NOG STRAATJONGEN.
Reading edition
Volwassenen plagen—dat was, naast ons spel, een onzer voornaamste straatgenoegens.
Hoe kwamen we daartoe?
Ik denk, dat de volwassenen waren begonnen met ons te plagen, en dat wij de kunst en den smaak hierin dus van hen hadden overgenomen.
Men is er altijd zoo grif mee, de jeugd toe te voegen, dat ze in allerlei narigheden, pakken slaag en dergelijke, haar verdiende loon krijgt, maar men vergeet, of liever, men komt niet eens op de gedachte, dat de volwassenen, in allerlei ergerlijke behandelingen van de zijde der jonkheid, evenzeer maaien wat ze hebben gezaaid.
Wie de kinderen weggrauwt, wordt door hen, uit de verte, nagescholden. Wie ze wegranselt, wordt door hen nagesmeten. Wie zich ten koste van hen vermaakt, wordt straks door hen geëxploiteerd.
Ga eens na, hoe de kinderen van volwassenen leeren, bij eigen ervaring leeren, op welke wijze men zijn evenmensch behandelt. Hoe zullen ze dan, in zulk een leerschool grootgebracht, het hun leermeesters verbeteren?
Dezer dagen zag ik nog een treffend staaltje van zulk een opvoeding. Een stuk of zes jongens zaten voor een huis op een stoepje. Ze deden absoluut geen kwaad, koesterden zich in den zonneschijn, lachten wat onder elkander, hadden gemoedelijke jongenspret, zooals jonge honden dat ook zoo kunnen hebben.
Plotseling ging achter hen een huisdeur open, een vrouw verscheen, en trapte ze nijdig weg. De jongens, doodelijk verschrikt, vlogen de straat op. Ze hadden geen flauw vermoeden gehad van dát gevaar achter hun rug. Ze zaten zoo knus op dat warme stoepje in den lekkeren zonneschijn. En nu stonden ze, met verschrikte gezichten, weggejaagd en weggegrauwd, ineens midden op straat.
De deur ging met een nijdigen smak dicht. Maar nauwelijks was ze toe, of een van de zes, een goedaardige lummel van bijna dertien jaar, rende er heen, en trapte met razende woede tegen het paneel, of de deur in elkaar moest.
Dat was het antwoord van den jongen op de uiting van de volwassene.
Toen holde de „schooier” natuurlijk weg.
Maar wie had hem op dat oogenblik tot een schooier gemaakt?
Eén vriendelijk woord, en de jongens waren opgestaan en bereidwillig vertrokken, als ze tenminste nog niet al te zeer bedorven en verhard waren onder de bejegening van de ouderen.
Eén vriendelijk woord.
Maar de klagende volwassenen kunnen geen vriendelijk woord zeggen, tenzij misschien tegen hun meerderen, ze achten zich gerechtigd, de jongeren die hun in den weg staan als straatvuil weg te schoppen. Wat wonder, dat de jongeren terugschoppen? En dat ze, niet alleen deze of gene oudere, maar al spoedig de heele wereld der groote menschen als een vijandelijke partij beschouwen?
Wij plaagden de volwassenen, en niet de kinderen. Hoe kwam dat? De kinderen begrepen ons. Met hen hadden we alleen zoo nu en dan een kort gevecht. Maar tegenover de volwassenen leefden we voortdurend op voet van oorlog. Aan wie de schuld?
* * *
Vóór het huis van Piet, denzelfden Piet, die op zijn verjaardag een pak traktaatjes van me „kreeg”, was een platte stoep in den vorm van een rechthoek en daarom heen een nog al hoog houten hekje. De paaltjes waren vrij dik, dicht bij elkaar, en donkergroen geschilderd, zoodat we binnen dat hekje goed verborgen zaten. Bovendien stond er een oude boom voor, welks zware kruin een donkere schaduw op den gevel en ook op de stoep wierp.
We konden daar zoo gezellig zitten, ongezien door de voorbijgangers. Als het dan een beetje begon te schemeren, bonden we een zakdoek of een gevuld papieren zakje aan een dun, zwart touw, legden het voorwerp op de straat en leidden het touw tusschen de spijlen van het hekje door. We vischten op hebzucht. Geen man of vrouw kwam er voorbij, die, het verloren voorwerp ziende, niet even stil bleef staan, om het op te rapen. Maar nauwelijks bukten ze zich, of het voorwerp begon te leven, het bewoog, schoof over de straat, en eer het gegrepen kon worden, sprong het met een ruk onder de oogen van den eerlijken vinder weg. Een gejuich ging op uit het donkere hek, en de gefopte man of vrouw liep gewoonlijk snel door, zonder om te kijken. Dan zeiden wij, natuurlijk in van de ouderen overgenomen humor: „Hij houdt zijn smoel, maar Onze lieve Heer hoort hem brommen.”
Deze plagerij was een van de onschuldigste. Een verbazend plezier hadden we er in, de menschen voor niets naar den belknop te doen loopen, maar dan niet door even aan te bellen en daarna weg te hollen, dat was te gewoon. Als er ijs in 't water lag, bonden we een donker touw aan den belknop, liepen dwars den weg en het ijs over naar den overkant, gingen daar in de koude aan den walkant zitten, en trokken. Natuurlijk gebeurde dat in donker en op een stille gracht met haast geen verkeer. Ging de bel over, dan zagen we de deur openen, iemand rondkijken, en—'t was koud—weer gauw de deur sluiten. Een minuut later trokken we weer, en dat hielden we vol, totdat de bewoner het touw ontdekte. Dan ging er van onzen kant een soort indianengehuil op. We lieten het touw voor een deel in den steek, gingen door en door koud naar huis, maar hadden heerlijk genoten. Bijna zooveel als de man, die in een koelen nacht op aal zit te peuren. We hadden ook beet gehad.
Een variatie op dit thema, maar nu al ja wat erger, vonden we, door met een stevig touw den belknop aan den deurknop vast te binden. Dit kon echter alleen, als beide knoppen dicht bij elkaar waren. Daarna schelden we aan. We hoorden een der bewoners door de huisgang loopen, de deur naderen, het slot openen, trekken. Maar de deur kon niet open. Zelfs geen kier. Al naar zijn temperament begon nu de bewoner te vloeken of te smeeken. In 't laatste geval sneden we nog wel eens het touw door. Doch in 't eerste geval lieten we hem zitten, gevangen in zijn eigen huis, totdat op zijn gebombardeer en geschreeuw een goede buur of voorbijganger zich over hem ontfermde. Dan stond de geplaagde man te schelden op die bliksemsche jongens. Maar die bliksemsche jongens waren al lang verdwenen.
Je zoudt zeggen, dat we toen al les in de methodiek hadden genoten, want er was in onze streken een mooie „opklimming van moeilijkheden”. De knop van een gewone deur aan een belknop binden, was al gauw niet loonend genoeg meer. We zochten een deur uit, waarin het houten bovenpaneel vervangen was door ijzeren lofwerk. Als dan de bewoner wanhopige pogingen deed, om zijn deur te openen, stonden wij op de stoep, op zijn stoep, hem uit te lachen of met hoonende woorden te sarren, zoo ongeveer als Reintje de Vos het doen kon, als hij zijn aartsvijanden, beer en wolf, in de ellende zag, waarin hij, en hun eigen ondeugd, hen had gestort. We smaakten er een helsch genot in, de menschen in hun machtelooze woede nog wat te tergen, dansten de dolste bokkesprongen voor de traliën van den gekerkerde, of stonden met ijzige kalmte—als wisten we van den prins geen kwaad—het vruchteloos rukken aan te zien. Ja, dat was eigenlijk het gemeenste, als we ons hielden of we volkomen onschuldig stonden te wachten op het openen eener deur, die door eenige ons totaal onbekende oorzaak maar niet open wou. Ging eindelijk de bewoner naar binnen, dan maakten we dat we wegkwamen, want dan begrepen we, dat hij in zijn tuintje een buur zou roepen, misschien wel twee—links en rechts—en konden deze, plotseling naar buiten schietend, ons insluiten. En dan zaten wij in de klem. Bij al onze ondernemingen waren we krijgskundig genoeg, om voor een goeden aftocht te zorgen. Wonderlijk, hoe dat geroemde genie der groote veldheeren al in het jongensinstinkt zit.
* * *
Ik vertrouw, dat mijn eerzame lezers wel eenige voortreffelijke kwaliteiten in onze gemeenheden hebben ontdekt en dat ze bereid zijn, ons evenzeer een plaats in de historierollen te verzekeren als de groote vlootvoogden en veldheeren. Ook wij wisten onze aartsvijanden, de volwassenen, aanhoudend te bestoken en daarbij meesterlijke terugtochten te arrangeeren. Maar zulke deugden worden in het klein nooit gerespekteerd en allerminst door de slachtoffers. Men huldigt ze alleen, als ze zich op veel grooter schaal vertoonen en in dezelfde mate ellende hebben gebracht. Niet één huis, maar een heele stad moet omsingeld worden, niet één nijdige vent, maar een heel leger ingesloten. Niet een paar vloeken, maar duizenden dooden moeten er vallen. Het zij zoo. Ik heb al zooveel aanspraken op roem en een standbeeld zien miskennen, ik geef ook deze op. En pluk ik al niet mijn verdiende lauweren, in ieder geval mijn paedagogische vruchten. Misschien zijn die nóg meer waard. Lauweren verdorren, en vruchten hebben zaden. De eerste zijn een afrekening met het verleden, de laatste beloften voor de toekomst.
Een dier paedagogische vruchten is, dat ik me jegens mijn eigen scholieren nooit braver voordoe, dan ik ben geweest, en hen geregeld mijn jongensstreken vertel. Ze weten van mijn spijbelen, van mijn wegspatten uit de schoolblijversklas, ze weten ook dat ik bij dat spijbelen zoo heerlijk genoten heb, dat het mijn eenige geluk is geweest tijdens deze schoolperiode, ze weten van mijn belknopexpedities, ze weten haast alles, ook wat er nu nog volgt.
En als ze die kunstjes van den meester nu nadoen?
Met die vraag komen de bengels zelf ook altijd voor den dag. „En als wij nu ook eens drie weken spijbelden?”
Maar dan is mijn vast antwoord: „Dat doe jelui niet.”
„En als we het dan tóch eens deden?”
„Jelui doet het niet.”
„Hoe weet u dat?”
„Omdat je 't hier veel te goed hebt.”
Dan lachen de snaken, en er gaat een vriendschappelijk gejouw op: „Haha, te goed!”
„Ja zeker, veel te goed. Je hebt absoluut geen reden om te spijbelen. En wil ik je nu nog wat anders zeggen? Als jullie meent, dat je hier onbehoorlijk, hard of onrechtvaardig behandeld wordt, dan geef ik je verlof om te spijbelen. Maar je dóét het niet. Daar ben ik wel zeker van.”
„Jongens, ga je mee?” roept er een, en hij doet of hij vertrekken wil. Maar halverwege keert hij lachende terug. „'k Zal maar hier blijven.”
„Dat wist ik wel.”
Wellicht vindt deze of gene onder mijn lezers die methode toch wel wat gewaagd. Maar dan wil ik hem zeggen, dat je er wát een succes mee hebben kunt.
Zoo kwam er onlangs een oude man bij ons op school met zijn 12-jarigen kleinzoon. Die jongen had het op een andere school erg verbruid, had daar herhaaldelijk straf opgeloopen en gespijbeld, en nu—„of de meester ook een plaatsje voor hem had.”
„Gespijbeld? Heb jij gespijbeld? Dan moet ik je net hebben. Want dat heb ik ook in mijn jongensjaren gedaan en 't is mijn prettigste tijd geweest.”
De jongen hief zijn zwarte oogen naar me op, zonder dat ik hem hiertoe dwong—je hebt van die paedagogen (ook onder de agenten) die altijd de slachtoffers dwingen hen, beleefdheidshalve, aan te zien, maar door hun gansche optreden de oogen dier misdadigers een anderen kant op jagen—de jongen dan keek me gansch vrijwillig aan, en er was een glinstering van vertrouwen in zijn donkere kijkers.
„Zeker, ik heb ook gespijbeld. En daarom moet ik je juist hebben. Je mag komen, hoor!”
Grootvader keek verslagen. Hij dacht, dat hij met een krankzinnige te doen had. Zoo ongewoon is zulken menschen de simpele gewoonheid.
„Hij mag komen, Grootvader! Maar op één voorwaarde.”
Vier vragende oogen keken mij aan.
„Dat hij dadelijk gaat spijbelen, als 't hem niet bevalt.”
Grootvader snapte het niet. Hij was al te veel verbasterd in deze wereld van schijn, mooidoenerij, braafheidsvertoon, algemeene fatsoenhouderij. Maar de jongen begreep me. Hij lachte. En pas had ik hem de hand ten verbond toegestoken, of hij sloeg toe. Hij kwam op school, is een jaar gebleven, en heeft nooit aanleiding tot eenige klacht gegeven.
Natuurlijk gun ik het succes hiervan ten volle aan zijn klasseonderwijzer. Maar deze stoort zich ook al meer aan de paedagogiek zijner levenservaring, dan aan de voorschriften der gezags-paedagogiek. Hij volgt dus dezelfde methode als ik. Misschien moest ik zeggen: Ik volg dezelfde methode als hij. Want ik geloof, dat ik in dit opzicht heel wat van hem geleerd heb. De hoofdzaak echter is, dat we dit succes te danken hadden aan de methode van—toe, geef eens een mooien naam, liefst een Griekschen—de methode van.... zondaar-met-den-zondaar-te-zijn.
* * *
Die methode komt in geen paedagogisch handboek voor, evenmin als de sinaasappel-methode. Maar ik hoop, dat beide daar nog eens een plaats krijgen. En daarom ga ik nu nog een van onze streken vertellen, misschien wel een der ergste. Wie weet, of ook uit dit kwaad niet iets goeds geboren wordt.
Het is avond. De duisternis hangt reeds over het vunze grachtwater en vult de nauwe ruimten tusschen de hooge huizenrijen, die men straten en dwarsstraten noemt. Wij dwalen nog zoo'n beetje in die duisternis rond, zoekend naar een genotsprikkel. Daar ligt ergens een keisteen los. We halen hem uit het plaveisel. Of een paard nu misschien zijn poot in dat kuiltje verzwikken kan, niemand denkt er aan. Met die kei kunnen wij wat uitvoeren.
Nu zoeken we einden touw in onze jongensschatten, opgehoopt in de broekzakken. Die einden binden we aan elkaar. 't Wordt een touw van behoorlijke lengte. Het eene eind wordt op stevige wijze om de kei gebonden.
Ginds staat de deur van een bovenwoning open. Wij er heen. Een van ons trekt zijn schoenen uit, neemt de kei in zijn linkerarm, de schoenen in de rechterhand, en sluipt op zijn kousen de trap op, naar 't bovenportaal. Een ander heeft beneden het touw vastgehouden.
De indringer staat doodsangsten uit. Want het is mogelijk, dat juist op dit oogenblik daar boven een deur opengaat en een bewoner hem in de gaten krijgt. Erger, het is ook mogelijk, dat nu juist een der bewoners thuis komt, een pootige, ruwe kerel, en achter hem de trap oploopt. Dan zit hij in de val. Want dan vraagt die kerel hem natuurlijk wat hij daar te maken heeft, ontdekt den steen, heeft misschien de jongens beneden al weggevloekt, en grijpt den binnensluiper in zijn nek....
O, die heerlijke doodsangsten! Wat heb ik er van genoten! Iedere zenuw is in spanning! Elke seconde is een levensgevaar!
Eenmaal hééft een kerel me zoo verrast. Maar niet gegrepen. Hij zag me niet. Ik sloop als een schaduw de trap op, het portaal door, duwde me in een donkeren hoek, plat tegen den muur, en de kerel liep me voorbij. Het was om te bezwijken van heerlijkheid. Zulk een oogenblik is een hemel. Het is bijna zoo zalig, als dat je op 't punt staat door de Indianen gescalpeerd te worden en door de uiterste doodsverachting je leven redt. Je bent een moment een van je meest benijde boekenhelden.
Als de indringer zonder gevaar boven is gekomen, legt hij daar behoedzaam den steen neer, sluipt weer naar omlaag, trekt zijn schoenen aan, en houdt zich gereed.
„Trek!” fluistert hij.
De man aan het touw trekt en de steen dondert de traptreden af naar beneden. Tegelijkertijd schreeuwt een der jongens een erbarmelijk kindergeschrei uit. Je kunt niet anders denken, of er valt een kind van de trap. Alle kamerdeuren vliegen open, alle vrouwen komen kijken. „Een kind van de trap gevallen!” En ze tuimelen zelf haast de trap af, om de eerste te zijn, die 't arme schaap opraapt. Want vrouwen van dat slag mogen haar eigen kinderen verwaarloozen, bij een ongeluk zijn ze de hulpvaardigheid zelf.
Maar ze vinden niets dan malkaar en dat is reden genoeg om te blijven staan en met nog eenige andere ook toegeschoten buurvrouwen te overleggen, wat daar dan toch kan gebeurd zijn. Wij jongens, eerst weggehold, met den steen, komen nu een voor een naderbij, steken ons gezicht tusschen een paar jakken door, en informeeren belangstellend naar het gevallen jongetje. En wij smullen daarbij van ons succes. Of de vrouwen 't in de gaten krijgen? Een van haar roept tenminste: „za-je opdondere, vuile flikkerkop!” En veiligheidshalve „dondere” wij op.
* * *
Ook deze jongensgrap heb ik vaak in kleuren en geuren aan mijn leerlingen verteld. En dan zaten die te springen van plezier. De meisjes niet. Die voelen over 't algemeen niet veel voor zulke min of meer avontuurlijke streken. Maar de jongens. Hun oogen flikkerden. Nog meer dan bij het overhooren der jaartallen. En niet een dacht er aan, of op een dier bovenkamers misschien een doodziek kind, een stervende zieke lag. En of die donderende steen wellicht een armen lijder had doen opschrikken, die juist wat verademing beloofde te krijgen in een rustigen slaap. Daarheen gingen hun gedachten niet, zoo min als die van ons, jeugdige bedrijvers van die geneugten. We waren immers door voorbeeld en lektuur ook in plagen opgevoed?
Maar daarom, als mijn jongens volop genoten hadden van mijn vertellen, liet ik hen critiek oefenen. Ik keerde dus het spelletje om. Niet ik sprak afkeurend over hun ondeugendheden, maar ik liet hen al het verkeerde aantoonen in mijn gedrag. En het was wonderlijk, hoe ze dan gaandeweg van stemming en gezindheid veranderden. Eigenlijk was het een gemeene streek, om die menschen zoo aan het schrikken te maken. En ook gevaarlijk voor mogelijke zieken. Wie weet, of daar niet een vrouw in de bitterste armoede op haar man, op haar zoon zat te wachten, een woesten dronkaard. En hoe dan die arme vrouw, doodelijk verschrikt, zou opspringen. Ach, er wordt in die kleine woningen zooveel ellende geleden. Er is daar zooveel verterende smart. Dag aan dag, en nacht aan nacht. Drank, armoede, ziekte, dood.
Natuurlijk hielp ik mijn jonge veroordeelaars in het uitdenken van toestanden, die onze grap tot een ernstig vergrijp maakten. En dan bedachten we met elkaar, hoe je een beetje blijdschap kon brengen in zulke vaak droevige gezinnen, hoe je misschien helpen kon. Ja, daar waren wij ook wel toe bereid geweest. Maar men had het ons niet geleerd, we waren er niet in geoefend. Bereid? 't Gebeurde nog al vaak in die buurten, dat er een drie- of vierjarig kind zoek raakte. Die kinderen speelden vrij op straat en dwaalden dan weg. Maar nauwelijks hoorden we van een radelooze moeder dat ze haar kind „verloren” had, of we staakten onmiddellijk het boeiendste spel en trokken in groepjes de straten rond onder het eentonig-zangerig geroep van: „Wie hét er een ki——nd gevonden, wie hét er een ki——nd gevonden,” net zoo lang totdat het verloren schaap terecht was. Hoe levendig herinner ik mij die droomerige dwaaltochten, straat in straat uit, waarin we gehuld waren in de atmosfeer van ons eigen weemoedig-melodisch geroep. Niemand dacht aan opgeven. Ook wij waren verloren, verloren in dienstbetoon. Alleen nu en dan hielden we stil, als een deelnemende vrouw vroeg: „Hoe oud is het, jongens?”—Drie jaar.—„Nee, niet gezien, hoor!”—En dan trokken we weer verder, aanstonds in de maat en de stemming van ons zingend vragen, dat de open deuren en ramen ingolfde. Bereid? Ja, zeker waren we bereid. Men verstond echter niet de kunst die bereidheid te exploiteeren. Zou dit niet een der eerste opvoedingsplichten zijn? Leer uw kind, zichzelf te helpen, en ook anderen. Dat leert men echter het best niet door preeken, maar praktisch. Ga hen voor en neem ze mee.
Mijn leerlingen waren intusschen hartelijk bereid, het vroegere gedrag van hun meester af te keuren, en daarmee had die meester ze meteen in zijn paedagogische val. Want je moogt van rechters, die zoo pas het stelen veroordeeld hebben, toch niet verwachten, dat ze nu zelf op roof uittrekken?
* * *
Ik hoop, dat mijn vreesachtige lezers, die zooveel gevaar duchten van dat vertellen onzer kwajongensstreken, toch ook een weinig oog hebben gekregen voor de gezegende vruchten er van. Men komt, in de eerste plaats, daardoor zoo dicht, zoo heel dicht bij de kleine zondaars van nu te staan. Zij voelen in u een van hun gelijken, vertrouwen u, durven zich aan u geven—en komen dientengevolge te gemakkelijker onder uw hun heil bedoelenden invloed. We weten het wel, Farizeesche ongereptheid is heel mooi om aan te zien, bijna zoo mooi als een verlakte schoen, maar de tranen van ons berouw glijden er langs af, dringen er niet in, vinden er geen toegang. We voelen ons meer thuis bij den tollenaar, die in zijn machtelooze veroordeeling van eigen ongerechtigheid alleen redding zocht bij de genade der goddelijke liefde:
„Heer, wees mij zondaar genadig.” Wanneer kinderen in ons medezondaars weten, is de afstand tusschen hen en ons wat kleiner. Ze laten zich in ons los.
Maar dan in de tweede plaats, kan men van eigen verleden een spiegel maken, die niet alleen het kwade weerkaatst, maar ook de daaruit voortvloeiende gevolgen. Men kan de kinderen oog doen krijgen voor hetgeen het kind, en ook nog de mensch, in eigen handelingen bijna nooit ziet: de noodlottige gevolgen, vonnissend de onschuldig schijnende daad. Dat kan nu ook wel in een of ander verhaal, maar het verhaal van meesters eigen leven is zooveel aangrijpender, juist omdat het hém betreft. Alle kinderen hooren graag vader en moeder van eigen jeugd verhalen, hoe die geëerbiedigde volwassenen zich als kinderen vertoonden. En ik heb het bijgewoond, hoe kinderen medelijden hadden met dat arme jongetje, dat zoo strijden moest om eigen kwaad te overwinnen en er telkens weer in verviel, en dat nu hun vader was.
Wie zich aan zijn kinderen durft geven, gehéél, doch met de heilige bedoeling om dit als een offer te brengen tot hun heil, hij zal ervaren hoe dit offer, wel verre van tot navolging der verkeerde daden te prikkelen, een zegenende ernst in hen ontwikkelt, een vroegen strijd, een—mogen we hopen—tijdige zege.
Dan mag er—we zijn immers onder kinderen—wel eens een vroolijken toon in ons verhaal klinken, dan mag er wel eens een luid gelach uitbarsten, mits de ondertoon ernst is en het doel wordt beoogd: het geslacht van nu, zoo mogelijk, te bewaren voor de zonden van het vroegere.