Noten van den Schrijver.1
M. P. (Mark Prager) Lindo translation
Noten van den Schrijver.1
Noot A., Bladz. 7: Over het verminken der honden.
De jachtwetten, in deze tijden van onderdrukking, gaven tot zeer gevoelige grieven aanleiding. Deze harde wetten waren een gevolg van de Normandische verovering, want de Saksische jachtwetten waren vrijzinnig en menschlievend, terwijl die door Willem ingevoerd, die met de jacht dweepte en alle jachtrechten streng handhaafde, in alle opzichten tyranniek waren. De planting, of liever de inrichting van het New Forest (in Hampshire,) getuigt van zijn liefde tot de jacht, daar menig schoon dorp verwoest werd, om het jachtgebied te vergrooten.
Het verminken der herdershonden, om ze te verhinderen het grof wild na te loopen, noemde men lawing, en was in algemeen gebruik.
Het reglement voor het behoud van het New Forest bepaalt, dat het onderzoek, of de bezichtiging der honden tot dit doel, om het derde jaar plaats zal hebben door gekwalificeerde personen, en niet anders, en dat diegenen wiens honden niet behoorlijk aan de pooten verminkt zijn, een geldboete van drie shillings betalen zullen, maar dat, voor het vervolg, niemands os wegens het overtreden van dezen regel in beslag zal genomen worden. Het verminken zal op de gebruikelijke wijze moeten geschieden, dat is, drie klauwen aan den buitenkant van den rechtervoorpoot zullen afgesneden worden.
Men zie verder over dit onderwerp “Een Historische Verhandeling” over de Magna Charta van Koning Jan, door Richard Thomson.—
Noot B., Bladz. 14: Over de Negerslaven.
Eenige strenge beoordeelaren hebben geklaagd over de kleur van Brian De Bois-Guilbert’s slaven, als geheel en al in strijd met den tijd en met de waarschijnlijkheid. Ik herinner mij, dat men dezelfde zwarigheden maakte tegen eenige zwarte dienaren, welke mijn vriend de schrijver Mathew Lewis laat optreden, als wachters en onheilstichtende trawanten van den boosaardigen Baron in zijn “Spook van het Kasteel.” Lewis behandelde deze afkeuring met de meeste minachting, en beweerde, dat hij de slaven zwart gemaakt had, ten einde een treffend contrast te krijgen, en als hij dezelfde uitwerking had kunnen verkrijgen door zijn heldin blauw te maken, hij haar ook blauw zou voorgesteld hebben.
Ik eisch niet dat men de licentia poetica zóó ver gedreven, goed zou keuren; maar ik kan toch niet toegeven, dat de schrijver van een modern-antieken roman verplicht is zich stiptelijk te bepalen tot de schildering alleen van die gebruiken, welke als bewezen aangenomen worden voor de tijden die hij schetst—als hij zich maar tot de natuurlijke en waarschijnlijke bepaalt en geen anachronismen begaat die hinderlijk zijn.—Uit dit oogpunt beschouwd, wat zou er dan natuurlijker zijn, dan dat de Tempeliers,—die, zooals wij wel weten, de weelderigheid der Aziatische krijgslieden, met wie ze kampten, navolgden,—de diensten zouden gebruiken der Afrikaansche slaven, welke de wisselvalligheden van den oorlog in hun handen leverden? Ik ben overtuigd, dat als er geen bepaalde bewijzen hiervoor bestaan, er toch aan den anderen kant niets gevonden wordt om ons te doen besluiten, dat zulks in het geheel niet gebeurde. Bovendien vindt men er een voorbeeld van in de romances uit dien tijd.
Noot C., Bladz. 45: Over de taal der jagers.
De jachttaal werd door de Normandiërs streng afgescheiden van die van het dagelijksch leven. Het wild, hetzij vogel of viervoetig dier, veranderde elk jaar van naam en er waren honderderlei bijzondere spreekwijzen, welker kennis een gedeelte eener goede opvoeding uitmaakte. Er bestaat een boek door Juliana Berners over dat onderwerp geschreven. De oorsprong dezer wetenschap werd aan den beroemden ridder Tristram toegeschreven, bekend wegens zijn liefde tot de ongelukkige Ysolte. Daar de Normandiërs het vermaak van de jacht voor zich zelven alleen behielden, is het natuurlijk dat deze jachttaal geheel uit het Fransch ontstaan is.
Noot D., Bladz. 175: Over de minnezangers.
Het is bekend, dat oudtijds Frankrijk, wat de taal betreft, in het land van Oui en het land van Oc verdeeld werd; men noemde de zangers in de eerste taal Menestrels en hun liederen Lais; in de andere taal heetten zij Troubadours en hun gedichten werden Sirventes genoemd. Richard, een bekende bewonderaar der zangkunst, kon òf een Lai òf een Sirvente voordragen. Het is minder waarschijnlijk, dat hij een Engelsche ballade dichten of voordragen kon; evenwel zal de wensch, welke den schrijver bezielde, om Leeuwenhart geheel en al te vereenzelvigen met de krijgslieden, die hij aanvoerde, deze anachronisme, indien ze bestaat, gereedelijk doen vergeven.
Noot E., Bladz. 210: Over den slag van Stamford.
De schrijver moet bekennen, een grove topographische vergissing gemaakt te hebben, in de noot aan den voet van bladz. 210, door te veel op zijn geheugen te vertrouwen en twee plaatsen van denzelfden naam met elkander te verwarren. Het plaatsje Stamford, Strengford, of Stanford, waar de slag voorviel, is aan de rivier Derwent, ongeveer zeven Eng. mijlen van York gelegen. De vergissing van den schrijver werd hem beleefdelijk aangewezen door den Heer Robert Bell. De slag, welks gebeurtenissen overigens nauwkeurig verhaald zijn in den tekst en de noot er onder, had plaats in het jaar 1066.—
Noot F., Bladz. 220: Over de rijen ijzeren staven, boven de gloeiende houtskool.
Deze verschrikkelijke marteling zal den lezer herinneren aan de wreedheid door de Spanjaarden op Guatimozin uitgeoefend, om hem te dwingen zijn verborgene schatten te ontdekken. Maar een voorbeeld van dergelijke barbaarschheid wordt in Engeland zelf gevonden, in den tijd van Koningin Maria; en Bannatyne, de secretaris van Knox, verhaalt breedvoerig een dergelijke marteling door den Graaf van Cassilis op zekeren Allan Stewart uitgeoefend, die een koninklijke schenking van kerkelijke landerijen gekregen had, waarop de Graaf zich verbeeldde een beter recht te hebben.
Het blijkt ook uit papieren in het bezit van den Schrijver, dat de grenswachters (Country Keepers) tusschen Engeland en Schotland, gewoon waren de gevangenen te martelen, door hen aan de ijzeren staven hunner schoorsteenen vast te binden, om hun een bekentenis hunner misdaden af te dwingen.
Noot G., Bladz. 297: Het Wapen van den Zwarten Ridder.
Men heeft den Schrijver verweten, dat hij zich vergist had, door metaal op metaal in dit wapenschild te plaatsen. Men moet echter niet vergeten, dat de wapenkunde eerst in de Kruistochten ontstaan is, en dat al de minutiae van deze fantastische wetenschap slechts langzamerhand en veel later ingevoerd werden. Hij, die anders hierover denkt, moet zich verbeelden, dat de Godin der wapenkundigen in de wereld kwam van top tot teen met de bonte sieraden der wetenschap, welke zij beschermt, behangen. Ter bevestiging van het gezegde dient, dat Godfried van Bouillon, na de verovering van Jeruzalem, een wapen voerde, waarin ook metaal op metaal prijkte. Men zie hierover Ferne’s Blazon of the Gentry, Ed. 1586, p. 238, en Nisbets Heraldry 2e Ed. dl. 1 p. 113.
Noot H., Bladz. 330: Over Ulrica’s lied.
De oudheidkundige zal duidelijk begrijpen, dat deze verzen navolging zijn van de oude poëzie der Skalden, de zangers der Scandinaviërs.
De poëzie der Angel-Saksers, na hun beschaving en godsdienstige bekeering was van een geheel anderen, zachteren aard; maar in de omstandigheden van Ulrica, is het niet onnatuurlijk te veronderstellen, dat zij zich de woeste zangen herinnerde, welke haar voorouders bezielden in den tijd van het Heidendom en van hun onverminderde woestheid.
Noot I., Bladz. 345: Over Richard Leeuwenhart.
Deze vechtpartij tusschen Richard en den vroolijken priester is niet strijdig met zijn karakter, als hij in de romances goed begrepen wordt. In een zeer merkwaardige romance over zijn avonturen in het Heilige Land wordt een dergelijke gebeurtenis, die gedurende zijn gevangenschap in Duitschland voorviel, vermeld. Zie Ellis, Specimens of English Romances.—Coeur-de-Lion.
Noot K., Bladz. 357: Over de verloopen Priesters.
Het is merkwaardig te zien, dat in alle maatschappijen eenige soort van geestelijke troost gezocht wordt, door die menschen, die zich tot doelen vereenigen, welke lijnrecht in strijd zijn met den godsdienst. Een bende bedelaars heeft hun Patrico, en de roovers der Apenijnen hebben personen bij zich, welke de rol van priesters en monniken vervullen. Het is ontegenzeggelijk, dat zulke eerwaarde heeren hun zeden en gebruiken wijzigden naar hun omgeving, en zoo zij wel eens geëerbiedigd werden wegens hun geestelijke gaven, werden zij toch meestal ook onbarmhartig bespot, als volstrekt in tegenstelling met alles, waarmede zij omgingen.
Een der vroegere bisschoppen van Durham heeft een geschrift uitgevaardigd tegen zulke verloopen priesters, die zich met de roovers vereenigd hadden op de grenzen van Engeland en Schotland.
