← Table of contents
Hugo de Groot en zijn rechtsphilosophie

Front matter (continued 3)

Reading edition

Wat Grotius' staatsleer betreft, ook hier is de invloed van het neo-stoicisme goed merkbaar.

De bepaling van wat de staat is, vindt Grotius bij Cicero: "Fruendae justitiae causae reges esse institutos" [228]

Ook volgens Cicero is de souvereine macht niet altijd bij het volk; het volk kan zich aan anderen onderworpen hebben. En hij geeft bijna dezelfde reden aan, waarom een volk zich aan anderen onderwerpt als Grotius. [229]

Seneca had reeds de drie regeerings vormen beschreven, zoo goed als Aristoteles: Interdum populus est, quem timere debeamus; interdum, si ex civitatis disciplina est, ut plurima per senatum transigantur, gratiosi in ea timentur viri; interdum singulis quibus potestas populi in populum data est. [230] Grotius vindt het een waar gezegde, het gezegde van Cicero: mihi pax omnibus cum civibus bello civili utilius videtur, en zegt daarom met den laatste, dat noodweer en zelfverdediging slechts zeer zelden, ja, buiten gevallen van al te diep ingrijpende rechtsverkrachting, bijna nooit geoorloofd is. [231]

Grotius' leer over de verhouding van Kerk en Staat, blijkt eveneens in nauw verband te staan met de leer van het oude Rome. Hij zag het bovennatuurlijk karakter der kerk over het hoofd, en daarmede, dat haar rechten hooger staan, dan de rechten van den staat. Dit zoodanig beschouwen van den godsdienst, wekt geen verwondering. De aanhangers van Luther en Calvijn, noemden Erasmus en zijne partijgenooten, waartoe ook Grotius behoorde, niet zonder grond "Libertijnen", zooals wij reeds boven opmerkten. Zij hadden de moederkerk niet verlaten om een nieuw dogma aan te hangen, een dogma gegeven door Luther of Calvijn, maar om vrij te zijn, om een natuurlijken godsdienst, op de rede gegrond, en daarom door niemand te loochenen, op te bouwen. Ook dit werken vond zijn verklarende oorzaak in het humanisme, en staat onder den invloed der heidensche wijsbegeerte.

#De verdiensten van Hugo de Groot#

Laat het waar zijn, dat Hugo de Groot in zeer nauwe betrekking staat tot de romeinsche Stoa, en van hen bijna alles overneemt,—bijna alles, want het christen geloof, dat Grotius belijdt, heeft invloed op zijn begrippen, [232] maar deze invloed is slechts secundair,—dit sluit nog niet in, dat zijn naam niet met eere zou kunnen genoemd worden in de geschiedenis der wetenschappen.

Ook wij meenen, dat Grotius' werkelijke verdiensten niet gering zijn. Inderdaad men moet hulde brengen aan Huig de Groot, "le jurisconsulte du genre humain" gelijk Vico hem noemt.

Waarom echter?

Wij zijn het niet eens met Glafey [233], voor wien Grotius' grootheid hierin bestaat, dat hij zoowat het eerst iets wetenschappelijks te berde bracht over natuur-en volkenrecht. Alles wat de scholastieken gezegd hadden over deze onderwerpen, had, volgens zijn bewering, volstrekt geen waarde. Wat de oudheid hierover ons naliet, was van weinig beteekenis.

Schmausz [234], Van Kaltenborn [235], Nijs [236] en Gierke [237] hebben de meening van Glafey voor eens en voor goed weerlegd; zij bewezen, dat de geschiedenis der rechts-en staatswetenschappen, zelfs die van het volkenrecht, van vóór Grotius dateert.

Er was een Thomas geweest, een Ferd. Vasquez, [238] een Suarez; [239] Molina [240], Leon-Lessius [241], Didacus Covarruvias [242] Dominicus Soto, [243] Albertus Bolognetus [244]. Vóór Grotius schreef reeds Melanchton [245], Stephani, [246] Meissner [247], Oldendorp [248], Wincler [249], Hemmingius [250], Jean Bodin [251], Althusius om enkele der meest bekenden te noemen, uit de middeleeuwen en den vóór-grotiaanschen tijd.

"Die controverse, ob und wie weit," gelijk Gierke [252] zegt, "Wille (voluntas) oder Vernunfteinsicht (intellectus), die eigentliche Substanz des Naturrecht und darum zuletzt alles rechtes ist," bestond reeds vóór Grotius. Zulke discusies bewijzen toch wel, dat men zeer ernstig nadacht over het natuurrecht, en dat er aangehouden begrippen bestonden omtrent zijn aard en wezen. Met scherpte waren reeds de voornaamste stellingen der staatsleer omlijnd geworden.

Zoo wat de theorie van het staatsverdrag betreft, die ten grondslag ligt aan Grotius' staatsleer, ook zij was door Grotius' voorgangers uitgewerkt.

Het is in de 16e eeuw vooral, dat deze theorie, reeds vroeger door enkelen verdedigd, haar rol begint te spelen, en de gedachten beheerscht. Vooral aan Althusius was het te danken.

De burgerlijke gemeenschap, de staat, berust voor dezen, op een daad van den menschelijken wil; die daad splitst zich in twee "in die beiden Glieder des Gesellschaftvertrages", gelijk Gierke [253] zegt, "und des Herrschaftsvertrages".

Is er eene wettige staatsmacht, dan is er een overheidscontract vooraf gegaan. Dit volgde uit zijn beginsel: alle recht der overheid kan zich alleen gronden op een vrijwillige en contractueele onderwerping der gezamelijke onderdanen.

Geen heerschappij is rechtmatig, tenzij die, welke "legitimo et ordinaris jure a populo et communitate manasse constat" dit hield ook Suarez (III c. 4.) en met hem vele anderen. [254]

Met Grotius en Puffendorf, werd deze leer een vaststaand dogma; de strijd ging voortaan slechts over de beteekenis van dit verdrag van volk en overheid, en zijn omvang. De overheid kreeg door deze overeenkomst absolute macht, beweerden sommigen, terwijl anderen er hunne leer over volkssouvereiniteit meenden uit te kunnen afleiden.

Zoo waren de door hen algemeen aangenomen stellingen de volgende.

Het geheel, het volk, draagt zijn bestieringsrecht aan een ander over, contraheert, moet dus zijn een zedelijk persoon, bekwaam om een verbintenis aan te gaan. Hoe is nu de menigte een éénheid on wel een zedelijke eenheid, die "sui juris" is? Door een onderlinge overeenkomst om samen te leven,—door een sociaal verdrag. Zoo was de staat een dubbele persoonlijkheid, één geworden door een verdrag; de staat was het volk èn de overheid. Eerst Hobbes critiseerde dit dualisme.

Was de staat het verdrag tusschen overheid en volk, dan moesten ook de contracteerende partijen blijven; zoolang zij bleven, bleef de staat; men nam aan met Seneca "Manet idem fluminis nomen, aqua transmissa." Het volk is als een onsterfelijk, bij het komen en gaan zijner leden, identisch voortbestaand geheel.

Rousseau schrapte uit zijn staatsleer het onderwerpings-verdrag en stelde daarmee een revolutionnaire daad.

Om terug te komen bij Grotius, heeft hij iets anders gedaan, dan deze leer opgenomen in zijn systeem?

Wat het volkenrecht aangaat, hierover zegt E. Nijs:

L'Italie avec ses juristes, et ses diplomates, l'Espagne avec ses grands scholastiques et ses fonctionaires de la puissante monarchie de Charles-Quint, la France avec ses nobles initiateurs qui ont nom, Honoré Bonet et Christine de Pisan, l'Angleterre avec ses légistes de la couronne fondent véritablement le droit des gens modernes. Et en effet, il faut se garder de la dater de Grotius. [255] Wij kennen een Victoria een Suarez, een Alberic Gentilis [256], en een breede rij van schrijvers over het recht van den oorlog.

Victoria had het volkenrecht reeds nader bepaald. Hij zegt: "quod naturalis ratio inter omnes gentes constituit, vocatur jus gentium."

Suarez had het zeer nauwkeurig bepaald. "Humanum genus," zoo schrijft hij, quantumvis in varios populos et regna divisum, semper habet aliquam unitatem non solum specificam, sed etiam quasi politicam et moralem quam indicat naturale praeceptum mutui amoris et misericordiae, quod ad omnes extenditur, etiam extraneos et cujus cumque nationis. Quapropter, licet unaquaeque civitas perfecta, respublica aut regnum, sit in se communitas perfecta et suis membris constans, nihilominus quaelibet illarum est etiam menbrum aliquo hujus universi, prout ad genus humanum spectat; nunquam enim illae communitates adeo sunt sibi sufficientes sigillatim, quin indigeant aliquo mutuo juvamine et societate ac communicatione, interdum ad melius esse majoremque utilitatem, interdum vero etiam ob moralem necessitatem et indigentiam, ut ex ipso usu constat. Hac ergo ratione indigent aliquo jure, quo dirigantur et recti ordinentur in hoc genere communicationis et societatis. Et quam vis magna ex parte hoc fiat per rationem naturalem, non tamen sufficienter et immediate quoa omnia; ideoque aliqua specialia jura potuerunt usu earumdem gentium introduci. Nam sicut in una civitate, vel provincia consuetudo introducit jus, ita in universo humano genere potuerunt jura gentium moribus introduci. Eo vel maxime quod ea quae ad hoc jus pertinent et pauca sunt et juri naturali valde propinqua, et quae facillimam habent ab eo deductionem adeoque utilem et consentaneam ipsi naturae, ut licet non sit evidens deductio tamquam de se omnino necessaria ad honestatem morum, sit tamen valde conveniens naturae et de se acceptabilis ab omnibus." [257]

Het verraadt dus wel een volslagen onkunde van den vóór-grotiaanschen tijd, Grotius te beschouwen als den eerste, die nadacht over natuur-en volkenrecht.

Zijn wij het niet eens met Glafey, wat sommige anderen in den laatsten tijd over de Groot gezegd hebben, zouden wij evenmin willen onderschrijven.

D'avoir fait de la raison un instrument de déduction scientifique en matière de morale et de droit, is volgens sommigen, gelijk E. Descamps [258] zegt, Grotius' verdiensten. Men vergeet dan echter, gelijk dezelfde schrijver opmerkt, dat ook de scholastieke doctors dit procédé kenden, en, wat meer is, toegepast hebben.

Pradier-Fodéré en Basdevant hebben een andere ontdekking gedaan.

Ni Bodin, zoo zegt de eerste, [259] ni Bacon n'avaient soupçonné la question du droit naturel et n'avaient tenté une explication philosophique de la nature humaine.

Poser la question du droit naturel, c'était ni plus ni moins se mettre en face de la théologie et en guerre avec elle. Il fallut pour cette oeuvre une époque de lutte et de liberté religieuse, le temps de Selden et de Grotius. Il ne faut pas croire cependant, que Grotius ait voulu isoler l'homme de Dieu, et méconnaitre l'autorité qu'excerce dans la vie humaine et dans l'histoire la religion, qui est la metaphysique des nations.

J. Basdevant [260] schrijft: Grotius dégage le droit naturel de la théologie et de la métaphysique. Il en fait matière à une étude scientifique sur la nature sociable de l'homme. C'est parce qu'il s'est attaché à cette conception et l'a répondue dans les esprits, qu'il a été considéré comme père du droit naturel.

Of hier de werkelijke verdiensten van de Groot zijn aangegeven? Ik zou het betwijfelen.

Was het waar, dat Grotius de eerste was, die een wijsgeerige uitlegging beproefde van de menschelijke natuur; was het waar, dat hij vóór alle anderen op de gedachte kwam het natuurrecht nu eens wijsgeerig te behandelen; dan, ja, kon Grotius, ook afgezien van de deugdelijkheid zijner philosophie, aanspraak maken op de erkentelijkheid van het menschelijk geslacht.

Maar zoo men zulks beweert, ziet men het wijsgeerig werken der middeleeuwen op dit gebied over het hoofd. En nu kan het wel gebeuren, dat men de beschouwingen der "school" over het natuurrecht theologische en metaphysische beschouwingen meent te moeten noemen, en geen wijsgeerige. Dit echter zou berusten op een wanbegrip. Want vooreerst al behandelden de scholastieken het natuurrecht bij gelegenheid van de theologie, daardoor is het nog niet zeker, dat zij dat onderwerp niet philosophisch, maar theologisch behandelden.

Kaltenborn heeft zich ongetwijfeld vergist, als hij zegt, dat men het natuurrecht aannam, alleen op grond van een schriftuurtekst. Wil men de Summa Theologica van St. Thomas openslaan, dan wordt het voor elkeen, die zien kan, duidelijk, dat er neven theologische gronden, ook wijsgeerige gronden worden aangegeven, en dat deze zelfs de grootste plaats innemen. Men verwarde geen philosophie met theologie, of liet de eerste niet opgaan in de tweede, men onderscheidde deze twee wetenschappen, versmaadde echter niet het licht der openbaring, ook in de wijsbegeerte.

Dat verder de philosophische verklaring van 's menschen natuur, onphilosophisch zou worden, zoo men er de metaphysiek bij te pas brengt, och ja, dit is het subjectieve oordeel der positivisten, dat men zou moeten bewijzen waar te zijn ook in de objectieve wereld.

Ik geloof liever, hetgeen Fonsegrive schrijft: La métaphysique supprimée la morale ne peut être qu'une physique des moeurs. [261]

Het gaat dus niet op, de Groot als den vader van het natuurrecht te beschouwen, op titel van deze stof het eerst wijsgeerig te hebben behandeld. Beter noemde men hem eenvoudig den "epocheman", den baanbreker, voor een nieuwe wijsgeerige richting.

Wat een andere bewering betreft, deze nl., dat de Groot de scheiding van moraal en recht wel niet voltrokken zou hebben, maar toch onder de voorloopers van Thomasius en Kant zou zijn te rekenen, ook dit is onwaar; want de Groot wil, dat ook de rechtsplichten van den mensch ethische plichten zijn. Men misdoet in geweten, als men ingaat tegen zijn sociale natuur; en ook hij zegt, dat men kan spreken van rechtvaardigheid, een deugd van den wil, om een ander te geven wat hem toekomt, en van het recht in objectieven zin, als hetgeen wat iemand toekomt. [262]

Welke zijn dan wel Grotius' verdiensten?

Met recht kan men hem noemen den vader van natuur- en volkenrecht, mits men deze woorden in een bepaalden zin opneme. Als men daardoor versta, dat Grotius het natuur-en volkenrecht heeft verheven tot den rang eener afzonderlijke wetenschap. Als men, gelijk Meyer [263] zegt, door Grotius vader te noemen van natuur-en volkenrecht, meer denke aan den vorm, waarin hij die zaken heeft voorgedragen, dan aan die zaken zelf.

Grotius was de eerste, die van natuur-en volkenrecht een afzonderlijke wetenschap maakte, want bij al de schrijvers, en zij zijn legio, over oorlog en vrede en over aanverwante onderwerpen, hebben wij slechts traktaatjes over bijzondere onderwerpen, wij missen een geheel. Wij missen misschen wel niet een nauwkeurige bepaling van natuur-en positief recht, van volkenrecht, maar deze bepalingen bijeen, in verband met elkaar, en in verband met het daaruitvolgende; n.l. wat de mensch te doen of te laten heeft overal en altijd, wat hem vrijstaat te doen of niet te doen; wat hem in het praktische leven geoorloofd is of niet, al naar gelang hij door zich zelf verplicht is geworden tot iets, of door God; ziedaar wat tot dan toe ontbrak.

Herhalen we nog eens de woorden van Robert Flint, gelijk E. Nijs ze vertaalt: L'homme de génie, que l'on appelle le fondateur d'une science ne fait que rattacher ses élements déjà existants; il se borne à réunir ses membres épars, à leur insufler le soufflé de la vie. [264].

Vóór Grotius was veel gewerkt. Toute la dernière partie du moyen âge a un caractère juridique prononcé; au fond de toute son histoire se trouve l'idée du droit. [265]

Behalve de rechtsgeleerden, hebben Erasmus, Coornhert, Thomas Morus, Lipsius aan Grotius bouwstof geleverd, zoowel als Montaigne en zijn leerling Charron, zoowel als Bacon en Herbert de Cherbury. Kortmartus [266] beweerde zelfs, dat Grotius Montaigne niet alleen in vele punten gevolgd heeft, maar zelfs "de verbo ad verbum annotavit".

Zeker is het, dat Michel de Montaigne (1533-1592) het ethisch, aan Socrates en het stoïcijnen herinnerend, princiep: zedelijk leven is leven volgens zijn natuur, zoo goed als Grotius huldigde. Charron (1541—1603) zeide: Alle wijzen leeren, dat het goede leven het leven is volgens de natuur, en dat het hoogste goed is, met zich zelf over een te stemmen. [267]

Bij Bacon is de natuurwet, de sociale, op het welzijn van het geheel gerichte, aandrift der afzonderlijke personen, in overeenstemming gebracht met de aandrift tot zelfbehoud.

Herbert de Cherbury (1581-1648) spreekt van "communes notitiae" die voor hem de grondslagen worden van zedelijkheid en van recht.

Grotius vond de bouwstof bereid en verwerkt, zijn genie vond het middel ze te ordenen tot eenen bouw, tot een geheel. Dit is zijn verdienste.

Zoo b.v. had Alberic Gentilis, die door Grotius dankbaar wordt herdacht, [268] zich te veel op autoriteit beroepen, zonder zelf eens te zien, hoe zwaar de autoriteit van sommige rechtsgeleerden woog. [269]

Voegen wij hierbij nog deze vraag: Behoorde Grotius tot de in die dagen zoo dikwijls genoemde en zoo heftig bestreden "politici," die Thomas Stapleton [270] ons beschrijft?

Grotius was eerder een hen tegenovergestelde meening toegedaan. Hij erkende in de overheid een recht en een plicht uit te komen voor den godsdienst en hij wil, dat men eerder God moet gehoorzamen dan de menschen.

#Ons oordeel over Grotius.#

Aan zijn "de Jure Belli ac Pacis" hebben wij in het begin gezegd, dankt Grotius zijn onsterfelijkheid, en geen wonder, kunnen wij er bijvoegen hier is een meesterwerk, alleen een genie kon het tot stand brengen.

Een meesterwerk is de Jure Belli ac Pacis om de zooeven aangegeven reden.

De Jure Belli ac Pacis moest naar de bedoeling des schrijvers de onomstootelijke, voor allen klare en evidente beginselen aangeven van recht en zedelijkheid en daardoor medewerken aan het practisch naleven der instinctmatig gevoelde rechten en plichten der volken en der menschen onderling. Het moest, de volken en de vorsten, die in deze wereld geen rechters hadden, er aan herinneren, dat zij oneerlijk kunnen doen en onrecht bedrijven, maar dat zij dan een eeuwigen rechter, wiens macht geweldig is, te vreezen hadden.

In die poging is Grotius voor eenigen tijd geslaagd; het is ontegenzeggelijk, dat hij een heilzamen invloed heeft uitgeoefend op de toestanden dier dagen en zelfs later. De kunst des meesters lag hierin, dat hij het oude in vele punten, in de meeste zelfs, kon bewaren met nieuwe middelen, die in den geest des tijds waren, met nieuwe beginselen.

"Of all works", zoo sprak Andrew D. White, bij de Grotius' plechtigheid te Delft (4 Juli 1899) "not claiming divine inspiration, that book, written by a man proscribed and hated both for his politics and his religion had proved the greatest blessing to humanity. More than any other it has prevented unmerited suffering, misery, and sorrow; more than any other it has ennobled the military profession; more than any other it has promoted the blessings of peace and diminished the horrors of war. [271]

Il (Grotius) travaille noblement à faire descendre, au milieu de tant de fougueux capitaines, la sévère majesté du droit; zegt Ed. Descamps. [272]

Heeft Grotius' werk een zegenrijken invloed gehad op de politiek van het Europa der 17de eeuw en misschien zelfs later, dit kan ons de oogen niet doen sluiten voor de schaduwzijde van zijn werk. De tijdelijke verbetering, die Grotius bracht, weegt niet op tegen de veel grootere onheilen, de valsche leeringen, voor welke hij de baan opende, met zijn naturalistische moraal en individualistische rechtsleer.

Met den natuurtoestand tot uitgangspunt te nemen van recht en zedelijkheid leidde Grotius de moraal en de rechtswetenschappen in een zeer verkeerd spoor. Hobbes, Spinoza, Puffendorf, Cumberland, Christiaan de Wolf, om niet te spreken van J. J. Rousseau, even zooveel mannen van naam, zijn Grotius in deze richting gevolgd.

Wat men met dat woord "natuurtoestand" bedoelde, moet nog even gezegd worden. Puffendorf beschrijft hem ons. L'état de nature est celui, où l'on conçoit les hommes les uns par rapport aux autres, en tant qu'ils n'ont ensemble d'autres relations que celle qui est fondée sur cette liaison simple et universelle, qu'il y a entre eux par la ressemblance de la nature, indépendamment de toute convention et de tout acte humain qui les ait assujettis les uns aux autres d'une facon particulière…. Ceux qui vivent dans l'état de nature sont ceux, qui ne sont ni soumis à l'empire l'un de l'autre, ni dépendants d'un maître commun, et qui n'ont reçu l'un de l'autre ni bien ni mal…. Le principal droit de l'état de nature c'est une entière indépendance de tout autre que de Dieu. [273]

Welke plichten de mensch in dien natuurtoestand heeft, wordt dan verder—en hier komt het vooral op aan—afgeleid uit de neigingen van den mensch, die de een sociaal, de andere anti-sociaal, de een egoïstisch, de andere altruïstisch noemt of beide te gelijk.

Van eenzelfde beginsel uitgaand, vormt men partijen, al naar gelang men, gelijk Grotius en Puffendorf en Wolf bijv., afgaat, om te weten wat de mensch van nature is, op den "sensus communis" op het algemeen en redelijk gevoelen daaromtrent; ofwel gelijk velen in Engeland en Schotland, een meer wetenschappelijk onderzoek daarnaar instelt.

Wat Grotius miste, het was eene voldoende wijsgeerige vorming.

Deze ontbreekt hem, gelijk zij ontbreekt aan de romeinsche stoa.

Er is wel wat waarheid in de woorden van Leibnitz [274]: Mons. Grotius était d'un très grand savoir et, d'un esprit solide: mais il n'était pas assez philosophe pour raisonner avec toute l'exactitude nécessaire sur des matières subtiles, dont il ne laissait pas d'écrire.

Is dit het oordeel dat wij vormen over Grotius werk, wij eeren den man, een der grootste, die Holland ooit gekend heeft, met zijn eerlijk karakter, dat "lebt und webt in den Ideeën des Friedens [275], met zijn diepen godsdienstzin [276], die aan God een plaats liet in de menschelijke maatschappij. Wij betreuren het, hetgeen hijzelf betreurde voor de scholastieken: "in infelicia saecula inciderunt." Had Grotius den wijsgeerigen blik gehad van de mannen, die naast hem stonden, ik bedoel de volgelingen der schoolsche wijsbegeerte, en die hun plan de ontwrichte maatschappij der 17de eeuw en de pas geworden staten te herinneren aan recht en zedelijkheid, misschien wel niet zoo schitterend als hij, en zoo in den geest, des tijds en met zoo groot een eruditie, voltooiden, Grotius zou waarschijnlijk nog grooter geweest zijn.

#Werken over de Groot [277]#

#Accolas, E.#—Droit de la guerre.

#Altmeyer, J. J.#—Précurseurs de la réforme aux Pays-Bas. La Haye 1886.

#Arnd, J.#—Spec. de H. Grotia a commentatoribus juris B. ac P. immerito vapulante. Rostock 1712.

#Asser, T.#—Hugo de Groot, 1583-1883. Gids 1883. II 441.

#Basdevant.#—Les Fondateurs du droit interm. Paris 1904.

#Batesius, G.#—Vitae selectorum aliquot virorum. London 1681, bldz. 420.

#Beyerlinck.#—V. Grotius.

#Berger, J. G.#—Oratio de H. Grotio Rostochii moriente Lips. 1716.

#Bossuet#.—Oeuvres Compl. Dis. prelim.

#Brandt, Casp. en Adr. v. Cattenburgh.#—Historie van het leven des Heeren H. de Groot. Dordrecht en Amsterd. 1727.

#Broere.#—De gezindheid van H. de Groot voor de Kathol. Kerk. De Katholiek 1852 en vlgd. jaarg.

#Burigny.#—Vie de H. Grotius. Paris 1752.

#Butherforth.#—Institutes of natural laws … lectures on Grotius de J. B. ac P. London. 1754.

#Butler.#—Life of H. Grotius. 1827.

H. Grotii epistolae ad Gallos. Lugd. Bat 1648. [278]

H. Grotii et M. Berneggeri epistolae mutuae Argentor. 1667.

H. Grotii epistolae quotquot reperiri potuerunt. P. Blaeu. 1687.

Epistolae ad I. Jaski. Dantz. 1670.

Epistolae ad Oxienstierna's patrem et filium aliisque Sueciae conciliarios, Haarlem 1806.

Epistolae sex ineditae. Lugd. Bat. 1809.

Epistolae ad Oxiensternam et J. A. Salvium Haarlem 1829.

Brieven v. Mar. v. Reigersbergh. H. Vollenhoven en G.D.J. Schotel. Middelb. 1857-58. Geheime briefwisseling tusschen Schriverius H. de Groot en R. Hoogerbeets. Histor. Genootschap Borigten 1850, blz. 303.

Onuitgegeven brieven en bescheiden betreffende H. de Groot. Algem. Kunst-en Letterbode 1860. bldz. 254.

H. Grotii Bref. publié par l'Acad. Royale de Stockholm 1889-91.

Epistolae H. Grotii ad Domum regiam Sueciae et alios Suecios omnes fere ineditae. Stockholm 1892.

Brieven v. Nic. v. Reigersbergh aan H. de Groot. Dr. H.C. Rogge, Amsterd. 1901.

#Caumont.#—Etude sur la vie et les travaux de Grotius. 1862.

#Coopsen, B.#—Ad H. Gr. de J. B ac P. III. 20. 43, 3. 1765.

#Courat.#—De Dood v. H. de Gr. Nederl. Speet. 1884.

#Cras.#—Laudatio H. Gr. Kongl. Vitterhet. Historie. VII. 187. Stockholm. 1802.

#Cras.#—Oratio, enz. Amstelod. 1776.

#Cras.#—Laudatio H. Grotii. Amstelod. 1796.

#Creuzer.#—Luther und Grotius. Heidelberg. 1816.

#Descamps, E.#—Essais de phil. juridique. H. Grotius et le droit naturel ch. II Louvain. 1889.

#Diest Lorgion.#Het Catholicisme v. H. de Groot. Waarheid in Liefde. Godgel. tijdschr. 1857.

#Dilthey, W.#—Die Autonomie des denkers in 17 Juhzh. Archiv. f. Gesch. der Phil. 3. VII blz. 66, 74.

#Dodt, J. J.#—H. Grotius. Algem. letterl. Maandschr. 1847. blz. 574.

#Doedes, J.#—Venetiaansche uitgaaf v. "De Verit. Rel. Christiana" godgel. Bijdr. 1869 blz. 359.

#Dorn, J.#—Ad H. Grotii de J. B. ac P. Jena. 1716.

#Eggers, J.#—Annot. ad H. Gr. Introd. ad juris prudentiam Holl. Lugd. Batav. 1839.

#Familieboek# (een oud) v. de Groot. Algem. Ned. Fam. blad. 1883-1884. no 142.

#Felden, Joh. à#—Annot ad H. Grotium de J. B. ac P. Amsterd. 1652-3.—Annot. ad H. Grotium, quibus immixtae sunt responsiones ad stricturae Graswinckelii-Jenae. 1663.

#Fockerna, Andreae.#—Inl. tot de H. Rechtsgel. van H. de Groot, Arnhem 1895.

#Franck.#—Ad. Reformateurs et publiciste de l'Europe du XVIIe S. Paris 1884 blz. 253 en v.

#Franck Ad.#—De droit de la guerre et de la paix p. Grotius, Journ. d. Savants. 1867 blz. 428.

#Fruin, R.#—H. de Groot en Mar. v. Reigersbergh. Gids. N. S. d. 11.

#Fruin, R.#—Memorien v. H. de G. Maatschappij Ned. Letterk. 1866.

#Fruin, R.#—Onuitgegeven werk v. H. de Gr. Gids 1868. d. 4.

#Fruin, R.#—Verhooren enz. v. H. de Gr. Werken v. h. Histor. Genootschap no 14, 1871.

#Geesink, W.#—Calvinisten in Holland. Rotterd. 1887.

#Gierke, O.#—Joh. Althusius-Breslau 1880 en [Noot van PG redacteur: originele tekst deels weggevallen]

#Gilze, J. v.#—Is H. de Gr. Roomsch geworden? Gids N.S. d. 11.

#Glafey.#—Geschichte des rechts der Vernunft. Leipzig 1739.

#Graaff, M. de#—Het H. de Groot feest. Leeskabinet. 1883 II 1.

#Gratama, S.#—H. de Gr. tegen Hufeland en Lampredi verdedigd. Rechtsgel. mag. I. 1.

#Gratama, H.#—Disertatio … in quaestione faenebri: Gron. 1820.

#Groot, Hugo de.# Gouverneurs oude huisvriend. 1883—blz. 193.

#Groot#, (het einde van). Nieuwe vaderl. Bibliotheek. Amsterd. 1797-1804 VII.

Grotius and the sources of international law. Edinburgh review, 1860. d. 112.

#Groot (Hugo de)# Levensbeschr. v. meest Nederl. mannen en vrouwen 1774-82. D. II. blz. 1.

#Groot (Hugo de)# en Bilderdijk. Vaderl. letteroef. 1829. II. blz. 248

#Groot.# Terugkeer v. H. de Gr. tot het kath. geloof. Amsterd. 1857.

#Grotii (Hugonis)# quaedam doctrinae multum noxiae. Bibliot. Royale Brux. Section des mscrits. 17584-85, no 4.

#Gronovii, F.#—Dicta ad Hug. Grotii libros. ibid. 14551.

#Hartenstein, G.#—Darstell, d. Rechtsphilos. des H. Grotius Abhandl. der Sachs-Gesellsch. 1850 blz. 483.

#Halenses# (observationes) de vita, morte et scriptis H. Grotii 1700-1705, II no 15. blz 329.

#Hely.#—Etude sur le droit de la guerre de Grotius.

#Hertling, J.#—Disp … ad ductum H. Grotii de J. B. ac P. Heidelberg 1733.

#Holtzendorff#—Handbuch des volkerrecht. Berlin. 1885.

#Jong, J. de#—Dissert. Grotianae doctrinae … de jure criminali Tra. ad Rhen. 1827.

#Kaltenborn, C. von#—Vorläufer des H. Grotius. Leipzig. 1848.

#Klönne, B.H.#—Leonardus Marius en H. de Groot. De Katholiek. 1889-90.

#Klose, R.L.#—Hugo de Gr. als schwedischer Gesandte v. Bulau. Geheime Geschichten enz. B. 12, blz. 61. 1860.

#Knuttel W.#—Over het sterven v. H. de Gr. Ned. Spect. 1884. blz. 275.

#Kolstee, M.J.#—Levenschets v. H. de Groot. Delft, 1883.

#Kortmartus#—Abrégé des memoires illustres.

#Krogh-Thonning#—H. Grotius und die religiösen Bewegungen im Protestantismus seiner Zeit. Köln. Bachem. 1904.

#Labouchère, C.#—Dissert, de Grotii "Jurispr. Holl. Lugd. Bat." 1839.

#Land, Dr. J.P.N.#—Wijsbegeerte in de Nederl, 1899—blz. 96 en v.

#Laurentius#—Grotius papizans, Amsterd. 1830.

#Leeuwen, J. v.#—H. de Groot als dichter-Eigenhaard. 1883.

#Lehman.#—H. Grotii manes … vindicatae. Delph. 1727.

#Lerminier, E.#—Introd. genèr, à l'histoire du droit. Brux. 1830. blz. 93. 109.

#Leupe.#—Brief v. d. Kamer v. Zeeland der O. I. Compagnie aan Mr. H. de Gr. Ned. Spect. 1875. blz. 204.

#Leven v. H. de Groot.#—Amsterdam 1875.

#Lyon, B.#—Diss. de loc. Grot. Intr. ad Jurisprad. Holl. 1839.

#Luden, H.#—H. Grotius nach. S. Schiksal und Schriften. Berlin 1806. H. de Groot uit zijn lotgevallen en schriften. Leeuwarden 1830.

#Maurier, (Louis Ambery Chev. Seign de)#—Memoires pour servir à l'histoire d'Hollande enz. Paris 1680-88. blz. 433-80.

#Marcovii#—Quaestion. sel. jures nat. et gent. inter Grotium et Pufendorfium controversis. Lipsiae 1748.

#Meister#—Bibliotheca juris naturae et gentium. Göttingen 1749-59.

#Meuschen, Joh.#—Observ. de vita, morte et scriptii. H. Grotii.

#Millies, H.#—Over de oostersche vertalingen v. Grotius' «de Veritate Rel. Christianoe.» Versl. Koninkl. Academie d. Wetensch. VII 109.

#Muller, S.#—Grotius contra mare liberum. Nijhoff. Bijdragen. N. R. IX 222.

#Muller, J.J.#—De obligatione subditorum ex delicto Summae potestatis ad H. Gr. de J. B. ac P. Jena, 1689. De occisione furis nocturni, Jena 1689. De jure feesàli, 1690—De jure transitus 1697.

#Neumann.# Hugo Grotius—Berlin 1884.

#Nijs, E.#—Le droit de la guerre et les précurseurs de Grotius. Brux. 1882. Origine du droit intern. Brux. 1894.

#Niceron.#—Vie de Grotius. Mémoires. Paris 1729-45.

#Nuyens.# De partijen in de 17de eeuw en het rechtsgeding v. H. de Groot. Wachter 1874, I en II.

#Ompteda,#—Litterat. des Völkerrecht,—Regensburg. 1785.

#Oosterzee#—Maria v. Reigersberg. Jaarboekje voor Zeeland 1854, blz. 208.

#Oudeman, A.#—Uitgaven der rechtsgel. Werken v. H. de Gr. en geschriften over en naar aanleiding v. deze werken. Tijdschr. voor het Nederl. Recht. Gron. 1872.

#Paludanus, R.#—Dissert. ad § 2. 1. 1. H. Grotii Juris pr. Holl. Lugd. Bat. 1759.

#Philippona, Chr.#—Guy Patin over godsdienstige gevoelens v. Gr. De Katholiek. N. R. 1886.

#Plois v Amstel.#—Uitmuntend karakter en lotgevallen v. H. de Gr. Amsterd. 1774.

#Portretten v. H. de Gr. en zijn vrouw,#—Navorscher 1873. blz. 192.

#Pfenniger, H.#—Der Begriff der Strafe untersucht an der Theorie der H. Gr. Zurich. 1877.

#Riet, J. v.#—Dissert. de H. Grotii in jure criminali meritis 1828.

#Rogge, H.#—H. de Groot-Eigenhaard 1883.

#Rogge, Dr. H. C.#—Bibliographie der Werken v. H. de Groot. 1883.

#Robert.#—Discours, enz. mscrits. Archiv. Gener. Brux. f. Secr. d'Etat et de guerre l. 2122.

#Schatter, J.#—De natura virtutis ad H. Grotium in prolog. Argent 1649.

#Scheltema, P.#—Memorie v. mijne intentiën en notabele bejegingen door H. de Groot, I blz. 175.

#Scheltema, P.#—Dagboekje v. Willem de Groot, enz. Nieuw Archief v. kerkl. gesch. I, 331.

#Schneider, J.#—De fide perfidis servanda en Grotii de J. B. ac P. Hallae 1723.

#Schotel.#—Lucian Muller over de lat. gedichten v. H. de Groot. Vaderl. letteroef. 1867. II, 437.

#Schott, C.#—Dissert. sistens analysin operis Grotiani de J. B. ac P. Tub. 1768—Dissert. altera 1770.

#Schmausz, Joh. Jac.#—Neues Systema der R. der Natur. 1754.

#Schröckhs, J.#—H. Grotius. Abbildungen und Lebenbeschr. berumhter Gelehrten. Leipz. 1766—69 II. 257-376.

#Schumann, H.#—Dissert an H. Grotii uxor ob liberatum e carcere maritum juste puniri potuisset. Wittenb. 1727.—De H. Grotio perduellionis crimine absoluto. Viteb. 1727.

#Schudt, Joh.#—Vita H. Grotii. Francf. 1722.

#Seegar, C.#—Oratio de H. Grotio humanorum et divinorum scriptorum interprete. Traj. ad Rhen. 1785.

#Seiden, Joh.#—Mare clausum Londen. 1685.

#Simonis, J. G.#—De fide minorum potestatum in bello ad Grotii J. B. ac P. III 22. Jena. 1675.

#Smeer, T.#—Hulde aan H. de Groot. De Fakkel. Rotterdam 1825-39. II blz. 123.

#Soutendam, J.#—Een onbekend werk v. H. de Gr. uit zijn vroege jeugd. Oud-Holland 1889. blz. 293.

#Stahl.#—Gesch. d. Rechtsphil, blz. 158.

#Stolker, A.#—Twee rekuesten v. Maria v. Reigersbergh. Vaderl. letteroef. 1824. II. 674—Maria v. R. en haar broeder, ibid. 1824. II blz. 19.—Derde berigt wegens brieven v. M. v. Reigersbergh ibid. 1824. II. blz. 320—Vierde berigt, dito, ibid. 1829. II. blz. 482-519.—Een bijzonderheid wegens Elsje v. Houweningen. Vaderl. Letteroef. 1809 blz. 309.

#Standbeeld v. H. de Gr. te Delft.#—Eigenhaard. 1886—Leeskabinet 1885.

#Thomasius, C.#—De sponsione Caudina ac Numantina ad H. Grotium. Lips. 1684.

#Tellegem, B. D. H.#—Dissert. de jure in mare, inprimis proseimum. blz. 18. 30.

#Visser, D.#—Dissert. de oeconomia politica et jure publico, ad Grotiands libros. Luyd. Bat 1856.

#Vissering, S.#—Over een drietal handschriften v. H. de Gr. Koninkl. Acad. v. Wetensch.

Vita Hugo Grotii cum litteris Principis Arautionensis ad Grotium et reginae Christinae ad Grotii viduam. zie Grotii opera theologica. Amsterd. 1679, en Guil-Batesis vitae select. viror. Lugd. 1611. blz. 420.

#Vita H. Grotii.#—Leiden. 1704.

#Voort, J. v.#—Over de letterkundige verdiensten v. H. de Gr. L. IX. 145. Verhandl. Ned. Instituut v. wetensch. Amsterd. 3de klas, IV, 2, 1.

#Vorsterman van Oijen.#—Het zegel van H. en W. de Groot. Eigenhaard. 1883, blz. 193.

#Voraterman v. Oijen.#—H. de Groot en zijn geslacht. Antwerpen. 1883.

#Vries, J. de#—Een brief v. Maria v. Reigersbergh van H. de Groot. Vaderl. letteroef. 1824. II. blz. 425.

#Wagner, B.#—De consensu gentium ad H. Gr. I, 4, 62. Viteb. 1633.

#Walter, J.#—De praescriptione inter liberasgenter, ad H, Gr.

#Witte v. Citers.#—Brief v. E. de Courcelles corrector v. de Groot's drukproeven. Ned. Speet. 1866, 301.

#Witten.#—Memoriae Theologorum. Francofurti 1674, 5, IV.

#Wolters, W.#—H. de Gr. als verdediger v. h. Christendom. De Gids, 1869, III, 436.

#Wijn, H. v.#—Verklaring der schilderstukken betreff. H. de Gr. Wagenaar Bijlagen.

#Wijnmalen, Th.#—Apropos du 3'ieme centenaire de Grotius. Revue de droit intern. 1883, 160.

#Zentgravius, J.#—Diss. de armis in bello prohibitis. ad Grot. Argent. 1677—De caede hostium captivorum Argent. 1693—De milite voluntario ibid. 1685—De jure commerciorum inter belliqerantes, ibid. 1690—Ad Gr. de J. B. ac P. II. 2. 10. ibid. 1693—De imperio parentum in liberos, ibid. 1695.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings