GEKETEND. (continued 2)
Reading edition
Ze loopt zoo bedaard mogelijk en niet zonder nu en dan eens stil te staan om aan een roos te ruiken of haar kleed beter op te nemen; ze kiest de zijde van het huis door haar bewoond; dáár verdwijnt ze een oogenblik in haar kamers en als ze wederom te voorschijn komt, neemt ze het kleed met de linkerhand te zamen; de rechter is niet meer vrij.…
Nu strekt ze haar wandeling wat verder uit; ze neemt den kant van de bijgebouwen; eerst rechts, naar de bediendenkamers; dan links naar de logeervertrekken.…
’t Is hier doodstil; geen sterveling beweegt zich, de logées zijn in de balzaal, de jongens en meiden bij de ronggèngs.
Al de kamers zijn gesloten, ook die waarvoor Marie nu stilhoudt. Maar ze weet, dat het knipje van de jaloezie gebroken is, ze duwt er zachtkens tegen aan, het springt open en, daar het venster niet gesloten werd, kan ze nu over het vrij lange kozijn de kamer binnenklimmen.
De half neergedraaide lamp verspreidt een flauw en schemerachtig licht in het vrij ruim vertrek.
Marie kijkt rondom zich. Een paar kleine slofjes staan voor het bed; op de toilettafel ligt een gebroken waaier, een gouden armband; het witte kleedje met de korenbloemen, dat Constance van Raatshove heeft gedragen dien morgen, hangt aan het schutsel.
De kamer ziet er uit, zooals iedere andere waarin een jong meisje zich voor het bal heeft gekleed, met bloemen en kanten en strikken overal verstrooid. Maar in deze kamer is een bedwelmend zoete geur, in deze kamer prijkt op het midden van de marmeren tafel een heerlijke, witte bloemtros.… Marie weet dat het de schoonste en zeldzaamste is der orchydeën, die Henri met zooveel zorg kweekt.…
Als uilengekras, zoo onheilspellend weerklinkt haar akelig schorre lach door de stilte van den nacht; fluisterend, of ze vreesde voor haar eigen stem, spreekt ze: „Ha, ha! mooie meisjes worden warm van het dansen.… ze krijgen dorst, ze willen slapen, droomen van den knappen mijnheer … ze drinken, drinken!.… Het witte gezicht blauw, de roode wangen blauw.…”
Daar slaakt ze een rauwen gil. Ze heeft opgezien in den grooten spiegel tegenover haar; ze heeft een gloeienden blik ontmoet, gloeiend van haat en wraak, gloeiend van razende woede.
Lang blijft het doodstil in Constance’s slaapvertrek. Als een tijger heeft Onno van achter zijn prooi besprongen en zóó plotseling was de aanval, zóó vast grepen de ijzeren vuisten, zóó krachtig nijpen ze, dat de gifmengster geen geluid kan voortbrengen. Nu … ze worstelt als een bezetene, ze tracht zich los te wringen, hem omver te werpen, ze bijt hem in de handen, ze krabt hem het gelaat tot bloed …
Eindelijk is hij den strijd moede.
Een ijzeren vuistslag komt neder op het hoofd, dat zooveel monsterlijks uitbroedde. Als ze bewusteloos achterover valt op den grond, zet Onno haar de knie op de borst.
Dan grijpt hij den gendie.
En als ze ontwaakt uit haar korte bezwijming, ziet ze vlak boven haar gelaat die vurige oogen vol haat, dien mond schuimend van woede, hoort ze het bevel dat haar doodvonnis is: „Drink!”
Maar neen, ze wil niet drinken! Ze moet leven! Ze rukt zich los, ze kromt zich als een slang, ze kruipt en wentelt zich, ze smeekt om genade; dan tracht ze hem het glas uit de handen te slaan.
Maar eindelijk begrijpt ze dat de kansen niet gelijk staan, hij is even listig en veel sterker dan zij. Ze heft een vreeselijk gegil aan, schor en woest. Ze schreeuwt om hulp, haar antwoorden de tonen van den vroolijken galop, en in haar verbeelding ziet ze Henri daarhenen zweven, stralend van geluk, met het blonde meisje in zijn armen … zooals hij háár nooit, nooit in de armen hield!
„Neen! neen! Ik wil niet sterven! Zij zal hem niet hebben,” gilt ze. „Ik moet leven.”
Maar daar sist het vlak bij haar oor: „Gifmengster! Hij zal haar trouwen … niet gedwongen, maar uit vrijen wil … En hij zal haar lief hebben … En ze zullen gelukkig zijn … En nu, drink!”
Maar ze houdt de tanden vast opeengeklemd, de lippen gesloten; dan woelt ze door de lange, losgemaakte haren, waarin nog de juweelen schitteren.…
Onno buigt zich dieper over haar heen; de tegenstand wordt zwakker, steeds zwakker … hij giet haar het gif in de keel, tot den laatsten droppel toe!
Daar flikkert iets in de schemering. Onno grijpt naar zijn borst.… een vreeselijk stekende pijn!.… ruggelings valt hij achterover.…
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Het is vijf uur in den morgen. De starren verbleeken en grijs en kleurloos breidt de hemel zich uit over den Ardjoeno; de gamelans zwijgen, ook de dansmuziek heeft opgehouden.… men maakt zich gereed tot scheiden.
Nu wordt de gastvrouw gemist.
Eerst zijn de groote galerijen, dan Marie’s vertrekken, dan geheel het huis, eindelijk zelfs de tuin doorzocht.… ten laatste vraagt Reijkman zijn logées in hun kamers te willen zien.…
Wat is het, dat hem drijft om zelf den sleutel te zoeken van die kamer links? Wat is het dat hem er toe brengt door de geopende jaloezie naar binnen te springen, nog vóór de deur ontsloten kon worden?…
De lamp is uitgegaan, maar bij de vale ochtendschemering ziet hij midden in het vertrek, op den grond, een verwarde massa, als in één grooten bloedplas.
Hij stoot de vensters open en.… neen, ’t is geen bloedplas, dat purperkleurige, ’t is de roode japon van Marie. En die akelige, bleekblauwe vlek in het midden met de zwarte slangen die ze omkronkelen, dat is Marie’s gelaat, dat zijn Marie’s lange haren!
De doodsstrijd heeft afschuwelijke sporen achtergelaten op het door woede en wanhoop verwrongen gezicht.… Maar dicht naast het hare ligt een ander, bleek en strak.
Henri Reijkman knielt zachtjes neêr bij den getrouwe; hij legt het moede hoofd aan zijn borst, hij drukt een langen kus op de bleeke lippen, hij roept luide den naam van zijn vriend.
„Henri?! O, dat is goed!” fluistert een zwakke stem.
„Onno, wat is er gebeurd?” vraagt Reijkman in de vreeselijkste spanning.
„Ze heeft niet gedronken?” fluistert de zwakke stem.
„Wie? Marie?”
„Het meisje met de vergeet-mij-nietjes?”
„Onno?… O God! nu begrijp ik het. Zij had haar willen vergiftigen … En o, mijn trouwe vriend, je hebt gewaakt over Constance?”
„Heb ik goedgemaakt, wat ik misdeed, Henri?”
„Ja, ja! duizendmalen! Maar Onno, wat deert je? Wat heeft ze je misdaan? Antwoord! Antwoord!”
Onno wijst op den langen, scherpen haarnaald, waaraan een diamant fonkelt.
„Die heeft ze me door het hart gestoken.”
„God! Laat me hulp roepen.… Onno, je moogt niet sterven!”
„Neen, neen! Blijf zoo zitten.… Laat mijn hoofd zoo liggen.… En zeg het nog eens en nog eens, dat ik alles heb goedgemaakt.… dat je nu gelukkig zult worden.… Zeg het, Henri!.…”
En terwijl Henri al zijn smart uitspreekt in één lange stomme omhelzing, terwijl heete tranen neerstroomen op het bleeke voorhoofd, terwijl hij woorden stamelt van eeuwige dankbaarheid en het uitroept dat de trouwe vriend nimmermeer zal vergeten worden in zijn huis, komt in den dood het donker gelaat een glimlach verhelderen, zoo liefelijk en zacht, zoo zalig en tevreden, als nooit te voren.

Bij den Uitgever dezes is mede verschenen, van
ANNIE FOORE.
Florence’s Droom.
Ingenaaid ƒ 0.60.
In Prachtband ƒ 0.90.
EEN FAMILIEGEHEIM.
Ingenaaid ƒ 0.60.
In Prachtband ƒ 0.90.