TWEEDE BEDRIJF.
Nico van Suchtelen translation
(Vertrek van Judith. Judith en Mirza aan het weefgetouw).
Judith. Wat denk je van dien droom?
Mirza. Ach, luister toch liever naar wat ik u zeide.
Judith. Ik liep al maar door en voelde me zoo gejaagd, en toch wist ik niet waar het mij heen dreef. Nu en dan stond ik stil en dacht na; dan was 't me alsof ik een groote zonde beging. Voort, voort! zei ik tegen mijzelf en liep nog sneller dan eerst.
Mirza. Daar ging juist Ephraim voorbij. Hij zag er erg bedroefd uit.
Judith (zonder naar haar te luisteren). Plotseling stond ik op een hoogen berg; het duizelde mij. Maar daarna voelde ik mij trotsch; de zon was zoo dicht bij, ik knikte haar toe en zag voortdurend naar boven. Opeens bemerkte ik een afgrond voor mijn voeten, een paar schreden van mij af, donker, onafzienbaar, vol rook en kwalm. En ik was niet in staat terug te gaan, noch stil te staan; ik wankelde voorwaarts. „God, God,” riep ik in mijn angst. „Hier ben ik,” klonk het uit den afgrond omhoog, vriendelijk, lieflijk. Ik sprong; zachte armen vingen mij op, ik dacht dat ik rustte aan het hart van iemand dien ik niet zag en ik voelde mij onzeggelijk gelukkig. Maar ik was te zwaar, hij kon mij niet houden; ik zonk en zonk... ik hoorde hem weenen, en als gloeiende tranen drupten op mijn wang...
Mirza. Ik ken een droomuitlegger. Zal ik hem laten halen?
Judith. 't Is helaas tegen de wet. Maar dàt weet ik wel: zulke droomen moet men niet geringschatten! Kijk, ik stel me dat zòò voor: als een mensch slaapt, ontbonden, niet meer bijeengehouden door zijn zelfbewustzijn; dan verdringt een besef der toekomst alle gedachten en beelden van het heden en de dingen die komen moeten glijden als schaduwen door zijn ziel, voorbereidend, waarschuwend of vertroostend. Dààrdoor komt het dat zoo zelden of nooit iets ons werkelijk verrast; dat we op het goede al lang te voren met zoo groot vertrouwen hopen en voor alle kwaad onwillekeurig sidderen. Ik heb dikwijls gedacht of men kort voor zijn dood nog wel zou droomen.
Mirza. Waarom luistert u nooit als ik over Ephraim spreek?
Judith. Omdat ik gruw van mannen.
Mirza. En u hebt toch zelf een man gehad!
Judith. Ik wil je een geheim toevertrouwen: mijn man was krankzinnig!
Mirza. Onmogelijk! Zou ik dat dan niet gemerkt hebben?
Judith. Hij wàs het, ik mòet het er wel voor houden, als ik niet bang wil worden van mijzelf, als ik niet wil gelooven dat ik een gruwelijk, ontzettend wezen ben. Luister: nog geen veertien jaar was ik toen ik tot Manasses werd geleid. Je zult je dien avond wel herinneren, je volgde mij. Bij iedere schrede die ik deed werd ik angstiger; nu eens dacht ik dat ik zou ophouden te leven, dan dat ik eerst moest beginnen. O, en de avond was zoo lokkend, zoo verleidelijk, men kòn hem niet weerstaan. De luwe wind tilde mijn sluier op alsof hij zeggen wilde: Nu is 't tijd; maar ik hield hem vast, want ik voelde hoe mijn gezicht gloeide en ik schaamde mij. Mijn vader liep naast mij, hij was heel ernstig en sprak veel waar ik niet naar luisterde. Soms zag ik naar hem op en dan dacht ik: Manasses zal er stellig anders uitzien. Heb je dat alles dan niet gemerkt? Je waart er immers ook bij?
Mirza. Ik schaamde mij met u.
Judith. Eindelijk kwam ik in zijn huis en zijn oude moeder trad mij met een plechtig gelaat tegemoet. Het kostte mij moeite haar moeder te noemen; het was me als moest mijn eigen moeder dat in haar graf voelen en als moest het haar pijn doen. Daarna zalfde zij mij met nardus en olie en toen had ik toch werkelijk het gevoel dat ik dood was en als een doode gezalfd werd; je zeide ook dat ik bleek werd. Daar kwam Manasses, en toen die mij aanzag, eerst schuchter, dan driester en driester; toen hij eindelijk mijn hand greep en iets zeggen wilde maar het niet kon; toen was het mij heel en al alsof ik in brand stond, of mij de lichtelaaie vlammen uitsloegen. Vergeef me dat ik dit zoo zeg.
Mirza. U drukte het gezicht eerst een oogenblik in de handen, toen sprongt ge vlug op en viel hem om den hals. Ik schrok er heusch van.
Judith. Ik zag het en lachte je uit; ik hield mij opeens voor veel wijzer dan jij. Luister verder, Mirza. We gingen het slaapvertrek binnen. De oude deed allerlei wonderlijke dingen en sprak iets als een zegen; het was mij toch weer vreemd en bang te moede toen ik zoo alleen met Manasses achterbleef. Er brandden drie lichten, hij wilde ze uitdooven. „Niet doen, niet doen,” vroeg ik smeekend. „Dwaas kind,” zeide hij en wilde mij in zijn armen nemen. Toen ging één van de lichten uit, wij merkten het nauwelijks. Hij kuste mij; toen doofde het tweede. Hij sidderde en daarna ik ook; maar toen lachte hij weer en zei: „Het derde doof ik zelf.” „Gauw, gauw dan,” riep ik, want het liep me koud over den rug. Hij deed het. De maan scheen helder de kamer binnen; ik wipte vlug in bed; zij scheen mij juist in het gelaat. Manasses riep: „Ik zie je zoo duidelijk als overdag,” en meteen kwam hij op mij toe. Plotseling bleef hij staan, het leek alsof de zwarte aarde een hand had uitgestoken en die hem van onderen had vastgegrepen. Ik was vreemd beklemd. „Kom, kom!” riep ik, zonder mij er over te schamen dat ik dit deed. „Ik kan niet,” antwoordde hij dof en traag. „Ik kan niet,” herhaalde hij nog eens en staarde mij vreeselijk, met wijdgeopende oogen aan. Daarna waggelde hij naar het venster en zei wel tienmaal achter elkaar „Ik kan niet.” Hij scheen niet mij, maar iets vreemds, iets ontzettends gezien te hebben.
Mirza. Ongelukkige!
Judith. Ik begon heftig te weenen; ik kwam mij voor als verontreinigd, ik haatte en verafschuwde mijzelf. Hij zeide mij lieve, teere woorden; ik strekte mijn armen naar hem uit, maar inplaats van te komen, begon hij zacht te bidden. Mijn hart hield op te kloppen, het was mij of ik in mijn bloed vastvroor; in mijn eigen binnenste wroette ik mij in als in iets vreemds en toen ik eindelijk, langzaam aan, mijzelf in den slaap verloor, had ik juist een gevoel alsof ik ontwaakte. Den volgenden morgen stond Manasses voor mijn bed; hij keek mij met eindeloos medelijden aan; het werd mij weer zoo beklemd; ik had wel willen stikken. Opeens was 't of er iets in mij scheurde; ik barstte in wild lachen uit en kon weer adem krijgen. Zijn moeder zag mij donker en spottend aan; ik merkte dat zij geluisterd had; geen woord sprak zij tegen mij en fluisterend trad zij met haar zoon in een hoek. „Bah!” riep hij plotseling luid en boos. „Judith is een engel!” voegde hij er aan toe, terwijl hij mij kussen wilde. Ik weigerde hem mijn mond; hij schudde vreemd met het hoofd; het scheen hem goed te zijn. (Na een lange pauze). Zes maanden ben ik zijn vrouw geweest... hij heeft mij nooit aangeraakt.
Mirza. En...
Judith. Wij leefden zoo maar naast elkaar voort; wij voelden dat wij bij elkaar hoorden; maar het was of er iets tusschen ons stond, iets duisters, onbekends. Soms rustte zijn blik op mij met een uitdrukking die mij deed sidderen. Op zulk een oogenblik had ik hem kunnen wurgen, uit angst, uit noodweer; zijn blik boorde als een vergiftigde pijl in mijn ziel. Je weet, het was drie jaar geleden, tijdens den gierst-oogst, dat hij ziek van 't veld thuis kwam; den derden dag lag hij op sterven. Het was mij of hij wilde wegsluipen met een roof gepleegd aan mijn innerlijkst leven; ik haatte hem om die ziekte, het scheen mij alsof hij mij met zijn dood als met een misdaad bedreigde. Hij màg niet sterven, riep het in mijn borst; hij mag zijn geheim niet meenemen in het graf, je moet eindelijk den moed hebben het hem te vragen. „Manasses,” zeide ik, terwijl ik mij over hem heen boog, „wat was dat in onzen huwelijksnacht?” Zijn donkere oogen waren al dichtgevallen, met inspanning sloeg hij ze weer op; ik sidderde, want hij scheen zich uit zijn lichaam, als uit een lijkkist op te heffen. Hij zag mij lang aan; toen zeide hij: „Ja, ja, ja... nù mag ik het je zeggen; je...” Maar snel, als zou ik het nooit mogen weten, trad de Dood tusschen mij en hem en sloot zijn mond voor eeuwig. (Na een lang zwijgen). Mirza... zeg... moet ik niet zelf krankzinnig worden als ik ophoud Manasses voor krankzinnig te houden?
Mirza. Ik huiver.
Judith. Je hebt dikwijls gezien dat ik soms, wanneer ik stil aan het weefgetouw of aan ander werk schijn te zitten, plotseling neerzink en begin te bidden. Men heeft mij daarom vroom en godvruchtig genoemd. Ik zeg je, Mirza, als ik dat doe is het omdat ik mij niet meer weet te redden van mijn eigen gedachten. Mijn gebed is dan een onderdompelen in God, het is niet anders dan een soort van zelfmoord: ik spring in den Eeuwige, zooals wanhopenden in een diep water.
Mirza (gedwongen afleidend). Op zulke oogenblikken moest u liever eens voor den spiegel gaan staan. Voor den glans van uw jeugd en schoonheid zouden die nachtelijke spoken schuw en verblind de vlucht nemen.
Judith. O zottin, ken jìj een vrucht die zichzelf kan eten? Beter is het nìet jong en schoon te zijn, wanneer je 't voor jezelf alleen bent. Een vrouw is niets, alleen door den man kan zij iets worden; mòeder kan zij door hem worden. Het kind dat zij baart is de eenige dank dien zij der natuur voor haar bestaan kan brengen. Onzalig zijn de onvruchtbaren, en dubbel onzalig ben ik, ik, die geen maagd ben en toch ook geen vrouw.
Mirza. Wie belet u dan ook voor anderen, ook voor een geliefden man jong en schoon te zijn? Hebt ge geen keuze onder de edelsten?
Judith (zeer ernstig). Je hebt niets van mij begrepen. Mijn schoonheid is een wolfskers, haar genot brengt waanzin en dood!
Ephraim (haastig binnentredend). Ha, ge zit daar zoo kalm, terwijl Holofernes voor de stad staat!
Mirza. Dan zij God ons genadig!
Ephraim. Werkelijk, Judith, als je gezien had, wat ìk gezien heb, zou je sidderen. Men zou er op zweren dat al wat vrees en schrik inboezemt, in dienst van dien heiden staat. Wat een menigte van kameelen en paarden, wagens en stormrammen! Een geluk dat muren en poorten geen oogen hebben! Ze zouden instorten van angst wanneer ze al die gruwelen konden zien!
Judith. Ik geloof dat je meer gezien hebt dan anderen.
Ephraim. Ik zeg je, Judith: er is niemand in heel Bethulië die er nu niet uitziet alsof hij koorts had. Je schijnt weinig van Holofernes te weten, maar ik weet des te meer van hem. Ieder woord uit zijn mond is een verscheurend beest. Als het 's avonds donker wordt...
Judith. Laat hij licht opsteken.
Ephraim. Dat doen wìj, ik en jij. Maar hìj laat dorpen en steden in brand steken en zegt: dit zijn mijn fakkels, ik heb ze goedkooper dan anderen. En hij denkt nog heel goedertieren te zijn wanneer hij maar bij den gloed van ééne en dezelfde stad zijn zwaard poetsen en zijn vleesch braden laat. Toen hij Bethulië zag, moet hij gelachen en zijn kok spottend gevraagd hebben: Denk je dat je daarbij een struisvogel-ei kunt bakken?
Judith. Ik zou hem willen zien! (voor zich) Wat heb ik daar gezegd?
Ephraim. Wee, zoo jij door hèm gezien werd! Holofernes doodt vrouwen door kussen en omhelzingen, zoogoed als mannen met speer en zwaard. Had hij jou binnen de muren der stad geweten, hij zou alleen al om jouwentwil gekomen zijn!
Judith (glimlachend). Was het maar waar! Dan hoefde ik immers maar naar hem toe te gaan en stad en land waren gered!
Ephraim. Jij alleen hebt het recht deze gedachte dòòr te denken.
Judith. En waarom niet? Ééne voor allen; en nog wel eene die zich altijd tevergeefs afvroeg: waarvoor besta je! Ah!... en al is hij niet om mijnentwil gekomen, zou hij er niet toe te brengen zijn dat hij geloofde om mijnentwil gekomen te zijn? Reikt de reus zoo hoog met zijn hoofd in de wolken dat ge hem niet bereiken kunt, welnu, zoo werpt hem toch een edelsteen voor de voeten; hij zal zich bukken om hem op te rapen en dan overweldigt ge hem gemakkelijk.
Ephraim (voor zich). Mijn opzet was onnoozel. Wat haar angst aanjagen en in mijn armen drijven moest, maakt haar koen. Ik voel mij als gevonnist wanneer ik haar in de oogen zie. Ik hoopte dat zij in dezen algemeenen nood naar een beschermer zou uitzien, en wie was haar dan nader dan ik? (luid) Judith, je bent zòò moedig, dat je ophoudt mooi te zijn.
Judith. Als je een man bent, moog je mij dit zeggen.
Ephraim. Ik bèn een man en ik mag je nog mèèr zeggen. Kijk, Judith, er komen zware tijden, waarin niemand veilig is dan zij die wonen in hun graf. Hoe zal jij daar doorheen komen? Jij, die vader, broeder noch man hebt?
Judith. Je wilt toch niet soms Holofernes tot je pleitbezorger maken?
Ephraim. Spot maar. Maar luister! Ik weet dat je mij versmaad, en als de wereld om ons heen niet zulk een dreigend aanzien had genomen, zou ik je niet meer onder de oogen zijn gekomen. Zie je dit mes?
Judith. Het is zoo blank dat ik mijn eigen beeld er in zien kan.
Ephraim. Ik sleep het den dag waarop je mij hoonlachend wegstiet en waarachtig, stonden de Assyriërs nu niet voor de poort, dan stak het al in mijn borst. Dan had je het niet voor spiegel kunnen gebruiken, want mijn bloed zou het hebben doen roesten.
Judith. Geef hier! (Zij steekt er mee naar zijn hand, die hij terugtrekt) Bah! Jij waagt het over zelfmoord te spreken, terwijl je siddert voor een prik in je hand!
Ephraim. Jij staat voor mij, ik zie jou, ik hoor jou, en ik heb nu mijzelf lief, omdat ik mijzelf niet meer voel, zoo vol ben ik van jou! Zoo iets lukt slechts in donkeren nacht, als er niets meer wakker is in je hart dan de smart; als de dood je ziel dichtknijpt zooals slaap de oogen en als je willoos gelooft uit te voeren wat een onzichtbare macht gebiedt. O, ik ken dat, want ik was al zòò ver dat ik niet weet waarom ik niet nog verder ging. Dat heeft met moed of lafheid niets te maken; het is als het grendelen van een deur wanneer je slapen wilt.
Judith (reikt hem de hand).
Ephraim. Judith, ik heb je lief en jij hebt mij niet lief. Jij kunt het ééne niet helpen en ik kan het andere niet helpen. Maar weet je wat het beteekent: lief hebben en te worden versmaad? Dat is geen leed als ander leed. Als men mij vandaag iets afneemt, dan leer ik morgen dat ik het missen kan. Slaat men mij een wond, dan heb ik gelegenheid mij te oefenen in de heelkunde. Maar behandelt men mijn liefde als een dwaasheid, dan maakt men het heiligste in mijn borst tot een logen. Want wanneer het gevoel dat me tot jòu heen trekt, mij bedriegt, welken waarborg heb ik dan dat datgene, wat mij voor God terneer werpt waarheid is?
Mirza. Voelt ge 't niet, Judith?
Judith. Kan liefde plicht zijn? Moet ik dien man mijn hand geven, opdat hij zijn dolk late vallen? Ik ga 't haast gelooven.
Ephraim. Judith, nog éénmaal vraag ik je. Dat wil zeggen: Ik vraag verlof om voor je te sterven. Ik wil niets anders dan het schild zijn waarop de zwaarden die je bedreigen zich bot hakken.
Judith. Is dit dezelfde man dien een blik op het kamp der vijanden scheen te hebben ontzield? Die mij vòòrkwam als iemand, wien ik een van mijn rokken moest leenen? Zijn oogen vlammen, zijn vuisten ballen zich. God, God! ik bewonder zoo graag; het is me als kerfde ik in mijn eigen vleesch wanneer ik iemand verachten moet.—Ephraim, ik heb je pijn gedaan; dat spijt me. Ik wilde in jouw oogen niet langer beminnenswaardig zijn, want ik kan je niets geven; daarom heb ik je bespot. Ik wil je beloonen, ik kan het. Maar wee, wanneer je mij nu niet verstaat; wanneer niet, zoodra ik het woord gesproken heb, de Daad, gebiedend als de Noodwendigheid zelf, voor je ziel staat; wanneer 't je niet is alsof je alleen maar leefde om hààr te volvoeren!—Ga heen... doodt Holofernes!—Daarna, daarnà eisch van mij het loon dat je verlangt.
Ephraim. Je raast! Holofernes dooden? temidden van zijn leger? Hoe zou dat kunnen?
Judith. Hoe dat zou kunnen? Weet ìk dat? Dan deed ik 't zelf. Ik weet alleen dat het mòet!
Ephraim. Ik zag hem nooit, maar nù zie ik hem.
Judith. Ik ook; met dat gelaat dat een en al oog is, één gebiedend oog; met dien voet, waarvoor de aarde, wanneer hij voortschrijdt, schijnt terug te huiveren. Maar er was een tijd dat hij niet bestond, daarom kan er ook een tijd komen dat hij niet meer bestaat.
Ephraim. Geef hem den bliksem en ontneem hem zijn leger, dan zal ik het wagen. Maar nu...
Judith. Wìl! En uit de diepten van den afgrond omhoog en van de tinnen des hemels omneer zal je de heilige, beschermende machten aantrekken om je werk, zooniet jezelf, te zegenen en te beschutten. Want je wilt wat àllen willen, waarover de Godheid broedt in haar eersten toorn en waarop de natuur, die siddert voor de monsterlijke geboorte van haar eigen schoot en die den tweeden man niet scheppen zal, tenzij slechts om den eerste te verdelgen, tandeknarsend zint in gefolterden droom.
Ephraim. Alleen omdat je mij haat, omdat je mij wilt dooden, eisch je het ondenkbare.
Judith (gloeiend). Ik heb je goed beoordeeld! Wat? Zùlk een gedachte brengt je niet in geestdrift? Bedwelmt je niet eens? Ik, die jij lief hebt; ik, die je boven jezelf uit verhoogen wilde, om je wederliefde te kunnen geven, ik leg die gedachte in je ziel en ze is voor jou niets dan een last die je nog maar dieper in 't stof drukt? Kijk, als je haar jubelend ontvangen had, als je onstuimig naar je zwaard gegrepen en je nauwelijks tijd gegund had voor een vluchtig vaarwel; dan, o, dat voel ik, dan had ik mij weenend je in den weg geworpen; ik zou je het gevaar geschilderd hebben met al den angst van een hart dat siddert voor het méést geliefde; ik zou je weerhouden hebben of ik zou je gevolgd zijn.—Maar nu? Ah! ik ben meer dan gerechtvaardigd; je liefde is de straf voor je armzaligen aard; zij werd je vloek om je te verteren. Ik zou mijzelf verachten, als ik mij betrapte op ook maar een sprankel medelijden. Ik doorzie je heel en al, ik begrijp zelfs dat het hoogste voor jou lijken moet als het meest gewone, dat je moet glimlachen als ik bid.
Ephraim. Veracht mij! Maar toon mij eerst den man die het onmogelijke mogelijk maakt.
Judith. Ik zal hem je toonen. Hij zal komen! Hij mòet immers komen? En als jòuw lafheid de lafheid is van heel je geslacht; als àlle mannen in gevaar niets anders zien dan een waarschuwing het te vermijden, dàn heeft een vròuw het recht gekregen op een groote daad, dàn... ah! ik heb haar geëischt van jou... ik moet bewijzen dat zij mogelijk is!