← Table of contents
Joris Komijn op de Tentoonstelling

Derde Dag.

Reading edition

AMSTERDAM, Mei 1883. Waarde wederhelft, kinderen en nabestaanden!

Ditmaal sta ik om zoo te zeggen met mijn mond vol tanden overwegende ik weet niet waar te beginnen om u beschrijvend mede te deelen wat ik heden mocht aanschouwen. Bijaldien gij gelooft dat ik overdrijf zult gij later Klaas kunnen vragen en Nadaniel die mij heden redelijk wel voldaan heeft aangezien hij beleefder is geweest dan vroeger en mij getrouwelijk heeft uitgelegd wat ik niet wist; heb ik denzelven daarom een pond zoete amandelmoppen beloofd welke gij mij zenden kunt, wordende dezelve hier te Amsterdam niet vervaardigd in dezelfde kwaliteit als bij ons.

Heden bezocht ik het hoofdgebouw en stond onthutst over de groote variatie van artikelen en uitstallingen die ik onmogelijk beschrijven kan, als vorderend te veel tijd en te groote inspanning mijwaarts. Ik stip derhalve met oordeel aan wat mij het meeste trof en beviel.

O! dierbare bloedverwanten van deze tentoonstelling is het eind weg, door de veelheid der menigte zaken wordt een mensch duizelig en verward. Waar zal ik u 't eerst over schrijven? Ik weet het inderdaad niet.

Alle hemelstreken zijn er vertegenwoordigd; Ik zag het eerst de afdeeling Nederland en moet zeggen veronderstellenderwijs als vreemdeling denkend, dat in ons vaderland de drankwet eigentlijk een gek ding is, want liekeuren en sterke dranken zijn scheering en inslag. Ik heb nog nooit zooveel fleschen en kruiken bij elkaar gezien en moet de hoeveelheid der gestookte vochten onnoemelijk zijn in ons vaderland, wat voor een vreemdeling wel het denkbeeld kan doen oprijzen alsof Nederland en liekeur een onafscheidelijkheid zijn; ook ingelegde blikjes groenten en overheerlijke worst, socijsen en schildpadsoep en andere varkensvleeschen zag ik met rijkdom vertegenwoordigd, desalniettemin wil ik aan de fraaie meubelen en andere nuttige instellingen niet te kort doen, benevens de sigaren, die ook geen klein gedeelte van ons vaderland innemen. Daar ik niemand wil te kort doen, of beleedigend overslaan, meld ik u dat op de tentoonstelling alles te vinden is wat ons dierbaar land oplevert en door onze landgenooten wordt gemaakt of verkocht. Hiermede nu, moet gij tevreden zijn.

Al wandelend door de hoofdzaal is mij een zonderling geval overkomen, dat wel der moeite waard is om te worden geboekstaafd, tot leering en nut van hen, die na mij, tentoonstellingen willen bezoeken; ook met het oog op de ongerechtigheid der zaak.

Weet dan geliefde wederhelft en kinderen, uw vader is daar voor 50 cents afgezet door menschen die fatsoenlijkerwijs gekleed zijn en met beleefdheid mij er in lieten loopen. Ik zal u verklaren wat het was, luistert!

Op een paar stoelen in de hoofdgalerij zitten twee heeren met een tafeltje voor zich waarop mijn oog viel, op een groot boek net zoo dik als u lieve vrouw eenmaal van uwe ouders present kreeg ik meen dat 't Vader Cats is—'t ligt onder 't penantkastje in de achterkamer.

Toen ik naderbij kwam riep een kleine jongen met een schelle stem, "liverdor mesjeu siegné sievoeplê." Niet vermoedende welk een adder onder dit gras schuilde naderde ik en vroeg met beleefde hoedoplichting: "Wat is dit, jongeheer?"

Hij antwoordde, "dit is het gedenkboek der Tentoonstelling, dat iedereen teekenen kan, als herinnering aan zijn bezoek, en middelerwijl gaf hij mij de pen in de hand, nogmaals verzekerende dat ik aan de geheele stad er een plezier mede deed door te teekenen, daar later het "liverdor" aan den burgemeester zou worden ter hand gesteld, of aan de stad aangeboden voor 't argief tot eeuwige nagedachtenis van alle degenen die bezoekend in de zalen waren.

Waarde wederhelft! ditmaal heeft mijn eigenliefde mij gefopt, want ik dacht er vereerd door te zijn dat mijn naam later onder de oogen van zooveel groote heeren zou komen, een wonderlijk gevoel stroomde door mij heen, toen ik de pen nam en met mijn klein middelsoort in het boek zette:

"Joris Komijn van Medemblik."

Nadat ik mijn pen fatsoenlijkerwijze had schoon gelikt en aan mijn jaspand afgeveegd, overhandigde de eene heer van het tafeltje mij een rolletje papier met een elastiekje er om en zei: "Asjeblieft, hier is het bewijs dat u geteekend heeft." Eerst vond ik het beleefd en ook sicuur dat men zulk een bewijs afgaf, kennende anders een iegelijk en een elk beweren, te hebben geteekend, maar ik veranderde iets van meening toen ik twee kwartjes moest betalen voor dit papier dat op zich zelve geen twee centen waard is—want de stempels die er op staan en den onnoozelen mensch in de waan brengen dat de commissie van uitvoering der tentoonstelling die certificaten heeft gestempeld tot bewijs van echtheid zijn—fopperijstempels.

Er staat met blauw op: "De commissie van uitvoering" maar dat beduidt de commissie die de geschiedenis van het boek uitvoert.

Nadanaël zeide mij ook niet te kunnen gelooven dat de wezentlijke Commissie van uitvoering haar stempel zou laten misbruiken om argelooze menschen de somma van 50 centen uit den zak te kloppen want:

Nooit is de argeloosheid Bestand voor slim-of boosheid.

(Wijsheid en deugd in klein octavo)

Ik veroorloofde mij aan den heer van 't tafeltje beleefdelijk op te merken dat ik zijn certifikaat geen cent waard vond, maar hij antwoordde niets anders dan "je behoeft 't immers niet te nemen als je niet wilt!" Evenwel zei hij dit zonder teruggeving der 50 centen.

Nu werd ik boos, noemde hem een afzetter, waarop hij niets antwoordde, maar lachtte, Nadanaël zei later dat hij meende dat de heer zeide dat hij mij voor een kaffer hield; dit evenwel heeft Nadanaël zeker verkeerd verstaan.

Tot mijn spijt zag ik hoe verschillende buiten menschen, argeloozen en onnoozelen evenals ik, er in liepen en twee kwartjes betaalden; derhalve zei ik aan Klaas dat hij op de beurs aan iedereen mijn ongeval moest vertellen, opdat men zich zoo veel mogelijk voor schade wachten kan. Ik zeg ook u geliefde bloedverwanten, bijaldien er Medeblikkers, die gij kent, naar de Tentoonstelling gaan, waarschuwt hen voor "'t liverdor." Voor 2 kwartjes is een herinnering aan de Tentoonstelling te krijgen, die veel aardiger is; 't is de zakdoek van Adriaan Schakel, die grappig is en nuttig in éénen adem.

Wanneer het maar meer en meer bekend wordt dat het "liverdor" een bankroetje na zich sleept, zal men zich niet meer laten beet nemen—en teekenen, zonder certifikaat. Ik geloof beste wederhelft! dat de ondernemers er dan spoedig mede zullen ophouden, want ik heb een zwaar vermoeden dat zij veel meer om de twee kwartjes geven, dan wel om de naamteekeningen.

Ik heb Klaas ook laten teekenen, met het bevel, om als men hem een certifikaat wilde geven, beleefdelijk te zeggen "dank u wel, houdt uwe 't maar." Nadaniël zegt, dat als iedereen dit doet de mannen van 't tafeltje er zeker iets van krijgen dat zij niet overleven. Aangezien ik nu de dood van een achtingswaardig mensch niet veroorzaken wil of op mijn geweten nemen, heb ik Klaas bevolen, om het niet verder te vertellen—en over dit schandaal te zwijgen.

Nademaal het veel te omslachtig zoude zijn, om u waarde bloedverwanten, de geheele tentoonstelling van A tot Z te beschrijven en gij ook wellicht in slaperigheid zoudt vervallen door de herhaling, want er is van alle soorten artikelen een veelheid van 't zelfde, zoo bepaal ik mij liever tot het medebrengen van den wegwijzer en de adreskaartjes die ik overal nam, ter herinnering en geef u alleenlijk beschrijvend de avonturen die ik ondervond en beleefde. Ik besef dat u dit meer zal bevallen en deel u dus mede dat ik hedenavond het Café-chantant heb bezocht met Nadaniël—Klaas had ik voorshands tehuis gelaten tot nader orde.

O, geliefde wederhelft en kinderen! ik sta beschaamd en aangedaan tevens over hetgeen ik nu denken moet. Alweder heb ik te haastelijk geoordeeld en daardoor onwetend eene inrichting met den naam van onzedelijkheid besmet die dit in geenen deele verdient.

Nadaniël had gelijk er is niets onfatsoenlijks in, zelfs een klein gedans, dat ze hier kan-kan noemen vond ik zoo grappig dat ik over de rarigheid die er aan kleeft heenstapte.

Na de somma van f 1,- te hebben betaald, Nadaniël zei weer "Pers" en betaalde niets kwam ik in het Café des Ambassadeurs binnen en zag in de verte een tooneel, wel drie maal zoo groot, als dat van de liefhebberij komedie bij ons—met Electriek verlicht! Schoon dierbare vrouw! overschoon!—ik ging zitten en Nadaniël naast mij.

Het allereerst speelde de muziek een vroolijke deun, die mij wel beviel, zoodat ik opgewekt wierd en met mijn hoofd onwillig de maat sloeg, terwijl ik mijn rechtervoet bewegelijk heen en weer liet gaan. Een heer die achter mij zat, was onaardig, want hij bedierf mijn pleizier door er aanmerking op te maken en te zeggen dat hij wêe wierd van dat gewiegel; laf hé! voor een groot volwassen mensch,—afijn de man had misschien zwakte van zenuwen.

Toen de muziek uit was kwam een heer, fijn gekleed in een zwarte rok en witte das. Hij zong een prachtig lied. Nadaniël zei dat 't Fransch was, maar ik geloof 't niet want telkens zong hij met een hooge noot in de keel, duidelijk:

Danse! danse! danse! met je moer. Danse! danse! danse dan toesjoer.—

Tusschen beide kreeg ik er kippenvel van, als hij zoo uithaalde en ik dacht, omdat hij zoo rood werd, bij dat "je moer" (moeder klinkt toch fatsoenlijker vindt gij ook niet?) als de man er maar niets van krijgt. Gelukkig liep 't goed af. Wij applaudisseerden zoo hard we konden en toen gaf die heer, Nadaniël zegt, hij heet teenoor, nog een stukje toe; ik vind het netjes dat ze niet op een toegevertje zien. Toen kwam een jongejuffrouw, O! beste vrouw, wat een hondje van een meisje, zij had een japon, waarvan de bovenste helft de kleinste was. Gij hebt een goed gevulde hals, waarde wederhelft, maar dat is door de dikheid der jaren, deze dame evenwel had de gevuldheid door de jeugd, iets dat nog wel zoo schoon is; om jaloersch op te worden voor u waarde wederhelft, maar desniettemin bemin ik u met hartelijke huwelijksliefde daar dus niet van.

De jongejuffrouw zong dat ze zoo "bleu was, ze riep voortdurend uit van "patiet bleu" eigentlijk verstond ik 't niet maar ik lachte toch mee toen de anderen het deden; ik dacht anders meenen ze dat ik niet weet hoe 't hoort. Evenwel heb ik opgemerkt dat zij in 't geheel niet "bleu" was. want ze maakte zoenhandjes tegen Nadaniël en mij toen wij, vooral ik, zoo hard in de handen klapten dat een paar menschen achter ons zeiden: "die twee hebben handen als hamers"

Na deze zangeres kwam een heer, nog al dikker met een mankeliek gezicht en witte handschoenen aan. Wat had die man een stem! Hij had 't erg over een "maleur" dat hij ondervonden had en was erg naar, net of hij verdriet had en als hij dan zoo heel diep in de tweede of derde stem zong, wees hij met zijn eene hand naar den grond net als of hij zeggen wou, 'k ga gauw in 't graf zoo'n gezicht zette hij ook. Nadaniël zei dat 't de bas was en dat de bassen, namentlijk als 't goede zijn, altijd mankoliek zien of van moord en doodslag zingen.

Nadat hij mij bijna tot tranen toe geroerd had over zijn ongeluk, kwam er weer een jonge dame met een rood zijden japonnetje aan. 't Was bepaald een geleend rokje, want 't was veel te kort.

Ik dacht waarlijk eerst dat zij, met verlof gezegd bloote beenen droeg, maar goed bekijkend, bespeurde ik dat zij vleeschkleurige kousen aan had.

O! waarde aanverwanten wat was dat een grappenmaakster, ze sprong als een kakkerlak en danste zoo komiek, dat ik van mijn stoel opstond om goed te kunnen zien. Zij ging heelemaal over eene kant schuin staan en schudde met haar eene been en arm net alsof ze met geweld die twee lichaamsgedeelten wilde uitschudden en ondertusschen hield zij de andere hand tegen haar achterhoofd, terwijl zij aldoor knipoogjes maakte. Ik hield mijn buik vast van 't lachen en riep hardop "Bravo" dat hoorde zoo, zei Nadaniël, maar een heer achter mij riep: zitten!" en toen riepen wel tien tegelijk zitten! derhalve was ik genoodzaakt weer plaats te nemen, hoewel ik de "Kan-Kan" zoo heet die dans, gaarne verder staande had genoten. Als ik te huis kom zal ik u deze dans eens wijzen en voordoen, waarde wederhelft en kinderen! want het is om je ziek te lachen.

Terwijl wij daar zoo zaten had ik reeds opgemerkt dat buiten de tent, "ge moet weten lieve nabestaanden het Café des Ambassadeurs is open en bloot aan de zijden in de lucht," ook muziek was. Een piano was hoorbaar, nu en dan een orgel en andere instrumenten, zooals blikken deksels en een vijsel, die met kracht bespeeld werden.

Nadaniël vroeg aan een Jan die ze hier in 't Fransch "cochon" noemen waar die wonderlijke muziek van daan kwam en wij vernamen dat het eenige bewoners der P. G. Hoofdstraat waren die uit piekanterigheid dat zij den geheelen dag café chantant muziek hooren en 't vervelend vinden, ketel muziek maakten.

Ik voor mij vond het erg lastig, want tussehenbeiden klonk het heel valsch door elkaar, zoodat mijn tanden er zeer van deden en mijn ooren tuitten. Een van de "cochons" beweerde dat vroeger, toen er nog geen gordijnen waren en de bewoners der naburige huizen in het Café des Ambassadeurs op het tooneel konden zien, zij de muziek minder lastig vonden en geen ketelmuziek maakten. Of het waar is weet ik niet, maar in allen gevalle vond ik het voor mij persoonlijk, jammer, dat ik voor mijn f 1 entree twee concerten te gelijk hoorde, omdat één alleen wel zoo liefelijk is. Er waren ook veel menschen in onze nabijheid, die vloekten en raasden als zij terwijl de juffrouw van "Bleu Bleu" zong, door de buren hoorden spelen: "Sara je rok zakt af" en dergelijke volksdeunen, die op zich zelve genomen niet onaangenaam zijn, maar te samen met iets anders ongezellig klinken, vooral als er bij in een vijzel gestampt wordt.

Van den anderen kant moet ik zeggen dat ik ook niet graag den geheelen dag muziek zou hooren, aan gezien vooral des morgens de mensch niet altijd gestemd is om lichtvaardige liederen te vernemen. Wanneer ze nu des morgens nog speelden: "Mijn eerst gevoel zij dankbaarheid" of iets dergelijks laat ik het daar en zou ik het zelfs stichtelijk vinden. Ik zou in 't belang van menschen zoo als ik, die betalender wijs binnenkomen en aan de kibbelarij geen aandeel hebben, wel aan de bewoners en de muzikanten willen zeggen: "Plaagt elkander niet langer, want:

"Waar twee personen kijven,

Met boosheid zwaar vervuld,

Daar zal het waarheid blijven:

Zij hebben beiden schuld."

(Wijsheid en deugd in klein octavo.)

Dit tusschen twee haakjes, nu vervolg ik de voorstelling. De electrieke muziek van de Gebroeders Bozza is iets buitengemeens. Stelt u voor vijf heeren als duivels gekleed, (evenwel zonder staarten) blazen op vijf bazuinen met een geweld als of de dag des oordeels is aangebroken. In de zaal hangen allerlei klokkenspelen, kastje, een lokomotief, een duivenhok, een huisje dat in brand vliegt, een stuk of zeven trommen en allerlei andere artikelen.

Tusschen het geblaas der bazuinen nu hoort men, door middel van de electriek, die de middelste duivel door drukking der vingeren op een tafel opwekt, een trommelspel, dan weer een klokgelui of geschel, nu en dan 't geluid van een duif of 't zingen van een vogel. Soms is alles tegelijk in beweging en stoomt de lokomotief dat 't verbazend is, 't is een wonderlijk orkest, maar heel mooi—en 't speet mij dat 't uit was. Hoe of het kwam weet ik niet, maar, ik gevoelde door de verschillende mij vreemde aandoeningen die ik genoten had, behoefte om eens even naar buiten te gaan en zei tegen Nadaniël, dat hij maar op mij moest wachten, want dat ik dadelijk terug kwam.

Toen ik naar buiten wilde, zei een heer aan den uitgang, met beleefdheid tegen mij, dat er geen "sorties" gegeven werden. Nademaal ik dit nu niet begreep verklaarde ik hem de noodzakelijkheid waarom ik even weg wilde, maar 't hielp niets, ik moest blijven of mijn gulden in den steek laten.

Met wellevendheid beduidde ik dien heer dat ik met geen mogelijkheid kon blijven, waarop ZEd. antwoordde: "O! gaat u dan maar naast het orkest." Ik begaf mij daarheen, maar vond mij erg teleurgesteld want iemand die ik, voor een deur die er was, aantrof zei: "ik ben de directeur van deze gelegenheid en ik mag hier alleen artisten binnenlaten."

Ofschoon ik hem trachtte te overtuigen dat ik, hoewel geen artist zijnde toch even goed die deur kon binnengaan, bleef hij standvastig weigeren en zei, dat zijn weigering alleen kwam om dat men de ondernemers van de Wasch en gemak huisjes, geen concurrentie mocht aandoen, aangezien zij op zware lasten zaten en dat ik dus op 't terrein moest gaan, als ik absoluut wilde.

Ondertusschen begon de muziek weder, namentlijk de goede en ik, niets willende verzuimen waarvoor ik betaald had, begaf mij weder bij Nadaniël in de zaal evenwel niet zonder groote benauwdheden, zoodat ik van het verdere wat gezongen en gespeeld werd maar half genot had.

Gelukkig was het spoedig uit en konden wij naar huis gaan.

Wij liepen nog even op het terrein, maar door de plotseling invallende duisternis, zoodra de laatste noot der muziek gespeeld was ging al 't licht uit, kon ik niet vinden wat ik wilde en moesten wij een goed heenkomen zoeken; 't Was waarlijk een geluk dat Nadaniël den weg zoo goed wist, anders lieve aanverwanten had uw bloedverwant en vader, best kunnen verdwalen.

Tehuis gekomen, vond ik Klaas dien ik f 1—gaf om morgen het Café des Ambassadeurs te bezoeken; de jongeling was in zijn schik en verzocht de complimenten aan allen. Hiermede verblijf ik voor heden als altijd.

Uw liefhebbende vader enz. enz. JORIS KOMIJN.

NB. Zend mij bij de amandelmoppen voor Nadaniël cito eenig ondergoed, denk er om wat azijn en water bij den mostert te doen, anders verdroogt hij uw waarde vader.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings