd misdadig, hetgeen bij opzettelijk niet het geval behoeft te zijn. De edelen wekten Floris V met voorbedachten rade reeds spoedig uit zijn middagslaap, om hem zoodoende zonder gevolg naar de valkenjacht te laten trekken.

Ik heb hem — voor dien jongen gewaarschuwd.

De dief heeft blijkbaar bij zijn inbraak — eerst de weduwe vermoord.

In dit park heeft men — nestkastjes geplaatst, om meer zangvogels te krijgen.

Men heeft den reiziger — van den weg gelokt, om hem des te gemakkelijker te kunnen berooven.

Daar de rijkskanselier Bismarck gaarne den oorlog met Frankrijk wilde, beschuldigt men hem, dat hij — het telegram van Ems zou hebben verminkt.

Ik heb u — laten roepen, om u dit zelf te zeggen.

69. Aangezicht—gezicht—gelaat.

Het voorste deel van het hoofd.

Aangezicht is de algemeene en gewone benaming, terwijl gelaat edeler is als uitdrukking van het karakter. Men heeft bijv. pijn in het aangezicht en niet in het gelaat. Men leest ontroering zoowel op iemands aangezicht, als op zijn gelaat, hoewel dit laatste eigenaardiger en gepaster is, als uitdrukking der gemoedsbeweging.

Gezicht is hetzelfde als aangezicht, maar behoort meer tot de alledaagsche taal: Ik zag hem vlak in het gezicht. Het kan ook van dieren gebruikt worden: een apengezicht, en is daarom ook platter dan aangezicht: iemand een slag in het gezicht geven.

Wie zijn neus schendt, schendt zijn —.

Het — is de spiegel der ziel.

Hij viel op zijn — en bad God om vergeving.

Het kind viel op zijn — en liep een schram op.

Er lag een glans van voldoening op zijn —.

Wacht u voor iemand met twee —.

Ik ken hem alleen bij naam, niet van —.

Wat heb je toch een rood — gekregen!

Met ontsteld — kwam hij binnenstormen.

Je hebt je — niet goed gewasschen.

70. Bepalen—vaststellen.

Wat nog onzeker was, nauwkeurig aangeven.

Vaststellen doet men letterlijk iets, dat los of wankel staat, wat, bij uitbreiding van beteekenis, onzeker is of nog aanleiding geeft tot twijfel. De prijs werd door alle bakkers op 10 cent per K.G. vastgesteld (de prijs was iets wankelends en daarom wilde men dien nader en vaster aangeven).

Bepalen is door palen een onbegrensde ruimte afperken, men weet dan voortaan de juiste ligging; het woord wijst er dus vooral op, dat het onbekende (niet het twijfelachtige) nauwkeurig wordt aangegeven. Het uur der vergadering werd eindelijk op 6 uur bepaald. (Het was eerst nog onbekend!)

Vaststellen heeft dus ten doel den bestaanden twijfel of onzekerheid weg te nemen, terwijl bepalen meer ziet op het nader aanduiden van het onbekende.

Geen mensch kan den loop der sterren —, wel kunnen de astronomen dien nauwkeurig —.

Mijn vertrek is eindelijk op half Maart —.

Het is eindelijk de politie gelukt de identiteit van den dief —.

Het feest is op 31 Augustus —, maar het programma moet nog nader — worden.

De erflater had —, dat een vierde van zijn nalatenschap aan het weeshuis zou komen.

Hebt gij de kenmerken van deze plant al —? (Zij waren onbekend!)

De gemeenteraad heeft het percentage van de plaatselijke directe belasting op 1.5 —. (Het was nog onzeker!)

De Regeering heeft —, dat de aangeslibde gronden aan het Rijk behooren.

71. Edelmoedig—grootmoedig.

Beide woorden drukken een hoogen graad van zedelijke grootheid aan.

De edelmoedige heeft een edel gemoed, een edele ziel, en is dus geneigd tot edele daden. Hij zal bijv. bij vijandschap de eerste zijn, die de verzoenende hand aanbiedt en door geen wraak bezield wordt; hij zal eigen genoegen opofferen om anderen daardoor van dienst te kunnen zijn.

Grootmoedig drukt een nog hoogeren graad van zielegrootheid uit; de grootmoedige is tot nog veel grooter opofferingen in staat dan de edelmoedige: hij kan zelfs tegenover zijn vijanden edelmoedig zijn. De edelmoedige verdient lof en toejuiching; de grootmoedige dwingt bewondering af.

Wie met eigen levensgevaar iemand uit een brandend huis redt, handelt —; is de geredde zijn vijand, dan was de redder —.

De zendeling was — genoeg, al zijn have en goed voor de heidenen op te offeren. Toen zij hem later vermoordden, was hij nog zoo —, dat hij voor zijn moordenaars bad.

De liefdezuster leidde een leven van — zelfopoffering.

De zelfopoffering van Jan van Schaffelaar was een — daad.

Welke gebreken de Boeren te veld ook hadden, men kan niets anders zeggen, dan dat zij hun krijgsgevangenen — behandelden.

Ofschoon de wisselwachter jaren lang door zijn buurman op allerlei wijzen beleedigd was, toonde hij zich zoo —, dat hij in de ure des gevaars het eenigst kind van zijn buurman met eigen levensgevaar van een wissen dood redde.

Ofschoon de landheer recht had op de volle pacht, was hij na de noodlottige overstrooming — genoeg zijn pachters kwijtschelding van de huur te verleenen.

72. Zwoegen—sloven—slaven.

Zwaren arbeid verrichten.

Zwoegen ziet op een meer kortstondige, maar zeer sterke krachtsinspanning, zoodat men er van hijgt. Hoezeer Eliza zwoegde onder haar dierbaren last (haar kind), toch ijlde zij voort om haar zoontje te redden.

Slaven doet denken aan een slaaf, die van 's morgens vroeg tot 's avonds laat zwaar werken moet, zonder zelf de vruchten van zijn arbeid te plukken; het woord legt vooral den nadruk op het langdurig werken, terwijl sloven inzonderheid ziet op het vermoeiende en afmattende van den langen en zwaren arbeid. Menig daglooner moet heel wat sloven voor zijn stukje brood. Tot 's avonds toe laat hij niet af van slaven. (Psalm 104.)

De man — onder een zwaren last.

Deze daglooner moet voor zijn dagelijksch brood hard —.

Deze arbeider — van vroeg tot laat en kan nog ternauwernood in zijn onderhoud voorzien.

Wat — ge, o mensch naar goud of eer? (Waarom dit woord, en niet de twee andere?)

Moege— en moegezongen slaap ik op den harden grond. (Waarom niet de beide andere woorden?)

Hij stierf nog jong, maar af— vóór zijn jaren.

73. Plaats—plek—oord.

Een deel der ruimte.

Oord heeft de meest algemeene beteekenis; het doet denken aan een eenigszins uitgestrekte ruimte, waarvan men de grenzen niet nauwkeurig opgeeft. De trekvogels zoeken in het najaar een warmer oord op.

Plaats ziet meer op een begrensd deel der ruimte, soms ook op een nederzetting van menschen (dorp, stad, buurt, enz.), terwijl plek bovendien aanduidt, dat die ruimte betrekkelijk klein is. Ieder lichaam neemt plaats in (d.w.z. een begrensd deel der ruimte; oord of plek kan dus niet dienen). In zijn plaats zou ik anders handelen. (Hier is plaats figuurlijk gebruikt naar aanleiding van de letterlijke beteekenis, dat iemand plaats inneemt.) Op de Veluwe vindt men niet vele groote plaatsen. Dit plekje in het bosch is ons dierbaar (een kleine plaats).

De —, waar het geld verborgen ligt, kan niemand terugvinden.

In Amerika vindt men vele onherbergzame —.

In ons land wordt nog op vele — die gewoonte gevolgd.

O dierbaar — grond, waar eens mijn wieg op stond.

Vele Boeren verlieten hun land om een rustiger — op te zoeken.

Hij is hier de rechte man op de rechte —.

Op deze — moet eens een kapel gestaan hebben.

In zulk een afgelegen — zou ik niet kunnen wonen.

Op de —, waar thans de Dollart golft, vond men vroeger welvarende dorpen. (Waarom is plek hier niet juist?)

74. Deftig—plechtig—statig.

Deze woorden geven te kennen, dat het uiterlijk of de handelingen in overeenstemming zijn met den ernst der omstandigheden.

Deftig wijst aan, dat vooral achtbaarheid, waardigheid of voornaamheid op den voorgrond treedt; het wordt zoowel van personen als van zaken gezegd. Hij kleedt zich altijd even deftig. Een deftig publiek. Een deftig huis. Een deftige begrafenis.

Statig noemt men handelingen, die van uiterlijke praal (statie) vergezeld gaan en vooral berekend zijn om indruk, ontzag, eerbied te wekken: een statige tred. Ook gebruikt men dit woord om te kennen te geven, dat het uiterlijk van een persoon of een ding door waardigheid of ouderdom ontzag inboezemt: Een statige gestalte. Een statige eik.

Plechtig is afgeleid van plicht, dat oudtijds ambt of bediening beteekende. Het heeft dan ook vooral betrekking op deftige ceremoniën, die aan zeker ambt of waardigheid verbonden zijn. Een plechtige audiëntie. Bij uitbreiding van beteekenis wijst het ook handelingen aan, die aan de deftigheid tevens grooten ernst paren, of indrukwekkend zijn; bijv. een plechtige gelofte; hoe is Natuur zoo stil, zoo plechtig.

Toen de koning binnentrad, heerschte er een — stilte. Met — tred begaf hij zich naar den troon en legde op — toon den eed op de grondwet af.

Wie woont er in dat — huis?

Jaarlijks op St.-Jan wordt in Laren (N.-H.) een — processie gehouden.

De — Koningslaan tegenover Soestdijk is een der schoonste van ons land.

Bij die gelegenheid had hij zich — gekleed.

Hoe — rijst de dagvorstin omhoog in het — morgenuur.

De — Dom van Keulen is een der schoonste gebouwen van Duitschland.

Op de Keizersgracht te Amsterdam vindt men vele — huizen.

Ik verzeker u —, die woorden nooit gesproken te hebben.

Gebruik nu in zinnen: deftigheid, statigheid, plechtigheid.

75. Gissen—veronderstellen—vermoeden.

Iets voor waarschijnlijk houden, hoewel men geen volkomen zekerheid heeft.

Neemt men iets als zeker aan, dat nog niet bewezen is, dan spreekt men van veronderstellen, meestal om er gevolgtrekkingen uit te maken. Daar ik veronderstel, dat hij eerlijk is, durf ik hem wel in mijn dienst nemen. Men veronderstelt, dat het licht een trilling van den aether is.

Heeft men eenige zekerheid omtrent de waarheid, van wat men veronderstelt, dan spreekt men van vermoeden. De geleerden vermoeden, dat in den loop der tijden de bodem van ons land gedaald is; men heeft ten minste in Holland op vrij groote diepte boomen gevonden, die alleen in drogen grond konden groeien.

Gissen drukt uit, dat men uit de vele veronderstellingen de waarschijnlijkste kiest. Het bevreemdt mij wel, dat hij niet gekomen is; ik gis echter, dat hij plotseling ongesteld is geworden (d.i. ik heb er wel geen enkel bewijs voor, maar daar hij anders nooit wegblijft, zou ik die veronderstelling voor de waarschijnlijkste houden).

Ik —, dat hij wel voor zijn examen zal slagen; hij heeft althans steeds met ijver gestudeerd.

Ik —, dat hij voor het examen van onderwijzer wel zal slagen, en zal daarom reeds naar een betrekking voor hem uitzien.

Ik —, dat hij uit boosheid niet gekomen is; hij kan zich ten minste zeer driftig maken.

De aanwezigheid van de groote planeet Neptunus werd reeds lang vóór de ontdekking door een paar sterrekundigen —.

Ik — bij mijn lezers voldoende kennis der Fransche taal om de aanhalingen onvertaald te laten.

Over het doel van de ontmoeting der beide keizers werden door de dagbladen wel allerlei — gedaan, maar geen enkele bevredigde het publiek.

Bij een slinger moet gij —, dat hij geen gewicht heeft.

Kunt gij ook niet eenigszins —, waarom hij kwaad op mij is?

„Wie ooit de toekomst — moog', Wat wezen zal, is voor ons oog In duistren nacht verborgen.”

76. Aanhouden—volharden—volhouden.

Een werking of toestand doen voortduren.

Aanhouden drukt alleen uit, dat de werking bestendig blijft voortgaan, dus zonder tusschenpoozen of zonder vermindering van kracht voortduurt. De regen blijft maar aanhouden; ik geloof niet, dat het vandaag nog droog wordt.

Volharden wijst er op, dat de werking niet wordt gestaakt ondanks de groote bezwaren, die zich voordoen of de verzoekingen, die ons aanlokken; bij volharden is dus een vaste wil noodig en het kan alzoo alleen van personen gezegd worden. De Nederlanders zijn langzaam in het ontwerpen, maar volhardend in de uitvoering (d.w.z. de Nederlanders willen een eenmaal aangevangen arbeid niet opgeven).

Volhouden duidt aan, dat men met de werking niet uitscheidt, voordat zij is afgeloopen of het doel bereikt is. Ook dit woord kan dus alleen van personen gezegd worden (of van dieren in fabels). Hij hield zoolang vol met solliciteeren, tot hij geplaatst werd.

De — wint.

De ezel stookte den vos op, om met schoppen en slaan zoolang —, totdat deze niet meer behoefde te trekken.

Hoewel velen hem tot andere gedachten zochten te brengen, — hij bij zijn plan.

Hij heeft langen tijd met verzoeken om traktementsverhooging —, maar zijn patroon — in het weigeren.

De — drop holt den hardsten steen uit.

Niettegenstaande een ander reeds lang den moed had opgegeven, bleef mijn broeder — en zag ten laatste werkelijk zijn moeite beloond.

Hoezeer men den jongen christen met den marteldood dreigde, hij — in zijn geloof.

De vorst blijft maar —, zoodat de scheepvaart gestremd is.

77. Dankbaarheid—erkentelijkheid—verplichting.

De uitwerking, die ontvangen weldaden op ieder rechtschapen gemoed maken.

Erkentelijkheid onderstelt, dat men gaarne tot een of anderen wederdienst bereid is. Uit erkentelijkheid voor uw medewerking bied ik u hierbij een present-exemplaar van mijn werk aan.

Dankbaarheid heeft de bijgedachte, dat de weldoener voor ons te hoog staat om hem met een wederdienst te beloonen. Men is God voor Zijn vele weldaden dankbaarheid verschuldigd.

Dankbaarheid is dus sterker dan erkentelijkheid; daarom zegt men in 't dagelijksch leven uit beleefdheid voor een bewezen dienst: „Ik ben u dankbaar”; sprak men van „erkentelijkheid”, dan zou men de gedachte opwekken, dat men de bewezen goedheid wilde beloonen en daardoor zou men haar waarde verminderen.

Verplichting gebruikt men, als men zedelijk tot erkentelijkheid verplicht, d.i. gedwongen is. Daar ik aan hem zeer veel verplichting heb, wil ik hem niet in het minst tegenwerken.

Ik was mijn ouders zeer — voor het fraaie geschenk.

De — van een kind jegens zijn ouders is zeer groot.

Uit — voor de vele diensten den lande bewezen liet de Regeering den zeeheld op 's lands kosten begraven.

— bezielde de muis, toen de leeuw haar de vrijheid schonk; toen zij later de mazen van het net doorknaagde, bewees zij hem haar — voor die daad.

De drenkeling besefte diep de —, die hij jegens den redder zijns levens had.

Loof den Heer met — voor Zijn vele gaven.

Ik ben mijn leermeester nog altijd — voor de nuttige lessen, die hij mij gaf.

Ik gevoel levendig de —, die ik tegenover mijn pleegouders heb.

Gebruik nu in zinnen: dankbaar, erkentelijk, verplicht.

78. Deemoedig—nederig—ootmoedig.

Deze woorden duiden aan, dat iemand blijkens zijn daden geen hoogen dunk van zich zelven heeft.

Nederig zegt omtrent de beweegredenen niets; het drukt evenwel zeer sterk uit, dat de bescheidenheid uit uiterlijke blijken spreekt, zoodat alle pracht en trotschheid verre blijft. Hij is nederig gekleed.—In een nederige woning vindt men soms meer geluk dan in een trotsch paleis.

Deemoedig onderstelt schuldgevoel, terwijl ootmoedig de bijgedachte heeft, dat men zijn eigen kleinheid of nietigheid diep gevoelt. Hij smeekte God deemoedig om vergeving; hij onderwierp zich ootmoedig aan Zijn wil.

Met een — hart beleed de berouwhebbende zoon zijn schuld.

Hoe hoog M. Az. de Ruyter ook klom, hij bleef altijd even —; ja van zijn grootste overwinningen gaf hij Gode — de eer.

De zondaar lag — in het stof gebogen en bad God — om vergiffenis.

In Hoofts tijd eindigde men de brieven vaak met: „Blijve UEd. — dienaar”.

Hij is te — om zich zóó te laten huldigen.

Met knagend zelfverwijt in het hart keerde hij eindelijk — naar zijn ouders terug.

79. Dwars—scheef—schuin.

Niet rechtlijnig in betrekking tot andere voorwerpen.

Dwars duidt de richting der lijn aan, die rechthoekig op een ander staat. Hij zwom dwars door de gracht.

Is de snijding der richtingslijn niet rechthoekig, dan spreekt men van scheef en schuin. Hierbij duidt men door scheef aan, dat de richting verkeerd is, dat zij dus anders behoorde te zijn, hetgeen schuin niet onderstelt. Dit pad loopt schuin door het bosch.—Deze regel staat erg scheef.—Deze letters staan schuin (d.i. cursief) en die staan scheef (dus verkeerd).

De storm wierp den boom — over den weg, zoodat het verkeer gestremd werd.

Pas op, de tafel staat —.

Sommige menschen hangen een schilderij — (met een hoek voorover) om het beter te belichten.

Deze schilderij hangt iets —; hang ze dus recht.

Ik geloof, dat gij mij den voet — wilt zetten.

Ik woon — over den smid (n.l. recht er over) en — tegenover den bakker.

Wat loopt hij zijn hakken —.

Hij trachtte in — richting de kust te bereiken.

Hij heeft den hoed — opgezet.

De stormen wierpen een zandbank — voor de haven.

80. Overwinning—zege—zegepraal.

De gunstige uitslag van den strijd.

Overwinning ziet meer op den goeden uitslag, zege meer op het moeilijke van den strijd en den daarmee gepaard gaanden roem. Toch wordt dit onderscheid niet altijd in acht genomen en gebruikt men zege, dat meer tot den deftigen stijl beperkt is, ook in plaats van overwinning. Na de overwinning keerden de onzen met grooten buit terug.—Met groote dapperheid bevochten de onzen de zege.

(Verklaar nu, waarom men zegt: de overwinning behalen, en de zege bevechten. En waarom spreekt men van een beslissende overwinning en van zegeteekenen?)

Zegepraal (triumf) was bij de Romeinen eigenlijk de plechtige intocht, dien een veldheer na een beslissende overwinning in Rome mocht houden; bij dezen intocht werden de zegeteekenen meegevoerd1); thans duidt men met zegepraal meer den vreugdevollen optocht na de overwinning aan. (Verklaar die beteekenis uit de oorspronkelijke!) Het houten paard der Grieken werd in zegepraal binnen Troje gebracht.1)

De onzen behaalden een beslissende — op den vijand.

Eindelijk werd de — door de onzen bevochten.

De gevangen vorst werd in — door de stad gevoerd.

Wie heeft in den wedstrijd de — behaald?

Het zegevierend leger trok in — naar de stad terug.

Iedere nieuwe — vlocht weer een nieuwen lauwer om Maurits' slapen.

Hoe harder de strijd, hoe grooter de —. (Wat merkt gij hier op?)

Sommige hovelingen waren naijverig op de — van 's konings veldheer en gunsteling.

Onze waterbouwkundigen hebben menige — op de zee behaald.

81. Overrompelen—overvallen—verrassen.

Onverwachts aanvallen.

Bij verrassen komt vooral de snelheid uit, waarmee de onverwachte aanval geschiedt. In den regel wordt een of andere krijgslist gebruikt, waarop dus de vijand niet gerekend heeft, zoodat hij zich moet overgeven. (Ras = snel.) Het vijandelijk convooi werd door een paar in hinderlaag liggende Boeren verrast.

Overvallen ziet meer op de heftigheid, men zou haast zeggen de onbesuisdheid, waarmee de onverwachte aanval geschiedt, zoodat de aangevallene voor een goed deel weerloos is. Toch kan hij misschien nog den aanval afslaan, wat verrassen niet onderstelt. De vijand werd bij nacht overvallen en verloor vele dooden. Figuurlijk: Wij werden door den regen midden op de heide overvallen.

Overrompelen heeft het bijdenkbeeld, dat door den onverwachten aanval verwarring ontstaat; de aangevallene weet dus niet, wat te doen, en zoo maakt de aanvaller zich des te zekerder van hem meester. De Utrechtsche Patriotten trachten in den nacht van 29 op 30 Juli 1787 het paleis Soestdijk te overrompelen, maar de bezetting werd nog tijdig gewaarschuwd.

De vijand heeft de vesting —. (Verklaar nu de drie schakeeringen.)

Nauwelijks was de boot in zee gekomen, of zij werd door een storm —.

De politie had zich in den boom verborgen en kon zoo gemakkelijk de dieven —.

Prins Maurits wist door middel van een turfschip Breda te —.

Ik was vast besloten mijn toestemming niet te geven, maar hij heeft mij weten te —. (Figuurlijk!)

Een zwaar gewapende bende roovers heeft de reizigers in het bosch —.

Terwijl de onzen vreedzaam in hun kamp zaten te eten, werden zij door een bende Atjehers —.

82. Overtollig—overbodig—overdadig.

Meer dan noodig.

Overtollig (van tal, tellen) is meer dan het vereischte getal, zoodat het min of meer met nutteloos gelijk staat of de beteekenis van hinderlijk nadert.—Gij kunt de overtollige exemplaren van dit boekje wel behouden (dat zijn de exemplaren, die na de uitdeeling nog overblijven en dus voor het doel, de uitdeeling, nutteloos zijn). Zet deze drie overtollige stoelen even de kamer uit; zij staan ons alleen maar in den weg.

Overbodig noemt men alles, wat meer is dan geboden (d.i. verplicht, noodig) wordt geacht; het onderstelt dus niet, dat iets nutteloos is, maar komt vrijwel met onnoodig overeen. Ik bezit reeds een uitvoerig werk over onze geschiedenis; dit beknopt boek zou dus maar overbodig zijn.

Overdadig (van overdaad) heeft een ongunstige beteekenis: het nadert den zin van onmatig of verkwistend. Het overdadig rooken benadeelt de gezondheid.—Zijn overdadige uitgaven zullen hem spoedig arm maken.

De stoommachines voeren het — polderwater in den boezem.

Zulke plichtplegingen zijn hier geheel —.

Gij moet de — gelden maar voor wat anders besteden.

Zijn woning is vol van — pracht.

De meeste ophelderingen in dit boek zijn — en hadden dus wel weggelaten kunnen worden.

Een — gebruik van verkoelende vruchten is schadelijk voor de gezondheid.

83. Mogelijk—misschien—wellicht.

Deze woorden geven te kennen, dat iets nog onzeker is.

Misschien drukt uit, dat er nog groote onzekerheid bestaat. Misschien zal hij komen, misschien ook niet.

Wellicht (of: licht) nadert meer de zekerheid. Hij zal wellicht nog komen, al is het ook regenachtig.

Mogelijk onderstelt, dat de kans zeer groot is. Mogelijk zijn ze nu al in Amsterdam.

Zeg mij, wat u scheelt, dan kan ik u — helpen (Troost: veel zekerheid geven!)

Ik zal eens even kijken; — kan ik u helpen. (De waarschijnlijkheid is zeer gering!)

Ik heb zoo iets wel eens meer gedaan; — kan ik ook u helpen. (De zekerheid is groot!)

84. Nauw—eng—bekrompen.

Niet wijd of ruim.

Nauw drukt zonder meer het tegengestelde van wijd uit: een nauwe straat. Zie No. 50.

Eng voegt er het begrip bij, dat iets door die nauwte bekneld wordt. De jas is mij te eng. Een landengte en in figuurlijken zin: Een eng gevoel.

Bekrompen duidt aan, dat er minder ruimte is, dan vereischt wordt: Hij woont daar zeer bekrompen, en figuurlijk: Een bekrompen verstand.

Wat is sterker: Iemand in de engte, of iemand in het nauw drijven?

Deze gang is wel wat —.

Onze weg voerde door een — pas.

Een — corset is schadelijk voor de gezondheid.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings