In Midden-Bretagne.
Reading edition
Naar het Fransch van Gustave Geffroy.

Winkel in Ploërmel. Straat in Ploërmel. Huis van den hertog de Mercoeur.
Bij Châteaubriant ga ik mijn reis door Midden-Bretagne beginnen. Dat langgerekte plaatsje ligt aan de Chère, in een gordel van overblijfselen der vroegere wallen en een breede olmenlaan op de plek der dichtgeworpen grachten. Oude steenen en mooie boomen dus als omgeving van een stadje, waar eenige huizen met puntgevels als verloren staan in zindelijke, smalle straten. De industrie, die een tijd lang bloei en leven bracht, maar die nu bijna verdwenen is, was de lederindustrie. De groote herinnering is er Françoise de Foix, gravin van Châteaubriant. Zij heeft op het kasteel gewoond of liever op verschillende kasteelen, en elk dier woningen is als een illustratie van haar avontuurlijk lot, want hier gaan, als zoo vaak, legende en historie hand aan hand en moeten met elkander wel verward worden, zoo innig mengen zij dooreen hun leugen en hun waarheid.

Boer uit Pontivy.
Nemen wij ze, zooals ze zich aanbieden, ons voorbehoudend later voorzichtig een oordeel uit te spreken. Françoise de Foix, dochter van Jean de Foix, vicomte van Lautrec, vermaagschapt aan het huis van Navarre, kwam uit het Zuiden over, om, toen zij pas twaalf jaren telde, te worden uitgehuwelijkt aan Jean de Laval, graaf van Châteaubriant, die zich met zijn kindvrouwtje opsloot in zijn leenheerlijk kasteel. Dit is het eerste tooneel van Françoise’s leven, en wat er verder volgt, ziet er woest en dreigend uit, een ingang, door twee torens bewaakt, een ringmuur met vier torens aan de hoeken, een ontoegankelijke gevangenis in ’t midden, en alles vervallen, ingestort, vol bressen en gaten.
De eerste huwelijksjaren sleet zij dus, verborgen voor de wereld in haar ommuurde gevangenis. Toen had er een verandering van domicilie plaats, en ofschoon zij nog wel een gevangene bleef, kreeg Françoise de Châteaubriant toch een wat vroolijker verblijfplaats. Jean de Laval liet bij zijn feodaal kasteel een lustslot bouwen, in 1524 begonnen en pas in 1538 voltooid. Dat is het Nieuwe Slot dichtbij ’t Oude Slot, een klein paleisje in Renaissance-stijl, maar opgetrokken in de schaduw van den militairen bouwtrant, die de Middeleeuwen kenmerkt, een deur tusschen een toren en een torentje, een tuin, waarop de vensters van twee binnengevels uitkomen, ook weer door torens afgesloten; in een dier torens de trap, die tot Françoise leidde, en dan nog een zuilengalerijtje naar een paviljoen, dat tusschen het Oude en Nieuwe Slot gebouwd was.
Wat er daar precies gebeurde, niemand weet er in werkelijkheid iets van. Men zegt, dat ondanks de afzondering, den afstand en de vele bezwaren bij gebrekkige middelen van vervoer, ’t geheim van de begraven schoonheid het hof bereikte, en dat Frans I, zonder haar te kennen op de prooi belust, Jean de Laval verzoeken liet, om met Françoise vóór hem te verschijnen. Na vergeefsche tegenstribbeling bleek er geen ontkomen aan. Er wordt verteld, dat de echtgenoot, zich achter de weigering zijner vrouw verschuilend, aan deze laatste op het hart gedrukt had, niet voor den dag te komen dan op een gegeven teeken; maar dat een kamerdienaar verraad pleegde en dat de gravin verscheen waar haar man haar niet verwachtte.
Hij wist, wat hem te wachten stond en verdween. De gravin werd eerste favoriete en behield haar plaats, tot die door de hertogin d’Etampes werd ingenomen. Hoe liep het verder met haar af? Hier komt de legende aanvullend te hulp. Varillas verhaalt dat, toen Frans I te Pavia gevangen was genomen, de heer van Châteaubriant weer opdook, zich van zijn vrouw meester maakte en haar met haar dochtertje opsloot in een geheel met zwart behangen kamer. Toen het dochtertje was weggekwijnd en stierf, liet de graaf zijn schuldige vrouw door twee geneesheeren aderlaten aan de armen en de beenen, tot zij van bloedverlies en uitputting bezweek.
Als tegenhanger van dit verhaal kan dienen, dat het zoo goed als bewezen is, dat Françoise niet in haar sombere gevangenis stierf, maar op het mooie kasteeltje en wel in 1537, als in ongenade gevallen gunstelinge in rust haar dagen slijtend. Bij Brantôme treft men niet anders dan vermakelijke bijzonderheden aan over haar ervaringen niet alleen met den koning, maar ook met admiraal Bonnivet, en het is niet onwaarschijnlijk, dat Jean de Laval, als zooveel anderen, zijn voordeel trok van de vriendelijkheid des konings en van wat daarvan het gevolg was.
Hetgeen intusschen vaststaat bij het oproepen der schim van Françoise de Foix, dat is haar in puin gevallen oude slot en ’t aardige gezicht op het in stand gebleven nieuwe kasteeltje, waar nu het museum is ondergebracht en waar zich buitendien de gerechtszaal, de gevangenis en de gendarmerie bevinden, en verder ook haar portret, een crayon-portret uit de school van Jean Clouet, bewaard in de nationale bibliotheek. Wij zien haar daar met fijn en ernstig gelaat, het haar in rollen op het voorhoofd en een voorzichtige, wreede gelaatsuitdrukking op de vaste, regelmatige trekken, een italiaansch portret, niet ongelijk aan die van Da Vinci.
Zeggen wij intusschen deze zonderlinge figuur vaarwel, die ons bij den ingang van Bretagne staande hield. Men zou een boek over haar kunnen schrijven, vol waarheid en verdichting; maar wij hebben een langen weg af te leggen en wij moeten zonder verder oponthoud ons op weg begeven.
Van Châteaubriant wil ik over Messac naar Ploërmel gaan; maar eerst word ik nog naar het Noorden gelokt over Le Sel en Janzé tot Châteaugiron. Te Le Sel is een heuvel van 20 M. hoogte, een soort van terp, met boomen beplant en van een dubbele omheining voorzien, en bij Janzé vindt men sporen van een oud romeinsch kamp en den menhir, genaamd den Feeënsteen. Een naar het Noorden loopende weg leidt van Janzé naar Châteaugiron, een tiental kilometers ver door gras- en weilanden en boomgaarden langs schaduwrijke wegen van kastanjeboomen, voorbij prachtige velden bloeiend koolzaad.
Het slot Châteaugiron, vroeger een versterkt kasteel, werd herhaalde malen belegerd. Mercoeur nam het den 24sten Juni 1592 en liet de verdedigers, met hun hoofd Jean Ménager, ter dood brengen aan de galg. Tegenwoordig kan men den bezoekers niet meer den „eik der gehangenen” aanwijzen, den boom, die als galg diende; maar men wijst nog wel de plek aan, waar hij stond. Van het slot is alleen de kapel nog over en enkele stukken muur.
Van daar brengt een naar het Westen loopende weg mij naar Châtillar-sur-Seiche, waar de menschen uit Bretagne, als ze ziek zijn, bedevaarten heen doen, om de relieken aan te raken van den H. Leonard, den heilige van Limousin.
Men is daar niet ver van Rennes verwijderd; maar wij behoeven niet tot die plaats te gaan, om den trein te kunnen nemen. De spoorweg van Rennes naar Redon houdt stil te Brug of liever bij het gehucht Bihardaye. Daar stapte ik in en liet mij te Guichem afzetten. Er was niets te zien, maar ik heb er de herinnering van bewaard als van een rustige aankomst bij avond, van weldadige stilte en een harmonieus oogenblik.
Den volgenden morgen in een grooten omnibus naar de Vilaine. Het was een heerlijk, frisch waterrijk landschap tot Guignen, waar men in de mooie kerk een standbeeld ziet van Jean de Saint-Amadour, vicomte van Guignen, grootmeester der wateren en bosschen van Bretagne. Van daar naar Messac met het kerkje, dat gebouwd is vóór een rots, waarin een grot, gehouden voor de plek van een oud Druïdenaltaar, en dan naar de kleine haven van de Vilaine, waar ’t vol was van schepen met wijn, die op den terugweg met hout werden bevracht. Van Messac ging ik naar Pipriac en van Pipriac naar Saint-Just, waar zeer veel megalithische monumenten te zien waren, menhirs, dolmen, cromlechs en al die oude steenengevaarten en steenengroepen, in rijen en in kringen. Na de monumenten van Carnac zijn deze het interessantste in Bretagne.
En niet enkel vindt men hier zooveel druïdische overblijfselen; er zijn ook een menigte kasteelen. In den driehoek, gevormd door Châteaubriant en Redon aan de basis en Rennes aan den top, vindt men bijna geen groote groepen boomen, of er steken torens en torentjes uit op van het een of ander slot, en er is bijna geen heuvel, of hij draagt een ruïne. Daar hebt ge de overblijfselen van het kasteel der baronnen van Vitré bij den Marcilleplas, ’t kasteel van la Motte au Teil, het slot van Rohan bij ’t bosch van la Guerche, ’t kasteel de Salles en het slot d’Huguères bij Rougé, het slot Véréal en dat van Coudré te Bain de Bretagne.
Rondom Châteaubriant liggen Briotais, Ferrière, Fougerais, La Galissonnière, La Mercerie, La Trinité, La Vannerie. Te Brug is het Blossac, te Pléchatel zijn ’t Driennais, La Pommeray, La Gaudinelais en te Messac La Coëfferie, Le Chastra en Le Harda. Geen wonder, dat hier de streek geducht te lijden had bij de oproeren in 1790. Twee duizend boeren uit Bretagne hadden benden gevormd, die in iedere plaats versterking kregen. Ze liepen de streek af, gewapend met geweren, hooivorken en zeisen, een nieuwe Jacquerie, en deze boeren waren als hun voorvaderen, ze verbrandden de kasteelen, verwoestten alles op hun weg en eischten afschaffing der dienstbaarheid.
De eigenaars van de kasteelen vluchtten her- en derwaarts en gingen op ’t laatst een toevlucht zoeken binnen Rennes. Die verrast of overrompeld werden, brachten er slechts het leven af, zoo zij een verklaring teekenden, waarbij ze afstand deden van hun heerlijke rechten, door bij voorbeeld deze woorden: „Ik verklaar afstand te doen van mijn goederen, tienden, pachten en verdere ontvangsten ten behoeve van de bewoners der gemeente zoo en zoo, ten gevolge van den mij gestelden eisch, en ten overvloede verklaar ik, dat genoemde gemeentenaren zeer eerlijke lieden zijn en zich zoo fatsoenlijk mogelijk hebben gedragen.”
Verscheiden landgoederen werden totaal vernield, zoo La Chapelle-Bouexic, Bois-Sauvage, Château des Champs, de grachten van Brilhac werden dichtgeworpen. De opstand omvatte de gemeenten la Chapelle, Angan, Guer, Riminiac, Maure, Loutehel, Campel, Comblesac, Marcent, Pleuran en nog enkele meer. Een bataillon nationale gardes werd naar Rennes gezonden met vier kanonnen: de opstandelingen verspreidden zich, maar bleven bereid, om zich bij de eerste oproeping weder aaneen te sluiten. De priesters stonden machteloos tegenover deze verwoede boeren, en de opstand werd eerst gedempt bij aankomst van generaal Beysser, die uit Rennes kwam aan het hoofd van een colonne, bestaande uit nationale gardes en geregelde troepen.
Nu ga ik van de geschiedenis tot het landschap over. Voor de appelboomen en kastanjes van Pipriac komt Ploërmel in de plaats, dat ik bereik over Maure en Guer. Weer kasteelen, Le Tertre, Ville Hue en Coëtbo.
’t Karakter van het bretonsche landschap krijgt meer en meer iets eigenaardigs; graniet komt aan de oppervlakte; de goudkleur van de brem legt randen om de velden.
Toen ik te Ploërmel binnenreed, was alles er stil; het rijtuig maakte een rumoer van belang op de straatsteenen. Hier en daar ziet men schemerig een priester in donkere pij voorbijgaan of bespeurt een gelaat achter een winkelvenster. Hoewel het stadje reeds een air van beschaving heeft aangenomen, is het er zoo rustig als in den tijd van het eerste ontstaan der stad in het begin der 6de eeuw, toen een zendeling uit Engeland het kanaal overstak en een klooster stichtte, waaromheen de huizen eener stad verrezen.
Tusschen de 12de en de 16de eeuw is Ploërmel dikwijls ingenomen en geplunderd. Eduard III vermeesterde de stad en liet er in 1346 een bezetting achter. De Franschen sloegen er het beleg voor en staken de stad in 1487 in brand. De Hugenoten, die er hun krachten hadden verzameld en er een kerk hadden gebouwd, sloegen er in 1594 een aanval van de Ligue af.
De Karmelieter monniken hadden er zich in 1238 gevestigd, en in 1240 werd den Joden het verblijf in Bretagne verboden. Ten slotte draagt het Katholicisme er de zege weg; de „broeders van Lamennais”, die zich aan het onderwijs wijdden, hadden er hun zetel en er werd een Ursulinenklooster opgericht midden in de stad, met een kapel erbij. Ik bracht een bezoek aan het seminarium, om er de oude Statenzaal van Bretagne te zien. Een zuster, die uit een kleine getraliede loge kwam, leidde mij binnen in een spreekkamer met hagelwitte gordijnen, waar een klein geschoren mannetje, het midden houdend tusschen een tuinman en een koster, zich kwam aanbieden, om mij rond te leiden.
De Statenzaal is een gewone eetzaal, niet zoo blinkend helder als de spreekkamer, en ik vervolgde spoedig mijn weg door het klooster, om het graf te zien van den hertog en de hertogin de Montauban te midden van groene planten, en den tuin met breede lanen en grasvelden, waar de leerlingen kunnen spelen, terwijl een deel is afgezonderd als boomgaard en moestuin. Er was niet veel bijzonders te zien.
In de stad vond ik nog enkele oude huizen in Renaissance-stijl met zonderling beeldhouwwerk. Ook vermeldden reisgidsen het huis van den hertog de Mercoeur, waar een groote gebeeldhouwde schoorsteen te zien zou zijn. Ik vond het huis, klein, soliede en nog goed in stand gebleven, bewoond door een klompenmaker, maar het is al lang geleden, dat de mooie schoorsteen afgebroken werd.
Van Ploërmel begaf ik mij naar het bosch van Paimpont. Ik kan kiezen tusschen den spoorweg tot Néant of Mauron en den weg naar Paimpont over Plélan en Les Forges. Ik heb den eersten gekozen, hoewel de tweede mij meer indrukken scheen te beloven; maar hoe kan men weerstand bieden aan de bekoring van een dorp, dat den naam draagt van Néant, dat is het Niet? Ik heb daar niets bijzonders aangetroffen; maar men zal moeten toegeven, dat het verwonderlijk zou wezen zoo het anders ware, en dat ik in dat geval reden tot teleurstelling zou hebben gehad.
Op eenige kilometers afstands, te Tréhorenteuc, vindt men den heuvel en den tuin des Touches en ’t graf van een fee uit de 8ste eeuw. Te Mauron, een stadje vermaard door den slag tusschen de troepen van Montfort en die van Blois, vouw ik mijn kaart open en maak een plan op voor de exploratie van het bosch. Ofschoon de topografische teekens geen geheimen meer voor mij hebben, blijkt het toch, dat de aanwijzing der boschwegen mij in verlegenheid brengt.
Eerst liep ik door een laan van statige dennen en kwam toen uit bij La Sourdrais, waar een school gebouwd was, in de eenzaamheid tronend tusschen een groep boomen. Nog een open ruimte te passeeren, dan een heuvel over, die vrij kaal was en waar hier en daar brem groeide, en eindelijk ’t schaduwrijke bosch. Daarop volgde een verrassing, namelijk ’t liefelijke gehuchtje Folle-Pensée, enkele huizen aan een beek te midden van landelijke rust en koelte. Een geluid van voetstappen verbreekt de stilte. Een oude vrouw komt te voorschijn, geheel bestoven en vuil door meel of kalk, dat werd mij niet helder, en ik weet nog niet, of zij aan ’t brood bakken was, of dat ze aan het repareeren van haar huis was. Misschien is het de fee uit de 8ste eeuw, die spoken komt. Zij is intusschen de goedheid en welwillendheid zelve, en nadat ik haar heb uitgelegd, dat ik niet heel goed den weg weet en ook niet precies kan zeggen waar ik heen moet, wijst ze mij vriendelijk, met een goedig lachje op haar oud, wit gezicht, de voetpaden, die overal heen leiden en die, welke nergens naar toe gaan. Ik kies een weg met hoogten en laagten, een hollen weg bovendien, waar hier en daar gedeelten van rood graniet in liggen. Ik vraag mij af, hoe wagens hierover kunnen komen, zonder dat ze breken; maar spoedig wordt de weg beter.

Oud huis met beeldhouwwerk in Ploërmel.
Nu eens dwaalde ik er van af, dan hervond ik hem, altijd door het bosch voerend tusschen oude, knoestige dennen, fijne berken, wilde pereboomen en eglantieren. Bij ’t verlaten van de geurende boschjes struikgewas, trad men weer in de laan, die naar het middelpunt van ’t bosch leidde, de hoogste plek, een plateau, dat kruispunt was van vele wegen. In ’t midden stond een wegwijzer, aan welks voet ik mij nederzette.
Overal rondom mij breidt zich het bosch van Paimpont uit, het Brocéliande-woud van dichters en zangers. De oppervlakte beslaat nu nog slechts 6000 H. A., terwijl er een tijd geweest is, dat het een lengte had van dertig mijlen tegen vijftien mijlen breedte. Het omvatte al het grondgebied tusschen Quintin, Fougères, Dinan en Redon. Men kon gerust zeggen, dat zich over de geheele breedte van Bretagne een woud uitstrekte. Daar verborgen zich de laatste druïden, toen zij voor het veldwinnend christendom de vlucht namen. De heldenfeiten van de ridders van de Tafelronde in den dienst van koning Arthur werden hier volbracht, en Merlijn de Toovenaar dreef er zijn spel.
De naam Paimpont—Pen Ponthi—, die later aan het Brocéliande-woud gegeven werd, is afgeleid van Ponthus, die Sydonie trouwde, de dochter van een koning van Bretagne, wiens hoofdstad Vannes was. Nadat hij aan het hof van zijn schoonvader den dienst van connétable had vervuld, trok Ponthus zich in het Brocéliande-bosch terug, waar hij ’t kasteel Barenton bewoonde, dat later Ponthus-slot genoemd werd.
Op den wegwijzer heeft men een ruime keus, Fontaine Barenton, Folle-Pensée, Pertuis, Néant, Huchelou, Paimpont, Ville Danet. In alle richtingen ziet men bosch, niet altijd het donkere en geheimzinnige woud, dat op de verbeeldingskracht werkt, maar ook licht en jong bosch. De toovenaars en feeën zijn verdwenen, en het bosch is overal opgemeten en beschreven. Het dekt verscheiden heuvels, waarvan het hoogste punt 225 M. boven de oppervlakte der zee is gelegen. Noordwaarts reikt het over een lengte van ongeveer 10 KM., wordt dan plotseling smaller naar het Noordwesten en nog nauwer bij den plas van Pas du Houx, om tusschen Plélan en Tréhorenteuc de oude richting te hernemen en Paimpont te omvatten, gelegen aan een vijver, die met den plas van Pas du Houx verbonden is door een bochtig stroompje. Het zuidelijk gedeelte, dat van ’t Zuidoosten naar ’t Noordwesten loopt over een lengte van 12 à 13 KM., wordt aan den rand doorsneden door de grens der beide departementen Ille et Vilaine en Morbihan. De indruk, dien het bosch maakt, is frisch en landelijk, niet woest of romantisch. Men krijgt telkens tusschen het bosch weer kijkjes op bebouwde velden. Toch zijn er plekken, die toonen, hoe de mensch de nederlaag geleden heeft, want een deel der ontboschte terreinen brengt niets voort en is tot barre heide en moeras geworden, de lande van Thelin, die van Halgros en van Concoret... Zoo is het niet te verwonderen, dat sprookjes en legenden welig tieren in die woeste, geheimzinnige oorden. De menschen uit Concoret hebben langen tijd den roep gehad van te kunnen tooveren, en op den ruwen, oneffen grond tusschen de gouden bloemen van de brem en de rose van de heide, waar reptielen kropen, konden tooverkollen haar ketel te vuur zetten, om padden en andere dieren te koken.
Het land was gunstig bovendien voor burgertwisten en partij-oneenigheden, zooals nog in den revolutietijd uit het optreden van de Chouans zou blijken. Hoe kon men een vijand volgen en terugvinden, als hij in den nevel verdween en van den morgen tot den avond ronddwaalde over de heidevlakten, vol kuilen en gaten, en in de eenzame bosschen.
Ik moet hier wel tot een besluit komen, als ik ten minste op eenigszins rationeele manier Midden-Bretagne wil exploreeren. Het is moeilijk, in zigzaglijnen voort te gaan en altijd van het Noorden naar het Zuiden en dan weer van ’t Zuiden naar het Noorden te trekken. ’t Is beter, dat ik een cirkel beschrijf en dan den kring inperk. Ik besluit dus, naar Ploërmel terug te keeren en over Josselin te gaan en Pontivy, over Guéméné, Faouët en Gourin, het uiterst puntje van Bretagne te bezoeken bij ’t schiereiland Crozon en door ’t Arréegebergte den terugweg te aanvaarden. Dus naar Ploërmel en dan naar Josselin!

Het slot van Josselin.
Langs een weg, die stijgt en daalt, kom ik te Josselin, gelegen tusschen twee heuvels met de Oust ertusschen. Men stuit op de eerste huizen der plaats, zonder een enkel torentje of een dak te hebben gezien.
Daar sta ik in het kleine stadje met nauwe, bochtige straten, op een onregelmatig pleintje met de donkere kerk van Onze Lieve Vrouwe van Boncier. Het regent, maar ik ga in afwachting van ’t middagmaal toch rondkijken. Bij het riviertje, de Oust, breidt zich een boomrijk park uit, behoorend bij het slot van Josselin, dat een krijgshaftig voorkomen heeft.
Het is op de rots gebouwd, ja, ’t is er voor een deel in uitgehouwen. Drie zware, dikke torens schijnen voortzettingen van de steenrots, en de kale muur ertusschen, met enkele schietgaten slechts, geeft een dreigend aanzien aan het kasteel.
In het inwendige vindt men enkele belangwekkende portretten, dat van Philippe de Chabot, van den eersten hertog de Rohan, en ook veel middelmatige afbeeldingen en prullige meubels, moderne naast antieke. Het regent nog steeds, de lucht hangt laag en zwaar en ofschoon het nog pas zes uur is, valt reeds de avond, terwijl we in Juni zijn, den tijd der langste dagen. Ik dwaal enkele oogenblikken door de eenzame lanen, waar ik wel den geheelen avond zou willen blijven, en dat ook wel zou mogen, want het park is voor ieder open; maar ik moet naar de stad terug en heb nog juist den tijd de kerk van Notre Dame du Boucier te bezoeken, waar Clisson begraven is in de kapel der Heilige Margaretha. Daar trad de ruwe krijgsman binnen met zijn vrouw Marguérite de Rohan, weduwe van Beaumanoir. Er stond een bank, en men kon door een traliewerk den dienst volgen.
Clisson had de kerk laten bouwen, die eerst niet anders was dan een houten kapelletje op de plek, waar een arbeider een beeld van de H. Maagd had gevonden tusschen het kreupelhout. Dat beeld begon al spoedig wonderen te verrichten, riep eerst in de 16de eeuw drie kleine kinderen in het leven terug, genas in de 17de eeuw een blinde, Grégoire Guillemin, een éénoogige, Mathurin Le Bret, twee lammen, Isabelle Le Lièvre en Jean Baptiste Guymart en redde in de 18de eeuw van den dood het kind van Mevrouw Magon de la Gervaisais; in 1865 een non Marie Françoise Hémery, in 1880 de nicht eener religieuse, in 1883 de lamme Marie Hillion. Dat is het laatste wonder. Ik heb niet alles opgenoemd. Een buste van den H. Stefanus doet ook wonderen; er worden hem kleine zakjes met koren geofferd en hij geneest allerlei kwalen.
Deze dienst van heiligenbeelden is nog zeer algemeen en sluimert overal onder het beschaafde leven der kleine stadjes in Bretagne. Er hebben allerlei belangrijke gebeurtenissen in Josselin plaats gehad. Het protestantisme heeft er zijn volgelingen gehad en zelfs op het kasteel troonde een zijner aanhangers in den persoon van een Rohan. De groote revolutie heeft de stad in beroering gebracht; zelfs heeft ze op de plaats van de kerk een tempel voor de Rede doen verrijzen, en ook aan ’t nieuwe van dezen tijd neemt Bretagne deel, maar altijd blijft er veel van het oude in stand, veel meer dan elders, en telkens wordt men er getroffen door ’t karakter van duurzaamheid dat alles vertoont.
Wel doet natuurlijk de tijd er zijn werk en verandert er de zeden en ook de geesten. De spoorweg rijdt thans door de afgelegenste velden en de meest primitieve landschappen; de automobiel snort door de bosschen en over de heiden; op den weg van Ploërmel naar Josselin heb ik een boerin op een tweewieler ontmoet; op alle muren hangen nog flarden van aanplakbiljetten bij de jongste verkiezingen, en de denkbeelden, die in het brein der inwoners van groote steden ontwaken, doen er hun intrede niet enkel in de kleine steden en de dorpen, maar ook in de gehuchten onder strooien daken, waar de mensch bescheiden op den achtergrond treedt voor koeien, paarden, schapen, varkens, kippen, eiken, beuken en berken.
Doch de bewegelijkheid en de veranderingen van den nieuwen dag doen vreemd aan in deze omgeving, zelfs daar, waar drukke markten worden gehouden en omnibussen af en aan rijden, waar men veel winkels heeft en druk discours in koffiehuizen. Ook daar leeft het verleden nog in volle kracht, en ’t is, of er niets veranderd is sinds de 14de eeuw, als men sommige figuren ziet van mannen, vrouwen of kinderen vóór oude gevels, oude kerken, oude heiligenbeelden.
Vooral in de kerk moet men hen gadeslaan, om te bemerken, hoe de eeuwen hen drukken, zooals ik ze pas te Josselin heb gezien, zooals ik ze gisteren zag te Ploërmel en hen morgen te Pontivy zal aanschouwen. Op ieder uur van den dag kan men in de kerk de een of andere brave vrouw vinden, zittend of geknield of gehurkt in vrome aandacht. Het zijn vaak doodarme menschen, blootsvoets gaand en in lompen gehuld, met verlepte, slappe mutsen, zoodat ze bijna niet van de steenen zijn te onderscheiden en zoo stil zich houden, dat ze wel dood konden zijn. Maar de magere handen als van een skelet laten een rozenkrans door de vingers glijden en de bleeke lippen murmelen een eentonig gebed.
Waar dwalen de gedachten van die stumpers heen? Hoe stellen zij zich den geest voor, aan wien zij hun verdriet en hun ellende toevertrouwen? Zij leven van een illusie en beginnen telkens weer hun machinaal gebed, terwijl ze opzien naar het lampje, brandend in het koor, naar de houten heiligen en naar Clisson le Boucher, op zijn wit marmeren graftombe naast zijn echtgenoote Marguérite uitgestrekt. God is voor hen de vader met den witten baard en door den gekruisigden Jezus zijn alle klachten over leed en smart der menschheid gesust. Omdat er een kruishout is geweest met de spijkers en de lanssteken, de spons in alsem gedrenkt, nemen die oude vrouwen en allen, die haar gelijk zijn, geduldig haar kruis op en danken nog den geheimzinnigen geest, die ’t leed hun zendt, wanneer ze aan den hoek van een kerkmuur knielen.
Laat maar de Zondag komen, en als de klokken luiden en het orgel zingt, als de priester in verguld gewaad bij het verlichte altaar staat, en in een taal, die zij niet kent, zangerige, plechtige zinnen uitspreekt, zal het verblufte oudje van ontroering en van vreugde weenen, en ze zal gelooven, dat zij al een stukje van het Paradijs bezit. En allen in de kerk zijn daarin gelijk, allen, zooals ze gekomen zijn van vele mijlen ver uit hun armelijke hutten, gebogen als ze zijn van ouderdom, zoodat ze op honderdjarigen gelijken. Ze zijn gelukkig door het schouwspel, dat de kerk haar biedt. Er worden kaarsen aangestoken, wierook wordt vóór de heiligenbeelden gebrand, het orgel klinkt en de armen zingen van hun eigen ellende.
Ik neem, om naar Pontivy te gaan, den langsten weg; maar te Rohan, waar ik na het verlaten van Josselin het eerst stilhoud, zou ik niet zijn afgestapt, als niet het prachtige landschap voldoende vergoeding was voor het ontbreken van ’t versterkt kasteel, waarvan slechts enkele sporen over zijn, en voor de aanwezigheid van een moderne kerk. Niet ver van deze plek was ook La Chèze, een versterkte plaats, kasteel met negen torens, omringd door diepe grachten en door een ophaalbrug verbonden met het kasteel van Rohan.
Niets van dit alles bestaat er meer. Het heet, dat men een halve eeuw geleden nog den ingang van den onderaardschen kelder kon zien. Nu niets meer, niets. Hendrik IV heeft het kasteel met den grond gelijk gemaakt en de aarde met haar plantengroei heeft de kelderopening gevuld.
Te Loudéac zou ook niet veel te zien zijn, als er het bosch niet was, doch het bosch is er inderdaad. Het is een losgeraakt brok van het onmetelijke woud van Brocéliande, en de stad is ontstaan uit een punt van samenkomst voor jachtpartijen. Het bosch van Loudéac, waar grof wild overvloedig is, ziet er veel ouder uit en woester dan het bosch van Paimpont. Het was in de 15de eeuw vijf mijlen lang en twee mijlen breed. Nu heeft het nog slechts een lengte van 8 KM. en een breedte van 4 KM. Paarden leefden er indertijd in het wild, en de vicomte de Rohan had er groote voordeelen door den verkoop der veulens.
Twintig à dertig groote smederijen waren er, waar men kachels maakte en ploegijzers, braadspitten en pannen voor een groot deel van Bretagne. Gelukkig land, dat bijna geen andere historie heeft. Loudéac is nooit versterkt geweest en door dit negatieve feit had het ook nooit een beleg te doorstaan. Er wordt verhaald, dat het fransche leger er ingekwartierd werd in 1491 na den erfopvolgingsoorlog en dat het er honger leed. Ook moet de eerste drukkerij in Bretagne te Loudéac gesticht zijn. De zucht naar kennis was echter niet algemeen verspreid in die streken, want in 1794 vernielden de opgestane boeren een school, in 1768 opgericht, waar de landbouw werd bestudeerd ter wille van de ontginning van woeste gronden.
Ik moest op mijn schreden terugkeeren, toen ik naar Saint-Méen ging; doch dat mag geen bezwaar zijn hier, waar ik rondom een middelpunt kleine uitstapjes maak. Het stadje is ontstaan uit een klooster, gesticht door Saint-Méen, dat in de 10de eeuw verwoest werd door de Noormannen en in de volgende eeuw herbouwd werd door Hingueton, abt van Saint-Jacut. Ik ging er de kerk der abdij zien met een koepel en een kleineren vierkanten toren. In ’t heengaan reed ik door Merdrignac, een land van heiden, door weiden afgewisseld. Toen naar Loudéac terug door Collinée en het dal der Menez, niet ver van het Bosquenwoud. Te Collinée vindt men nog eenige huizen uit de 16de eeuw, onder welke de woning van Simon Collinaeus, die medewerker was van d’Estienne, diens weduwe huwde en beroemde oude drukwerken uitgaf.
Ook Pontivy is rijk aan oude huizen, maar daar is het Kasteel het meest bezochte punt. Het is een ruïne intusschen, die aan verwaarloozing ten prooi is. Twee der dikke torens rijzen op boven de groene heuvels, de derde is bijna ingestort en van een vierden is geen spoor meer over. De bewaker heeft tusschen de verwoeste vestingwerken een tuin aangelegd in verschillende verdiepingen. Klimop en mossen bedekken de oude muren. De natuur herneemt wel langzaam, maar met besliste onverbiddelijkheid, haar rechten en overgroeit de in 1485 opeengestapelde steenmassa’s. Maar toch blijft dit alles, dat zooveel krachtsvertoon inhield, tot het eind toe mooi, want nu smelt dit einde samen met de omgeving; de planten en de grond nemen als ’t ware de steenen in zich op.
Op den dag, dat ik er een bezoek bracht, kon ieder vrij binnengaan, want er was juist een processie en alle dorpelingen waren daarheen. Over de ophaalbrug gaande, stiet ik een poort open en kwam in een vestibule, opende een tweede deur en kwam zoo op de verlaten binnenplaats. Het hokje van den bewaker was ledig. De plaats was groot en mooi, met in den hoek de trap met ijzeren leuning, die de elegantie van de 17de eeuw voegt bij de strengheid en den ernst van een feodaal kasteel. Maar alles getuigt van wanorde en verwaarloozing en vergetelheid; de natuur wint overal veld; mos bedekt het beeldhouwwerk met een groene laag; het gras groeit tusschen de steenen, en overal blijkt de minachting van den mensch voor de woning, die aan vroegere geslachten een schuilplaats heeft verleend. In een hoek liggen takkebossen opeengehoopt, linnen hangt te drogen op de fraaie leuning van gesmeed ijzer, en de kapel in den tegenoverliggenden hoek, waartoe een tweede buitentrap toegang geeft, schijnt mij toe in denzelfden staat van verval te verkeeren als het overige gebouw.
Op het oogenblik, toen ik den voet op de eerste trede zette, vertoont zich een mannengelaat vóór een venster, twee knippende, oude oogen onder een versleten hoed, een slecht geschoren baard en lange haren, die over de schouders afhangen. De man doet een deur voor mij open en verschijnt op den drempel. Het is een oude boer, een soort van Chouan, gelijkend op diegenen, die in 1793 den opstand begonnen tegen het decreet der Nationale Conventie, waarbij 300 000 man werden geroepen onder de wapens. Zij hebben toen Pontivy belegerd, maar werden teruggeslagen. Het is betrekkelijk nog zoo kort geleden, en de grootvader van dezen boer heeft die gebeurtenissen mee beleefd.
Deze man hier spreekt al bijna gewoon Fransch, laat mij de kapel zien, vol van allerlei voorwerpen en vertelt mij, dat het museum niet meer bestaat; er zal nog wel een en ander van de voorwerpen zijn overgebleven, maar al wat eenige waarde had, is naar Josselin overgebracht, dat in eigendom toebehoort aan de Rohans, zooals ook met het slot te Pontivy het geval is. In de zalen van het museum, die in een werkplaats zijn veranderd, maken de vrouwen van Pontivy nu papieren zakken. Jean de Rohan zal in 1485, toen hij zijn formidabel kasteel liet bouwen met torens en wallen en grachten en schietgaten en ophaalbruggen, niet hebben vermoed, dat er eens zulk een onschuldige industrie zou worden uitgeoefend.
Ik ging weer naar buiten en liep nog wat rond over de wandelingen rondom het huis, op den heuvel le Blavet. Tusschen het kasteel en de rivier vindt men het plein, waar markt wordt gehouden, vijf markten per jaar: den 8sten Mei, den 19den Juni, den 8sten September, den 21sten October en den 21sten November, en buitendien nog een weekmarkt op Maandag. Aan een anderen kant zag ik den weg, waarlangs de menschen van de processie huiswaarts keerden.
Het was een zonderlinge optocht van kleine bretonsche meisjes met grove schoenen, lange jurken, bontgekleurde boezelaars en kanten mutsjes. Zij liepen en draafden en draaiden om de jonge en oude vrouwen heen, die alle evenzoo gekleed waren als zij, en werkelijk, de ouden en de jongen, allen hadden een bevalligheid en gratie, als men maar zelden vindt bij dames in sierlijke parijsche kleederdracht, met bloemen en veêren op de hoeden.
Het is mij in dit stadje Pontivy, of ik op het ganzenbord speel en ik in een doolhof zal verdwalen of in den put terecht zal komen, en tien zal moeten betalen, om weer bij ’t eerste huis te mogen beginnen. Eindelijk ontdek ik een heerlijke wandeling onder het groen langs de Blavet, waar ik slechts een paar menschen aantref, die een hygiënische wandeling schijnen te maken en in afgemeten passen, als op de gymnastie, heen en weer gaan met de oogen op den grond gericht en zwaaiend met de armen. Ik slenter langzaam rond, om morgen met gezwinden pas te verdwijnen.

Bidkapel op het platte land.
Van Pontivy ga ik naar de Zwarte Bergen langs een weg, die voorbij Guéméné, Le Faouët en Gourin voert. Het is warm bij een bedekte onweêrslucht. Mignonne, de kleine, witte merrie vóór het rijtuig, loopt nogal vlug bij de vriendelijke, welwillende aanmoediging van den rijtuigbestuurder: „Kom, kleintje, vooruit maar!”

Eetzaal in het slot van Josselin.
Oponthoud te Stival, om de geschilderde kerkramen te bekijken van Saint-Mériadec, met tooneelen uit het leven van de Heilige Maagd en grepen uit Jezus’ lijdensgeschiedenis en uit de geschiedenis van den H. Mériadec. Onderweg gaan we andere kapelletjes met geschilderde vensters voorbij en ook oude kasteelen en dolmens en menhirs, groote steenblokken van nog ouderen datum. Ik moet mij haasten, om een woning te bereiken. Op het oogenblik, dat we van den weg naar Carhaix afslaan, om Guéméné te bereiken, wordt de hemel donkerpaars; een koperkleurig schijnsel geeft nieuwe tinten aan het groen; het onweder barst los, en bliksemstralen scheuren de wolken; de donder ratelt, en een allerhevigste regen zet de omgeving onder water, ook ons rijtuig ondanks het opgeslagen voetezeil en den neergeslagen kap.
Eindelijk bij een kruispunt van den weg een huis! Ik stap uit in den stortregen en gebruik er mijn bescheiden ontbijt met zwart brood en spek, die mij heerlijk smaken, terwijl de elementen blijven woeden buiten ’t kleine huisje. Die hut is gemeubileerd als alle andere, die men langs de wegen in Bretagne ontmoet, een tafel en twee banken, bedsteden en balken, waaraan metworsten hangen en hammen en reepen spek. Dan zijn er de groote klok en de oude kast van gewreven hout met blinkend koperen beslag. Zoo’n kast en zoo’n staande klok ontmoet men overal, heel goed zichtbaar door de open deur; ze zijn de weelde en de trots des huizes.

Klein meisje uit Pontivy met lange jurk, kanten mutsje en gekleurden boezelaar.
Het ergste van het onweêr is voorbij; het regent nog, maar de regen is niet hevig meer als strakjes, ’t is nu een regelmatig, rustig gieten en het landschap wordt niet meer gegeeseld, maar geliefkoosd, terwijl de zon alweer door tranen glimlacht. Zoo kom ik in een frissche, vriendelijke omgeving te Guéméné. De eerste indruk is bekorend. Een breede straat met door den regen afgespoeld plaveisel tusschen roode en grijze huizen, lage gevels van stevige, vierkante huizen, die onverwrikbaar op den grond gehecht schijnen. Het lijkt wel, of ze er in alle eeuwigheid geweest zijn als rotsen, die de hand des menschen zou hebben uitgehold tot woningen en winkels, om ze daarna van buiten glad en mooi te maken.
Ik ga een oogenblik schuilen in een winkel, waar de juffrouw zegt, dat dit weêr niet natuurlijk is en dat het alles een gevolg is van de uitbarsting op Martinique. Mijn koetsier had er onderweg ook al in dien geest met mij over gesproken. En zoo even heeft een karreman in de schuur, waar ik een al te hevige gietbui afwachtte, mij ook al vergast op dezelfde uitlegging. Toen het droog was, ging ik het kasteel bekijken, want Guéméné is een kasteel geweest, vóór het een stadje was, een slot, dat in de 11de eeuw gebouwd en in de 15de hersteld werd, dat weerstand bood aan de Ligue, maar voor de Chouans moest bukken.
Er zijn tegenwoordig niets anders van over dan ruïnen van de negen torens, en juist in het midden van de oude overblijfselen is een modern kasteeltje verrezen. Men kan het van de straat af zien, zooals het daar, rustig en vreedzaam, door een tuin omgeven, ligt, een zeer bescheiden woning met een buitengewoon hoog dak, dat geen kwaden indruk maakt. Maar zoo denkt de juffrouw in den winkel er niet over. Zij zegt tot mij: „Mevrouw heeft niets aardig laten bouwen; er is bijna niets dan dak te zien!” Er woont daar inderdaad een dame, geheel alleen, het gansche jaar door met haar dienstboden en tuinlieden. Zij is altijd thuis en iedereen wordt bij haar toegelaten. Men trede maar binnen. Gij behoeft het hek slechts open te stooten. Geen enkele hond blaft den bezoeker tegen. Geen dienstbode of knecht in liverei vraagt u naar uw visitekaartje of legt u een register voor, om er uw naam in op te schrijven. Er ligt op het goed een huisje, waarin een kruidenierswinkel gehouden wordt, en de kruideniersvrouw licht u omtrent alles in, als gij er prijs op stelt. Vóór het een of ander venster van ’t kasteeltje krijgt ge mogelijk een witte muts te zien en oude, blanke handen, die aan ’t breien zijn. Het hoofd, dat erbij behoort, wordt niet eens omgedraaid, om naar de voorbijgangers te zien. Komt en gaat, vertrekt of blijft, loopt rond of gaat zitten, net naar het u goeddunkt. Hier is de wandelaar, zoo lang hij wil, heer en meester.
En het is de moeite waard, daar, al is het dan maar een oogenblik, zich eigenaar te wanen. De muren zijn omvergehaald; er is alleen een fragment van de kapel nog over. Ook is nog blijven staan een portaal, verder eenige pijlers aan het eind der brug en een groote poort met een deur aan de andere zijde. Men heeft het aan de natuur overgelaten, die resten te bewaren en te versieren. De tuin is mooi aangelegd met lanen, grasperken en boomgroepen; maar toen eenmaal het schema klaar was, heeft men, naar het schijnt, alles vrij laten voortgroeien. Er is een overvloed van boomen, planten en bloemen, verspreid over een wondermooi terrein, dat in zachte golvingen zich voordoet en flauw hellend afloopt tot de vroegere grachten, om elders te rijzen tot de hoogte van de diep in den grond gezette oude muren.
Ik kan onmogelijk precies beschrijven, wat ik heb gezien. Er is mij in de gedachte gebleven een verkwikkend, rustig schouwspel, grootsch en heerlijk, getuigend van rijkdom en toch ook van onverschilligheid; maar een rijkdom zonder berekening en ostentatie, alleen blijkend uit de schoonheid van de dingen der natuur, en een onverschilligheid, die lijkt op een liefdevolle onderwerping aan de wetten van het weder en de jaargetijden. Deze tuin van het slot te Guéméné wordt, hoe langer ik eraan denk, iets heel bijzonders en eenigs, waar men langen tijd zou moeten wonen, om hem te leeren kennen en hem te begrijpen. Misschien is dat ook wel volkomen onmogelijk.
Hij schijnt zich open en ronduit aan u te openbaren, maar de beleefdheid is niet vrij van trots; de tuin houdt, om zoo te zeggen, iets teruggetrokkens, een uitdrukking van ironische en geheimzinnige afgeslotenheid en tart u, om u voor den geest te roepen ’t oude leven, dat hier is voorbij gevloden, dat nog rondzweeft om de oude steenen en wegdampt met den geur der rozen.
Ik volg een laan, die rondom een groene diepte leidt, en plotseling hoor ik woorden, die uit de aarde komen en daartusschen het geklater van water. ’t Zijn waschvrouwen, die men niet kan zien en die elkander veel te vertellen hebben; ze verklappen mogelijk alle geheimen van vroeger met de praatjes van tegenwoordig en de voorspellingen voor morgen. Ik loop langs den rand van de beek, die doorstroomt tusschen boomen met lichtgekleurd gebladerte en de waterbloemen aan den kant, en ik kom bij een hek, waarachter, ook door de ruïnen omringd, een hut en een stal gelegen zijn. Een vriendelijke vrouw met een zwarte muts verschijnt met een koe en heet mij welkom in ’t Bretonsch, haar eigen taal.
Men loopt hier door een doolhof van zuilen en boomen; door een smal deurtje, dat ik openstoot, ontdek ik een zaaltje in de dikte van den muur uitgehouwen. Het blijkt een badkamertje met een steenen kuip en breede steenen gezichten met een eeuwigen glimlach, die ’t gewelf moeten dragen. De kuip is in de diepte en twee steenen banken ziet men in den muur, terwijl door een smal raampje als een schietgat men ’t smaragd van het gebladerte en de grijze strepen van den regen kan onderscheiden.
Wie mag hier geleefd hebben? Welke vrouwendroomen zijn er in dit slot gedroomd, terwijl ginds in de verte het leven zijn drukken gang ging? Wie heeft op deze steenen bank en door dit spleetvenster de partijgangers der Ligue hun kanonnen hooren afvuren, waarvan de steenen kogels in de omringende grachten zijn teruggevonden? Hier, deze schuilhoek moet door iets bijzonders gekenmerkt zijn geweest, dat hij heeft standgehouden na den dood van het oude feodale kasteel en dat hij geëerbiedigd werd door hen, die in den naam van Lodewijk XIII en van Richelieu de ontmanteling van de sterkte tot stand brachten. Het heet het Bad der Koningin, zonder te zeggen, welke koningin bedoeld wordt, zonder twijfel de geheimzinnige koningin, die onzichtbaar blijft en hier komt, als er niemand is om haar te bespieden, als de waschvrouwen zwijgen en de brave vrouw met de zwarte muts in haar donkere bedstee ligt te droomen, terwijl de koe aan het herkauwen is in de stal en de burcht is ingeslapen met gesloten vensters, als zware oogleden over den gevel neergelaten en wanneer alle nieuwsgierige reizigers teruggekeerd zijn naar Parijs.
Dan komt de bleeke, blonde koningin geschreden langs de beek en, in haar lichten sluier gehuld, glijdt ze als een schaduw langs de hooge boomen, laat voetpaden ter zij en strijkt langs de zuilen, betreedt het kleine zaaltje en legt haar sluier af, om daarna haar schaduwlichaam neer te vlijen in ’t bassin, waar zachtjes water binnen vloeit. Dat gebeurt alles op schoone zomeravonden. Het gemurmel van het water en de ademhaling van de badende smelten samen met het gesuizel van de zomerlucht door de boomen; de nachtegalen zingen, zooals ze altijd gezongen hebben, een groenachtig maanlicht dringt door het smalle venster en draagt rozengeur naar binnen, ’t licht en die geuren van den nacht, zij alleen kennen het geheim van ’t kleine zaaltje en de komst van de bezoekster, die verdwijnen zal, zooals zij is gekomen, vóór de eerste aankondiging van den dageraad.
Ik ga heen door natgeregende lanen, en ik werp op de dingen dien laatsten blik van iemand, die weggaat, zonder te weten, of hij ooit terug zal komen; ik stap het hek uit en ben weer in een straat van het stadje. Een oude commis-voyageur rookt zijn pijpje voor zijn deur. Mignonne is ingespannen, ziet er best uit met glimmend vel, goed gevoed, geheel uitgerust. Komaan, Mignonne, vooruit naar Le Faouët. Het rijtuig springt over de slechte bestrating van Guéméné. De witte, zwarte en rossige gevels verdwijnen. Hier zijn we weer buiten. Een verrassing was het gehucht Kernascléden: eenige huizen rondom een plein, en wat op den achtergrond, onmiddellijk tegen de akkers aan, een prachtige gothische kerk van zwart graniet, met een voorhal, waarin de standbeelden van de twaalf apostelen staan te peinzen en waar de gewelven beschilderd zijn met verbleekte fresco’s, die nog de naïeve, uitdrukkingsvolle teekening laten herkennen. De legende zegt, dat engelen de werklieden geholpen hebben bij het bouwen van deze kerk van Kernascléden. Wat zeker is, de werklieden hebben als engelen gewerkt, toen zij met zoo gevoelige en toch vaste hand de rondsels en paneelen versierden, de spitsen en de galerijen aanbrachten.
Men gaat over een kleinen zijtak van de Scorff, dan over een zijtak van de Ellé zelve. Al dit land, dat door beekjes wordt doorsneden, is mooi en vruchtbaar. Een eindje stijgens en de eerste huizen van Le Faouët verschijnen. Het stadje heeft een goeden naam, als een dier oude bretonsche plaatsen, waar men in de herberg thuis is, waar de herbergierster vriendelijk is en de eetzaal uitkomt in de keuken, waar men van de toebereidselen voor den maaltijd niet onkundig blijft en men hoort praten over jacht en vischvangst, over hazen en forellen, paling en patrijzen, niet maar om eens wat te praten, maar als heusche dingen, want men ziet al spoedig al die onderwerpen van gesprek op tafel komen. Een land, dat als Le Faouët midden op de markt oude, mooie, stevige huizen heeft, die vast staan op hun grondvesten en groote daken hebben, bijna tot den grond toe, zulk een land moet rijk zijn aan gevogelte, dat dankbaar is voor zooveel goede nestplaatsen.
Tot besluit van mijn morgen wandel ik wat rond over het marktplein en de aangrenzende straten. Aan het einde van een der straatjes, die uitgaan van het plein, vind ik den winkel van de pannekoekenvrouw. Het ziet er niet als een winkel uit. ’t Is een dicht huis als een ander, alleen boven de lage deur is een witte pannekoek geschilderd. Als gij de deur opendoet, krijgt ge dadelijk den lekkeren geur van smakelijk gebak in den neus. Het huisje ziet er armoedig uit; maar alles is zindelijk en doet welbehagelijk aan, de groote schoorsteen met den ketelhaak, waaronder ’t houtvuur gloeit, het groote houten ledikant onder de gebloemde deken, een hooge kast, die provisiekast en tevens garderobe is, een tafel en banken van stevig eikenhout. Een zwart kipje loopt af en aan. ’t Is twaalf uur, tijd om te eten.
Zij heeft veel te doen, de oude Bretonsche pannekoekenbakster. Zij voorziet juist op het rechte oogenblik in de behoeften van hen, die voor niets anders tijd hebben dan om te werken. In groote steden loopt men soms bij den slager in; bretonsche menschen brengen u bij de pannekoekenvrouw, haar baksel is altijd welkom. Het haardijzer, waar het hout op rust, is niet warmer dan de goede vrouw, die daar al veertig jaren lang gebukt staat. Pannekoeken bakken is haar dagelijksch werk; zij verstaat het uitmuntend, haar hand is vast en licht; zij doet noch meer meel, noch meer boter in de pan dan precies noodig is, keert met het platte mes en dient de spijs voor naar den smaak der klanten. Haar rood gezicht is mager en hard als oud hout. Ook de buurvrouwen, die alleen wonen, komen bij haar eten en zoo’n maaltijd van pannekoeken, waarbij melk wordt geschonken, kost drie stuivers. De bakster luistert, onder haar werk door, naar ieders verhalen; maar ze let er niet op, en veel gaat het eene oor in en ’t andere uit. Vooral op marktdagen als vandaag, wanneer de menschen met kleine beurzen allen bij haar komen, heeft zij het druk. Wie goede zaken heeft gemaakt, gaat naar de herberg eten en laat soms door de meid een paar van de beroemde pannekoeken van mijn bakster halen. Zij werkt maar door en maakt haar stapel koeken grooter. Blijven er over, geen nood; die worden des avonds opgewarmd of koud gebruikt door wie geen vuur wil aanmaken.
Maar wij moeten Le Faouët vaarwel zeggen en de kapellen van Saint-Fiacre en Sainte-Barbe opzoeken. De eerste is in ’t Zuiden op den weg naar Quimperlé. Men kan daar een koor zien van 1440, met een fries, waarop tooneelen voorkomen uit de Reinaertsage en aan den kant waarvan de beelden staan van de Heilige Maagd, Johannes den Dooper, Gabriël, Adam en Eva, terwijl men er tooneelen ziet gebeeldhouwd uit het werkelijke leven, voorstellend de zonden, als diefstal, gulzigheid, woeker, spel en dans.

De wever uit Sainte-Barbe.
De Sint-Barbarakapel ligt naar het Noorden en is door een dwarsstraatje, dat naar buiten leidt, vrij spoedig te bereiken. Eerst heeft men rondom zich de eenzaamheid, waarin men slechts ’t gezang der vogels en ’t gegons van de insecten hoort, en daarna bestijgt men den heuvel met het kleine plateau boven de Ellé. Daar staat een kruis met een laag huisje ernaast, dat ik binnentreed. Een oud boertje met een zacht, naïef gezicht, waarboven een ronde hoed, begroet mij op den drempel. Hij is gekleed in een kort buisje met wijde broek en laat mij binnen in een vertrek, waar een vrouw in een bedstede ligt te kreunen. Zij wendt den bezoeker een vermagerd gelaat toe, waarin koortsoogen schitteren en mompelt een paar woorden, door de hijgende ademhaling afgebroken. „Het is niets,” zegt de oude, „ze heeft kou gevat, ze is verkouden,” en hij laat mij binnen in een tweede kamer, waar twee weefgetouwen staan. De oude gaat weer aan het werk. Tegenover hem is een jongen bezig. Beiden doen zij de spoelen heen en weer vliegen tusschen de draden door, en ik ga er even bij zitten, om naar hen te kijken. Zij gaan voort met hun eentonig werk, dat begeleid wordt door het gedreun van den weefstoel. Ik onderscheid tusschen de regelmatige geluiden der machine een anderen klank, een ruw gesnork en een gekraak, alsof er iets gemalen wordt. In een donkeren hoek der hut liggen een zwarte en een witte koe en zijn op een hoop stroo aan het herkauwen. Zij blazen en kauwen en vullen de kleine ruimte met hun dierlijke warmte en hun zware ademstooten. Dit is hier stal en werkplaats; ’t bescheiden, nederige werk bij de voedsterdieren van den mensch. Meer zou een schilder uit den ouden tijd niet hebben noodig gehad, om er de decoratie in te zien van de voorstelling eener Heilige familie, de Maagd, de oude Jozef en ’t kind Jezus. Wever of schrijnwerker, daar zou niet veel verschil in zijn geweest voor den naïeven kunstenaar, en hij zou de kribbe van Bethlehem hier zeer goed hebben kunnen plaatsen.
Als ik aan de wevers mijn wensch te kennen geef, om de Barbarakapel te zien, staat de oude op, neemt een aan den wand hangenden sleutel en noodigt mij uit, hem te volgen. Een varken staat op van het gras en loopt achter ons aan, al zwaaiend met het staartje en de ooren bewegend. Tot aan den klokketoren, op vier steenen palen tegenover de hut rustend, vergezelt het dier ons. Er hangt hier onder het afdak een klok, die door de pelgrims wordt geluid op den dag der heilige Barbara. En als men voorbij den klokketoren is, krijgt men iets bijzonders te zien. Op de steile helling van den heuvel, die naar de Ellé afdaalt, staan een menigte huizen met trappen en balustrades en een steenen brug, welker stoute boog van de eene rots naar de andere gaat en naar een eerste kapel leidt, de Sint-Bernardskapel op een vooruitstekende rotspunt.
Daar beneden gaapt de afgrond, en de oude Jozef toont mij met zachten glimlach ijzeren ringen, die rondom aan de buitenmuren zijn vastgeklonken. Dit is voor een spel, het spel der ringen, dat door de flinke jongens van het land gespeeld wordt, die er een genoegen in vinden op feestdagen langs die ringen rondom het gebouw zich te bewegen, hangend boven de ledige ruimte, of terwijl zij hun handen om de ronde ijzers vastklemmen, met de voeten eenigen steun te zoeken in de gleuven van ’t gesteente.
„Er zijn wel eens ongelukken gebeurd,” zegt de oude; „eens op een keer was een ring losgeraakt, en de jongen viel in de diepte tusschen de steenen en het groen, die gelukkig zijn val braken, zoodat hij er met lichte wonden afkwam.” Ik ga weer over de steenen brug, om het tweede kapelletje te bereiken, dat aan Sint-Barbara gewijd is. Niets interessants daar binnen. Wat eenigszins verrast, is de bouwtrant van het mooie gebouwtje, dat al van 1489 dagteekent, en dat op een platform ligt aan den rand van een kloof, boven de Ellé, die op honderd meters diepte als een woeste bergstroom voorbij vloeit. De ruimte is maar zoo klein, dat men onmogelijk het altaar aan de smalle zijde kon aanbrengen, om het naar christelijken ritus aan den oostkant te plaatsen, maar dat men het heeft moeten zetten aan een der lengtezijden van het kapelletje.
Wie heeft het heiligdommetje daar laten inrichten, alsof het was, om er een weddenschap mee te winnen? ’t Moet volgens de legende een ridder zijn geweest, die op de jacht was in de kloof, en die overvallen werd door een onweêr. De storm wierp steenen neer van de hoogte en groote rotsblokken. Hij deed toen een gelofte, een kapel te zullen oprichten voor de heilige Barbara op de plek, waar een enorm stuk rots zou blijven liggen, dat naar hem toe kwam rollen. Het blok hield stil, en op dat punt werd de kapel gebouwd. Ik verlaat dit duizeligmakend punt niet dan nadat ik langen tijd van het natuurlijke terras heb uitgezien over het schoone heuvellandschap met zijn groote lijnen en zijn fraaie tinten. Ik klim den klokketoren op en keer tot de wevers en hun toestellen terug, tot de beide koeien en de zieke vrouw.
Van Le Faouët begeef ik mij naar Gourin door een zeer mooi land, dat in zijn stijgingen en dalingen al duidelijk laat zien, dat we ’t gebied der bergen naderen. Maar Gourin zelf verschaft niet de voldoening, die ik mij voorstelde te vinden in zijn ligging op de zuidelijke helling van de Zwarte Bergen, en ik denk al, dat ik er een vrij vervelenden avond zal moeten slijten, en dat nog wel in een tijd van ’t jaar, waarin de avonden zoo lang zijn. Daarom onderwerp ik mij maar, bij gebrek aan beter, aan de comedie van de table d’hôte. Dat is een eentonig blijspel, hoe aangenaam men zich ook kan bezighouden met de menschenstaaltjes, die men er onder de oogen krijgt met hun gezichten, waarop pose of nieuwsgierigheid of kijfzucht staat te lezen, alsof de menschen vreesden, niet hun deel te krijgen van het zout en ’t brood. Ik weet al zeker, dat ik er grappenmakers zal vinden, die gemakkelijke intrigetjes beginnen met ongelukkige dienstmeisjes; maar de table d’hôte maakt nu eenmaal deel uit van het reizen; ’t is een tooneelspel, dat alle dagen wordt opgevoerd.

Herberg in Guéméné.
Laat ons eens den troep bekijken. Dit zijn de acteurs, waarvan ik er één ben. Twee jonge menschen, habitués, of die er voor willen doorgaan, want zij zien ’t meisje, dat hen bedient, met onbeschaamdheid aan. Het kind is mooi, te mooi zelfs, en niet wijs genoeg waarschijnlijk, want ze luistert met een halven glimlach en ook een beetje bewogen en ontroerd naar de banale en ruwe woorden dier twee onbeduidende jongens. En die daar binnenkomt, is zeker een man van beteekenis, want hij doet luid de deur open en laat een onderzoekenden blik gaan over de weinige personen, die aan den disch zijn gezeten. Dan komen er twee heeren van datzelfde genre en dezelfde deftigheid, die op de eerste plaatsen gaan zitten. Alle drie praten ze te zamen, alleen met elkander, en zij hebben gelijk, want wat ze vertellen interesseert niemand dan enkel menschen, die ervan houden om aan een table d’hôte voor wat bijzonders door te gaan.

Man en vrouw uit Spézet.
Wat verder een nog vrij jong paartje. De dame is treurig en bleek en schijnt aan hartzeer te lijden. Zij drinkt enkel water en maakt rolletjes van haar brood, waarvan zij niet eet. Zij en hij zijn, wat men welopgevoede menschen noemt, want zij praten niet en gebruiken heel weinig. Bij hen een heer, die weet, dat men alleen spreekt bij het dessert. Maar zal hij dan wat zeggen? Ook nog een oude, brommige heer, die vindt, dat alles slecht is, jaloersch is op het deel van zijn buurman, er over klaagt, dat hij slecht bediend wordt en zich daarbij wendt tot den heer tegenover hem. Deze beantwoordt het vertrouwen met de mededeeling, dat de table d’hôte niet te vergelijken is met den familiedisch, waar de man en echtgenoot en vader, enfin, het hoofd van het gezin, altijd het eerste wordt bediend en recht heeft op de beste stukjes.
Dichtbij hem zit een jonge, blonde, bleeke man en zwijgt, eet tamelijk veel en staat vóór het einde op. Hij heeft geen mensch aangekeken, zelfs niet het aardige dienstmeisje, dat toch dikwijls naar hem keek. Dan nog een paar, een heer en zijn vrouw, die, steeds door, eten en lachen zonder te letten op de omgeving. Daar tegenover twee correcte heeren met snorren, niet meer innemend dan hun eigen plaatsen, niet ’t deel verorberend van den buurman, kalm en gereserveerd, maar niettemin toch steeds bereid, om ’t olie- en azijnstel aan te reiken. Dat zijn engelsche reizigers, en zij maken den aangenamen indruk van welopgevoede menschen onder al dit vulgaire. Ik kan er niet aan doen, maar, hoewel ik er trotsch op ben een Franschman te zijn als ieder ander, toch doet het goed, hen aan te zien. Men voelt wel, dat het „ieder voor zich” hun leus is, maar zij vallen niemand lastig, reizen voor hun genoegen en niet om anderen te vervelen.
Eindelijk is het dîner afgeloopen. De bedoelde heer heeft aan het dessert niet anders gepraat, dan om voor de tweede maal kaas te vragen. Het vrij jonge paar staat op om naar hun kamer te gaan, naar ’t schijnt, om daar uit te schreien. De beide onbeduidende jongens blijven in de gang met het dienstmeisje praten. De notabiliteiten begeven zich plechtig naar het café van het hôtel. De oude brommige heer staat op, zonder iemand goeden dag te zeggen. Het lachend paar gaat elders zijn gegrinnik voortzetten. De Engelschen begeven zich naar hun eigen kamer, om daar de thee met whisky te gebruiken en hun correspondentie af te maken. De eetzaal wordt gesloten. De maaltijd van de muizen gaat beginnen.
Maar niet alleen de table d’hôte, die er al is als overal elders, geeft mij een minder prettig idee van Gourin. Een maaltijd is spoedig gebruikt, als hij u verveelt; en men gaat elders heen, om wat anders te zien en afleiding voor den geest te hebben. ’t Is echter Gourin zelf, dat mij verbaast als een wanklank op deze reis dwars door Bretagne, waar zulke fijne, rijke genietingen te vinden zijn. Gourin is zwart, heelemaal leelijk zwart. Ik zoek tevergeefs naar de reden voor dien indruk. Het is, of de regen koolteer op de straten heeft gegoten, en of men de muren der huizen, de deuren en de binnenvertrekken en zelfs de menschen daarmee heeft bestreken. Men moet wel denken, dat de Zwarte Bergen door den regen zijn opgelost en nu in al hun zwartheid door het dorp vloeien.
Ik kan mij niet voorstellen, dat ik in Bretagne ben, maar geloof mij in de nabijheid van een industriestad uit het Noorden, dichtbij de steenkoolmijnen. Er moeten ook in Auvergne dorpen wezen, die er zoo uitzien, maar neen, de natuur in Auvergne heeft dat donkere en dreigende van het sombere en schitterende bazalt, niet van het vuil, dat overal op ligt als hier. Het helpt niet, of ik hier en daar loop, door alle straten en straatjes wandel, overal krijg ik dienzelfden indruk van rouw. Gelukkig tref ik beneden in het dorp een vroolijk gezelschap bij den dans, zoo maar op straat bij een orgel.
Het is het slot van een bruiloft, vertelt mij in een pauze van het bal een jonge man, met een goed gezicht en zachte, trouwe oogen, en terwijl ik met hem blijf praten en hem zeg, hoe ik over Gourin teleurgesteld ben, antwoordt hij, dat wezenlijk Gourin een leelijk land is; maar dat hij er toch veel van houdt en dat hij in geen ander land zou willen wonen, omdat het echt zijn eigen land is. Hij heeft gereisd, is soldaat geweest en heeft ook Parijs gezien; maar hij is met vreugde teruggekeerd in zijn groote, breede, oploopende straat, die heelemaal zwart ziet, en de slikkerige straatjes en de smerige huizen en, wat meer zegt, hij zal hier niet weer vandaan gaan.
Het zwarte Gourin werd bekoorlijk door dat troepje jongens en meisjes, en als altijd was er één persoontje, dat ’t geheel typeerde, verpersoonlijkend de vreugde van allen en het mooie van dat avonduur aan den voet der bergen. ’t Was een mooi meisje met een klein, kanten mutsje, in een zwart japonnetje en rood zijden boezelaartje met mitaines om haar handjes. Zij is, met een tegenstrijdigheid die meer bij jonge meisjes voorkomt, tegelijk zedig en overmoedig. Zij geeft zich geheel aan de vroolijkheid over en houdt toch iets ingetogens en waardigs, dat allerliefst is. Het bal duurt een heelen tijd. Eindelijk houdt de muziek op; er wordt een laatste glas appelwijn gedronken, en de dansers en danseressen gaan uiteen. Het meisje met het roode schortje vertrekt als de anderen met een vriendelijken blik, die allen schijnt te omvatten en voor ’t plezier van den avond schijnt te danken, maar die, al neemt hij de anderen tot getuige, meer speciaal bestemd is voor een enkele. „Zij gaat de volgende maand trouwen,” hoor ik iemand naast mij zeggen.
Den volgenden morgen vertrek ik in de vroegte. Terwijl het rijtuig in orde wordt gebracht, heb ik nog tijd, een oude gerestaureerde kapel te gaan zien, met lijdensheuvel en lijkenhuis en een paar oude gevels; maar die toch niet bij machte zijn, mij een minuut langer te Gourin te houden. Met vreugde begroet ik buiten de plaats de goede wegen, ’t groen en de eenzaamheid. De weg stijgt, en langs de kale helling van den Zwarten Berg gaat het weldra weer de lucht in. Men stijgt niet tot groote hoogte; de heuvels blijven om en bij de 200 M.; maar de golvingen van het terrein in ’t bergachtig land zijn lang en schoon, met plotselinge, mooie uitzichten. Hier is het stil en eenzaam; men ziet geen torens van kasteelen en geen daken van huizen; afzondering en geheimzinnigheid heeft men hier midden op den dag. De natuur van Bretagne is altijd de omgeving voor een sprookje. Als zij niet het betooverde paleis voorstelt van de Schoone Slaapster in het bosch, ziet men er de dreigende en donkere verblijfplaats van den reus in.
Het dalen langs de andere zijde van den berg brengt mij te Spézet, een nog al armoedig dorpje, maar dat er toch niet zoo akelig uitziet als Gourin. Hier heeft niet alles een kleur van steenkool, maar meer die van mest. Ik ga een huis binnen en praat er eenigen tijd met boeren met geschoren gezichten en groote hoeden. Zooals in Bretagne dikwijls het geval is, ziet het huisje er van binnen veel minder haveloos uit dan van buiten. ’t Is er netjes; de grond is stevig aangestampt en goed geveegd; het hout en de koperen ornamenten van de meubels glimmen als spiegels. ’t Zijn meubels van perehout, dat veel in Spézet gebruikt wordt, naar men mij vertelt.
Ik verlaat het gastvrij huisje, om de kapel van Cran te gaan zien, waar mijn geleider mij volstrekt per rijtuig heen wil voeren. ’t Is maar een halven kilometer ver langs een mooien, groenen weg, waarop we een pastoor tegenkwamen, die op een ezel zat. De ezel en het paard wisselen al balkend en al hinnekend een groet; wij doen hetzelfde, maar in woorden, met den geestelijke, en we bereiken enkele oogenblikken daarna de kapel. Er is daar een aardige, grasrijke vlakte, door boomen overschaduwd, waar men mogelijk wel dank- en bidstonden houdt, en waar des Zondags en op groote feestdagen plaats in overvloed is voor allen, die staande een praatje willen houden rondom de vrouwen met koekjes en appelen.
De sleutel is bij een vrouwtje, dat naast de kapel woont, zegt mijn koetsier. En hij gaat hem halen. Al gauw komt de man terug. De sleutel is bij den pastoor van Spézet. Hij rustte zeker in den zak van den man, dien wij juist zijn tegengekomen, kalm voortgaand met zijn ezeltje. De koetsier draaft, zoo hard hij kan, terug om den sleutel. Maar hij houdt het draven niet vol, of hij rust wat uit in een herberg, ten minste het duurt zeer lang, eer hij terug komt.
Ik blijf alleen in de kleine, omsloten ruimte bij de kapel, binnen de met gras begroeide muren en de hooge boomen. Ik kijk en luister. Het is een nederig kapelletje, zonder iets karakteristieks, met grijze muren, een klokketoren en lage deuren. Over den muur heen ligt het landschap in de zon, velden, zoo ver het oog reikt, hier en daar kleine menschen aan het werk, en een groote stilte over alles heen, waartusschen ik zoo nu en dan het geruisch van een molen hoor en het gemurmel van water. ’t Is een doodgewoon aspect op zulk een reis, als ik nu maak, en ik ben daarvoor hier gekomen, en ook om in dit kapelletje geschilderde kerkramen te bewonderen, die men zegt, dat zeer mooi moeten zijn.
Hoe kan ik dan de ontroering verklaren, die ik gevoel; de diepe melancholie, die zich eensklaps van mij meester maakt, nu ik dit zie, alleen in dit eenvoudige, vergeten land hier aan den voet der Zwarte Bergen. Er zijn zulke oogenblikken, en ieder zal ze wel eens hebben doorleefd, waarin het nietige van alles u overstelpt en u als onherstelbaar treurig neerdrukt. Het is, alsof men plotseling de wereld en het leven ziet als een illusie en een ledig, ondanks de aarde en de velden en het groen, den blauwen hemel en de zon—een onverdragelijk, vervelend raadsel.
Nadat ik het mooie landschap had bewonderd en de weelde van de eenzaamheid genoten had, kreeg ik op eens dat gevoel van nietigheid, dat ik daareven noemde. Ik ga hier niet de verschillende overdenkingen herhalen, die mij bestormden, toen ik leunde tegen het aarden walletje. Zij, die nog nooit iets dergelijks gevoelden, zullen mij niet begrijpen. Zij, die het hebben ondervonden, behoeven zich maar te herinneren, hoe hun leven zich voor hen afspeelde met al wat er aan warmte in gloeide. Wat! Is dat alles reeds verleden en ligt daar de toekomst, ach zoo kort maar, vóór ons! Was het de atmosfeer van dit land, die mij zoo contemplatief en zoo ernstig maakte? Ik kende wel die stemming van melancholie zonder droefheid, de opgewondenheid zonder een schaduw van aberratie van den geest, die soort van verbazing, dat men leeft, die iemand droomen doet terwijl hij wakker is, en die u twijfelen doet aan uw eigen bestaan en aan alle andere leven.
Wat is dit landschap? Wat die gesloten kapel? En wat doe ik hier? Waarom wacht ik op dien sleutel, die door een geestelijke bewaard wordt? Waarom binnen te gaan in die ledige kapel? Al wat u omringt, op zulke oogenblikken van nadenken, schijnt u nietig en onverklaarbaar. Ik zag van een weg een zwarte koe komen, langzaam den kop heen en weer schuddend, en daarachter een oude vrouw in dezelfde kleuren als de koe, een oudje, versleten en zonder leeftijd, net als de tijd. Zij gingen voorbij, zonder eenig geluid te maken, als schaduwen die opdoken in den nacht en weer verdwenen. Toen verscheen de koetsier boven aan den weg, altijd hard loopend, en bracht een grooten, een enormen sleutel, dien ik uit de verte al moest zien, zoo groot was hij. Het kwam mij voor, dat de man wel honderd jaren weg was geweest. Ik trad de kapel binnen.
Prachtige geschilderde vensters, die tooneelen uit den bijbel voorstellen, in mooie harmonieuse figuren, van kunst en arbeid getuigend. Verbeeldingswerk, dat de mensch met zijn onrustigen geest niet kan ontberen. Ik heb het voorbeeld slechts te begrijpen en, de deur sluitend, aanvaardde ik weer het leven, zooals het is.
Indien de beelden uit ’t kapelletje van Cran nog niet voldoende waren geweest, zou de aanblik van den kermisdag te Châteauneuf-du-Faou mij wel de zoo noodige illusies hebben teruggegeven. Ik kon maar met moeite het dorp binnenkomen te midden van een opeenhooping van rijtuigen en voetgangers, en ik krijg niet dadelijk een juisten indruk van Châteauneuf, dat amphitheatersgewijs gebouwd is op de hooge helling van een heuvel boven het dal der Aulne. Ik zie nog wel de lichtende ruimte, den hoogen hemel, het groen en op den voorgrond de huizen en de kerk, waar een mis juist eindigt voor geloovigen, die binnen zijn, en anderen, die buiten de deur knielen bij het kerkportaal. Maar het tooneel is niet scherp omlijnd; het landschap vormt niet meer dan den achtergrond van een tableau vivant, dat al mijn aandacht vraagt. De menigte verdringt zich op den weg, die tegen den heuvel oploopt, en in alle straten, uitloopend op het kermisterrein. Van de hoogte, waar ik mij bevind, zie ik dat kermisterrein, druk wriemelend van menschen en beesten, en zoo vol, dat het lijkt, of men er niet zal kunnen tusschen dringen.
Toch komen er altijd nieuwe scharen marktgangers bij de compacte massa, waaruit tot mij een flauw rumoer opstijgt van stemmen en voetgeschuifel en dierengeluiden. Op mijn beurt kom ik met groote moeite in de volte, stapje voor stapje loopend en voortschuifelend tusschen groepen kooplieden en koopers, tusschen liggende of overeind staande dieren. Ik ga er over van de eene tot de andere zijde van de markt. Daar zijn alle boeren uit den omtrek bijeen, en het verbaast mij niet, dat de velden er zoo eenzaam en verlaten uitzagen zooeven bij de Cran-kapel. Zij zijn gekomen uit alle gehuchten, van alle hoeven, met zich voerend het dier, dat ze geduldig hebben grootgebracht.
Die luidjes hebben geen tijd om midden in hun werk eens op te houden, om zichzelf met nuttelooze vragen lastig te vallen, zich voor de quaestie te stellen, wat de beteekenis der dingen is en wat de reden van ons bestaan. Zij bekommeren zich niet om al die waaroms en die hoe’s, die ons telkens op de lippen komen en die wij toch niet kunnen beantwoorden. Zij, levend te midden der natuur, maken deel uit van het leven en gehoorzamen, zonder erbij na te denken aan de beweging, die alles voortdrijft door een regelmatige opvolging van uren en seizoenen. Misschien dat in de schemering, als de schaduwen langer worden en de omtrekken, wazig als de witte nevelen, strijken over de weiden in de buurt van plassen en moerassen, een van hen zich vragen op de lippen voelt komen naar al die geheimenissen, die ons omringen. Maar de vraag waagt het nauwelijks voor den dag te komen en den geest lastig te vallen, die door het lichaam mee is afgetobd.
De man blijft met zijn zware schreden zijn gewonen dagelijkschen gang gaan, hij ziet als alle dagen zijn horizon beperkt door zijn eigen huis, zijn boomen en zijn kerk; hij ziet de diligence voorbijgaan of hoort de spoortreinen fluiten; maar hij denkt niet verder na over de bestemming van den mensch. Hij stapt naar huis toe, waar zijn soep hem wacht, en dan zal hij gaan slapen dadelijk en rustig. Den volgenden morgen, door de zon al vroeg gewekt, voelt hij zich voor het werk gesterkt, en hij zal weer aan zijn taak gaan, waar hij die had afgebroken. Rustig de eene inspanning op de andere latend volgen, kalm met alle zekerheid en beslistheid, die uit sleur en regelmaat voortvloeien, maakt hij zijn leven van minuut tot minuut, van dag tot dag, van jaar tot jaar, langzaam en onveranderlijk als de natuur.
Het resultaat zijns arbeids, hij neemt het mee naar de markt te Châteauneuf-du-Faou. ’t Is ’t varken, dat trillend van vet op zijn kar ligt; het kalf met vier bijeengebonden pooten; de koe, aan een touw getrokken; ’t paard, dat bij den teugel wordt geleid; de kippen en de eenden in de mand. Dat zijn de kunstwerken der boeren en zijn bijdragen tot het sociale leven. Hij neemt daardoor deel aan de ruiling van goederen, houdt voeling met de andere menschen, voedt en onderhoudt de steden. Op dit marktplein, waar ik tusschen de bezige en gehaaste groepen door loop, zie ik duidelijk vóór mij de beteekenis van den boerenstand.
Het tooneel is bijzonder schilderachtig; het is van één land en een enkel ras; maar tevens bezit het een onveranderlijk karakter; ’t doet denken aan de kampen van nomaden, roept de geuren van de voedende aarde ons te binnen, de groene weiden en de zwervende kudden en den warmen stal. Hoe zal ik een tijdsbepaling kunnen geven aan het tooneel, dat ik voor oogen heb? Ik bemerk wel, dat ik in Bretagne ben; ik zie de gezichten, en ik hoor de stemmen. Maar welk Bretagne? Dat van tegenwoordig, dat van honderd jaar geleden, of dat van vijfhonderd jaren her? Het zou zeer moeilijk zijn, verschilpunten aan te geven. De mannen en de vrouwen zijn al niet meer veranderd dan de dieren. Dit zijn dezelfde gezichten als die men ziet op de geschilderde ramen van de kerken en in ’t beeldhouwwerk op lijdensheuvels. De Middeleeuwen en de tijd der Fransche revolutie zijn hier vereenigd.

Een bedstede met den nauwen ingang tusschen twee schuifdeuren.
De gothische heiligen in hun strenge gewaden staan dichtbij de soldaten van La Rochejaquelin en van Charette in witte buizen van bokke- en schapevel en hoeden met breede randen. De meeste menschen hier zijn kalm en rustig, maken niet meer bewegingen dan noodig is en blijven stilletjes bij hun vee staan. Komt er een kooper, dan wordt de koop met weinig woorden gesloten. De kooper betast het dier, ziet het in den bek, doet eenige korte vragen. De verkooper antwoordt en wacht af. Enkelen echter zijn demonstratief, worden opgewonden, houden redeneeringen en trachten te overtuigen. De opgewondenheid houdt aan; bretonsche opgewektheid doet zich eindelijk gelden, loskomend na het ontbijt met koffie, appelwijn en glazen brandewijn, die telkens een koop bezegelen. De herbergen en hôtelletjes doen geuren van gebraad en sterken drank opstijgen. Maar over alle détails ligt de bekoring van den arbeid, en in het mooie licht van den namiddag ligt het dal der Aulne in de zomerzon. De aarde met haar oogsten en groene velden is de achtergrond voor dit menschendrama van verwachting en bezorgdheid, van belangen en van aandoeningen.

Een wieg uit Spézet.
In de omliggende straten is ook nog markt. Hier ligt aardewerk uitgestald op den grond, en kleedingstukken worden er geëtaleerd met katoentjes en wollen stoffen. Een vrouw, die liedjes verkoopt, heeft een kring van menschen om zich heen; zij declameert op treurspeltoon het laatste dichterlijke voortbrengsel van een locale beroemdheid. ’t Gaat in veertig coupletten over de ramp van Martinique. Hier hebt ge de reizende krant van straat en kerkplein. Men moet wel denken, dat zulk gezongen nieuws nog reden van bestaan heeft in Bretagne, want er staat een menigte om de zangeres, een leelijke oude vrouw, heen, en later koopt er ieder een liedje. De muziek trekt in de eerste plaats, en dit lijkt op den kring, dien de liedjeskoopman in Parijs om zich verzamelt, als hij ’s avonds nieuwe romances leert aan de vrouwen uit de voorsteden, die in een kring om hem heen staan. Maar hier is het ook om ’t feit van den dag.
Men denke eraan, dat er vandaag te Châteauneuf-du-Faou menschen zijn gekomen, die nooit een krant lezen, die in hun hutten leven in de meest afgelegen uithoekjes der streek, midden in het veld, ver van alle stadsgeruchten, zelfs ver van ’t kleinste, stilste, diepst ingeslapen, doove en stomme stadje. Zulke geïsoleerden vangen zoo nu en dan onderweg eens een woordje op over wat er elders gebeurt. Ik geloof wel, dat zij hebben hooren spreken over de ramp van Martinique, en ik heb al gezegd, dat de uitbarsting van de Montagne Pelée een punt van groote belangstelling was in Bretagne. Maar juist over zoo iets willen ze dan graag bijzonderheden hooren, en het verbaast mij niets, dat ze daar staan in dichte gelederen, met ernstige gezichten en starende oogen, geen woord verliezend van ’t verhaal der schrikwekkende gebeurtenis.


Vrouw uit Châteaulin.
De kerk en de kapel van Châteauneuf zijn enkel de moeite waard door het mooie landschap, waarvan zij deel uitmaken. Ik trok erdoor en kwam tegen den avond te Pleyben. Hier ben ik op bekend terrein. Dikwijls ben ik te Pleyben geweest, want het ligt op een plateau, waar veel wegen samenkomen, zooals die naar Morlaix en naar Quimper, naar Châteaulin en naar Carhaix. Ik ga in de richting van Châteaulin, maar eerst wil ik hier nog weer het groote marktplein zien met de onregelmatige rijen huizen eromheen. De markt is een der grootste uit Midden-Bretagne, en ik zou hier wel eens een kermis of een groot feest willen bijwonen. Nu tref ik het niet, want ik zou geen grooter tegenstelling kunnen vinden met de drukte in Châteauneuf-du-Faou als nu ik hier in de eenzaamheid uit het rijtuig stap.
Toch is er nog wel eenig leven. Een paar kinderen houden elkander bij de hand en enkele silhouetten bewegen zich langs de huizen of staan in de deuren. Ik zie, hoe hier en daar gordijnen worden opgetrokken, en door de winkelramen kijken de nieuwsgierigen den vreemdeling na. Die belangstelling is verklaarbaar, en zulke kluizenaars hebben het recht een reiziger goed op te nemen. Ze zouden nog wel meer kijken, als ze vermoedden, dat die vreemdeling komt om hen te bekijken, indrukken op te doen over de décors van hun leven, en gewaar te worden wat hij kan over hun bestaan en hun gedachten.
Wat ik steeds duidelijker inzie, is, dat het leven van zulke dorpsmenschen en dat, wat in gehuchten en in kleine stadjes wordt geleefd, lang niet zoo doodsch is als men op ’t eerste gezicht geneigd is te gelooven. Vooreerst zijn er dezelfde groote gebeurtenissen als in de groote steden, gebeurtenissen, die verband houden met het overal gelijke fond in ’t lot der menschen en in hun gevoelens. Overal heeft men de hoop der jeugd, de liefde, het gezin, de geboorte en de opvoeding der kinderen. Alom kent men de ziekte, den ouderdom en den dood. En ’t overige, waarlijk, dat overige is bijzaak. Een boer heeft het even druk als een fabrieksarbeider of een ambtenaar, en als hij er over ging nadenken, zou hij zijn velden ver verkiezen boven de stad en de opsluiting in een fabriek of op een kantoor.
Wat den handelsstand betreft in kleine stadjes en in dorpen, die behoeven niet zoo groote werkzaamheid aan den dag te leggen als de leiders van de grootindustrie en den groothandel en de directeuren van internationale handelshuizen. Maar toch, die groote chefs, ze zijn te tellen. Ook in Parijs zijn een massa kleine provinciale winkeltjes. De beteekenis hangt maar af van de belangstelling. De winkeliers van Pleyben kunnen ook hun slimheid en vernuft aan den dag leggen, als zij katoentjes verkoopen en wollen stoffen, ijzerwerk en koloniale waren. De dagen zijn hun volstrekt niet te lang. En bedenk dan, dat van elke zeven dagen van de week er één een Zondag is, een dag van genoegen en rust en een goed soort van verveling; dat er verder de marktdagen zijn, terwijl men op de vijf overige dagen, als men wil, de markt in de omliggende dorpen kan bezoeken. Zulke overdenkingen houd ik op de groote markt van Pleyben en in de paar winkels, waar ik binnenga, om een praatje te houden met winkeliers en winkeliersters, die mij zeer verstandig en opgewekt en snaaksch voorkomen. Ze vertellen mij onder meer van kleine zwarte mutsjes van zeer antiek model, die nog gedragen worden en die ik dan ook op de kopjes van verscheiden kleine meisjes zie. Er worden veel van die mutsjes te Pleyben gemaakt, van de eenvoudigste af tot de meer sierlijke van fluweel en zijde.
En Pleyben heeft nog een aantrekkelijkheid, een dubbele zelfs, de kerk en den kruisheuvel. De kerk, een gothisch gebouw, heeft drie torens en mooie geschilderde ramen van 1564. De kruisheuvel dagteekent van 1650, en is de laatste der in Bretagne gemaakte kruisheuvels. De personen zijn gekleed in costumes uit de 16de eeuw, maar toch staat het jaartal 1650 met den naam van den bouwmeester, Yves Ozane uit Brest, op de Avondmaalstafel.
Voor mij was het van veel belang, dat het fraaie kunstwerk in de schoonste harmonie was met de omgeving en met het uur van den dag. Op het groote plein nam in de schemering alles een grijze tint aan en de regen dreigde. Er stond nu niemand meer in een winkeldeur, en de oude kruisheuvel werd als iets levends, nu hij daar zoo eenzaam lag, een soort van klein theater, waar de lijdensgeschiedenis van Jezus werd gespeeld. Ik meen de steenen beeldjes te zien bewegen, en hun armen en beenen gaan op en neer, als waren het marionetten. Maar ’t is alleen de vochtige lucht en de nevel, die zulk een fantastisch aanzien aan alles geven, dat men beweging meent te zien. Ik laat hen bij hun voorstelling; ze zullen geheel alleen zijn ’s avonds en ’s nachts, en ze zullen voortgaan met hun drama zonder publiek en zonder sterrenlicht ook, alleen waarschijnlijk onder de begeleiding van een flinke stortbui.
Het is zoo goed als nacht, toen ik te Châteaulin kom; maar ik heb de mooie bocht van de rivier meenen te onderscheiden, met de witte huizen van Port-Launay zich spiegelend in het water, en ook zie ik de blauwe kleuren van de vroegere leisteengroeven, die op de stad neerzien. Van avond komt er hier geen regen. ’t Is een heerlijk zachte avond. De maan schittert aan een hemel zonder wolken. Châteaulin lijkt mij nog stiller dan Pleyben. De ligging van de stad, gebouwd op beide oevers van de Aulne, tusschen twee muren van heuvels, is liefelijk en rustig; alles is in ’t plaatsje netjes en afgewerkt, rechtlijnig en goed onderhouden. ’t Hôtel is zeer groot en nog al donker, maar ik heb een goede herinnering bewaard aan de tafel en vooral aan het onvergelijkelijk dessert van aardbeien van Port-Launay, het dorpje, dat wij bij een bocht van de rivier zagen liggen. „Ze zijn nog beter dan die van Plougastel”, zei een gast tot mij, toen ik hem van mijn voorliefde sprak voor die vruchten, die zoo prachtig waren, wit en rood en frisch en geurig en stevig en zeker pas waren geplukt. Daar de aardbeien uit Plougastel, die ik kende als uitstekend, niet present waren, beijverde ik mij net als mijn buurman, om aan de aardbeien van Port-Launay de voorkeur te schenken.
In weinig woorden is de historie van het stadje verteld. De eerste inwoner van Châteaulin was, naar men zegt, de heilige Idunet, die een hermitage op den heuvel bezat. De kluizenaarshut werd vervangen door een klooster aan de overzijde der rivier, en bij het klooster voegde zich later, in de tiende eeuw, de vesting. In de 12de eeuw was de stad het tooneel van twisten tusschen den vicomte du Faou en den graaf van Léon, maar daarna bleef het rustig tot den strijd der Ligue en het doortrekken van plunderende benden. Dat is alles.
Het voorkomen van het stadje is stil en vreedzaam; ’t is, of het geen andere bezigheid heeft dan zich te spiegelen in het water. Behalve de beweging van enkele booten en schepen is er bijna niets te doen. De leisteengroeven, die vroeger beroemd waren, hebben, zoo wordt mij gezegd, veel van hun beteekenis verloren. Twintig jaren geleden herinner ik mij, dat er in zake die groeven veel te doen was in de plaats; maar nu bespeur ik daar niets van. Ze schijnen thans geen ander doel te hebben dan de stad te overschaduwen met hun zwarte en blauwachtige donkere kleuren. Maar men moet niet afgaan op den schijn. Dit kalme stadje is niet dood, want het is uiterst helder en zindelijk en wekt gedachten aan orde en welvarendheid. Het is het eerste stadje geweest, dat electrisch licht had in Bretagne, ’t geen op een geest van initiatief wijst onder het stille uiterlijk. Maar ’t voorkomen van een plaats wisselt sterk en hangt af van den dag, waarop de reiziger er komt. Ik ben er zeker van, dat het er druk en aardig kan zijn op sommige feestdagen en bij vergaderingen of op marktdagen. Als ’t stadje al haar levendigheid bestemt voor de uren, waarop het die kan gebruiken, doet het goed; laat het dan verder maar uitrusten.
Thans is het een rustdag en ik loop ongeveer in mijn eentje langs de 350 meter kade aan de Aulne. Op de schepen zelfs zie ik niemand. Ik word ten slotte beu van al die stadseenzaamheid en zoek de eenzaamheid van het vrije veld. Ik behoef dan maar voort te loopen langs den rechteroever der rivier, die drie kilometer verder op Port-Launay aanloopt. Dit is een prettige wandeling en men moet altijd Châteaulin aanvullen met dit andere plaatsje, dat 838 meter kade heeft en waar de waren van Châteaulin verscheept worden. Zoo wordt de rust van de stad verklaard; de rivier werkt voor haar, en ze doet dat te Port-Launay. Daar kunnen schepen van 150 ton aanleggen, beter dan te Châteaulin. Er wordt vooral met Brest handel gedreven. Men kan die stad per stoomboot bereiken. Daarheen gaan de leien en ’t gevogelte, de groenten en de aardbeien. „Maar verlaat Port-Launay vooral niet, mijnheer, zonder den viaduct van den spoorweg te hebben gezien.”
Ik heb al de haven bekeken en de kerk en de fontein, en alles heeft mij aangenaam aangedaan. Ik kan begrijpen, dat menschen uit Brest en van elders hier buitenpartijen geven, want men heeft opgemerkt, dat ook menschen van buiten nog schik hebben aan buitenpartijen ergens anders heen dan bij hen thuis. Het komt er maar op aan, zich te verplaatsen, en dat is inderdaad voor den mensch noodig. Ik heb dus al, wat ik daar noemde, gezien en ik wil den viaduct nog wel gaan bekijken. Daarvoor moet ik den weg langs de rivier nog drie kilometer verder volgen. Dat doe ik, en ik kom bij de beroemde spoorwegbrug, die haar beroemdheid verdient. Zij is, om het precies te zeggen, 375 meter lang, 50 M. hoog en bestaat uit twaalf bogen van 22 M. wijdte. Ik heb geen spijt gehad van de wandeling, want al is de schoonheid van een kunstwerk hier niet aanwezig, er is een andere, geheel nieuwe schoonheid, en men moest wel blind zijn, als men die niet opmerkte, en wel dwaas, als men haar niet hoog stelde. Hier is menschenwerk, vol kracht en gratie en schoone harmonie. Zij, die een viaduct als dezen hebben ontworpen en uitgevoerd in dienst van de betere en snellere gemeenschap der menschen onderling, deden een nuttigheidswerk, dat is zeker, maar toch mogen zij artisten heeten, omdat ze een sierlijken en een passenden vorm voor hun conceptie wisten te vinden. Ze worden wel eens beschuldigd, dat ze ’t landschap met hun bruggen ontsieren; maar dat is een gemeenplaats. Men moet liever zeggen, dat zij er een nieuw element van schoonheid aan toevoegen.
Natuurlijk moet men met deze „verfraaiingen” niet al te kwistig zijn; maar daar, waar zij in een behoefte voorzien, ontsieren ze in geen enkel opzicht. Wat een landschap leelijk maakt, zijn vuile, armoedige, sombere woningen, waar menschelijke ellende huist in vuil en slijk en ongezonde lucht. Toch zijn er reizigers genoeg, die zulke huizen kunnen bewonderen. Ze zien daarin iets schilderachtigs, een „ick en weet niet wat”, dat het „doet” in een landschap. Zij zouden er voorzeker niet willen wonen, want ze kunnen hun modern huis in ’t geheel niet missen met zijn waterleiding, gas, electrisch licht en afvoer van vuil, met al het comfort en de hygiëne. Daar hebben ze gelijk in, maar dan moeten zij het ook niet al te natuurlijk vinden, dat anderen in krotten wonen, waarvan zijzelven een aquarel kunnen maken. Ik geef de voorkeur aan den viaduct, die het verkeer vergemakkelijkt en de welvaart verhoogt. Ik bewonder den kruisheuvel, als hij aan de eischen van de kunst voldoet; maar ik vraag tevens vrijheid, om den viaduct, de locomotief en den goederentrein te bewonderen.
Gedurende mijn verblijf te Châteaulin, van waar men uitstekend in alle richtingen uitstapjes kan doen, besloot ik, naar Douarnenez te gaan en dat deel van Finistère beter op te nemen. Ik weifel tusschen den spoorweg en een rijtuig en kies ten slotte het laatste. Gelukkig, want nu werd ik bijna 200 M. de Zwarte Bergen opgevoerd, van waar ik de geheele streek kon overzien tot aan de zee, vóór ik bij het dorp Cast kwam. Dit zijn de hellingen van den Menez-Gueltas, begroeid met heide en varens, waartusschen eenige beekjes ritselen.
De wind voert mij de zeebries toe uit de baai van Douarnenez, en terwijl ik daal langs de met vruchtboomen bezette heuvels, stuit ik vóór ik Cast bereik op lage moerassen, die een scherpe tegenstelling vormen met de vruchtbare streken. Te Cast gaan wij het kerkportaal bezien met de vele beelden, en achter de kerk vindt men op een muur nog sporen van oud beeldhouwwerk.
Te Locronan zag ik met genoegen het groote marktplein terug met zijn huizen uit de 17de eeuw, de massieve kerk uit de 15de eeuw en haar dikken toren met balustrades, het kleine kapelletje en zijn mooien klokketoren. Die decoraties van Locronan zijn prachtig, stevig van bouw en met mos begroeid. De hoofdpersoon hier is een heilige Renan, wiens graf in de kerk van Locronan wordt aangewezen. Waarschijnlijk is hij een voorvader geweest van Ernest Renan. Hij moet als kluizenaar een groot deel van zijn leven op een berg hebben doorgebracht. De heilige Renan trok elken dag om den berg heen, op welks top hij zijn kluis had, en droeg een bel in de hand, ter waarschuwing als hij voorbijging. Nu en dan speelde hij zijn rol van beschaver, gaf aan de bewoners uit de buurt les in de kunst van linnenweven, en van dien tijd af namen linnen zeilen de plaats in van de dierenvellen, die men aan de masten van de schepen heesch. Dat traject van vier mijlen rondom den berg leggen nu de pelgrims af bij hun jaarlijksch bezoek op den 2den Juli en bij de groote bedevaart, die alle zeven jaren plaats heeft. De weg, dien de processie aflegt, is die, welken de beide ossen volgden, toen zij voor een kar gespannen waren, waarop het lijk van den heiligen Locronan lag en hun eigen weg mochten gaan. Zij trokken om den berg, waarop de raderen van de kar hun indrukselen nalieten. Alle pelgrims, die tot een getal van 40000 komen opdagen, meenen, dat het pad ten hemel leidt.
Terwijl ik te Locronan vertoef, kan ik geschikt aan de kust Plonévez-Porsay bezoeken, om de kapel der H. Anna te zien. De bewaker is een pachter uit de buurt. Hij maakt de deur voor mij open en wijst het granieten beeld der H. Anna, goed beeldhouwwerk uit de zestiende eeuw. Ex-voto’s hangen aan de wanden, krukken, wandelstokken en lappen stof. De laatste Zondag van Augustus is de dag, waarop men hierheen gaat ter bedevaart. De dag tevoren is die der bedelaars, die dan niet weer mogen terugkomen.

Twee oudjes te Châteauneuf-du-Faou.
De verhalen omtrent de heilige van deze kapel hebben de eigenaardigheid, dat ze Jezus Christus tot een echt kind van Bretagne maken. Luister maar. Anna was uitgehuwelijkt aan een boozen heer, die kinderen verfoeide en er geen wilde hebben. Anna werd mishandeld en op een avond door haar echtgenoot weggejaagd, toen deze bemerkte, dat zijn vrouw moeder worden ging. De arme vrouw verliet het kasteel Moëllieu en trok naar de zee, waar ze een licht zag verschijnen. Het was een door een engel bestuurde boot. Zij nam er in plaats en voer lang en ver, tot ze eindelijk in Judaea aan land ging; waar ze de Maagd Maria ter wereld bracht.
Zij kwam op dezelfde wijze in Bretagne terug, werd er met groote vreugde ontvangen, omdat men geloofde, dat zij de macht had, de golven tot rust te brengen en de zieken te genezen. Jaren en jaren na haar terugkeer kreeg zij bezoek van haren kleinzoon Jezus, die kwam om haar zegen af te smeeken, vóór hij het Evangelie prediken ging. Jezus liet op verzoek zijner grootmoeder een bron springen, waarbij de kapel werd gebouwd, die een schuilplaats zou worden voor zieken en ongelukkigen. Toen Anna stierf, zocht men overal te vergeefs naar haar stoffelijk overschot; men vond het eerst vele jaren later in zee, waar er zich een korst van schelpen op had afgezet.

Aan de kade te Châteaulin.
Van Locronan naar Douarnenez gaat een weg direct naar de baai, langs het bosch van Névet, ’t kasteel Coz-castel en het gehucht Kerlaz, welks klokketorens boven de geheele omgeving uitsteken. De streek is prachtig en schaduwrijk, en plotseling heeft men dan den bekorenden aanblik van de baai van Douarnenez, die geheel open vóór ons ligt. Over het talud van den weg ziet men uit op de wijde uitgestrektheid der zee, door de kust omsloten; men ziet de rotsen van Morgat in de verte en de kapen Bellac, Talagrip en Trefuntec. Douarnenez ligt vrij beschut links in het verste hoekje van de baai, met het eiland Tristan als golfbreker, terwijl de kust dan verder met een kleine afwijking naar het Zuiden tot kaap Raz doorloopt. Bij mooi weêr en blauwe lucht, als de zee ook blauw is en het zilveren schuim der golven schittert in de zon, zou men niet gelooven, dat men in het ruwe Armoria, ’t land van Bretagne is, de streek van regen en nevel, maar aan de kusten van een italiaansche of grieksche zee.
De boomen met hun afgeronde toppen groeien bijna tot den rand der golven, werpen schaduw op het witte zand van het strand, en men gaat, als ’t ware, instinctmatig zoeken op een in zee vooruitstekende punt naar de sierlijke en regelmatige vormen van een marmeren tempel, opgericht ter eere van de macht der goden en van menschelijke heldendaden.

Als de kerk vol is, knielen ze buiten de deur.
Ik heb hier vroeger lange vacanties doorgebracht, dichtbij, daar aan den kant van den weg in het huis der Vier Winden, dat terecht dien naam droeg. De kamer was heerlijk, met het venster dat op de zee uitzag, en mijn werkhokje was niet minder prettig. Het grensde aan de groote kamer en was geheel met hout beschoten, terwijl het door een klein venstertje ook op de zee uitzag. Veel meer dan een hut kon men het niet noemen; voor niets anders was er plaats dan voor een tafel, een stoel en mijzelven. Maar de zee, zij was dichtbij, en ik heb er den Oceaan gezien in allerlei tinten en schakeeringen en met duizenderlei uitdrukking, groen, blauw, lila, grijs, verguld, rood, glimlachend, teeder, liefkoozend, somber, plechtig, boos, woedend, al zijn gratie toonend of al zijn toorn uitend.