← Table of contents
Japan

Japan. (continued 2)

Reading edition

Toen, met de rechterhand de schijf van gepolijst zilver opheffende, die zoo menigmaal het reine gelaat zijner gemalin had weerspiegeld, sedert zij op aarde was neergedaald, beval hij zijn kinderen te knielen, en voer op plechtigen toon voort:

“Dit kostbaar aandenken laat ik u. Het zal u de heerlijke trekken uwer moeder herinneren; maar tegelijk zult gij er uw eigen beeld in kunnen aanschouwen. Die aanschouwing zal u wel menigmaal tot droefheid stemmen, maar laat u dit niet ontmoedigen. Beijvert u veel meer het aanbiddelijk beeld gelijk te worden van haar, die van nu voortaan in den hemel woont. Iederen morgen zult gij voor dezen spiegel nederknielen. Hij zal u de plooien en rimpels aanwijzen, door aardsche zorgen in uw voorhoofd geploegd, of ook de onteerende sporen van verkeerden hartstocht. Wischt die teekenen des kwaads uit, keert terug tot de rust, de kalmte, de harmonie des levens: en dan, richt vrijmoedig uw gebed tot ons, zonder gemaaktheid, zonder huichelarij: want weet, dat de goden in uwe ziel lezen, zoo als gij in uwe eigene oogen leest, zoo vaak gij ze op dezen spiegel vest.—En wordt, in den loop van den dag, uw hart ontstemd door eenige beweging van ongeduld, van naijver, van toorn, van begeerlijkheid, die gij niet dadelijk onderdrukken kunt: spoed u dan naar het heiligdom, waarin gij des morgens aangebeden hebt, hernieuwt daar uwe gebeden, uwe smeekingen, uwe reinigingen.—Eindelijk, iederen avond, eer gij u ter ruste begeeft, zult gij ernstig tot u zelven inkeeren, rekenschap doen van uwe daden, en uwe ziel verheffen tot de aanschouwing der hemelsche gelukzaligheid, waarheen wij u zijn voorgegaan.”—

Hier zwijgt de liefelijke legende, maar de overlevering voegt er bij, dat de kinderen van Izanaghi door een gedenkteeken de plek wijdden, waar hun goddelijke ouders afscheid van hen genomen hadden. Zij richtten er een altaar op van cederhout, zonder ander sieraad dan de spiegel van Izanami en twee vazen van bamboes, die ruikers droegen van de bloemen welke de godin het meest had bemind. Eene eenvoudige vierkante hut met een rieten dak diende het kunsteloos altaar tot beschutting. Zij kon met schermen worden afgesloten; maar dit geschiedde alleen, wanneer het slechte weder zoodanige voorzorg noodig maakte. Daar vierden de kinderen van Izanaghi, iederen morgen en iederen avond, de eenvoudige eeredienst, hun door hun vader voorgeschreven.

Zij regeerden op aarde, van geslacht tot geslacht, gedurende een tijdperk van twee à drie millioen jaren, en werden op hunne beurt zalige geesten, onsterfelijke kami’s, goddelijke eer waardig.

Tot zoo verre de sage. Intusschen weten wij met zekerheid, dat bij den aanvang van het historisch tijdperk van Japan, dat is ongeveer zes eeuwen vóór Christus, er in dat land een eigenaardige godsdienst bestond, die, zoo als reeds Kämpfer opmerkt, nergens elders wordt aangetroffen, en niet van buiten is ingevoerd; eene godsdienst, die, hoewel verbasterd en door andere sekten overvleugeld, zich tot op onze dagen staande heeft gehouden. Het is de dienst der kami’s of de Sintodienst, zoo als de meer bekende, chineesche benaming luidt. Zij is niet de vereering van de geesten der voorvaderen in het algemeen, en nog minder der voorvaderen van deze of gene familie. De wezens, onder den naam van kami’s aangebeden, behooren wel is waar tot de mythologische heldenlegende, waarvan de roem nog op enkele bestaande geslachten afstraalt; maar zij zijn voor alles nationale godheden, beschermgoden van het land van Japan en zijne bewoners. Ter eere van deze mythologische helden en geniën zijn, sedert de oudste tijden, in Japan tempels en kapellen opgericht, waar hun goddelijke eer wordt bewezen. Deze eenvoudige gebouwen dragen den naam van mia’s: de beroemdsten zijn in het zuidwestelijk gedeelte van den japanschen archipel, dat de bakermat der oorspronkelijke beschaving schijnt te zijn geweest. Nog heden stroomen er, vooral in de lente, duizende pelgrims uit alle gewesten des rijks heen.

Weg van Benten naar Kanagawa.
Weg van Benten naar Kanagawa.

Weg van Benten naar Kanagawa.

De kapel, aan Ten-sjoo-daï-zin, de zonnegodheid, gewijd, in de landstreek van Isyé, wordt geacht het zuiverste monument te zijn van de oorspronkelijke godsdienst der Japanners. Kämpfer verzekert, dat de Sinto-dienaars eenmaal in het jaar, of minstens eens in hun leven, ter bedevaart naar Isyé gaan. “De tempel van Isyé,” zegt hij, “ligt in eene groote vlakte. Het is een onaanzienlijk houten gebouw, laag van verdieping en gedekt met een vrij plat, overhangend rieten dak. Men besteedt bijzondere zorg aan het onderhoud van dit gebouw, dat in denzelfden staat bewaard wordt waarin het oorspronkelijk werd gesticht; en wel, om daardoor tot bewijs te dienen van de groote armoede hunner voorvaderen, die dezen tempel hebben opgericht, of, zoo als zij zeggen, der eerste menschen. In den tempel ziet men niets, dan een metalen spiegel, naar de wijze des lands geslepen, en uitgeknipt papier langs de wanden. De spiegel is het zinnebeeld van het alziend oog der groote godheid, die men hier aanbidt, en van hare wetenschap van al wat in het hart harer aanbidders omgaat. Het witte uitgeknipte papier verbeeldt de reinheid der plaats, en herinnert de geloovigen aan het gebod, om slechts met een rein hart en een lichaam vrij van alle smet het heiligdom te betreden.”—

Boeddha-tempel te Nagasaki.
Boeddha-tempel te Nagasaki.

Boeddha-tempel te Nagasaki.

Deze beschrijving van een der beroemdste kami-tempels, hoe belangrijk ook, is niet in alle opzichten volledig, of liever, past niet geheel op later tijd. De kapel van Isyé behoort nog tot het tijdperk van de kindsheid der kunst, die haar hoogste ontwikkeling eerst later, onder de regeering der eerste Mikado’s, heeft bereikt. Ik wil daarom, ter aanvulling van Kämpfers bericht, de tegenwoordige inrichting van een kami-tempel beschrijven.

Een zaak van veel belang is de ligging van het gebouw. Steeds kiest men, voor het stichten van een mia, een schilderachtige plek, vooral rijk aan hoog geboomte. Soms voert een laan van cederen of pijnboomen naar het heiligdom, dat altijd voorafgegaan wordt door een of meer dier op zich zelven staande tori’s of poorten, waarvan ik reeds gesproken heb bij de beschrijving van den tempel te Benten. Gewoonlijk worden de mia’s op heuvels gebouwd, waarvan sommigen door menschenhanden zijn opgeworpen en met cyclopische muren bekleed. Een breede en zeer goed onderhouden trap leidt naar den top. Aan den voet van dien trap is de kapel der wasschingen: een eenvoudig afdak, waaronder een steenen bekken, dat altijd met water is gevuld. De eigenlijke tempel is een of twee el boven den grond verheven; hij rust op vier stevige pilaren, en is, even als de meeste japansche huizen, door een galerij of veranda omringd, waarheen men langs eenige trappen opklimt. De tempel is van hout, aan drie zijden gesloten, en van voren open, maar met beweegbare schermen, waardoor hij, zoo noodig, kan afgesloten worden. Het inwendige van het heiligdom ligt dus in den regel bloot voor aller oog. De strenge soberheid, die daar heerscht, is echter niet zonder zekeren smaak en sierlijkheid. Het houtwerk glimt van zindelijkheid; de matten, die den vloer bedekken, zijn doorgaans van de fijnste soort. De metalen spiegel op het altaar maakt in deze omgeving een zeer gelukkig effect, ook uit het oogpunt der symboliek: want zijne zwijgende welsprekendheid wordt door niets gestoord of verzwakt, daar de aandacht noch door standbeelden, noch door schilderijen, noch door eenig ander voorwerp in de nabijheid wordt afgetrokken.—Maar niet het minst eigenaardige van de kapel is haar dak. Dit is van riet, pannen of planken, naar goedvinden. Doch het bijzondere ligt in den vorm. Het dak der mia daalt naar alle zijden zacht glooiend af en steekt nog buiten de balken der veranda uit: het is dus, in verhouding vooral tot het gebouw, zeer hoog. Bovendien verheffen zich, aan de beide uiteinden van den nok, de twee bovenste armen van een groote X, of liever van een zoogenoemd Sint-Andries kruis. Deze beide balken, die dus vrij in de lucht uitsteken, hebben van boven een lange en breede sleuf, waarschijnlijk om hun een minder zwaar voorkomen te geven. Eindelijk, en als om dit wonderlijk geheel te volmaken, zijn van afstand tot afstand op den bovenrand van het dak kleine houten blokken, niet ongelijk aan vuurpijlen, bevestigd. Wat dit beteekenen moet of waartoe het dient, betuig ik niet te weten. Ziedaar, waarschijnlijk, de mia in hare oorspronkelijke zuiverheid.—En waar blijft nu, vraagt ge licht, die bijzondere decoratie, waarvan Kämpfer spreekt: die strooken wit papier langs de wanden? Hoort deze eigenlijk niet in den kami-tempel t’huis? Misschien wel: want in geheel Japan en bij al de verschillende sekten, zoo talrijk in dat land, vindt men dit gebruik terug van strooken papier, die aan de wanden der tempels en aan de posten der huisdeuren worden vastgemaakt; ook de koorden van gevlochten stroo, die nabij sommige heilige plaatsen en ook wel, bij godsdienstige feesten, in de straten worden gespannen, zijn met reepen papier getooid. Waarschijnlijk heeft dit eene symbolieke beteekenis: ik weet echter niet welke. Maar ik ben zeer geneigd te gelooven, dat dit gebruik van gewijd papier van boeddhistischen oorsprong is. De priesters dier godsdienst bedienen zich, bij wijze van wijwaterskwast, van een stokje, waaraan een bundel papieren lintjes bevestigd is. Zij zwaaien daarmede heen en weer, niet alleen bij hunne geestenbezweringen, maar vooral ook om de booze invloeden in de lucht af te weren, wanneer zij den tempel binnengaan en het altaar naderen. Van daar waarschijnlijk het gebruik, om in sommige kami-tempels zulk eene soort van papieren kwast, go-heï genoemd, op een der trappen van het altaar, vóór den gewijden spiegel, te plaatsen.

Van later tijd dagteekent ook het gebruik van nog eenige voorwerpen, waarvan ik spreken moet, om mijne beschrijving volledig te maken. Daartoe behooren, in de eerste plaats, aan den ingang van sommige mia’s, twee bronzen beelden van mythologische dieren: waarvan het een, van fantastische gedaante, eene soort van hond, en het andere eene soort van éénhoornig damhert, moet voorstellen. Beiden zitten op hunne achterpooten, en verbeelden, naar men zegt, de twee reinigende elementen, het water en het vuur.—Verder staat aan den voet van het altaar eene houten offerkist. Soms bestaat het deksel uit traliewerk, zoodat de geldstukken op den bodem der kist vallen en er niet meer kunnen worden uitgehaald, dan door de priesters, die den sleutel hebben; soms ook is het deksel glad en effen als een tafelblad, maar omgeven met een hoogen rand. Dan werpen de geloovigen, luidruchtig genoeg, hunne ijzeren muntstukjes, de szénis, op dit blad, na ze vooraf in een papieren rolletje gewikkeld te hebben: de offerkist lijkt dan wel wat op een grooten schotel met pastilles.—Eindelijk ziet men nog dikwijls, aan den ingang der kapel, even als aan de boeddhistische tempels, een of ander instrument opgehangen, om de bonzen, als zij niet bij het altaar zijn, te kunnen roepen: nu eens is het een gong of metalen schild, met het daarbij behoorende dikke touw met knoopen; dan weder een bos belletjes, waaraan een koord is bevestigd.

Het bewijs, dat deze soort van voorwerpen eerst later in de kami-tempels in gebruik zijn gekomen, ligt reeds in het zeker zeer opmerkelijke feit, dat deze eeredienst oorspronkelijk geen priesterschap kende. De mia’s waren aanvankelijk, zoo als trouwens uit de legende blijkt, niets meer dan kapellen, opgericht ter eere en ter gedachtenis der nationale helden: ongeveer even als de kapel van Willem Tell, aan het Vierwaldstädtermeer in Zwitserland. De heer der streek, waar zulk een monument was opgericht, droeg natuurlijk zorg voor de bewaring van dien schat: maar geen priester bediende het altaar van den kami, geene bevoorrechte kaste plaatste zich tusschen den geloovige en het voorwerp zijner aanbidding. Ook was het gebed, dat voor den symbolischen spiegel van Izanami werd opgezonden, niet uitsluitend of in de eerste plaats tot den kami gericht, aan wiens nagedachtenis de kapel was gewijd: maar het gold bovenal de onsterfelijke goden, wier middelaar slechts de kami was. Zoo stond het heiligdom voor ieder geopend, vrij ten gebruike der aanbidders, en was de eeredienst geheel zonder ceremonieel.

Dit is echter, gelijk te verwachten was, niet zoo gebleven. Jongere zonen van aanzienlijke familiën werden meer bijzonder belast, eerst met de zorg voor en de bewaking van, straks met den dienst in het heiligdom. Ook de kami-dienst had eerlang hare ommegangen, hare litanieën, hare offeranden, hare feesten, zelfs haar wonderdoende beelden. Intusschen vormden hare priesters, in zoo verre aan de oorspronkelijke instelling getrouw, nooit een eigenlijken geestelijken stand. Zij trokken de gewijde kleederen aan, als zij de dienst in de kapel moesten verrichten; maar, na het verlaten der heilige plaats, hernamen zij het gewaad en de gewone wapenrusting van den edelman. Echter duurde het niet lang, of er vormde zich onder hen eene wezenlijke monnikenorde, die der Kanoesis, die zich meer bepaald aan den dienst der bedevaartgangers wijdden. Twee oorzaken vooral hebben medegewerkt, om den kami-dienst zijne oorspronkelijke zuiverheid te doen verliezen: in de eerste plaats, de vestiging van het gezag der Mikado’s, en ten anderen, de invoering van het Boeddhisme in Japan.

VII.

Historische overleveringen.—Oudste volksplantingen.—Geschiedenis van Zin-moe.—De eerste vorsten van Japan.—Voortgang der beschaving.—Uitvindingen.—De klassieke grond van Japan.

De geschiedenis van Japan begint, als die van zoo menig ander land, met eene verovering. Volgens de officiëele kronieken des rijks was de veroveraar een inlandsch vorst, beheerscher van een klein gebied in het zuiden van Kioe-Sioe. Volgens andere overleveringen echter was zijn geslacht, indien al niet hijzelf, afkomstig van den kleinen archipel der Lioe-Kioe-eilanden, waardoor Japan met zuidelijk China en Formosa samenhangt. Reeds zes eeuwen vroeger zou, naar de sage meldt, van uit Formosa of het vasteland van Azië, eene volkplanting, onder aanvoering van zekeren vorst Taï-pé of Taï-fak, de kust van Kioe-Sioe hebben bereikt.—Wat hiervan zij: eerst omstreeks het jaar 660 v. Chr. begint de eigenlijke historische periode van Japan, met de verschijning van den veroveraar Sanno, meer bekend onder den naam van Zin-moe, of eigenlijk Zin-moe-ten-woe, de goddelijke krijgsman.

Zin-moe, hoewel de jongste van vier broeders, werd van wege zijne voortreffelijke hoedanigheden, reeds op zijn vijftiende jaar, door zijn vader als erfgenaam van den troon aangewezen. Hij beklom dien eerst op zijn vijf-en-veertigste jaar, zonder daarbij tegenstand van de zijde zijner broeders te ontmoeten. Een oude dienaar, die op zijne menigvuldige zwerftogten ook de verre eilanden had bezocht waarachter de zon opgaat, wist den vorst allerlei wonderen te verhalen van de schoonheid dier gezegende oorden, waar zich eenmaal de goden zelven een verblijf hadden gekozen. En deze heerlijke eilanden waren nu slechts bewoond door barbaarsche stammen, voortdurend met elkander in oorlog gewikkeld. Wel waren deze woeste krijgers geoefend in het gebruik van lans, boog en zwaard: maar, daar zij slechts met beestenvellen of ruwe mantels waren gedekt, zouden zij geen weerstand kunnen bieden aan wel geoefende en met helm en harnas bekleede benden. Indien alzoo de vorst van de gelegenheid, door hunne onderlinge twisten geboden, gebruik wilde maken, wachtte hem gewis eene zekere overwinning.—Zin-moe gaf aan de verlokkende taal van zijn ouden dienaar gehoor: hij verzamelde al zijne strijdkrachten, stelde ze onder de bevelen van zijne broeders en zijne zonen, en zelf het opperbevel op zich nemende, scheepte hij zich met zijn leger in op eene vloot van wel uitgeruste oorlogsjonken. Zoo verliet hij het voorouderlijk paleis, dat noch hij, noch zijne broeders ooit zouden wederzien.

Na de zuidoostelijke landpunt van Kioe-Sioe te zijn omgevaren, zeilde hij langs de oostelijke kust van dit eiland, altijd dicht aan den oever houdende, op de wijze der oude Noormannen; ook even als zij, nu en dan aan land gaande, slag leverende aan degenen die hem weerstonden, en vriendschapsverbonden sluitende met de onafhankelijke heeren of stamhoofden, die zich aan hem wilden aansluiten en deel nemen in zijn krijgstocht. Blijkbaar was deze geheele streek reeds vroeger het tooneel van soortgelijke invallen geweest: de bevolking toch splitste zich in twee regeerende kasten, eene soort van militaire aristocratie, en in hofhoorigen of lijfeigenen. De heeren des lands woonden in versterkte huizen, door muren en paalwerken omringd; zij waren gewapend met boog en pijlen, met een grooten sabel en een zwaard, dat, zonder scheede, in hun gordel was gestoken.—Na een moeielijken tocht van tien maanden: rijk aan schitterende wapenfeiten en gelukkige onderhandelingen, bereikte Zin-moe het noordoostelijk uiteinde van het eiland Kioe-Sioe. Aanvankelijk zag hij geen kans verder te komen, toen hij eensklaps een visscher ontdekte, die, rustig op den rug van een grooten schildpad gezeten, de wateren kliefde. Dadelijk liet hij dien man aanroepen, en nam hem bij zich in dienst als loods. Toen kon Zin-moe de straat oversteken, die Kioe-Sioe van Nippon scheidt. De kust van dit laatste eiland strekt zich, als een groote halve cirkel, van het westen naar het oosten uit, en vormt de noordelijke grens eener ruime binnenzee, die ten zuiden door de beide eilanden Kioe-Sioe en Sikokf wordt ingesloten. Deze binnenzee is met kleine archipels bezaaid; terwijl de kust van Nippon rijk is aan baaien en inhammen, die uitstekende havens vormen.

Landschap op het eiland Kioe-Sioe.
Landschap op het eiland Kioe-Sioe.

Landschap op het eiland Kioe-Sioe.

Met de grootste bedachtzaamheid trok Zin-moe langzaam oostwaarts voort, zorgdragende dat hij geen enkel gewichtig punt achter zich in de macht zijner vijanden liet. Intusschen boden de inlandsche stammen hem, zoowel ter zee als te land, een zoo heftigen tegenstand, dat hij het voorzichtig oordeelde vooreerst niet verder te gaan. Zoo sloeg hij zich dan op het schiereiland Takasima neder, bouwde daar een sterkte, en besteedde er drie jaren aan de uitrusting eener nieuwe vloot. Toen hervatte hij den tocht, maakte zich meester van de geheele kust en al de eilanden der binnenzee, en drong vervolgens in het binnenland van Nippon door. Na eene reeks van roemrijke gevechten, onderwierp hij zich de geheele rijke en vruchtbare landstreek, die zich van Osaka tot de golf van Jedo uitstrekt. Van toen af was Zin-moe meester van geheel het bebouwde land en van al de beschaafde stammen van het oude Japan: het overige gedeelte van Nippon was, even als de noordelijke eilanden, nog met ondoordringbare wouden bedekt, waar nomadenstammen rondzwierven, die van de jacht en vischvangst leefden. Deze verstrooide stammen zijn langzamerhand door de opvolgende invallen en emigratiën der mannen van het zuiden, meer en meer naar het noorden verdrongen geworden. Nog heden vindt men langs de kusten en op de noordelijke eilanden van den grooten Oceaan, een bijzonder menschenras: kort en zwaar van gestalte, ruig en harig van lichaam, met groote hoofden en platte aangezichten. De Japanneezen noemen hen de Aïno’s, de eerste menschen. Soms zelfs hervindt men dezelfde type onder de lagere klassen in Japan zelf, onder de boeren, de visschers, de schippers en lastdragers. Er is wel eenige grond om aan te nemen, dat deze Aïno’s de oorspronkelijke bewoners van Japan zijn geweest: wat daarvoor ook schijnt te pleiten is, dat de naam van aïno volstrekt niet als eene beleediging wordt beschouwd of eene minderheid aanduidt. De japansche taal heeft ook een uitdrukking voor wat wij door barbaren verstaan, maar zij gebruikt daarvoor het woord yébis, nooit aïno’s.

Het schijnt dus dat ten tijde der verovering door Zin-moe deze oorspronkelijke bewoners reeds door de aanvoerders van vroegere kolonisten waren onderworpen of verjaagd. Nu moesten de eerste overwinnaars op hunne beurt zich onderwerpen aan de nieuwe heerschers, wier meerdere beschaving hun het overwicht verzekerde.—Toen Zin-moe, de goddelijke krijgsman, aldus het doel van zijn streven bereikt had, waren er zeven jaar verloopen sedert zijn vertrek van Kioe-Sioe: zeven jaren van moeite en strijd, van zorg en lijden en worsteling. Zijne drie broeders waren omgekomen: de oudste sneuvelde bij het beleg eener sterkte, de beide anderen vielen als slachtoffers hunner edelmoedige zelfverloochening: zij stortten zich vrijwillig in de golven, om aldus den storm te bezweren, die de vloot van den veroveraar dreigde te vernielen. Daarentegen begunstigde de zonnegodheid den krijgsheld in al zijne ondernemingen. Zij was het, die hem voor verdwalen behoedde in de gevaarlijke bergpassen van Yamato. Een raaf, hem door de godheid in het beslissende oogenblik toegezonden, diende Zin-moe tot leidsman en gids.—De landstreek Yamato ligt in het zuid-oosten van Nippon, en vormt het middelpunt van een groot schiereiland, door de wateren van den oceaan en van de binnenzee bespoeld. Daar bouwde Zin-moe een uitgestrekt en sterk kasteel, op een breeden heuvel, welks top hij had laten effenen. Dit kasteel noemde hij zijn miako, de hoofdplaats van zijn rijk, en daar vestigde hij zijn hof, zijn daïri.—Deze beide namen zijn van toen af onafscheidelijk verbonden geweest aan de verschillende residentiën der oude heerschers van Japan. Zij zelven droegen den eeretitel van Mikado’s, de eerwaardigen; bovendien voert ieder hunner, na zijn dood, in de jaarboeken des rijks nog andere schitterende namen en bijnamen, waaronder hij tot de nakomelingschap overgaat. De japansche geschiedschrijvers gebruiken dikwerf het woord miako, in plaats van den naam der stad waar de keizer resideerde; en het woord daïri, in plaats van den titel van Mikado, en zeggen b. v.: dit of dat is geschied op bevel van den daïri. Trouwens, dit gebruik vindt men terug in de taal van alle hoven.

Bamboes-bosschen.
Bamboes-bosschen.

Bamboes-bosschen.

Even als Zin-moe door de vrije keuze zijns vaders tot den troon geroepen was, zoo bepaalde hij dat voortaan ook de regeerende Mikado zijn opvolger zou aanwijzen onder zijne zonen, of, bij ontstentenis van dezen, onder de prinsen van den bloede. Zin-moe eindigde zijne roemrijke loopbaan in het jaar 587 vóór Christus, naar men zegt, het zes-en-zeventigste zijner regeering. Hij is opgenomen onder de kami’s. Zijne kapel, in Japan onder den naam van Simojasiro bekend, ligt op den berg Kamo, dicht bij Kioto, en nog heden ten dage wordt Zin-moe daar aangebeden als de grondlegger en eerste heerscher des rijks. Meer dan vijf-en-twintig eeuwen zijn er verloopen, sinds de goddelijke krijgsman het moede hoofd nederlegde en zijne schitterende loopbaan besloot: maar tot op dezen dag is de kroon erfelijk bewaard gebleven in zijn geslacht, zonder dat de nieuwe politieke macht, die in de latere tijden feitelijk de heerschappij over Japan heeft uitgeoefend, ooit de hand naar die gewijde kroon heeft uitgestrekt.

Doch eeuwen lang waren de Mikado’s niet slechts heerschers in naam, maar ook metterdaad: meest krachtige en kloeke mannen, die bewezen voor hunne taak berekend te zijn, en de grenzen van hun gebied voortdurend uitbreidden. En zelfs hunne vrouwen, wanneer zij als regentessen het bewind voerden, toonden zich, waar het pas gaf, hare degelijke echtgenooten volkomen waardig. Eene van haar, Zingoe genaamd, die omstreeks twee eeuwen na Christus leefde, rustte een vloot uit, waarop zij zich, aan het hoofd harer keurbenden, zelve inscheepte om Korea te veroveren. Zij kwam nog juist tijdig genoeg van haren zegetocht terug om aan een nieuwen, toekomstigen Mikado het leven te schenken.

Met de uitbreiding van het rijk hielden de vorderingen der beschaving gelijken tred. Uit Korea werden het paard, de ezel en het kameel ingevoerd: echter is alleen het eerste dezer drie dieren in Japan inheemsch geworden. China leverde de theeplant; de oranjeboom werd door Tatsima Nori “uit het land der eeuwigheid” medegebracht. In het negentiende jaar der regeering van Keizer Sioe-sin (78 vóór Chr.) werden de eerste koopvaardij- en oorlogsschepen in Japan gebouwd; en onder de regeering van zijn zoon Synin “regende het sterren van den hemel”. Ook werden omstreeks dien zelfden tijd voor het eerst vijvers en kanalen aangelegd ter besproeiing van de rijstvelden.

Eerst veel later schijnen de zijdewormen bekend te zijn geworden: althans de kunst om zijde te vervaardigen klimt in Japan niet veel verder dan de vijfde eeuw onzer jaartelling op. Twee eeuwen later leerde men de grondstof kennen, “die de olie en het brandhout vervangt”, en werden de zilvermijnen van Tsousima bewerkt. Onderscheidene belangrijke uitvindingen en instellingen dagteekenen van de derde eeuw: bij voorbeeld, de invoering der paardenposterij; de bereiding van den rijstdrank, onder den naam van saki bekend; en de kunst om kleederen te naaien, die aan de japansche vrouwen werd geleerd door naaisters uit het koninkrijk Petsi in Korea. De Mikado, over deze laatste nieuwigheid verrukt, en tot de eigenlijke bron dezer schoone kunst willende opklimmen, zond een plechtig gezantschap naar den beheerscher van het Hemelsche Rijk, om van hem onderwijzeressen in de kunst der naald te verzoeken. Dit herinnert aan den idyllischen tijd, toen de keizers en koningen van het Oosten elkander gezantschappen zonden of in persoon elkander bezochten, om te zamen te beraadslagen over de middelen om den steen der wijzen of het levenselixir te vinden; of ook wel, om astronomische vragen te behandelen en ingewikkelde raadsels op te lossen!

In de vierde eeuw werden, op last van den daïri, op verschillende punten van het rijk groote voorraadschuren gebouwd, waar de overvloedige opbrengst van den rijstoogst werd bewaard, om in minder gelukkige jaren te dienen, en alzoo de herhaling te voorkomen der geweldige hongersnooden, die vroeger meermalen het land hadden geteisterd. In het jaar 543 zond het hof van Petsi wederom een belangrijk geschenk aan den Mikado, en wel “het rad dat het zuiden aanwijst”.—In 660 werden de wateruurwerken, en tien jaren later de door water gedreven molens en werktuigen ingevoerd.

Eerst tegen het einde der achtste eeuw word het eigenlijke japansche schrift uitgevonden; maar aan het hof bediende men zich reeds sedert de derde eeuw van de chineesche letterteekens. Wij weten veel te weinig van de oude nationale literatuur van Japan, om eenigszins te kunnen bepalen in hoeverre en op welke wijze zij tot de beschaving des volks heeft medegewerkt.—Daarentegen is in de geschiedboeken des rijks eene merkwaardige getuigenis bewaard van den heilzamen invloed, dien de schoonste kunsten, reeds bij haar eerste optreden, ter verzachting der zeden uitoefenden. Het was namelijk de gewoonte, om bij de begrafenis van den Mikado of van de Kisaki, zijne echtgenoote, menschenoffers te brengen, waartoe doorgaans de vertrouwdste dienaren der overleden vorsten werden uitgekozen. Nu gebeurde het in het derde jaar vóór Chr. dat de regeerende Kisaki kwam te sterven: en toen Nomino Soekoené, een beeldhouwer, dit vernam, vervaardigde hij leemen poppen en legde die aan de voeten van den Mikado, met de bede, dezen in het graf der keizerin te doen werpen, in de plaats der voor het offer bestemde dienaars. De Mikado verhoorde de bede van den edelen beeldhouwer, en schonk hem zelfs een schitterend en blijvend bewijs van zijne gunst, daar hij zijn familienaam in dien van Fasi, kunstenaar, veranderde.

Langen tijd, ja tot nu toe, zijn echter de wetten veel onbarmhartiger en barbaarscher gebleven dan de zeden. Zoo werd, bij voorbeeld, eene adellijke dame, die zich aan overspel had schuldig gemaakt, tot den kruisdood verwezen.

Reeds vroeg heeft de japansche regeering er zich op toegelegd, om bij het volk het bewustzijn van zijne eenheid en kracht levendig te houden. In de tweede eeuw onzer jaartelling werd het rijk in acht groote provinciën of kreitsen, en deze weder in acht-en-zestig districten verdeeld. Later werd in ieder district een ambtenaar aangesteld, belast met de taak om de plaatselijke gewoonten en volksoverleveringen te bestudeeren en daarvan nauwkeurig aanteekening te houden. Toen werden ook de familienamen vastgesteld, zoo als ook de titels en bijnamen der feodale dynasten. Eene keizerlijke heirbaan verbond de vijf groote steden waarin de Mikado achtervolgens zijn zetel had gevestigd. De voornaamste dezer steden, in de zevende eeuw, was Osaka, aan de oostkust der binnenzee. Om echter wezenlijk de eenheid des lands tot stand te brengen, niet alleen uit een staatkundig oogpunt maar ook ten aanzien van beschaving en ontwikkeling, moest het hof ophouden een nomadenleven te leiden, en moest er eene vaste hoofdstad worden gekozen. De grond daartoe werd gelegd in de achtste eeuw, door de stichting van Kioto, dat gaandeweg eerst de geliefkoosde verblijfplaats, en later, sedert de twaalfde eeuw, de vaste residentie van den Mikado werd.

Deze herinneringen aan de oude geschiedenis van Japan voeren ons bijna immer terug naar de bekoorlijke oevers der binnenzee, naar dien in waarheid klassieken grond van het groote rijk. En daar wij nu eenmaal, op de manier der oude reizigers, ongedwongen voortkeuvelen en aan onze gedachten den vrijen loop laten, al is het ook dat ze soms wat al te vrij omdwalen:—zoo willen wij nu eenige oogenblikken wijden aan de beschouwing dier prachtige waterkom en van haar schilderachtige oevers.

De schepen die van Nagasaki of de kust van China naar de golf van Jedo gaan, varen doorgaans de Van-Diemensstraat, ten zuiden van het eiland Kioe-Sioe, door. Er is echter nog een andere weg, thans weinig bekend, maar die eenmaal zeker verre de meest bezochte worden zal, wanneer de havens van Hiogo en Osaka voor den europeeschen handel zullen zijn opengesteld: die andere weg is de vaart door de binnenzee. Ik heb dien gevolgd, toen ik van Nagasaki naar Jokohama ging. De reis duurde, ’t is waar, zeven dagen: maar men moet daarbij in aanmerking nemen, dat wij vier nachten voor anker hebben gelegen: de eerste nacht, eer wij de straat Van-der-Capellen bereikten, bij een klein eiland in de zee van Korea; en de drie anderen, nadat wij de straat waren doorgevaren, in havens langs de kust van Nippon. Er bestaan van deze wateren nog geene voldoende kaarten, althans geene waarop men genoeg vertrouwen kan, om ook des nachts met de stoomboot de reis te vervolgen: men moet zich overgeven aan de leiding der inlandsche loodsen en stil liggen waar zij dit verkiezen.

De zoogenoemde binnenzee van Japan is minder eene eigenlijke zee, door de omliggende eilanden ingesloten, dan wel een breed en ruim kanaal, dat de zee van Korea verbindt met den grooten Oceaan: ten westen door de straat Van-der-Capellen tusschen Nippon en Kioe-Sioe, en ten zuiden en oosten door de straten van Bungo, van Naruto en van Linschoten. De straat van Bungo is tusschen Kioe-Sioe en Sikokf; de straat van Naruto tusschen Sikokf en Awadsi, en die van Linschoten tusschen Awadsi en Nippon.—Men rekent dat de binnenzee, waar zij het breedst is, van oever tot oever ongeveer vijftig mijlen beslaat; hare grootste lengte, van het oosten naar het westen, wordt op twee honderd vijftig mijlen of vier honderd kilometers geschat.—Zij verdeelt zich in vijf kommen of bassins, die, hetzij door de baaien en landtongen van Kioe-Sioe, Nippon en Sikokf, hetzij door de vele verspreide eilandengroepen, welke de kust omgeven, worden gevormd. Deze kommen, door de Japanneezen Nada’s genoemd, dragen den naam naar de provinciën aan haren oever: zij heeten Soewo-nada, Iyo-nada, Bingo-nada, Arima-nada en Idsoemi-nada.

Zoowel door de vorming en gedaante der kusten, als door hare talrijke eilandengroepen, behoort de binnenzee met hare omgeving zeker tot de meest schilderachtige gedeelten van Japan.

Boschrijke heuvelen, met tempels en kloosters gekroond, omzoomen de straat Van-der-Capellen. Aan hun voet, op de kust van Nippon, ligt eene stad, die zich langs den oever der zee anderhalve mijl ver uitstrekt: het is Simonoseki, een zeer oude handelplaats: die tot op de stichting van Jokohama het hoofd-entrepot was, niet alleen voor den binnen- maar ook voor den buitenlandschen handel van Japan;—want, hoewel dit rijk tot 1845 voor de vreemdelingen gesloten was, werden toch, binnen zekere grenzen, met China, met Korea en ook met de hollandsche factorij op Decima, geregelde betrekkingen onderhouden.—Simonoseki heeft eene zeer goede haven, door het kleine eiland Hikousima tegen de hooge golven der zee van Korea beschut.—Iets verder ziet ge, op de tegenoverliggende kust, de kleine stad Kokoera; en spoedig daarop verliest ge de oevers uit het oog; ge zijt in het breedste gedeelte der binnenzee. Dit is het bassin van Soewo, de Soewo-nada, onder welken naam meermalen ook de geheele binnenzee wordt aangeduid. Zij heeft geene eilanden; maar, bij gebreke daarvan, wemelt het hier, in alle richtingen, van logge koopmansjonken, van vlugge vaartuigen met uitgespreide witte zeilen, en van ranke visschersbooten.

De vier andere kommen zijn rijk aan eilanden, groote en kleine, naakte en boschrijke, onbewoonde en dicht bevolkte, die te zamen als een gordel slaan om de kusten van Sikokf en Nippon, waarvan slechts de toppen der bergen zichtbaar zijn. De naakte en onbewoonde eilanden vertoonen meestal slechts zwarte of donkerbruine rotsmassa’s van vulkanischen oorsprong en oneindig verschillend in vorm en gedaante. Sommigen echter bestaan uit zandheuvels, wier golvende lijnen aan de duinen langs de kust van Holland herinneren.—De onbewoonde, maar met vruchtbare aarde bedekte eilanden worden door de bewoners der omliggende dorpen bebouwd. Op de grootsten ziet ge rijstvelden en korenakkers: een bekoorlijk landschap, met heuvels en valleien, en met den rijksten plantengroei getooid.

Doch te midden van al dezen rijkdom van den bodem, leeft de landbouwende bevolking van Japan in een staat, die zeer dicht aan armoede en gebrek grenst: de opbrengst van haren arbeid behoort niet aan haar, maar aan de bezitters van den grond, aan de daïmio’s of feodale landheeren. De afwezigheid van eene eigenlijke burgerklasse geeft aan de japansche dorpen een zeer armoedig voorkomen. Aan de oevers der binnenzee zoekt ge vergeefs naar vriendelijke bloeiende vlekken en vroolijke schilderachtige villa’s; de tempels alleen wisselen de eentonigheid der boerenwoningen af; maar van verre zijn deze tempels alleen herkenbaar door hunne reusachtige daken en het prachtige hooge geboomte, dat ze immer omgeeft.

Een japansche draagstoel.
Een japansche draagstoel.

Een japansche draagstoel.

De adellijke kasteelen liggen doorgaans ver van de steden en de dorpen verwijderd; zij maken dikwijls eene indrukwekkende vertooning, en beslaan eene zeer aanzienlijke oppervlakte. Deze geheele ruimte wordt ingesloten door hooge en zware muren; aan de hoeken, of ook wel op geregelde afstanden, van vierkante torens, met licht omgebogen daken, voorzien. Rondom de muren loopt eene diepe gracht. Binnen de wallen vindt ge het park, de tuinen en de eigenlijke woning van den heer, bestaande uit een hoofdgebouw met een aantal nevengebouwen en aanhoorigheden. Soms verrijst, te midden van dit feodaal verblijf, nog een andere toren, in vorm aan de overigen gelijk, maar waarvan de twee of drie bovenverdiepingen boven den muur uitsteken: ongeveer als de donjons onzer middeleeuwsche burgten.

Het is moeielijk, een algemeen denkbeeld te geven van het karakter der landschappen langs de binnenzee; de tooneelen wisselen tot in het oneindige, naar mate van de meer of mindere nabijheid der kusten, en van het voorkomen der eilanden, die den horizon begrenzen. Nu eens bewondert ge een prachtig zeegezicht: de grootsche lijnen der zee smelten samen met die der zandige oevers, schemerende in den stralenden zonnegloed; terwijl op den achtergrond der breede schilderij de verre bergen hunne blauwende, nevelachtige toppen in de lucht verheffen.—Dan weder rust uw oog met welgevallen op een liefelijk, vreedzaam, helder landschap: een dorpje aan den oever eener stille baai, omzoomd door groene velden en rijk bebouwde heuvelen, waarboven de dennenbosschen hunne donkere kruinen wiegen: een tooneeltje, als ge, op een helderen zomermorgen, aan een der schoone meren van den Jura hebt gezien.—Soms ook, wanneer de kommen zich vernauwden, en de eilanden voor ons uit den doortocht schenen te versperren, kwam mij de herinnering te binnen aan de Rijnoevers boven Boppard. Maar neen: het japansche landschap is kalmer, helderder, rustiger: hier ontbreken die steile rotshellingen, die groote schaduwen, die breede stoute lijnen, die plotselinge overgangen, die aan gindsche oevers een zoo onbeschrijfelijk karakter bijzetten. Hier ziet ge, aan den oever, een vlak strand, eene zachte glooiing, geleidelijk opklimmende terrassen; verder in het verschiet, zacht afgeronde eilanden, golvende heuvelen, ronde bergtoppen. Dit is wel schoon; zoowel de verbeelding als het oog vindt hier bevrediging: maar toch, ge mist die eigenaardige, half weemoedige bekoring, dat—hoe zal ik het noemen?—dat tragische, dat, voor ons althans, bijna onmisbaar is om het schoone der natuur volkomen te genieten. Zeer mogelijk echter ligt hier de schuld aan ons, aan een gebrek van onzen modernen smaak.

Het bassin van Arima doet aan de baai van Nagasaki denken. Deze waterkom wordt ten oosten bijna geheel afgesloten door een eiland, dat zich tusschen de Arima-nada en de Idsoemi-nada over eene lengte van dertig mijlen uitstrekt. Dit eiland heeft den vorm van een driehoek, waarvan de punt naar het noorden, naar de provincie Arima, in Nippon, is gekeerd. Van deze punt verheft zich de lage, met een weelderigen plantengroei bedekten bodem, langzamerhand van heuvelreeks tot heuvelreeks opklimmende, tot de breede ruggen van een fiere bergketen, wier toppen eene hoogte van ongeveer twee duizend voet bereiken. Dit is het eiland Awadsi, eenmaal het verblijf der goden; de steden, langs de oevers van Nippon verspreid, zijn nog vol van de herinneringen aan Zin-moe’s zegetochten. Hier staan wij aan de wieg van de nationale mythologie der Japanneezen, op den heiligen grond hunner kami’s, op den klassieken bodem van het oude rijk der Mikado’s. Geen dichter van het westen heeft ooit dit oord bezongen. Slechts inlandsche zangers hebben deze gewijde streken verheerlijkt in hun lied; zangers, wier namen de wereld evenmin kent als hunne werken. De beschaving, die hier geboren werd, en waarvan nog slechts enkele uitwendige vormen zijn overgebleven, is voorbijgegaan, zonder in de geschiedenis der menschheid een zichtbaar spoor achter te laten. Wel heeft zij nu en dan de aandacht der geleerden getrokken; en, niet waar, wat wil men meer? is het niet dwaas en gewaagd, voor haar de belangstelling onzer westersche maatschappij der negentiende eeuw te komen vragen? Wel, soms schijnt het mij, als dringt ons nog een ander, dan een louter wetenschappelijk, belang, tot de opsporing en de studie dezer oude, vervlogen toestanden, dezer vreemde, ondergegane beschaving. Onder deze ongekende, deze uitheemsche vormen zoeken wij den mensch, met zijne hartstochten en begeerten, zijne deugden en gebreken; den mensch, geplaatst te midden van hetzelfde levensdrama, dat ook om en in ons, in duizenderlei vormen, wordt opgevoerd. Noch het tooneel, noch de decoratie, noch de costumen, herinneren ons aan bekende dingen: maar toch gevoelen wij, dat wij eene handeling zullen aanschouwen, die ons niet vreemd is, en een geheimzinnige stem fluistert ons de woorden der oude tabeldichters toe: “Vriendelijke lezer, deze geschiedenis raakt u zelven.”—De te fabula narratur.—Daarom mag ons geene verschijning in de wereldgeschiedenis, geene phase in het groote leven der menschheid onverschillig zijn: de vervlogen eeuwen houden ons den spiegel voor, waarin wij ons zelven en onzen eigen tijd kunnen herkennen; en moeten zij niet allen, ieder op hare eigene wijze en langs zoo zeer verschillende wegen, medewerken ter voorbereiding van de eindelijke oplossing van het groote drama, die wij met vertrouwen verbeiden?

Tooneelspelers en danseressen aan het hof van den Mikado.
Tooneelspelers en danseressen aan het hof van den Mikado.

Tooneelspelers en danseressen aan het hof van den Mikado.

Tegenover de noordoostelijke kust van het eiland Awadsi verheft zich, op den oever van Nippon, de stad Hiogo, wier ruime en veilige haven reeds sedert eeuwen het middelpunt is van den handel en de scheepvaart van het japansche rijk. Daar komen de jonken van Simonoseki de koopwaren lossen, die, uit China, van de Lioe-Kioe-eilanden, van Nagasaki, van de westkust van Nippon en zelfs van Korea en Yesa aangevoerd, eerst in de entrepots van deze stad worden opgeslagen, om vervolgens over Hiogo naar het binnenland en het oosten van Japan te worden vervoerd. Van daar ook gaan duizenden jonken uit, om naar de eilanden der binnenzee de producten van den landbouw en de kunstvlijt der zuidelijke provinciën van Nippon over te brengen.

Eens zal de dag komen, en misschien is hij reeds niet verre meer, dat geregelde stoombootdiensten de haven van Hiogo zullen verbinden, aan de eene zijde met China en de groote middelpunten van den engelschen handel in het Oosten, en aan de andere met Jedo, Jokohama, en verder met Hawaï en Californië.—Voor het oogenblik, d. w. z. tot 1868, is deze haven nog voor de westersche volkeren gesloten; de inlandsche scheepvaart bepaalt zich tot kustvaart en waagt zich nauwelijks buiten het gezicht der eenvoudige vuurbakens langs den oever: de wetten des rijks, die ook de samenstelling en den bouw der jonken regelen, dulden niet dat dezen voor het bevaren der open zee geschikt worden gemaakt. Doch ook dit zal wel spoedig veranderen.

Bijna de geheele kustvaart der haven van Hiogo is in handen van reeders uit Osaka.—Deze groote, oude stad, eene der vijf keizerlijke steden, is slechts acht uren gaans van Hiogo verwijderd. Door hare ligging aan de bevaarbare Jodogawa-rivier, die zich in verschillende armen splitst en eenige mijlen benedenwaarts in zee valt, is zij ook voor grootere schepen toegankelijk. Zij wordt door een aantal kanalen doorsneden, die haar, ook om de vele sierlijke bruggen, haast het voorkomen eener hollandsche stad geven. Osaka drijft een zeer levendigen handel, en is tevens een brandpunt van genietingen en vermaken van allerlei aard: rijkdom, weelde en zingenot heerschen daar in onbeperkte mate. Men heeft haar zelfs het japansche Parijs genoemd.

Van 744 tot 1185 was Osaka de residentie der Mikado’s. Oppervlakkig zou men meenen, dat deze vorsten zich volkomen te huis moesten gevoelen in deze volkrijke, levendige, handeldrijvende, levenslustige stad, waaraan het rijk voor een goed deel zijne welvaart en zijne ontwikkeling had te danken. Maar het was de tijd niet meer, de schoone heldentijd, waarin de Mikado, even als de oude dogen van Venetië, zelf zijn oorlogsjonk besteeg en in persoon het opperbevel voerde over zijn vloot. Hij hield geene wapenschouwingen meer, gedragen op de schouders van vier dappere herauten; hij bestuurde niet langer, van een hoogen heuvel, op een vouwstoel gezeten en met een ijzeren waaier in de hand, de bewegingen en oefeningen zijner troepen. Hij trok ook niet meer te velde tegen oproerige vasallen of stoute mededingers naar den troon, noch vuurde in den strijd zijne soldaten door woord en voorbeeld aan. Neen, de Mikado, ten toppunt van macht, rijkdom en veiligheid opgeklommen, bouwde zich te Osaka een heerlijk paleis, te midden van een uitgestrekt park, waar het gewoel en gerucht der bezige stad niet kon doordringen. Zijne hovelingen weten hem te overtuigen, dat het strijdig is met de hooge waardigheid van een afstammeling der zon, om zich aan de menigte zijner gewone onderdanen te vertoonen; dat hij aan de vorsten en hooggeboren edelen, die hem omringen, de alledaagsche zorgen der regeering, het vermoeiend bevel over vloot en leger, behoort over te laten. Het leven van den daïri wordt gaandeweg aan een samenstel van ceremoniëele wetten en voorschriften onderworpen, waardoor zelfs de geringste bijzonderheden, de minst beteekenende bewegingen worden beheerscht en nauwkeurig geregeld: en waardoor ook de souverein binnen een tooverkring wordt afgezonderd, ongenaakbaar voor ieder, die niet tot het hofgezin behoort. Het keizerlijk gezag wijkt op den achtergrond, en verdwijnt langzamerhand uit de oogen en het bewustzijn des volks. De japansche daïmio’s hadden met hun keizer zoo wat hetzelfde spel gespeeld, dat de hofmeiers in Frankrijk speelden met de merovingische koningen. De Mikado was niet alleen, als zij, onschendbaar: hij was zelfs heilig, een halfgod: zoo hoog boven het peil der gewone menschen verheven, dat zijn naam zelfs niet mocht worden uitgesproken. Hij troonde in de wolken, en de schare zag aanbiddend op naar zijne voetzolen: maar deze verheven personage had zich nu ook met aardsche dingen niet te bemoeien, en deze aangebeden monarch had zich zorgvuldig te onthouden van alle inmenging, van alle persoonlijke tusschenkomst in regeeringszaken. Men bewees hem goddelijke eer: maar het was op voorwaarde, dat hij ook niet meer dan een afgod, een ziellooze pop, zou zijn. Le Mikado règne mais ne gouverne pas!—kan per slot van rekening nog wel aan Japan zijn ontleend!—Maar het japansche volk beviel deze regeling niet. De burgerij, de tirannieke en wispelturige overheersching der gunstelingen moede, deed luide klaagtonen hooren, die eindelijk zelfs tot den verborgen souverein doordrongen. Deze riep wel geen staten- of notabelen-vergadering bijeen: maar hij gaf toch bevel, dat de klachten des volks, door daartoe aangewezen beambten, zouden worden onderzocht en opgeschreven. De hovelingen, geloovende of voorgevende te gelooven, dat de dynastie van de afstammelingen der zon in gevaar verkeerde, namen daarop een afdoend besluit: zij brachten hun keizer met zijn gansche hof over naar Kioto, eene kleine stad in het binnenland, vijftig kilometers ten noorden van Osaka. Het gelukte hun van deze stad de vaste residentie der Mikado’s en de hoofdstad, de Miako des rijks, te maken.

Het verlaten der volkrijke burgerlijke stad, het middenpunt van handel en industrie, waar zich een eigen leven, onafhankelijk van den daïri, gelden deed, had voor de hovelingen het dubbele voordeel, dat alle rechtstreeksche gemeenschap tusschen den vorst en het volk werd afgesneden, en dat hun de gelegenheid was gegeven de nieuwe residentie geheel naar eigen smaak en ter bevrediging van eigen begeerten in te richten.

Kioto ligt in eene schoone vruchtbare vlakte, die, naar het zuiden open, ten noordoosten door eene boschrijke heuvelreeks wordt omzoomd, waarachter zich het groote meer Oïtz uitstrekt. Uit dit meer komt de Jodogawa-rivier voort, die ten zuiden langs Kioto vloeit en zich, zoo als ik zeide, eenige mijlen beneden Osaka in de binnenzee stort. Twee nevenstroomen van de Jodogawa ontspringen ten noorden der hoofdstad, en besproeien ten oosten en ten westen hare muren. Zoo is Kioto van alle zijden omgeven door vlietende wateren, die niet alleen eene uitmuntende gelegenheid verschaffen tot besproeiing der rijstvelden, maar ook dienen tot voeding der grachten in de stad en der vijvers in de keizerlijke parken.—In de omstreken wordt rijst, boekweit en tarwe geteeld; ook bloeit er de theeplant, de moerbezie, de katoen, en eene groote menigte andere vruchtboomen en groenten. Bamboes en laurierboomen, kastanjes, dennen, ceders en cypressen kronen de omringende heuvelen; overal wellen de frissche bronnen uit den grond, en slingeren zich de murmelende beekjes door tuinen en bosschages. Duizende vogels van allerlei soort en gevederte, valken, fasanten, hoppen, eenden, ganzen, steltloopers, vervullen de lucht, de velden en de wateren. Door geheel Japan is de landstreek rondom Kioto beroemd wegens de zachtheid van haar klimaat. Ook is dit deel des rijks het minst blootgesteld aan de orkanen en aardbevingen, wier uitwerkingen elders soms zoo vernielend zijn.

In waarheid, de opvolgers van Zin-moe konden moeielijk een liefelijker verblijf uitkiezen, om in weelderige rust de vruchten te plukken van den arbeid hunner voorgangers; een bevalliger paradijs, om als halve goden te zwelgen in de eerbiedige aanbidding hunner onderdanen, en daarbij zoo geheel het werkelijke leven te vergeten, dat een der schoonste schepters der wereld bijna ongemerkt aan hunne ontzenuwde handen ontgleed.

De afstammeling der kami’s van Japan was en bleef het aangewezen opperhoofd der nationale godsdienst. Deze had aanvankelijk, zoo als wij zagen, geen geestelijkheid. De Mikado’s riepen eene gansche hiërarchie van ambtenaren in het leven, die met een priesterlijk karakter waren bekleed en al de verrichtingen der openbare eeredienst moesten regelen en leiden. Daar waren opzichters bij de gewijde feesten en bij de begrafenisplechtigheden, tempelwachters en bewaarders der heilige schatten en der reliquiën; voorts opzichters der begraafplaatsen en dergelijken. Al de hooge beambten werden gekozen uit de leden en de aanverwanten der keizerlijke familie.—Op dezelfde wijze ging men te werk ten aanzien van den dienst in het paleis en alle gewichtige betrekkingen en bedieningen in den daïri. De eigenlijke hoofden van het burgerlijk en militair bestuur werden op die wijze steeds meer en meer van het hof vervreemd, dat gaandeweg een uitsluitend klerikaal karakter aannam.

De hoofdstad zelve van het rijk had ten slotte dit zeker zeer eigenaardige kenmerk, dat men er bijna niets aantrof ’t welk met het leger, de vloot, de burgerlijke administratie, in één woord met de regeering van een grooten staat, in betrekking stond: dit alles was overgelaten aan de zorg van verschillende ambtenaren, in de provinciesteden verspreid. Daarentegen stelden al de sekten, die het oppergezag van den Mikado erkenden, er eene eer in, hare eigene hoofden in zijne onmiddellijke nabijheid gevestigd te zien; en wedijverden zij met elkander, om zijne residentie met tempels en godsdienstige stichtingen van verschillenden aard te verrijken. Toen dan ook het Boeddhisme, door chineesche monniken ingevoerd, zich de gunst van den Mikado had weten te verwerven, door hem als geestelijk opperhoofd des rijks te huldigen, duurde het niet lang of de ijver der nieuwe sekte stelde alles in de schaduw wat ooit in de hoofdstad ter eere van den aloude kami-dienst was gesticht. Het waren japansche Boeddhisten, die Kioto begiftigden met de grootste klok der wereld, en met een, in zijne soort, niet minder weergaloozen tempel: de tempel der drie en dertig duizend drie honderd drie en dertig genoemd, naar het juiste getal der afgodsbeelden, die hij bevat. Om u de mogelijkheid van zoo iets te doen begrijpen, moet ik er bijvoegen, dat de groote beelden met eene menigte kleinere beladen zijn, die zij op hun hoofd, hunne knieën en handen dragen.—De tempels en kapellen van Kioto, die aan de oude nationale eeredienst zijn gewijd, hebben nog steeds, althans in zekere mate, dezelfde oorspronkelijke eenvoudigheid bewaard, die deze heiligdommen in de overige gewesten des rijks onderscheidt. Sommige dezer tempels zijn aan de zeven hemelsche godengeslachten der nationale mythologie gewijd; andere, hetzij aan de geesten der aarde, hetzij aan de godheid der zon, Ten-sjoo-daï-zin, of aan hare afstammelingen, de eerste Mikado’s.—Tegen het einde der zeventiende eeuw,—latere opgaven ontbreken tot dusver—telde de kami-dienst te Kioto en in den omtrek der stad twee duizend honderd zeven en twintig mia’s; maar het Boeddhisme, in zijne verschillende sekten en vertakkingen, bezat er niet minder dan drie duizend acht honderd drie en negentig tempels, pagoden of kapellen. Het ontbreekt dus Kioto niet aan bedehuizen! Trouwens andere monumenten bezit deze merkwaardige hoofdstad niet.

Immers, zoowel door hunne bestemming als door hun bouwstijl, behooren de paleizen van den daïri ook tot de heilige gebouwen. Zij zijn gezamenlijk door een hoogen muur omsloten, en beslaan het noordoostelijk deel der stad. Boven de talrijke daken verheffen zich, in wijde verte, de wiegelende kruinen der hoog opgaande boomen, en geven den aanschouwer eenig denkbeeld van de uitgestrektheid en de storelooze stilte der heerlijke parken, in wier midden de keizerlijke woningen verrijzen, ver van de blikken der ongewijde schare en van het hinderlijk gedruisch der stad. Meer dan deze boomen en deze schemerende daken te zien, was nog geen vreemdeling vergund: het is mij dan ook niet mogelijk, iets van de inrichting van dit keizerlijk paleis, waar de Mikado, als in eene afzonderlijke wereld, zijne dagen doorbrengt, te zeggen. En somtijds is hem die afzondering nog niet volkomen genoeg. Meermalen gebeurt het, dat de regeerende Mikado afstand van den troon doet, om in een daarvoor opzettelijk bestemd paleis, in een afgezonderd gedeelte van den daïri, zijne overige dagen door te brengen.

In het midden der stad verheft zich een versterkt kasteel, waarvan de muren, van afstand tot afstand, met vierkante torens zijn bezet. Dit kasteel, dat vroeger den Mikado, in geval van oproer, tot wijkplaats strekte, is nu het hoofdkwartier van het garnizoen, dat de Taïkoen in de geestelijke hoofdstad des rijks onderhoudt.

Muzikanten der keizerlijke kapel te Kioto.
Muzikanten der keizerlijke kapel te Kioto.

Muzikanten der keizerlijke kapel te Kioto.

Het getal der hooge en lage beambten en bedienden in de verschillende paleizen des Keizers en van zijne talrijke familie, moet vele duizenden bedragen. Het juiste cijfer kent men niet, omdat het hof niet onderworpen is aan de jaarlijksche volkstelling.—Anders is de statistiek altijd een voorwerp der bijzondere zorg van de japansche regeering geweest. In de heilige stad des rijks neemt ook de gewoonlijk zoo profane statistiek een gewijd karakter aan, en rangschikt officiëel de lieden naar de verschillende sekten, waartoe zij zeggen te behooren. Om het cijfer der bevolking van Kioto te kennen, moeten wij weder teruggaan tot den ouden Kämpfer, dien nauwkeurigen en ijverigen onderzoeker, wiens werk over Japan nog altijd zoo groote waarde heeft. Kämpfer dan bericht, dat in zijn tijd, in 1693, de vaste bevolking van Kioto, met uitzondering van het hof, bestond uit 52,169 geestelijken en 477,557 leeken. Deze geheele bevolking splitste zich in ongeveer een twintigtal erkende sekten, waarvan de talrijkste 159,113 aanhangers telde, en de geringste, zijnde eene soort van boeddhistische confrerie, slechts uit 289 leden bestond.

Wie intusschen meenen mocht, dat deze ontzaggelijke ontwikkeling van het kerkelijk element het verblijf in de hoofdstad van Japan somber moet maken, of althans aan de zeden der bevolking een buitengewone strengheid bijzetten, zou zich zeer bedriegen. Het tegendeel is veeleer waar, zoo als wij zien zullen, wanneer wij het leven en bedrijf in deze stad meer van nabij gaan beschouwen.

Gezicht op de straat van Simonoseki.
Gezicht op de straat van Simonoseki.

Gezicht op de straat van Simonoseki.

VIII.

Kioto.—Nationaal tooneel.—Godsdienstige feesten.—Optochten.—Begraafplaatsen.—Doodenfeest te Nagasaki.—Grafheuvels.

De laatste maal, dat ik u mijne herinneringen uit Japan mededeelde, heb ik u rondgevoerd langs de schilderachtige oevers der binnenzee, den klassieken grond van het groote Nippon, en u van verre reeds een blik doen werpen op Kioto, de oude hoofdstad der Mikado’s. Wilt ge mij nu derwaarts vergezellen, en van meer nabij het leven en bedrijf gadeslaan in dit middelpunt der oude japansche maatschappij?—Stellen wij ons dan voor, dat wij op een schoonen zomeravond, tegen het ondergaan der zon, de heilige stad naderen. Van alle kanten klinken ons de tonen eener vroolijke en luidruchtige muziek tegen, alsof we zoo straks ons te midden eener woelige kermisvreugde zouden bevinden. Op alle omringende heuvelen, met gewijde bosschages, met tempels en kloosters bedekt, wordt door de bonzen en monniken de avonddienst gevierd, onder het slaan op trommen, op tamboerijns, op koperen bekkens, en op metalen klokken: een bijna oorverdoovend concert.

In de voorsteden worden alom de veelkleurige, papieren lantaarns opgestoken. Ge ziet er van allerlei vorm en afmeting: de grootsten hebben de gedaante van reusachtige cylinders, en prijken tusschen de zuilen aan de voorgevels der tempels; de kleinsten, aan ballons gelijk, hangen in rijen voor de deuren der herbergen en aan de galerijen der huizen van vermaak. De heiligdommen en de meer profane etablissementen, die op deze wijze verlicht worden, zijn zoo talrijk en grenzen zoo dicht aan elkander, dat de gansche wijk er uitziet alsof er een venetiaansch nachtfeest gevierd wordt.

In de stad zelf beweegt zich eene dichte schare, mannen en vrouwen, langs de winkels en magazijnen en over de trottoirs der lange straten, die van het noorden naar het zuiden loopen, tot in de nabijheid van den daïri. Onder die golvende menigte telt ge een groot aantal priesters, van verschillende kerken en sekten. Die van den kami-dienst zijn kenbaar aan een kleine muts van karton, zwart verlakt, en gedekt door een soort van kam, van gelijke kleur, met een wit kruis in het midden. Aan die muts is van achteren een sterk gesteven lint bevestigd, dat in den nek afhangt. Dit kapsel is overigens eene oude nationale dracht, die dan ook niet het uitsluitend eigendom der priesters is, maar, met eenige bij de wet voorgeschreven wijzigingen, evenzeer wordt aangetroffen bij al de negentien officieel getitelde klassen der bevolking van Kioto. Een ruim overkleed, een wijde pantalon, en een groote kromme sabel, die hoogst waarschijnlijk maar tot sieraad strekt, voltooien het dagelijksche kostuum der dienaars van de kami-tempels.

Alle leden der boeddhistische geestelijkheid, de ordebroeders zoowel als de wereldlijken, onderscheiden zich door een kaalgeschoren en geheel onbedekt hoofd; slechts enkele monnikenorden dragen een hoed met breede randen. Grijze gewaden, in vorm aan de priesterkleeding der katholieke geestelijken gelijk, zijn onder hen het meest in gebruik; echter ziet ge ook zwarte, bruine, roode en gele soutanes, soms met een sjerp, een koorhemd of borstlap bedekt.

Kioto telt ook enkele heilige kluizenaars, die, vreemd genoeg, juist de hoofdstad hebben uitgekozen, om het gewoel der wereld te ontvlieden. De dankbare stedelingen, die van de nabijheid dezer vrome mannen allerlei heil voor hunne stad hopen, voorzien hunne kluizen rijkelijk van al het noodige. Een dezer verblijven is vooral merkwaardig: het is eene kluis, boven in een steilen rotswand, door een kleinen vijver van den openbaren weg gescheiden, uitgehouwen. Men weet niet wie daarin woont, noch hoe de kluizenaar daar komen kan, maar geregeld dalen, door middel van een vernuftig uitgedacht toestel, de matten korfjes naar beneden, waarin de geloovigen hunne gaven nederleggen; waarna ze weder even vlug naar boven worden geheschen. De bedelarij, als godsdienstig beroep, wordt hier overigens overal en op ieder uur in het openbaar gedreven. Bedelmonniken van allerlei soort zijn er immer op uit, uwe weldadigheid in te roepen: nu eens slaan zij op de straatsteenen met een grooten stok, waaraan van boven metalen ringen bevestigd zijn; dan weder klingelen zij met een bel, of slaan met een hamer op een bekken, dat aan hun gordel hangt; sommigen vertoonen reliquieën, waarvan zij luide den lof verkondigen; anderen wederom vervolgen de voorbijgangers met eentonige litanieën. En niet minder wordt ge gekweld door de krijschende muziek van goochelaars, koorddansers, tooneelspelers, die op de straat hunne kunsten vertoonen en de aandacht der wandelaars trachten te boeien.

Uit alle theehuizen weergalmen de vroolijke tonen van guitaren en tamboerijnen, begeleid en afgewisseld door gezang en gelach. De schouwburgen en andere plaatsen van uitspanning zijn den ganschen nacht geopend. Daar kunt ge de jonge edellieden der hoofdstad vinden; na een dag, doorgebracht aan het hof, of verdeeld tusschen de manege, de wedrennen, het schieten met den boog, de kaatsbaan en de theehuizen van den omtrek, komen zij hier den avond en het grootste deel van den nacht slijten in allerlei uitspanningen en uitspattingen.

Nevens den volksschouwburg, waar burgerlijke komedies en tooverballetten worden opgevoerd, vindt men te Kioto nog het hoftheater: zeker een der vreemdste verschijnsels in Japan. Rollen, kostumen, decoraties, alles is daar conventioneel, even als bij de klassieke tragedie in Frankrijk onder Lodewijk XIV, met “mevrouw” Phaedra, Agamemnon in hofkostuum en allonge-pruik, en Achilles met hooge hakken. Maar, onder dit conventioneele masker der helden en heldinnen van Corneille en Racine, herkennen wij toch nog altijd karakters, ons reeds uit de studie der klassieke oudheid bekend, en die de dichter tot typen van menschelijke hartstochten en neigingen gestempeld heeft. Doch wie zal ons den oorsprong en de beteekenis verklaren der personen, die op het keizerlijk tooneel te Kioto optreden? Wie is, bij voorbeeld, die grijsaard met zijn zilveren baard en zijn kruk, waarop een groene papegaai zit: een vogel, die nergens in den japanschen archipel gevonden wordt? En die andere held, die een vergiftige slang vervolgt: een dier, eveneens in Japan volkomen onbekend? Vanwaar komen die schilden, die helmen, die zwaarden, wier vorm evenmin overeenstemt met de wapenen der halfgoden uit de nationale mythologie, als met die der krijgers uit het oude rijk der Mikado’s? Evenzeer zoudt ge vergeefs naar tegenhangers dezer figuren zoeken onder de oneindige verscheidenheid der typen van het chineesche theater. Weet ge waar het kostuum der acteurs van Kioto mij soms aan denken doet? Aan den wayang der javaansche vorsten: een even geheimzinnig tooneel, waar heldendrama’s, die den ganschen nacht duren, worden voorgedragen in eene taal, die niemand verstaat, en in vollen ernst gespeeld met houten poppen. De fantastische tiara’s, waarmede deze poppen prijken, gelijken vrij wel op het onbeschrijfelijk hoofddeksel der acteurs van den Mikado.

De voornaamste instrumenten van het orchest van den hofschouwburg zijn: de dwarsfluit, de pansfluit, de tritonshoorn, de cymbalen en de gong, kak-daï-ko geheeten. De laatste is een groote schijf, met eene gelooide huid overtrokken, op een voetstuk rustende, en versierd met symbolische figuren, die waarschijnlijk op de zonnedienst betrekking hebben. Deze instrumenten hebben, in zekeren zin, een gewijd karakter. De sage zegt, dat de groote godheid van den dag, geërgerd over de boosheid en barbaarschheid der menschen, eens weigerde langer de aarde te verlichten, en zich in de diepten der zee verborg. Eerst door een concert van fluiten, tritonshoorns, cymbalen en gongs gelukte het eindelijk haar weder te voorschijn te doen komen; dat wil zeggen: door de uitvinding der muziek verdween de nacht der barbaarschheid van de aarde.

De godsdienstige nationale feesten hebben in de eerste plaats de stoffe geleverd voor de ontwikkeling van het muzikaal en dramatisch talent des japanschen volks. De kami-dienst is buitengewoon arm aan dogma’s: zij lost zich eigenlijk op in het geloof, dat de goden die Japan geschapen hebben, ook voortdurend voor deze hunne schepping blijven zorgen; en dat de helden, die de macht des rijks hebben gegrondvest, nu bij de goden wonen en daar werkzaam zijn ten bate van hun vaderland. Het is dus billijk, de kami’s te vereeren: maar, om hun welbehagelijk te zijn, moet men hunne tempels betreden, vrij van alle smet der onreinheid; waardiglijk de feesten te hunner gedachtenis vieren, en de plaatsen bezoeken, door hunne geboorte of hunne groote daden gewijd.

De vervulling dezer weinige geboden is niet bijzonder moeielijk. Eenige vaste regelen, in twee of drie artikelen vervat, stellen ieder geloovige in staat, om bij zich zelven na te gaan, of hij in den vereischten toestand van reinheid verkeert, en wijzen hem ook den weg om, zoo dit noodig mocht zijn, weder in dien toestand te geraken. Hem zijn geene andere godsdienstplichten opgelegd, dan in zijn huis zorgvuldig de beide reinigende elementen, het water en het vuur, te onderhouden; door dagelijksche wasschingen ook uiterlijk getuigenis af te leggen van de reinheid zijner ziel; en in den tempel of de huiskapel van den kami niets te offeren, waaraan eenig gebrek is. Onrein wordt men door ongeoorloofde betrekkingen, door den dood der naaste bloedverwanten, door het aanraken van een lijk; en ook door bloed te vergieten, zich met bloed te bezoedelen of het vleesch van huisdieren te eten.

Om uit dien toestand te geraken, moet men zich aan de formaliteiten der reiniging onderwerpen, die meer of minder omslachtig zijn, naar gelang van het meer of minder ernstig karakter der oorzaak van de onreinheid. De mannen moeten baard en haar laten groeien, en zich het hoofd bedekken met een gemeenen strooien hoed; de vrouwen met een witten doek; beiden moeten zich in hunne vertrekken opsluiten of een pelgrimstocht ondernemen, en zich onthouden van sommige spijzen en van alle luidruchtige vermaken. De wederopneming van den boeteling in den kring zijner familie en vrienden wordt met groote feestelijkheid gevierd; en daarbij tevens met water en zout, en door het aansteken van een groot vuur op de binnenplaats, het gansche huis gereinigd.

De jaarlijksche feesten ter eere der voornaamste kami’s van Japan gaan met geene andere plechtigheden dan zekere reinigings-ceremoniën gepaard; en ook deze werden nog eerst tegen het einde der achtste eeuw ingevoerd. Des avonds voor het feest begeven zich de priesters, in plechtstatigen optocht, met fakkellicht, naar den tempel, waar in eene kostbare reliekkast, mikosi genaamd, de wapenen en andere voorwerpen worden bewaard, die den vergooden held hebben toebehoord. Volgens het zeggen der priesters is de mikosi de aardsche woning van den kami, de troon, in zijn vaderland voor hem opgericht. Maar ieder jaar moet deze woning geheel gereinigd worden. De relieken worden dus uit de kast genomen, en deze naar de rivier gedragen. Terwijl eenige priesters haar zorgvuldig wasschen, steken andere groote vuren aan, om de booze geesten te verdrijven; en de kagoera, het gewijde choor, tracht door muziek en zang den geest van den kami, die tijdelijk van zijn aardsch verblijf is beroofd, te verzoenen en tot rust te brengen. Intusschen haast men zich, om hem zijn huis terug te geven: de relieken, die tot dusver te midden van den stoet waren ten toon gesteld, worden met groote plechtigheid weder in de kast geborgen; maar, daar de tempel zelf evenzeer reiniging behoeft, wordt de mikosi niet dadelijk daarheen terug gevoerd. Gedurende het feest, dat verscheidene dagen aanhoudt, wordt zij bewaard in een bepaaldelijk daarvoor opgerichte kapel, die behoorlijk tegen de aanrandingen van booze geesten is gevrijwaard: want, waagden zij zich binnen de gewijde, door koorden van rijststroo afgepaalde ruimte, dan liepen zij gevaar overgoten te worden met het kokende wijwater, waarmede men van tijd tot tijd de woning van den kami besproeit; en wee diegenen hunner, die in de lucht rondzweven: want de priesters, die de eerewacht van den kami vormen, zijn bekwame ruiters en handige schutters; het volk juicht luide hunne schitterende evolutiën toe, en volgt met bewonderende blikken de pijlen, die zij in de lucht afschieten en die allen binnen de gewijde ruimte nedervallen.

Deze ceremoniën moeten nu wel aan het feest een godsdienstig karakter geven; maar toen ik zoo even van den invloed van den kami-dienst op de ontwikkeling van het dramatisch talent des volks sprak, waren het toch niet deze dwaze vertooningen, die ik op het oog had. Bij het feest behoorde ook nog eene groote processie van gemaskerde en gekostumeerde priesters, die op de verschillende statiën langs den weg voorstellingen gaven van de treffendste episoden uit het leven van hun held. Deze tooneelvoorstellingen in de open lucht gingen met muziek, zang en pantomimische dansen gepaard. De poëzie en de plastische kunst maakten zich tot dragers en tolken der nationale traditiën, en de menigte, van alle zijden saâmgevloeid, luisterde opgetogen naar het verhaal van de schitterende vaderlandsche herinneringen. Soms werd het feest nog opgeluisterd door eene tentoonstelling van wapentropheeën of van beelden en groepen, die in gelaat en kleederdracht de typen der beroemdste en populairste kami’s vertoonden, en op wagens of houten toestellen waren geplaatst; waarop dan ook de gebouwen, tempels, kapellen of andere plaatsen waren afgebeeld, die op eene of andere wijze met de geschiedenis van den gevierden held waren verbonden.

Oorspronkelijk werden deze jaarlijksche feesten, matsjoeris geheeten, maar in enkele steden, de oudsten des rijks, gevierd. Slechts acht provinciën mochten er zich op beroemen, kami’s te bezitten. Maar sedert de tiende eeuw wilde ieder gewest, ieder district, iedere stad van eenige beteekenis, een eigen kami, een eigen beschermheilige, hebben. Eindelijk bedroeg het getal der in Japan vereerde kami’s niet minder dan drieduizend eenhonderd twee en dertig; waarop het noodig werd geacht eene zekere rangschikking in te voeren, en de oudst bekenden althans boven deze menigte te verheffen. Aan vierhonderd twee en negentig hunner werd de titel van groote kami’s toegekend; de overigen moesten zich tevreden stellen met den naam van lagere kami’s. Van toen af werden er overal matsjoeris gevierd; en door het geheele rijk verspreidde zich de liefde voor de heldenverhalen en tooneelvoorstellingen ter verheerlijking van het vaderland en de deugden van het voorgeslacht. In dit opzicht althans is de volksgodsdienst van Japan niet geheel onvruchtbaar geweest: zij heeft werkelijk bijgedragen tot de vorming van een volk, dat door warme vaderlandsliefde is bezield; van een rijk, dat nooit het juk van een vreemden overheerscher heeft getorst; en van eene regeering, die, zelfs in onze dagen, en te midden van ingewikkelde betrekkingen met de machtigste staten der wereld, hare waardigheid en zelfstandigheid heeft weten te handhaven.

De vreemdeling, die China bezoekt, krijgt telkens den indruk als wandelde hij door een bouwvallig, stofferig en verwaarloosd gebouw, aan de hoede van afgeleefde invaliden toebetrouwd. In Japan ziet ge letterlijk noch bouwvallen, noch stof; met de frischheid dezer altijd groenende plantenwereld wedijvert het voorkomen van onverstoorbare jeugd, dat den bewoners dezer schoone eilanden eigen schijnt. Zelfs de woningen hunner afgestorvenen versieren zij met de beelden van eene eeuwige lente: in alle jaargetijden schitteren hunne kerkhoven in den rijksten bloemendos. Hunne graven bewaren eenvoudig den naam en de herinnering der afgestorvenen, zonder eenig toevoegsel, dat het denkbeeld aan dood of vernietiging voor den geest roept. Daar iedere familie hare eigene begraafplaats, en iedere doode zijn eigen lijksteen heeft, breiden zich deze gedenkteekenen der voorgeslachten heinde en verre allerwege uit, over heuvel en dal, door parken en gewijde bosschages, tot aan de poorten der steden en den ingang der dorpen.

De Mikado, toen hij nog zichtbaar was.
De Mikado, toen hij nog zichtbaar was.

De Mikado, toen hij nog zichtbaar was.

Te Nagasaki vooral levert dit een grootsch gezicht op. Deze stad ligt aan den voet eener bergketen, waarvan de benedenste hellingen doorgaans vrij steil zijn; deze zijn nu amphitheatersgewijze in breede terrassen uitgehouwen, en geheel bedekt met de grafteekenen der voorgeslachten. Twee steden verrijzen hier nevens elkander: in de vlakte de stad der levenden, met hare lange en breede straten, door brooze houten huizen omzoomd en gevuld met een bezige, luidruchtige schare; en boven op den berg, de ernstige doodenstad, met haar granieten muren en monumenten, hare eeuwenheugende boomen, hare plechtige stilte. Zoo vaak de inwoners van Nagasaki de oogen opheffen naar den berg, moeten zij wel onwillekeurig denken aan de tallooze geslachten die vóór hen op aarde hebben geleefd. Bij den aanblik van al deze lijkgesteenten, wier dichte rijen zich haast verliezen in den blauwachtigen nevel aan den wazigen horizon, kunt ge u noode onthouden van de gedachte, dat de dooden nog te midden hunner graven vertoeven; dat zij, van deze rustige hoogte, zwijgend en ernstig, nederzien op het ijdele gewoel aan hunne voeten. Althans het volk gelooft het: en eenmaal in het jaar worden de dooden uitgenoodigd tot het bijwonen van een plechtig feest, dat drie achtereenvolgende nachten duurt.

De groote processie van den daïri te Kioto.
De groote processie van den daïri te Kioto.

De groote processie van den daïri te Kioto.

Den eersten avond worden, door middel van gekleurde papieren lantaarns, de graven verlicht dergenen, die in het dan afgeloopen jaar zijn gestorven. Op de beide volgende avonden deelen alle graven, oude zoowel als pas gedolvene, in deze verlichting; en alle familiën uit Nagasaki begeven zich naar hare begraafplaatsen, waar, ter eere der voorvaderen, overvloedige drankoffers worden geplengd. De uitbundigste vroolijkheid doet weldra alle terrassen van luid gejubel en gelach weêrgalmen; en knetterende vuurpijlen, voortdurend opgelaten, vervullen ook de lucht met den weerklank der aardsche dartelheid. Een vreemd doodenfeest voorwaar! maar allerschilderachtigst om aan te zien. De europeesche residenten laten zich gewoonlijk naar de schepen op de reede roeien, om van daar het tooverachtig schouwspel te genieten der in een rooden lichtgloed gehulde heuvelen, wemelende van eene dichte menschenmassa.

Maar, in den derden nacht, ziet men eensklaps, tegen twee uren in den morgen, lange processiën, schitterende van licht, afdalen naar den oever der baai; terwijl de bergen langzamerhand duister worden, en alleen de witte grafsteenen schemeren in den half doorzichtigen sluier des nachts. De dooden moeten zich inschepen en vóór den dageraad vertrekken. Men heeft hun duizende kleine bootjes van gevlochten stroo bereid, ieder met eenig fruit en enkele kleine geldstukken voorzien. Op deze brooze schuitjes worden al de papieren lantaarns geladen, die tot verlichting der graven hebben gediend; het kleine matten zeil wordt uitgespannen; en de ochtendwind verstrooit ze naar alle zijden op de reede, waar zij weldra vlam vatten. Zoo vergaat de gansche vloot, overal, voor een korte poos, slingerende sporen van vuur achterlatende..... De dooden gaan snel! Na weinige oogenblikken is het laatste vaartuigje gezonken, het laatste vuur gedoofd, en heeft de laatste geest zijn afscheidsgroet aan de aarde gebracht. Bij het opgaan der zon, is er niets meer van de dooden overig.

In vroeger tijd, toen de kami-dienst nog de uitsluitend heerschende in Japan was, werden aanzienlijke personen op eene afzonderlijke plaats, verwijderd van de algemeene begraafplaats, ter aarde besteld. Met dat doel werd een ronde heuvel uitgekozen, of wel kunstmatig opgeworpen: welke heuvel dan, even als een adellijke burcht, den naam ontving van yasiro, versterkte woning. Hij werd met kolossale, ruw opgetrokken muren, en gewoonlijk ook met eene breede gracht omringd. Aan den opgang der brug, die den heuvel met de vlakte verbond, werd een tori opgericht, ten teeken van de heiligheid der plaats. De lijkkist werd in een steenen graf, een soort van sarkophaag, neergezet, en boven dit gedenkteeken een houten gebouw opgetrokken, in vorm aan eene kami-kapel gelijk.

De begrafenisplechtigheden waren daarbij zeer omslachtig en statig. De lijkstoet geleek welhaast den triomftocht van een zegevierenden held. Met den doode werden zijne wapenen, zijn maliënkolder en wat hij het kostbaarst bezat, begraven. Ook zijne voornaamste dienaren volgden hem in het graf; en zijn geliefd strijdros werd aan zijn schim geofferd. Deze barbaarsche gebruiken werden evenwel in de eerste eeuw onzer jaartelling afgeschaft. Houten poppen vervingen de plaats der levende menschen, en de paarden werden nog slechts in effigie geofferd: Eenige fiksche penseelstreken op een wit plankje verbeeldden den fieren strijdmakker van den held, en dit plankje behoorde tot de voorwerpen, die mede in het graf werden geborgen. Deze yema’s of paardenstudiën zijn in den regel met zooveel talent geteekend en zoo geniaal behandeld, dat zij inderdaad tot de artistieke merkwaardigheden van Japan behooren. Men vindt ze in de steden en op het land, in een aantal kapellen, bij wijze van votieftafels. Somwijlen behooren zij ook tot de geschenken, die de Taïkoen aan vreemde regeeringen zendt.

IX.

De kunst aan het hof van den Mikado.—Miniatuurschilderen.—Symboliek.—Modes aan het hof.—Het hof der Kisaki.—Letterkundige uitspanningen.—De dichteres Onono-Komatsj.—Tooneelvoorstellingen.

Een der meest geliefkoosde kunsten aan het hof van den Mikado is het miniatuurschilderen. De miniaturen der kunstenaars van Kioto doen meermalen aan onze middeleeuwsche getijdeboeken denken: het is hetzelfde velijnpapier, hetzelfde misbruik van gouden gronden, dezelfde pracht van kleuren. De met vignetten versierde handschriften worden op ivoren cylinders of stokjes van fijn hout, waarvan de uiteinden met metalen sieraden zijn voorzien, gerold. Almanakken, romans, verzamelingen van verzen, litanieën en gebeden, worden daarentegen meestal in den vorm van boeken ingebonden. Onder de aanzienlijke dames is het mode, de kleinst mogelijke editiën der gebedeboeken bij de godsdienstoefeningen te gebruiken.

De dames en de dichters van Kioto gebruiken nooit een anderen almanak dan den zoogenaamden bloemenkalender, waarin iedere maand en ieder onderdeel eener maand door een symbolisch bouquet worden aangeduid. Ook bij de kleeding heerscht een soortgelijk gebruik: het toilet der aanzienlijke dames geeft niet alleen haar rang en rijkdom te kennen, maar is ook door de kleur en het onderwerp der borduursels op de kleederen in overeenstemming met de jaargetijden, de bloemen en vruchten van iedere maand des jaars. De maanden zelven worden in de hoftaal nooit bij hare eigenlijke namen, maar naar hare dikwijls zeer toevallige eigenschappen genoemd: de eerste maand heet de vrienden- of vriendelijke maand, omdat bij de bezoeken en geschenken van den nieuwjaarsdag de vriendschapsbanden worden bevestigd en nauwer toegehaald; de derde maand heet de ontluikingsmaand, omdat de natuur dan uit haar winterslaap ontwaakt; de vijfde, de overplantingsmaand, omdat de rijst dan verplant wordt; de zevende, de maand der letteren, omdat het dan gebruik is, ter eere der sterren lofzangen te schrijven, die aan de vrienden en kennissen worden rondgezonden.

Deze zucht naar symboliek is evenzeer kenbaar in de japansche architektuur en de voortbrengselen hunner nijverheid: met één woord, in alles wat door hunne kunstenaars of werklieden wordt vervaardigd. Zoo ziet men aan de daken der tempels en paleizen zeer dikwijls een eigenaardig ornament van snijwerk, dat een wolkenlaag moet verbeelden, waarboven de gevel van het gebouw oprijst. De hoofdingang of eerepoort van den daïri prijkt met eene gouden zon, omgeven door de teekenen van den dierenriem. De poorten der Boeddha-tempels prijken met twee olifantskoppen, ten teeken dat deze godsdienst uit Indië oorspronkelijk is.

Bovendien zijn er een aantal teekens en ornamenten, waarvan wij den rechten zin niet kennen. In den daïri ziet men eene soort van bronzen vaas, eene ruwe afbeelding voorstellende van ik weet niet welken vogel, ter grootte van een mensch. Dit is een der oudste gedenkteekenen der japansche kunst: het draagt den naam van Tori-kamé, maar niemand kent hetzij den oorsprong, hetzij de bestemming van dit kunstwerk. Andere, zeer oude vazen, op een drievoet geplaatst en dienende voor het branden van reukwerk, vertoonen in graveerwerk den kop of ook wel het geheele lichaam van den krokodil: een dier, in Japan volstrekt onbekend. De schildpad en de kraanvogel, die menigmaal op wierookvaten en gewijde kandelaars voorkomen, zijn zinnebeelden van onsterfelijkheid of althans van een lang leven.—De mythologische vogel Foô, in Japan zoowel als in China geliefd, prijkt op de posten der deuren van den daïri en boven op den palankijn van den Mikado, als het zinnebeeld van eeuwige zaligheid.

Deze zelfde symbolische figuren, met vele anderen, die ik hier niet allen noemen kan, komen wederom voor in de patronen der kostbare, van zijde, goud- en zilverdraad geweven stoffen, die de glorie uitmaken der wevers van Kioto; en in de graveersels der gouden, zilveren, koperen en stalen platen, waarmede de japansche juweliers de grepen en scheden van sabels, de draagbare schrijftoestellen, de pijpen en tabaksdoozen versieren; en eindelijk ook in de versieringen der tallooze gereedschappen, vaatwerken en ornamenten van lakwerk en porselein, waarin de grootste weelde der japansche huizen bestaat.

Eens, toen ik een magazijn bezocht van zulke curiositeiten, uit de werkplaatsen van Kioto afkomstig, vestigde men mijne aandacht er op, dat geen dezer voorwerpen zuiver rechthoekig was. Ik overtuigde mij zelf hiervan, door een nauwkeurig onderzoek van eene menigte kastjes, koffertjes, papierdoozen, plateaux en dergelijke verlakte voorwerpen; en inderdaad, ik vond nergens een scherpen hoek: alle hoeken waren afgeknot of zacht afgerond. Aangenomen, dat hierbij aan niets anders moet worden gedacht, dan aan een gril van den smaak, waarover niet te twisten valt, zoo is er iets anders, dat stellig eene symbolische beteekenis heeft. Alle japansche spiegels namelijk, zonder eenige uitzondering, vertoonen een ronde schijf: en deze omstandigheid pleit wel voor het gevoelen van Siebold, dat de spiegels in de kami-tempels eenvoudig een symbool zijn der zonneschijf.

Het is moeielijker de reden te vinden voor sommige modes van Kioto: gesteld, dat modes ooit of ergens een reden hebben. De dames van het hof trekken zich wenkbrauwen uit, en vervangen die door twee zware donkere strepen, zoo wat drie à vier vingers boven het oog geschilderd. Zou het zijn, omdat deze schoonen, met hare vooruitstekende wangbeenderen, gevoelen, dat het ovaal van haar gelaat wel wat te wenschen overlaat; en zouden zij daaraan willen tegemoet komen, door hare wenkbrauwen, die de natuur een beetje te veel midden in het aangezicht plaatste, wat naar boven te brengen?

Met uitzondering van enkele, met was bestreken vlechten, die langs de slapen en de schouders afdalen, dragen de dames het haar los, plat op het hoofd, en vrij afhangende op den rug. Daar worden de haren saâmgevat in een knoop, die groote geheimenissen verbergen moet: want alle aanzienlijke dames, zonder onderscheid, prijken met zware, golvende lokken, die tusschen de plooien van haar wijden mantel tot op den grond afdalen. De omvang van dit rijke kleedingstuk van brocade, zou haast tot het vermoeden leiden, dat in de groote wereld van Kioto de graad van vrouwelijke weelde zich regelt naar het getal der ellen zijde, die een enkel mensch achter zich aan kan slepen. Maar wat beteekenen die twee lange zijbanen van het kleed, die ter rechter- en ter linkerzijde buiten de golvende mantelzoomen uitsteken? Als de schoone voortgaat, bewegen zij zich op de maat der onzichtbare kleine voeten; en van verre zou men zeggen dat de dame geen kleed draagt maar een wijden, slependen pantalon, die haar slechts vergunt op de knieën voort te kruipen, achteloos met de heupen wiegende. Wel, dit wonderlijk kostuum moet ook juist dien indruk maken: het moet den schijn hebben, alsof de hofdames, die in de tegenwoordigheid van den Mikado worden toegelaten, niet dan knielende zijne heilige majesteit naderen!

In het paleis hoort ge geen ander geluid dan het ruischen der zijde over de zachte tapijten, waarmede de matten zijn belegd. Bamboezen jalouzieën temperen het daglicht; prachtig beschilderde schermen, damasten draperieën, fluweelen gordijnen, vormen de wanden en portières der ruime salons. Geen enkel meubelstuk stoort den indruk van sierlijke eenvoudigheid; in de hoeken bespeurt ge slechts, hier een aquarium van porselein, gekroond met levende planten en smaakvol geschikte bloemen; elders een met parelmoer ingelegde kast of eene étagère, beladen met de omvangrijke bloemlezingen uit de oude poëzie, waarvan eene op gouden bladen is gedrukt. De geur van kostbare houtsoorten, van fijne matten, van bloemen en gewassen mengt zich met de frissche buitenlucht, die van alle kanten door de geopende schermen binnendringt. De jonge hofdames presenteeren thee van Oudsji en suikergebak uit de voorraadkamer der keizerin. Deze, de Kisaki, de trotsche gebiedster der twaalf andere wettige gemalinnen van den Mikado en van de schare zijner bijwijven, zit, in fiere afzondering, neergehurkt op eene ruime hooge estrade, van waar zij de gansche zaal overziet. De staatsdames en kamervrouwen, op eerbiedigen afstand achter haar geknield of neergehurkt, vormen groepen, die op bloembedden gelijken: want iedere groep heeft, volgens haar rang, hare eigene kleederdracht en bijzondere kleuren. De breede plooien der kleederen van de keizerin zijn zoo kunstig en smaakvol geschikt, dat zij hare figuur als in eene schitterende wolk van gaas, satijn en brocade hullen; en de drie gouden bladen of stengels, die uit haar diadeem oprijzen, schijnen wel de kroon eener hemelsche bloemen-koningin.

Uitdeeling van geld aan het volk, op last van den Taïkoen.
Uitdeeling van geld aan het volk, op last van den Taïkoen.

Uitdeeling van geld aan het volk, op last van den Taïkoen.

De genoodigden zitten in halve kringen tegenover de hooge gebiedster. Op een teeken harer hand naderen de dienstdoende staatsdames, en ontvangen knielende de noodige bevelen voor de regeling der verhalen en samenspraken of letterkundige wedstrijden. Het hof der Kisaki toch is, of was althans, de japansche académie des jeux floraux. Op den derden dag der derde maand, ongeveer overeenkomende met onze Aprilmaand, vereenigen zich alle schoone geesten van den daïri in de bloesemrijke boomgaarden van het kasteel, aan den oever der frissche beken; de saki vloeit in de kristallen bekers, en edelheeren en edelvrouwen wedijveren in het uitvinden der liefelijkste coupletjes ter eere der jonge lente en der ontwakende natuur.

Deze soort van conventioneele poëzie was trouwens van ouds eene der meest geliefde uitspanningen der japansche literatoren: hierin het voorbeeld volgende der chineesche letterkunde, waarnaar die van hun eigen land zich vormde, en tevens aan den invloed van het hof gehoorzamende, waar dergelijke Schöngeisterei natuurlijk zeer in den smaak viel. De graveerstift heeft ons zelfs de trekken bewaard der dichters, die in dit genre uitmuntten, en die altijd worden voorgesteld met het voorwerp hunner zangen. De dichters der zee, bij voorbeeld, ziet ge steeds aan het strand neergezeten; een ander is verzonken in de beschouwing van een bloemruiker; een derde heeft voor attribuut een bloeienden perzikenboom; er zijn dichters van de rijst, van de vlinders, van de kraanvogels, van de maan, van de schelpen, en zoo meer. De geschiedenis der japansche poëzie heeft ook hare gewijde plaatsen: als daar zijn de berg Kamo, waar Tsjoo-meï zijne oden dichtte, peinzende aan den oever eener beek; en een zeker klooster, waar een verdoolde prins nachtverblijf vond. Des morgens, bij zijn vertrek, stelde hij den prior een gedicht ter hand, als loon voor de genoten gastvrijheid. Deze gracelijke gave vestigde den roem van het klooster.

Eene der meest geliefde figuren uit de letterkundige geschiedenis van Japan is eene adellijke jonkvrouw van het hof van Kioto, met name Onono-Komatsj. Doorgaans wordt zij voor een waterbekken knielende afgebeeld, bezig met haar handschrift uit te wisschen. Zoo groot was haar zucht naar zuiverheid van stijl, dat zij nimmer tevreden was met wat zij gemaakt had, en deze hartstocht ieder anderen in haar vernietigde. Bewonderd om haar talent, maar ter prooi aan de jaloezie en de wraakzucht der losbollen, wier beleefdheden zij met verachting afwees, viel zij eindelijk in ongenade en tot volslagen armoede. Jaren lang zag men toen door de velden van Nippon eene eenzame vrouw zwerven, barrevoets, leunende op een pelgrimsstaf, en in de linkerhand een mandje dragende, dat, nevens eenige beschreven rollen papier, enkele schrale mondbehoeften bevatte. Zilverwitte haarlokken omgaven haar mager en gerimpeld gelaat, door een breeden strooien hoed overschaduwd. Zette deze arme oude vrouw zich neder op de trappen der tempels, nabij de dorpen, dan schaarden zich de kinderen weldra om haar heen, aangetrokken door haar zachten glimlach en de weemoedige uitdrukking harer groote, schoone oogen. Dan zeide zij verzen voor hen op, en vestigde hunne aandacht op de heerlijke wonderen der schepping. En dan gebeurde het vaak, dat een of andere leergierige monnik, gissende wie de onbekende was, eerbiedig nader trad en vergunning verzocht om een der gedichten te mogen overschrijven, die de arme zwervelinge in haar mandje mededroeg. Zelfs in onze dagen is de nagedachtenis van Onono-Komatsj, de dichterlijke maagd, in Japan nog in eere, en leeft haar naam nog voort als die van eene edele martelares der kunst, door voor- noch tegenspoed gebogen, en tot in haar ouderdom en te midden van armoede en verlatenheid onveranderlijk trouw aan hare liefde voor het ideaal.

Japansche pelgrims.
Japansche pelgrims.

Japansche pelgrims.

Maar het hof der keizerin kende ook andere dan zuiver letterkundige uitspanningen: er was ook eene kapel, uitsluitend uit snareninstrumenten saâmgesteld. Met de muziek gingen tooneelvoorstellingen gepaard. Eene troep jeugdige tooneelspeelsters voerde tooverballetten op, of wel danste eigenaardige dansen: nu eens deftig en statig, gekleed in lange slepende mantels met wijde mouwen; dan weder vlug, levendig, fantastisch, waarbij de danseressen verkleed optraden, versierd met vogel- of kapellen-vederen. De dames van den daïri hadden ook hare bijzondere loges grillées, niet slechts in den keizerlijken schouwburg, maar ook in den circus der worstelaars en boksers, aan het hof van den Mikado verbonden. Ook waren zij, in haar eigen lusthof, in kleinen kring onder de veranda gezeten, belangstellende toeschouwers bij de hanengevechten. Al deze gebruiken van het hof van Kioto zijn tot op onze dagen in stand gebleven: slechts is ieder spoor van artistieke of letterkundige ontwikkeling verdwenen. Zij zijn niets meer dan de laatste overblijfselen van het oude keizerrijk: zonder geest of leven nu, dor en versteend, als de verlaten grafheuvels van het voorgeslacht. Inmiddels ontluikt en ontwikkelt zich allerwege rondom den Mikado een nieuw leven. De Taïkoen breidt al verder en verder de instellingen en ordeningen zijner moderne monarchie uit, en doet steeds krachtiger grepen in het aloude samenstel der verstorven theokratie; de vreemdeling heeft zich de poorten des rijks geopend; de vlugge stoombooten van het Westen doorkruisen de kalme wateren der binnenzee, en van alle zijden dringt de christelijk-europeesche beschaving veroverend het land binnen.

En terwijl de wereld om hem heen van gedaante verandert, zit daar nog altijd de Mikado, de afstammeling der kami’s, de erfelijke theokratische keizer van Japan, ontoegankelijk en onzichtbaar: stomme getuige eener omwenteling, die hij niet keeren kan, en die hem licht medesleepen zal. Ware hij niet zoo volkomen lijdelijk, deze Mikado zou eene tragische figuur zijn: de incarnatie van het gestorven verleden, waarvoor in het levend heden geene plaats meer is. Vergeefs trekt hij zich terug in de geheimzinnige schemering van het heilig halfduister: ook hij zal in het volle licht moeten treden, ook over hem zal het onverbiddelijk gericht der historie gaan.

X.

De dubbele monarchie.—De Mikado en de Taïkoen.—Oorsprong van de macht der Taïkoens.—De Sjoogoen Mina-moto Yoritomo.—Inval der Mongolen in Japan.—Taïko-sama.—Etiquette aan het hof van den Mikado.—Bezoek van den Taïkoen bij den Mikado.

Tijdens mijn verblijf in Japan gebeurde het, dat de Taïkoen een beleefdheidsbezoek bracht aan den Mikado.

Dit was eene buitengewone gebeurtenis, die niet alleen een diepen indruk op het volk maakte en de pennen en teekenstiften der inlandsche schrijvers en kunstenaars in beweging bracht; maar die ook aan de europeesche gezanten en residenten de gelegenheid verschafte om iets meer te leeren kennen van de wederzijdsche verhouding der beide Majesteiten van het japansche rijk. Deze verhouding is inderdaad allermerkwaardigst; en de regeeringsvorm in Japan op zich zelf zoo geheel eenig, dat eene nadere studie dezer dubbele monarchie alleszins onze belangstelling verdient.

Rechtens is er in Japan maar één souverein, de Mikado, die reeds door zijne geboorte en zijn gewijd karakter boven den wereldlijken heerscher, eigenlijk zijn stedehouder, verheven is. Kleinzoon der zon, vervolgt hij de traditioneele lijn der goden en halve goden, der heroën en erfelijke keizers, die in onafgebroken volgorde over Japan hebben geregeerd sedert de stichting des rijks, of liever sedert de schepping der acht groote eilanden. Opperhoofd der godsdienst, welken naam of welken vorm zij ook onder het volk aanneme, treedt hij in het bijzonder op als de hoogepriester der oude nationale kami-dienst. Te midzomer offert hij aan de aarde; te midwinter offert hij aan den hemel. Een god is bepaaldelijk met de zorg voor zijn persoon belast; van uit haar tempel op den top van den berg Kamo, waakt deze godheid nacht en dag over den daïri. Gedurende eene geheele maand in het jaar verlaten al de goden hunne hemelsche woningen en hunne tempels, om bezoeken af te leggen bij hun afstammeling en vertegenwoordiger op aarde. Als de Mikado sterft, wordt zijn naam, tot dus ver verborgen gehouden, in de tempels zijner voorouders te Kioto, in den tempel van Hatsjiman, en zelfs te Isyé in den zonnetempel, gegraveerd.

Deze vertegenwoordiger der goden, deze theokratische keizer en geboren souverein, heeft buiten twijfel rechtstreeks van den hemel de onbeperkte macht ontvangen, waarmede hij over zijn volk heerscht. Maar hoe onbegrensd deze macht in theorie ook moge zijn, inderdaad is zij tot niets herleid, en vermag de Mikado zelfs het geringste niet. Van tijd tot tijd schenkt hij grootsch klinkende eeretitels aan sommige leden van den ouden adel, die zich op eene of andere manier jegens de kerk verdienstelijk hebben gemaakt. Ook bepaalt hij de dagen der veranderlijke godsdienstige feesten; regelt de kleur der priesterlijke gewaden en alle godsdienstige ceremoniën; en beslist in het hoogste beroep alle theologische geschillen. Maar dat is ook alles. Soms echter veroorlooft hij zich openlijk te protesteeren tegen sommige handelingen van het wereldlijk gezag, die zijne prerogatieven en privilegiën schijnen aan te randen: zooals hij nog onlangs heeft gedaan tegen de tractaten, door den Taïkoen met sommige europeesche mogendheden gesloten. Het is waar, later heeft hij ze bekrachtigd: maar dit was gedwongen.

Tegenover deze verhevene Majesteit staat de Taïkoen, vroeger Sjoogoen geheeten, de wereldlijke gebieder. Hij is eigenlijk niets meer dan de erfgenaam van gelukkige overweldigers, een parvenu. De stichters zijner dynastie, hof- en krijgsbeambten van den Mikado, hebben hunnen heer om zijn leger, zijn vloot, zijn land en zijne inkomsten gebracht: als ware het hunne taak hem van alle aardsche zorgen en beslommeringen te ontheffen. Hoe dit is geschied, en wanneer zich eigenlijk in Japan wettig de dubbele regeering heeft gevestigd, die wij er thans zien, is nog niet in alle bijzonderheden met zekerheid uit te maken. Evenwel kunnen wij ons vrij gemakkelijk de toedracht der zaak, in groote trekken, voorstellen. Naarmate uit het geslacht der Mikado’s de geestkracht van vroeger week, en deze keizers zich vergenoegden met in hun hof al de weelden en genietingen van hun hoogen rang te smaken, zonder de daaraan verbonden verplichtingen te vervullen; naarmate zij zich van hun volk en de werkelijke wereld terugtrokken, om zich, in het heilig halfdonker van hun paleis, door hunne hovelingen te laten aanbidden: naar die zelfde mate moest ook de klem der regeering, het eigenlijke gezag, in andere handen overgaan. En het was niet meer dan natuurlijk, dat een goed deel van dat gezag, naar gelang het aan de ontzenuwde handen van den priestervorst ontsnapte, overging in die van zijn Sjoogoen, zijn generalissimus. De Sjoogoens hebben tegenover de Mikado’s zoo ongeveer dezelfde rol gespeeld als de hofmeiers tegenover de laatste merovingische koningen: met dit onderscheid alleen, dat in Frankrijk het schaduwbeeld van een koning eindelijk ter zijde werd gezet, en hij die de macht had ook den rang en titel aannam; terwijl in Japan de Mikado, schoon in alles wat het staatsbestuur betreft volslagen machteloos, voor het uiterlijke in zijn rang werd gehandhaafd, en nog altijd als de eigenlijke keizer, de goddelijke souverein, wordt geëerd. Waarschijnlijk dankt hij dit wel voornamelijk aan zijn geestelijken rang, aan zijn gewijd karakter, als afstammeling en vertegenwoordiger der goden.

De eigenlijke grondlegger van de macht der Sjoogoens was Mina-moto Yoritomo, die in de tweede helft der twaalfde eeuw leefde. Yoritomo, uit een vorstelijk geslacht gesproten, werd aan het hof van Kioto opgevoed, en had daar ruimschoots gelegenheid op te merken, hoezeer de macht van den daïri was gedaald en uitgeput. De Mikado, in zijn serail opgesloten, hield zich met niets anders bezig dan met de intriges en kabalen van het hof. De hovelingen brachten hun tijd in ledigheid door, of gaven zich aan allerlei buitensporigheden over. De oude geslachten, die hetzij door bloedverwantschap, hetzij door huwelijk of erfelijken rang, met den persoon des keizers verbonden waren, trachtten op allerlei wijze van hunne positie voordeel te trekken en elkander in de gunst des meesters te verdringen. De daïmios, die ver van het hof in de provinciën leefden, ontsloegen zich telkens meer van hunne verplichtingen jegens de kroon. Sommigen streefden naar volstrekte oppermacht in het bestuur der keizerlijke leenen; anderen weder breidden met geweld hunne bezittingen uit, ten koste hunner naburen. Familie-oorlogen, veeten en gewelddadigheden van allerlei aard teisterden, jaren en jaren achtereen, de kasteelen en bezittingen der voornaamste japansche dynasten; wanorde en regeeringloosheid verwoestten het land. Yoritomo, wiens geslacht zelf veel in deze burgeroorlogen geleden had, verkreeg van den Mikado het opperbevel des legers en de meest uitgebreide volmacht, om de orde in het rijk te herstellen. Destijds had de Mikado, even als de adellijke grondheeren, geen ander leger dan de landweer, of wat in het feodale Europa genoemd werd, de landvolge. Zij die tot het dragen der wapenen verplicht waren, verschenen op het opontbod huns heeren in het veld, namen aan den krijgstocht deel, en keerden, na afloop daarvan, weder naar hunne woningen terug. Yoritomo schiep voor ’t eerst een staand leger, verbeterde de krijgstaktiek, onderwierp zijne soldaten aan een strenge tucht, en trachtte ze zooveel mogelijk los te maken van alle betrekkingen des burgerlijken levens.

Met behulp van deze nieuwe macht wist Yoritomo ten volle zijn doel te bereiken. Hij onderwierp de daïmios, die gepoogd hadden zich onafhankelijk te maken, en dwong hen, den eed van gehoorzaamheid aan hem, als stedehouder van den Mikado, af te leggen. Enkelen weigerden hem als zoodanig te erkennen: zij werden met hun gansche geslacht uitgeroeid en hunne goederen verbeurd verklaard. Aldus met de eene hand den adel bedwingende, wist hij met de andere de draden te grijpen van alle intriges, die den daïri in beweging brachten. Hij begon zijne loopbaan onder den zes-en-zeventigsten Mikado; hij eindigde ze onder den drie-en-tachtigsten. De keizers, die hem in den weg traden, moesten wijken en werden gedwongen afstand te doen; een hunner werd monnik en trok zich in een klooster terug. Eerst onder den twee-en-tachtigsten Mikado evenwel ontving Yoritomo officieel den titel van Sjoogoen, welke waardigheid hij metterdaad reeds sedert twintig jaar bekleedde. Bij zijn dood volgde zijn oudste zoon hem op.

Van toen af waren er in Japan twee hoven: dat van den Mikado te Kioto, en dat van den Sjoogoen, destijds te Kamakoera. Aanvankelijk echter was deze nieuwe macht niet erfelijk; zelfs gebeurde het dat de zonen der Mikado’s met de waardigheid van Sjoogoen werden bekleed. In plaats van zich te verontrusten over hetgeen misschien te Kamakoera voorviel of werd beraamd, vond het lichtzinnige hof van Kioto daarin veel meer eene onuitputtelijke stof voor zijne geestigheid en spotternij. Nu eens maakte men zich vroolijk over de groote airs der echtgenoote van den Sjoogoen, over den slechten smaak van de toiletten der dames van hare omgeving, de gemeene manieren der hofkomedianten, de onbeholpenheid der danseressen; dan weder werd er gespot met de bonte uniformen der soldaten, of met de platte spraak en manieren dezer nieuwbakken edellieden, die zich voordeden als de redders van het rijk en de herstellers van den theokratischen troon.

Maar welhaast kwam eene onvoorziene, ernstige gebeurtenis aan deze spotternijen een einde maken, en de blikken van het gansche volk op het hof van Kamakoera vestigen. In de twaalfde maand van het jaar 1268 zette een mongoolsch gezantschap in Japan voet aan wal. Het kwam uit naam van Koeblaï-Khan, den waardigen afstammeling der tartaarsche veroveraars, die twaalf jaren later geheel China zou onderwerpen, Peking tot zijne residentie maken en de stichter worden der dynastie van Yuen, onder welke het groote kanaal gegraven werd.—Koeblaï-Khan schreef aan den keizer van Nippon:

Daïmio in hofkostuum.
Daïmio in hofkostuum.

Daïmio in hofkostuum.

“Ik ben het hoofd van een rijk, voorheen zonder macht of beteekenis. Thans kan niemand de steden en landen tellen, die mijne heerschappij erkennen. Ik wensch in vriendschap te leven met de vorsten, wier staten aan de mijnen grenzen. Tot dusver is nog geen gezantschap van uwentwege tot mij gekomen. Ik vrees, dat men in uw land niet goed met den waren staat van zaken bekend is: daarom zend ik u dezen brief, door middel mijner gezanten, die u met mijne inzichten bekend zullen maken. Ik hoop dat wij elkander zullen verstaan. De wijze heeft gezegd, dat de geheele wereld slechts één gezin moest zijn. Maar hoe zal men daartoe geraken, indien de volken niet vriendschappelijk met elkander verkeeren? Ik voor mij ben vast besloten, dit beginsel in toepassing te brengen: zelfs al zou ik daartoe de toevlucht moeten nemen tot de wapenen. Het is nu aan den vorst van Nippon, om te beslissen wat hem te doen staat.”—

Men ziet het, deze Koeblaï-Khan zou niet onaardig figureeren als president van een congres onzer moderne kosmopolitische vredes- en humaniteitsapostelen! Wat een idyllisch denkbeeld: alle menschen één gezin: en het hoofd van dat gezin zal natuurlijk Koeblaï-Khan zelf wezen! Wie zou het ook anders zijn?

De Mikado scheen wel geneigd aan deze broederlijke vermaningen van Koeblaï-Khan gehoor te geven, maar de Sjoogoen was gelukkig verstandiger en verwierp ieder denkbeeld van bondgenootschap met de mongoolsche horden. Hij belegde te Kamakoera eene vergadering der daïmios, deelde hun zijne bezwaren mede en wist ze tot zijne zienswijze over te halen. Het gezantschap werd met een ontwijkend antwoord weggezonden. Het volgende jaar sloeg het mongoolsche opperhoofd eene samenkomst van wederzijdsche gezanten voor op het eiland Tsoetsima, in de straat van Korea: ook dit werd geweigerd. In 1271 kwam er weder een brief van hem: er volgde geen antwoord. In 1273 eindelijk zond hij nogmaals twee gezanten naar Kamakoera: de Sjoogoen liet ze het land uitzetten.

Nu zoo duidelijk de onwil der vorsten van Nippon gebleken was, om vrijwillig in het groote gezin te treden, was Koeblaï-Khan wel verplicht de verblinden te dwingen om deel te nemen aan de hun bereide zaligheid. Welhaast verspreidde zich dan ook de mare, dat twee mongoolsche veldheeren op weg waren naar Japan, met eene vloot van driehonderd groote oorlogsjonken, driehonderd kleinere zeilschepen en driehonderd transportschepen. De Mikado schreef openbare gebeden uit, en beval processiën naar de voornaamste kami-tempels. Middelerwijl zorgde de Sjoogoen voor de verdediging des lands, en, dank zij zijne krachtige maatregelen, werden de Mongolen op alle punten waar zij eene landing beproefden, terug geslagen. Vergeefs poogde hun Khan de onderhandelingen te hervatten: twee afgezanten, die hij in 1275 naar den Sjoogoen zond, werden onmiddellijk weggejaagd; een derde, die het vier jaren later nog eens beproefde, werd onthoofd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings