In Midden-Bretagne. (continued 2)
Reading edition
Mijn hut schudde soms als een boot in volle zee, maar ’t huis van de Vier Winden was stevig gebouwd achter zijn aarden walletje, en de stormen deden er geen kwaad aan. Er was trouwens geen weêr zóó slecht, dat het mijn kostvrouw en haar dochter somber maken kon. Ze waren beide luchthartige zielen, en ik heb nooit ergens zoo hartelijk hooren lachen. Ook van dat lachen schudde het huis. Ik hoorde het telkens en telkens van beneden opklinken naar boven; het drong door alle deuren en deed de ruitjes van het kleine venster rammelen.
Ik bracht in mijn hokje lange uren door. Ik was toen bezig met een boek, dat l’Enfermé getiteld was en ik was zelf een opgeslotene van mijn onderwerp, daar levend als een gevangene in zijn cel en de gevoelens van mijn held begrijpend door mijn eigen gewaarwordingen. Maar de eenzaamheid was geen stilte. Ik schreef steeds tusschen het eentonige, heerlijke geluid der zee, welker golfjes fluisterend braken op het strand, en het geluid van ’t lachen mijner dienende geesten, dat ook altijd voortging als de rijzende en dalende zee. Toch moet ik erkennen, dat die vroolijke schepseltjes ook smart kenden, want ik hoorde op enkele avonden ’t geluid van tranen, dat den klank van ’t lachen had vervangen, en ik kon niet, zooals ik eerst gedacht had, de herinnering meenemen van een woning, waar men altijd lacht.
Ik was, zooals men zal begrijpen, niet onophoudelijk de gevangene van mijn werk. Ik brak er wel eens uit en deed tochtjes op zee en landwaarts in. In een boot heb ik de kust bekeken, ben om de Geitenkaap gevaren en heb de hooge rotsen van de Tas de Pois bezocht. Achter het huis wandelde ik tot diep in het Juchbosch, waar ik nu en dan onder de mooie boomen den een of anderen ouden boer ontmoette, in antieke kleedij met grijze linnen broek, blauwe kiel en kleinen ronden hoed. Ook op de rotsen liep het goed over de lage planten en het heidekruid, dat met zijn rose bloemen uitnoodigde tot rusten, terwijl het voetpad der douane geheel rondom de prachtige baai liep, en iemand noopte om bij elke honderd schreden rond te kijken. Maar dat alles is naast Douarnenez. Ik moet wat van de stad vertellen.
Want het is een stad, Douarnenez, niet meer dan een eenvoudige kantonnale hoofdstad; zij telt omstreeks 12000 inwoners en is gebouwd op een rots aan de monding der rivier Pouldavy tegenover ’t kleine eiland Tristan, waar men een fabriek heeft voor sardinebereiding. Douarnenez is inderdaad als zooveel andere plaatsjes een zeehaven, die bekend is om haar sardines. Er lag in oude tijden op het eilandje een klooster, dat door den roover Fontenelle werd ontruimd, waarna hij zich er vestigde. Hij bleef er drie jaren, ofschoon er door het garnizoen van Brest pogingen werden gedaan, om hem de plaats te doen ontruimen.
Volgens de overlevering zou het eiland Tristan zijn naam gekregen hebben naar een der helden van de Ronde Tafel. Nu ruikt het er in de straatjes sterk naar visch, en aan ridderverhalen wordt men niet herinnerd. Aan ’t eind van ieder straatje ziet men de zee, en in de haven liggen booten op het strand of zijn er voor anker gelegd, terwijl er voortdurend zeilen geheschen en gestreken worden op vertrekkende of thuiskomende schepen. Zeelui loopen overal rond op klompen, die zwaar en dof hun stappen doen klinken en dragen manden met visch of sleepen netten achter zich aan.
Ook vischvrouwen ziet men veel, naar de fabriek gaande of ervan terugkeerend, en kinderen gaan òf al mee naar de fabriek òf leeren de vischvangst. Hier als elders wordt veel leed geleden, waarvan de terugslag soms zelfs in Parijs gevoeld wordt. Er heerscht ellende, wanneer de schoolen van sardines schaarsch zijn, of de vangst te wenschen overlaat, wanneer de prijzen laag zijn, die aan de fabrieken worden betaald. De menschen kennen hier de werkeloosheid en ’t gebrek en den honger.
’s Zomers gaat het; maar er zijn niet velen van hen die een lapje grond bezitten en een koe, om naar de wei te brengen. ’s Winters doen ze bovenmenschelijke pogingen en wagen hun leven dikwijls te vergeefs. Als onder regenluchten de zee vijandig is en doodsch, droomen zij misschien van een blauwe zee, die glimlacht in den zonneschijn en die hen mogelijk liefderijker voeden zou. Het schijnt, dat de schuiten niet zóó ingericht zijn, dat ze ten allen tijde en voor alle vangsten kunnen dienen. De menschen zouden daar, als de geest van initiatief over hen kwam en zij met sleur en gewoonte braken, misschien beter eraan toe zijn.
Er wordt hier veel aan kustvangst gedaan; geen verre tochten worden ondernomen om walvisschen en kabeljauwen als in Paimpol en elders. Vloten van kleine visschersschuiten steken in zee, elk met drie man bemand, één aan de touwen, één aan ’t roer en de derde aan de netten. Ieder seizoen brengt andere visch, en men moet dan ’t juiste oogenblik weten te kiezen. Sardines en haringen, die zich in enorme massa’s vermenigvuldigen, trekken in schoolen van soms 10 à 12 KM. lengte. De sardines, die met gedroogde kabeljauweieren worden gevangen, komen aan de fransche westkust meestal in de maand Mei. Soms gaan ze heel in de verte voorbij en komen dichtbij Spanje en Afrika. De haringen zijn nog veel grilliger; ze zijn nu eens hier, dan daar; in ’t begin van ’t jaar in de Noordzee, dan op de noordelijke kust van Schotland, later in de duitsche zeeën, en eindelijk in de laatste maanden van het jaar in het Kanaal.
Men kan de haringschoolen aan verschillende teekenen onderkennen, vluchten zeevogels volgen ze onafgebroken; er stijgt een eigenaardige geur uit op; zij jagen golven op, als ’t water volkomen stil en effen is, en eindelijk nog kan men des nachts de aanwezigheid der visschen aan de lichtende strepen als van vuur herkennen, want de dieren zijn sterk phosforesceerend. Evenals voor sardines en de meeste andere visch van kleine of middelmatige grootte, wordt het net bij de vangst gebruikt. Men gaat er bij voorkeur des nachts op uit, en de lantaarns aan lange stokken gebonden achter aan de schuiten, dienen mee als lokmiddel. De netten van groote afmeting, verzwaard met steenen of met stukjes lood, hebben mazen van ongeveer twee centimeters, waarin de visch met de kieuwen verward raakt, zonder zich te kunnen bevrijden. Het net wordt uit het water getrokken met behulp van kaapstanders, en de visschen worden in vaten gelegd in lagen, die door zout worden vaneen gescheiden.
Makreelen en veel andere vischsoorten, die men ten alle tijde in de hallen en op de markten vinden kan, als rog en schelvisch, spiering, tarbot, paling, tong e. a. worden het geheele jaar door aan de kust gevangen, maar die vangst is het voordeeligst in Mei, Juni en Juli. De zalm wordt aan de kust gevangen in den winter en bij de monding van rivieren in den warmen tijd, want die visch, die zuiver water van een zekere temperatuur behoeft, verandert in den tijd der dag- en nachteveningen van verblijfplaats; hij overwintert in de zee en komt in ’t voorjaar ’t zoete water zoeken. Hij wordt met eenvoudige netten gevangen, en in rivieren ook wel met lijnen of in fuiken.
Bretagne is al van ouds beroemd als een visschersland. In de 15de eeuw brachten dezelfde visschen, die nu nog gewild zijn, ook reeds vooral niet minder op. De haring, de sardine, de makreel, de schelvisch, de steur waren overvloedig, en de groote heeren, vertegenwoordigers vaak van den hertog, namen aan de vischvangst deel. De opbrengst behoorde van rechtswege aan den heer. De visschers kregen er een matig deel van. Versche visch was zeer gezocht. Zoodra de vloot in een stad aan de kust aan wal was, kwamen de burgers en de opkoopers, maar het grootste deel van de vangst moest bij gebrek aan vervoermiddelen worden gezouten en gedroogd, ’t geen den landheer ten goede kwam.

Bedevaartganger vóór de kerk te Locronan.
Vooral in Januari en Februari deden de groote fransche heeren uit Nantes en uit Saint-Malo hun inkoopen met het oog op den vastentijd en ’t carnaval. Dank zij het gemakkelijker vervoer is tegenwoordig versche visch het meest gewild, maar men moet toch ook conserveeren met het oog op slechte vischseizoenen, op perioden van storm, als de booten in de havens moeten blijven en op tijden van hooge zeeën, als men te vergeefs de wateren afzoekt.
Ondanks de onzekerheid gaat het bedrijf van vader op zoon over. De kinderen zouden wel voor andere ambachten kunnen worden opgeleid; maar de dadelijke behoefte aan hulp en de hereditaire neiging zijn het sterkst en winnen het altijd. Zij nemen, als zoovelen, de schaduw met het licht, en al is in de slechte tijden de kast wel eens leêg, geen nood, dan worden de rantsoenen verkleind, en de visscher, die uit zijn aard zorgeloos is, gaat voort, in goede tijden het verdiende op te maken zonder voor den slechten tijd te sparen. Hij zegt: „Een stuiver, aan den wal verdiend, is beter dan tien stuivers, op zee gewonnen; want die van den wal kan men bewaren, maar de tien van de zee ziet men altijd verdrinken.” De onzekerheid van het bestaan werkt wel tot die opvatting mee. Waartoe te sparen? Maar er zijn wel uitzonderingen. Sommigen stellen er een eer in, hun eigen schuit te hebben en niet meer in natura huur te moeten afstaan van iedere vangst. Zij vermijden dan de herbergen en sparen; er heerscht in hun woningen orde en netheid en ten slotte wordt de nieuwe schuit, hun eigene, in zee gelaten; de droom is verwezenlijkt.
Wat nooit uitblijft, zijn de stormen. Jaar op jaar en telkens weer gaan er schepen te niet. Als de storm voorbij is, geeft de tot rust gebrachte zee de lijken van diegenen, die zij heeft gedood, terug. In het dorp zijn er plaatsen ledig in de huizen van de visschers, en in de haven ontbreken schuiten op ’t appèl. Dagelijks gingen de vrouwen naar het strand, maar vloed en eb, die staag elkaâr vervingen, ze brachten geen bericht van leven of van dood den vrouwen en den kinderen, die morgen weduwen en weezen zullen zijn. Dan op een dag vindt men een lijk onder tegen de rotsen en de overblijfselen van een schuit. De visschers dragen hun makker naar het kerkhof; de witte muts wordt bedekt met een rouwsluier en de anderen helpen de ellende dragen. Maar niemand uit een vloek of toornt op het lot en de geestelijke, die den doode met wijwater heeft besprenkeld en op het graf een latijnschen psalm heeft uitgesproken, zal kunnen denken, dat hier onderworpenheid is aan een hoogeren wil en heilige aanbidding van een geheimzinnige hand, die slaat. Misschien, maar het is ook aan een zeer reëele macht, dat de arme visschers onzer kusten zich onderwerpen. De god, dien zij vreezen en aanbidden, die hen voedt en hun den dood brengt naar believen zijner wreede grillen, is de onmetelijke Oceaan, de zee, waarmee zij zoo vertrouwelijk zijn en die zoo onbegrijpelijk is, die nu eens zingend lief hen wiegt en dan zijn schuim hun in ’t gezicht slaat of hen tegen rotsen te pletter slaat. Voor dien god richten zij kruisheuvels op aan den rand van steile kapen, voor hem hangen zij ex-voto’s in de kerken, nemen ze aan processies deel rondom het dorp, de schrik, vermengd met liefde, dien zij voor hem voelen maakt, dat zij godsdienstige zinnetjes in de cognossementen van de kapiteins inlasschen, dat ze visschersschuiten onder de bescherming stellen van den naam eens martelaars.
De nabijheid van het groote slagveld, de zee, moest dezelfde gevoelens van dankbaarheid en vrees doen ontstaan, als de oude, zwervende volksstammen op de hooge plateaux van Azië gevoelden voor den strijd tusschen den nacht en het licht, vandaar de godsdienstigheid der visschersvolken.
Zoo waar is deze opvatting, dat als de visscher tusschen zijn kerk en de zee geplaatst wordt, hij niet zal aarzelen. Des Zondags juist als andere dagen gaat hij uit ter vangst, let op de lucht en ’t water en geeft niet om de waarschuwende, klagende tonen van de kerkklok, noch om de vermaningen van den pastoor, die machteloos is, de vluchtende booten terug te houden, wanneer ze met gezwollen zeilen als gulzige meeuwen wegvliegen. Dat komt, omdat men hier, als elders, den strijd om het bestaan aanvaardt als iets noodzakelijks. Wat geeft het, of wij praten over de onverbiddelijkheid van ’t lot, het toeval der geboorte en de onverwachte rampen? De zee is daar en biedt haar levenden buit aan handen, die hem zullen kunnen grijpen en werpt als lokmiddelen de heerlijke schaaldieren op het strand en krabben en garnalen, en zeewier, waar matrassen mee kunnen gevuld, en andere wieren, waarmee men de velden kan bemesten.
En verderop heeft zij nog banken en schoolen van visch met zilveren schubben; doch slechts na een nacht van vischvangst staat de zee die af en laat een mensch zooveel verdienen, dat hij eten heeft en zich kan kleeden. Dus gaat men er op uit in de stevige schuit, die door de zeilen vlug wordt meegevoerd. Bij de terugkomst trekken de vrouwen en kinderen mee de schuit op het strand, lossen den inhoud, halen het anker op. ’t Gaat altijd op dezelfde wijze. En nooit denken de mannen uit Camaret en Douarnenez, Audierne en Concarneau er over, hun lot te veranderen; zij droomen niet van een zekerder en veiliger bestaan, dat niet zóó vol is van gevaren.

Borduurster te Douarnenez.
Zij gaan naar zee en keeren telkens er weer heen terug. De zee is een groote verleidster, die hem voor altijd en geheel bezit, en hen niet loslaat. Ze weten, dat het bed dezer forsche echtgenoote ook hun graf zal worden. Ze zijn door den regen gedrenkt en door de windstooten half gestikt; ze hebben in de golvenafgronden gekeken en ze hebben het gevoel gehad als bij een strijd van man tegen man met de watermassa’s, die op hem afkwamen, en die soms even terugweken, als om een aanloop te nemen, om dan met verdubbelde woede weer te komen, en als een troep wilde dieren zich op de ranke schuit te werpen, haar schuddend en duwend en bijtend, terwijl de wilde winden zeilen en touwen scheuren en mensch en schip gedreven worden in de richting van den moordkuil bij de rotsen, onder het water wreed verborgen.
Welnu, wat is dat nog! Dat alles vergeet men weer. Wanneer de zee zingt met al haar golven, als ze trilt onder den zonnekus, dan luistert men toch telkens weer naar de zoete lokstem, en de boot gaat vlug te water; de visscher zoekt het ruime sop. En daarom ook gaan na een ramp de weduwe en de oudste zoon opnieuw aan ’t zeilen naaien, teren weer de booten, boeten trouw de netten en verbinden alle wonden van de schuit. De knaap, die heer en meester op de schuit geworden is, zal weer het leven en den dood gaan zoeken op de plek, waar de meesten van de hunnen zijn gevallen. Hij zal niet trachten zich te onttrekken aan de algemeene wet. Zijn intreê in het leven is in een register geboekt; zijn dood zal mogelijk geheel obscuur zijn en geen sporen zullen ervan blijven in de boeken van den burgerlijken stand.
’t Is niet slechts een enkele maal, dat ik aan ’t strand der zee een oude vrouw stijf voor zich uit heb zien staren, met gerimpeld gelaat en droge oogen, een vrouw met een witte muts, al wachtend maar op het verschijnen van een zeil aan den horizon. Dit is geen valsche gevoeligheid. ’t Is alles het gewone in de drama’s van de zee.

Op een drempel te Landévennec.
De vrouw van den visscher, wachtend op haar man, is geen romantische figuur, gemakkelijk onderwerp voor een schilderstuk. Men kan haar zien in werkelijkheid, als booten ginder met de winden vechten. Soms heeft ze een kind op den arm en een tweede aan de hand, juist als men ziet op platen. Het weêr moet wel zeer slecht zijn en haar angst zeer groot, als zij zich waagt naar buiten uit haar huis, om ’t einde van den storm te kennen en omtrent ’t lot der booten ingelicht te worden. Gewoonlijk blijft ze thuis, bezig steeds en toch geduldig. Zij zorgt voor de kinderen en het land, breit, kookt den avondmaaltijd voor den man, die op zee is. Natuurlijk, het leven, dat men op zich heeft genomen, eischt het; het heeft aan ieder zijn taak aangewezen en men verricht die, zonder er verder over te praten.
De visscher gaat en sleept zijn netten mee, hijscht de zeilen en verdwijnt achter de golven in den morgenzon of op den donkeren avond. De vrouw blijft te huis, tusschen het vertrek en de terugkomst steeds met hetzelfde werk vervuld. Zij heeft geleerd, de kansen op een goeden afloop te berekenen. Zij weet aan de geuren in de lucht en de richting van den wind, aan de kleur van den hemel, hoe het met de booten, die bij vloed vertrokken, is gegaan. Zij weet zonder kaart en kompas, dat alles geregeld gaat, of dat er gevaren dreigen. Dan gaat ze uit in het geluid van den beginnenden storm, als de atmosfeer loodkleurig is en zwaar hangt op het strand. Zoo doen dan alle vrouwen uit het dorp, want ze hebben allen dezelfde waarschuwingen ontvangen tegelijkertijd door wat er om haar heen was. De slechte voorteekenen hebben allen getroffen en allen laten ze zich ook geruststellen door teekenen, die op een goeden afloop wijzen.
Onder de stedelingen, die elk jaar een zeebadplaats bezoeken, en er eenige weken of maanden blijven, zijn er velen, die niets bespeuren van het leven der visschers en hun gezinnen. Zij kennen slechts het strand en de baden, de wedrennen en roeiwedstrijden, ’t casino en de lieve zee, het lied der golven en de overvloed van licht en lucht. Men moet hun vertellen, dat na de zoete zomers en de laatste mooie dagen van den herfst, het alles hier verandert, dat de zee gaat toornen, en dat de visschers een harden strijd te voeren hebben met den wind en ’t water, die de zwakke scheepjes dikwijls meester blijven. Als de wandelaars en toeristen dan het volgend jaar terugkeeren met de mooie dagen, zijn er weduwen en weezen dichtbij de plek, waar op het elegante strand de dames wandelen in haar lichte zomerkleeding. Zij, die alleen de glimlachjes der zee kennen, doen goed, als zij dan medelijden toonen en helpen om, zooveel zij kunnen, te herstellen wat de woedende buien van den storm en de fel booze zee bedorven hebben.

Visscherswoning te Douarnenez.
Aan zulke dingen denk ik, terwijl ik rondzie langs de straat, die naar een schaduwrijken weg geleidt, en langs een andere, voerend naar de kerk. Er is veel drukte en beweging; men maakt zich gereed voor een langen tocht om sardines en makreelen op de kust van Schotland te verschalken. De gansche bevolking van mannen en vrouwen is in de weer, vervoert manden en sleept netten. En juist op den dag, toen ik dien uittocht zag, was de vangst voordeelig, maar niet te voordeelig, ’t geen ook kan, en het geval was in 1888, toen men de sardines als mest moest verkoopen tegen een stuiver de duizend!
De drukte beperkt zich niet tot Douarnenez, gaat aan den eenen kant tot aan Tréboul, aan den anderen tot Ploaré, een groep huizen om een mooien klokketoren, in zekeren zin een voorstadje van Douarnenez. Het slaat vier uur. De school gaat uit, en bijna onmiddellijk vullen de straten zich met kinderen, een woelige, bewegelijke, babbelende en gesticuleerende menigte. Ik heb, geloof ik, nog nooit zooveel blauwe oogen bij elkaâr gezien. Kleine jongetjes gelijken al op groote visschers, en kleine meisjes zijn heel duidelijk zusjes van die ouderen, van wie Sully-Prudhomme gezegd heeft:
Te Douarnenez, het aardige stadje
Wint meisjesharten slechts, dat vat je,
Wie met haar spreekt de taal des lands.
De taal des lands is hier bijzonder levendig. In het heele gebied, dat Quimper tot middelpunt heeft, verschilt de taal veel van die, welke men spreekt te Morlaix en te Saint-Pol-de-Léon, en vooral de manier van spreken geeft aan iemand, die haar plotseling te hooren krijgt den indruk, of men met een ander ras te doen heeft. Het slepende en zachte, de uitgerekte toon, als voor een elegie geschikt, heeft hier plaats gemaakt voor iets korts en afgebrokens. De stem vat moedig de zinnen aan en zegt ze kort en bondig. Dat is zoo sterk, dat een eenigszins lang verhaal, op die manier gezegd, haastig, maar met scherpe afscheidingen, ’t effect maakt van te worden gelezen of in een snelle redevoering te worden uitgesproken.
Als men daarbij bedenkt, dat de lach der vrouwen, zooals ik dien heb gehoord in het huis van de Vier Winden, veel voorkomt, en rijk is aan trillers en uithalen, terwijl de kleeding kleurig is, krijgt men een voorstelling van een opgewekt volkje, door groote levendigheid gekarakterizeerd.
Men zal dus niet verbaasd zijn, te vernemen, dat in den tijd van de verkiezingen, dien ik te Douarnenez heb bijgewoond, de hartstochten ontketend worden naar aanleiding van de nietigste incidenten van den strijd. Ja, zelfs Parijs, met zijn vele openbare vergaderingen, die op straat worden voortgezet bij lange nachtelijke wandelingen, met het vuur van de arbeiderstemperamenten, Parijs is werkelijk niet actiever dan dit eenvoudige visschersdorp. De geesten tintelen van belangstelling bij het denkbeeld van strijd van twee partijen, die elkaar te lijf zullen gaan, waarbij er een overwinnaar en een overwonnene zullen wezen.
Allen worden dadelijk door een zeker vechtinstinct vermeesterd, en de vreedzame strijd met het stembiljet wordt gekruid met heftige interpellaties, haastig uitgestooten vloeken, vuistslagen, die krachtig aankomen. Op den vooravond van den stemdag vooral is de belangstelling groot; de visschers gaan niet naar zee, en tusschen hen en de boeren komt het wel eens tot vechtpartijen, want de boer is meer koningsgezind, de visscher heeft meer in zich van een republikein.
Daar ben ik te Châteaulin terug, en nu op weg naar Méné-Hom en ’t schiereiland Crozon. Het rijtuig moet stijgen, en weldra voelen wij de scherpe lucht der hooge plateaux, maar gedrenkt met regen. Bij een korte periode van helderheid onderscheid ik vaag in de verte de groote bocht van de baai van Douarnenez en de sombere, vooruitspringende kapen. Een oogenblik doet zich dicht in mijn buurt een strand van blonde duinen voor, omzoomd met smallen zilveren rand. Dan sluit de nevel alle uitzicht af. Het gaat nog harder regenen en met druipnat gezicht en natte kleêren, gezweept door den regen, kom ik te Sainte-Marie-du-Méné-Hom. Ik wacht daar in het eerste ’t beste huis niet het eind van den regen af, maar slechts een kleine vermindering, om dan in ’t snel doorwandelde dorp het mooie kapelletje op te zoeken, verder het portaal van het kerkhof en den kruisheuvel, want ik ben hier al vroeger geweest op een snikheeten dag, tegen het einde van den zomer. Ik herinner mij een hoeve, waar men op de plaats aan het dorschen was en den arbeid met gelach en gezang afwisselde. Er was daar een vroolijk en arbeidzaam volkje, en het tooneel is mij in de herinnering gebleven met die mannen en vrouwen, op de maat bewegend in de met zon doortrokken atmosfeer en ’t blonde stof van het koren.
Vandaag ziet alles er bij den regen somber en treurig uit. Een kikker springt in een plas; een kat sluipt langs een muur uit het gezicht. Ik kan er dezen keer niet over denken, de helling te bestijgen van den voornaamsten heuvel, den Méné-Hom, een groep van verschillende hoogten met lange lijnen en zacht oploopende hellingen. De grootste hoogte bedraagt slechts 330 M.; maar ik herinner mij, dat het tooneel, van daar boven af gezien, zeer treffend was, toen ik op dien zonnigen dag de korte bestijging ondernam door ’t bloeiende, droge heidekruid en de steenen, terwijl op de warme, gespleten aarde insecten gonsden en hagedissen genoten van het zonnetje.
Vóór mij lag het schiereiland Crozon, dat de baai van Douarnenez scheidt van de reede van Brest, twee even prachtige uitgestrektheden water, verschillend van vorm, de baai van Douarnenez ruim, rond en wijd open tusschen kaap du Raz en de Geitenkaap, de rede van Brest onregelmatig, bijna met een ingang als de hals eener flesch, waarin de rotsen van Plougastel vooruitspringen. Ik heb dat alles in een schitterend licht bij blauwe lucht gezien, gelijkend op een oostersch landschap. Dezen keer zou ik niets te zien krijgen door den nevel, en ik ben op 200 M. even ver als op 330, wat betreft ’t zien vallen van den regen.
Dus zet ik in het regenweêr mijn reis voort, van alle dingen afgesloten door de fijne, grijze buien. Maar men moet niet naar Bretagne gaan, als men niet van regen houdt. Hij heeft toch ook een zekere eentonige bekoring, geeft rust van zonneglans en scherp geteekende kleuren en te duidelijk omlijnde vormen. Hij hult het alles in een waas, dat haast onzichtbaar is, zoodat men zich afvraagt, of er regen valt of dat de mist voortschuift over alles. Hij schept een geheimzinnige ruimte, waarin de vormen langzaam zichtbaar worden en waarin men raden moet naar de figuren van de heuvels en de boomen, de huizen en de weinige voorbijgangers.
Hij is daarbij de toovenaar, die geuren wekt uit het gebladerte en uit den grond, en ’t is een genot, den frisschen reuk van ’t groen op te snuiven en van de aarde, waartusschen zich de scherpe zoutlucht van de onzichtbare zee doet gelden. Aan alles echter komt een eind; ook in Bretagne aan den regen. Toen lag daar langs den weg, die uitloopt op Crozon, een wazig, frisch landschap, dat er als gewasschen uitzag, en men heeft er alles, wat op de nabijheid van den Oceaan wijst, paden van wit zand, droog gras, pollen wier en kleine, blauwe klokjes. ’t Kasteel ligt op de hoogte, en veel gebouwen omsluiten er een groot, met boomen beplant binnenplein. In den omtrek is de grond zoo goed als onbebouwd, en men ziet in ’t kale landschap slechts windmolens, die draaien en die dus toch doen denken aan tarwe of rogge, haver of gerst. De grootste werkzaamheid wordt op de zee getoond, en voor het levensonderhoud is men aangewezen op de sardinevangst, een hoop, die dikwijls wordt teleurgesteld.
Behalve de kerk met een mooi altaarblad, zijn er hier geen monumenten of curiositeiten te vinden. Trouwens er zijn dagen, waarop men er niet goed toe komen kan, beeldhouwwerken, snijwerk en schilderstukken te bewonderen, waarop ’t bekijken zelfs een lastig en vermoeiend werk is en men alles eender vindt en alles vervelend. Dat is beslist onrechtvaardig, maar het is een gevoel, dat door vermoeidheid ontstaat, en ’t beteekent alleen, dat men goed gedisponeerd moet wezen, om van kunstwerken te genieten.
Een reiziger behoeft echter zijn stemmingen en gevoelens niet te verbergen, en ik beken volmondig, dat ik vandaag, liever dan de gloriedaden te bestudeeren van de helden en de heiligen op het altaarstuk, mijn rustige oogenblikken slijten wil in den tuin van het hôtel, waar ik ben afgestapt. Zoo’n tuin is een wonderding; er gaat zulk een heerlijke, versterkende rust van uit. Men kan er alleen zijn en voelt zich toch omringd van leven; aan alle kanten groeit en bloeit het, en ik kan van harte mijn bewondering schenken aan de frissche bladeren van de voorjaarsgroenten en aan de door bijen bezochte bloemen. Ieder perkje is een wereld van vormen en kleuren, een intieme wereld, een eenheid op zich zelve. Er zijn prachtige groepen boomen, schaduwrijke laantjes, en de frissche zeebries blaast door deze mooie décors en liefkoost den geheelen tuin.
Nu trekt de zee mij aan, maar ik moet bekennen, dat toen ik er langs een aardigen weg heenging, ik nog den stillen tuin betreurde, dien ik had verlaten. Ik stap aan zee werkelijk in een echt parijsche wereld, want ik vind er huizen, precies als in de voorsteden van Parijs, die op een leelijke manier de ernstige, donkere huizen van het land vervangen. Het strand is wit en frisch en bekoorlijk. Men wordt, als men uit het gebied der donkere, bebouwde aarde en van het zware groen komt, als verblind door die stranden van wit zand, geborduurd met het golvenschuim der rustige, kalme zee.
Ondanks de parijsche huizen voelt men zich hier toch wel ver van de stad. De kapen, die hun punten steken in de onmetelijk wijde ruimte van lucht, geven u plotseling een sensatie van aan ’t eind der wereld te zijn aangekomen. De hemel is op dezen morgen licht en helder, de zee is blauw en de grotten hebben een roode kleur. Met een bootje breng ik aan de grotten een bezoek. Bekwame schippers varen er diep binnen tot in alle hoekjes en bochten van de hooge, ruime holen. Onder de onmetelijke gewelven van graniet moet men wel aan de eeuwen denken, die voorbijgingen, en verder aan de oneindige toekomst. De grotten schijnen er altijd te zijn geweest; er schijnt niets aan veranderd in den loop der tijden. In hun zware onbewegelijkheid, in hun zwijgen, dat alleen door het geklots der golven afgebroken wordt, vraagt men zich af, wat zij wel hebben gezien en gehoord? Welken mythologischen held hebben zij een schuilplaats verleend?
Welke engelen, door draken bewaakt, zijn hier door helden bevrijd? Welke fantastische zeedieren uit de diepte hebben zich er verborgen? Ze zijn als feeënpaleizen, versierd met rijkdom en met glans van edele steenen. Git en onyx en turkooizen vormen met lazuursteen in groote blokken ’t hoog gewelf. De afzetting uit het zeewater brengt steeds weer nieuwe kleuren aan op de gesteenten, en het stille water beneden weerkaatst als een spiegel de glimmende rotswanden. De bewoners hebben een naam gegeven aan al die holten, al die door de natuur uitgehouwen kunstwerken. Hier ziet men een altaar, daar een beeld, ginds een leeuw, elders een slang. De gids zegt zijn les op als een museumbeambte; hij noemt de diepten en de gangen en zegt, hoe ze met andere verafgelegen holten in gemeenschap staan. Hij laat de echo’s klinken, en de bezoekers verlaten voldaan het interessante tooneel.
’s Avonds wandelde op het strand een stukje Parijs, en ik ging naar huis, om in een paar boekjes de geschiedenis van Crozon na te lezen. Dit gansche schiereiland maakte vroeger deel uit van een land, dat Rivoalen heette, en dat, na in de 5de eeuw te hebben toebehoord aan een bretonschen hoofdman, achtereenvolgens in de handen kwam van de geslachten Cornouaille, Rosmadec, le Han, la Porte d’Artois, Rousselet, Châteaurenault en Estaing. Bij het einde van ’t ancien régime werden alle rechten, die de heeren van Crozon hadden bezeten, omgezet in een jaarlijksche rente van 22 kronen.
Den volgenden morgen ging ik per rijtuig naar Roscanvel, waar ik al eens eerder was geweest. De eerste maal was ik er met een vriend per boot uit Brest heen gevaren. Toen vielen wij midden in een kerkelijk feest met dansen en drinken in de open lucht; een dronken boer liep toen steeds achter ons aan met iets achterdochtigs in zijn houding. Overal was zijn schuine, boosaardige blik op ons gericht. Weldra moesten wij wel constateeren, dat er in de menigte iets gaande was, een zekere beweging, en dat er zich een kring om ons heen vormde. Mijn vriend, die groot was en een blonde snor had, bovendien uit den Elzas geboortig, zou men wel voor een Duitscher kunnen houden. Maar neen, ’t gefluister, dat wij op ’t laatst heel goed verstonden, wees hem aan als een Engelschman, en wat mij betreft, mijn landgenooten, broeders, uit één ras gesproten, weigerden mij als een der hunnen te erkennen. Weldra worden wij geïnterpelleerd, en de dronken boer beschuldigt ons luidruchtig, dat wij gekomen zijn op het schiereiland, om het plan op te nemen van ’t fort Quélern. Ik geloof wel, dat wij naar den weg hadden gevraagd en den naam van dat fort daarbij hadden genoemd.
Andere boeren kwamen aanloopen. Die hadden gezien, dat wij teekenden. De vrouwen met de witte mutsen zwegen, ontsteld en verlegen. Bij al die menschen is de herinnering aan den Engelschman nog levendig, want ze zijn nog slechts ruim twee eeuwen gescheiden van het oorlogsrumoer, van belegeringen, gevechten te water en bezettingen, terwijl ze meenen, dat dezelfde ontscheping, waarover hun overgrootvader soms nog verhalen doet, altijd op het punt is om opnieuw te worden afgespeeld.

Vrouw en klein meisje uit Crozon op weg naar de mis.
De poging der Engelschen in 1694 is in hun geheugen blijven hangen, zonder dat ze precies weten, wanneer zij plaats had en in welke omstandigheden de overval geschiedde. Zij weten enkel, dat de engelsche schepen teruggedreven zijn; maar ze meenen dat die kunnen terugkeeren, en dat twee schijnheilige wandelaars plotseling een rots kunnen bestijgen, met een zakdoek zwaaien, een teeken geven, opdat er hooge oorlogsschepen aan den horizon verschijnen met monden der kanonnen, alle op de kust gericht. Het is heel moeielijk, in uitleggingen te treden met een boer, die onder den invloed is van een vroolijken zondagsdronk en in wiens geest het zóó gesteld is, als ik boven schreef. Sommige historische drama’s hebben tot uitgangspunt niets meer gehad dan dergelijke domheden en vergissingen. Indien er honderd zulke individuen waren geweest,—wat zeg ik, honderd! twintig, zelfs tien zouden voldoende zijn geweest, om die heele menigte op te winden en in woede te doen ontsteken—dan had men ons als Engelschen in het Kanaal kunnen gooien en ons met steenen kunnen werpen, om te beletten dat wij ongedeerd wegzwommen.
Gelukkig maakte een nog al grappig incident een eind aan alles. Ongeduldig geworden door het geklets en gezanik van den man, die maar steeds met vragen achter ons aan liep, en doordat er al meer nieuwsgierigen op afkwamen, die gereed waren, als rechters op te treden, vroegen wij den maire te spreken. Deze verscheen ten slotte. Hij zag er ernstig uit in zijn zwartlakensch pak en hij leek niet opgewonden, als de man van de vragen. Hij luistert, zonder iets te zeggen, ondervraagt ons dan nog niet onwelwillend en hem gaven wij nauwkeurig onze namen op, onze betrekking en onze woonplaatsen. Toen riep onze vijand triomfantelijk uit: „O zoo, ben jullie uit Parijs! Welnu, ik ken Parijs; ik ben er in het jaar van de tentoonstelling geweest. Zeg mij dan eens, welke winkel er staat op dit en dat nummer van de faubourg Saint-Martin.”
Half lachend, half knorrig, zeg ik: „O daar, daar is een wijnhuis!”
„Dat is waar,” zegt onze man, verbaasd, en heeft de helft van zijn beslistheid van optreden verloren. Als daar een bakker had gewoond, zou men ons misschien in de gevangenis te Brest hebben gestopt. Maar nu wij zoo blijkbaar waarheid spraken, stortte het gebouw der beschuldiging ineen, en men liet ons vrij uitgaan. Maar ’t was nog niet gedaan met onze ellende, want onder al die besprekingen, waarbij het ons voorkwam, of wij wilden moesten verzachten en tot rede brengen was de boot, die ons gebracht had, zonder ons vertrokken. Dus moesten wij in dit ongastvrije land nog blijven of naar Camaret vertrekken.
Dit laatste leek ons nog de wijste partij, en wij togen op weg. Maar een hevige stortbui, een diluviaansche regenval, dreef ons haastig terug naar Roscanvel, doorweekt, alsof we in zee gevallen waren, nat tot op de huid en met onze schoenen vol water. Te Roscanvel zijn alle herbergen vol; uit alle ramen klinken dronkemansstemmen tusschen de regenvlagen en het gerommel van den donder. Wij krijgen ten slotte een onderdak bij een schoenmaker, waar we ons droogden, zoo goed en zoo kwaad als het ging, eieren lieten bakken, en rusten gingen in een vertrek, waar liet naar oud leder rook, zoo sterk en scherp, dat wij de ramen moesten openzetten en luisteren naar de bui, die den geheelen nacht duurde. Den volgenden morgen gaan wij bij het aanbreken van den dag naar buiten en tijgen op weg, voorzien van interessante reisherinneringen, die ik nu alleen moet ophalen vandaag, want mijn vriend is sinds dien overleden. Wij hebben dikwijls om het avontuur gelachen, en ik geloof wel, dat we al met lachen zijn begonnen toen, indertijd, bij den schoenmaker van Roscanvel, die eieren voor ons bakte.

Camaret, haven en pier.
Dezen keer is het rustig te Roscanvel. Er hangt geen drama in de lucht. De markt is leeg, de schaduwrijke lanen zijn koel en frisch en groen. Zacht suist de zeewind. ’t Is nu een heerlijk ding, naar Camaret te wandelen en ’t spijt mij, dat mijn vroegere reisgezel dit niet meer kan ervaren. Camaret is een van die allerliefste kleine stadjes, wier rijen witte huizen de golven schijnen tegen te houden. Alles is hier ruim en groot. De hellingen naar zee gaan heerlijk zacht en geleidelijk. De zee reikt ver en ligt gansch open. Bij slecht weer ziet het er hier dreigend uit, schipbreuken komen niet zelden voor en altijd is de zee hier een bedreiging voor de kustbewoners, die er hun bestaan moeten vinden.
Te Camaret, net als in al die oceaanplaatsjes, krijgt men sterk den indruk van den moeilijken strijd om het bestaan. Te Douarnenez, Audierne en Concarneau is het evenzoo. Men kan in die dorpen niet eenige dagen zijn, zonder onmiddellijk getroffen te worden door de treurige omstandigheden, waarin de menschen er leven. Meer dan de schoonheid van het land en van de zee, meer dan de grootschheid der overhangende rotsen, en ’t mooie licht der verre horizons, meer dan dat alles treft de menschenfiguur, die zwoegt en slooft. En ’t landschap zelf wordt door die arme stumpers veranderd. Het liefelijk groen, het geurig heidekruid, de kleur van ’t water, al die gratie en die imposante kracht, ze krijgen iets van ironie en impassibiliteit, een decoratie, die den spot drijft met een zwak en hulpeloos pogen en met een inspanning, die tot geen resultaat leidt.
Zonder aanspraak te maken op den ernst en de nauwkeurigheid van werken over sociale economie, moet ik wel in deze bladen uit mijn reisverhaal zoo nu en dan eens spreken over de gebrekkigheden van het menschelijk bestaan en ’t leed, dat de beschaving brengt. Men behoeft niet anders te doen dan oogen en ooren open te zetten, op de houdingen der menschen acht te slaan en de gesprekken op te vangen, om van dat leed te kunnen getuigen. De herfst met zijn hevige stormen, de winters en de koude lentes, bijna alle seizoenen zijn hard voor hen, die van de zee moeten leven, wier bestaan afhankelijk is van de samenpakking der wolken en de richting van den wind.
Men kan niet alle dagen uitgaan in zee, om van ’t voorbijtrekken der schoolen visch partij te trekken; men zou zijn boot en zijn leven offeren. Het is daarbij ook vaak onzeker, of men het wagen kan of niet; en ook als het weêr vast lijkt en een gunstige wind op til schijnt te zijn, weet men nooit, of er geen zwarte stip zich vormen zal daar aan de blauwe lucht, een stip, die zich zal uitbreiden en de heele ruimte overspannen gaat; of niet de rustige atmosfeer uit haar verband zal raken en de kalm voortvloeiende golfjes niet plotseling groote sprongen zullen nemen en over ’t bootje heen zullen slaan, dat als een doodkist op de golven drijft.
Hoe moet dan wel het lot zijn van de zwakke boot op de open zee, als al die dreigementen werkelijkheid worden en de kansen op ondergang zoo groot zijn! Zij hebben wel gelijk, de romantische verhalen omtrent de gevaren, die de visschers trotseeren en ’t onzekere van hun terugkeer, de schilderijen, die de vrouw en kinderen van den zeeman schetsen, staande op de pier en bevend uitziend naar het donkere zeil, dat nader komen wil als een vogel met gebroken vleugel. Wèl moet een ijzeren noodzakelijkheid de schouders van die mannen drukken, een kracht van wil moet hen in het gevaar stuwen, opdat zij de ellendige nachten ingaan, wanneer de storm reeds aan de deuren hunner hutten klopt. ’t Is soms, alsof zij vluchten en in één slag alles op het spel willen zetten, wanneer ze uitgaan bij een storm, die opkomt.
In die gevallen, als er meer onderworpenheid is, een fatalisme van de dingen maar te laten gaan en aan den wal te blijven, behoeft men zulk een thuisgebleven visscher maar te ontmoeten, om medelijden met hem te krijgen, zooals hij daar vermoeid en haveloos en gedésoeuvreerd rondloopt, bessen plukkend van de hagen en verdord hout rapend.
De visschers krijgen hun aandeel van de winst. Maar welk een winst is het dan! Als men een onderzoek instelde en de lieden ondervroeg, zou men hooren, dat de helft van de voordeelen aan den eigenaar komen van de boot, dat de andere helft onder de bemanning wordt verdeeld, dat de verkoopsprijzen telkens dalen, onverschillig of er veel of weinig visch wordt aangevoerd. Parijs weet niet ten koste van hoeveel leed en ellende en tegen welke heldendaden de moedige strijders aan de kusten elken dag de tafels in de hoofdstad van de noodige visch voorzien.
Van af kaap Toulinguet krijgt men, als men de kust volgt, spoedig de Tas-de-Pois te zien, rotsen in zee, die altijd in de branding staan en met schuim zijn overdekt. Ik heb ze reeds van uit een boot gezien; nu kom ik er over land dichterbij. Ze zien er monumentaal uit, woest en donker, met kloven, waar de zee in binnendringt en uitgeslepen wanden, afgeknaagd door zon en regen, wind en storm. En treffend is het, op een plateautje van één van die blokken een klein wit huis te zien met vuurtoren en seinstation.
Het spreekt tot de visschers van veiligheid en van de tegenwoordigheid der menschen. Toch beteekent het weinig, dat eenvoudige huisje boven op de rots, in vergelijking met de woede van de elementen, van den hevigen wind, die alles wegblaast, en de zee en het land kan geeselen, die boomen uitrukt en de steenen kan ontwrichten. Het kan haast niets tegenover de zee, die alles kan, die een kleine spleet kan wijder maken, steenen kan doen vallen en ’t geheel ineen kan doen storten. Wat nood! Toch is die inbezitneming van grond daar in de wijde ruimte door het kleine huis met zijn signalen en zijn toren een soort van geruststelling. Die zwakke mast, die touwen en die draden, al die preciese werktuigen bij den afgrond van de wateren en de oneindigheid der ruimte wekt een denkbeeld van vooruitziendheid en van tijdig te verleenen hulp.
Hier worden de natuurrampen voorzien; er kan gewaarschuwd worden en gesteund. De boot, die in de verte worstelt, ziet het witte stipje van het huis en hoort de zwijgende taal, die het tot haar spreekt, zij mijdt de klip en de ondiepte en spoedt zich naar de haven. Ik kan de verzoeking niet weerstaan daar boven op te klimmen, en ik heb geen spijt van de genomen moeite. Het uitzicht over den oceaan is prachtig en de indruk van een veilige schuilplaats wordt er inderdaad verkregen. Het laat zich best begrijpen, dat het hier goed leven is op deze rots. Het huis met dikke muren is zoo stevig, dat het elken storm trotseeren kan; de luiken vóór de vensters zijn als ijzer. Men is er als op volle zee, maar met een vuur des winters, goede boeken om te lezen, zou het leven er aannemelijk zijn, zooals Alphonse Daudet het vond, toen hij zijn Plutarchus las op den vuurtoren van de Iles Sanguinaires. En dan, de zee heeft niet alleen storm en geweld; zij heeft ook glimlachjes en bevallige momenten, en die leert men hier goed kennen. Welk een vreugd, zijn raam te openen op die goddelijke, bewegelijke oneindigheid!
Maar hoe wonderlijk zijn deze rotsen gevormd! Wat grillige figuren en geheimzinnige ruimten omsluiten zij! Nadat men de golf van Dinant voorbij is, treft men de uitgeholde en verweerde rotspartijen met diepe holen als ’t Boudoir van de Sirene, de Korrigangrotten en de Reuzenzaal. Op de hoogte staat het kasteel van Dinant met torens en kanteelen, men ziet er half verwoeste zalen en een intact gebleven brug met twee bogen. De golven hebben bouwmeestersarbeid verricht, holden den steen uit, maakten er vensters en deuren in en gaven aan de ruïne een eigen vorm.
Altijd somberder wordt het land; er volgen kale rotsen met zandige vlakten en andere, die steil in zee afdalen; een enkele windmolen rijst op en schaarsche dorpjes liggen hier en daar in de plooien van het terrein tusschen steenen en heidevelden.
Langs een weg, die voerde naar de rivier de Châteaulin en naar Landévennec verliet ik het schiereiland Crozon. Landévennec is een aardig stadje aan de Aulne en de rivier van Faou. Hier is weer alles groen. Tegenover ligt het eiland Térénez en vindt men de ruïnen der abdij, die boven de baai van Penform uitsteken, men ziet er een steenen beeld van een monnik met een kap. De legende ziet in dit beeld het versteende lichaam van een monnik, die om onzedelijkheid veroordeeld was daar tot den jongsten dag te blijven staan. Hier eindigen boven de bochten in de rivier de Zwarte Bergen, en hier begint het Arréegebergte met de heuvels van Méné-Hom en de rotsige kammen van Braspart en La Feuillée, opstekend boven lagere, groene hellingen, waaruit klokketorens en kapelletjes en daken van kasteelen te voorschijn komen.
Het landschap is hier wondermooi. De abdij van Landévennec dateert uit de 5de eeuw; er zijn nu nog slechts enkele brokken steen overgebleven van het antieke gebouw en dan een romeinsch portaal; maar verder is het een wirwar van groen, een bosch van varens. Ten slotte ontdekt men in den bijna onontwarbaren hoop enkele losse steenen, eenige resten van zuilen, ontwrichte treden van een steenen trap en dan, uit het groen te voorschijn komend, door klimplanten overschaduwd, het beeld van den bisschop met zijn mantel en zijn mijter, een boek in de hand en met gebogen hoofd daar eenzaam peinzend. Hij is niet meer dan een brokje der natuur, gelijk aan al het andere, de mieren en de bijen, de hagedisjes en de vogels.
Als men naar het stadje gaat, vindt men het rustig, zelfs doodsch, maar toch wel warm en prettig levend na al die doodsche steenen. De bretonsche stadjes zijn verkwikkend om te zien. Ze kijken u ernstig aan en melancholiek, zoo als past voor plaatsen, die zoo dicht zijn bij de groote droefenissen, de zee, de verraderlijke rotsen en de groote ruimten, door den wind gegeeseld. Het leven is er in zichzelf gekeerd, geconcentreerd, maar het heeft toch ook zijn waarde. Komt men uit de eenzaamheid, dan geeft het loopen over het ongelijk plaveisel een prettige gewaarwording; men staat eens stil vóór een horlogemakerswinkel, vóór het raam van den manufacturier, den bakker of den slager; men is blij, een kantoor te vinden van tabak en iemand op den drempel van zijn huis te zien staan. Iemand, die de straat oversteekt, geeft een heele afwisseling en kinderen, die uit school komen, zijn een evenement.
En dan de marktdag, die geeft de grootste levendigheid. Het is, of de geheele wereld met alle mannen en vrouwen en dieren, een afspraakje heeft gemaakt, om hier en in de aangrenzende straten zich te vereenigen. Alle producten der lieve aarde zijn er ook, vleezen, groenten, granen, vruchten. ’t Sociale leven wordt losser bij die zorg om koop en verkoop en bij de vroolijke teugen, waarmee een koop beklonken wordt. Als men twaalf of vijftien jaar is, en men heeft Robinson Crusoe gelezen en houdt van dien held, zou men willen stranden op een verlaten eiland met honden, katten en geiten, en men zou er zelfs niets tegen hebben, nooit den trouwen Vrijdag te ontmoeten.
Op twintigjarigen leeftijd of als men vijf-en-twintig is, zou men in de tusschenpoozen, die de strijd om het bestaan ons laat en bij de eerste teleurstellingen en de eerste verdrietelijkheden van den man, wel graag een hutje bouwen op de Geitenkaap, maar altijd met de mogelijkheid, om de boot voor Brest te pakken en den trein naar Parijs.
En als men de veertig voorbij is en men heeft een zeer juiste voorstelling van het leven te Parijs, als men den boulevard kan missen en al het overige, dan zou men willen gaan wonen in een bretonsch dorpje, in die complete associatie van menschen op zeer kleine schaal. Men ontvlucht dan niet de menschen; men weet, dat ze zoo ongeveer overal gelijk zijn, dat ze allen hun vreugde en hun leed hebben en dat beide veel op uwe eigene gelijken. Er is dan tusschen u en hen de solidariteit van het bestaan. En zonder weemoed zegt men dan al diegenen vaarwel, die maar altijd willen voortgaan hun rol te spelen, behagen vindend in den schijn van plezier en de conventioneele conversatie.

Kerkhof aan zee te Landévennec.
Hoe zal ik in bijzonderheden treden over zulk een leven zonder afwisseling? Op den drempel van een deur zit een oud moedertje te spinnen; een jonge vrouw is er aan ’t breien, alle beide zitten op een trede, er achter staat een stoere visschersgestalte met een pijpje in den mond. Kinderen staan te gluren naar de heerlijkheden van een stuiver, achter een venster uitgestald. De naaister buigt zich met het hoofd naar ’t raam en trekt meteen haar draad door de stof. De vischvrouw staat kalm te praten met de slagersvrouw. Er gaat een processie voorbij, waarin de mannen en de vrouwen vaandels dragen. Allen staan even stil aan den voet van een kruisheuvel. Een oude priester zingt; de koorknapen antwoorden; menschen knielen neer op de straatsteenen, en anderen kijken rustig toe. Er is niets anders te zien in Landévennec, en ik acht dit ook voldoende. En dan zijn er nog tuinen als op Crozon, tuinen, waar men lang zou willen blijven. Die van ’t hôtel, waar ik vertoef, is één groote bouquet, zooals die van Crozon een groentetentoonstelling was. Zooals dikwijls in Bretagne gebeurt, in de beschutte hoekjes aan de zee, die goed aan de zon zijn blootgesteld, groeien er in de open lucht veel planten uit het Zuiden, als araucaria’s en vijgeboomen, mimosa’s en eucalypten.
Ik staak hier dit mijn uitstapje; neem afscheid van mijn koetsier, die mij nu al verscheiden dagen voortrolt. Men kan hier niet anders reizen dan zoo per rijtuig. Wie alleen per spoor wil gaan, krijgt slechts de steden en haar omstreken te zien, of de enkele dorpen, die aan de lijn liggen. ’t Is beter, de groote wegen te volgen, de ernstige wegen met de stijgingen, die naar den hemel schijnen op te voeren, de plateaux, van waar men op eens de heele aarde meent te kunnen overzien, en de dalingen, die u pardoes in een groene wildernis te land doen komen. Men moet daarvoor te voet gaan, of in een rijtuig met een stevig en bevriend paard.
In zoo’n ouderwetsche kales of berliner zit men gemakkelijk, niet al te zacht en niet al te hard en ziet alles langzaam defileeren, rotsen, bosschen, moerassen, gehuchten, kerken, kapellen, dieren en menschen. Terwijl het oog geniet, en de gedachten hun weg gaan, heeft uw gezel op zijn bankje met de teugels in de hand voorzichtig zijn paard geleid. Die beide kennen elkander bijzonder goed, en ze hebben allebei de gewoonte, met de vreemdelingen om te gaan, die de omstreken komen zien. Als de heer in het rijtuig, nadat men het over den prijs is eens geworden, plaats neemt, duurt het een heelen tijd eer er gesproken wordt. Maar bij het verder rijden ontstaat de behoefte aan vertrouwelijkheid. Men wil worden ingelicht, of men wil althans den schijn aannemen van belang te stellen in hetgeen men ziet. De koetsier kent de streek; hij dient als kaart en gids, en in de herbergen gebruikt gij samen, waar ge trek in hebt. Dan, bij het afscheid, hebt ge een vriendschappelijk gevoel voor den man. Hij zegt: „Tot weerziens,” steekt den prijs op voor den rit en uw royale fooi erbij, en fluit een deuntje, als hij naar zijn dorp terugrijdt, zonder om te kijken.
Tegenover Landévennec ontmoet men, als men het riviertje de Faou binnenvaart, het dorp Faou onmiddellijk aan het water. De kerk ligt op den oever, en de haven is druk en levendig, doordat van hier vruchten en groenten worden verzonden naar Brest. Het leven der warmoezeniers laat zich nauwkeurig nagaan, terwijl twee kilometers verder, aan den voet van het Arréegebergte te Rumengol, de legende weer op den voorgrond treedt. De kerk, die van 1536 dagteekent, staat onder de bescherming van Onze Lieve Vrouwe van alle Genezing. Het is een beeld der Heilige Maagd van massief zilver, waardoor de pelgrims worden aangelokt en waarvoor de kaarsen branden bij honderden en duizenden. Dicht in de buurt is een bron, waar zieken en gebrekkigen komen drinken en zich wasschen.

Aardappelverkoopsters te Faou.
Het straatje van het dorp wordt aan de ééne zijde door het kerkhof begrensd en heeft aan den overkant eenige huizen, waar voorwerpen voor den eeredienst worden verkocht, medailles, rozenkransen, scapulieren en prentjes. Buiten de kerk staat een altaar voor de zielmissen, die gehouden worden op de dagen van Maria boodschap, van de H. Drievuldigheid, van Maria Ontvangenis en Maria Geboorte. Het is een mis voor de Zangers, geschreven door Anatole le Braz, en zoo genoemd ter herinnering aan de gelofte aan koning Grallon gedaan door de H. Maagd, die, om zijn ziel te troosten over de misdaden, door zijn dochter Ahès begaan, beloofde een geslacht van zangers te doen geboren worden, die vroolijkheid zouden brengen in de wereld, waar de moordenares van zooveel menschen rouw en schrik verspreid had. Zoo zijn de laatste bretonsche barden op den heuvel van Rumengol de klacht komen uitzingen van Plac-hik Eûssa in tegenwoordigheid van een groote menigte, die over zee en over land was toegestroomd.
Het talrijkst komen de geloovigen op naar de mis der H. Drievuldigheid. Daar kan men alle kleederdrachten van Bretagne’s uithoek, ’t land van Finistère, waarnemen; de mutsen, duidelijk blijken gevend van het oude godsdienstige karakter, en de lompen der bedelaars, die er de stompen van hun ledematen vertoonen, hun misvormingen en weerzinwekkende wonden, hun gezichten, waarop de ellende staat te lezen. Men heeft dikwijls, nadat Emile Souvestre het zoo meesterlijk deed, de optochten beschreven met de banierdragers en de kruisen en relieken. De deelnemers waren gekleed in witte koorhemden en droegen katoenen mutsen, terwijl de ordebewaarders in dezelfde kleedij met een stok, dien men lig-neer betitelde, een tikje gaven aan wie vergat, zich diep te buigen.
De bedelaars bieden zich aan, om geloften uit te spreken, houden de voorbijgangers staande, sluiten een koop en gaan den omgang rondom de kerk doen met bloote voeten of op de knieën. Om door een bedelaar dien gang te laten doen op bloote voeten, betaalt men een stuiver; voor den tocht in geknielde houding moet vijf stuivers worden betaald. De officiëele boete wordt uitgedrukt door de mis, den avonddienst en de processie met den optocht onder de banieren. Men vecht erom, wie het zwaarste vaandel zal dragen, dat vaak door lood nog bezwaard is; de mannen beijveren zich, den last te torsen, spannen zich tot het uiterste in met gestrekte armen, zoodat hun gezicht rood ziet en de aderen op hun voorhoofd zwellen. Er zijn er, die het niet kunnen volhouden, onderweg neervallen en soms voor hun heele leven ongelukkig zijn door het volbrengen van zulk een tour de force. Zoo zijn de kinderachtige en barbaarsche oude gewoonten nog niet uit deze feesten verdwenen. En wat ook nooit ontbreekt, is de alcohol. Als het feest geëindigd is, eet men worst en koeken, drinkt ciderwijn en brandewijn, en om de stroovuren slapen de bedelaars hun roes uit.
Laat ons de plaats verlaten, al is haar een middeleeuwsche schilderachtigheid eigen en al heeft zij iets zeer romantisch. De menschelijke ellende treedt er te voorschijn, onbeschroomd en vuil, en zonder dat zich een greintje wilskracht openbaart in die vervallen, huichelachtige, vuile menschenmassa. Laat ons de frissche zeelucht zoeken en het zilte briesje proeven.
Voor de helft per boot en voor de helft per rijtuig leg ik den weg naar Plougastel af, dat op een in de haven van Brest vooruitspringend schiereiland gelegen is. Het gebied van Plougastel bestaat uit verscheiden gehuchten, als Passage, Illier-an-Guen, Kerziou, Keralgin, Lestraouen, Lanvrizan, waar te zamen bijna 8000 inwoners zijn, die hun tijd besteden als matrozen of dien bestemmen voor het verbouwen van groenten en fruit, vooral van zeer geurige aardbeien, en voor de schapenteelt.
Men heeft er curiositeiten en kunstwerken genoeg, zooals ’t kapelletje van den H. Langinus met beeldjes uit de 16de eeuw; het slot Cosquer, waar dichtbij zich een put bevindt, die met zijn water een aan eb en vloed tegenovergestelde beweging uitvoert en rijst, wanneer de zee daalt, om te dalen, als de vloed opkomt. Maar alles verbleekt tegenover den Lijdensberg van Plougastel, die opgericht is midden op het oude kerkhof, waar hij, als men er eerst naar kijkt, den indruk maakt van een levende menigte van steen. Het is de voornaamste der bretonsche calvariënbergen en een der mooiste. Hij werd opgericht in het begin der 17de eeuw, ten tijde van de ellende en de ontzetting, die er toen heerschten, want hij houdt de herinnering levendig aan de epidemie der pest, die in 1598 een bezoeking was voor de geheele streek, tegen het einde van de droevige pestjaren 1580 tot 1599. Het jaartal 1602 staat als opschrift op een steen, aanduidend het jaar der voltooiing van den lijdensberg.
De bouwtrant is eenvoudig en degelijk. Op een gemetseld platform met bogen en een hoofdgewelf, omlijst door beeldhouwwerk, staat een altaar, waarvan de voorzijde en de kanten versierd zijn met basreliëfs uit het leven van Jezus en met beeldhouwwerk in nissen, terwijl meer dan tweehonderd figuren zich scharen om de voeten der drie kruisen en, evenals op een tooneel, de Lijdensgeschiedenis van den Heer dramatisch voorstellen. Het groote kruis rust op een granieten zuil met twee dwarsbalken; op den eersten wordt de Christus door de vrouwen begraven, en op elk uiteinde van den tweeden wachten twee ruiters met opgeheven hoofd op de laatste zucht van den gekruisigde. De beide boosdoeners, gespijkerd aan de beide andere kruisen, wringen zich in de smarten van den doodsstrijd. Onder de figuren, die rondom de gekruisigden verzameld zijn, moet men geen schoonheid en geen gratie zoeken; maar het gewone, schilderachtige leven, weergegeven in alle naïeveteit met inspanning en op onhandige manier. Zij doen dienst als figuranten, die zich aan de toeschouwers vertoonen, en men heeft hier, als ’t ware in steen, een herhaling van de oude mysteriespelen, die vóór de kerken werden gegeven en op deze wijze werden vastgelegd. Achtereenvolgens worden alle episoden uit de Lijdensgeschiedenis weergegeven; men ziet priesters, soldaten, apostels, de menigte, en allen in de kleeding van hun tijd; ook de boeren, die den Heer vergezellen op zijn intocht in Jeruzalem.
Sinds 1602 is er in de kleeding te Plougastel bijna niets veranderd. Ik heb er dichtbij den berg een doopstoet zien voorbijgaan, een heelen optocht van vrouwen in zwarte japonnen met blauwe boezelaars, korte jakjes en vreemd gevormde mutsen; dan kleine meisjes, juist zoo gekleed in lange jurken van allerlei kleur en een begijnemutsje op, en verder mannen met breede gordels, geborduurde buizen en vesten en fluweelen linten om hun zwarte hoeden.
Vooral de peter en de meter waren prachtig, toen zij uit het donkere voorportaal der kerk naar buiten traden, het moedertje in een Louis-Treize-japon, die openhing over prachtig geborduurde rokken, en hij met lange haren en een grooten hoed, een blauwgeruite jas met lange panden, korte broek en stropdas, opgewipte schoenen en veel vesten over elkander heen, en ten slotte een met linten versierden stok in de hand. ’t Was precies of men een groot heer uit Versailles zag in plaats van een aardbeiteler in galacostuum. Diegenen, die de aardbeien per bootje naar Brest brengen en naar de andere havens in den omtrek, dragen roode mutsen met een punt, die naar den kant omvalt.
Niets gaat er toch boven dit eigenaardige land en het schilderachtige volkje, dat er woont! Plougastel ligt in een soort van oase en is naar den zeekant beschut door een vooruitspringende kaap, bezaaid met rotsblokken. Als men zoo over steenen en heidekruid is gegaan en niets heeft ontmoet in de grijze oneindigheid dan wat zwarte, kleine schaapjes, in de lucht niets heeft gezien dan enkele roofvogels, is het een verrassing, het lachende land plotseling vóór zich te zien liggen, open naar den zuidkant, met bloeiende vruchtboomen in de lente, rood van aardbeien later in den tijd, en in den nazomer met meloenen overdekt.
Het groote feest van 24 Juni wordt bij de kapel van Sint-Jan van Plougastel gevierd aan het riviertje van Landerneau. Er is dan tevens vogelmarkt. De kinderen verkoopen in kooitjes van wilgenteenen alle mogelijke zangertjes en andere gevederde diertjes, die zij uit nestjes in heggen en boomen hebben gehaald. De menschen uit Brest stappen dan af bij het station van het dorp Passage en komen koopen en tevens de kleederdrachten bekijken. Maar die menschenmassa haalt niet bij het gezicht, dat ik gehad heb, toen de doopoptocht voorbijging, waarbij ik de eenige toeschouwer was. Toen betrapte ik het leven, als het ware, en zag de kalm in zwang gebleven gewoonte, geen maskerade, zooals op zulk een feestdag onvermijdelijk is, wanneer de oude kleederdrachten zich mengen onder de burgerluidjes uit Brest, die op hun zondagsch zijn. Dan zie ik liever Plougastel eenzaam op een zonnigen zomerdag, wanneer de hoofdstraat en de kleine steegjes leeg zijn en verlaten en allen op het land aan ’t werk zijn.
Op een avond was ik van Châteaulin naar Brasparts gegaan en nooit heb ik mooier avondstond gezien. De laatste klaarte van de schemering hing nog in de lucht en maakte plaats voor ’t maneschijnsel; het was als een betooverde wereld. Vanaf den stijgenden weg, die opliep van de rivier en zich zou aansluiten bij den hoofdweg boven Pleyben, zag ik het heele landschap als met zilver overgoten, als gleed Diana zelf de ruimte door. Het had dien dag geregend, maar een briesje streek de wolken weg, die zich naar alle kanten verspreidden, en ’t zuivere blauw des hemels kwam te zien; vervulde daarna het geheele hemelveld en weldra hing de maan alleen daar boven aan den trans en overstraalde alle dingen met haar bleek, koel licht, dat zoo ontroerend werkt.
Men kon nauwkeurig alles onderscheiden in het geheimzinnige schoone der omgeving. Het paard voor mijn rijtuig liep stapvoets, en ik had den tijd om de bijzonderheden van het liefelijke dal te onderscheiden, met de rivier, die schitterde tusschen het gebladerte; de vormen der verschillende boomen; de achter elkander oprijzende heuvels en de begrenzingen der akkers. Ieder ding kwam tot zijn recht; maar toch was er geen stijve preciesheid of strenge afscheiding, niets dors en droogs in dit grootsch tooneel van de in ’t maanlicht sluimerende natuur.
Vreemd ver scheen alles, bovenaardsch, zich badend in een onbekenden melkwitten dampkring met blauwen weerschijn. Men wist, hoe alles was gekleurd, dat de aarde bruin was en de boomen groen, de rotsen grijs; maar al die kleuren waren als door een gaas bedekt, verzacht door het wonder van de lichte atmosfeer, die groenachtig en blauwig daalde van den blauwen hemel en de bleekgouden maan. Zulk een maneschijn schijnt altijd met stilte gepaard te gaan, en de stilte was dien avond wonderbaar. Er was niets te hooren dan de stappen van het paard op den weg en ’t scheen of dat geluid, het eenige in den stillen nacht, gehoord moest worden door de gansche streek.
Toen op eens, toen het rijtuig een schaduwrijke plek met boomen voorbijging, waar vele lichtjes tusschen het gebladerte beefden, liet een nachtegaal zijn hartstochtelijk liedje hooren, vol smart en teederheid als een lied van Schumann. Iets verder bij het rijden tusschen hoog geboomte hoorden wij een vreemd geluid, dat iets had van het krassen van kraaien en van het gekwaak der kikkers. „Dat is de groene specht”, zei mijn koetsier. Geen ander geluid liet zich hooren, en geen verdere woorden werden gewisseld.
Er zijn harmonieën, zoo diep en zoo schoon, dat men zich niet moet wagen aan eenige stoornis. Men voelde, dat de ruimte vol was van leven, maar van zwijgend leven. Het land lag onder betoovering, en schaduwen bevolkten de ruimten. Indien de feeën en de luchtgeesten op manestralen kunnen rijden, doen zij dat zwijgend en geruischloos. Glimwormen en dwaallichtjes verrieden slechts even hun aanwezigheid door een lichte trilling van een schijnsel in het gras of door een rimpeling van een enkel plasje. In ’t goud en in het zilver van de atmosfeer bewogen zich de nimfen, en haar bewegingen volgden een rhythme, dat men meende te zien, een muziek, die men meende te hooren. De huizen, hier en daar verspreid op de helling der heuvels, in de diepte der dalen, hadden een lijkkleur en werden getroffen als door een schijnsel, dat uit graven scheen te komen. Ook de woningen aan den kant van den weg schenen dood met starre aangezichten; de luiken en de deuren waren gesloten, en geen reet liet licht door, geen schijnsel deed een kaars of lamp vermoeden. Een enkele huisdeur bij een bocht van een hollen weg, die in de rotsen uitgehouwen was, stond open, en op den drempel verscheen bij het voorbijgaan van het rijtuig een figuur, die daar en toen een spook geleek.
Het paard sukkelde traag voort, en de koetsier, die op zijn plaats heen en weer wiegde, scheen in slaap gevallen of zeer diep in gedachten verzonken. Misschien hoort hij tot hen, die aan dwaallichtjes en geesten gelooven; maar hij heeft een zuiver geweten, is niet bang voor roovers en gaat zijn bekende weggetje.
De reis duurde lang, verscheiden uren, in het feeënlicht der maan. Het kon tien of elf uur zijn, toen wij Brasparts bereikten, dat vóór ons oprees, en waar de eerste huizen, gesloten, stil en dood als die langs den weg, bewezen dat wij een dorpsstraat binnenreden. De herberg? Er is slechts ééne, vroeger door drie jonge dames gehouden en met het uithangbord In de driehonderd man, hetgeen zich in het Fransch laat lezen als In de drie zonder man, zoodat het grappig uithangbord vermeldde Aux trois sans hommes. Nu was er slechts ééne van over, die ziek was en dikwijls te bed lag; maar de goede traditie van het huis bleef, had men mij gezegd, bewaard, en een reiziger werd er goed ontvangen en bediend. Daar dacht ik aan, terwijl de koetsier met den steel van zijn zweep tegen de deur klopt en het paard hinnikt. Er wordt een venster geopend; een gelaat buigt zich uit het raam, en een stem laat zich hooren. Daarop volgt het geluid van schreden en achter de deur klinken sleutels.
De man, die opendoet met een lantaarn in de hand, gelijkt op een Spanjaard, met geschoren gezicht, zwarte oogen en een hooge, slanke gestalte. Hij is de neef van de juffrouw. Wie heeft in zijn leven wel niet eens een ongerust gevoel gehad bij zulk binnenkomen in een herberg ’s nachts, als alles slaapt, als men grove schoenen een houten trap hoort afkomen, en de deur opengaat? Het huis, de plaatsen, de trappen, de kamers schijnen u eerst ver van veilig. Waar is men verzeild? Bij wie? Ondanks zichzelven denkt men aan Klein Duimpje en den Reus, aan allerlei histories, die u als kind het haar te berge deden rijzen, en gij gaat slapen met één oog en één oor op wacht.
Hier zag het er in huis netjes uit; de meubels waren goed gewreven, de grond was schoon; de keuken, waar ik binnentrad, zag eruit als een museum, met de benoodigdheden, hangend aan de muren, alles op zijn eigen plaats. Een goedig oudje, zacht en kloosterlijk, kwam voor den dag en bracht mij naar een kamer, waar het naar schoon linnen rook. Er stonden zware eikenhouten kasten, een mooi heiligenbeeldje van Sint-Anna van porselein op een tafeltje. De meid vroeg, of ik nog iets noodig had, bouillon, of melk. Dank u zeer. Goeden nacht. Ik droomde, dat ik reisde op de maan.
Zoo ik den volgenden morgen nog eenige bezwaren had gevoeld van deze nachtelijke aankomst in het land der bergen, dan zouden ze spoedig zijn verdwenen. De geruststellende dag doet mij lachen om mijn inbeeldingen van den vorigen avond. De kamer is een braaf en ouderwetsch vertrek, en ik bekijk Sint-Anna en de platen aan den muur, de oude pendule op den schoorsteen met een herder van het eerste Keizerrijk en twee vazen van blauw glas met papieren bloemen, die daar nog altijd bloeien sinds het huwelijk van een grootmoeder. Het bed is omhangen met groen saaien gordijnen vol bladmotieven. In de groote kasten is niemand verborgen; ze zijn gevuld met linnengoed, dat naar schoon water en zuivere lucht riekt; de sleutel steekt in een der openslaande deuren; men mag alles bekijken. In een hoek staat een klein waschtafeltje met een kleine kom, een kleine lampetkan en een kleinen spiegel in mahoniehouten lijst, alles voor een dwergenfamilie.

Oude huizen uit Faou.
De trap is helder; meiden loopen heen en weer. Het is druk op de binnenplaats; de kippen zijn er baas. Uit den stal komt u de hooilucht tegen. De meid, die mij heeft ontvangen, komt binnen door de eene deur en gaat heen door een andere, zonder geluid te maken. Het ruikt in de keuken naar koffie. Ik moet al vroeg weg. Alles is klaar, zonder dat ik iets heb behoeven te zeggen; mijn kleeren zijn geborsteld, mijn schoenen gepoetst; een ontbijt van koud vleesch, dat er zeer lekker uitziet, staat op tafel met lekker versch brood, goeden witten wijn en smakelijke koffie. De meid verontschuldigt de juffrouw, die nog niet op is. Maar al is zij nog niet bij de hand, men voelt, dat zij de leidende geest in huis is en dat zij alles voorziet en gelast. Ik zou daar wel graag lang willen blijven en den omtrek bekijken, om ’s avonds in het goede huis terug te keeren; maar er is meer te zien, altijd meer, en ik moet kijken met de overtuiging, dat men toch nooit alles kan zien. Ik zeg het gastvrij dak dus vaarwel en zal er denkelijk nooit terugkeeren. Melancholiek gestemd, stapte ik weer in mijn rijtuig. Ik zag toen, dat Brasparts op een heuvel is gebouwd, waar men het Arréegebergte begint te bespeuren, en mij kwam het gezegde in de herinnering: „Brasparts vlak maken, Berrien van steenen zuiveren en Plouyé van gras ontdoen, dat kan zelfs Onze Lieve Heer niet.”
Nu volgde spoedig het berglandschap, de kring der hoogten van het Arréegebergte. Het is niet bijzonder hoog, want het hoogste punt, dat ik weldra zal bereiken, de Saint-Michel, is slechts 400 M., maar de steile hellingen en de spitse toppen, waar de leisteen uit opsteekt, hebben een karakter van grootschheid en ontegenzeggelijke woestheid. De horizon wordt al wijder en wijder, naarmate men dat punt nadert. De soepele golving van de Zwarte Bergen ziet men in het Zuiden, terwijl het Noorden afgesloten wordt door den kam van het Arréegebergte met de spitse, wreede punt van den Roc-Trévézel. Die uitgestrektheid met de besliste omlijning is moeilijk op haar grootte te schatten. Er zou plaats zijn voor een onmetelijke stad, als een stad kon liggen in zoo’n moerassig laagland tusschen kale hoogten, waar ’s winters een doodelijke kou van neerdaalt. Menschen, die vroeger gewoond hebben in dorpen op de hellingen van deze bergen, hebben mij verteld, dat, als het lang gesneeuwd had, wolven zich in de nabijheid van de eerste tuinen waagden.

De groote markt te Huelgoat.
Er zijn nu geen wolven meer, maar er wordt nog veel gejaagd. Heeren uit Quimper, Châteaulin, Morlaix, Landerneau en Brest komen er eenden en ganzen en wilde zwanen schieten in den tijd van den trek. Men moet uiterst voorzichtig zijn, als men zich op die gronden waagt. De sponsachtige, trillende bodem geeft mee met den voet, en ’t kan gebeuren, dat een mensch wegzakt en verdrinkt in het slijk, zooals in drijfzand aan een oever. Zoo wordt ten minste gezegd, en er is eens iets dergelijks gebeurd. Dat is voldoende, om de slechte reputatie van de plek te verklaren, en ook om de voorbijgangers af te schrikken en hun een heilzame vrees in te boezemen voor die bewegelijke gronden. Alleen de jagers, zulke onverschrokken lui, die de terreinen goed onderzoeken, kunnen zich er vertoonen en brengen eer en voordeel thuis.
Maar ik vergis mij. Er zijn nog andere bezigheden, die verricht kunnen worden in de moerassen van Saint-Michel, buiten de jacht. Vooreerst bespeur ik hier en daar vierkanten van verschillende tinten van groen, die wijzen op enkele pogingen ter verbouwing van het een en ander, boonen mogelijk of iets anders. Op dezen afstand kan ik het niet onderscheiden, en mijn koetsier kent alleen hetgeen langs de wegen groeit. En verder, daar zie ik nu wel zeer beslist en duidelijk regelmatige turfhoopen.
Ik ging omhoog naar de kapel van Saint-Michel, een zeer gewoon gebouwtje. Maar niet alledaagsch is het landschap in de buurt en verder in den omtrek. Op den heuvel, die precies 391 M. hoog is, geen boom of struik, niets dan droge heide, dof en roestig dekkleed van den grond en de steenen. Het ziet er verlaten en doodsch uit; maar toch is het een der mooiste natuurtooneelen, die men te zien kan krijgen, want voor onze oogen breidt zich daar in mijlenwijde uitgestrektheid een beeld van grootsche eenheid uit, ’t geheele panorama van de Zwarte Bergen en ’t Arréegebergte.
Als het helder weêr is, kan men de klokketorens van Saint-Pol-de-Léon zien in ’t Noorden, den toren van Carhaix in het Oosten en zelfs, zegt men, in het Westen de reede van Brest en kaap Saint-Mathieu. Die gunst valt mij niet te beurt; maar ik zie de toppen en het bosch, dat ik achter mij heb gelaten aan den kant van Laz en Gourin, en de punten, waarheen ik mij richten moet naar de zijde van Carhaix. Zeker, ik heb hooger bergen gezien in de Alpen en de Pyreneeën en heerlijke natuurtafereelen van grootscher afmeting, de laatste weiden, vóór ’t gebied der eeuwige sneeuw begint; de gletschers van schitterend ijs; de toppen, in de zwartheid van den nacht zich plotseling kleurend met de eerste rose tinten van den dageraad; de smaragden en saffieren meren, als gevulde bekers door de rots omvangen; ik heb dat alles gezien, en toch heb ik dit landschap lief en gevoel er bewondering voor, dit kale landschap van ’t Arréegebergte, die lage, golvende terreinen met hun stille, droeve lijnen onder den bretonschen hemel, die dreigende rotspunten; dat sombere moeras, dat van een droevig noodlot spreekt en van het langzame werk van verrotting en weer nieuwe ontwikkeling voor de nederige planten; die gansche onuitsprekelijke melancholie van deze streek, waarachter men zoo hier en ginder tusschen ’t groen de klokketorens raadt en dorpjes en bebouwde velden, alles, wat op menschenarbeid wijst en eenige belofte inhoudt van wat veiligheid en zoete rust.
Toen wij weer verder gingen, kwamen we te Botmeur, de oase van het Arréegebergte. Een bescheiden oase, tegen de dorre helling gelegen, met stijgende en dalende straten, met scheefstaande huizen, enkele tuinen, een paar akkers en wat boomen langs den weg. Maar Botmeur is, zooals de natuur en de menschen het maakten, dan toch geworden tot het lustoord uit de buurt, badplaats en winterverblijf, en diegenen die er verblijf houden, moeten er zich wonderwel bevinden, wanneer hun oog valt op de kommen, waar de turfhoopen staan, of als zij opzien naar de kale toppen, waar de sneeuw zich ophoopt en van waar vroeger wolven naar beneden kwamen. Bij ’t zien van het onverwachte groen, na zooveel kilometers heide en steenen, heb ik een indruk als van een zuidelijk dorp gekregen, en ieder oogenblik verwacht ik wijngaardranken om de vensters te zien of glanzige bladeren van een vijgeboom tegen een op het Zuiden door de zon beschenen muur.
Het rijtuig hotst over de steenachtige straat en door de wegen met kuilen. Het heeft een goed geleide, vóór, achter en op zij. Zoodra de stap van het paard zich deed hooren en het rijtuig werd gesignaleerd, zijn scharen kinderen komen aanloopen, van waar, dat weet ik niet, en ze hebben ineens het stille dorp tot leven gewekt. Een gezicht van man of vrouw had zich wel eens vertoond op een drempel of aan een raam; maar ’t kind komt naar buiten, loopt hard en lacht om de verschijning, die iets zeldzaams moet wezen, een rijtuig met paard, koetsier en reiziger! Nooit werd een ontdekkingsreiziger in eenig dorp van Centraal-Afrika meer geëntoureerd, en nimmer legde een bevolking van zwarten luidruchtiger verbazing en vreugde aan den dag. Er werd gesprongen en geduwd, gegild en geschreeuwd, dat er geen eind aan kwam. Dat Botmeur is bepaald een bevoorrecht plekje. Er zijn bekoorlijke jongens- en meisjesgezichten onder die aardige wilden, die niet schijnen te lijden door de slechte lucht van de moerassen, noch door de schaarschheid van hun voedsel, als ik mag afgaan op hun gebruinde gezichtjes, hun frisschen lachenden mond en hun levendige oogen.
Ze zijn tegelijk luidruchtig en beschroomd; trachten zich te verbergen, als ik naar hen kijk of als ik een gesprek wil beginnen, maar komen dan al gauw terug. Bij het dalen van den weg loopt de heele troep mee in een dollen wedloop, zoo snel ze kunnen. De moedigsten trekken hun klompjes uit en vliegen blootsvoets achter mij aan, tot ze geen adem meer hebben en het moeten opgeven. Dan komt weer de eenzaamheid, behalve dat we eens een koehoedster tegenkomen, want er zijn koeien, die langs den weg loopen te grazen of zelfs een kleine, heusche weide hebben. Komaan, laat ons maar niet ongerust zijn over de menschen uit Botmeur! En toch, waar leven ze van? Van aardappels, volgens mijn koetsier. Allen hebben een stukje land en houden eenige beesten en velen hebben het bedrijf van voddenraper. Ik vraag mij af, wat die te rapen vinden op de hellingen van het Arréegebergte of in het slijk van de Saint-Michelmoerassen. Maar het schijnt, dat zij toch wel iets vinden bij ’t afloopen van de dorpen en de markten, en dat zij koopen en verkoopen, om, als het dagwerk is gedaan, in hun oase uit te rusten.
Wat mij betreft, ik denk mijn rust te nemen in La Feuillée, waar ik eenige jaren geleden ook reeds ben geweest. Ik herinner mij een mooien schaduwrijken weg, waar een geestelijke zijn brevier bezig was te lezen, en een herbergje met ik weet niet welk uithangbord, misschien het Witte Paard of de Rijzende Zon, waar ik door twee brave vrouwen werd ontvangen als een kind des huizes, dat na een lange en vermoeiende reis naar huis terugkeert. Het lekkere souper van koude eend en geitevleesch en de prettige kamer met de hoog opgestapelde veêren bedden zijn mij bijgebleven. Men klimt erin en valt dan na een vermoeienden dag neer in het zachte, warme dons als een vogeltje, dat in ’t diepst van ’t woud voor alle gevaar is beschut. Den volgenden morgen verwenden de goede vrouwen mij opnieuw en drongen mij, van den witten wijn te drinken, die zoo goed en gezond was op reis. Ik hoor nog haar stemmen met het accent: „Drink toch, drink toch, het is lekker”. Ik dronk dan ook en nam de herinnering mee aan de vriendelijke oude gezichten, zuiver van lijnen en fijn van trekken, waarin de blauwe oogen tusschen de rimpels alle oprechtheid en snaakschheid uit de jeugd hadden behouden. Het overige van het gelaat heeft de sporen van het leven te dragen, vermoeienis en slijtage; de mond vertoont nu en dan den droeven glimlach van hen, die hun aandeel hebben gehad van rouw en smart, maar er is geen bitterheid gebleven en geen boosheid, en de kalmte, die het leven en den dood aanvaardt, staat op zulke gezichten geschreven, waarvan er vele in Bretagne onder de oude vrouwen zijn te vinden.
Daar ben ik weer en zoek mijn Wit Paard of mijn Rijzende Zon, de gastvrouwen van toen, hun herbergzaaltje, waar ik graag vertoeven wil en waar ik mogelijk blijven zal tot den avond, om weer te slapen in het hooge bed en ’s morgens met een teug van den witten wijn op weg te gaan. Maar, helaas, ik vind niets van dat alles terug. La Feuillée is zoo veranderd, dat ik het plaatsje bijna niet herken. De oudjes liggen denkelijk op het kerkhof, maar hun huis, waar is dat gebleven? Ik ontdek op den hoek der markt een nieuw hôtel, waar ik geen lust heb binnen te gaan. Wel vind ik mijn laan terug; maar het gebladerte zingt niet zoo liefelijk als voorheen, en tot den voerman zegt de reiziger, om maar spoedig verder te gaan.
Langs den grooten weg reed ik heen met een zonderling gevoel van spijt, dat alles hier zoo veranderd was, en ook met weemoed, omdat ik het Arréegebergte vaarwel moest zeggen en terugkeeren in wat men de beschaafde wereld noemt. Deze weg, die naar Huelgoat geleidt, is intusschen wel mooi met het dal in de diepte, het donkere groen, de rotsblokken van grijs gesteente, als vallend bij de helling neer.
Huelgoat is een prachtig punt van Bretagne, bekend bij het publiek, zelfs al te bekend, want dadelijk bij aankomst treft u de overvloed van hôtels en pensions. Ik ben hier vroeger geweest in den tijd, toen de spoorweg van Morlaix naar Carhaix en Concarneau nog niet bestond, en ik geloof, dat er in die dagen slechts één hôtel was, ingericht als een ouderwetsche herberg, kalm en rustig. Het land was toen nog niet ontdekt behalve door een paar schilders. De tijden zijn veranderd. Uit elk hôtel stappen nu menschen met lange haren en groote hoeden, die doeken en kleurendoozen en schildersezels dragen. Alle boomen en steenen uit de streek zullen eraan moeten gelooven, of ze willen of niet.
Toen ik aankwam was het ontbijt afgeloopen, en ieder was naar zijn „motief” vertrokken. De vliegen, de eenige gasten in de eetzaal, gonsden en bromden en voerden hun dansen uit, hun vroolijke walsen, nadat ze eerst gulzig suiker hadden gesnoept van de beschuitjes op de tafel. Ik ontbijt met wat men mij voorzet, het restje van ’t ontbijt van dezen morgen of het begin van den middagmaaltijd. Terwijl ik zit te eten, geeft de dame van ’t hôtel mij alle mogelijke inlichtingen, waarvan mijn gidsje gewaagt. Ik mag niet vertrekken, zonder de wonderen van het land te hebben gezien, den Vijver.... den Molen.... het Gezin van de H. Maagd.... den levenden Steen.... den Draaikolk.... den Plas der Wilde Zwijnen.... de Kerk en den Waterval van Sint-Herbot....
„Huelgoat, Mijnheer, is ’t Fontainebleau van Bretagne, met het water nog bovendien erbij!”
Zeker ga ik dit alles weer bekijken, vooral Sint-Herbot. Op het oogenblik, dat ik naar buiten treed, biedt zich een jongen aan, om mij te vergezellen, en wordt door een tweeden gevolgd, dan door een derden en vierden en nog veel meer. Ik werd door een heel geleide geëscorteerd naar den levenden Steen. Daar is de vijver en de molen, met klimop begroeid, nu veranderd in een fabriek van electriciteit. Wij loopen door een boschje en staan aan den toegang tot een groote open ruimte vol rotsblokken. Er zijn hooge, ronde, spitse, platte, holle en gewelfde. Iedere steen heeft een naam en de eene of andere eigenaardigheid. Bij den chaos van het Gezin der H. Maagd vloeit het water door een grot. Bij het uiteinde gekomen, moet men zich bukken, om in een nauwe gang te komen en van daar ziet men dan, als men ze wil zien, een Ketel, een Leuningstoel, een Bed, een Schotel, een Lepel, een Vork. Om over de steenen heen te komen, zou men gemakkelijk den eenen voet vóór den anderen kunnen plaatsen; maar de gidsen van de levende Steenen staan dat niet toe.
Zij hebben ladders bij zich en planken en stokken en kleine stoeltjes, die men volstrekt moet gebruiken, daar noodzaken zij u toe. „Wacht, Mijnheer, gaat u hierop staan... kijk, Mijnheer, zóó moet u leunen... Klim maar op mijn laddertje, Mijnheer.”
Alles is hier bij elkaâr, om iemand de beenen te breken en den prijs voor dit genoegen te betalen. En ’t is nog niet afgeloopen. Twee jongens staan mij af te wachten vóór een reuzengrooten steen, die op één van zijn smalle kanten staat. Dat is de levende Steen, de Bevende Rots, de mooiste uit Bretagne. Hij is 7 M. lang, meer dan 5 M. breed en bijna even dik; men meent, dat hij meer dan 100 000 K.G. weegt. De massa is in evenwicht op den rotsachtigen rand, maar zoo volkomen juist in evenwicht, dat zij elk oogenblik in beweging is te brengen. Het recht om de schommelingen teweeg te brengen, komt toe aan de beide jongens, die de anderen bezig hebben gelaten bij het Gezin der H. Maagd, en die hier ’t eerste zijn geweest. „Kijk eens, Mijnheer!” En een der kleinen is onder den steen gegleden, draagt dien, als ’t ware op zijn rug, en werkelijk de reuzenmassa schommelt heen en weer; er is geen twijfel mogelijk. ’t Is afgeloopen. Ik moet heen. Zij waren wel met hun twintigen jongens, en al dat werk is meer dan een dubbeltje waard. Ik verdeel een tiental franken onder hen. De kinderen uit Huelgoat hebben hier voor ’t voorjaar en den zomer een goede bron van inkomsten.

Kap uit Finistère.
Ik ging geheel alleen den Draaikolk zien, een indrukwekkend verschijnsel in zijn soort. Het water komt er met geweldige kracht in neer en schijnt naar het diepst der aarde af te dalen. Maar al spoedig voegt zich de meest obstinate van mijn gidsen weer bij mij, en met alle geweld wil hij mij naar het kamp van Arthur brengen. Ik blijf nog toeven in het bosch, luister naar ’t geluid van het water, sta stil en zet dan weer mijn weg voort tusschen nauwelijks te onderscheiden paadjes door gras en mos en heide en varens, en kijk naar de eiken en de beuken, de dennen en de rotsen, opmerkend, hoezeer de onvermoeide natuur de geschiedenis vermeestert en overweldigt.
Weer kom ik bij den vijver, waar het zilveren riviertje doorloopt, dat door ’t groen verder gaat en dan in watervalletjes het dal bereikt, waarlangs het ten slotte in de Aulne zal verdwijnen. Dan betreed ik het dorp en stap naar de markt, waar ik nog altijd de schilderachtige drukte denk te vinden met de groote, magere mannen in hun wijde broeken, kleine, open vesten en breedgerande hoeden. De omgeving is nog dezelfde, oude huizen en een kerk uit de zestiende eeuw.
Ik moet naar Sint-Herbot terug. Daarheen zou ik graag diegenen brengen, die op eens en in zijn geheel een indruk verlangden te krijgen van het land Bretagne, het binnenland. Er is geen meer verscholen hoekje, geen, dat geheimzinniger en meer ontroerend is. In een woest en zwart land heeft men hier den dood en de vereenzaming der dingen. Men moet daar alleen zijn geweest, terwijl de regen aanhoudend neerviel op de oude steenen en de vervallen ruïnen, om een diepen indruk van de plek te krijgen. Hier ligt het donkere hart van ’t oude, ernstige, verscholen Bretagne, dat niet op toeristen wacht, en waar men niet kan naderen dan in eerbiedig zwijgen. Tusschen Huelgoat en Sint-Herbot liggen zeven kilometers, en reeds bereidt het ernstige, trotsche aanzien van het landschap u voor op het schouwspel dat u wacht. Ik weet niet, hoe de meeste bezoekers de dingen aanzien, die daar zijn, maar op mij maakt het alles een diep treurigen indruk.
De helling die wat steil is, een kilometer lang, loopt door een moerassige heide, waar bronnen murmelen. Vrij ver naar links ziet men den klokkentoren van Plouyé, rechts den Saint-Michel en den vierkanten toren van Sint-Herbot. Aan twee kanten heeft de kerk reeksen lage huizen naast zich, alles oud en somber, maar alles in overeenstemming met de omringende natuur. De stammen van de bij de kerk geplante boomen hebben dezelfde granietkleur als de steenen van ’t portaal van den toren. Hier kan men zien, dat de gothische kunst, die vaak ruw en onbehouwen lijkt, werkelijk voortkomt uit de natuur en daar haar kracht uit put, haar leven en beweging. Zijn inderdaad die boomen zuilen, van ’t gebouw gescheiden en achtergebleven zonder dak of gevel? Die gebeeldhouwde steenen, die versieringen, die beelden, zijn het stukken rots, die door den tijd en de seizoenen zijn gemodelleerd tot beeldhouwwerk van bladeren en figuren? Al wat hier is, schijnt voortgekomen uit den grond, schijnt daar te zijn geboren en gegroeid; alles schijnt op die plek ook te moeten sterven en stukje voor stukje te moeten terugkeeren in de met mos en steenen overdekte aarde.
Het portaal is versierd met fijne arabesken van klimplanten, zooals zich slingeren door de heggen, en de beelden der apostelen in de nissen lijken op rotsen en boomstammen. Het licht valt door een gekleurd venster, verlicht een aardig houten koortje en het graf van Sint-Herbot, den kluizenaar, beschermer van het hoornvee. Hij heeft hun goed gedaan in Bretagne. Bekend zijn de eigenschappen van het runderras, de fijne pooten, de breede borst, de teêre huid met glanzig haar en de kleine koeien, die zoo overvloedig melk geven. De dankbare stallen kwamen hierheen dan ook herhaaldelijk bedevaarten doen. In Juni is er elk jaar bij de kerk een groote bijeenkomst, een echte kermis lijkt het wel, en op die groote rundermarkt worden de dieren juist als pelgrims om de kerk geleid. Tegenwoordig is het voldoende, in een steenen drinkbak aan den voet van een pilaar een bundel haren neer te leggen uit den staart van een paard, om het voor ziekten te behoeden. Het is een feit, dat, als de markt eenige dagen voorbij is, de bak veel roode, zwarte en witte haren bevat. Het is een soort van belasting, die Bretagne aan Sint-Herbot betaalt, want men beweert, dat in jaren van veeziekte de verkoop van het paardehaar tot 3600 francs opbrengt.
Ik vind terug, wat ik verder zocht, den waterval, die van een hoogte van 70 M. neerstort langs een met boomen bedekte helling. Een klein meisje springt van steen op steen, een lief en lachend kind met blauwe oogen en een beschroomd gezichtje, onschuldige symbolizeering van het landschap. In een oude hut zit een koehoeder in een versleten boek te lezen. En boven verrijst de molen van Rusquec en het kasteel Rusquec of wat ervan is overgebleven, dat is bijna niets, enkele brokken muur en een woonhuis, dat als boerenhoeve wordt gebruikt. Men loopt er rond omheen en raadt, hoe ’t mag geweest zijn, toen alles nog niet zulk een diep weemoedigen indruk maakte. Aan een enkel ongeschonden gebleven fragment kan men zien, dat het geheel schoon en bevallig moet geweest zijn. Het is een groote vaas op voet, een stuk graniet met wapens erin, waar nu mossen over groeien en dat vol droge bladeren en dood hout ligt, terwijl alleen het water uit den hemel erin wordt opgevangen. Het is een mooi en eenvoudig geheel, dat ook, evenals de muren der kerk, uit den grond schijnt voortgekomen, en als een groote steenen bloem zich schijnt te ontsluiten. Maar hoezeer wordt de schoonheid verhoogd door al wat er omheen is, het grasperk en de hooge boomen, die ritselen onder de grijze lucht, en de groote beukenlaan, die langs een helling leidt. Welke levens, welke geheimen zijn hier begraven in de schaduw van deze ingestorte muren, in de holte der vaas en onder de hooge boomen? Welke stemmen zijn er tot zwijgen gebracht? De tragische beteekenis van ’t leven dringt zich aan ons op bij ’t zien van deze dingen, zoowel op een vriendelijken voorjaarsmorgen als op de sombere schemeravonden van den herfst.

Het dorp Locquenvel, met een klokketoren uit de 12e eeuw.
Carhaix zag ik het eerst op de hoogte liggen, toen ik uit het kleine spoorwegstation naar buiten trad. Carhaix is ’t oude Vorganium, dat een romeinsche plaats was en later een belangrijke stad van het koninkrijk Cornwallis, verblijfplaats van Grallon’s dochter Ahès. Ker-Ahès, stad van Ahès, werd Carhaix. Jean de Montfort en Charles de Blois leverden er elkaâr slagen in de jaren 1341 tot 1347; Du Guesclin trok er in 1363 binnen. Daarna raakten er de Koningsgezinden en de Ligue slaags in 1590, en ten slotte woedde er de Chouannerie. Het kleine, rustige stadje is dus als zooveel andere een plaats van moord en doodslag geweest.
Als men de Saint-Augustinstraat oploopt, ontmoet men het uithangbord „Café de la Tour d’Auvergne-Lafleur”. Dit is dan ook inderdaad de stad van den Eersten Grenadier van Frankrijk, en de naam Lafleur, die aan de 18de eeuw doet denken, is zeer geschikt, om de herinneringen aan het leger van ’t ancien régime en dat van de eerste Republiek samen te verbinden. Eenige honderden meters verder volgt het Slagveldplein met een terras, waar men een grootsch panorama ziet van de Zwarte Bergen, het dal der Hière, de oevers van ’t kanaal van Brest en de in verre verten wegdeinende heuvels met hun blauwe tint.
Midden op het plein staat het standbeeld van La Tour d’Auvergne met zijn grenadiersmuts en het geweer in de hand. Hij draagt zijn eeresabel. Het beeld werd in 1841 door Marochetti gemaakt en staat op een voetstuk, welks vier zijden opschriften dragen en bronzen basreliëfs: La Tour d’Auvergne neemt afscheid van het echtpaar Le Brigant; La Tour d’Auvergne redt een gewonden soldaat; La Tour d’Auvergne bestormt de poorten van Chambéry; La Tour d’Auvergne wordt met een lanssteek gedood te Oberhausen in Beieren. Carhaix, dat is La Tour d’Auvergne. De uithangborden dragen zijn naam; het stadhuis heeft zijn portret, een zijner tanden, een lok van zijn haren en de knoopen van zijn slobkousen. Men kent zijn militaire leven. Zoon van een bastaard uit het huis de la Tour d’Auvergne, afstammeling van Turenne, ging de groote man van Carhaix tot het militaire leven over, om een betrekking te hebben, die hem tijd zou laten voor de studie. Deze krijgsman was inderdaad in de eerste plaats een geleerde. Hij kende de meeste europeesche talen, en zoo hij alle bevordering boven den rang van kapitein weigerde en later ook ’t mandaat voor de Wetgevende Vergadering, dan gebeurde dat ter wille van andere plannen, die hem zeer ter harte gingen.
Hij verliet den dienst reeds vroeg, om zich geheel te kunnen wijden aan zijn onderzoekingen over de geschiedenis van Gallië, die hij op nieuwen grondslag hoopte te vestigen, door zich ijverig toe te leggen op de studie der betrekkingen, die er tusschen Britten en Galliërs hebben bestaan. Ook hoopte hij de identiteit der talen van de beide volken te kunnen aantoonen, de geschiedenis en de theogonie der heidenen te kunnen doen herleven en de taal der Kelten meer bekend te maken. Dit door La Tour d’Auvergne begonnen werk gaf aanleiding tot de stichting in 1807 van de Keltische Academie. Maar La Tour d’Auvergne zou haar niet meer in werking zien. Uit edelmoedigheid verving hij in 1796 den laatsten zoon van zijn vriend Le Brigant in het leger van Helvetië en daar vond hij den dood.
Een wandeling door de straten van het stadje, de Groote Straat, de Plaveiselstraat en ’t Raadhuisplein, laat zeer zonderlinge huizen zien, allergrappigste soms, zooals op teekeningen van Gustave Doré bij Victor Hugo. Men ziet een rez de chaussée van graniet; verdiepingen tusschen balken ingevat; gevels, ingelegd met leien, of waar stukjes zijn in gezet op een vreemde en kinderachtige manier. Zoo bij voorbeeld de bakkerij van Pinson, het kantoor van den ontvanger e. a. Enkele der huizen zijn geheel zwart, het hout en de leien beide. Andere zijn wit, overgekalkt, alsof ze in room zijn gedompeld. O, die amusante huizen! Dat echte feeënspel! Wat kan men zich te Carhaix amuseeren, als men die oude gerimpelde aangezichten tracht te ontcijferen, die den mond openen door de deur beneden en met de oogen knippen door de venstertjes in het dak.