VOORBERICHT (continued 2)
Reading edition
Hij leeft in — omstandigheden.
In zoo'n — steeg komt nooit een zonnestraaltje.
Het werd hem — om het hart.
Deze kamer is voor al dat huisraad veel te —.
85. Lichtvaardig—lichtzinnig—luchthartig.
Niet geneigd tot ernstig nadenken.
Luchthartig is hij, die vroolijk en onbezorgd van aard is en niet tot ernstig nadenken over zijn handelingen komt. Hij liep luchthartig over het voorstel heen en nam het aan, zonder dat hij eigenlijk vermoedde, waartoe hij zich verbond.
Lichtzinnig heeft een ongunstige beteekenis; het ziet op een karaktertrek van hem, die gebrek heeft aan den noodigen ernst en die nooit vooraf de gevolgen zijner handelingen overweegt. Hij is lichtzinnig genoeg, om al zijn geld aan die liefhebberij uit te geven.
Lichtvaardig is hij, die zich gemakkelijk door anderen laat meesleepen of verleiden, doordat hij niet zelfstandig nadenkt en overlegt. Hij was lichtvaardig genoeg om zijn geld in die onderneming te steken. (Hij liet zich daartoe gemakkelijk overhalen, doordat hij niet bedacht, wat de gevolgen konden zijn. Vaardig komt van varen = gaan.)
Het — gedrag zal dat jongmensch eenmaal duur komen te staan.
Hij is veel te — om zich daardoor lang uit zijn humeur te laten brengen.
Hij heeft zich al te — laten verleiden om zijn meerdere aan te klagen.
Het leven is veel te ernstig om het — op te vatten.
Gij moet nooit — oordeelen over het gedrag van uw naasten (d.w.z. laat u niet verleiden door den uiterlijken schijn, maar onderzoek zelf).
Door den invloed van dat losbandig en — gezelschap had de jonge student spoedig zijn gezondheid geknakt.
86. Duister—donker—somber.
Gebrek aan licht hebbende.
Somber geeft meer den onaangenamen indruk te kennen, dien een belemmerde toegang van het licht teweeg brengt; donker ziet meer op de onvoldoende belichting zelf. Een somber vertrek heeft door zijn bouworde (bijv. door weinig of kleine ramen, door boomen enz.) iets onaangenaams en beklemmends. Daarentegen kan het vertrek door toevallige omstandigheden donker zijn. Bij regenachtig weer is het in de kamer vroeg donker.
Duister duidt een algeheele afwezigheid van licht aan, en is dus sterker dan donker. Men spreekt daarom niet van maansverdonkering, maar van maansverduistering.
Figuurlijk gebruikt wil somber zeggen: triestig, bijv. een sombere stemming; donker staat dan gelijk met zorgwekkend: een donkere toekomst, terwijl duister dan beteekent: verward, onduidelijk, bijv. een duistere redeneering. (Verklaar de fig. uit de letterlijke beteekenis der 3 woorden.)
Het was zoo — in de kamer, dat ik niet meer lezen kon.
Dit museum geeft van buiten den indruk een — gebouw te zijn.
Geen enkele ster verlichtte het nachtelijk —.
Ik merkte terstond, dat hij — gestemd was en zocht hem wat op te vroolijken.
Het volk, dat in de — zit, zal een groot Licht zien.
In de — dagen der Fransche overheersching begon het volk zijn partijschappen te vergeten.
Gods wegen zijn dikwijls voor ons kortzichtig oog —.
Op een regenachtigen, — herfstdag werd de geliefde dichter ter aarde besteld.
Met een — gemoed ging hij de — toekomst tegen.
„Uit het — van den nacht Moet de dag eens rijzen.”
87. Verlies—schade—afbreuk—nadeel.
Alles wat niet voordeelig voor ons is.
Verlies duidt een vermindering van bezit aan. Het verlies aan dooden bedroeg aan onze zijde 500 man.
Schade let meer op de vermindering der waarde of van den welstand. De schade bij dezen brand wordt door verzekering gedekt. De storm deed groote schade aan de dijken. (Hun waarde als zeewering verminderde.)
Nadeel is het kwaad, dat met de belangen van iemand of iets in strijd is. Uit dit nadeel (kwaad) kan o.a. schade of verlies voortvloeien. Door de strenge vorst hebben de schippers het grootste nadeel gehad (de vorst was in strijd met hun belangen; er zullen hierdoor bijv. minder verdiensten zijn geweest; of wel, er is een lading aardappelen bevroren, zoodat er schade werd geleden, d.w.z. vermindering van welstand). Misbruik van sterken drank doet nadeel aan onze gezondheid (of: benadeelt onze gezondheid). Men zegt: Door schade wordt men wijs, en niet: door nadeel wordt men wijs, immers wiens bezitting in waarde vermindert, wordt er niet altijd ongelukkiger door, hij kan er soms zelfs een beter mensch door worden; in dit geval is schade geen kwaad, dat strijdig is met onze belangen, dus geen nadeel; men zegt dan ook in zulke gevallen: schade is altijd geen nadeel.
Afbreuk is de schade, die men door anderen lijdt met krenking van ons recht. De laster, waaraan hij blootstond, heeft hem in zijn positie afbreuk gedaan. Soms wijst het eenvoudig de verliezen aan, die oorlogvoerende partijen elkander toebrengen: De Watergeuzen deden den Spanjaarden veel afbreuk.
De overstrooming richt groote schade aan; menigeen lijdt er zware verliezen door; ook kan zij nadeel doen aan de vruchtbaarheid van den bodem, als n.l. het zoute water niet spoedig geloosd wordt; afbreuk evenwel kan zij niet toebrengen. (Waarom niet?)
Zet een winkelier zich in een buurt neer, waar reeds anderen dezelfde nering hebben, dan brengt de eerste zijn collega's verlies, schade en nadeel, soms ook afbreuk toe: immers de reeds gevestigde winkeliers lijden verlies aan klandizie (vermindering van 't aantal); daardoor vermindert hun welstand of de waarde van hun zaak, dat is hun schade; en daar de nieuwe winkelier misschien op minder eerlijke wijze ook hun klanten weglokt, waarop zij recht meenden te hebben, doet hij zijn collega's ook afbreuk. In ieder geval is die vestiging van een concurrent een nadeel voor de reeds daar wonende winkeliers: die vestiging strijdt n.l. met hun belangen.
De storm deed veel — aan de duinen.
Bij dien handel leed hij een groot — aan kapitaal.
Aan die betrekking is het — verbonden, dat men ook Zondags bezet is.
De —, die de koopman door het — van zijn schip leed, wordt door verzekering gedekt.
Hij heeft door zijn onverwachte overplaatsing zijn huis met groot — moeten verkoopen; doch dit —, aan de benoeming verbonden, wordt ruimschoots vergoed door de verhooging van salaris.
Door oneerlijke concurrentie deed hij onze firma veel —.
De engerlingen doen groote — aan de planten.
Men berekent het —, dat hij door dezen brand lijdt, op duizend gulden; want door de lage assurantie wordt de — slechts gedeeltelijk gedekt.
De Duinkerker kapers deden onzen koopvaarders veel —.
88. Nadoen—navolgen—nabootsen—naäpen.
Hetzelfde doen wat een ander heeft voorgedaan.
Nadoen zegt dit op de meest algemeene wijze; men doet precies, wat een ander deed, 't zij in gunstigen of ongunstigen zin. Wie kan mij dat kunstje nadoen? Achter zijn rug deden de deugnieten den onderwijzer alles na (zij wilden n.l. den onderwijzer bespottelijk maken).
Als men door dat nadoen zich zelf bespottelijk maakt, spreekt men van naäpen. Vele dienstboden gaan even modieus gekleed als haar mevrouwen, al moeten zij ook een groot deel van haar loon voor deze naäperij opofferen.
Navolgen geeft altijd een gunstige beteekenis; het duidt aan, dat iemand in dezelfde goede richting werkzaam is, waarin een ander hem is voorgegaan of voorgaat. Deze edele zelfopoffering werd door velen nagevolgd.
Terwijl navolgen uitdrukt, dat men het voorbeeld in alles gelijk wil komen, wijst nabootsen aan, dat men alleen de uiterlijke gelijkenis op den voorgrond stelt (bootsen = boetseeren). Navolgen ziet dus op het wezenlijke, het innerlijke, nabootsen meer op den schijn, het uiterlijke. Een edele daad is navolgenswaardig, niet nabootsenswaardig. Wel zegt men: Hij weet precies mijn stem na te bootsen.
Ik zal eens laten zien, hoe men deze letter schrijft, dan kan Jan het straks eens —.
Deze dichter heeft in zijn gedicht Homerus —.
De vogelaar weet behendig het geluid van den kwartel —.
Een deugdzaam mensch mag men in alles —.
Uw broer schijnt voor tooneelspeler in de wieg gelegd; hij weet precies zijn buurman —, ja zelfs zijn stem kan hij bedriegelijk —.
In den pruikentijd werden hier allerlei onzinnige Fransche zeden —.
89. Bekoren—verrukken—vervoeren.
Door een of andere eigenschap onder sterken invloed van een ander komen.
Bekoren wil zeggen, dat de persoon (of zaak) zich geheel meester van onze zinnen maakt en wij daardoor geheel onder den invloed komen. De arme dwaas liet zich geheel door den schijn bekoren. Het gevolg van dezen toestand wordt aangeduid door verrukking en vervoering.
Verrukken wijst aan, dat de bekoring ons in een hoogst aangenamen toestand brengt, terwijl vervoeren te kennen geeft, dat wij ons tot buitensporigheden laten verleiden. Hij was geheel en al verrukt door de voorkomende behandeling.—Door zijn onbegrensde heerschzucht liet Napoleon zich vervoeren den tocht naar Rusland te ondernemen, niettegenstaande het barre jaargetijde ophanden was.
Wien zou zoo'n heerlijke zomeravond niet —?
In zijn ijver voor de goede zaak liet hij zich zoozeer —, dat hij onwellevend werd.
Ik was zeer — door dit onverwachte succes.
Zulk een eenzaam leven zou mij niet kunnen —.
De vreugde over de behaalde overwinning liet hem tot allerlei dwaze dingen —.
Geheel — staarde hij langen tijd het portret zijner moeder aan.
„Dan klimmen wij de heuvlen vroolijk op, En staren, diep —, van hunnen top.”
90. Gebieden—gelasten—bevelen.
Zijn wil aan zijn ondergeschikten kenbaar maken, opdat zij zich daardoor bij hun handelingen laten leiden.
Gebieden wordt gezegd van den machthebber en doet dus onvoorwaardelijke gehoorzaamheid verwachten. De koning gebood den edelman, zich nooit meer aan het hof te vertoonen.
Bevelen drukt uit, dat men anderen, die in onzen dienst staan, zegt, wat zij doen moeten. De veldheer beval zijn manschappen tot den aanval over te gaan.
Gebieden is dus (ook in figuurlijke beteekenis) sterker dan bevelen. Ik gebied u heen te gaan is sterker dan: ik beveel u heen te gaan. Bovendien ziet gebieden meestal op een voorschrift van blijvenden en bevelen op een van tijdelijken aard. God heeft ons geboden niet te stelen. De veldheer beval, dat de soldaten niet zouden plunderen.
Gelasten onderstelt, dat men zijn ondergeschikte een last of opdracht geeft, om dien te vervullen. De generaal gelastte den koerier, onmiddellijk versterking te gaan ontbieden. Ook ziet gelasten soms op bevel, waarvan het niet zeker is, of het wel uitgevoerd zal worden: De boschwachter gelastte den houtdief het gestolene af te geven.
De regeering heeft —, dat op den dag van 's Konings begrafenis alle klokken geluid moeten worden.
De regeering heeft den burgemeesters —, ten spoedigste het aantal scholen in hun gemeenten op te geven.
Ik wensch uw bezoeken niet meer te ontvangen en — u dus voortaan buiten het hek te blijven.
De Burgemeester heeft —, dat niemand meer vuilnis op de straat mag werpen op straffe van 5 gulden. (Er wordt dus wel aan overtreding gedacht.)
De naastenliefde —, onze vijanden lief te hebben.
De heer — den koetsier, wat zachter te rijden.
De heer — den koetsier, om 3 uur met het rijtuig voor te komen.
De onderwijzer — den kinderen, voortaan niet meer buiten het hek te spelen.
De officier —, dat de troepen zich zouden terugtrekken.
De spreker wenkte met de hand en — stilte.
91. Armzalig—ellendig—kommervol.
In deerniswaardigen toestand verkeerende.
Bij ellendig denken wij hoofdzakelijk aan den ongelukkigen toestand, waarin iemand verkeert. De rijke man leed aan een verschrikkelijke kwaal; eerst de dood maakte een einde aan zijn ellendig leven. („Ellendig” beteekent letterlijk „anderlandig”, d.i. de toestand van een balling; el vindt men ook nog in elders.)
Armzalig wijst aan, dat de ellendige toestand tevens ons medelijden opwekt. Deze arbeider slooft van den vroegen morgen tot den laten avond om zijn armzalig bestaan te rekken.
Ellendig en armzalig zien op personen, zaken of toestanden, kommervol wordt uitsluitend in betrekking tot menschen gebruikt; het wijst aan, dat iemand veel kommer, veel zorg, verdriet of gebrek heeft. Niettegenstaande al zijn goud had hij toch een kommervol leven, daar zijn eenige zoon voortdurend zijn levensvreugde vergalde.
Figuurlijk gebruikt duiden armzalig en ellendig ook personen of zaken op minachtende wijze aan. Dat ellendig gehaspel moet nu maar uit zijn. Voor een armzalige duizend gulden heeft hij zijn vriend verraden.
Bij dien brand verloren drie menschen — het leven.
Wij traden de — hut binnen en vonden den zieke in een — toestand.
Zijn — leven heeft hem reeds vóór zijn jaren oud gemaakt.
Die — kerel heeft al heel wat menschen op schandelijke wijze bedrogen.
Voor een paar — guldens zou hij een moord plegen.
92. Mistrouwen—wantrouwen—verdenken.
Gelooven, dat iemand oneerlijk of slecht is.
Mistrouwen wijst aan, dat men op iemand of iets niet moet vertrouwen, daar het mogelijk is, dat wij bedrogen zouden uitkomen. „O, mistrouw 't Sirenenzingen, Bouw niet op 't geluk, mijn kind!” Het is beter iemand, die men niet kent, te mistrouwen dan te vertrouwen.—
Wantrouwen is sterker; een feit is voorgevallen, waardoor ons vertrouwen in iemands eerlijkheid of goede trouw geschokt is; het is nog wel geen volkomen zeker bewijs voor zijn oneerlijk of slecht karakter, maar alle omstandigheden pleiten in het nadeel van den gewantrouwde. Sedert ik mijn vriend op een leugen betrapt heb, wantrouw ik hem.—Wantrouwen en mistrouwen zien op toekomstige handelingen, verdenking daarentegen heeft betrekking op het verleden. Het wijst een sterk vermoeden aan, dat iemand iets slechts bedreven heeft. Daar hij onder verdenking stond medeplichtig aan den moord te zijn, is hij in hechtenis genomen.
Ik heb hem altijd voor een oprecht man gehouden, die mijn vertrouwen ten volle waardig was, maar nu ik hem de vorige week op een onwaarheid betrapt heb, — ik hem.
Ik zond dit belangrijk bericht aan de redactie van dat dagblad op; het werd echter slechts „onder voorbehoud” opgenomen, daar men mij als een onbekende —.
Reeds meermalen is gebleken, dat de telegrammen van die courant onjuist waren; ik ben dus zoo voorzichtig het blad altijd te —.
De staatsman stond onder —, dat hij met den vijand was gaan heulen; daarom — men alles, wat hij aanried.
Hoewel mijn buurman mij nog niet de minste aanleiding heeft gegeven hem te —, — ik hem toch en vertel ik hem geen geheimen.
93. Argwaan—achterdocht—kwaad vermoeden.
Een voorgevoel hebben, dat men bedrogen wordt.
Alle drie drukken uit, dat men niet zeker is, of iemand ons bedriegen wil. Argwaan duidt vooral aan, dat men steeds bevreesd is door ieder bedrogen te zullen worden; argwanend te zijn ligt dus meer in iemands karakter. Achterdocht onderstelt, dat men tegen een bepaald persoon zulk een argwaan meent te moeten koesteren. Ontdekt de achterdochtige een of ander feit, dat zijn vrees versterkt, dan spreekt men van kwaad vermoeden. Een gierigaard koestert tegen iedereen argwaan; hij wordt achterdochtig, als iemand hem zeer vriendelijk bejegent—in zijn gedachten ziet hij reeds een aanval op zijn beurs gedaan—en hij vat een kwaad vermoeden tegen iemand op, als hij dezen meent betrapt te hebben op een oneerlijkheid.
Doordat hij vroeger door zijn besten vriend verraden is, koestert hij thans tegen iedereen, die hem eenigszins voorkomend behandelt, —.
Door het ongunstig uiterlijk van den vreemdeling vatte ik reeds terstond — tegen hem op.
Nauwelijks was de nieuwe huisknecht een paar dagen in dienst, of er was een zilveren lepel zoek; geen wonder dat er tegen hem — rees.
94. Arm—armoedig—behoeftig—nooddruftig.
Gebrek aan het noodige hebbend.
Arm duidt aan, dat men niets of zeer weinig bezit en staat tegenover rijk. In figuurlijken zin duidt het eveneens een schaarschheid aan: arm aan woorden, arm aan deugden. Wie arm is, kan slechts met moeite rondkomen en moet zich velerlei genoegens ontzeggen. Blijkt dat arm zijn vooral uit het uiterlijke van woning of kleeding, dan spreekt men van armoedig. Een armoedige hut, een armoedig gekleed man.
Behoeftig duidt aan, dat men het noodige niet kan aanschaffen, terwijl nooddruftig aanwijst, dat zelfs het onontbeerlijkste wordt gemist. Arm, armoedig, behoeftig en nooddruftig vormen dus een climax of opklimming. Men houde evenwel in het oog, dat het laatste woord, nooddruftig, uitsluitend tot den deftigen stijl beperkt is.
Wie rijk is aan goederen, is soms — aan geluk.
Al zijn deze menschen ook —, toch zien zij er niet — uit.
In den winter lijden de — veel gebrek. Dan echter gaat de engel der weldadigheid in stilte rond, om de — te helpen.
Soms treft men in een — hut meer geluk aan, dan in een trotsch paleis.
De rijkgeworden parvenu vergeet soms, dat hij eens — is geweest; vaak is hij hardvochtig genoeg om de — ongetroost weg te zenden.
95. Afnemen—afbeuren—aflichten—afzetten.
Een voorwerp, dat zich op een ander bevindt, daarvan verwijderen.
Afnemen heeft de ruimste beteekenis; het duidt alleen aan, dat de bedoelde werking plaats heeft: den hoed afnemen.
Afbeuren onderstelt, dat het voorwerp zwaar is en de handeling dus moeite kost: een zak koren van de weegschaal afbeuren; bij aflichten is dat niet het geval: bijv. den hoed aflichten. Afzetten onderstelt, dat men het voorwerp een andere plaats geeft: hij zette den hoed af en hing hem aan den kapstok; licht men den hoed af, dan zet men hem een oogenblik later weer op. Den hoed afnemen laat onbeslist, of men hem terstond weer opzet, dan wel eenigen tijd in de hand houdt.
Help de meid even het stof —!
De molenaar heeft den zak op den wagen gelegd; ik kan hem er onmogelijk alleen —.
Bij guur weer is het aan te raden bij het groeten den hoed slechts even —.
Toen het lijk in de groeve daalde, zag men iedereen den hoed —.
Kom binnen, oom; trek uw overschoenen uit en — uw hoed af.
Bij het afstoffen van den schoorsteenmantel moet gij eerst voorzichtig de pendule er —.
Van dit stapeltje briefkaarten moogt gij er zes —.
96. Pracht—praal—pronk—luister.
Uiterlijk vertoon van grootheid.
Bij pracht staat vooral het denkbeeld van rijkdom of kostbaarheid op den voorgrond. Het paleis werd met groote pracht opnieuw gemeubeld.—In dezen tuin vindt men een pracht van bloemen.
Luister geeft te kennen, dat de glans of schittering ieders bewondering afdwingt of (zooals bij ceremoniën) opzettelijk moet afdwingen. De generaal werd met grooten luister begraven.
Pronk is een opzienbarende vertooning van pracht of luister met het doel boven anderen te willen uitsteken; de pronkzuchtige wil bijv. zijn meerdere in uiterlijk vertoon nadoen, om evenzeer bewondering af te dwingen; het is derhalve een teeken van ijdelheid. Ik had niet gedacht, dat hij zoo op pronk gesteld was: ik hield hem altijd voor een nederig en eenvoudig man. Als voorwerpsnaam beteekent het meer sieraad: Dit gebouw is de pronk der stad.
Praal ziet vooral op uiterlijk vertoon; het is een luister, waaraan de ijdelheid niet vreemd is. De altijd zoo ijdele familie liet zelfs dit ongelukkige kind met groote praal begraven.
Karel de Stoute spreidde bij zijn aanstaande kroning te Trier een groote — ten toon. Het was duidelijk te zien, dat hij —ziek van aard was.
De — van een ware heldendaad gaat nooit verloren.
Dit dienstmeisje is blijkbaar zeer op — gesteld.
Hang uw hart niet aan 's werelds —, maar streef naar ernstiger dingen.
Met veel — werd de bruiloft van het adellijke paar gevierd, niettegenstaande beide partijen weinig ten huwelijk brachten.
De zomerzon straalt thans in haar vollen —.
„Zulk een deken is een — voor uw bed.” (Advertentie.)
De — der Alpenmeren laat zich niet beschrijven.
De 25-jarige regeering van den vorst werd in de residentie met groote(n) — gevierd.
„Ziet gij ginds dien — der dalen, dien verheven eikeboom?”
97. Barsch—stug—stuursch—norsch.
Zich onvriendelijk tegenover anderen gedragen.
Stug is hij, die altijd in zich zelf gekeerd is en den omgang met anderen liefst vermijdt, doordat hij zich niet gemakkelijk in de samenleving beweegt. Hij spreekt meestal weinig en kortaf, alsof hij boos ware, al is ook zijn hart niet kwaad. Een stugge Fries.
Stuursch is hij, die onvriendelijk is, doordat de eigenaardigheden van zijn karakter zulks meebrengen. Hij ziet altijd even stuursch. Is hij daarbij ruw in den omgang, mort en gromt hij, om zijn ontevredenheid of kwaadheid te luchten, dan gebruikt men norsch. Hij behandelt zijn bedienden altijd even norsch.
Barsch duidt aan, dat het uiterlijk of de stem van iemand door zijn onvriendelijkheid afstoot of vrees aanjaagt; het is hierbij evenwel niet noodzakelijk, dat ook het karakter onaangenaam is, integendeel onder een barsch uiterlijk schuilt soms een goedig hart. Hij is wel wat barsch in zijn uitvallen, maar hij meent het zoo kwaad niet.
De Veluwsche boer is meestal — in den omgang.
Hij sprak op zulk een — toon, dat de kleinen bang voor hem werden.
Wat is hij vandaag weer —: op iedereen heeft hij wat aan te merken.
Ik begrijp niet, waarom zij altijd zoo — ziet; ik heb haar toch niets misdaan.
Hoewel ik het hem zeer vriendelijk vroeg, gaf hij toch een — antwoord, alsof ik hem diep beleedigd had.
Ik houd niet van lieden, die vandaag vriendelijk en voorkomend en morgen weer — en — zijn.
Hoewel hij er — uitziet, is hij toch altijd hulpvaardig.
98. Afslaan—afhakken—afhouwen—afkappen.
Met kracht een deel van het geheel scheiden.
Afslaan gebruikt men, wanneer de scheiding door de kracht van het slaan tot stand komt zonder op het werktuig te letten, bijv. een oor van een pot afslaan (met een hamer, een steen, een stok, enz.). Afhakken, afkappen en afhouwen onderstellen, dat de werking met een scherp werktuig geschiedt, vooral met een bijl of zwaard. Afhakken duidt aan, dat men herhaaldelijk het werktuig moet gebruiken, terwijl afhouwen aanwijst, dat slechts eén slag met het scherpe werktuig noodig is. Bij afkappen ziet men meer op de uiteinden, die door het hakken of houwen van het voorwerp worden gescheiden: bijv. de takken afkappen.
Wie heeft de vergulde knoppen van het hek —?
In vroegeren tijd werden den meineedigen de vingers —.
Het zwaard van den beul bleek niet scherp genoeg, om den veroordeelde het hoofd —.
Gij moet deze dikke takken laten —, zij benemen u te veel licht.
Met dezen stok kunt gij gemakkelijk de appels —.
Wie zou van nacht zoo laag zijn geweest om al de koppen der coniferen moedwillig te hebben —?
99. Gooien—werpen—smijten.
Iets met kracht van zich slingeren.
Werpen behoort meer tot de beschaafde spreek- en schrijftaal, terwijl gooien en smijten gewoonlijk tot de volkstaal beperkt zijn. Werpen heeft min of meer de bijbeteekenis, dat de werking met eenig overleg en daardoor in een bepaalde richting geschiedt; gooien en smijten daarentegen doen meer aan onbesuisd optreden denken. Gooien en smijten geschieden uitsluitend met de hand, werpen kan ook plaats hebben met werktuigen.
Gooien en smijten verschillen onderling zeer weinig en worden dan ook vaak voor elkander gebruikt. Alleen schijnt smijten minder onbesuisd te zijn dan gooien (met gauw verwant), en nadert het dus eenigszins de beteekenis van werpen, bijv.: Hij heeft mij een beleediging voor de voeten gesmeten.
Daar werpen meer gekuischt is dan de beide andere woorden, komt het in vele uitdrukkingen voor, waar gooien en smijten gebruikt moesten worden.
Hij heeft mij met een kei een gat in het hoofd —.
Bij dat volksoproer werden op vele plaatsen de ruiten in—.
De golven — een lijk aan het strand.
Van woede heeft hij den heelen boel door elkaar —.
Hij heeft hem na die beleediging den handschoen toe—.
Voordat de vijand in 't zicht kwam, heeft men in deze vesting nog bezetting —.
De ouden — met blijden groote steenen in de stad.
Van kwaadheid — hij mij de trappen af.
Terstond liet de bevelhebber den spion in de gevangenis —.
Hij heeft den boel in het honderd —.
Wie heeft dezen sneeuwbal in den schoorsteen —?
Men moet geen goed geld naar kwaad geld —.
100. Voorgeven—beweren—voorwenden.
Deze woorden worden gebruikt om aan te duiden, dat men twijfelt aan de waarheid, van hetgeen een ander zegt.
Beweren geeft alleen den blooten twijfel te kennen; het beweerde kan wel waar zijn, maar het moet nog nader bewezen of aangetoond worden; zoolang het bewijs niet is geleverd, kan men het beweerde nog niet als waarheid aannemen. Hij beweert, dat hij in een half uur van Baarn naar Amersfoort kan fietsen (d.w.z. ik beschouw het wel niet als onmogelijk, maar gelooven doe ik het nog niet, vóórdat hij dien rit van 12 K.M. in een half uur gedaan heeft). De dagbladen beweren, dat de vrede gisteren geteekend is (d.w.z. men twijfelt aan de waarheid, zoolang nadere bewijzen nog ontbreken).
Voorgeven drukt uit, dat men alle reden heeft om aan de waarheid van iemands woorden te twijfelen; het is dus zoo goed als zeker, dat hij onwaarheid spreekt. Zij gaf voor, hoofdpijn te hebben en mij daarom niet te kunnen ontvangen.
Zegt men van iemand, dat hij iets voorwendt, dan geeft men te kennen, dat hij opzettelijk een leugen bezigt, om een of ander doel te bereiken; hetgeen voorgewend wordt, is dus beslist een leugen. Zij wendde hoofdpijn voor, teneinde mij niet behoeven te ontvangen.
Beweren onderstelt dus, dat de waarheid van 't beweerde mogelijk is, voorgeven, dat de waarheid sterk betwijfeld mag worden en voorwenden, dat de waarheid geheel buitengesloten is.
Ik hoorde zooeven —, dat het ministerie zal aftreden.
Dit dagblad —, dat in Amerika het telefoneeren zonder draad is uitgevonden.
Deze dame —, nog geen 25 jaren oud te zijn.
De koning heeft een lichte ongesteldheid —, om van de feestelijkheden bevrijd te zijn.
De moordenaar bleef —, uit zelfverdediging te hebben gehandeld, hoewel het bewezen is, dat hij zijn slachtoffer heeft uitgeplunderd.
Aan mijn verzoek om de rekening voor mij te betalen, kon hij niet voldoen onder —, dat hij zelf kort bij kas was.
Al zijn kwalen zijn slechts —, om van werken ontslagen te zijn.
101. Regeeren—besturen—heerschen.
Gezag over een ander uitoefenen.
Heerschen duidt de hoogste trap van macht aan; het wijst op „heer” zijn, de opperste over allen, die geheel naar eigen inzicht kan handelen. God heerscht als aller koning. De Czaar heerscht onbeperkt.
Regeeren is minder sterk en wordt alleen gebezigd voor het gezag-uitoefenen van vorsten (rex, 2e naamv. regis = koning). In figuurlijken zin wijst het er op, dat het gezag met groote willekeur wordt uitgeoefend en anderen onmachtig maakt; bijv.: Deze vrouw regeert haar man.
Besturen doet minder denken aan het gezag van den bestuurder, dan wel aan een leiden overeenkomstig vastgestelde bepalingen. Vandaar dat men het vooral bezigt van staatshoofden, die geen souvereine macht bezitten. Jan de Witt bestuurde de Republiek met groot beleid. Overdrachtelijk duidt het een leiden aan met inzicht en overleg: Deze vrouw bestuurt haar man = zij leidt hem, waarheen zij wenscht. (Vergelijk boven: Deze vrouw regeert haar man).
Waarom zegt men: de pokken heerschen? en niet: regeeren of besturen?
Vergelijk nu: heerschappij—bestuur—regeering.
Onder de — van koning Willem III werden vele spoorwegen aangelegd.
De mazelen — epidemisch.
Men moet — over zijn hartstochten hebben.
De Burgemeester — de gemeente.
Men zegt wel eens: Het blinde toeval — de wereld.
Er — over dit onderwerp een groote verwarring van denkbeelden.
Deze vereeniging wordt goed —.
In Rusland — een vastlandsklimaat.
102. Aandachtig—oplettend—opmerkzaam.
Zijn gedachte op iets gevestigd hebben.
Aandachtig zegt eenvoudig, dat men zijn gedachten bij de zaak heeft, dat men dus niet aan iets anders denkt.
Oplettend is men, als men niet vluchtig over het gehoorde heenloopt, maar zich moeite geeft het te overwegen; het onderstelt dus altijd eenige inspanning van den geest, wat bij aandachtig niet direct noodig is.
Men luistert aandachtig naar een verhaal, d.w.z. men heeft zijn gedachten er bij, men denkt niet aan iets anders. Men is oplettend, als er iets geleerd moet worden; d.w.z. men is ook wel aandachtig, maar men geeft zich tevens moeite de zaak te overdenken, om ze te begrijpen.
Opmerkzaam wijst aan, dat men de zaak zoo goed mogelijk tracht te begrijpen, door al haar kenmerken in hun onderling verband na te gaan, opdat het gehoorde of gelezene in onzen geest worde opgenomen en verwerkt. Men zoekt als het ware merkteekens, die ons later den gang der zaak gemakkelijk doen terugvinden.
De aandachtige luistert; de oplettende tracht het gehoorde te begrijpen; de opmerkzame neemt het in zijn geest als eigendom op. De aandachtige wordt bijv. door een sprookje of een muziekstuk geboeid en vergeet alles om zich heen; de oplettende tracht bijv. de verklaring van een natuurverschijnsel goed te begrijpen; de opmerkzame zal bijv. een schilderij zoo nauwkeurig en met allerlei onderlinge vergelijkingen beschouwen, dat hij haar uit het hoofd kan nateekenen.
De vergadering luisterde — naar de voorlezing der notulen.
Hij beschouwde het gebouw zoo —, dat hij er thuis een welgelijkende schets van maakte.
Hij bekeek het gebouw zoo —, dat hij niet eens mijn nadering bemerkte. (Hier wordt dus blootweg te kennen gegeven, dat al zijn gedachten op het gebouw gericht waren.)
Het kenmerk van deelbaarheid, dat ik thans zal bewijzen, is vrij ingewikkeld; gij moogt dus wel — zijn.
Toen ik met hem voor het eerst door het bosch wandelde, keek hij zoo — rond, dat hij den volgenden keer alleen den weg kon vinden.
Hij was onder de rede van den voorzitter zoo — geweest, dat hij haar bijna woordelijk kon opzeggen.
103. Bouwen—opslaan—oprichten—stichten.
Uit bouwstoffen een geheel vormen.
Oprichten (letterlijk „omhoog heffen”) gebruikt men, om aan te duiden, dat iets uit den horizontalen in den verticalen stand moet komen: een standbeeld oprichten.—Opslaan zegt men van tijdelijke verblijven, die licht en dicht zijn en weinig moeite vereischen: tenten opslaan.—Bouwen gebruikt men van blijvende woningen, die uit duurzamer stoffen en met grooter zorg worden samengesteld: een school bouwen.—Stichten zegt men van nog duurzamer en hechter gebouwen: een kerk stichten. (Een stift, d.i. sticht, heet een groot gebouw voor geestelijken: klooster, abdij, enz.) Figuurlijk bezigt men stichten ook voor grondvesten: een stad stichten, een fonds voor ouden van dagen stichten; liefdadige stichtingen. Van vereenigingen zegt men meer oprichten.
Toen de cholera uitbrak, werden ijlings ziekenbarakken —.
Ons huis is in 1870 —.
De Handelsmaatschappij werd in 1824 —.
Jan van Riebeek heeft de volksplanting aan de Kaap —.
Ter eeuwige gedachtenis heeft men op de plaats, waar de koning sneuvelde, een gedenkteeken —.
De beroemde Aya Sophia (de prachtige moskee te Konstantinopel en door onzen dichter Schaepman meesterlijk bezongen) is door keizer Justinianus —.
Jan van Nassau heeft de Unie van Utrecht —.
d' Aertsbouheer uit den stam Van Campen rust hieronder, Die 't raedhuis t' Amsterdam — heeft, 't achtste wonder.
104. Befaamd—beroemd—berucht—vermaard.
Overal bekend.
Berucht is: ongunstig bekend staan; beroemd daarentegen heeft altijd een gunstige beteekenis: het beteekent bekend zijn tot zelfs bij het nageslacht door edele daden, door kunst, door wetenschap, enz. Vermaard is: van groote bekendheid zijn wegens een of andere bijzonderheid, dus uitstekende of opvallende onder zijns gelijken. De echo van Muiderberg is vermaard. De bokking van Harderwijk was vroeger vermaard. De vermaardheid behoeft echter niet aan het nageslacht overgeleverd te worden.
Befaamd kan zoowel in goeden als kwaden zin gebruikt worden, maar is minder sterk dan beroemd of berucht. Het onderstelt in den regel een „eigenaardige” bekendheid. Het befaamde Staphorster boertje.
Befaamd komt af van Faam, Fama, de godin, die met een bazuin door de lucht vliegt om de daden der groote mannen bekend te maken; zij woonde in een paleis met 100 openingen en van klinkend metaal gemaakt. (Verklaar het zinnebeeld!)—Berucht komt van rucht, dat weer gevormd is van roepen, evenals kocht van koopen; er gaat dus een roep van iemand uit. Oorspronkelijk kon dit ook een goede roep zijn: „Beruchte Oranjeheld!” maar thans heeft het uitsluitend betrekking op den slechten roep.—Vermaard komt van mare = tijding, bericht.
Friesland is — om zijn heerlijke boter.
Sommige stegen en achterbuurten van Amsterdam zijn — om het gespuis, dat er woont.
Onze schilders Rembrandt, Jan Steen, Potter e.a. zijn —.
De — Amersfoortsche keitrekking had plaats op 28 Mei 1903. (Een „eigenaardige” bekendheid.)
Haarlem is — om zijn bloembollen.
Jack the Ripper was een — vrouwenmoorder.
De Nederlanders zijn als waterbouwkundigen alom —.
Sommige kuststreken van Italië zijn — om hun moeraskoortsen.
De — vaster Succi kon het 40 dagen zonder eten uithouden.
„Ginds prijkt dat grootsch gebouw, als achtste wonderwerk door heel Europa —”. ('t Stadhuis van Amsterdam.)
„Allen zijn er het over eens, dat de jaren tusschen den zevenjarigen oorlog en den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog, de — eerste regeeringsjaren van Willem V, voor de Republiek de vette jaren bij uitnemendheid zijn geweest”. (Prof. Brugmans. Die eerste regeeringsjaren van Willem V hebben een „eigenaardige” vermaardheid gekregen!)
105. Bedriegen—misleiden—verschalken—foppen.
Veroorzaken dat het onware voor waar wordt gehouden.
Misleiden zegt letterlijk: op een verkeerden weg brengen en daardoor dwaling veroorzaken; het wordt steeds figuurlijk gebruikt. Door het klatergoud liet de jongen zich misleiden; hij dacht een gouden ring gekregen te hebben en bemerkte later, dat het slechts een koperen was. (Het blinkende klatergoud bracht hem op een dwaalspoor; hij meende met goud te doen te hebben en zag eerst later zijn dwaling in.)
Bedriegen onderstelt schending van vertrouwen met het doel zichzelf te bevoordeelen: De boekhouder bedroog zijn patroon; of wel, het geeft een teleurstelling aan in hetgeen men verwacht had: Hij schreef mij zelf te zullen komen, maar hij bedroog mij.—De Grieksche kunstenaar Zeuxis wist de natuur zoo getrouw na te bootsen, dat de vogels op zijn geschilderde druiven kwamen afvliegen. Hij misleidde de dieren, doordat hij ze op een dwaalspoor bracht (nl. de onechte druiven werden voor echte gehouden) en hij bedroog ze tevens, doordat hij hun verwachting, om er van te kunnen eten, teleurstelde.
Verschalken heeft de bijbeteekenis, dat een list wordt aangewend; het wordt gebruikt, wanneer de eene partij de andere door zulk een list tracht te overwinnen of te verzwakken. De vogelaar verschalkt de kwartels (hij spant een net met lokaas).
Foppen heeft dezelfde grondgedachte als bedriegen, maar wordt alleen van onschuldige handelingen gebezigd; bovendien is het bijna uitsluitend tot de spreektaal beperkt.
Als ik mijn makker een steentje in de hand stop, in plaats van bijv. een appel, dan fop ik hem. Vandaar ook: fopspeen.
Laat u niet door den uiterlijken schijn —.
De schipper Van Bergen wist de bezetting van 't kasteel van Breda te —.
De rentmeester heeft den graaf op een schandelijke wijze —.
Ik dacht hem mooi te zullen —, maar de oolijkerd was mij te slim af.
Men moet dieven met dieven —.
Door schoone beloften heeft hij zich tot dien stap laten —.
Koop dat paard niet van hem, hij wil u blijkbaar —.
De commiezen wisten de smokkelaars op slimme wijze te —.
106. Babbelen—praten—kouten—snappen—kakelen.
Weinig beduidende dingen zeggen.
Snappen zegt men van kleine kinderen, die altijd wat te vertellen hebben en dat snel en zonder ophouden doen.
Babbelen wordt van groote menschen en van schoolkinderen gezegd; soms heeft het de onschuldige beteekenis verloren en duidt het meer kwaadspreken aan. Zij is een eerste babbelaarster: vertrouw haar geen geheim toe.
Wil men op afkeurende wijze te kennen geven, dat iemand zich luide doet hooren, bijv. bij een kijfpartij, dan gebruikt men kakelen. Hoor die vrouw daar eens staan te kakelen, mijn ooren tuiten er van.—Praten doet men, als men met iemand een gesprek voert over alledaagsche zaken, meestal uit tijdverdrijf. (Van ernstiger dingen zegt men spreken. Kom eens bij me praten. Is mijnheer te spreken?)—Kouten onderstelt, dat men met elkander schertsend praat en in die scherts genoegen vindt.
Hoor die kleine meid eens —, haar mondje staat geen oogenblik stil.
Niemand mag onder de les —; dat is veel te hinderlijk.
Zij zaten zoo druk over koetjes en kalfjes te —, dat zij aan geen tijd meer dachten.
Ik geloof, dat zij weer leelijk aan het — is geweest.
De gasten in de herberg zaten vroolijk bij 't knappend vuur te —: meermalen steeg er een hartelijk gelach op.
Trijn is verkouden, schor en heesch. „Nog wil 't wijf —”, zegt Kees. Dat 's een van d'ellendigste gebreken: Een vrouw, die zwijgen kan noch spreken.
107. Sterven—overlijden—doodgaan—ontslapen.
Ophouden te leven.
Sterven drukt dit in 't algemeen uit; het heeft zoowel betrekking op menschen als op dieren en planten. Van menschen wordt het vooral gebruikt, als men de oorzaak van den dood opgeeft. Deze man is van hartzeer gestorven.
Doodgaan wordt uitsluitend van planten en dieren gezegd en alleen in ruwe of platte taal ook van menschen.
Overlijden heeft altijd betrekking op menschen; het woord beteekent n.l. overgaan, d.i. in een ander, naar men hoopt, beter leven. (Lijden van oudtijds gaan; vergelijk verleden of vergangen week.) Het stelt dus het sterven minder hard voor ten opzichte der achterblijvenden.
Ook ontslapen zegt men alleen van menschen; het beteekent kalm en langzaam sterven, alsof men inslaapt; deze uitdrukking verzacht dus eveneens het begrip van sterven.
Na het — van zijn vader rustte op hem de plicht voor zijn jongeren broeder te zorgen.
Het grootste deel van het leger — van honger en gebrek.
Heden is in den ouderdom van 80 jaren mijn grootvader in zijn Heer en Heiland zacht en kalm —.
Die plant zal wel —; je hebt haar niet goed behandeld.
Deze dichter is reeds op 25-jarigen leeftijd —.
Zalig zijn de dooden, die in den Heer —.
108. Vlijtig—ijverig—naarstig—nijver.
Deze woorden duiden aan, dat men zich inspant om een of ander werk tot stand te brengen.
Bij ijverig denkt men aan de opgewektheid en volharding, soms zelfs aan de vurigheid, waarmee men werkt. Een ijverig leerling tracht ook de moeilijkste les te leeren. (Het ligt in zijn aard, steeds zóó te studeeren.)
Vlijtig duidt aan, dat men de taak zoo spoedig mogelijk (dus zonder oponthoud), maar ook zoo goed men kan afmaakt. Hij zit vlijtig te studeeren (d.w.z. hij studeert zonder zich te laten ophouden en spant zich in, om alles zoo goed mogelijk te begrijpen; hij behoeft daarom niet van nature met zooveel liefde voor de studie bezield te zijn, zooals een ijverig student.)
Naarstig komt weinig meer voor; men zegt het vooral nog van kinderen, die niet speelsch zijn, maar hun goeden wil en oplettendheid toonen, om het opgegeven werk naar behooren af te maken. Soms ook duidt het aan, dat men voortdurend bezigheid zoekt, in plaats van ledig te zitten. Zoo traag deze jongen is, zoo naarstig is zijn zuster. Dat meisje is een naarstig kind; zij zit daar al weer te breien.
Nijver wijst aan, dat men aanhoudend en met overleg werkt, om de vruchten van zijn arbeid te kunnen plukken. De nijvere bijen verzamelen reeds in den zomer haar voedsel voor den winter. Soms beteekent het ook: geneigd tot industrie, bijv. het nijvere Twente.
Als gij — doorwerkt, kunt gij van avond wel klaar zijn.
Gij moogt wel wat — (vergr. trap) bij uw werk zijn; ik geloof, dat gij er weinig lust in hebt.
Zij is een — kind, men ziet haar bijna nooit ledig zitten.
De — landman zag zijn moeiten met een rijken oogst beloond.
Van deze zaak is hij een — voorstander.
Een — hand met een sparigen tand koopt anderlui's land.
In die streek woont een — bevolking.
109. Afslaan—afweren.
Een aanval tegengaan.
Afweren geschiedt geheel uit zelfverdediging, men houdt daarbij den vijand van zich af en dekt zich tegen zijn aanvallen.
Bij afslaan denkt men meer aan een krachtdadig optreden: men valt den vijand aan en tracht hem op de vlucht te drijven.—Figuurlijk gebruikt komt alleen afweren voor, bijv. het gevaar van iemand afweren; iemands liefkoozingen afweren.
De Spanjaarden liepen storm op Alkmaars muren, maar de aanval werd krachtig —.
Hij heeft den doodelijken slag —, door zich nog tijdig met het schild te dekken.
De vijand deed een onbesuisden aanval op ons leger, zoodat de manschappen ternauwernood tijd hadden dien —.
Men wist op het fort, dat de vijand naderde; zijn aanval werd dan ook niet alleen —, maar zelfs met kracht —.
Slechts aan de staatsmanskunst van den eersten minister was het te danken, dat de oorlog nog — werd.
110. Alom—overal—allerwegen.
Op alle plaatsen.
Alom wijst de ruimte in haar geheel aan. De tijding verspreidde zich alom, d.w.z. naar alle zijden over de geheele ruimte.
Overal ziet meer op elke plaats afzonderlijk, die men zich in die ruimte denkt. De tijding drong overal door: d.w.z. op alle plaatsen, geen enkele uitgezonderd, werd de tijding bekend.
Allerwegen wil eigenlijk zeggen: op alle wegen of zijden, en bij uitbreiding op alle plaatsen. Overal kan een werking zóó voorstellen, dat zij achtereenvolgens iedere plaats bereikt, geen enkele uitgezonderd; allerwegen wijst meer aan, dat de werking gelijktijdig op alle plaatsen voorkomt, al is er misschien ook een enkele plaats (niet aan de wegen gelegen) overgeslagen. Allerwegen heerschte er een bedrijvige drukte.—Worden overal en allerwegen voor elkander gebruikt, wat vaak voorkomt, dan is overal sterker, daar het geen uitzondering duidt. Ik heb hem overal gezocht, maar nergens gevonden.—Deze gewoonte vindt gij anders allerwegen.
God is — tegenwoordig. (Waarom is dit woord beter dan overal?)
Op bergen en in dalen, Ja — is God. (Nu denkt men aan alle plaatsen! Waarom gebruikt men niet allerwegen?)
Het feest van 's konings troonsbestijging werd — in den lande met opgewektheid gevierd.
Er heerschte — in de stad een feestelijke stemming.
Deze plant vindt gij — verspreid.
De mare van zijn heldenfeit was spoedig — verspreid.
Hij staat — bekend als een eerste kaatser.
Langs de kaden van Rotterdam heerscht — een ongekende bedrijvigheid.
Hij volgt mij —, waar ik ga.
111. Aankondigen—voorspellen—voorzeggen.
Iets toekomstigs te kennen geven.
Aankondigen is iets vooruit te kennen geven, dat volgens zeer gewone of natuurlijke oorzaken plaats hebben moet. De plotselinge daling van den barometer kondigt storm aan. Soms is het begrip van tijd zoo goed als geheel weggevallen, zoodat aankondigen dan eenvoudig beteekent: bekend maken met iets, dat terstond zal gebeuren. De heraut kondigde met trompetgeschal de komst des konings aan.
Voorspellen duidt mindere zekerheid aan, daar het voorspelde meer op bloote vermoedens, op volksgeloof, enz. berust. De waarzegger voorspelt de toekomst. Een goed notenjaar voorspelt een strengen winter.
Voorzeggen beteekent: vooruit zeggen, dat iets zeker gebeuren zal, en kan dus alleen door God of door Zijn gezanten gedaan worden. (Het woord kan dus niet toegepast worden op zaken, zooals met aankondigen en voorspellen wel het geval is, bijv. een daling van den barometer kan niet voorzeggen.) De geboorte van Jezus was reeds eeuwenlang voorzegd (nl. door de profeten). Het woord wordt alleen in deftigen stijl gebruikt.
Door de terugkomst der zwaluw wordt de lente —.
Deze geleerde beweert, dat hij het weder een maand vooruit kan —.
Drie harde slagen op de deur —, dat er iets bijzonders gebeurd was.
„O zaalge Kerstnacht, ons zoo lang —!”
Eensklaps ging de wind liggen en dit scheen een orkaan —.
Zijn gefronst gelaat — weinig goeds.
Het kanongebulder — de geboorte van een prins aan.
Een kring om de maan — regen en wind. (Niet zeker!)
Jezus had Zijn dood en verrijzenis aan Zijn discipelen —.
112. Buitenlandsch—uitheemsch—vreemd.
Wat buiten onze grenzen thuis behoort.
Buitenlandsch noemt men zoowel datgene, wat een ander land betreft, als hetgeen er geschiedt of voorkomt en wel in tegenstelling met binnenlandsch; bijv. het buitenlandsch verkeer; de buitenlandsche handel; buitenlandsche berichten; buitenlandsche onlusten.
Uitheemsch is ook buitenlandsch, maar 't voegt er de gedachte bij, dat het uitheemsche niet in ons eigen land voorkomt: uitheemsche gebruiken. („Uitheemsche” handel kan niet, immers in ons land is óók wel handel.)—Daar men licht geneigd is, op hetgeen uitheemsch is, laag neer te zien, heeft het soms een ongunstige beteekenis: Gij moet nooit uitheemsche dingen navolgen.
Vreemd beteekent: wat in ons land of in de naaste omgeving geheel onbekend is en dus van verre streken afkomstig moet zijn. Dit is een vreemde soort aardappel.
Verder kan vreemd nog andere beteekenissen hebben, als: niet van onze familie: mijn zoon bracht een vreemden gast mee; onbekend: zij is mij geheel vreemd; ongewoon: een vreemd geval; zonderling: een vreemde kleeding; enz.
De minister van — zaken heeft zijn ontslag genomen.
Deze — plant schijnt hier goed te tieren.
Dat is een — plant; ik zie ze voor het eerst hier groeien.
Wat heeft die mijnheer — gewoonten.
Wij zullen de volgende week een — reisje maken.
In den Dierentuin vindt men prachtige — gewassen.
In dien — oorlog zijn heel wat menschen omgekomen.
Er heerschen in dat land — zeden.
Als dit voorval maar geen aanleiding geeft tot — verwikkelingen!
113. Bekennen—belijden.
Zijn gevoelens of handelingen, die niet bekend waren, mededeelen.
Bekennen duidt aan, dat men de bekentenis liever had verborgen gehouden, maar door aandrang van buiten tot het mededeelen genoodzaakt wordt. De moordenaar moest tegenover zooveel deugdelijke bewijzen zijn misdaad wel bekennen.
Belijden ziet meer op den innerlijken aandrang en gaat vooral met een gevoel van berouw gepaard; het heeft dus een edeler beteekenis: Ootmoedig beleed hij zijn schuld. Het wordt ook ten opzichte van godsdienstige gevoelens gebruikt: Zijn zonden belijden.
Hij wil zijn ongelijk nog niet —, maar wij zullen er hem wel toe brengen.
Met een verslagen hart — hij voor God zijn schuld.
Ik moet eerlijk —, dat ik hierin misgetast heb.
Door de wroeging van zijn geweten aangegrepen, — hij zijn schuld.
Gebruik ook in zinnen: Bekentenis en belijdenis.
114. Aanroepen—bidden—smeeken.
Zich in nood of gevaar tot iemand wenden, ten einde diens hulp of bijstand te verkrijgen of de vervulling zijner wenschen te erlangen.
Aanroepen gebruikt men hoofdzakelijk, als men den Almachtige luide en eenigszins gejaagd om hulp vraagt en zich daarbij geheel op Zijn voorzienigheid verlaat. Roep Hem aan in den dag der benauwdheid en Hij zal u ruste geven.
Bidden onderstelt, dat men kalmer aan God (of iemand, die ons kan helpen) om hulp vraagt, terwijl smeeken een vuriger en dringender bede te kennen geeft. De voorganger bad God om een voorspoedigen oogst.—Hij smeekte Hem, het leven der kranke vorstin te sparen.
De blinde — om een aalmoes.
De ter dood veroordeelde — om genade.
De schipbreukelingen hoorde men in hun doodsangst God —.
Ik — u met een berouwvol hart om vergiffenis.
In alle kerken werd voor het behoud van den vrede —.
De radelooze moeder wierp zich op de knieën voor den wreeden soldaat en — hem haar kind niet te dooden.
Vóór Hugo de Groot zich in de boekenkist verborg, — hij God om een voorspoedige reis.
115. Afstand—verte—verwijdering.
De ruimte tusschen twee voorwerpen.
Verwijdering drukt uit, dat die tusschenruimte vroeger niet bestond. Hoe meer men bijv. de stad achter zich laat, hoe grooter dus eigenlijk de verwijdering wordt. Het gebruik wil echter, dat dit woord thans alleen figuurlijk voorkomt. Sedert er tusschen deze twee vrienden verwijdering is ontstaan, gaat ieder zijns weegs.
Afstand duidt eenvoudig aan, dat er tusschen twee voorwerpen een zekere ruimte bestaat als gevolg van den stand, dien zij ten opzichte van elkander innemen. De afstand tusschen Amsterdam en Baarn bedraagt 36 K.M. (Waarom is hier verwijdering niet gebruikelijk?)
Verte wijst alleen het tegengestelde van nabijheid aan en duidt dus altijd op een eenigszins grooteren afstand. Men kan dan ook niet zeggen in een verte, maar wel in de verte, terwijl afstand wel degelijk het lidwoord van onbepaaldheid kan hebben.
Wanneer men een plaats al wandelend verlaat, neemt bij iedere schrede de — (het oorspronkelijke woord!) toe, d.w.z. men bevindt zich bij iederen stap op grooteren — van de stad, totdat men haar ten laatste nog slechts in de — kan zien.
Hij bleef steeds op een eerbiedigen —. (Waarom niet verte?)
Na den slag bij Nieuwpoort ontstond tusschen Maurits en Oldenbarnevelt de eerste —.
De visschersvrouw staarde in de —, of zij het schip van haar man kon ontdekken.
De — tusschen vrijen en onvrijen werd vroeger streng bewaard.
De verschillende belangen, die deze twee vrienden hebben, deden langzamerhand een — ontstaan. Zij behandelen elkander nu altijd op eenigen —.
116. Eeuwig—eindeloos—oneindig.
Wat geen einde heeft.
Eeuwig drukt oorspronkelijk uit, dat aan geen einde, maar ook aan geen begin kan gedacht worden. In dezen zin kan men alleen zeggen: God is eeuwig.—Verder duidt het woord aan, dat er wel een begin is geweest, maar dat er aan een einde onmogelijk kan gedacht worden: het eeuwige leven. Om dit denkbeeld van: onmogelijk te kunnen eindigen, aan te duiden, gebruikt men eeuwig ook figuurlijk van zaken, waaraan feitelijk wel een einde kan zijn, al wordt de mogelijkheid daarvan uitgesloten: het Eeuwig Edict. (Het duurde toch maar 5 jaren!)
Eindeloos wil zeggen, dat iets geen einde heeft, ofschoon zulk een einde niet onmogelijk ware geweest. Terwijl eeuwig meer op den tijd ziet, vestigt eindeloos meestal de aandacht op de ruimte. Een eindelooze vlakte lag vóór mij. (Voor mijn blik had die vlakte geen einde; misschien was er wel een eind aan!)
Men spreekt van Gods eeuwige liefde, omdat deze ten allen tijde zal voortduren; ook spreekt men van Gods eindelooze liefde tot de zondaren, om aan te duiden, dat het einde van die liefde wel mogelijk ware geweest, maar dat God te goedertierend is, om die liefde een einde te doen nemen. (Welk der beide woorden is dus sterker?)
Oneindig duidt aan, dat er werkelijk aan de ruimte (of tijd) geen einde is, bijv. de rij der getallen is oneindig. Hieruit ontwikkelde zich het begrip: onbegrensd, bijzonder groot, zóó groot zelfs, dat alle afmetingen of grenzen wegvallen. Het wordt daarom gebruikt als bijw. van graad: Een oneindig groot verschil. Een oneindig klein getal. Wat beteekent nu: Gods oneindige liefde?
Waarom kan men niet spreken van een oneindige vlakte? Waarom niet van een eeuwige vlakte? (Eeuwig is een tijdsbegrip, oneindig een ruimtebegrip!) Waarom mag men God niet den Eindelooze heeten?
Een eindeloos krakeel schijnt geen einde te hebben; maar toch is dit einde mogelijk, als de twist wordt bijgelegd. Een eeuwig krakeel ziet er op, dat er ten allen tijde getwist wordt, dus wijst meer een tijdsbegrip aan.
Onze blikken zwierven door de — ruimte (d.w.z. langs den sterrenhemel).
Wij lieten onze blikken over de — heide dwalen.
Ik zal u — beminnen.
In de wereld van het — kleine treft men ook wonderen aan.
De zon is op een — afstand van ons verwijderd.
De gewesten der Unie besloten ten — dage verbonden te blijven.
Ik ben dat — gebedel moede, en zal er dus voor goed een eind aan maken.
Er bestaat een — groot verschil tusschen deze beide karakters.
Hij bleef maar tot in het — doorredeneeren.
Hij zwierf reeds jaren op de — baren.
117. Begrijpen—beseffen—bevatten—verstaan.
Duidelijke kennis van iets hebben.
Verstaan drukt alleen uit, dat de aangeboden kennis (het gehoorde, gelezene enz.) ons geestelijk eigendom wordt, maar geeft niet aan, of dit met of zonder moeite onzerzijds, geschiedt. Druk je wat duidelijker uit, ik versta je niet. (Letterlijk zegt verstaan: bij iets blijven staan, om het goed op te nemen; vandaar ook de beteekenis van goed hooren: Nog op grooten afstand kon men den spreker verstaan.)
Bevatten en begrijpen hebben het bijdenkbeeld, dat men zich moeite geeft om van iets kennis te krijgen, terwijl zij verder onderstellen, dat men voor het verwerven van die kennis eenige scherpzinnigheid moet bezitten. Bevatten duidt aan, dat de zaak voor ons verstand niet te groot is, dat men ze kan omvatten, terwijl begrijpen er op wijst, dat de zaak zoo nabij ons ligt, dat wij ze kunnen grijpen, m.a.w. dat zij voor ons verstand niet te hoog gaat. Ik begrijp maar niet, dat hij zich tot dien stap heeft laten overhalen (dat gaat boven mijn begrip). Niemand kan de wijsheid des Scheppers bevatten (in al haar omvang doorgronden, daarvoor is ons verstand te klein). Bevatten is dus sterker dan begrijpen.
Beseffen wil zeggen, dat wij met ons bewustzijn (besef) van iets kennis krijgen, zoodat wij ons die kennis goed bewust zijn. Hij besefte, welk een verplichting hij op zich genomen had, d.i. hij is er zich ten volle bewust van; hij is er van doordrongen en overtuigd.
Hij houdt zich, alsof hij mijn bedoeling niet —.
Hij — zeer goed de kunst, om zich bij iemand ongemerkt in te dringen.
Al — wij volkomen, dat wij met die verklaring ons vele vijanden zullen berokkenen, willen wij ons er toch niet door laten terughouden.
Ons verstand is te klein om al de wonderen der schepping te —.
Ik — zeer goed, dat de dichter in dit stuk op Oldenbarnevelt zinspeelt, al kan ik van alle bijzonderheden de eigenlijke bedoeling niet —.
Hij — maar niet, dat hij op die wijze zijn ondergang te gemoet gaat.
Dit hoofdartikel is zoo geleerd geschreven, dat ik er niets van kan —.
118. Driftig—oploopend—opvliegend.
Spoedig zijn kalmte verliezend.
Driftig duidt aan, dat men licht in drift geraakt (zie Drift); de gemoedsbeweging is echter van geen langen duur.
Opvliegend en oploopend wijzen er op, dat men van nature geneigd is, spoedig in groote drift (d.i. toorn) te ontsteken; het is dus meer een karaktertrek. Hierbij heeft opvliegend meer kracht dan oploopend; vliegen is immers sterker dan loopen. Wie dus dikwijls en om geringe oorzaken driftig wordt, is oploopend of opvliegend.
Waarom kan men wel zeggen: hij wordt driftig, maar niet hij wordt oploopend of opvliegend?
Bij het hooren van die tijding, maakte hij zich vreeselijk —.
Mijn neef heeft een — karakter: bij de minste oorzaak stuift hij geweldig op.
Ik ga niet graag met zulk een — mensch om.
Hoewel hij kalm van aard is, wordt hij toch ook wel eens —.
Een onderwijzer, die — van natuur is, is weinig geschikt voor zijn betrekking.
119. Bedroefd—droevig—treurig—bedrukt.
Het tegengestelde van blijde, opgewekt.
Bedroefd wijst aan, dat de oorzaak der droefheid buiten ons ligt. Hij is zeer bedroefd over het verlies van zijn vader.
Droevig en treurig laten in het midden, of de gemoedstoestand door oorzaken van buiten teweeg gebracht wordt, dan wel een gevolg is van innerlijke gesteldheid. Den bedroefde kan men van zijn smart bevrijden door hem het verlorene terug te geven, of wel die smart kan door troostwoorden eenigszins gelenigd worden; de droevige of treurige is eigenlijk niet voor troost vatbaar (men weet immers de oorzaak niet!), hij kan alleen opgevroolijkt worden.—Droevig verschilt hierin van treurig, dat het een kortstondiger toestand dan treurig aanwijst; treurig is dus sterker. Hij is reeds lang treurig gestemd; het wordt tijd, hem op te vroolijken.—Haar droevige stemming van gisteren is weer geheel geweken.
Droevig en treurig worden ook van zaken gebezigd, om aan te duiden, dat zij door een droevige of treurige stemming gekenmerkt zijn, of zulk een stemming veroorzaken. Het waren treurige dagen, toen de oorlog het land verwoestte en den grond met bloed drenkte.—Het was een droevig oogenblik, toen hij bij zijn vertrek naar de Oost van zijn oude moeder afscheid moest nemen.—Onlangs is hier een droevig ongeluk gebeurd. (Een treurig is sterker!)
Bedrukt wijst aan, dat iemand door zijn droefheid wordt terneergedrukt en dit niet verbergt, zoodat zijn droefheid uit zijn houding blijkt, of op zijn gelaat staat te lezen. Toen ik hem ontmoette, zag hij zeer bedrukt, zoodat ik aanstonds een onheil vermoedde.
Het was voor ons een — tijd, toen onze vader van oneerlijkheid verdacht werd.
Hij was zoo — over den dood zijner vrouw, dat men voor verstandsverbijstering vreesde.
Het is een — gezicht, als men op een blindenschool het jonge volkje ziet zitten.
Het is —, dat Christenen elkander nog den oorlog aandoen.
Aan zijn — gelaat zag ik reeds, dat hij niet geslaagd was.
Hij was zoo — te moede, dat hij in niets belang stelde.
In Friesland heerschen nog — toestanden. (Waarom niet droevig?)
Hij was zoo — over het slechte gedrag van zijn zoon, dat hij oud werd voor zijn tijd.
Zulke — verhalen passen niet voor de dartele jeugd.
Huibert kwam, — van zinnen, Moeder Duifkes woning binnen.
120. Aanvaarden—aannemen—op zich nemen—ontvangen.
In het bezit van iets komen.
Aannemen en ontvangen onderstellen, dat de zaak ons door een ander wordt overgedragen; aannemen drukt evenwel uit, dat men vrijwillig van het voorwerp bezit neemt (actief), terwijl ontvangen meer een lijdelijk in bezit komen onderstelt. Men ontvangt een wonde, maar men neemt ze niet aan. Men ontvangt onderwijs (lijdelijk), maar men neemt iemands leerstellingen aan (actief). Tegenover ontvangen staat dus geven, tegenover aannemen kan men aanbieden, overdragen stellen.
Aanvaarden geeft evenals aannemen ook wel een vrijwillig inbezitnemen te kennen, maar wijst er tevens op, dat die aanvaarding zekere plichten van ons eischt, bijv. de regeering aanvaarden. Zoodra men dus de verantwoording voor die plichten op zich neemt, zoodra men derhalve de betrekking of waardigheid begint uit te oefenen, aanvaardt men haar. Hij heeft zijn benoeming tot voorzitter wel aangenomen, maar de functie nog niet aanvaard. Daar dit aanvaarden gewoonlijk met eenige officiëele plechtigheid gepaard gaat (inhuldiging der Koningin, installatie van een burgemeester), gebruikt men aanvaarden ook wel in de beteekenis van aannemen, doch met het bijdenkbeeld van eenigszins op plechtige wijze; wat aanvaard wordt, moet dus een zaak van belang zijn, zoodat het in dit geval sterker of beleefder is dan aannemen. Aanvaard dit geschenk mijner hoogachting. Ik aanvaard uw erkenning van schuld.—Een geheel andere beteekenis heeft het woord in zinnen als: een reis aanvaarden, d.w.z. beginnen te ondernemen.
Op zich nemen duidt aan, dat men zich verbindt iets te doen en de verantwoordelijkheid daarvan voor zijn rekening neemt; het bepaalt zich meestal tot het volbrengen van een enkele daad, terwijl aanvaarden een voortdurende verantwoordelijke werkzaamheid onderstelt. Hij nam op zich, de verzoening tusschen de beide partijen tot stand te brengen. (Na de verzoening was zijn taak afgeloopen.)
Hebt gij mijn rekening wel —?
Hebt gij den brief, met strafporto belast, —?
Zou hij het beschermheerschap onzer vereeniging willen —?
De nieuw gekozen voorzitter — de benoeming aan en — terstond zijn functie; ook heeft hij —, eenige nieuwe leden aan te werven.
Ik verzoek u wel dit klein bewijs mijner erkentelijkheid te willen —.
Bij dien volksoploop — menigeen een sabelhouw.
Ik —, u in zes maanden voor dat examen klaar te maken.
Het was van hem een edele daad, geheel alleen de verantwoordelijkheid voor het tekort —.
Wanneer zullen wij den tocht —?
Hij heeft een opdracht van de regeering —, om een onderzoek naar den oorsprong dezer ziekte in te stellen, maar men gelooft, dat hij die opdracht niet zal —.
De secretaris —, den president bij de — van diens waardigheid te complimenteeren.
121. Zwerven—dolen—dwalen.
Heen en weer gaan of trekken.
Dwalen duidt aan, dat men den rechten weg, die naar het doel voert, verlaten heeft, hetzij uit onkunde, hetzij uit achteloosheid (vergissing); in den regel zal men dan trachten het juiste pad terug te vinden. Toen ik in het bosch van u afscheid genomen had, was ik den weg vergeten en heb langen tijd gedwaald.
Dolen wijst aan, dat men geheel zonder doel rondtrekt, zooals bijv. de dolende ridders van voorheen, òf dat men zóózeer is verdwaald, dat de goede weg onmogelijk weer te vinden is. Het is dus sterker dan dwalen. Wacht u voor een dolenden gids.
Zwerven wijst een heen en weer trekken aan, waarbij men niet lang op dezelfde plaats blijft, gewoonlijk als gevolg van de omstandigheid, dat men geen vaste woonstede heeft. Een zwervende volksstam. Door de bosschen te zwerven is een genot. (In dezen zin gebruikt men ook wel dwalen, maar dit is minder juist; immers bij dwalen denkt men aan den juisten weg, dien men kwijt is, welke bijgedachte in zwerven niet ligt opgesloten.) Verklaar nu:
Een donkre den bekroont den heuvelspits, Een trotsche boom en de eenige in den omtrek. Gelijk een vinger, wenkend wie daar doolt, Wijst hij den weg den afgedwaalden zwerver. (Hélène Swarth.)
Als de herder —, — de schapen.
Een marskramer leidt een — leven.
Don Quichot wilde evenals de — ridder op avonturen uitgaan.
Ik geloof, dat gij op den — weg zijt vervallen.
In vroegeren tijd hield men veel van een ingewikkelden —hof.
De Israëlieten moesten langen tijd tot straf door de woestijn —.
De afdeeling soldaten, die Amsterdam in 1650 moest verrassen, raakte op de Gooische heide aan het —, zoodat de aanslag mislukte.
Ik geloof, dat gij hierin —; een ander heeft, naar ik meen, het weefgetouw uitgevonden.
122. Gemeen—laag—ruw—plat.
Wat ons fijn gevoel onaangenaam aandoet of kwetst.
Gemeen is oorspronkelijk: wat aan allen eigen is, dus iets zeer gewoons of alledaagsch (een gemeen soldaat); langzamerhand heeft het echter het bijdenkbeeld gekregen van wat de onbeschaafde menigte eigen is, zoodat het thans een zeer ongunstige beteekenis bezit, n.l. schurkachtig, eerloos, liederlijk. Een gemeene kerel is tot allerlei schandelijke daden in staat.
Laag is het tegengestelde van hoog, verheven, edel, en komt vrijwel met gemeen overeen; het drukt vooral uit, dat iets met onze begrippen van eer in strijd is. Een lage daad is het bijv. een vriend een geheim te ontlokken, om er zelf voordeel mee te doen.
Plat wijst aan, dat er geen verheffing is en ziet hoofdzakelijk op den onkieschen vorm, waarin men zijn gedachten uitdrukt. Het is tegenwoordig bij vele schrijvers gewoonte om allerlei platte uitdrukkingen uit den volksmond letterlijk weer te geven. (Die uitdrukkingen zijn op zich zelf niet kwaad bedoeld, maar zij doen ons fijn gevoel toch onaangenaam aan.) Een gemeene uitdrukking daarentegen is niet alleen plat, maar ook hoogst onzedelijk: zij kwetst ons gevoel.
Ruw gebruikt men, wanneer onder het platte, onbeschaafde uiterlijk toch een goede of edele kern verscholen ligt, evenals een ruwe diamant een groote innerlijke waarde verbergt. Bijv. een matroos kan ruw zijn en toch een edel hart bezitten. Wij herinneren aan het bekende gedicht van Asschenberg. Een blinde man zit aan den weg te bedelen; een rijk, deftig heer geeft den stumper een .... oortje (¼ stuiver); maar een matroos, die juist zijn gage heeft ontvangen, werpt hem een handvol zesthalven toe met den uitroep: „Daar, blinde bl....! dat is beter dan een oortje!” De uitdrukking was in dit geval wel eenigszins plat, maar niet laag of gemeen: zij was alleen ruw. Gemeen of laag zouden die woorden geweest zijn, als de rijke ze gebezigd had; zij hadden dàn den ongelukkige immers als een bespotting in de ooren geklonken en hem pijnlijk moeten aandoen.
Wie zijn besten vriend verraadt, handelt —.
Menig dronkaard slaat niet zelden — taal uit.
Al zijn sommige uitdrukkingen uit de achterbuurten ook —, zij geven niet zelden blijk van echten volkshumor.
Justus van Maurik teekende meermalen een — zeebonk, die toch ons hart weet te stelen.
Doodgaan van een mensch gezegd is —.
Een — Griek wees den vijand een korteren weg door het gebergte aan.
123. Neigen—hellen—overhellen—overhangen.
Een schuinen stand hebben.
Hellen wijst eenvoudig aan, dat er een afwijking van den loodrechten stand bestaat. Deze muur helt naar links.
Overhellen drukt het begrip iets sterker uit. De toren begint bedenkelijk over te hellen.
Overhangen is nog sterker; het wijst er op, dat het voorwerp reeds bijna een horizontalen stand heeft gekregen en zoodoende zich boven een andere plaats bevindt. De overhangende takken zullen wij laten kappen.
Alleen overhellen wordt figuurlijk gebruikt. In den slag bij Nieuwpoort bleef de strijd lang onbeslist, totdat eindelijk de overwinning naar Maurits' zijde begon over te hellen. (Men denkt hierbij onwillekeurig aan de balans, waarvan de tong overhelt. Werk het beeld verder uit!)
Neigen beteekent: in schuine richting nader bij den grond brengen of buigen, en komt vooral overgankelijk voor. De bloemen neigden haar hoofd. „Neig, o God, Uw gunstige ooren!” (De Hoogere buigt zich tot den lagere.)
Toen hij in het water viel, greep hij zich nog bijtijds aan een — tak vast.
De meening der vergadering was aanvankelijk verdeeld; ten slotte echter begon de meerderheid naar verwerping van het voorstel —.
De berg — zoo steil naar het dal, dat hij slechts met moeite te beklimmen is.
De dag — ten einde.
Vroeger — ook ik tot die meening over, thans ben ik tot andere gedachten gekomen.
In enkele straten — de huizen zoover over, dat zij op u dreigen neer te vallen.
Reeds vroeg — zijn hart zich tot het kwade.
Kent gij de wetten van het — vlak?
Zijn heerschappij — ten ondergang.
124. Durven—wagen—zich verstouten—zich vermeten.
Den moed hebben om iets, dat gevaarlijk of moeilijk is, te ondernemen.
Wagen onderstelt, dat er aan de onderneming gevaar verbonden is en dat de uitslag niet zeker is, daar er zich verschillende zwarigheden kunnen opdoen, die men vooraf niet had kunnen voorzien. De vluchteling stond eensklaps voor een breeden afgrond; toch waagde hij den sprong om zijn vervolgers te ontkomen.
Durven wijst aan, dat men den moed bezit, om het gevaar kalm te trotseeren of de mogelijke nadeelige gevolgen van zijn daad op zich te willen nemen. Niettegenstaande het „verboden toegang” durfde hij toch in het bosch te wandelen. Niemand durfde zich in het brandende huis te wagen. (Verklaar beide woorden: durven en wagen!)
Zich verstouten wijst aan, dat men meer bij oogenblikkelijke opwelling de vreesachtigheid overwint en dan moed voelt ontwaken. Eerst durfde ik niet over de zaak te spreken, maar later verstoutte ik mij en zeide hem de waarheid vlak in zijn gezicht.
Gaat het zich verstouten gepaard met overschatting van zijn kracht, zoodat de onderneming groot gevaar loopt te mislukken, dan spreekt men van zich vermeten; het heeft dus altijd een min of meer ongunstige bijbeteekenis. Een vorst, die zich vermeet, de rechten des volks met voeten te treden, ondermijnt zelf zijn troon.
Wie niet —, die niet wint.
Ik — het u bijna niet te vertellen, wat hij van u gezegd heeft.
Een oogenblik weifelde hij; toen echter — hij zich eensklaps en — den gevaarlijken sprong.
Hoe hij zich heeft — —, zijn meerderen openlijk aan te vallen, kon niemand zich begrijpen.
Gij kunt op mijn medewerking niet rekenen; aan zulk een onderneming — ik niet mee te doen.
Ik — het, uw hulp in te roepen.
Langen tijd verdroeg hij lijdelijk de spotternij zijner medeleden, tot hij zich eensklaps — hen een gevoelige afstraffing toe te dienen.
Wie zou zich —, Gods wegen te willen doorgronden?
„Goed zoo, ge—! om een buil niet geven, — maar het harte, dan volgt ook de voet!” (De Schaatsenrijder.)
125. Doorgaans—gewoonlijk—meestal.
Wat bijna zonder uitzondering gebeurt.
Doorgaans zegt, dat iets in de meeste gevallen plaats heeft, dus zonder veel uitzonderingen. Wij logeeren doorgaans iederen zomer in Baarn.
Gewoonlijk is sterker; het wijst op een gewoonte, een regelmaat, waarop zoo goed als geen uitzonderingen bestaan. Gewoonlijk ben ik 's avonds tusschen 7 en 8 het best te spreken.
Meestal is het zwakst; het onderstelt wel een regel, maar voegt de gedachte er bij, dat er nog wel eens uitzonderingen voorkomen. Hij komt meestal te laat op school. (Gewoonlijk is sterker!)
Beproef, of in onderstaande zinnen meer dan één woord kan worden ingevuld en geef in zulke gevallen telkens de gewijzigde beteekenis op.
De menschen stellen — hun eigen belang boven dat van anderen.
De vreemdelingen bezoeken — de prachtige ruïne op den berg.
In de zomervacantie hebben wij — elken dag regen gehad.
Na een vermoeiende reis heeft mijn zuster — hoofdpijn.
Op een natten zomer volgt — een mooi najaar.
Men vindt — bij de hoogste standen het minste levensgeluk.
Bij een westenwind komt er — regen.
Deze polders werden in den winter — overstroomd.
De wereld wil — bedrogen zijn.
„De ouderdom komt met gebreken, En wie zeven kruisjes telt, Weet er — van te spreken.”
126. Volledig—volkomen—volmaakt.
Waaraan niets ontbreekt.
Volledig wijst aan, dat alle leden (of deelen), waaruit iets bestaat, aanwezig zijn. Een volledige jaargang van „Eigen Haard”. Niets is dus weg of achtergehouden.
Volkomen beteekent, dat alle vereischte eigenschappen behoorlijk en wel aanwezig zijn. Een volkomen vierkant.
Volmaakt is in den volstrekten zin: vrij van eenig gebrek. God alleen is volmaakt. Daar echter alle menschelijk werk gebreken aankleven, zou er niets volmaakts op de wereld zijn; het woord wordt dan ook meer figuurlijk gebezigd in den zin van uitstekend, zóó, dat iets het volmaakte zeer nabij komt. Een volmaakte gezondheid. Hieruit is het te verklaren, dat volkomen en volmaakt dikwijls voor elkander gebruikt worden: Een volkomen gezondheid.
Dit verhaal schijnt mij niet — toe.
Dit verhaal verdient geen — geloof.
Hij was de — ridder, dien men kende.
Ik heb een — verzameling van onze postzegels.
Gij kunt — op hem vertrouwen.
Op de volksschool behandel ik de spraakkunst niet meer —.
In deze klasse heerscht een — orde.
Hij lijkt — op zijn vader.
Ik ben het — met u eens.
De dief legde een — bekentenis af.
127. Vlieten—vloeien—stroomen.
Beweging van niet-vaste stoffen.
Vloeien duidt een zachte, kalme beweging van vloeistoffen aan: Het water vloeit over den grond.—De tranen vloeiden uit zijn oogen.
Vlieten wijst een meer voortdurende, kalme beweging in dezelfde richting aan, en wordt eveneens alleen van vloeistoffen gebruikt. Het is iets sterker dan vloeien en behoort bovendien meer tot de schrijftaal. De tranen vloten hem over de wangen.
Stroomen duidt een sterker beweging dan vlieten aan en wordt ook van gassen gebezigd. De tranen stroomden hem over de wangen. De rivier stroomt; het beekje vliet. De lucht stroomt van alle kanten toe.
Verklaar nu de figuurlijke beteekenis van: Uit deze stelling vloeit voort, dat de buitenhoeken van een driehoek samen 10 rechte hoeken vormen.—Het volk stroomde van alle zijden toe.
Deze bron van inkomsten houdt weldra op te —.
Ik hoor duidelijk het gas uit de kraan —.
Zijn leven — zacht en kalm daarheen. (Verklaar de teekenachtige uitdrukking!)
De golven — in wilde vaart over den dijk.
Een stille traan — uit zijn oog.
Hieruit — nog niet voort, dat ik u zal aanbevelen.
Kabbelend — het beekje tusschen groene weilanden voort.
Een dichte menigte — naar het feestterrein.
128. Vleugel—vlerk—wiek.
Het lichaamsdeel om te vliegen.
Vleugel zegt dit in het algemeen: zoowel vogels als insecten hebben vleugels. Verder gebruikt men vleugel in figuurlijken zin om een vlugge beweging aan te duiden. De schrik hecht vleugelen aan zijn voet.—Op vleugelen der liefde kom ik tot u.
Vlerk beteekent gewoonlijk een gevederde vleugel en kan dus letterlijk alleen van vogels gebezigd worden.
Wiek is hoofdzakelijk beperkt tot de deftige figuurlijke taal en komt dan met vleugel overeen: het middel om zich snel te verplaatsen: Op de wieken der verbeelding. (Alleen in enkele spreekwijzen van het dagelijksch leven komt wiek voor: bijv. kortwieken, klapwieken, op eigen wieken drijven.)
De struisvogels hebben wel — maar zij kunnen er niet mee vliegen.
Op de — des winds naderde ons het heerlijke gezang.
„Bontge— vlinders zweven in den nooitvolprezen Mei.”
Dedalus wilde op wassen — naar de zon vliegen.
Wat een paar prachtige — bezit deze vogel.
Hij verhief zich op de — der verbeelding in hooger sfeer.
De linker — van dezen papegaai is verlamd.
De vrees hecht — aan haar voeten.
Hij is niet in zijn — geschoten.
Beschermend breidde hij de — zijner liefde over mij uit.
De linker— van het gebouw is verwoest.
129. Vernielen—verwoesten—vernietigen.
Een einde aan 't bestaan van iets maken.
Verwoesten zegt letterlijk: wat te voren een regelmatigen aanleg had woest (tot een woestijn) maken; bij uitbreiding van beteekenis duidt het ook aan: iets in een puinhoop doen verkeeren. Het geheele land werd te vuur en te zwaard verwoest.—Bij het bombardement werd de schoone hoofdkerk geheel verwoest.
Vernielen heeft alleen betrekking op voorwerpen; het duidt aan, dat de deelen van elkander gescheiden worden, zoodat het voorwerp geheel verminkt en onbruikbaar gemaakt wordt. Dat meisje heeft al weer haar pop vernield. (Waarom niet verwoest? Waarom kan men niet zeggen: De stad werd vernield?)
Vernietigen wil letterlijk zeggen: tot niet maken, dus zóó te werk gaan, dat er niets overblijft. (Vernielen en verwoesten laten altijd nog iets achter.) Daar in de natuur geen volstrekte vernietiging denkbaar is, gebruikt men het woord bij voorkeur in figuurlijken zin, om het te niet doen van menschelijke instellingen of handelingen aan te wijzen. Het verdrag is weer vernietigd. In letterlijken zin komt het bijv. voor in: Ik heb uw brief vernietigd (bijv. door verbranding); de brief als zoodanig heeft daardoor geheel opgehouden te bestaan. Vandaar dat het ook soms verdelgen beteekent: De spreeuwen vernietigen veel schadelijke insecten.
De hagel heeft de boekweit —.
De hagel heeft de hoop op een goeden oogst —.
De Noormannen hebben vele steden in ons land —.
De nieuwe graaf — vele voorrechten, door zijn voorgangers geschonken.
Foei, wat heb je dat boek verschrikkelijk —.
De sijsjes — veel kleine insecten.
Bij den Beeldenstorm zijn vele kunstwerken —.
Men heeft langs scheikundigen weg een groot deel der archiefstukken —.
De uitbarsting van den Vesuvius heeft vier steden —.
De storm — een groot deel der visschersschepen.
Napoleons krijgsmacht werd in de sneeuwvelden van Rusland grootendeels —.
De jenever heeft zijn gezondheid totaal —.
130. Overeenkomst—verdrag—verbond.
Het aangaan van wederzijdsche verplichtingen.
Overeenkomst duidt aan, dat de belanghebbende partijen over de voorwaarden tot overeenstemming zijn gekomen en zich verplichten, die te zullen nakomen. De schrijver heeft met den uitgever een overeenkomst aangegaan omtrent het copierecht van dit werk.
Wordt zulk een overeenkomst tusschen twee min of meer vijandige partijen (ook staten) gesloten, ten einde hun geschillen of belangen bij te leggen of te regelen, dan spreekt men van verdrag. Na het verdrag van Delft verloor Jacoba van Beieren allen invloed.
Wanneer personen of staten zich vereenigen om een bepaald doel te bereiken met in achtneming van zekere voorwaarden, dan spreekt men van een verbond. Het Drievoudig Verbond redde ons land tijdelijk van een oorlog met Frankrijk. (Men zou Frankrijk, desnoodig, gezamenlijk beoorlogen.)
Opmerking. Overeenkomst heet in betrekking tot personen ook wel contract en in betrekking tot staten of vorsten conventie; verdrag noemt men ook wel tractaat, en verbond heet soms alliantie, unie of compromis.
Deze makelaars hebben een — getroffen, om een gelijk procent provisie te rekenen.
Door het — der Edelen werd de partij van den opstand eensklaps zeer sterk.
Wij hebben met Frankrijk een nieuw handels— gesloten.
De stedelijke regenten tijdens de Republiek hadden geheime — aangegaan om elkanders bloedverwanten te bevoordeelen.
Na het — van Rastadt werden de vijandelijkheden gestaakt.
Men zegt, dat deze twee staten een — hebben gesloten om den invloed van Engeland tegen te gaan. (Doel!)
Naar men zegt, was er tusschen Engeland en Duitschland een geheime — aangegaan, om elkanders vijanden in geenen deele te steunen.
131. Uitdenken—verzinnen—verdichten.
Iets nieuws bedenken.
Uitdenken wijst aan, dat men het gevondene uit verschillende reeds aanwezige gegevens opzettelijk bedacht heeft en er zich op heeft toegelegd een afgewerkt geheel te verkrijgen. Het heeft dus veel overeenkomst met uitvinden, maar dit laatste onderstelt, dat ook het bloote toeval den uitvinder kan helpen. De beweegkracht voor die machine is vernuftig uitgedacht (d.w.z., uit de voorhanden gegevens, n.l. de wetten van beweging, is deze nieuwe beweegkracht door het denken gevonden).
Verzinnen onderstelt ook wel een inspannen van onze gedachten, maar het wijst er vooral op, dat de fantasie de hoofdrol vervult. Het kost mij veel moeite, allerlei voorbeelden te verzinnen. Soms duidt verzinnen aan, dat een of andere bewering, die men voor waarheid uitgeeft, geheel onwaar is. Dit bericht is van het begin tot het einde geheel verzonnen.
Verdichten wijst er met nadruk op, dat het verzonnene als louter vrucht der verbeelding geen geloof verdient; men wil dus het verdichte niet als waarheid uitgeven, zooals bij verzinnen het geval is. De hoofdpersoon in dezen historischen roman is geheel verdicht.
Een zeker Duitsch officier Drais moet de fiets hebben —.
De spreuk boven de deur is heel aardig —.
Sommigen beweren wel eens, dat de koene daad van Jan van Schaffelaar geheel — is.
Wat — hij al niet, om mij zoo te belasteren!
Hij heeft een nieuw middel —, om een trein in volle vaart in een oogenblik te doen stilstaan.
In de oudste geschiedenis van Rome is zeer veel —.
Ik moet iets —, om mijn wegblijven te verontschuldigen.
132. Straffen—bestraffen—tuchtigen—kastijden.
Iemand doen boeten voor bedreven kwaad.
Straffen zegt dit in het algemeen, dus zonder nadere aanduiding. De dief werd met 3 jaren gevangenis gestraft.
Bestraffen zegt, dat alleen een berisping (een afkeuring in woorden) wordt toegediend, en heeft dus betrekking op mindere vergrijpen. Voor zijn lichtzinnig gedrag liep hij een bestraffing op.
Tuchtigen en kastijden hebben de bijgedachte, dat men den gestrafte wil verbeteren. Tuchtigen stelt de verbetering evenwel zoo goed als onmogelijk voor en is dus min of meer een wraakneming, terwijl kastijden den gestrafte wel voor verbetering vatbaar acht. Bovendien doet kastijden vooral aan lichamelijke straf denken. De roofzuchtige Kafferstammen werden door de Boeren meermalen getuchtigd.—De vader kastijdde den ongehoorzamen knaap.
De overtreder wordt met een geldboete —.
Wie wèl bemint, — zijn kind.
De bediende ontving voor zijn onvoorzichtigheid een welverdiende —.
Sommige monniken — zich.
Karel de Vijfde deed een tocht naar Algiers om de zeeroovers te —.
Hij is voor zijn misdaad reeds zwaar genoeg —.
133. Smart—verdriet—hartzeer—leed.
Pijnlijke gemoedsaandoening.
Smart is het pijnlijke gevoel, dat ons plotseling treft en hevig aandoet. De smart der ouders bij het vernemen van den dood van hun kind is niet te beschrijven. (In letterlijken zin beteekent smart: lichamelijke pijn, maar wordt niet veel meer gebruikt.)
Verdriet is de onaangename stemming, die zich van ons meester maakt, wanneer het een of ander onzen geest kwelt; het ziet dus meer op een smart van langer duur. De ouders hadden veel verdriet van hun zoon (hij paste n.l. slecht op, en dit kwelde hen voortdurend).
Is het verdriet nog heviger, zoodat ons lichaam er onder lijdt, dan spreekt men van hartzeer; hoewel dus sterker dan verdriet, wordt het minder openlijk geuit, ja meestal in 't verborgen gedragen. Uit hartzeer over het slechte gedrag van zijn zoon is de vader aan een uitterende ziekte gestorven.
Leed is het kwaad, dat ons smartelijk treft, hetzij doordat het onze hoop teleurstelt, of ons met rouw vervult; het doet ons dus korter of langer tijd lijden. Moge God U voor dat leed bewaren (bijv. het verlies van een kind).
In diepe — stonden de nabestaanden om het lijk geschaard.
Van — over het verlies van zijn goeden naam is hij gestorven.
Het deed hem innig —, dat hij op de begrafenis niet tegenwoordig kon zijn.
Met — hebben wij den dood van onzen vriend vernomen.
Hij is sedert eenigen tijd zeer neerslachtig; men kan duidelijk zien, dat hij — heeft.
Het —, dat men den gevangen vrouwen aandeed, is te onmenschelijk om het te beschrijven.
Met stille berusting droeg hij het —, dat hem wedervoer.
Hoezeer zijn binnenste door — verteerd werd, liet hij niets van zijn nameloos — blijken.
Het huwelijk met dien eerloozen bedrieger werd haar een bron van —.
134. Behoedzaam—voorzichtig—omzichtig.
Met overleg te werk gaande, om gevaar (schade) te vermijden.
Behoedzaam duidt aan, dat men in gevaarlijke omstandigheden op zijn hoede is om zich voor schade te vrijwaren. Men zorgt zooveel mogelijk alles te voorkomen, wat het gevaar kan doen toenemen, terwijl men gereed is om, mocht het gevaar ons naderen, het zooveel doenlijk af te weren. Behoedzaam, met het geladen geweer in de hand, naderde hij het hol van den leeuw.
Voorzichtig wijst aan, dat men zooveel mogelijk alle gevaren voorziet, die zouden kunnen ontstaan; daardoor kan men zijn handelingen zóó richten, dat men het gevaar tracht te ontgaan. Hij was voorzichtig genoeg om zich niet terstond door een belofte te verbinden. Gij moet het voorzichtig behandelen, d.i. alle voorzorgen in acht nemen, dat het voorwerp niet breekt.
Omzichtig is hij, die te midden van gevaren naar alle kanten om zich ziet, of er soms gevaar dreigt. Het heeft dus eenigszins de beteekenis van behoedzaam, maar het is nog sterker.
De voorzichtige berekent vooraf de kansen, de behoedzame is zelden voortvarend, de omzichtige is vaak wantrouwend. (Verklaar de eigenschappen!)
De dief was — genoeg, om zich vooraf een masker voor te doen; hij liep — den tuin door om op alle verdachte geluiden te letten, en eindelijk klom hij — het venster binnen.
Er waait een gure wind; gij moogt dus wel — zijn en u warm aankleeden.
Bij het kiezen van uw vrienden moet gij — te werk gaan.
Wij hebben de weduwe — den dood van haar echtgenoot medegedeeld.
De sluipmoordenaar naderde — zijn slachtoffer, om hem niet te wekken.
In gevaarvolle tijden is een — leidsman noodig.
De orang-oetan klimt meestal langzaam en —, maar tevens met groote zekerheid. Wil hij van den eenen boom in den anderen komen, dan slingert hij zich er — heen.
135. Altijd—altoos—steeds—immer—gedurig.
Wat zonder ophouden of uitzondering geschiedt.
Altoos en altijd zeggen dit zoowel van het verledene als van het toekomende: Hij is altijd een braaf man geweest en zal het altoos blijven. Hoewel beide woorden meestal geheel zonder onderscheid in beteekenis voor elkander gebruikt worden, schijnt altoos meer het begrip van herhaling, en altijd dat van voortduring aan te duiden. Ik heb dien hond wel twintigmaal weggejaagd, maar hij komt altoos weer terug. Ik zal u altijd dankbaar blijven. Bovendien begint altoos meer en meer uit de schrijftaal te verdwijnen; zelfs in de spreektaal komt het niet meer zoo vaak voor.
Evenals altijd ziet ook steeds op een onafgebroken voortduring zoowel in 't verleden als in de toekomst. Hoewel het in spreektaal gewoonlijk en in de schrijftaal vaak door altijd vervangen wordt, is het toch iets sterker dan altijd. Het is n.l. met de bijwoordelijke s afgeleid van 't oude bijv. nw. stede (verwant met stad), dat vast, bestendig beteekende. Vandaar geeft steeds een onafgebroken voortduring te kennen, die van standvastigheid, bestendigheid, duurzaamheid getuigt, en wordt dus bij voorkeur in goeden zin gebezigd. Hij was mij steeds getrouw (niet bijv.: steeds ontrouw). Dit is dus iets sterker dan: Hij was mij altijd getrouw, daar steeds de bestendigheid nog sterker doet uitkomen.
Immer ziet uitsluitend op de toekomst en duidt dan (sterker nog dan altijd) een onafgebroken voortduring der werking aan: Ik zal u immer getrouw blijven.
Gedurig duidde oorspronkelijk óók het begrip van onafgebroken voortduring aan, maar beteekent thans meer een herhaling der werking en is dan minder sterk dan altoos. Hij komt gedurig hier.
Wij zien dus, dat met uitzondering van gedurig in zijn tegenwoordige beteekenis het woord altijd in alle gevallen kan gebruikt worden. Denk daaraan bij de volgende zinnen.
Ik heb het hem wel honderdmaal verboden en toch doet hij het — weer.
Ik zal mijn woord — gestand doen.
Ik vind het vervelend, dat hij mij — lastig komt vallen.
In dien storm heb ik — aan u gedacht.
Men moet — zijn plicht doen.
Als gij zoo kort in de buurt komt wonen, moet gij mij — eens opzoeken.
Ofschoon ik u ga verlaten, zal ik toch — aan u denken.
Als ik hem iets vraag, geeft hij mij — een norsch antwoord.
Hij vatte — weer het plan op, om uit de gevangenis te vluchten.
Ik heb het — wel gezegd, dat hij niet te vertrouwen is.
De koning was — door een drom laaghartige vleiers omringd.
136. Intrekken—afschaffen—herroepen.
Een bestaande verordening of gewoonte te niet doen.
Geschiedt de tenietdoening door een bepaald persoon of door de overheid, dan gebruikt men intrekken of herroepen, terwijl afschaffen aanduidt, dat vooral de veranderde tijdsomstandigheden veel invloed op het te niet doen uitoefenen. Men gebruikt daarom afschaffen vooral van gebruiken, gewoonten of instellingen, die verouderd zijn. De Oudhollandsche kermis wordt meer en meer afgeschaft. Daarentegen gebruikt men intrekken en herroepen van wetten, besluiten, woorden, enz., waarbij een bepaalde persoon betrokken is. Herroepen onderstelt vaak (niet altijd) een dwang van anderen, terwijl intrekken meer een handeling uit eigen beweging aanduidt; bovendien wordt intrekken steeds gebezigd van voorstellen, die nog niet tot wet verheven zijn. Herroepen wijst er op, dat iets vroeger is uitgeroepen, luide verkondigd, wat intrekken niet onderstelt. Hij moest zijn lasterlijke beschuldiging openlijk herroepen. Bij de troonsbestijging van Karel II werd de Acte van Seclusie ingetrokken. (Zij was vroeger in 't geheim uitgevaardigd, niet openlijk afgekondigd.)
Na de bevrijding van de Fransche overheersching werd de censuur weer —.
Men wilde hem dwingen zijn leerstellingen te —.
De voorgestelde wet op het lager onderwijs zal worden —.
Het zoogenaamde „plukgeld” (opcenten bij verpachtingen) is reeds in vele streken —.
Uit eigen beweging heeft hij zijn lasterlijke woorden —.
Door den graaf werden bij de aanvaarding van zijn regeering verscheidene privilegies —.
Men dwong den lasteraar openlijk zijn beschuldiging te —.
Na de — van het Edict van Nantes kwamen zich hier vele vluchtelingen vestigen.
Bij de komst der Franschen werd de pijnbank —.
De hinderlijke bepalingen op het wielrijden werden —.
137. Achteloos—onachtzaam—onoplettend—slordig.
De noodige zorg missende.
Achteloos en onachtzaam geven aan, dat men op zijn zaken of plichten niet voldoende acht geeft; onachtzaam slaat op een bepaald geval, op een fout, terwijl achteloos op een gewoonte, een gebrek wijst. Uit onachtzaamheid stiet hij het glas van de tafel. Van iemand, die zoo achteloos als hij is, kan men geen degelijk werk verwachten.
Onoplettend is hij, die niet opmerkzaam is op hetgeen hij doen moet; hij heeft zijn aandacht niet bij de zaak en loopt er te vluchtig over heen. Als hij zoo onoplettend werkt, zal hij zich voortdurend vergissen.
Is iemand achteloos uit traagheid of onordelijkheid, zoodat hij zijn zaken niet voldoende behartigt, dan noemt men hem slordig; het is nog sterker dan achteloos. Deze ontvanger is een slordig administrateur: zijn boeken zijn nooit in orde.
Als gij zoo — met uw geldzaken zijt, zult gij spoedig arm zijn.
De cipier was zoo —, dat de gevangene gemakkelijk kon ontsnappen.
Het is geen wonder, dat hij zijn zaken weer in de war heeft gestuurd; hij is er — genoeg voor.
Uit zijn — kleeding blijkt voldoende, dat hij — van aard is.
Hij heeft zoo — toegezien, dat hij niet eens mijn heengaan bemerkte.
Waarom zijt gij zoo — geweest, dat gij bij uw vertrek de deur niet hebt gesloten?
138. Afgunst—wangunst—nijd—naijver.
Leedgevoel over het geluk van anderen.
Naijver drukt dit het zachtst uit; het onderstelt dat men mededingers heeft, die men voorbij wil streven. In zijn naijver op den bijval, dien zijn kunstbroeders inoogstten, liet de clown zich tot een gevaarlijken sprong in den circus verleiden.
Afgunst duidt aan, dat men aan een ander niet gunt, wat hij bezit of ontvangt, terwijl wangunst bovendien te kennen geeft, dat men hetgeen een ander ten deel valt, zelf wenscht te bezitten.
Nijd is nog sterker dan wangunst; het wijst aan, dat iemands welvaart oorzaak is, dat men hem óók nog een kwaad hart toedraagt. (Vergelijk: broodnijd!)
Hoe hooger hij in de gunst des konings steeg, hoe meer hij daardoor de afgunst der overige hovelingen opwekte. Sterker zou in dezen zin nijd zijn, immers dan duidde men aan, dat de hovelingen hem ook vijandig gezind waren en hem misschien wel ten val zochten te brengen. Wangunst zou gebruikt moeten worden, als de hovelingen in zijn plaats wilden komen.
De kleine Willem was boos, dat zijn zusje van haar peettante een mooie pop gekregen had; uit — greep hij de pop af en wierp ze in het water.
Uit — over de toenemende klandizie van zijn concurrent ging de winkelier hem van vervalsching der waren betichten.
Uit — sloeg hij al zijn waren in prijs af, om zijn concurrent diens klanten afhandig te maken.
De onderlinge —, die er tusschen de groote mogendheden bestaat, is voor de kleine staten een der voornaamste waarborgen hunner zelfstandigheid.
139. Laken—berispen—gispen—vitten—bedillen.
Een afkeurend oordeel vellen.
Laken zegt, dat iets onvoorwaardelijk is af te keuren en heeft hoofdzakelijk betrekking op handelingen, niet op de personen zelf. Zijn onbetamelijk gedrag werd door ieder gelaakt.
Berispen heeft de bijgedachte, dat een meerdere zijn mindere diens verkeerde handelingen onder 't oog brengt en hem in afkeurende woorden daarover bestraft; het wordt dus van de personen zelf gezegd. De onderwijzer berispte den leerling over het slordige werk.
Gispen (d.i. met een gisp of roede slaan) geeft te kennen, dat men in scherpe bewoordingen iemands handelingen afkeurt of hekelt. Het opzettelijk beleedigen van den gezant, waartoe de minister zich had laten verleiden, werd door de vredespartij streng in hem gegispt. (Het komt hoofdzakelijk alleen in de schrijftaal voor.)
Bedillen wijst aan, dat men op iemands doen en laten kleingeestige aanmerkingen maakt uit zekere zucht om zich met alles te bemoeien. Zijn afkeurende critiek behoeft gij u niet aan te trekken: hij staat algemeen bekend als iemand, die iedereen wil bedillen.
Ontstaat de afkeuring uit afgunst en ontaardt zij in een breed uitmeten van allerlei nietigheden of kleine gebreken, dan spreekt men van vitten. Ik had wel gedacht, dat hij op dit boek zou gaan vitten: hij is jaloersch op den opgang, dien het maakt.
Het valt zonder twijfel in hem te —, dat hij zijn ouders niet beter ondersteunt.
De klerk had een paar kantoorgeheimen verklapt, en werd daarover door zijn patroon ernstig —.
Mijn buurman is het nooit naar den zin te maken; hij wil iedereen — en heeft op alles wat te —.
In zijn rede heeft deze spreker de weifelende houding van het bestuur ernstig —.
De minister wilde den ambtenaar nog niet terstond ontslaan, maar heeft hem eerst openlijk —.
Als gij zoo gaat —, begrijpt iedereen, dat wangunst u drijft.
140. Bedaard—rustig—bezadigd—kalm.
De toestand, waarin de hartstochten geen heerschappij voeren.
Rustig is hij, die weinig beweging maakt, die niet opgewonden is, die zoowel innerlijk als uiterlijk rust geniet; hij acht zich geheel veilig en leeft in dat bewustzijn stil voort. Een rustige slaap; een rustig leven.
Wie bezadigd is, windt zich niet spoedig op; de omstandigheden hebben weinig invloed op zijn gemoedstoestand; hij is in staat rustig over de zaken na te denken en laat zich niet door zijn hartstocht verblinden. Hij heeft in een bezadigd artikel zijn meeningen uiteengezet, zoodat zelfs zijn tegenpartij het met waardeering bespreekt.
Kalm doet denken aan het water, dat niet door storm opgezweept of bewogen wordt. Het duidt een rustige gemoedsgesteldheid aan als gevolg van het zwijgen der hartstochten, zoodat alle heftigheid verre blijft. Hij ontsliep zacht en kalm (d.i. zonder heftigheid van den doodstrijd). Hij dacht kalm na, over hetgeen hem na die ramp te doen stond.
Bedaard is hij, die evenals de natuur na een storm of onweer tot rust gekomen is, bij wien de hartstochten hebben uitgewoed; alle heftigheid is voorbij, zijn uiterlijk en zijn doen teekenen rust. In een vloed van scheldwoorden gaf hij zijn gemoed lucht; daarna wandelde hij bedaard verder. Mijn oom is nu een bedaard mensch, maar vroeger was hij altijd druk en opgewonden.—Soms wijst bedaard niet op een voorafgaande heftigheid, doch drukt men er mee uit, dat iemand op bewonderenswaardige wijze zijn hartstochten weet te bedwingen. Hij hield zich bedaard, hoezeer het in hem kookte. (Kalm is hier niet op zijn plaats; de hartstocht der woede immers beroerde wel degelijk zijn gemoed; kalm was hij dus niet, maar wel bleef hij bedaard.)
Wat is nu het verschil tusschen deze zinnen: „Kalm hoorde hij de beleediging aan” en „Bedaard hoorde hij de beleediging aan”?
De zieke genoot een — slaap.
Ik heb hem als een — man leeren kennen, hoezeer men hem als een vurig ijveraar had afgeschilderd.
In die — omgeving zal hij wel spoedig — worden.
Als gij u — houdt, wil ik u alles mededeelen, wat hij heeft gezegd.
In den politieken strijd laat men zich licht opwinden, en toch is het noodig, dat men — blijft om — over zijn tegenpartij te kunnen oordeelen.
Zijn hoonende woorden griefden mij zóó, dat het mij moeite kostte — te blijven.
Gij moet een — en — leven leiden, of uw kwaal zal spoedig verergeren.
Toen de leeuw zijn vervolgers bemerkt had, liet hij een doordringend gebrul hooren; daarna wachtte hij — hun nadering af.
141. Barst—scheur—spleet—kloof.
De verbreking van den onderlingen samenhang.
Barst duidt aan, dat er wel een scheiding tusschen de deeltjes bestaat, maar dat er nog geen zichtbare opening is; de bedoelde scheiding kan zelfs tot een kleine oppervlakte beperkt blijven. Een barst in een glas.
Worden de deelen door scheuren, d.i. door een zekere kracht vaneen getrokken, dan ontstaat een opening, een scheur: een scheur in een jas; een scheur in het ijs.
Is de opening door splijten ontstaan, dus door grooter krachtsaanwending dan scheuren, dan spreekt men van spleet; een spleet is dus grooter, wijder dan een scheur. Een diepe spleet in de rots.
Kloof geeft te kennen, dat de opening wijd is en gaapt: een breede rotskloof.
Scheur zegt men van harde, zoowel als van zachte stoffen: een scheur in glas, in linnen, in hout, in den kleigrond; kloof en spleet alleen van harde voorwerpen (rotsgronden), terwijl barst gebruikt wordt van harde, maar toch broze stoffen: glas, ijs; dus niet van papier, linnen, enz.
Kijk eens goed, ik geloof, dat er in dit mooie glas een — is.
Het ijs toonde wel eenige —, maar het was toch wel te berijden.
De — in het ijs zal men van nacht moeten volgieten.
De japon bleef aan een spijker haken en kreeg een leelijke —.
De berg zat vol overlangsche —.
De vluchteling verschool zich in een diepe —.
De muur van dit huis vertoont bedenkelijke —.
Ik meen aan den klank te hooren, dat de groote torenklok een — heeft.
142. Ambacht—beroep—bedrijf—handwerk—nering.
Al deze woorden worden gebruikt, om een kostwinning aan te duiden.
Beroep is het algemeenst en tevens de vereerendste uitdrukking; het sluit het bijdenkbeeld in, dat men er voor geleerd of gestudeerd heeft en door een benoeming of aanstelling als 't ware er toe geroepen is. Het ziet meer op geestes- dan op handenarbeid. Advocaat, dokter, onderwijzer hebben dus een beroep. (Zie ook 143.)
Ambacht, bedrijf en handwerk duiden meer lichamelijken arbeid aan. Bij handwerk denkt men aan arbeid, die door de handen wordt verricht en waarbij het vooral op kracht en vaardigheid aankomt: houtzagen, klompenmaken, nettenbreien.—Ambacht onderstelt, dat men een zekere bekwaamheid bezit, die men door oefening of nadenken langzamerhand heeft verkregen; ook omvat het meer verscheidenheid van werkzaamheden; men moet het leeren en het staat dus hooger dan handwerk.—Een bedrijf onderstelt een arbeid, die verscheidene verwante zaken omvat, bijv. het boerenbedrijf.
Nering ziet op een kostwinning, die door handel wordt verdiend, zooals bijv. bij kruideniers.
Soms heeft beroep ook de ruimere beteekenis van ambacht, nering, enz.; bijv.: hij is van beroep timmerman. In dit geval wordt de kostwinning, die wij hierboven een beroep noemden, een ambt geheeten. (Zie no. 143.)
Zeg nu, wie der volgende personen een ambacht, beroep, bedrijf, handwerk of nering uitoefent: een notaris, een smid, een stratenmaker, een theehandelaar, een aannemer, een sigarenmaker, een bloemist, een fabrikant van diamanten.
143. Ambt—waardigheid—bediening—post.
Maatschappelijke betrekkingen, waartoe men door de bevoegde macht is aangesteld.
Ambt onderstelt, dat voor de betrekking een zekere mate van kennis en ervaring noodig is en waarvoor men dus meestal een examen moet hebben afgelegd; men wordt in elk geval door de overheid of bevoegde macht toe benoemd.—Bediening, hetwelk oorspronkelijk aanduidt, dat men als ondergeschikte in iemands dienst staat, heeft nu een meer verheven beteekenis en wordt hoofdzakelijk van een predikant gezegd, hoewel ook deze een ambt bekleedt, n.l. het predikambt.—Bij het woord waardigheid denkt men vooral aan de eer en het aanzien, die aan de betrekking verbonden zijn: een minister, een commissaris der Koningin bekleeden een waardigheid.—Post ziet meer op een betrekking, waarbij het vooral op vertrouwen aankomt. Toch wordt het vaak geheel gelijk met ambt genomen: Hij bekleedde jarenlang een eervollen post. Soms stelt het ook het voordeelige van een betrekking op den voorgrond: Een vette post.
Een griffier bekleedt een —.
De voorzitter der Staten-Generaal bekleedt een —.
De Rijksontvanger bekleedt een — of —.
De predikant neemt een — waar of bekleedt een —.
De familie-regenten schonken alle voordeelige — aan hun verwanten. (Waarom hier niet waardigheid of ambt?)
De notaris werd uit zijn — ontzet.
Aan den Prins werden alle — zijner voorvaderen erfelijk opgedragen.
144. Wachten—verwachten—afwachten—verbeiden.
Op dezelfde plaats of in denzelfden toestand blijven, totdat iets gebeurt.
Wachten geeft dat blijven op dezelfde plaats zonder nadere aanduiding aan. Ik wachtte voor het hek, tot de trein voorbij was.
Verwachten onderstelt, dat men met zekere belangstelling (verlangen, vrees) uitziet, naar hetgeen gebeuren zal en dat men daarop min of meer stellig rekent. Ik verwacht ieder oogenblik mijn vader. Ik verwacht een ongeluk.
Verbeiden drukt hetzelfde uit, maar geeft tevens nog aan, dat men met innig verlangen de gebeurtenis tegemoet ziet; het behoort alleen tot den deftigen stijl. De langverbeide dag was eindelijk gekomen. (Waarom kan men dus niet zeggen: De langverbeide ramp was eindelijk gekomen?)
Bij afwachten denkt men aan wachten, tot iets komt of iets gebeurt en wel met eenige zekerheid. Wanneer men een bezoek afwacht, wacht men zonder iets anders te doen, totdat de bezoekers komen, om op dat oogenblik gereed te zijn en hen naar behooren te ontvangen. Verwacht men bezoek, dan ziet men gedurig (met belangstelling) eens uit, of de gasten komen, terwijl men op hun bezoek rekent, door zich bijv. behoorlijk te kleeden, maar men blijft niet (zooals bij afwachten) op hen zitten wachten, daar men niet volkomen zeker van hun komst is.—Afwachten wijst, figuurlijk gebruikt, op een geduldig wachten tot het einde toe, terwijl verwachten meer op het vooruitzien zelf slaat. Gij moet altijd kalm den uitslag afwachten: dikwijls is hij gunstiger, dan gij hadt durven verwachten.