GEKETEND.
Reading edition
I.
De Ardjoeno zetelt in zijn purperen mantel, goudgekroond door de dalende avondzon, omstuwd door zijn vasallen, de zachtglooiende heuvelrijen. Geen zuchtje, geen koeltje komt hem beroeren: Eölus heeft zich verscholen in het dichtst van het woud, waar hij stoeit met de bamboesstruiken, uitrust te midden der boschbloempjes op het geurig mos.
Plotseling wordt hij gestoord in zijn zoete spelen: bloemen en struiken trillen onder een ratelenden donderslag, bliksemflitsen verlichten het door hem verkozen plekje, de witte kelkjes die daar straks luisterend bogen en vriendelijk knikten, verschuilen zich verschrikt; de vogelen, die bij het vroolijk mingekoos hun liefdezang aanhieven, zwijgen, en ’t is vergeefs als hij de wuivende bloemtrossen nasnelt, om ze nog een laatsten kus te ontrooven.
Woedend over die stoornis schiet hij zijn vleugelen aan en snelt heen in dolle vaart; langs de sawahs, die nederig haar smaragdgroene hoofden buigen, langs de bosschen, die kermend genade vragen voor hun bladerdos, langs den bergstroom, die toornt en zijn golven ten strijde roept met klaterend geweld——
Daar wordt hij gestuit in zijn vaart.… ’t is aan den voet van den Ardjoeno; de fiere, de onveranderlijke, die koel blijft neêrzien op het rumoer rondom hem. Maar met woester kracht verheft zich de storm. De wolken, straks blauw en vriendelijk als kinderoogen, zijn nu dreigend als de blik eens moordenaars; ze leggen zich rondom het trotsche berggevaarte, ze verduisteren de lichtende punten; ze strijken neer op de zacht groene oasen, ze omhullen de vriendelijke huisjes aan zijn voet; ze stijgen steeds hooger, zich slingerend om de breede heupen, de fiere borst omklemmend.
Weldra ligt het goud van Ardjoeno’s kroon verstrooid, het purper van zijn mantel verscheurd; de vorst der bergen is een vormloozen klomp gelijk geworden.
Nu—brullend en gierend juicht Eölus in zijn zegepraal, de bliksem speelt en woelt en flikkert door het somber rouwkleed, een dof gloeiend roodkleurig wolkgevaarte daalt af op den hooggeheven kruin en de Ardjoeno staat in licht laaie vlam.
Vanuit de gesloten vensters der administrateurswoning, zoo schilderachtig gelegen aan den voet van den berg, slaan een paar ernstige, droomerige oogen het heerlijke natuurtooneel gade en het is een verzuchting meer dan een uitroep, die eindelijk wordt gehoord: „God, hoe prachtig! En te moeten gelooven, dat ik het weldra voor het laatst zien zal.…”
„Wat zijn dat voor sombere gedachten?” vraagt een vriendelijke stem, niet geheel vrij van den tongval, die het inlandsch kind verraadt.
„Onno?!” roept de zieke, terwijl hij zich verheugd opheft in de kussens en den vriend de hand toesteekt. „Ik heb je niet hooren aankomen.”
„Geen wonder met het helsch lawaai, dat het loeien van den wind maakt. En daarenboven, ik ben achter ingereden.”
„Maar,” vraagt de zieke weer, „hoe zie ik je nu reeds terug? Ik dacht dat je minstens een dag of acht op Soerabaia zoudt blijven?”
„Ja, dat had ik je gezegd.… Het is goed, dat ik terugkwam, niet waar? Je bent er niet op vooruitgegaan in de laatste drie dagen, Henri!”
„Neen!” antwoordt deze met een diepen zucht.… „achteruit! altijd door achteruit! Ik heb weer een aanval gehad; vreeselijke benauwdheden, uren lang.…”
„Kort na mijn vertrek?”
„Den volgenden dag.”
„Je ligt niet gemakkelijk,” zegt Onno en schikt de kussens terecht en spreidt den plaid over de vermagerde beenen; dan wendt hij het bezorgd gelaat af en beiden staren zwijgend naar het natuurtooneel vóór hen.
Grooter tegenstelling dan tusschen de twee mannen, die daar naast elkander gezeten zijn, is niet licht denkbaar.
In den zacht kwijnenden blik van den zieke weerkaatst zich diep gevoel; in de gitzwarte oogen van den nieuw aangekomene gloeit een somber vuur; als Henri een oogenblik zonder pijn is, speelt er een vriendelijke trek om zijn lippen; Onno’s vastgesloten mond schijnt niet te kunnen glimlachen; het gelaat, omkransd met de weelderige blonde lokken, is, hoewel vervallen, edel van vorm en uitdrukking; dat van den bleeken man met de raafzwarte, sluike haren, is niet goed om aan te zien; er moet bitterheid hebben gewoond in zijn hart; er moeten booze gedachten zijn gegaan door zijn brein vóór die trekken zóó scherp, die rimpels zóó diep werden.
Niettegenstaande dit zijn die beiden vrienden.
De band, die hen vereent, moge niet de schoonste, en hechtste zijn: de vriendschap die ontstaat uit de overeenstemming der zielen; toch hebben ze elkaar hartelijk liefgekregen, Henri terwijl hij edelmoedig weldaden bewees, Onno, terwijl hij ze dankbaar ontving.
„Ik kom met een mooi plannetje,” begint deze eindelijk. „Ik ben niet zooals je dacht naar Soerabaia geweest, maar naar Malang, naar mijn ouden vriend, den dokter. We hebben in het breede over je ziekte en haar raadselachtige verschijnselen gesproken en hij beveelt ten spoedigste verandering van lucht aan. Je weet, dokter Banck is van dezelfde opinie en dus heb ik maar eens heel eigenmachtig gehandeld en plaats besproken in het hôtel: twee ruime kamers met een voorgalerij en het uitzicht op de bergen. Als je het goed vondt, wou ik je voorstellen er morgen reeds heen te gaan. Er valt hier op de onderneming vooreerst niets te doen, waarbij we niet beiden gemist kunnen worden; het logement te Malang is uitmuntend ingericht, het eten goed en het klimaat verrukkelijk.… nu, wat zeg je er van?”
„Dank voor je zorg. Maar.… de kinderen! We kunnen ze niet meenemen en het zal me hard vallen van hen te scheiden.… Wie weet hoe kort ik nog bij hen ben?”
„Juist om de kinderen, juist in het belang van je meisjes moet je ieder middel tot herstel aangrijpen. ’t Is nu geen tijd meer om te aarzelen.… Waarom elkaar iets wijs te maken?.… Henri, je ziekte is ernstig, hoog ernstig; ’t is langzamerhand een strijd geworden op leven en dood.”
Een plotselinge bleekheid bedekt het vermagerd gelaat. Henri drukt beide handen tegen het hart, dat zoo onwillig slaat bij de gedachte aan sterven; dan spreekt hij schor en klankloos: „’t Is goed; ik zal het doen.”
„Waar zijn ze, de nonnetjes? Ik heb prachtige poppen meegebracht!”
„In de achtergalerij, geloof ik. Wil je, als je toch weggaat, het even aan Marie zeggen. Ze moet zorgen, dat mijn goed wordt ingepakt.”————
Een uur later, als Henri zijn versterkend soepje heeft gebruikt, als de kinderen verdwenen zijn, legt de zieke zich weder op den divan, waarnaast Onno’s leunstoel staat, en weldra vervallen de vrienden in den vertrouwelijken toon, dien de heeren nooit beter weten aan te slaan, dan gehuld in de blauwe wolkjes hunner havanna.
„Wat zou ik gelukkig zijn!” roept Onno, nadat ze hun reisplan gemaakt en breedvoerig besproken hebben, „wat zou ik gelukkig zijn als dit uitstapje eens het gewenschte resultaat had.…”
„En ik dan!” zucht Henri. „Ik heb het nooit zoo geloofd, nooit zoo begrepen, maar.… God! het valt hard van het leven te scheiden! Toch, ’t is niet om mijzelf alleen; ’t is allermeest om de kinderen. Mijn arme meisjes.… voor háár zou mijn dood een verschrikkelijke slag zijn.… En als ik nu nog maar beter gezorgd had voor mijn lievelingen.…”
„Maar je hebt immers gedaan wat in je vermogen was.”
„Neen, dat is het juist wat ik me verwijt. Ik had mijn eerste plan moeten volgen, ze veel eer uit deze omgeving moeten verwijderen; ik had ze een jaar geleden moeten wegbrengen naar Europa.”
„Neen, dat kon je niet, dat zou dwaasheid geweest zijn. Wie geeft, als hij dertig jaar is, een lucratieve betrekking, een zekere toekomst op?”
„’t Zou dwaasheid geweest zijn. En toch geloof ik dat ik er toe gekomen was als Marie zich ons aanstaand vertrek niet zoo had aangetrokken. Ja, ik weet Onno, je gelooft niet aan gevoel bij inlandsche vrouwen, maar je zoudt medelijden gehad hebben met de arme ziel;.… ik ten minste had den moed niet haar de kinderen toen reeds te ontnemen.”
Onno lacht een bitteren lach; dan spreekt hij langzaam: „’t Valt me, door ondervinding geleerd, altijd eenigszins moeilijk te gelooven aan de teedere aandoeningen van javaansche moeders. Maar het kan zijn, dat Marie een uitzondering maakt op den regel.”
„Je vergeet dat ze niet geheel een javaansche is. Ze heeft, al is het dan ook bitter weinig, europeesch bloed in de aderen en daarenboven, zooals haar vader me heel fier verzekerde toen hij haar aan mij afstond: ze is Christin! Ze kan wat lezen en schrijven en in de acht jaar, die ze bij me was, heeft ze vrij aardig hollandsch leeren spreken.”
„En—dat alles in aanmerking genomen, verbeeldt ze zich dat het niet meer dan recht en billijk zijn zou, zoo ze mettertijd mevrouw Reijkman werd,” zegt Onno.
Een pijnlijke blos verft Henri’s bleeke wangen rood.
„Dat nooit!” roept hij uit. „O neen, nooit!”
„Je hebt haar daar immers ook geen hoop op gegeven?”
„Wat zal ik je zeggen, Onno? Toen ik nog dacht dat ik hier een vrouw naar mijn smaak zou vinden, was het me een raadsel hoe zooveel Europeanen met een inlandsche huishoudster leven, ja, daarmee, zoo niet gelukkig, ten minste tevreden konden zijn. Zelfs toen ik er eindelijk door de omstandigheden zelf toe gebracht werd, was en bleef Marie niets anders voor me dan een noodzakelijk kwaad. Nadat de kinderen geboren waren, is dat eenigszins veranderd. Zij was goed voor hen; ze heeft ze altijd uitmuntend verzorgd, trouw opgepast.…”
„Zie je, dat is de macht van die schepsels, wijl ze moeder zijn,” roept Onno wrevelig uit.
„Ja, ook alleen om de kinderen, alleen dat het me vreeselijk hindert, dat ze als het ware gebrandmerkt zijn door die onechte geboorte, is de gedachte aan een huwelijk wel eens bij me opgekomen. De kracht der samenwoning is anders niet groot gebleken. Marie staat te laag, ook in zedelijken zin, dat ik ooit genegenheid voor haar kon opvatten, en in den laatsten tijd heb ik zelfs iets tegen haar gekregen. Haar tegenwoordigheid maakt me kregel, onrustig!.… ’t is natuurlijk een gevolg van mijn ziekelijken toestand, maar er zijn oogenblikken waarin het me een verlossing schijnt als ze de kamer verlaat.”
„Ze was er sterk tegen, dat je naar Europa gingt?” vraagt Onno na eene lange stilte.
„Natuurlijk! Ze was letterlijk wanhopig toen ik verleden jaar het plan maakte en ik moest het toen opgeven. Zooals je weet heb ik deze keer tot het laatst gewacht met haar iets van het voorgenomen vertrek te zeggen.… mijn God, wat is het mensch te keer gegaan, toen ze het ontdekte;.… ik dacht dat ze krankzinnig worden zou.…”
„Vreemd hoe, toen ze zag dat al haar dreigen en schreeuwen niets hielp, ze op eens zich zoo kalm in haar lot heeft geschikt!” merkt Onno nu schijnbaar onverschillig op.
„Neen, niet vreemd! Zoo zijn die wezens. Ze gevoelen heftig maar niet diep; daarom duren die hartstochtelijke scènes nooit lang,” antwoordt Henri argeloos.
„Je zoudt er je dan ook niet aan gestoord hebben!”
„O neen! Als ik toen niet op eens zoo ziek geworden was, dan was ik nu reeds in Holland; dan waren Edith en Nora reeds veilig.”
„Nu, maak je daar niet ongerust over, Henri. Je hebt me tot hun voogd benoemd; je hebt me het recht gegeven om voor haar te zorgen.… ze zijn, ook als het ergste gebeuren mocht, goed bewaard.”
„Dat weet ik,” zegt Henri, terwijl hij zijn vriend de hand reikt, „dat weet ik!”
„Maar de gedachte kwelt je toch nog.…?”
„’t Is dat ze vroeg of laat zullen begrijpen aan welke verhouding ze haar bestaan te danken hebben! Lag haar toekomst in Indië, dan zouden ze rondom zich toestanden zien, die haar met het denkbeeld vertrouwd maken, zoo niet daarmeê verzoenen konden. Maar, zooals je weet, mijn wensch is niet alleen, dat ze naar Holland gaan, maar ook dat ze in Holland blijven. Och, ik had me zooveel illusies gemaakt omtrent die kinderen. Ik had vooral Edith, mijn fijn gevoelende, ernstige Edith, zoo gaarne gevormd naar het ideaal, dat me altijd is bijgebleven, het beeld mijner moeder. Maar daartoe was allereerst een andere omgeving noodig.…”
„Dat je familie zich nu ook de arme meisjes niet wil aantrekken!” zegt Onno met een zucht.
„Ja, als mama nog leefde! Zij zou ze niet verstooten hebben. Voor haar waren het geen bastaards, voor haar waren het mijn kinderen. Maar de anderen,” en de blauwe oogen schieten vonken, „de anderen.… papa negeert eenvoudig haar bestaan; mijn broêr noemt ze bij voorkeur de „vruchten eener ongeoorloofde liefde” of „de kinderen der schande”, mijn zusters durven slechts uit de verte op haar zinspelen.”
„Die huichelaars!”
„Och neen, het is geen huichelarij! Ze gelooven wat ze zeggen: al hun oudhollandsche deftigheid, al hun stijve orthodoxie, al hun met de moedermelk ingezogen vooroordeelen, komen op tegen het bestaan van een wezen, dat de ambtenaar van den burgerlijken stand niet eerst permissie gaf ter wereld te komen!”
„Nu, die ezels dan! Die ezels die zich geen oogenblik van den sleur losrukken, die zich niet één enkele maal uit het hollandsch slib opheffen kunnen, om zich te verplaatsen in een oostersch land met oostersche zeden en oostersche temperamenten vooral! Maar zeg niet dat ze het niet kunnen! Of zouden ze anders met zooveel stichting lezen van Jacob, die Rachel tot zich neemt, en Lea èn Bilha èn Zilpa of hoe ze heeten mogen; zouden ze anders Abraham met zijn Hagar een man Gods en Salomo met zijn duizend vrouwen een wijsgeer noemen? Neen, ze willen alleen niet, waar het hun broeders en vrienden geldt. Of is het klimaat niet hetzelfde gebleven? zijn mannen en vrouwen veranderd sinds Salomo?”
„Laten wij ons niet aan hetzelfde euvel schuldig maken,” zegt Henri kalm, „maar rekening houden met het land waarin ze leven, de begrippen waarin ze werden opgevoed.”
„Ik wil geen rekening daarmee houden!” roept Onno, „ik wil rekening houden met menschelijkheid en met niets anders dan menschelijkheid! De vraag is niet in welk land ze wonen, in welke begrippen ze werden opgevoed, de vraag is of het menschelijk kan heeten om een arm kind, dat niets misdaan heeft, levenslang te laten boeten voor een misdaad door zijn vader gepleegd, een misdaad, die nog daarenboven voor het wetboek der natuur denkbeeldig is! Rekening houden met de heerschende begrippen! Dat heeft mijn moeder gedaan, toen ze haar heer en kind verliet om een die rijker was te volgen; dat heeft mijn vader gedaan, toen hij een hollandsch meisje trouwde en haar verzweeg, dat hij er ook nog zoo iets op nahield als een vóórzoon … Rekening houden met de heerschende begrippen! Dat deed ook mijn stiefmoeder, toen ze me mishandelde en uithongerde en vervolgde, tot ik het ouderlijk huis ontvluchten moest.… Er is maar één geweest, die geen rekening hield met de heerschende begrippen, een, die niet vroeg of mijn vel bruin, mijn geboorte echt was, maar den armen verstooteling tot zich nam, voedde, kleedde.… en tot zijn vriend maakte.”
Het toornig gelaat heeft een zachter uitdrukking aangenomen, de vochtige oogen zien naar Henri op met de dankbaarheid van een trouwen hond.
„Flauwe kerel!” roept deze, „je hebt altijd veel te veel ophef gemaakt van die kleinigheid.”
„Kleinigheid?” herhaalt Onno. „En toch.… ja! ik geloof dat sommigen van die gelukkigen, die levenslang liefde en medelijden ondervonden hebben, ja ’t is mogelijk dat die het beschouwd hadden als een kleinigheid! Maar Henri, voor mij was het de eerste maal—God is mijn getuige—de eerste maal in mijn treurig leven, dat iemand me anders dan met smaad en minachting behandelde. En daarom—neen Henri, het was geen kleinigheid, een diep vernederde zijn gevoel van eigenwaarde, een wanhopende den moed weer te geven!”
„Nu, laten we er niet meer over praten. Je vergeet dat morgen om zeven uur de reiswagen voorkomt …”
„En je bent moe? Ik hoop maar dat ik je niet heb opgewonden door mijn gebabbel?”
„Neen, ik moet toch chloraal nemen. Ah! daar is Marie al.… zij zal me wel verder helpen. Tot morgen dan!”
„Tot morgen!”
II.
„Tot morgen!”
Als het morgen wordt, als de Ardjoeno uit de nevelen verrijst, gekleurd met zachtblozende tinten, gehuld in zilverwitte wolken, ligt Henri Reijkman ten prooi aan de vreeselijke toevallen die elken nieuwen aanval zijner kwaal vergezellen.…
De wagen wordt afgespannen en niemand spreekt nu van de reis naar Malang, ieder denkt met huivering aan de groote reis, die hij weldra zal aanvaarden.
Drie doctoren verschijnen beurtelings of gezamenlijk aan de lijdenssponde; ze slaan de duldelooze pijnen, de heftige krampen gade en geven verdoovende middelen; ze verbazen zich over een lichaamskracht, die zoo lang weerstand biedt aan sluipkoortsen; ze laten zich bedriegen door korte vleugjes van herstel, die ze voor werkelijke beterschap houden; ze staan regelrecht tegenover elkaar in hun opinie omtrent de ziekte en lachen grimmig over elkanders vergissingen, maar eindelijk,—na vier weken weifelen en raden—zijn allen het eens op één punt: er is geen hoop meer!
Edith en Nora, die eenmaal zoo gaarne vertoefden in papa’s kamer, ontvluchten het kermen en steunen; jeugd kan zich niet verdragen met lijden; de trouwe Arsan, uitgeput van vermoeienis, heeft verlof gevraagd om in de kampong uit te rusten; Marie, bleek en vermagerd, met holle oogen en akelig strakke trekken, spant haar laatste krachten in om den zieke niet alleen te laten, maar wordt telkens half bewusteloos weggedragen.
Alleen Onno zit nog op zijn oude plek; hij laat zich niet verdrijven. Bij het krieken van den morgen, in de brandende middaghitte, onder het vallen van de schemering, ja, in het holst van den nacht, gevoelt Marie—wier zorg en waakzaamheid, volgens het algemeen oordeel, voorbeeldig zijn—dat twee oogen, die steken als dolken, haar volgen waarheen ze gaat; soms, als ze het waagt die oogen te ontmoeten, vaart haar een koude rilling door de leden als bij naderend gevaar.
Enkele malen op het oogenblik dat ze den zieke de voorgeschreven medicijn wil toedienen, ontrukt zijn vriend haar flesch en glas; soms ook, als ze haar heer verzorgt met de fijne zachte handen, voelt ze zich ruw teruggestooten door dien anderen bewaker; eenmaal, toen ze zich alleen waande en Reijkman toesprak met lieve namen, klonk er een schaterende lach door het vertrek.
Marie heeft Henri’s vriend altijd gewantrouwd, altijd gehaat, maar nu is ze voor hem vervuld van een doodelijken angst; daarom juicht ze als hij eindelijk gedwongen wordt zijn post te verlaten, als ze hoort hoe hij den zieke vertelt dat dringende zaken hem naar Passoeroean roepen, dat hij nog heden vertrekken moet.
„Je komt immers terug; heel spoedig, vóór het te laat is.…” fluistert de schorre, zwakke stem.
„Wees gerust, Henri,” hoort Marie hem zeggen, „ik zal bij je zijn wanneer je me noodig hebt!” Maar ze hoort niet wat hij dan zijn vriend toefluistert: „Ik ga niet ver weg.”
Het uur nadert, waarin de slangen en adders zich op het pad begeven, het uur dat de wilde varkens afwachten om het woud te verlaten en hun verwoestingen aan te richten in de riettuinen; het uur waarin de ketjoes elkaar het geheimzinnig teeken geven, dat ze gereed zijn voor een nachtelijken tocht.
Op de breede, goed onderhouden wegen, die Soeka-madjoe omgeven, is het nog licht; maar tusschen het dicht geboomte kan men de smalle paadjes ter nauwernood herkennen.
Toch schrijdt een vrouw daar voort, langzaam en bedaard, als had ze niets te vreezen, als ging ze voor louter genoegen een avondwandeling maken.
Straks echter, als ze aan het eind is van de breede laan, die van de administrateurswoning naar de fabriek leidt, straks, als de smallere paden achter haar liggen, die van de fabriek naar talrijke kleine gebouwen voeren, ziet ze spiedend rondom zich; dan, zeker dat geen nieuwsgierig oog haar volgt, bukt ze haastig, neemt de goudgehakte slofjes van de bloote voeten, doet de fraaie overkabaia af en verbergt ze te zamen onder het dichte loof van eenig kreupelhout.
Ze slaat den zijden slendang om het hoofd, zoodat van haar gelaat weinig zichtbaar blijft en nu ziet ze er in haar sitzen kabaia en rooden sarong uit als een gewone javaansche vrouw.… toch kan ze geen gewone javaansche zijn; aan de hand, waarmee ze den slendang vasthoudt, schittert een kostbaar juweel.
Dan verhaast ze haar tred, meer en meer, steeds meer! tot ze voortrent als een gejaagd hert, de eene steilte op, de andere af; nu eens langs den boschkant, dan weer op de smalle dijkjes der sawahs, soms ook wadend door ondiepe slootjes of springend over hoekige steenen.
Eindelijk geheel buiten adem, staat ze stil.
’t Is voor een klein, net huis, zooals het de inlandsche kinderen bij voorkeur bewonen; met een tuintje er vóór en bloemen in bontgekleurde petroleumblikken langs de perken; met smalle vensters en daarachter witte gordijnen, schuin opgenomen door kleurige strikken; de weinige ruimte, die het houten gebouwtje aanbiedt, geheel ingenomen door meubelen, waarvan de eigenaardigheid daarin bestaat, dat geen enkel stuk gelijkt op het andere.
Op haar zacht kloppen komt de bewoner naar buiten.
Hij is nog jong in jaren, maar toch is er iets oudsch, iets vermoeids in het vervallen gelaat dat slechts spreekt van het dierlijke in den mensch; toch behoeft men die gebogen gestalte op de wankelende, dunne beenen, slechts even aan te zien om te weten welke der goden door hem het ijverigst gediend wordt.
„Goeden avond, Marie!”
Met een gebiedende beweging legt ze hem het zwijgen op.
„Er is niemand,” fluistert hij, „ik ben alleen.”
Maar toch is ze nog niet geheel gerustgesteld. Ze werpt een onderzoekenden blik in de beide ledige kamers; dan speurt ze angstig rond of ze niet gevolgd werd misschien; eerst als ze zeker is dat geen levend wezen zich in hun nabijheid bevindt, trekt ze haar broeder met zich mede naar binnen en zet zich naast hem op de bank.
Een geluid van fluisterende stemmen dringt naar buiten door. Langzamerhand verheffen ze zich … het gesprek, in gebroken hollandsch begonnen, wordt in vloeiend maleisch voortgezet; eindelijk klinkt Marie’s toon schel en gebiedend.… ze opent de deur en, zonder haar broeder te groeten, neemt ze den terugtocht aan.
Maar hij bemerkt dit ter nauwernood; hij lacht en grinnikt als iemand die een goeden koop heeft gesloten; hij ziet zijn zuster na met een zonderlingen blik, terwijl ze daarhenen snelt, den slendang om het hoofd geslagen.… aan de hand waarmede ze dien slendang vasthoudt, ontbreekt het kostbaar juweel.
Alles zwijgt rondom den Ardjoeno.
Eerst hield het geklop der rijstblokken op in de kampong, toen klonken de slagen van den gong luider in de toenemende stilte; het gegons der stemmen werd zwakker en zwakker, tot het eindelijk geheel wegstierf; het eentonig gezang van een teeder minnaar trilde nog op de koelte. Een nachtvogel krijschte; de bladeren op den grond ritselden als een kruipend gedierte daaronder wegschool.… toen werd ook zelfs het ritselen der bladeren niet meer gehoord.
De vriendelijke fee, die in oostersche nachten haar tooverstaf zwaait, treedt nu van achter de blauwe wolken te voorschijn. Ze gluurt door het dichte loof der bosschen; dan zweeft ze over de velden, stoeiend met de wuivende pluimen der maïsstruiken, met de zacht gebogen kopjes der padihalmen; straks blijft ze een oogenblik leunen tegen de glooiing der heuvelrijen om dan te gaan dwalen in de sluimerende kampong.
Dáár herschept ze de hutjes in vergulde paleizen, de bloemtuintjes in lustoorden, de beekjes in vloeibaar zilver; en eindelijk sluipt ze een geopend venster binnen en beschijnt het gloeiend gelaat van den jongeling, aan wiens borst de geliefde rust, wie de koelte zijn minnezang overbracht.…
De gong doet zijn twaalf slagen weerklinken in de onafgebroken stilte.… alles rust, alles zwijgt, maar … welk uur is het van den nacht, welk is het plekje der aarde waarin de mensch, de door liefde of haat, door hartstocht of winzucht vervolgde mensch, rust vinden kan?
Uit de kleine nette woning, met de hooggekleurde bloempotten langs de paden, treedt Rudolf Bastoort, Marie’s broeder, te voorschijn; hij draagt het zwart glanzend hoofd ongedekt en helder verlicht de maan het bruin gelaat met de vermoeide trekken en de rood omrande, glurende oogen.
Op bloote voeten, in slaapbroek en kabaia, met een oud flanellen jasje tot overkleed, gaat hij langzaam, steeds dieper en dieper het bosch in, de oogen gevestigd op den grond, waar, uit een dichten humuslaag, tallooze planten en plantjes oprijzen. Weldra bukt hij zich dieper naar den vochtigen bodem en zoekt daar met een ijver of de kiezels, die in het maanlicht glinsteren als diamanten, werkelijk kostbare steenen waren.…
Een uur is voorbijgegaan sinds hij het bosch betrad: nog zoekt hij te vergeefs. Nu en dan staat hij luisterend stil. Hoort hij daar geen geritsel.…? Het zal een klapperrot of boschhoen geweest zijn, die opschrikten uit hun slaap.… Maar dit.…? Dit zijn voetstappen, dicht achter hem! Neen, toch niet; hij moet zich vergist hebben. Een slang of hagedis misschien?
Nu zet hij zich neer aan den voet van een boom en laat in de stralen van het maanlicht een juweel schitteren. Wat heeft het een moeite gekost dien steen Marie afhandig te maken. Wat heeft zij lang weerstand geboden, als hij den ring en altijd weder den ring vroeg tot loon voor zijn diensten?.… En toch, hij moest hem hebben! Met dien ring wil hij tot de schoonste der ronggèngs, tot de lang begeerde Maja gaan, en als hij haar dien in de oogen laat schitteren, zal ze hem toebehooren.… Komaan! gezocht! gezocht!.… Marie’s opdracht moet vervuld worden!
Wederom is een uur voorbij gegaan; daar slaakt Rudolf Bastoort een kreet van vreugde; hij heft zich op uit zijn gebukte houding; in de hand houdt hij een plantje met dikken, saprijken stengel, met donkergroene blaadjes, met fijnen purperen bloesem.
Zonder zich ook nog eenmaal te bukken, zonder nog een enkel oogenblik rondom zich te zien, keert hij terug langs den weg, dien hij twee uur geleden gekomen is. Het is koud geworden, hij huivert; hij meent weer dat geheimzinnig ritselen achter zich te hooren, en verhaast zijn stap.…
Daar op eens gevoelt hij hoe een ijzeren vuist hem aangrijpt; hij wordt op den grond geworpen; knuppelslagen vallen in dichten regen op hem neer; vloekend, tierend van pijn verdedigt hij zich, met beide handen grijpt hij naar den aanvaller, maar een laatste slag komt hem op het hoofd neer en velt hem ter aarde.
De maan is schuil gegaan, het eerste morgenlicht doorgebroken, als Rudolf Bastoort eindelijk ontwaakt uit zijn bedwelming: kermend en steunend richt hij het gekneusde lijf overeind en het duurt geruimen tijd voor hij weder geheel tot bewustzijn is teruggekeerd; dan zoekt hij met plotselingen schrik het juweel in zijn vestzakje.
Hij vindt den ring, ook zijn horloge, ook zijn beurs; dus kan de aanvaller geen dief geweest zijn.… Misschien een vijand, misschien een Javaan, die zich wreken wilde.…?
Hij zal het ontdekken. Maar nu moet hij beproeven naar huis te komen; verkleumd en gewond als hij is, heeft hij allereerst rust noodig.
Reeds heeft hij enkele schreden gedaan als hij plotseling terugkeert: het plantje, het kostbaar plantje …!
Maar hoe hij ook staart op den grond, hoe hij zoekt en alles doorsnuffelt, hij vindt het niet.
III.
Hij vindt het niet want op dit oogenblik ligt het op de tafel waaraan dokter Banck is gezeten tegenover Onno.
„Hoe hebt u het ontdekt?” vraagt de dokter.
Onno strijkt met de hand over het voorhoofd als om orde te brengen in zijn verward brein.
„Het is me nu,” begint hij eindelijk, „of ik het altijd geweten heb, altijd. Ik heb die vrouw gehaat van het oogenblik dat ze in zijn huis kwam; ik heb haar altijd gewantrouwd en op den morgen toen hij den eersten aanval kreeg, nu vier maanden geleden, toen wist ik het.… Ik wist het, en ik wist ook dat hij gered zou zijn, als ik hem aan haar macht kon onttrekken; ik heb alles beproefd om hem uit het huis te krijgen.… u weet hoe mijn plannen verijdeld werden!
„Het eenige wat ik doen kon was hem te bewaken. Ik heb vier weken aan zijn bed gezeten.… wat ik in dien tijd niet heb uitgedacht om haar te betrappen! Maar ze was listiger dan ik! En dan—ik kon niet altijd waken.… Eens ben ik vier dagen en vier nachten achtereen wakker gebleven; hij begon reeds te beteren———ik viel in slaap; toen ik ontwaakte lag hij in een vreeselijk toeval.”
„Hoe hebt u eindelijk de zekerheid verkregen?”
„Ik bespiedde al haar gangen, en werd daarin bijgestaan door Arsan, Reijkman’s lijfjongen, die mijn vermoeden deelde. Hij had opgemerkt, dat ze soms ’s avonds, als het heette dat ze een wandeling ging maken, samenkomsten had met haar broeder, en—dat altijd na de bezoeken bij dien broeder een instorting volgde.… En nog kon ik niets bewijzen! O, God alleen weet wat ik heb uitgestaan, hoe het me tot razernij bracht, hoe ik soms, als ze naar binnen sloop en zich over mijn armen vriend heenboog, me geweld moest aandoen om haar niet aan te grijpen en te verwurgen.
„Eindelijk besloot ik tot een laatste wanhopige daad: ik liet Henri met haar alleen. Ik nam den schijn aan alsof zaken mij naar Passoeroean riepen, maar bleef in den omtrek. Drie dagen heb ik, als inlander verkleed, tevergeefs rondom Bastoort’s huis gezworven.… Eindelijk, gisteravond, daar kwam Marie.… Ze spraken lang samen, ze scheidden met hooge woorden; ik wachtte. Tegen den nacht ging Bastoort uit en toen hij het vergif gevonden had.…”
„U weet zeker, dat het vergif is?”
„Ik heb een vierde gedeelte van wat hier ligt voor mijn hond gekookt; hij was binnen het uur dood.”
Er volgt een lange stilte.
„Welke reden had ze om zich op hem te wreken?” vraagt dokter Banck eindelijk.
„Ze schijnt er op gerekend te hebben dat hij haar trouwen zou; zijn vertrek naar Europa maakte dit onmogelijk en.…”
„Dus het gewone geval.”
„Hadt u vermoedens?”
„Ik heb altijd vermoedens, waar een ménagère is. U weet hoe ik reeds lang geleden ophield hem medicijnen te geven. We hebben geen middelen tegen het vergif van den inlander. Zelfs geen tegengif!”
„Geen tegengif.…? Dus moet hij sterven.…? Dus moet ik hem voor mijn oogen zien vermoorden?” roept Onno in vreeselijken zielsangst.
„Laat het u tot troost zijn dat zijn lijden kort zal wezen; hoogstens vier, vijf dagen!”
„O Henri! Mijn vriend.… mijn weldoener!”
De dokter keert zich haastig af; hij heeft veel geleerd in zijn dertigjarige praktijk,—niet om een man te zien weenen.
„Vous l’avez voulu, George Dandin,” roept hij nu op eens met luider stem. „Vous l’avez voulu,” herhaalt hij nogmaals met de heftigheid van iemand, die zich zoekt te verzetten tegen een hem overmeesterend gevoel; „men moest geen medelijden hebben met Europeanen, die door hun huishoudsters vergiftigd worden, men moest niets anders zeggen dan: „Mijnheer, u hebt het gewild!””
„Dat kan u geen ernst zijn, dokter! U weet zoo goed als ik dat de omstandigheden dikwerf dwingen tot die leefwijze.”
„Wis en waarachtig is het me ernst, mijnheer,” roept Banck, zich meer en meer opwindende. „Waarom trouwen ze niet, dat vraag ik u? Zijn er geen meisjes genoeg misschien? Ik zal u eens iets zeggen, mijnheer. Ik heb nooit geweten hoe jongelui, die huishoudsters nemen, zich bezondigen vóór ik met verlof ging en in Holland al die lieve, aardige deerntjes zag—heele rijen, mijnheer, halve dozijnen in één huis, mijnheer, die zich zaten te verkniezen in een stil dorpje, die in een vervelend landstadje haar eentonig bestaan voortsleepten, en niets liever zouden gewenscht hebben dan brave vrouwen en zorgzame moeders te worden; lieve, verstandige meisjes, mijnheer, enkelen zelfs met een aardig stuivertje, die den hemel zouden danken als er een fatsoenlijk man uit Indië om haar kwam. Waarachtig, als je daar eens rondkijkt en al die vriendelijke gezichtjes lachen je toe, dan spijt het je dat een mensch maar één vrouw tegelijk mag nemen. Ik houd vol, een man, die ongetrouwd van verlof terugkomt, is een wreedaard, wat zeg ik, een monster van wreedaardigheid!”
„U vergeet dat men een goed tractement moet hebben om hier een Europeesche vrouw te kunnen onderhouden.”
„En zoo’n zwart dierage”—dit was de geliefkoosde uitdrukking van den dokter waar het Oostersche schoonen gold—„en zoo’n zwart dierage dan? Alsof die het geld niet met handen vol weggooiden! Alsof die zuinig en overleggend en ijverig waren, zooals een flink Hollandsch wijfje? Maar laat ons aannemen dat het kostbaarder is om getrouwd te leven, hoeveel gelukkiger is het ook niet? En wat wacht den Europeaan hier in de meeste gevallen als hij ongetrouwd blijft? Een eenzaam leven, zedelijke achteruitgang, vaderzorgen zonder vadervreugd of vadertrots, schaamte en onvoldaanheid; dikwerf de vrees, soms zelfs de zekerheid van bedrogen te worden. En—als ze er het leven dan nog maar afbrachten! Maar, mijnheer, als er eens een statistiek werd opgemaakt van de heeren, die, na met een inlandsche vrouw te hebben geleefd, aan onbekende oorzaken stierven, gelooft u niet dat men tot een vreeselijk resultaat zou geraken?”
„Ik geloof het gaarne,” zegt Onno, die maar half geluisterd heeft, „maar om op mijn vriend terug te komen.…”
„Waartoe op hem terug te komen? Laat hem rustig sterven.… Hij heeft immers zijn laatste beschikkingen gemaakt; alles is geregeld, niet waar? Ik weet, het is hard.… maar er is geen.… ja, er is nog één middel om hem te redden.”
„Één middel! O dokter, welk?”
De dokter bedenkt zich een oogenblik. Dan spreekt hij langzaam: „Haar trouwen.”
„U bedoelt.…?” vraagt Onno verbijsterd.
„Het schepsel trouwen! Vandaag nog! Morgen! Overmorgen is het misschien te laat!”
„Haar trouwen? Marie trouwen? En waartoe?”
„Opdat ze hem tegengif ingeeft. Ik heb meer dan één op die manier zien redden.”
„Maar.… Henri zou op die manier niet gered willen worden. Neen, hij zou liever sterven, dan te leven, gekluisterd aan eene giftmengster!”
„Behoeft hij te weten dat ze eene giftmengster is? Hij vermoedt niets, zegt u? Welnu? Is er geen enkele reden, waarom hij wenschen zou haar vóór zijn dood tot zijn wettige vrouw te maken? Die twee lieve meisjes zijn er immers? Wel, niets is gemakkelijker dan hem aan het verstand te brengen, dat nu het oogenblik gekomen is om „de moeder zijner kinderen” te réhabiliteeren. Ik heb hem—daar hij er op gesteld was, de volle waarheid te weten—gezegd, dat hij niet veel meer dan een week te leven heeft; laat hem haar trouwen om der wille zijner kinderen in de overtuiging, dat hij het doet op zijn sterfbed—wat misschien zal blijken waar te zijn, want hoogstwaarschijnlijk is hij reeds te ver heen om nog te herstellen.”
„In Godsnaam.… Ik wil alles gedaan hebben.… Ik moet het onmogelijke beproeven.…”
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Weinige dagen later, op een goddelijk schoonen ochtendstond, vol zonneglansen en bloemengeuren, weerklonk in de plechtige stilte van den morgen de vraag: „Henri Johan Reijkman, verklaart ge tot vrouw te nemen Maria Magdalena, dochter van Albertus Bastoort en de Javaansche vrouw Poengoet?”
En ter nauwernood verstaanbaar, schor en zwak was het antwoord: „Ja.”
IV.
Midden tusschen de gezonde jongens en aardige meisjes, die ons huis vervullen met hun luidruchtige vroolijkheid, midden tusschen de goudgelokte, roodwangige cherubijnen, treft ons somtijds een zacht, bleek gezichtje, waaruit twee groote oogen ons aanstaren vol peinzenden ernst. Ze is niet de voorspoedigste, niet de gezondste geweest onzer kleinen. Niet half zoo grappig en schalksch als klein zusje, ook niet zoo flink en vlug als de broers, merken vreemden haar ter nauwernood op en wordt er weinig eer met haar ingelegd, wanneer er bezoek komt; toch—is ze de ouders liever dan een der anderen.
Als papa haar naam noemt, verzacht zich zijn stem; als mama’s oog op haar rusten blijft, is het met onuitsprekelijke teederheid; soms, als de heerlijke starren zoo geheimnisvol schitteren in het bleek gezichtje, zoeken vader en moeder elkaars oogen en lezen ze in elkaars bezorgden blik de verzuchting, die geen van beiden durft uitspreken: „Als we haar maar behouden mogen!”
Ze hebben haar lachend „klein moedertje” genoemd en ze is trotsch op dien naam. Wanneer mama uitgaat, tracht zij den vrede te bewaren onder het jonge volkje en het is vreemd hoe gaarne de wilde jongens naar haar luisteren, de kleintjes bij haar troost komen zoeken; wanneer er zorg woont in huis, weet de moeder het reeds, van wie de zachte voetstap is, die telkens weder gehoord wordt in de ziekenkamer, weet ze het wie die bloemen binnenbracht, wie die kleine oplettendheden heeft gehad; als er een feestje gevierd wordt, is het datzelfde vriendelijk handje, datzelfde lief stemmetje, dat niemand vergeet en allen tot blijdschap stemt.
Met haar droomerigen blik ziet ze half verlangend, half angstig de wijde wereld in; soms is het of haar fijn besnaard gemoed ineenkrimpt bij al de harde en treurige waarheden, die ze er langzamerhand ontdekt; haar opmerkingen brengen ouderen en wijzeren in verwarring; en nu en dan moeten de ouders het antwoord schuldig blijven op haar vragen.
Zelve heeft ze nog geen smart gekend; maar toch kan ze reeds mede gevoelen met hen die lijden; ze weet nog niets van den weemoed die er ligt op den bodem van het menschenhart; maar toch—ze verstaat reeds menschenharten—of ten minste de kunst om tot hen te spreken.
Van een bewolkt voorhoofd kust ze met haar reine lippen de rimpels weg; brandende tranen droogt ze met haar zijden krullen; een verbitterd gemoed brengt ze tot kalmte door haar schuldeloos gekeuvel, haar blijden glimlach; een gelaat, door de zonde misvormd, moge zich vol schaamte afwenden van het hare, met smachtend verlangen vraagt het om een der goddelijke vonken, die daar glinsteren in die heerlijke oogen.
De heilige taak, waarvoor anderen een geheel leven behoeven, vervult zij in de weinige jaren die haar geschonken worden, want—helaas! ze toeven niet lang in ons midden, die vriendelijke afgezanten uit gelukkiger oorden.
Nog luisteren we naar de zilveren klanken der lieve stem als reeds het wiekgeklep wordt vernomen van de serafs, die het schoone zieltje komen ontvoeren; nog drukken we het blonde hoofd aan onze borst, als reeds een aureool het komt omkransen; nog staren we, vol verrukking, in de oogen wier glans niet van deze aarde is, als het duister rondom ons wordt en droevig en ledig.… dan vallen we op het aangezicht en schreien ten hemel: „Heer, we hebben een engel geherbergd!”
Zulk een engel stond aan de zijde van Henri Reijkman in de bange uren van zijn terugkeer tot het leven; zulk een engel werd hem zijn aangebeden oudste, zijn zachte Edith.
Hoewel langzaam, zoo onmerkbaar langzaam soms, dat zijn vrienden de hoop opgaven—hij herstelde: het vergif had vreeselijke verwoestingen aangericht, maar het krachtig lichaam behaalde de overwinning.
Toen er niet meer getwijfeld behoefde te worden aan zijn behoud braken voor dokter Banck moeilijke oogenblikken aan.
„Niet waar, dokter?” vroegen hem de dames, die een onbepaald vertrouwen stelden in hun kundigen geneesheer, „niet waar, het zijn praatjes, dat Reijkman beterend zou wezen? U hebt gezegd dat hij sterven moet en u gelooven wij.”
„Rira bien qui rira le dernier,” sprak de specialiteit in leverziekten, „ik werd zoo uitgelachen, toen ik beweerde dat het de lever en niets dan de lever was.… nu ziet u eens!”
„’t Schijnt, collega, dat ik den bal niet zoo ver missloeg,” sprak de dokter van Soerabaia, die, driemaal in consult geroepen, driemaal beweerd had dat het wel slijten zou.
Dokter Banck zweeg, wat hem niet weinig kostte; bleef zwijgen, ook toen zijn goede kennissen hem lachend op den schouder tikten en vroegen of het haast geen tijd werd om Reijkman te gaan begraven.
Maar toen zijn eigen vrouw, de bezitster van het vriendelijkste der vriendelijke gezichtjes, die hem hadden toegelachen bij zijn verblijf in Holland, toen zelfs zijn eigen vrouw meende te moeten opmerken: „Wat is dat jammer, ventje, dat je je zoo vergist hebt in die ziekte van Reijkman,” toen werd het hem te kras; hij zweeg niet meer, maar raasde en tierde tegen de zwarte dierages in het algemeen en het zwart dierage, genaamd Maria Magdalena, in het bijzonder.
Maar al deze speldeprikken, hoe pijnlijk ook, waren niets vergeleken bij den degenstoot, die het hart van den goeden man doorboorde, toen hij op zekeren middag bij zijn patiënt zat.
„Vrij van pijn en benauwdheid,” had Henri verklaard.
„En de koorts drie dagen achtereen geheel weggebleven,” zei de dokter vroolijk, „nu nog maar flink versterken en alles is in orde.”
„Dokter,” begon Reijkman nu met iets gejaagds in stem en gelaat, „ik had een verzoek aan u. Ik heb Onno reeds herhaaldelijk hetzelfde gevraagd, maar het schijnt wel of hij me niet begrijpt. Dat is de reden, waarom ik u er mee lastig val.”
„Zeg maar wat je op het hart hebt, Reijkman.”
„’t Is met het oog op mijn spoedig herstel; ik geloof niet dat ik gauw beter zal worden, als dat mensch hier blijft.…”
„Welk mensch?”
„Mijn ménagère! Neen, u behoeft niet zoo verwonderd te kijken, dokter; ze hindert me! U moogt het den gril van een zieke noemen—misschien is het dat!—maar ik zou veel eer beter zijn, als zij niet zoo altijd om en bij me was. Dat valsche gezicht met die loerende oogen is me een ergernis; het agiteert me, het maakt me zenuwachtig.…”
Dokter Banck ziet den zieke ontsteld aan; hij weet niet wat te antwoorden. Eindelijk stamelt hij: „Ik geloof, Reijkman.… ik geloof toch, dat je de koorts hebt.…”
„En u hebt daareven zelf geconstateerd, dat de koorts sinds drie dagen niet is teruggekomen.…? Neen, dokter, het is geen koortsachtige opgewondenheid, die me tot het doen van die vraag brengt! Het is niet sinds vandaag of gister, dat de gedachte in me opkwam me van dat gluiperig schepsel te ontdoen. Meer nog dan de noodzakelijkheid van de kinderen weg te brengen, was het de wensch om van Marie los te komen, die me dreef naar Europa.”
„Maar dat alles is nu immers veranderd.…”
„Ja, dat weet ik: er kan van die reis vooreerst niets komen. Maar ik zie daarin geen reden om iemand bij me te houden, wier tegenwoordigheid me hatelijk is.”
„Reijkman.…! Je herinnert je toch.…?”
„Wat?” vraagt de zieke, met den doodelijksten angst in zijn gespannen trekken, „wat zou ik me herinneren?”
Maar de dokter wendt haastig het hoofd af en blijft zwijgen. De man was immers half bewusteloos, toen hij het ja uitsprak, waardoor zijn leven gered, maar ook voor altijd van vreugd en geluk beroofd moest worden. Weinige uren na die laatste inspanning lag hij in heete koortsen.… Niemand roerde, sedert hij weer bij kennis was, het pijnlijk onderwerp aan.… Zelfs Onno heeft het niet gewaagd er ook maar uit de verte op te zinspelen.… De hemel weet of hij zich de treurige waarheid bewust is.…
„Eén ding, Reijkman,” zegt de dokter eindelijk, „leg je hier nu niet noodeloos op te winden en wacht tot je geheel hersteld zijt, met je over die dingen moeilijk te maken.”
„Ja,” zegt de patiënt volgzaam, „dat was ook eerst mijn voornemen, maar.… het wordt me met elken dag, met elk uur moeilijker! Ze is ook zoo hatelijk geworden in den laatsten tijd. Ze neemt airs aan, alsof ze de vrouw des huizes was.…” en weer ziet Reijkman zijn geneesheer aan, met dat angstig vragende in den blik.
„Adieu, Reijkman; mijn zieken wachten me.”
Als Onno hem ontmoet in de galerij en angstig vraagt of Reijkman erger is, ontvangt hij tot eenig antwoord den kreet: „Hadt je mijn raad gevolgd, Onno! Hadt je hem stil laten sterven!”
Onmiddellijk begeeft de trouwe vriend zich naar de ziekenkamer. Schijnbaar vroolijk informeert hij naar den toestand van den nu zoo ongeduldigen lijder.
„Ik wou dat je eens rustig bij me kondt komen zitten, Onno; niet in zoo’n haast alsof je geen oogenblikje missen kunt! Neen, wat dichterbij! Het spreken valt me moeilijk; die schorheid gaat nog maar altijd niet over.… Nu is het goed, nu kan ik je in het gezicht zien en nu zul je me ook eindelijk antwoorden op de vraag, die ik je te doen heb.—Onno, je herinnert je zekere periode in mijn ziekte, toen de krampen en benauwdheden ophielden, maar die vreeselijke ijlende koorts me niet verlaten wilde?.…”
„Ja, zeker herinner ik me dat.”
„Welnu. Uit dien tijd van waanzin en visioenen is me één tooneel bijgebleven. Al de andere akeligheden, al de dwaze en vreeselijke gezichten zijn, tegelijk met de koorts, verdwenen, maar dit eene staat me nog altijd voor den geest. Zonderling! al deze lange weken is het me bijgebleven, zelfs in mijn half bewusteloozen toestand.… Ik kan het niet vergeten.…!”
„En.… wat is het? Een droom?”
Met groote krachtsinspanning, met doodsbleeke lippen begint Henri zijn verhaal.
„Er rolden rijtuigen.… het deed me vreeselijk pijn in mijn hoofd; toen kwamen er menschen rondom mijn bed staan, met zwarte rokken en witte dassen.… de assistent-resident was er, en de dokter en jijzelf, en de geëmployeerden.… ze waren gekomen om me te begraven, geloof ik.… maar op eens zag ik Marie binnenkomen en.… een dwaas idée, niet waar? toen ze begrepen dat ik nog niet begraven behoefde te worden, vroegen ze me of ik dan met Marie trouwen wilde; zeker”—dit met een akeligen, schorren lach—„omdat ze hun zwarte rokken niet voor niets wilden aantrekken.…”
Een ijskoude rilling is den vriend door de leden gevaren. Zijn stem beeft als hij vraagt: „Weet je nog wat je geantwoord hebt, Henri?”
„Neen, dat weet ik niet,” zegt deze met een mislukte poging om onbezorgd te spreken. „Neen, dat weet ik niet. Maar dat doet ook niets ter zake, niet waar?.… ’t Was toch maar een droom, een visioen! Ha! ha! men kan toch op vreemde denkbeelden komen in zoo’n ijlende koorts! Goddank dat het geen waarheid was!… Onno, waarom antwoord je niet? Zeg dan toch ook, dat het alles onzin, alles begoocheling geweest is.… God! Ik heb het gedroomd, niet waar? Gedroomd? Gedroomd?”
Hij heeft in doodsangst de handen van zijn vriend gegrepen; hij staart hem in ’t gelaat en—leest zijn vonnis.…
„Henri! Vergeving!… Ik heb haar tot je vrouw gemaakt! Ik kon, ik mocht niet anders!”
„Haar?.… Marie?.… Tot mijn vrouw?.… Haar?!”
„Neen, neen! zeg dat niet zóó! Zie me zóó niet aan! Dàt heb ik niet verdiend! Henri, geloof je, dat ik je liefheb?… Ik mocht niet anders doen. Ik dacht dat je stervend waart. Ik wist dat je voor je kinderen een wettige moeder wenschte, ik meende in je geest te handelen …”
„Door me te binden, voor eeuwig te binden aan dat schepsel, dat ik haat … dat ik verfoei.…? Stil, spreek niet meer tegen me; ik gevoel … ik gevoel dat ik sterk genoeg zou zijn om een moord te begaan …”
„O, Henri, vergeving!”
„Nooit! Vloek over je! Vloek! Vloek!.…”
Als door een knodsslag getroffen, zoo wankelt Onno naar de deur; een blinde gelijk tast hij naar den knop … hij staat buiten in den vroolijken zonneschijn. Daar hoort hij een kinderstem. Edith nadert, zij slaat de armpjes om zijn hals; ze vraagt, wat hem deert.… O, het doet onuitsprekelijk goed die zachte vriendelijkheid van het lieve kind, maar er is een ander die troost behoeft.
„Papa is ook bedroefd,” fluistert hij.
Het kind heeft geen andere aanmaning noodig; vlug trippelen de kleine voetjes over den marmeren vloer en weldra nemen fijne, rooskleurige vingeren de handen weg, die in doodsangst geslagen werden voor het verwrongen gelaat; weldra ruischt een liefelijk stemmetje door het vertrek, waarin straks vervloekingen weerklonken, en weldra ligt Henri Reijkman te weenen als een kind op het blonde hoofd, dat zich nestelde aan zijn borst.
V.
„Arme papa!”
Ze vermoedde niet welke de smart was die hem folterde, maar ’t scheen of ze alles begreep; ze kon niet weten welke slag hem getroffen had, maar ’t was of een geheime stem haar toefluisterde dat hier een lijdend hart van wanhoop te redden viel, en van nu af wijdde ze zich met al de teederheid van haar warm jong gemoed aan die taak.
Als bij ingeving raadde het kind, wat menige vrouw levenslang verborgen blijft: ze wist wanneer haar vriendelijk gekeuvel hem wekken moest uit sombere gepeinzen, maar ook wanneer hij behoefte had aan rust en niets dan rust; ze wist wanneer ze hem vragen kon deel te nemen aan haar vroolijk spel, maar ook wanneer ze haar hoofdje aan zijn borst vlijen en een opkomenden storm bedaren moest door liefdeblijken.
Toen de krachten terugkeerden was het op háár smeeken dat hij nu en dan eens naar buiten trad in de heerlijke natuur, maar het kostte moeite hem over te halen; daarbuiten scheen het hem nog ondragelijker dan in het halfdonker ziekvertrek; het was hem of de heldere zonneschijn al zijn dwaasheid blootlegde; het was hem of de vogels zongen, of de eenden kwaakten van zijn schande; immers schande, driedubbele schande noemde hij het, dat de naam, dien zijn vader met rechtmatigen trots noemde, den naam die zijn moeder zoo rein had bewaard, nu werd gedragen door Maria Bastoort!
’t Was ook Edith die er hem toe bracht weer eens naar de fabriek te gaan. Wel wist ze het nog niet bij ervaring, dat werken leert vergeten, maar ze bemerkte hoe bezigheid papa goed deed. Het was een zware gang; met warme onverholen blijdschap ontvingen hem zijn ondergeschikten, maar hij kon niet werken met den lust en den ijver van voorheen; immers, voorheen werden de winsten weggelegd voor de reis naar Europa, voor de toekomst als de kinderen groot waren; nu waren alle plannen den bodem ingeslagen; nu was er geen toekomst—dan met Maria Bastoort!
Er was tusschen hem en de vrouw, die de wet tot zijn gade gemaakt had, een vergelijk getroffen. Hij oordeelde dat hij niet het recht had haar verwijtingen te doen; alleen zeide hij haar zacht maar vast, dat ze nooit anders dan in naam zijn vrouw zou wezen, dat ze, toen ze van zijn toestand misbruik maakte om hem te ontrooven wat ze wist dat hij haar nooit vrijwillig zou geofferd hebben, voor altijd zijn genegenheid had verspeeld.
Het was haar tamelijk onverschillig; niet zijn liefde had ze zich gewenscht, maar zijn titel, zijn rang, zijn geld,—en die kon hij haar niet ontnemen. Hij handelde juist zooals ze verwacht had: paarden, rijtuigen, bedienden, ruim huishoudgeld en nog ruimer kleedgeld stelde hij tot hare beschikking.
Maar op zekere voorwaarden.
Het huis was groot en ruim; wilde ze hem verplichten door het linkergedeelte te bewonen, terwijl hij zich tot de rechterzijde bepalen zou? Edith was aan hem gehecht, terwijl Nora háár lieveling heette; wilde ze Edith aan haar vader afstaan? En zou ze over het geheel hem niet tegenwerken bij de opvoeding der beide kinderen?
En eindelijk—nog deze ééne groote gunst—wilde ze beloven hem niet te dwingen met haar uit te gaan?
Neen, dat wilde ze niet!
Waarvoor zou zij haar mooie toiletten koopen, als het niet was om er mee te schitteren in de gezelschappen; waarvoor zou ze alles verdragen, al zijn dwaze nukken inwilligen, wanneer het niet was in de hoop van als mevrouw Reijkman zich te vertoonen in kringen, waarin men vroeger haar naam niet genoemd, veel min haar tegenwoordigheid geduld zou hebben?
Al de fierheid, die in hem was, kwam in opstand tegen het ondergaan van die laatste vernedering; hij smeekte en bad, hij dreigde en beleedigde; te vergeefs! Op dit ééne punt bleef Marie onverzettelijk.
Het was, hoe grievend dan ook voor zijn gevoel, een ware verlossing, toen hem van verschillende zijden werd getoond, dat zijn komst altijd hoogst aangenaam zou wezen, maar men liever wenschte van bezoeken zijner vrouw verschoond te blijven;—zij bleef echter loeren op een gelegenheid om den triomf, waarvan zij zoo lang gedroomd had, te genieten.
Weldra deed zich die voor. Er werd een groot feest gegeven door een der rijkste suikerlords uit den omtrek en Reijkman ontving een uitnoodiging voor zich en zijn vrouw.
Hij wilde een voorwendsel zoeken om te weigeren. Maar Marie, wie het thuiszitten verveelde, dreigde alleen te gaan, zoo hij haar niet verzellen wilde.
Hij gaf toe; hij liep de spitsroeden door en ze wondden hem dieper dan de felste zweepslagen ooit een ontblooten rug konden doen; de donkere blikken van de schoone vrouwen, wier liefde hij eenmaal zoo gemakkelijk had kunnen winnen en die nu schenen te vragen: moest ik dáárvoor versmaad worden? de spottende lachjes om meêdoogenlooze lippen, het gefluister van scherpe tongen, het deelnemend groeten of verlegen afwenden van bevriende gezichten.…
Er was één paar oogen, blauw en zacht als Insulinde’s hemel, dat telkens rusten bleef op Henri’s gelaat en deelnemend scheen te vragen, waarom het toch zoo treurig stond; er was één frisch, rooskleurig mondje, dat met half kinderlijken schroom hem toesprak; ze behoorden aan Constance van Raathoven, de eenige dochter van Passoeroean’s resident.
Het kind was pas uit Holland terruggekeerd en begreep niet, welk recht de zwarte vrouw kon hebben op dezen jongen man, met zijn edel, blond gelaat, zoozeer gelijkend op het ideaal, dat ze zich gevormd had van den held harer droomen.
Hij ving de zachte blikken op, zoo dikwerf ze op hem rusten bleven, gelijk de verschroeide bloem een dauwdrup opvangt; hij luisterde naar de tonen dier melodieuse stem.… misschien was het juist de blik uit die reine meisjesoogen, misschien waren het juist de woorden van dat schuldeloos kind … die hem het knellen van zijn keten zoo ondragelijk maakten, die zijn wanhoop opvoerden tot razernij.…
Het was goed dat het rollen van den wagen over het grint kleine Edith ontwaken deed; het was goed dat ze op haar bloote voetjes kwam aantrippelen en haar armen om papa’s hals sloeg en fluisterde, dat ze zoo koud was en vroeg of ze voor dien éénen nacht mocht slapen in papa’s bed.…
Ze sluimerde spoedig in, zooals kinderen dat doen kunnen, maar toch vroeg ze zich den volgenden morgen af, of ze gedroomd had, dat er, o zulke heete tranen op haar voorhoofd gevallen waren.
Intusschen—ook na den bangsten nacht breekt een morgen aan, waarin alles geregeld zijn gang gaat; waarin ieder werkt en handelt alsof er niet zoo iets als smart en wanhoop bestond onder de menschen—en iedere morgen vond den administrateur van Soeka-madjoe op zijn post.
Onno had gedurende de ziekte, die niet minder dan vijf maanden duurde, gedaan wat hij als geëmployeerde vermocht te doen, maar toch viel er nog veel te regelen, dat op het herstel van Reijkman had gewacht.
Hij werkte zooals een man werkt, wiens doel het is zichzelf te ontvlieden; in brandende zonnehitte, in storm en regen steeg hij te paard, en eerst wanneer lichaam en geest doodelijk vermoeid waren, zocht hij rust, in de hoop dat de verdooving die op groote inspanning volgt, de booze droomen, de treurige gedachten zou verdrijven.
Maar eindelijk toch brak de tijd aan dat alle achterstand ingehaald was, de aanplant geregeld, de tuinen in orde, de boeken bijgewerkt, de machineriën nagezien, de suikers verzonden; de tijd waarin den administrateur van een fabriek niet veel anders te doen overblijft, dan te wachten tot de zon den nieuwen oogst heeft rijp gestoofd.
„Papa, nu hebt u het niet meer zoo druk, is het wel?” vroeg Edith op zekeren langen, regenachtigen namiddag, toen haar vader sedert een half uur de voorgalerij op en neder liep.
„Neen, lieve. Waarom vraag je dat zoo?” antwoordde hij, terwijl hij een oogenblik stil stond om de hand langs haar zijden krullen te strijken.
„Omdat.… weet u niet meer, wat u ons beloofd hebt, als de drukte voorbij was?”
„Ja zeker! We zouden een beetje leeren samen—en spelen ook. Goed dat je me er aan herinnert, kind! We zullen dan maar dadelijk beginnen, hé? Maar eerst moet Nora hier zijn. Waar is ze?”
„Bij mama, geloof ik.”
„Nu, ga haar dan roepen.”
„Ik weet niet of zij zal willen komen, papa.”
„O zeker! Zeg maar dat ik een mooi geschiedenisje ga vertellen, een, dat ze nog nooit gehoord heeft.”
Het duurde een geruime poos voor Edith terug kwam. Toen trad ze aarzelend nader, de lange wimpers rustend op de hoogblozende wangen.
„Nora is.… Nora heeft een beetje hoofdpijn, papa! Ze kan onmogelijk komen … zegt mama.”
„Hoofdpijn? Kassian! Is het erg?”
„Neen pa! och neen, het is eigenlijk niets erg,” sprak Edith, meer en meer verward.
„Edith!” vroeg Reijkman streng, terwijl hij zijn doordringenden blik op het kind vestigde, „wat is er?”
Edith bleef zwijgen.
Toen klonk er een droeve klacht van des vaders lippen. „Edith, mijn lieveling, ze hebben je toch niet geleerd te liegen?”
In een oogwenk lag ze aan zijn borst. „O papa, wees niet bedroefd! Geloof me, papa, ik heb gezegd, dat ik niet jokken wilde, maar mama …”
„Sst …” sprak Marie’s echtgenoot, „sst!”
Daarop gaf hij in het javaansch een bevel aan Arsan en weinige oogenblikken later verscheen Nora, met een hoogrooden blos op de bruine kaken, met iets uitdagends in de fonkelende, zwarte oogen. Hij bestrafte haar met geen enkel woord; hij nam haar op zijn knie en begon te vertellen—van een kind, dat gelogen had en de vreeselijke gevolgen van dien leugen. Halverwege moest hij het verhaal afbreken; Edith was in een zenuwachtig snikken losgebarsten; ook van Nora’s donker gezicht was het uitdagende verdwenen, maar toen Reijkman haar aanzag en aan zijn hart drukte met de vraag: „Begrijp je nu hoe slecht het is om te jokken, liefje?” keerde ze het hoofdje om en wilde noch antwoorden, noch schuld bekennen, noch beterschap beloven.
Maar hij was er de man niet naar om door een mislukte poging te worden afgeschrikt.
Met al den ernst, al het geduld die de opvoeding van ieder kind, maar de opvoeding van een indisch kind vooral, eischt, met al de liefde die hij te geven had, wijdde hij zich aan de taak, die gelukkiger echtgenooten zoo gaarne op de schouders der moeder leggen. Hij zou dat trotsche hoofdje buigen, het goede zaad zaaien in dat jonge hartje, het onkruid uitroeien, dat Marie’s leiding zoo welig deed opschieten.
Wat hij niet kon vermoeden, hij deed zichzelf oneindig veel goed door dat geregeld samenzijn met de kinderen; eerst was het hem een inspanning geweest, weldra werd het hem een genoegen; Edith’s ernstige vragen, die van zoo diep nadenken getuigden, verbaasden en verrasten hem; Nora’s aardige, kinderlijke opvatting van alles, wat hij haar trachtte duidelijk te maken, was hem een waar vermaak, en toen hij reeds vruchten van zijn onderwijs begon te zien, toen Nora met haar zoete stem en gracieus gebarenspel een gedichtje voor hem opzeide en Edith haar eersten brief naar Holland schreef, toen kwamen er weer goede oogenblikken in zijn eenzaam leven, toen herinnerde hij zich hoe een vriend eens beweerd had, dat men zich over een ongelukkig huwelijk leert troosten door de vreugde die de kinderen schenken, en hij vond die bewering niet meer zóó onzinnig als te voren.
Waarmede hij de beide meisjes ook trachtte bezig te houden, welke spelletjes en pretjes hij ook bedacht, altijd herhaalden zij de vraag: „Een vertelseltje, papa!”
Gelukkig was zijn auditorium niet moeilijk te voldoen; ’t ging als op de nutslezingen in kleine plaatsen; het deed er weinig toe of het verhaal nieuw was, nog minder of er logisch verband in werd gevonden, het allerminst of het een zedelijke strekking, had, als er maar een bepaalden tijd gesproken werd.
Op een avond dat hij wat vermoeid en misschien daardoor niet zeer helder van hoofd was, wilde het hem maar niet gelukken een vertelsel saâm te flansen.
„Dan maar een sprookje van moeder de Gans,” raadde Edith. „De schoone slaapster in het bosch bijvoorbeeld, pa?”
’t Was lang geleden dat de kinderen dit voor het laatst hoorden en met ingehouden adem luisterden ze, hoe de booze toovergodin verscheen aan het doopmaal; hoe, niettegenstaande alle voorzorgen, de voorspelling vervuld en het mooie prinsesje door de schaar gewond werd.
Eindelijk was de verhaler de slotscène genaderd; de jonge vreemde prins had het prachtig kasteel met zijn onbewaakte schatten en slapende bewoners betreden; hij drukte de koningsdochter den kus op de lippen die haar moest doen ontwaken.…
„He, hoe dom!” riep Nora op eens.
„Stil toch!” fluisterde Edith verontwaardigd over die stoornis. „Toe pa, vertel verder!”
Maar Nora’s uitroep had de aandacht van haar vader getrokken. „Waarom dom?” vroeg hij.
„Omdat.… wel, papa, hij had immers alles kunnen wegnemen, het heele huis leêgdragen, als hij haar had laten slapen.”
„Zou je dat in zijn plaats gedaan hebben, Nora?”
„Ja zeker,” sprak Nora, zonder zich een oogenblik te bedenken.
Henri Reijkman liet het kind van zijn knie glijden en toen ze, verschrikt over de uitwerking van haar gezegde, weder op hem toetrad, stiet hij haar terug.
Terwijl Edith, de kleine handjes gevouwen, zat te peinzen en ten volle begreep waarmeê Nora papa zoo ontstemd had, terwijl Reijkman met gejaagden tred op en neer liep en zich afvroeg of dan niets, niets den verderfelijken invloed zijner vrouw onschadelijk maken kon, schaterde Marie het uit van lachen en beloonde het kind met gebak en noemde haar een pintere meid, toen ze het verhaal deed van hetgeen er was voorgevallen.
Nooit was door de goede en booze geesten de strijd om een menschenziel met meer volharding gestreden, dan door dezen vader en deze moeder den strijd om het hart van dit zevenjarig kind.
Nog bleef Reijkman hopen dat de overwinning aan zijn zijde verblijven zou. Nora was leugenachtig en vol listen en streken, maar er was toch ook veel goeds in haar verwilderd hartje; er woonden naast verkeerde gedachten ook betere wenschen en edeler verlangens; met Edith tot voorbeeld en onder ernstige leiding kon er nog iets liefs van haar komen.…
O, als hij de vrouw, die hem zijn geluk en zijn vrijheid had ontroofd, nu ook nog de ziel van zijn kind moest afstaan, dat zou te veel zijn! En hij worstelde om Nora’s behoud met de volharding van een man, met het geduld eener vrouw.
Toch zou hij het moeten opgeven.
’t Was in de plotseling gevallen schemering van een druiligen namiddag, dat Henri de beide meisjes zocht om met haar het gewone leeruurtje te beginnen.
Te vergeefs liep hij de vóór- en achter- en binnengalerij door, en juist wilde hij Arsan roepen om ze in den tuin te gaan halen, toen hij achter het groote schutsel in de slaapkamer eenig gerucht vernam.
Hij had in den laatsten tijd meer dan eens opgemerkt dat er in Nora’s zijn iets geheimzinnigs stak; telkens als hij haar onverwacht naderde, schrikte ze op en voortdurend had ze Edith dingen meê te deelen die papa niet hooren mocht.…
Zonder bepaald kwade vermoedens te koesteren, verontrustte hem dit en daarom bleef hij nu ook achter het scherm staan, in de hoop van onopgemerkt getuige te zijn van het gesprek.
In de halve duisternis kwam het fijne, edele gezichtje van Edith, met de lange blonde krullen omkranst, teekenachtig uit tegen Nora’s donkergelokt kopje en haar groote fonkelende oogen. Er lag in het gelaat van het oudere zusje nieuwsgierigheid, maar een zekere angst en afschuw tevens, terwijl Nora de gloeiende wang tegen de hare drukte en fluisterde, fluisterde.…
Daar trof een woord het oor van den vader, een woord dat nimmer moest worden uitgesproken door reine kinderlippen, een woord waarvan de beteekenis geen kind mocht geopenbaard zijn.…
Verschrikt, ontroerd trad hij terug; nooit was hem de zonde zoo afschuwelijk voorgekomen, als nu zij den mond van zijn kind tot tolk had gekozen …
Een oogenblik nog zag hij het roerloos aan hoe de kleine demon zich heenboog over het blonde zusje, gereed om haar de gemaakte ontdekking mede te deelen, toen greep hij Nora bij de schouders en sleurde ze ver weg, als ware ze een venijnig insekt geweest.…
De innige vertrouwelijkheid die eertijds tusschen Onno en zijn vriend bestond, had sinds eenigen tijd plaats gemaakt voor een veel koeler verhouding; daarom durfde Onno niet vragen toen hij Reijkman stiller vond dan gewoonlijk; daarom bleef hij zwijgen ook toen hij zag hoe Nora verbannen werd uit de tegenwoordigheid haars vaders, terwijl het Edith ten strengste verboden was in de vertrekken van Marie te komen. Eerst toen Reijkman sprak van een reis naar Soerabaia, vroeg hij of het voor particuliere zaken was.
„Ja,” sprak Reijkman, „voor particuliere zaken maar … vraag niet verder, Onno!”
Toen hij terugkwam, stond Edith hem van verre toe te wuiven; geheel haar lief gezichtje straalde van vreugde en nog vóór hij het huis had betreden, vloog ze hem in de armen.
„Papa, waarom zijt u zoo lang weggebleven? U weet immers, dat ik niet zonder u kan?… En—kunt u dan zonder mij? Zeg paatje, kunt u zonder uw kleine Edith?”
Op eens zag Edith haar vader doodsbleek worden, wankelen … ze riep oom Onno, en toen deze zijn vriend ter hulp snelde, vernam hij een dof snikken, een onsamenhangend gefluister: „Ze moet weg.… mijn lieveling! Naar Europa! Alles is reeds bepaald … over vier weken.… God helpe me!”
VI.
’t Is in onze tropische nachten voor gelukkigen onuitsprekelijk zoet droomen: achterovergeleund in den gemakkelijken zetel, het gelaat tot den flonkerenden hemel gekeerd, terwijl heerlijke geuren opstijgen van de bebloemde aarde naar het wazig blauw der wolken, terwijl het koeltje door de lokken speelt, droomerig en teeder als de vingeren der geliefde, terwijl de sleepende tonen eener verwijderde muziek de gedachten vleugelen schenken en het beekje fluistert van wenschen die vervuld, van idealen, die werkelijkheid werden.
’t Is zoet droomen voor den gelukkige.
Maar ook den minder bevoorrechte, ook den balling, die niets dan teleurstelling vond in het land der vreemdelingschap, is het goed neer te zitten in den kalmen vrede van Insulinde’s nachten.
De koelte moge hem van geen teedere aanraking eener aangebeden hand spreken, hem streelt ze het gloeiend voorhoofd met haar frisschen adem, hem vaagt ze den blos der ergernis van de wangen, hem kust ze toornige woorden van de lippen; de muziek moge hem niet voeren tot peinzen over het genotvol heden, ze voert hem terug tot het blij voorheen, ze verhaalt van een betere toekomst.…
En als het vriendelijk beekje ook langs zijn voeten stroomt, is het of hem wordt toegeruischt: Geduld! Geduld! Wij allen hebben onzen strijd op aarde! Ook ik was eenmaal een trotsche bergstroom met niets dan het blauw des hemels boven, het groen der heuvelen rondom me; thans word ik in boeien gekneld door menschenhanden; thans word ik ver van mijn schoone geboorteplek, gevoerd langs dorren zandgrond en kale rotsen en naakte vlakten, maar om eindelijk af te dalen in een vriendelijke vallei! Dáár zal de zon mij tooien met glinsterende juweelen; de kinderen zullen mij met bloemen strooien onder blij gezang, schoone vrouwen zullen haar ranke leden komen toevertrouwen aan mijn liefkoozingen, minnenden zullen neerzitten aan mijn oevers en het geklater mijner golfjes begeleiden met den klank hunner kussen.…
Toen Edith was heengegaan en met háár de laatste zonnestraal uit zijn sombere woning, toen ook Nora, om haar aan den verderfelijken invloed der moeder te onttrekken, onder streng toezicht van vreemden geplaatst was, toen de kinderstemmetjes niet meer weerklonken die de eenige juichtoon waren geweest in den droeven treurzang van zijn huiselijk leven, was het Henri Reijkman of hij den last van het bestaan moest afwerpen.
Zijn goede engel had hem verlaten; zijn booze genius moest hem altijd nabij blijven, háár kon hij niet ontvluchten.… Waartoe langer zijn ellendig leven voortgesleept?
’t Was een bange strijd geweest en meer dan eenmaal had hij een wapen in handen genomen en het aangezien met woest verlangen als redder, verlosser.… maar Edith’s geest zweefde nog door de stille woning, Edith’s voetstappen weerklonken nog door de ledige gaanderijen; ’t was hem of haar handjes hem het wapen uit de klamme vingeren loswoelde, of zij hem met zich voerde naar buiten, naar buiten waar aarde en hemel, met denzelfden reinen zilverschijn overgoten, lagen te sluimeren in den schoonen maanlichtnacht.
Dan zat hij daar uren lang tot ieder geruisch had opgehouden in den omtrek, tot alles sliep en alles rustte, tot de bergen toornige titans geleken, en de boomen spookgestalten werden, maar ook de wolken daarhenen zweefden als engelen in hemelschen starbezaaiden dos.
Dan boog hij luisterend het oor en ’t was als ruischte van verre over de eeuwige stilte van den Oceaan, waarop het kind zijns harten zwierf, hem een groet tegen; dan sloot hij de oogen en het was hem als bracht de zefir die als Noordenwind had geloeid om de ranke boot, waaraan haar dierbaar leven was toevertrouwd, hem woorden vol zoeten troost, dan droomde hij van een verre, verre toekomst, waarin de banden niet meer knellen, de ketens niet meer rammelen zouden, waarin hij als vrij en gelukkig man haar zou wederzien!
Hij droomde haar zooals ze dan zijn zoude: een ranke maagd met teedere vormen, de blonde krullen los neervallend om het zacht gebogen hoofd, de blauwe oogen vol dwepende teederheid, vochtig en glanzend, fonkelende starren aan den onbewolkten hemel harer ziel, het vriendelijk mondje altijd bereid tot een lief woord, de zachte wangen gekleurd met den jonkvrouwelijken blos.…
’t Was een liefelijk beeld dat hij zich voor den geest tooverde en hij voltooide het langzaam, met innerlijk genot, hij teekende het en iedere penseelstreek deed hij met liefde, en als het beeld gereed was, bleef hij er op staren en legde al de trekken er van weg in zijn hart.…
De wind in de bamboestammen doortrilt de lucht als de onbestemde klanken eener Eölusharp; de eenzame woudduif kirt en haar tortel antwoordt uit de verte met een luiden jubeltoon; de zachtklagende tonen van een liefdezaag klimmen op uit de kampong.… nog fluistert de sombere droomer den naam van het aangebeden kind, maar straks, straks als de sterren elkaar zijn geheim reeds verklapten en de maan hem met een spotlach in het aangezicht staart, straks is het hem eensklaps duidelijk geworden wier beeld het is, dat hij draagt in zijn hart en trek voor trek teekent met zooveel liefde als hij zich het ideaal eener jonkvrouw denkt!
Constance.… ach, Constance! Hoe gelukkig, hoe liefelijk moet het leven zijn aan uwe zijde.…
Daar verneemt hij het weer, dat afschuwelijk geluid, verzeld van het hoongelach der helgeesten, het ratelen zijner ketens!.…
De wachten zijn er reeds aan gewoon hem in het holle van den nacht te zien dwalen rondom het huis; de honden blaffen niet aan, zij kennen dien gejaagden stap; alleen zijn lievelingspaard op stal hinnikt, als verwachtte hij dat zijn meester hem zou bestijgen en met hem voortrennen in wilde vaart, zooals in menig vroegeren nacht.…
Maar hij gaat voorbij, den tuin in, het erf op. Eerst een paar uur later keert hij terug; vermoeid, bezweet, maar zonder dàt zou hij geen rust vinden op zijn eenzame legerstede. Hij gaat haastig het huis langs om achter binnen te treden en mijdt nu niet, zooals des daags, het gedeelte door Marie bewoond.
Even blijft hij stilstaan. Is dat niet een mannenstem, die hij daar hoort in Marie’s vertrekken?.…
Hij wist niet of zijne vrouw sinds hij haar van zijn zijde verbande, hem de trouw had gehouden die echtgenooten elkaar beloven; maar hij wist dat de hartstochten, die haar beheerschten, niets met de zinnen gemeen hadden en had daarop vertrouwd toen hij zichzelf deed gelooven, dat ze ten minste niet op die wijze den naam, dien ze droeg, tot schande zou maken.
Eén oogenblik trilde hij van woede bij de gedachte; maar toen glimlachte hij; de stem, die tot hem doordrong, was die van Marie’s broeder.
Wie Rudolf Bastoort eenmaal in het laaghartig gezicht, in de listige oogen gezien had, wist, dat die man gewantrouwd moest worden. Reijkman had meer dan één staaltje ontvangen van zijn laagheid. Maar hij had hem, omdat hij de broeder zijner vrouw was—anders had hij hem gaarne zien hangen—uit zekere moeilijkheden gered. Na de laatste „moeilijkheid” echter verbood hij hem het huis, met bedreiging hem als dief en opiumsmokkelaar te doen opvatten, als hij het waagde zijn erf te betreden—vandaar dit bezoek in het holle van den nacht.
„Och, Marie, kassian toch met je broêr,” riep de door drank en uitspatting heesche stem, een wanklank in de heilige stilte van den nacht.
„Kassian met jij,” siste het snerpend geluid Henri zoo wèlbekend uit Marie’s oogenblikken van hevige drift, „kassian met jij? Jij moet zelf weten. Wie schulden maak, die betaal! Jij bent niet gek genoeg om hulp te verwachten van mij?”
„Je begrijp misschien niet, Marie! Ze zetten me in den boei. Ze hebben ampioen gevonden bij mij in huis. Ik moet afkoopen.…”
„Ampioen gevonden.…? Heel goed! ’k Heb lang verwacht.… ’k Ben blij.…”
„Ik moet honderd gulden hebben, Ria! minstens!”
„Al moest je een gobang hebben, jij krijg niet van mij,” zegt de zuster bepaald. „Nu, ga weg!”
De heer Rudolf Bastoort stort thans zijn gevoel uit in een walgelijk dronkemansgeween.
„Waarom moet jij spelen, dronkenlap? Ben je een grooten mijnheer misskien?”
„Neen,” zegt de broeder, terwijl hij eensklaps de onharmonische uiting zijner droefheid staakt. „Maar jij bent een groote mevrouw; jij kunt betalen en.… jij moet.… jij moet.…!”
„Moeten?” vraagt ze, ziedend van toorn. „Moeten?”
„Ik zit in de benauwdheid, Ria, ik ben verloren.…” kermt hij.
„Marie?!”
„Ga weg, zeg ik. Ik roep de jongens! Ga weg, ja?”
„Niet vóór ik het geld heb!”
„Ben je gek, kerel?” gilt ze buiten zich zelve.
„Dat vroeg je niet toen ik je helpen moest om …”
„Voor wat diam? Ik geef nergens meer om. Ik ga alles vertellen …”
„Je bent niet brani. Je bent veel te bang.… laffe dronkaard …”
„Bang dat ze jou hangen zullen? Och neen, ik zou het met pleizier zien! Je hebt het aan mij verdiend, nog veel meer dan aan mijnheer Reijkman …”
„Jij hangt ook! Net zoo goed! Jij hebt me de vergift gegeven,” zegt ze met haar valschen lach.
„Maar jij hebt het hem in de soep gedaan en in de koffie! Wat kan mij schelen, of ze me in de gevangenis zetten, daar kom ik toch in!”
„Nu, ik zal … hoorde je daar niets? Ja, ja! een voetstap … ja, ik weet zeker … Als je me hebt verraden … ik vermoor je!”
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Pas verbleekten de sterren, pas kraaide de haan, toen Onno uit zijn slaap werd gewekt door het binnentreden van Reijkman. Verbaasd rees hij overeind en nauwelijks had hij bij het matte schijnsel van het morgenlicht hem in het gelaat gezien, of met een kreet van schrik was hij uit het bed gesprongen.
„Henri?! Wat is er gebeurd? Een nieuw ongeluk?!”
„Neen. Het oude ongeluk maar. Onno, geef me de hand! Ik heb je leelijk behandeld, oude vriend … ik heb je miskend …”
„O, dat is niets … laat ons daar niet van spreken.”
„Jawel, ik had het niet moeten doen. Maar ik kon het maar niet vergeten, dat jij het waart, die me met Marie hadt laten trouwen. Ik wist toen niet waarom je het deedt … het was om mij te redden, niet waar mijn jongen?”
„Weet je het?… Hoe heb je het ontdekt?…”
„Ik weet het; laat dat je genoeg zijn. Ze had me vergiftigd, niet waar? Je hebt heldhaftig gezwegen.… en ik heb je schandelijk gegriefd … Kun je me vergeven … mijn oude vriend?”
„Vergeven? Henri!”
„Dwaasheid! Maar.… je kende me zoo goed, Onno, tien jaar lang.… je hadt het kunnen, je hadt het moeten weten dat het leven geen waarde voor me hebben zou als ik het tot dien prijs behield. Ik, verbonden aan een gifmengster! Ik, getrouwd met een moordenares!”
„Reijkman, je weet het nu.… je kunt je nu vrij maken! Wat verhindert je haar aan te klagen.… haar schuld is bewezen en.…”
„Stil! ’t is de moeder van mijn kinderen! Ik bid je, spreek daar nooit van. Hoor je, nooit! nooit! Ik mag daar niet aan denken.… Ik mag niet! ’t Zou de naam van mijn kinderen zijn, die ik voor altijd prijs gaf.… Ze hebben immers haar bloed in de aderen.… En toch.… o God!.… als ik haar aanklaagde en ze werd veroordeeld.… Onno! dan zou ik vrij zijn! Vrij! Begrijp je wat dat zeggen wil?.… Vrij om.… maar neen, neen! Ik mag niet! Ze is Edith’s moeder.…”
„Mijn arme vriend!”
„Ik moet rust hebben. Ik ben nog niet te bed geweest.… je zult me van morgen waarschijnlijk niet zien in de fabriek.… adieu!”
„Henri, laat me met je meegaan.”
„Waarom?”
„Omdat.… neen, geloof me, ’t is beter dat er iemand bij je is. Je bent overspannen, je.…”
„Zeg het maar, mijn jongen, je vreest dat ik me van kant zal maken.… Is ’t niet zoo? Wees gerust Onno. Er komt een oogenblik in het leven waarop het vreeselijkste ons niet meer onvoorbereid vindt, een oogenblik, waarin we door ervaring geleerd, het ergste verwachten! En dan.… laat me je dit zeggen, sinds ik het heengaan van Edith overleefd heb, kan er voor mij geen sprake meer zijn van zelfmoord.”
VII.
De oostmousson is aangebroken en met den oostmousson een reeks van overheerlijk schoone dagen.
De zon verrijst des morgens aan een wolkeloos blauwen hemel en schenkt haar glanzen en stralen aan het heerlijk groenend landschap, kwistig en zonder voorbehoud, als een jong meisje haar lachjes. Tegen de helling van den Ardjoeno liggen de uitgebreide riettuinen zich te blakeren in den gloed; de rechte stammen, in rijen geschaard, gelijken een leger van soldaten met hier en daar de wuivende pluimen der aanvoerders.
Ook voor dit leger nadert de vijand.
Reeds ging er in de laatste dagen als een rilling door de gelederen; er steeg een onheilspellend gerucht op van uit de vlakte en weldra werd de vrees bewaarheid: bij het eerste ochtendgloren naderden de koelies met hunne kapmessen om de schoonste en krachtigste te vellen.
Het was voor het maalfeest; de dag der dagen voor een suikerfabriek, de dag die op Soeka-madjoe met groote plechtigheid, met veel omhaal en drukte gevierd wordt, zooals trouwens past voor zulk een rijke, voorspoedige onderneming.
Reeds gister, en eergister vooral, tegen het vallen van den avond, kwamen de inwoners der naburige dessa’s toestroomen; de nieuwe morgen brengt ze nog steeds in grooten getale.
Aan hun adat getrouw, loopen ze als de ganzen achter elkaar en vormen zoo een bont-gekleurd lint, kronkelend langs de zonnig witte wegen, die, nu stijgend, dan dalend, met het donkergroen van palm en waringin tot achtergrond, met het zilver der kali omboord, een uiterst vroolijk en teekenachtig effect maken.
Jong en oud, rijk en arm, aanzienlijk en gering zijn opgekomen en er is veel toilet gemaakt.
Hooggele en hardblauwe zijde, grasgroen en lilas satijn, helrood katoen, gestreept, geruit of geparsemeerd, ziedaar de geliefkoosde kleuren der mannen; enkelen hebben zich gewaagd aan rose, hemelsblauw of zeegroen, maar de uitwerking daarvan op hun bruinen tint is verpletterend; anderen hebben zich vergaapt aan groote kleurige patronen met het gevolg dat ze op zebra’s en tijgers gelijken of op wandelende stukken weiland, bezaaid met reusachtige boterbloemen.
De vrouwen verkozen stemmiger tinten; de rijken dragen een baatje koeroeng van zwarte zijde, de armen van donkerblauw katoen; jonge, knappe gezichten krijgen iets frisch door vroolijke sitzen of neteldoek kabaiaas; de dansmeiden schitteren boven allen uit door bonte slendangs, voorzien van veel franje en veel goud.
Het systeem getrouw dat aan het toilet der Javanen ten grondslag ligt—alles bedekken en toch zoo min mogelijk te raden overig laten—zijn de fraaigeronde armen als worsten gestopt in nauwe mouwtjes, zijn de goedgevormde beenen der mannen gedrongen in kleedingstukken die ze omsluiten als het vel den paling; is de sarong getrokken om de slanke heupen, als wilde de javaansche het onze Yerseys en corsets cuirasse verbeteren.
Behalve de zwarte oogen en de met dubbele hoeveelheid klapperolie gezalfde hoofden schittert er veel goud en zilver in het zonnetje; ook enkele echte en veel valsche diamanten; de mannen, die er overigens vreedzaam genoeg uitzien, dragen prachtige krissen op zijde, de vrouwen torschen gouden buikbanden, veel ringen en veel spelden in het haar of op de borst, maar de deftigheid, de eigenlijke chic hunner kleeding moet toch in al dat moois niet gezocht worden: die wordt gevonden in den kain.
Er zijn kain kapala en kain pandjang, sarongs en slendangs uit alle oorden van Indië, in de wonderlijkste patronen en bontste kleuren, Palembang en Solo, Djocja en China zijn vertegenwoordigd en straks, als de heeren echtgenooten verdiept geraken in wajang of tandak zullen de dames elkaar van meer nabij bekijken, het doek tusschen de vingers nemen, wrijven, beruiken en ruilingen aangaan, waarvan ze, thuis gekomen, spijt hebben.
Nu en dan ontstaat er in den zich langzaam voortbewegenden stoet een klein oponthoud. ’t Is als een reiswagen reeds van verre zijn nadering aankondigt door geschreeuw en zweepgeklap; ook als een américaine of lichte mylord komt voorbijsnellen met gasten voor den administrateur; soms ook is het een dogcart of bendie, die zijn min of meer bruingetinte vracht afzet voor de nette huisjes der employés; meest echter tjikarveers, volgepropt met Javanen.
Toch wordt eindelijk ook door de laatste voetgangers het doel hunner wenschen bereikt. De groote witte pilaren, waarop in vergulde letters Soeka-madjoe prijkt, komen steeds nader en weldra ligt het uitgebreid terrein, waarop de feestelijkheden zullen plaats vinden, in het helder zonlicht, vroolijk en uitlokkend met zijn talrijke eerepoorten en triomfbogen, met zijn vlaggen en wimpels, zijn juichende menigte.
Ook de weg die van de fabriek naar het woonhuis voert, is versierd en op dien weg zijn aller oogen gevestigd, zoodra de gong zijn negen slagen heeft doen hooren.
Eensklaps barsten de gamelans los in hun vroolijk giro; van de breede marmeren trappen daalt een lange stoet van dames en heeren; de regent en de resident onder hun gouden pajongs, inlandsche hoofden, de geldhebbenden en machthebbenden uit den omtrek, geflankeerd door hunne wederhelften, maar niet, zooals in Holland het geval zou zijn, gevolgd door veelbelovend kroost: de zonen zijn in Europa, de dochters òf nog in broek en baadje, thuis, òf reeds getrouwd.
Drukte en gejoel wordt niet gevonden onder een javaanschen volkshoop, maar als nu onder een opwekkenden marsch der inlandsche muziek de wolanda’s nader komen, ontstaat er een golvende beweging in de veelkleurige massa, en vroolijk dringt alles vooruit, met blijde verwachting op de bruine aangezichten.
Weldra is het doel van den optocht bereikt.
Zooals de bruid wordt getooid voor den gewichtigen stond, waarin ze het zorgeloos jongemeisjes-leven verwisselt voor de ernstige plichten der vrouw, zoo tooit men ook den molen eener suikerfabriek voor den morgen, waarop hij uit zijn rust wordt gewekt om, met inspanning van al zijn krachten, het werk te aanvaarden.
Een tent van rood en wit doek is gespannen over de raderen, die straks in full speed de rietstokken gaan verbrijzelen; bloemruikers, guirlandes, wimpels, vlaggen en vuurwerken hangen in kwistigen overvloed van die tent af.
Ook hier is, als bij zoo menige andere gelegenheid, door den Europeaan een offer gebracht aan het inlandsch bijgeloof.
De toorn der machine—voor den Javaan een machtig wezen, bezield met menschelijke gevoelens en hartstochten—de toorn der machine moet verzoend worden. Hij wil bloed zien … en als niet aan zijn koninklijken wil gehoorzaamd wordt, zal weldra een flink werkman of vroolijk knaapje verpletterd liggen tusschen zijn raderen … Maar de bloedende kop van een karbouw werd boven den topcylinder opgehangen … men kan gerust aan ’t werk gaan.
’t Is den Javaan echter niet genoeg, dat de toorn der booze geesten is afgewend, ook de goede geest moet zijn zegen geven.
De gamelans zwijgen, heeren en dames scharen zich in wijden kring, de inlanders staan rondom, en in de groote plechtige stilte, die eensklaps onder die woelige menschenmassa ontstaan is, treedt een pengghoeloe naar voren.
De priester draagt den oogst en het werk, dat men op het punt staat te beginnen, in Allah’s hooge bescherming op; de Javanen vallen in met hun „Amil, Amil!” het gebed wordt uitgesproken, enkele godsdienstige plechtigheden volbracht en de pengghoeloe heeft het zijne gedaan.
Nu volgt een ceremonie van meer vroolijken aard. Alles dringt dichter naar den molen; de stoom, vooraf opgemaakt, begint te werken, de raderen zetten zich langzaam in beweging en de administrateur van Soeka-madjoe, met de schoonste rietstokken in de hand, nadert den resident.
Hij wil hem de eerste vrucht van zijn oogst aanbieden, maar.… naast den resident staat zijn dochter, een blonde Céres gelijk in haar wit kleed met de frissche korenbloemen—en als door een plotselinge gedachte bezield legt Henri Reijkman den rietstok in hare handen.
Een luid hoera breekt los nu Constance blozend en verlegen naar voren treedt en het riet onder den molen plaatst; de gamelans juichen, de muziek speelt haar vroolijkst airtje en weldra knallen de kurken van de champagneflesschen, terwijl heeren en dames nadertreden om den molen van rietstokken te voorzien.
Eindelijk zal aan de laatste formaliteit voldaan worden. De karbouwenkop wordt afgenomen en in plechtigen optocht met volle muziek, onder het afsteken van vuurwerk, het oorverdoovend geknal van mortions en geweren, op eenigen afstand van den molen gebracht en daar begraven.
Maar dan breekt ook het oogenblik aan, het oogenblik dat voor den inlander het schoonst van den dag is.
Bergen van rijst in verschillende kleuren en vormen, in bladen gevlochten of gevouwen, toebereid met heete spijzen en ongewoon smakelijk door den overvloed van vleesch en visch, die iedere rijstmassa verzelt, verdwijnen als door tooverij, weggespoeld met veel koffie, bier en toebereid ijswater. Het is haast onbegrijpelijk hoe de eigenaars van die meer dan gevulde magen opgewektheid kunnen gevoelen om deel te nemen aan de volksspelen, maar toch! nauwelijks weerklinkt de muziek die hen naar het strijdperk roept of langzaam rijzen de Javaantjes overeind.
Nog langzamer en niet zonder eenige inspanning gorden ze den buikband—dien ze straks gemakshalve losgespten—wederom aan en begeven zich, gevolgd door vrouw en kinderen, met loome schreden naar de arena.
Het is er verre van daan dat hier Olympische spelen zouden gevierd worden. Alle hollandsche grappen en aardigheden zijn op javaanschen bodem overgebracht. Er wordt stroop gelikt, mast geklommen en zak geloopen. Toch—geheel hollandsch is het niet!
De prijzen bestaan hier noch uit hammen noch uit bonte zakdoeken, noch uit baaien inexpressibles, en in plaats van den krachtigen vloek of het ruw bon mot waarmee onze sjouwers en boeren hun gevoel lucht geven, bewaart de inlander een diep stilzwijgen; bij neêrlaag zoowel als zegepraal, drukt de welbeheerschte tronie van den gelukkige, die een kostbaren kain uit den mast haalt, hetzelfde uit als die van den rampzalige, daareven van de boegspriet getuimeld, terwijl hij zonder hoofddoek en met een bedorven baatje staat uit te druipen.
Er is voor de spelen een lommerrijk plekje gekozen, en waar de waringins het dichtst zijn is een aardig tentje opgeslagen opdat de gasten kunnen toezien. Luid gelach en vroolijke scherts weerklinken daar, maar weldra wordt toch het zonnetje zóó warm en het licht zóó schel, dat het voorstel van den administrateur om zijn koele woning te gaan opzoeken, algemeen bijval vindt.
De rijsttafel wacht en nu volgen dames en heeren het voorbeeld hunner bruine broeders; de eetlust laat ook hier niets te wenschen over en ook hier zal na het overvloedig maal een weinig rust niet onwelkom zijn.
Weldra begeven de gasten zich naar hunne kamers om—o woord vol zoete beteekenis voor den Indo-Europeaan!—om zich lekker te maken!
Schoenen en kousen die benauwen, corsetten die al te weelderige vormen beklemmen, halsboorden, die dikke halzen tergen, ze worden losgetrokken en met onverdiende hardheid neergesmeten; haardossen verdwijnen, bedaklagen worden afgewasschen en sarong en kabaia met smachtend verlangen uit de handen der baboes aangenomen.
Ontdaan van alle banden, lang uitgestrekt in het ruime, koele bed in het halfdonker met de gesloten jaloeziën, doen een paar uurtjes rust wonderen; een frisch bad en een geurig kop thee verrichten het overige en tegen den tijd dat de zon wegschuilt, komen dames en heeren met nieuwen glans te voorschijn.
VIII.
Buiten beschijnt de maan het vroolijk tooneel, waar de Javanen zich geschaard hebben om den wajang; binnen verlichten talrijke lampen de ruime galerij, waar de tafel is aangericht.
’t Is een prachtig diner.
Op het fijn damast glinstert zilver en kristal in rijken overvloed; geurige bloemen zijn met kwistige, smaakvolle hand aangebracht; de schatten, die het meer en het woud opleveren, de fijne wijnen en uitgezochte gerechten uit de welvoorziene goedangs, komen achtereenvolgens het verhemelte streelen; het dessert munt uit door ongewone délicatesses.…
Jammer dat de heerlijke toebereiding van den reebout, de geur der ragouts, het croquante van het speenvarken enkele heeren telkens herinnert aan de diners op Soeka-madjoe in den tijd, toen mevrouw Reijkman nog Njai Marie was.
Thans zit ze aan het hoofd van de tafel.
Mooi is Marie nooit geweest, maar tien jaar geleden zag ze er vrij aardig uit met haar tengere vormen en rond gezichtje; nu is ze in omvang toegenomen en, ofschoon nog geen vijf en twintig jaar, begint ze reeds tanig en oudachtig te worden, terwijl de groote fonkelende oogen, die vroeger het donker gelaat eenigen glans gaven, tegenwoordig slechts ter sluiks opgeslagen en de witte tanden zelden gezien worden, even zelden als de vroolijke lach.
Zou ze in sarong en kabaia onbevallig zijn, in europeesche kleederdracht is ze leelijk en, wat erger is dan leelijk, belachelijk.
Het parijsch corset is niet gemaakt voor de welgevormde maar korte taille, de lange sleep van den donkerrooden japon slingert op de zonderlingste wijze heen en weer bij haar sarongstap; de voeten bewegen zich moeilijk in de hooggehakte schoenen; het valsch kapsel, waarin ze met moeite haar lang, dik haar dwong, drukt haar de hersens; de geplooide kraag, die den hals omsluit, schijnt door de wraakgodinnen uitgedacht om de gifmengster te herinneren aan de straf, die haar toekomt. Niettegenstaande dit alles geniet ze, geniet ze onuitsprekelijk.
Immers, het is de eerste gelegenheid waarbij ze optreedt als vrouw des huizes; ’t is voor de eerste maal dat het maalfeest gegeven wordt, sedert zij, nu twee jaar geleden, mevrouw Reijkman werd.
De tijd, waarin ze zich schuil moest houden voor de gasten en hen bedienen van achter het groote scherm, is voor altijd voorbij; de hooggeplaatste bezoekers, die toen veinsden haar niet te zien; hunne dames, die toen het hoofd zouden hebben omgedraaid, als ze haar toevallig ontmoetten; de jongelui die toen haar aanstaarden met onbeschaamde blikken, zij allen moeten nu voor haar buigen, zij allen moeten haar nu erkennen als de wettige vrouw van Henri Reijkman.
Wat deert het haar, dat op het eenmaal zoo vroolijk gelaat van haar echtgenoot de diepste wanhoop te lezen staat, dat er geen glimlach heeft gespeeld om zijn bleeke lippen, sinds dat hartverscheurend oogenblik, toen Edith er voor de laatste maal een kus op drukte; wat deert haar zijn koele terughouding, hij kan zijn huwelijk toch niet ongedaan maken!
Wat deert het haar, dat Onno haar noch de achting betoont, noch de beleefdheid bewijst, die hij als eerste geëmployeerde van Soeka-madjoe, aan de vrouw van zijn principaal verschuldigd is? Hij kan haar plagen zooveel hij wil; niet meer benadeelen nu zij eenmaal mevrouw Reijkman is.
Wat deert het haar ook, dat de resident zijn gastvrouw niet schijnt te zien, dat de suikerlords, hoewel zelf vrij beleefd, vergaten hun vrouwen aan haar voor te stellen, dat enkele dames haar uit de hoogte behandelen, anderen gichelen en fluisteren zoodra ze niet langer in haar nabijheid is—ze kunnen haar toch niet verdringen van haar plaats!
Neen! dat alles deert haar niet!
Maar wat haar wèl deert, wat nu en dan een onheilspellend licht doet opvlammen in haar donker oog, wat haar maanden lang reeds vervolgt als een schrikbeeld, wat haar reeds menigmalen, als ze na een bangen nacht eindelijk insliep, knersetandend deed ontwaken, dat is het blonde kind met de blauwe oogen die eenmaal zoo medelijdend rustten op Henri Reijkman’s bleek gelaat, die nu naar hem zijn opgeheven met den vochtigen blik van een dwepend meisjeshart.
De roode frissche lippen lachen zoo onbezorgd, het blanke voorhoofd is zoo rein, geheel de uitdrukking van het fijnbesneden gelaat zoo edel, geheel de vorm van het ranke lichaam zoo meisjesachtig, zoo kinderlijk nog bijna, dat men een Marie Bastoort zijn moet om iets zondigs te zoeken in de verhouding van Henri Reijkman en Constance van Raatshove. Maar zij meent er dat zondige in te vinden en met gebalde vuisten en kloppend hart slaat ze hen gade, en in haar verhit brein komen gedachten op, die haar doen verbleeken en beven te midden van het feestgewoel.
’t Is middernacht.
De sterren flonkeren met gouden glansen aan het azuur van den effen blauwen hemel, de nachtbloemen openen haar kelken en geuren als wisten ze hoe kort haar bloeitijd zijn zal, de vlinders dwarlen halfbedwelmd rondom. Een frissche koelte daalt van den Ardjoeno en komt de verhitte gezichten aanraken van de honderden mannen en vrouwen, die geschaard liggen rondom den wajang of genieten van de bevallige dansen en het onharmonisch gezang der ronggèngs.
Uit de ruime pendoppo der administrateurswoning klinkt vroolijke muziek en de paren zweven op de maat eener wals, die steeds sneller, steeds wilder wordt.
Het is niet alleen de jeugd, die hier danst: oud en jong doet mede; de resident heeft het bal geopend met de gade van den grondbezitter; te zamen dragen ze een eeuw op de schouders, maar het hart bleef jong en de voet vlug; een weeuwtje wier volwassen zoon in Holland gelukkig geen getuige kan zijn van mama’s aanvechtingen naar de vreugden des levens, draait lustig in de rondte met den geëmployeerde, wien het eerste dons om de kin speelt; een grijze overste heeft een piepjong nonnatje gekozen.…
Er zijn echter ook andere paartjes, jong en onbezorgd, vroolijk en bevallig, aardig om aan te zien. Maar geen schooner onder die allen dan de forsche en toch zoo slanke gestalte van den gastheer, met zijn dame, die er uitziet als een engel in haar wolken van wit, haar guirlandes vergeet-mij-niet, den krans in de goudglansende krullen.
Ze rust in de armen, die haar omvatten, ze geeft zich geheel over aan het genot van den dans, en hij sluit haar vaster aan zijn borst, en staart in het schitterend blauw dier welsprekende oogen en—had hij tot heden toe slechts een zucht in antwoord op de taal dier oogen, nu fluistert hij en droomt—en in zijn droom hoort hij het rammelen niet van den keten, die achter hem aansleept.
Uit den donkersten hoek van de groote pendoppo volgen een paar ernstige oogen het schoone paar; met warme bewondering maar met teedere bezorgdheid ook.
Eindelijk rijst Onno overeind uit zijn verborgen plekje. Hij treed haastig voorwaarts; hij legt zijn hand op Henri’s arm, zoodra deze zijn dame verlaten heeft.
„Henri!” fluistert hij.
„Wat is er?” vraagt deze eenigszins ongeduldig.
„Marie ziet je!”
„Onno! één avond, één halven nacht van geluk maar!” vraagt Reijkman smeekend.
En Onno laat hem los en treedt naar buiten; hij ziet op naar de sterren, die glimlachen en vroolijk knipoogen, want ze zijn te verre af om het lijden der menschen te zien, en peinzensmoê spreekt hij de vraag uit, die zijn ziel beroert, de vraag die in dit uur als in zooveel andere uren zijn warm, trouw vriendenhart vervult: „Is hij dan gedoemd tot het ongeluk, levenslang?.… Kan er dan niets, niets voor zijn verlossing gedaan worden?.…”
Maar de sterren glimlachen en knipoogen steeds voort en antwoorden niet. Wilder klinkt de muziek, luider het gegons der vroolijke stemmen, maar het zijn niet de blijde tonen die hem weer naar binnen drijven: het is het onbestemd voorgevoel van een naderende ramp.
Hij moet weten wat er voorvalt. Henri,—dit heeft hij straks bespeurd aan zijn fonkelend oog, aan zijn koortsig gloeiend gelaat—is zichzelf niet; hij zou in dezen nacht van verrukking en opgewondenheid de grootste onvoorzichtigheid begaan; ook het schoone kind met den krans van vergeet-mij-niet weet niet welk gevaar haar dreigt; maar om Marie’s lippen speelt nu en dan de koude wreede grijnslach, dien hij somtijds heeft gezien in Henri’s ziekenkamer, en hij weet dat er dan gewaakt moet worden.…
Hij volgt de donkerroode japon met zijn strakken blik, waarheen zij zich ook beweegt; hij ziet hoe ze orders geeft aan de bedienden, niet flink en bepaald als gewoonlijk, maar verstrooid, hoe ze het eene glas champagne na het andere leegdrinkt en toch niet vroolijk wordt, hoe ze met de zwarte oogen één wit punt volgt in de balzaal.…
Weldra komt de wreede koude grijnslach niet meer nu en dan om de bleekblauwe lippen spelen, maar blijft en schijnt zich te verspreiden over geheel het strak gelaat, tot zelfs in de oogen.… als Onno dat ziet, grijpt een groote angst hem aan: hij moet zijn waakzaamheid verdubbelen.
Op eens—daar wordt de roode japon niet meer gezien in de balzaal. Ieder is te zeer met zichzelf vervuld om haar te missen, die daar nu langzaam de breede trappen der pendoppo afdaalt en, als had ze behoefte aan een weinig frissche lucht, den bloemtuin achter het huis begint op en neder te wandelen.