VOORREDE. (continued 2)
Reading edition
"zou beter strekken tot vereeniging met de Gereformeerden van ons land, na eenige verzachting van de wat te onvoorzichtig (zo wy oordeelen) gedaane decisie"
—"En hier," schreef hy aan Uitenbogaard,
"wat zal ik zeggen? men ziet, dat ik door goed noch kwaad ter misse wil gaan; men ziet dat ik geen voorneemen heb, ten aanzien van ons land, dan tot behoudenis van wettige vryheid; men ziet dat myne wederpartydigen sterk zyn, en in den Staat groot gezach hebben: wat hier uit volgen zal by eene Natie, die zo wispeltuurig is als de Fransche, zal UEd. best kunnen oordeelen;"
—"Men wil hier niet ten halve gediend zyn", schreef hy op een anderen tyd;
"op de betaaling wordt my ook reeds groote zwaarigheid voorgewend: men wil my wysmaaken dat het comptoir, waarop ik geordonneerd ben, geledigd is, het welk geene verstandigen kunnen gelooven:"
uit dit een en ander, waarby wy nog veele zaaken zouden kunnen voegen, indien dezelven niet door anderen reeds breedvoerig waren geboekt geworden, is gemaklyk optemaaken, in welk eene gesteltenis onzen Hugo zig bevondt; evenwel verliet hy zyne letteroefeningen niet, maar vervaardigde, van tyd tot tyd, veele schriften die zynen naam onstervelyk gemaakt hebben.
Frankryk werd vervolgends door verdervelyke onlusten verdeelt en geschud; de duurte der levensmiddelen nam dagelyks toe, en op de betaaling der pensioenen kon geen staat meer gemaakt worden; de groote Hugo was te groot van ziel om te smeeken, en derhalven nam hy het besluit, zig naar elders te begeeven; evenwel wilde hy niet in vreemden dienst overgaan, voor hy verzekerd ware van de gesteldheid der gemoederen in 't Vaderland, omtrent hem: de kloekmoedige Reigersbergen, stak andermaal over, om met vrienden en bloedverwanten raad te neemen;—ieder verlangde hem te zien; de zaaken hier ten lande werden van de beste zyde beschouwd; de Groot wenschte ook zeer vuuriglyk zynen ouden vader nog eens te mogen omhelzen—was dit niet genoeg om hem de reis te doen aanneemen? hy nam in 't openbaar afscheid van den Koning, die hem niet alleenlyk met alle beleefdheid ontving; maar zelfs omhelsde, en hem aanbood, ten zynen voordeele, eigenhandig aan de Heeren Staaten te schryven: in 't laatst van de maand October des jaars 1631, kwam hy behouden te Rotterdam aan.
Men kan ligtlyk denken wat al beweegingen daardoor ontstonden, en welke beweegingen niet weinig vermeerderden, toen de zaak ter ooren van zyne vyanden gekomen was; tot by den Stadhouder toe, onderzocht men, op wiens toestemming hy het gewaagd had, weder in 't Vaderland te verschynen; ieder kende zig vry, hem daartoe verlof gegeeven te hebben; Fredrik Hendrik zeide: Ik heb hem niet doen komen; men was geheel verdeeld over de wyze waarop men den stap, door de Groot gedaan, zoude behandelen; deezen waren voor de zachtheid, ten welke einde de Heeren van Delft, zig zeer gelegen laatende leggen aan hunnen roemwaardigen Inboreling, eene bezending naar den Prins Stadhouder afvaardigden; Amsteldam en Rotterdam ondersteunden de lofwaardige poogingen van Delft, maar anderen, zeer waarschynelyk door de Geestlykheid opgezet, riepen, dat hy de Groot was, die Land en Kerk beroerde, dat hy de tegenwoordige Regeering in zyne verantwoording voor onwettig gescholden had, en dat hy op zyn eigen ban en boete, zonder voorafgaande bewilliging der Staaten, in 't Land gekomen was; en deeze party behield de overhand; te vergeefsch had men hoop gevoed op den bystand van Fredrik Hendrik; te vergeefsch hadden niet weinigen geloofd, dat hy glory zou zoeken te behaalen door het herstellen van zo groot een man, als deeze bewonderenswaardige vluchteling, in deszelfs voorige waardigheden; men had dien Prins van zyne menschlievende en loflyke oogmerken weeten te doen afzien: "maar gelyk meerendeels", zegt één van Hugo's levensbeschryveren;
"op de gemoederen der genen, die by Vorsten doen en laaten zyn, meer het nutte dan het eerlyke plaats grypt, en er geene ontbraken, die hem voor oogen stelden, hoe gevaarlyk 't voor syne saeken zyn soude, eenen man, die met soo groot een stantvastigheit de Vryheit en syn Vaederland beminde, wederom in de Regeeringe in te neemen, heeft hy beslooten veel eer te volghen 't gheen hem syne moogenheit dan 't gheen hem syne weerdigheit raedde, en, als de Staeten beraedtslaeghden oover 't verblyf van de Groot, sich gevoeght by 't oordeel der genen, die gevoelden dat men hem 't verblyven in syn Vaederlandt behoorde te verbieden":
—wat zou de doorluchtige balling, na het verlies van zulk een veel vermogenden voorstander, anders hebben moeten besluiten, dan zyne zelfberging niet uit het oog te verliezen?—hy nam de wyk naar Amsteldam, alwaar hy zig een geruimeren tyd, onder eenen verbloemden naam onthield, ten huize van den Heere, Joost Brasser, terwyl er volgends de aantekeningen van den onpartydigen Brand, by de Heeren Staaten van Holland geresolveerd werd, dat alle 's Lands Officieren zouden worden gelast, Hugo de Groot, in verzekering te brengen, op privatie van hun amt, en dat 2000 Guldens zou gegeeven worden, aan die geenen die hem in handen van de Justitie zoude leveren: Amsteldam had zig daartegen zeer sterk verzet, van gedachten zynde, dat de Provincie van Holland niet bevoegd was de poenen tegen de Groot, by voorgaande plakaat der Heeren Staaten Generaal gesteld, te bezwaaren; andere steden voegden zig weder by Amsteldam; maar te vergeefsch, men begeerde de zaak door te zetten, zo als zy van den beginnen af aan opgenomen was geworden; het moest er nu meê door; men scheen te ver gegaan te weezen om wedertekeeren; Fredrik Hendrik, "vond niet geraaden tegen deezen stroom van sterke driften opteroeijen"; dus werd het besluit, by meerderheid van stemmen, tot zyn nadeel genomen, gelyk wy boven gezien hebben.
Ondertusschen werd zyn komst te Amsteldam door de voornaamste Dichters bezongen: de Heer Hooft, vervaardigde een Dichtstukje, waarin hy van onzen geleerden Held dus spreekt:
O Blaakende vernuft, zo puur Als 't rookelooze starrevuur, Wanneer hem wolk noch schaduw let! Gy stelt aan krygh en vreê de wet; 't Wargaaren van 't gerecht gy schift; Verlicht de duisternis der schrift; De naamen die uw' lof verbreidt, Vergoodt gy met onsterflykheit, Oft eeuwelyk onzaaligh maakt, De geene die uw' oordeel wraakt; Baardt wonderwerk by wonderdaadt; En altyds even zwanger gaat. Maar alle wond'ren streeft verby, o Lief der deughde, dat, daar gy Die groote wonderen bedryft, Zoo kleen noch by u zelven blyft, Dan, mits dat gy u dus verneêrt, Houdt zich der Eng'len schaar vereert Met zich te draagen onderdaan, Aan u, en staâghs ten dienst te staan.
De groote Vondel, die nooit zweeg, zweeg ook by deeze gelegenheid niet; hy verwelkomende de Groot te Amsteldam, met deeze verzen:
Wat zaelge wint is 't, die van 't Lelistrant, Den stroom op, in 't ondankbre Vaderlant, Hervoert het Delfsche wetorakel, dat Gekoffert, als een kostelyken schat, Wel eer de bange Maes afdryven quam, Tot dat de sein het in haar armen nam, En zette dat gebergde Gods kleinoot, Met blydschap, op den koninglyken schoot Des allerkristelyksten Luidewyks, Die 't herberg schonk, tot glorie zynes Ryks; Op dat het, na 't verstuiven van die wolk Des druks, verscheen tot heil van 't vrye volk, En 't misverstant, aenziende 's helts gedult Hem weder eerde, en riep; het is myn schult, enz.
Ten blyke van de genegenheid die de wethouderschap der Stad Amsteldam onzen de Groot toedroeg, verstrekt het geen wy aangetekend vinden, naamlyk, dat hy, na zig omtrent drie maanden schuil gehouden te hebben, de vryheid nam van openlyk langs de straaten te gaan; de kerklyke vergadering der Remonstranten by te woonen, en in de Fransche Kerk te verschynen, niettegenstaande hy de straaten niet betreeden konde, zonder een grooten toeloop van menschen, die hem eer beweezen en beklaagden, waar uit te besluiten is dat het neemen van die vryheid, ter ooren van de Regeering moet gekomen weezen; men verzekert evenwel dat hem geen vrygelei gegeeven was geworden, hoe zeer anderen zulks ook voorgaven; 't kan zyn dat het niet uitdrukkelyk geschied zy, echter is het wel waarschynelyk dat onze Held de gemelde vryheid niet genomen zal hebben zonder te weeten, dat de Wethouderschap den Hoofdofficier, en door hem den Onderschouten, heimelyk gelast had, niets tot zyn nadeel te onderneemen, want die last was door de Heeren Burgemeesteren gegeeven geworden.
Zy die hem genegen waren, zaten ondertusschen niet stil, met hunne pogingen aantewenden, om hem een gerust en vreedzaam verblyf in den Lande te bezorgen; men vorderde van hem dat hy daartoe een verzoekschrift zou opstellen, 't welk hy echter onwillens deed; maar men oordeelde dat hy zig daarin veel te fier uitdrukte, 't geen een gevolg was van zyn gevoelen wegens zig zelven; hy wilde met zyne partyen gaarne bevredigen, maar alles wat slechts eenigzins naar belydenis van schuld zweemde, hoe ingewikkeld ook, of de minste gunstvorderende uitdrukking, was voor zyne waarlyk verhevene ziel onverdraagelyk; zyn verzoekschrift, bovengemeld, werd dan afgekeurd en een ander opgesteld, doch dit weigerde hy te tekenen, ronduit verklaarende, dat hy geen pardon, hoegenaamd, begeerde, maar wel vergeeven wilde den geenen, die hem misdaan hadden: na men langen tyd over zyn te houden gedrag geraadpleegd, en elkanders gedachten onderling medegedeeld had, nam onze Hugo een onverzettelyk besluit om het vaderland te verlaaten: begeerende dat het ook niet zyn koud gebeente toevertrouwd zou worden; men poogde hem van dat voorneemen aftebrengen, maar te vergeefsch, hy ging te scheep naar Hamburg, waardoor hy zyne vyanden verheugde, doch zyne vrienden nog veel meer bedroefde, vooral die geenen van hun, welken de hoop op eene volkomene bevrediging nog niet geheel opgegeeven hadden; en waarin zy versterkt werden door de betuiging van Prins Fredrik Hendrik, dat hy, ingeval de Groot, door een request te presenteeren, zyne zaak eene andere gedaante geeven, en zyne vrye inwooning verzoeken wilde, hy in zulk een geval de hand aan zyne zaak houden, en alles ten zynen besten zoude helpen bestuuren.
Te Hamburg werd onze Held, met alle minzaamheid en hoogachting ontvangen, ja veelëer, volgends zyn eigen schryven, als een staatelyken Afgezant, dan als een verdreeven balling; hier voegde zyne Echtgenoote, die zig eenigen tyd elders opgehouden had, zig weder by hem, en Hugo, leide in het byzyn van haar, en zyn verder gezin, als mede onder het onvermoeid navorschen en beoefenen der weetenschappen, een leven, zo gelukkig als een man in zyn omstandigheid zou hebben kunnen leiden.
Eenigen tyd daarna werd hy, ('t geen reeds meermaalen geschied was, doch nu ernstiger dan voorheen) aangezocht, van Gustaaf Adolf, Koning van Zweeden, om in deszelfs dienst over te gaan; deeze Vorst was wegens zyne geleerdheid, en doordringend oordeel, bekwaam om de zonderlinge gaaven van den grooten Hugo, op haare rechte waarde te schatten; het boek van onzen Held, over 't recht des oorlogs en des vredes, had zyne Majesteit zig zeer ten nutten weeten te maaken, waarom zyne achting voor het zelve ook zo groot was, dat hy het, ten dienste zyner onderdaanen, in de Zweedsche taale liet overzetten: de Groot werd, tot vreugd van zyne vrienden, door den dood zyner Majesteit, die op het bed van eer stierf, verhinderd, in het handelen over deezen overgang in zweedschen dienst, maar zyne hoop op eene aanzienlyke verbindenis werd by het leven behouden, door andere Mogendheden die hem, by aanhoudendheid, aanzoeken van dien aart bleeven doen; de Koning van Deenemarken verzocht hem te Glukstad te willen komen, om hem in persoon te spreeken, aan welk verzoek onze Held voldeed, en, ter gezegde plaatze, door zyne Deensche Majesteit, met zonderlinge blyken van gunst en genegenheid, ontvangen werd;—intusschen wees de Groot alle aanzoeken van dien aart vriendlyk van de hand, het welk 't Zweedsche Hof weder gelegenheid gaf om het meer dan eens hervatte verzoek te vernieuwen, 't geen Axel Oxenstiern, groot Cancelier van dat Ryk, dien benevens nog drie andere Raaden, 't Staatsroer was toebetrouwd, ter oorzaake van de minderjarigheid van Koninginne Christina, op zig nam, en daarover, in het begin des jaars 1633 aan den geleerden Hugo schreef: "Kan UE," dus drukte Oxenstiern zig in dien brief uit,
"zyne studien zo veel tyds onttrekken, dat gy my in dit gewest komt bezoeken, zyt verzekert, dat UE. my den aangenaamsten dienst zult doen, dien ik, zo ik niet anders vermag, ten minsten zo hoog zal achten en erkennen, dat ge over de moeijelykheid uwer reize niets te klaagen zult hebben, en in der daad bevinden, dat ik de ongemakken uwer ballingschap heb getracht te verlichten. Meer mag ik voor deezen tyd niet schryven", enz:
—zeide de beroemde Vondel niet te recht van onzen Hugo:
Hoe zou de duisternis dit Hollandsch licht gedoogen, Dat al te hemels scheen in aller blinden oogen! Het ging een wyle schuil, om klaarder op te gaan: Wy haaten 't groote licht, een ander bidt het aan.
Onze Held dit dringende aanzoek, dat waarschynelyk verscheidene keeren hervat zal weezen, overweegende, en begrypende dat de hoop om voor eerst in zyn vaderland een gerust verblyf te zullen vinden, op een zeer zwakken grond steunde, besloot het oor te leenen aan de begeerte van Oxenstiern; vertrok in de Maand Mei des jaars 1634 van Hamburg naar Zweeden alwaar hy met de uitsteekendste blyken van eere en gunst ontvangen werd.
Men begrypt ligtlyk dat men zo veel moeite om de Groot derwaards te doen trekken niet gedaan had, alleenlyk om in hem een voorwerp van verwondering te kunnen hebben; geenzins, het welzyn van 't Ryk was de voornaamste dryfveer dier aanzoeken, dit toonde men ook wel rasch, want onze Hugo werd vereerd met de waardigheid van Zweedsche Afgezant aan 't Hof van Frankryk, benevens die van Staadsraad des Zweedschen Ryks; de eerste op een jaarwedde van 15000 en de andere op eene van 5000 guldens: in 't begin des volgenden jaars, (1635) vertrok hy van Mentz naar Parys, en verscheen nu andermaal aan het Hof van Lodewyk den Dertienden, trouwens in zeer verschillende omstandigheden, thans ten hoogsten aanzienlyk, niet zo zeer door den luister zyns Gezantschaps, als wel door den roem zyner geleerdheid, en zyner deugden: ondertusschen lieten zyne vyanden nog niet af hem te vervolgen, aan 't Fransche Hof, alle pogingen aantewenden, om te beletten, dat door De Groot toetelaaten, in de gezegde waardigheid, zyn voorgaand gedrag, waarom hy zo veel geleeden had, niet gerechtveerdigd werd; men begreep zeer wel dat als Hugo braafheids genoeg bezat, om als Zweedsch Afgezant aan 't Hof van Frankryk geduld te worden, dat hy dan onmogelyk een man kon weezen, schuldig genoeg om als balling buiten zyn Vaderland te moeten zwerven; evenwel was alles te vergeefsch, en de Groot had reden te zeggen:
Al scherpt de magre Twist haar tand, God slaat haar voor my neêr met schand.
Ons voorneemen en bestek laaten niet toe ons breedvoerig over zyne verrichtingen als Afgezant uittelaaten, alleenlyk kunnen wy desaangaande zeggen, dat hy veele wederwaardigheden te boven te komen had, echter in 't Fransche Ryk leefde, zo aangenaam by den geenen aan welken, als by hun van welken hy gezonden was; zynen tyd bestedede hy grootendeels in de bezigheden zyns Gezantschaps, gedeeltelyk ook in zyne studien, maar ook gedeeltelyk met de bezoeken en aanspraaken der geenen, die van alle kanten als zamenvloeiden om hem te zien, en met hem te raade te gaan: voor allen, zegt zeker schryver, stond zyn deur, voor alle zyn tafel, voor allen zyn dienst open, zelfs zonderde hy daarvan niet uit, die geenen, wier ouders, na hem tallooze ongelyken aangedaan te hebben, oorzaak van zyne gevangenis en ballingschap geweest waren.
Boven gaven wy te kennen dat de toestemming van het Fransche Hof om de Groot als Afgezant van Zweeden te ontvangen, eene soort van verontschuldiging voor dien edelen balling was; dien dit vreemd mogt voorkomen, uit aanmerking van het vonnis dat in zyn vaderland over hem was uitgesproken geworden, zal zig nog meer verwonderen over de volgende Verklaaring, welke in 1637, van wege de Heeren van Delft, in 't licht verscheen; dus luidende:
"Wy Schout, Burgemeesteren, Schepenen en Raaden der Stad Delft, certificeeren mits deezen voor de waarheid, dat voor ons gecompareerd zyn, de Heeren Joost van Adrichem, Burgemeester der voorschrevene Stad; Ewout van der Dussen, en, Mr. Cornelis van Beerestein, Oud Burgemeester, mitsgaders Mr. Johan Camerling, Raad-pensionaris derzelver Stad, de welken gezamentlyk, en elk in 't byzonder, ten verzoeke van den Heere Willem de Groot, Advocaat voor den Hove van Holland, van wege zynen broeder Hugo de Groot, thans Ambassadeur van haar Majesteit, en de kroon Zweeden, by zyne Majesteit van Frankryk, hebben verklaard en getuigd, by den eed by hem respectivelyk in hunne amten gedaan, dat zy comparanten, als gedeputeerden deezer stad, present zyn geweest, in de vergadering van de Ed. Gr. Mog. Heeren Staaten van Holland en Westfriesland, gehouden vóór Paasschen van den jaare 1632, en dat zylieden comparanten ten zelven tyde de Gedeputeerden der Stad Rotterdam, dewelken ter voorschreevene Vergaderinge, de voornoemde Stede Rotterdam waren representeerende, hebben hooren mondeling uit verklaaren, dat de voornoemde Hugo de Groot, ten tyde dat hy het Pensionarisschap, en 't Gecommitteerde Raadschap, der voorschrevene Stede was waarneemende, en naamlyk, in den jaare 1618, niet anders heeft geproponeerd, voorgedraagen, en gedaan had, dan 't geen was conform de resolutiën van zyne Meesters, de Heeren Regeerders van Rotterdam, en hem dien volgende belast was, daar het behoorde, voor te draagen, en de genomene resolutie te effectueeren, zonder dat hy buiten of tegen den last van voorschrevene zyne Meesters, zig zelven eenigzins heeft verloopen: daar by voegende, indien de voornoemde Hugo de Groot daarin misdaan heeft, zo hebben wy-luiden misdaan."
—De aanmerkingen die na het leezen van deeze Verklaaring, over de zamenhang der zaake van onzen Hugo, te maaken zyn, laaten wy aan den kundigen Leezer over.
Eene en andere omstandigheden begonnen hem nu een groot ongenoegen te geeven, en daartoe behoort het nalaatig weezen in 't betaalen van zyne jaarwedden, welke hy reeds van twee volle jaaren, dus ter somma van 40.000 guldens te vorderen had, behalven zyne groote verschotten: "Ik heb", schreef hy,
"al myn geld, dat ik met verkorting van myn jaarlyks inkomen, uit Holland heb doen overkomen, reeds uitgegeeven, en daarom penningen noodig: ik verzoek dat men my van de ongemakken en bekommeringen daar ik mede gedrukt worde verlosse; om groote zaaken te doen moet het hart van zorgen vry zyn; en 't is onmogelyk, als de byzondere zaaken niet wèl zyn gesteld, dat alles naar zyne behoorelyke waardigheid kan geschieden: 't is een hard lot voor een blinkende eernaam zo nadeelig een schatting te betaalen".
Zyne onvoorbeeldige Gemaalinne deed weder een reis haar Holland, om zyne achterstallen aldaar intevorderen, waarin zy ook gelukkiglyk slaagde, schoon haar aan den anderen kant het verdriet trof, dat, staande haar verblyf aldaar, de vader en zuster van haaren dierbaaren Hugo, den laatsten tol aan natuur betaalden, in welke omstandigheden haare tegenwoordigheid zeer wel te passe kwam.
Dat de Zweedsche Ambassade hem begon tegentestaan, blykt duidelyk uit zyn schryven, by gelegenheid van een verspreid gerucht, dat men in Zweeden genegen was hem te herroepen, en een ander in zyne plaats te, zenden: "De Ambassade", schreef hy,
"brengt my geen profyt in; ik heb eers genoeg ingelegd; en ben 'er zat van. Zo men my de minste occasie geeft, zal ik ligt een stille plaats vinden om myn leven in goede gedachten te eindigen, en de wereld, die ik meer en meer moede worde, te laaten woelen. Wat het Hof alhier aangaat, ik meen, dat ik hier in achting ben; maar datze liever een slechthoofd hier hadden, doch, gy kunt verzekerd zyn, dat ik 'er my in 't minst niet over bekommere".
Zyne gedachten op een stil afgezonderd leven, en op zyn' dood, moeten, van tyd tot tyd, gemeenzaamer by hem geworden zyn; want hy zond zynen broeder een tweeregelig versje, in de Latynsche taale geschreeven, met verzoek van hetzelve, als het Gode behaagde hem uit het leven opteontbieden, als zyn grafschrift, by zyne overige verzen, in die taale opgesteld, te voegen; dus vinden wy het vertolkt:
Dit is het graf van Huig de Groot, Dien Holland in zyn kerker sloot; En daaruit vrygeraakt, in ballingschap deed leeven, o Magtig Zweeden! tot uw Ryksgezant verheven.
Het voorgemelde gerucht van zyn ontslag, werd eindelyk met 'er daad bevestigd; na den onvermoeiden Letterheld, nog eenige onaangenaamheden, over het uitgeeven van sommige zyner herssenvruchten getroffen hadden; na omtrent elf jaaren, aan het Fransche Hof, in den dienst van Zweeden doorgebragt te hebben, ontving hy eene eigenhandige missive van de Koninginne Christina, zyne Meesteresse, die nu den ouderdom van agttien jaaren bereikt had, dus meerderjaarig geworden was, en het bestuur over haar Ryk en Staaten aanvaard had: in deeze missive, gedateerd, 30 December, 1644, sprak de Vorstin onzen held aan, met den loflyken eernaam van, Edele en voortreffelyke persoon, overgegeeven aan onzen dienst! betuigende in het slot des briefs, dat hy zig ten vollen verzekerd konde houden, dat haare Majesteit ten hoogsten voldaan was over zyne diensten, welken hy de Kroon van Zweeden beweezen had; hem tevens verzekerende, dat, gelyk haare Majesteit dezelven niet uit haar geheugen zou laaten gaan, zy ook hem en zyne famille blyken zou geeven van 't gevoel haarer erkentenisse: in den brief aan zyne Majesteit den Koning van Frankryk, ter kennisgeevinge van dat opontbod, noemde zy onzen Held, de edele, voortreffelyke, onze geliefde Hugo Grotius.
Na eene en andere bedenkingen op het bevel zyner Meesteresse gemaakt te hebben, besloot hy eindelyk zig naar Zweeden te begeeven, en maakte ten dien einde de noodige schikkingen in zyne byzondere zaaken: ook was hy, staande die bezigheid, weder bedacht op zyn opontbod uit deeze wereld, naar het vaderland der ziele, want nog eer hy op reis ging, schreef hy zynen uitersten wille, welke dus luidde:
"Ik, Hugo de Groot, weetende dat wy zyn geboren om overtegaan tot een beter leven, wenscht dit tegenwoordige te eindigen in den Christelyken Godsdienst, gelyk ik denzelven heb uitgelegd in myne boeken, overeenkomende met de H. Schriftuur, en de Leeraars by de kerk goedgekeurd; God biddende, dat hy de Christenen wil verëenigen tot één kerk, onder eene heilige reformatie: en om te disponeeren van myne goederen, erkennende de groote trouw, en liefde voor onze kinderen, van Vrouwe Maria Reigersbergen, myne zeer geliefde Echtgenoote, zo bidde ik God, dat hy haar vergelde het goede, dat zy my beweezen heeft, en stelle dezelve tot myne universeele erfgenaame van alle myne goederen, tegenwoordige en toekomende, van hoedanige natuur en plaatse die zouden mogen zyn; en begeere, dat zy aan onze kinderen, by hun huwelyk, of anderzins, uitkeere, 't geen zy zal redelyk oordeelen: en indien één van myne kinderen niet mogte vergenoegd zyn met deeze myne dispositie, zo stel ik dien tot erfgenaam alleen, van zyne legitime portie, hem toerekenende al het geene hem naar de Wetten en Costumen kan toegerekend worden.
"Gedaan te Parys den 27 Maart, in 't jaar van onzen Zaligmaaker, 1645: getekend met myn hand, en gezegeld met het Signet van myn wapen; enz."
Te zonderling is het volgende geval, dat wy aangetekend vinden in 't verslag van het geen onze Hugo in Frankryk bejegend is, dan dat wy het onzen Leezers niet zouden mededeelen: liefst volgen wy hier den voorgemelden Dichter, Duim, die 't één van de Groot's volgjonkers, in deeze verzen doet verhaalen:
Mynheer, reed op een' tyd wat driftig van den Koning Door zeker dorp, verzelt met Kroeze[10], naar zyn woning; In 't Dorp men bezig was misdadigers, ten schrik Van anderen, ter dood te brengen, door een' strik; De mening was, men kwam de schellemen ontzetten, En door 't gedruis van 't volk, zy op 't geroep niet letten, Om op te ruimen voor den Zweedschen Afgezant, Maar verr' van zulks te doen; men schoot van allen kant Van achtren door de koets, digt langs zyn hoofd, naar vooren. En trefte den koetzier; twee kogels kwamen boren In 't lichaam, dus gegrieft, stierf korts hy van die wond.
Na dan alle noodige bestellingen verricht te hebben; ging hy t'scheep, achterlaatende zyne vrouw en dochter, vermits de eerstgemelde zig niet in staat bevond, om hem op zyne reis naar Zweeden te vergezellen, en de Geneesheeren haar geraaden hadden, ter herstellinge van haare Gezondheid, de wateren van Spa te gaan gebruiken.
Hy nam zyne reis door Holland, en te Rotterdam, zyne oude woonplaats, gekomen zynde, werd hy aldaar met groote toejuichingen en gunst der burgeren ontvangen; maar zyne vyanden, niet vergenoegd met de lasteringen en ongelyken, waarmede zy hem zo langen tyd geplaagd hadden, liepen by hunnen aanhang rond, en arbeidden, om wien ze konden aan hun snoer te krygen: "Heemel en aarde", zegt één zyner Levensbeschryveren, dien wy, met anderen, hier volgen.
"Heemel en aarde beweeghenden, om te beletten, dat de Staeten van Hollandt, juyst toen ter tydt vergaedert, toelieten, dat de Groot ongestraft door hunne Landen en Steeden synen wegh nam: maer 't weesen der saeken was verandert;"
voegt dees schryver er by:
"Seer veelen der genen, die in den jaere 1618 den staat der Republyke ontrust hadden, waeren nu overleden; eenighe der genen die in 't selfde jaar waeren geschopt uit hunne weerdigheeden, hadt de saghte gemaetightheid des Prinsen Frederyk Henrik; weeder tot hunne voorighe bedieninghe geroepen, en die nieuw in de Regeeringhe waeren gekoomen, gelykse in de partyschappen niet waeren gemenght geweest, soo ook des te meer bequaemheits hadden ze, om de waerheit t'onderscheyden. Dus is 't gebeurt, dat als de Heer Jacob Kats, toen ter tydt Raedtpensionaris der Staeten van Hollandt, ter vergaderinghe der gemelte staeten voordroegh, 't geen hem dienaangaande was voorgekoomen, haere Eed. Grootmooghende hem tot antwoordt gaeven, dat hy de menschen, welker vreese wat te verre gingh, van die ongegronde vreese ontslaen soude, dat sy souden sorghe draeghen dat de Republyk geen schaede quaeme te lyden."
Te Rotterdam vertoefde hy geen langen tyd, maar vertrok van daar naar Amsteldam, alwaar toen de Burgemeesterlyke waardigheid, bekleed werd, door de Heeren, Pieter Hasselaar, Andries Bikker, Gerbrand Pancras, en Willem Backer; het gedrag van deeze Heeren, daarin bestaande, dat zy, terstond na het verneemen van 's man aankomst in hunne stad, by hem gegaan zyn; hem alle goede diensten aangeboden; van stads wege ten maaltyde onthaald, en hem een schip tot zyne overtogt bezorgd hebben; dit gedrag, zeggen wy, doet den onpartydigen aanmerkingen maaken over het lot dat de beroemde Hugo, welëer, had moeten ondergaan; een lot, het welk hem in den rang der boosdoenders stelde: tog heeft zyne vlucht, of lange afweezigheid zyne vooronderstelde schuld niet kunnen uitwisschen; hy was niet veroordeeld tot eene ballingschap van zo veele jaaren; dan zou men hebben kunnen zeggen, dat het recht voldaan, en 's mans schuld uitgewischt was geworden; neen, hy had niet als balling maar als vluchteling gezworven; nu werd hy gehouden voor een voorwerp wel waardig de achting en bezorgdheid van mannen, die wy beschreeven vinden geweest te zyn, wyze en bescheidene mannen—maar, door welke mannen is de Groot dan gevonnisd geworden?—alles zy zo, jammer is het maar, dat de verleiding ten dien tyde zo groot geweest is, dat men zig tegen den grooten stroom niet heeft durven verzetten; want daardoor moet het nakomelingschap nog verwyting hooren, en vind daarin een medebron van het bittere leven dat hetzelve smaakt—de verwyters en pynigers zyn ondertusschen niet ervaaren in de kennis van het menschlyke hart; in de kennis der byzondere charakters van de voorvaderen des kroosts dat zy doen lyden, ook niet in de historie van den tyd van onzen Hugo.... maar het staat thans niet aan ons, daarover breedvoeriger te spreeken.
Zyn vertrek van Amsteldam naar Hamburg, werd, door tegenwind, vertraagd, 't welk de groote Vondel aangenaam genoeg was om Boreas daarvoor een dankdicht op te draagen, beginnende met deeze zoetvloeijende verzen, dien onvergelykelyken Prins der Nederlandsche Dichteren dubbeld waardig:
Noorden wint, die langs ons stroomen Knaegt de bloessem op de boomen; d'Opgeloken telgen schent; Wiltzang steurt, en lieve lent, En den Mai, die met zyn zonnen Quam aanminnig aangeronnen; Wintervogel, guur en schrael, Steur den zoeten nachtegael; Schen de bloemen in de hoven, Met de lucht van geur bestoven; Knaeg, en eet vry ongetoomt Zoo veel bloesems op 't geboomt, Dat vast jammert om genade: 't Is geen noot; want al die schade Moet nu uit voor d'overbaet, Die de wyze Magistraat Rekent by uw schorre buien, Die den adem van het zuien, En den blaesbalg van het west, Stuiten, keeren al hun best; Zonder dat, gewis, wy zouden Groote Huigen hier niet houden, Noch festeeren in ons stad, Nu verrykt door zulk een' schat, Dien de verreziendste Heeren En Gekroonden recht waardeeren.
Toen de beroemde Letterheld eindelyk vertrokken was, bragt dezelfde Dichter de volgende zinryke regels op het papier:
's Avonts daelt het Hemels wonder Met zyn straelende aengezicht: Maar de Groot, ons Hollands licht, Gaet, helaes! hier 's morgens onder: Hoe gelukkig, is de nacht Die den dag uit hem verwacht!
Te Hamburg, alwaar hy, door tegenwind, eerst op den agtsten dag na zyn vertrek van Amsteldam aankwam, werd hy door de Regeering, mede met alle blyken van eerbied, ontvangen; hy reisde verder, over land, naar Lubek, alwaar hy even groote eere genoot; vandaar is hy gekomen te Wismar, alwaar de Graaf Wrangel, Opper-Admiraal van Zweeden, hem zeer prachtig ter maaltyd onthaalde; anderen zeggen dat de Admiraal, verwittigd van de aankomst van de Groot, met inzicht om naar Zweeden te vaaren, hem, in allerhaast, een oorlogschip, om zyne reize voordtezetten, heeft toegezonden.
Dit in allerhaast toezenden van een oorlogschip, door den Heer Wrangel, komt niet wel overëen met het geen wy leezen in een' brief van onzen de Groot, aan zynen broeder, hierin bestaande:
"Te Wismar, hebben wy elf dagen zeer ledig doorgebragt, om dat de Gezachhebber van dat gewest, de Heer Wrangel, de vloot niet durfde verdeelen, dewyl hy tyding had, dat de Deenen voorhadden de vloot in brand te steeken: hy meende dat ze toestel maakten om zulks gewapenderhand te doen; maar het was heel anders met de zaak gelegen, want hun toeleg was zulks door list te verrichten; doch men nam een' man in hechtenis, die, zo men zeide, van sommige Lubekkers omgekocht was, en eenige kisten met brandstoffen toebereid had, omze aan boord te zenden, welken, door eenige vuurwerken, op zekeren tyd, zouden aangaan".
—Door deeze "ontdekking", zegt een van 's mans levensbeschryveren,
"behaagde het de Voorzienigheid, hem, die eenmaal door een koffer of kist, zyne eeuwige gevangenis ontkomen was, wederom te redden uit het dreigende gevaar, waardoor het geschapen stond, dat hy, met vele anderen, door deeze springkoffers, jammerlyk zou zyn omgekomen:"
—wat van het een en ander zy, onze Held vertrok van Wismar naar Colmar, om naar Stokholm voordtereizen: de tyding van zyne nabyheid, deed de geleerde Christina[11], haar vertrek, van Upsal, alwaar zy zig bevond, naar Stokholm verhaasten, vermits zy reeds sedert een geruimen tyd eene vuurige begeerte gehad had om de Groot te zien: als met opene armen werd hy van de Vorstinne ontvangen: weinig tyds daarna, gaf hy haare Majesteit verslag en rekenschap van zyne verrichtingen, in hoedanigheid van haaren afgezant, over al het welke zy betuigde zeer voldaan te zyn; maar toen hy om zyn ontslag verzocht, kreeg hy geen voldoend antwoord, 't geen hem duidelyk deed begrypen, dat het de mening van haare Majesteit niet was, hem uit haar Ryk weder te laaten vertrekken: zy liet hem vervolgends weeten, dat zo hy zyn verblyf in Zweeden wilde neemen, en zyn huisgezin derwaards doen overkomen, zy hem met veel genegenheid in haaren dienst zoude houden, op eene jaarwedde overëenkomstig met zyne verdiensten; maar onze held verkoos niets minder dan dat; behalven dat hy begreep dat deeze genegenheid alleen genoeg was om de afgunst, welke hy, reeds terstond by zyne komst, in verscheidene ryksgrooten bespeurd had, nog meer gaande te maaken, behalven dat, zeggen wy, was het in 't geheel zyne verkiezing niet, zig nedertezetten, in een gewest des werelds, alwaar hy dagelyks niet minder met den aart der menschen, als met de strengheid der luchtsgesteltenis te kampen zou hebben; derhalven nam hy alle mogelyke gelegenheden waar om op zyn ontslag aantehouden, dat hem door Christina, eindelyk, ook toegestaan werd: de schrandere Vorstinne begreep duidelyk hoe bezwaarelyk het was, een gemoed dat noch door gierigheid, noch door staatzucht beheerscht werd, maar zig alleenlyk vergenoegde met zyne studiën en in den ommegang met geleerde lieden, te beweegen, een land te verlaaten waarin hy zo langen tyd geleefd had, en hetzelve te verwisselen voor een gewest der wereld, dat zelfs naauwlyks haar, die aldaar geboren en opgevoed was, ja die er het gebied voerde, kon behaagen: met dat alles toonde de groote Vorstinne dat zy over het besluit van haaren roemwaardigen Ambassadeur niet voldaan was, en liet hem zeggen, dat, indien zy gedacht had, dit genoegen niet van hem te zullen verkrygen, 't genoegen, naamlyk, van hem in haar Ryk te mogen houden, zy hem niet uit Frankryk herroepen zou hebben; evenwel bleef de Groot by zyn besluit maar kon geen vrygeleibrief van de Zweedsche Vorstinne erlangen, welke nalaatigheid, gelyk naderhand bleek, nergens aan toegeschreven moest worden, dan daaraan, dat eenige schoone geschenke, nog niet gereed waren: by verscheidene Schryvers vinden wy deeze stukken niet afzonderlyk genoemd; doch volgends den meergemelden Dichter Duim, hebben dezelven bestaan in keurelyk zilverwerk; want deeze doet de Vorstin dus tegen den grooten Hugo spreeken:
Ontfang, tot dankbaarheit, dees beurs met goude kroonen, En uit genegenheid, dit beeltryk zilverwerk, Op dat gy t' allen tydt, wen gy 't aanschouwt, bemerk', 't Genoegen, 't geen ik heb van uwen dienst ontfangen; 'k Wil, tot bekrachtinge, om uwen halze hangen, Dees keten, waaraan is myn Beeltenis gestrikt. Dit alles hebbe ik voor uw' dienst, u toegeschikt, En uit genegenheit, gulhartig willen schenken, Hier aan zult gy aan my, ten allen tyd gedenken.
De beurs waarvan in deeze verzen gesproken wordt, was gevuld ter waarde van 12000 Ryksdaalders, voorwaar geen gering geschenk, en dus zeer beantwoordende aan de grootheid van haar die gaf, en van hem dien gegeeven werd: de goudene keten waaraan het afbeeldzel van haare Majesteit hong, was drie dik; en by het schenken daarvan gebruikte de Vorstin eene omstandigheid, welke onzen Hugo zo zeer verëerde als ze aandoenlyk voor hem moet geweest zyn; zy deed naamlyk, dezelve eerst om haar eigen hals, en hong haar daarna om dien van de Groot, die dat alles beantwoordde, met de hartlykste betuigingen van dankbaarheid, en de ernstigste verzekering dat hy, werwaards zyn lot hem ook mogt voeren, nooit vergeeten zou, de hoogachting die hy verschuldigd was aan de uitmuntende verdiensten van haare Majesteit.
Na eindelyk hartlyk afscheid genomen te hebben vertrok hy, voorzien van eenen vrygeleibrief, die van den volgenden inhoud was:
"Wy Christina, door Gods genade, Koninginne enz. enz. aan allen die dezen tegenwoordigen zullen zien en leezen, doen te weeten, dat de edele, voortreffelyke, en onze zeer beminde Heer, Hugo Grotius, na in onzen naame de bediening bekleed te hebben van onzen gewoonen Ambassadeur by den Allerchristelyksten Koning, geduurende den tyd van meer dan tien jaaren, van ons alhier verkreegen heeft een gunstig afscheid: en ingevolge van dien, voorneemens zynde zig elders te begeeven, zo hebben wij, uit achting voor de treffelyke hoedanigheden, waarmede hy begaafd is, en zyne verdiensten jegens ons en ons Koningryk, uit zonderlinge gunst die wy hem toedraagen, en om het groot genoegen dat wy ontvangen hebben van zyne diensten aan ons beweezen, in zyne gemelde bediening, hem willen begunstigen, en zyn vertrek verzekeren, door deezen tegenwoordigen brieve van vrygelei."
"En derhalven verzoeken wy van de vriendschap, goedwilligheid, en genade van alle Mogendheden ter zee en te lande, van wat staat en aanzien die mogen zyn, en voornaamlyk de Koningen, Prinsen, vrye Republieken, en Steden, waardoor de reize zal mogen genomen worden, door gemelden Heer Grotius, voorheen onzen Ambassadeur in Frankryk, en tegenwoordig van ons ontslaagen, de zonderlinge gunst, om te gaan, keeren en komen, in Duitschland, Frankryk, de Nederlanden, of eenige andere plaatzen, daar 't hem behaagen zal naar toe te vertrekken, om hem, en zyn gevolg, met zyne dienaars en goederen, te laaten doortrekken, in alle vryheid, veiligheid, en zonder ophouden of beletzels, hoe dat zou mogen weezen: gelyk ook aan hem te bewyzen alle tekenen van goedwilligheid en vriendschap.
"Voords beveelen wy aan allen, die ons getrouwheid en onderdanigheid schuldig zyn, in hoedanigheid van Afgezanten, Krygsbevelhebbers, Admiraalen, Generaalen, Gouverneurs van de Provinciën, Vlooten, Steden, Vaartuigen en Havens, waardoor hy zal komen te reizen, met al het geene hem toebehoort, te gehoorzaamen aan dit ons bevel en ernstige wille, zig wel wachtende eenige verhindering te doen ofte laten doen aan gemelden Heere Grotius, op den weg dien hy zal neemen, het zy om wedertekeeren in Frankryk, 't zy om te vertrekken naar Duitschland, Nederland of andere plaatsen; maar veel meer, dat zy hem de behulpzaame hand zullen bieden, en helpen bevorderen in zyn oogmerk naar hun vermogen.
"Die bevonden zullen worden zig anders te gedraagen, zullen van onzent wege worden gestraft. Ter bevestiginge hiervan hebben wy dit doen verzegelen met ons Koninglyk zegel, en den tegenwoordigen getekend met onzen eigen hand: enz."
Schoon alles wat wy van die voortreffelyke Vorstinne, met betrekking tot onzen Held, gezegd hebben, genoegzaame blyken opgeeft van de hoogachting welke zy voor 's mans gaêdelooze talenten had, kunnen wy echter niet nalaaten nog daarby te voegen den volgenden brief, door haare Majesteit, na den dood van haaren geliefden Hugo, aan deszelfs Weduwe geschreeven: dus luidt dezelve:
"Ik heb uit uwen brief van den 16 van hooimaand verstaan, hoe mynen gezant heeft uitgevoerd de bevelen, die ik hem gegeeven had, raakende de boeken van wylen Mynheer de Groot, uwen man, en dat gy, onaangezien de aanbiedingen u gedaan van anderen, om die in hunne handen te krygen, meer in acht genomen hebt het vernoegen van myne begeerten, als de voordeelen, welken men u van dien kant deed hoopen: ik beken, dat in het vermaak dat ik schep, in 't leezen van goede Schryvers, ik dermaate op de schriften van Mynheer de Groot verliefd ben, dat ik my niet zoude vergenoegd houden, indien ik my vervallen zag van de hoop om die te kunnen plaatzen in myne boekerye. Myn Gezant zal u mogelyk verhaald hebben een gedeelte van de hooge achting, waarin by my zyn, zyn wonderlyk verstand, en de goede diensten, die hy my heeft beweezen, maar hy zoude u niet volkomelyk kunnen uitdrukken, hoe verre zyn geheugen my dierbaar is, en in wat waarde ik houde de vruchten zyns arbeids; en inderdaad indien goud of zilver iets konden bybrengen, om zo doorluchtig een leven wederom te koopen, in myn vermogen zoude niets zyn, 't geen ik niet van harte ten dien einde besteeden zoude: oordeel hier uit, dat gy die schoone gedenkschriften en overblyfzelen in geen betere handen zoudt kunnen stellen, of van welken zy beter zouden ontvangen en gehandeld worden, als van de myne: en dewyl my het leven van haaren schryver zo dienstig geweest is, gedoog niet dat zyn dood my ten eenemaale vervoere van de vruchten van zynen doorluchtigen arbeid. Ik versta, dat nevens de boeken van anderen, gy my zult doen hebben alle zyne geschrevene memoriën en extracten, volgens de belofte die gy my doet in uwen brief: nimmer zoudt gy my beter kunnen betuigen uwe goede genegenheid, als by dit voorval en ik heb, God dank, waarmede het te erkennen, en u te beloonen, gelyk myn Gezant u breeder zal te kennen geeven, waartoe my verlaatende, bid ik God dat Hy u verder wil behouden in zyne heilige bescherminge".
In het begin van de maand Augustus des jaars 1645, begaf de beroemde Hugo zig dan aan boord om naar Lubek te stevenen, terwyl zyne gezondheid reeds in een wankelen staat was, doch die hem vergezelden hoopten dat het verlangen om eerstdaags zyne beminde Gemaalin, en verder huisgezin weder te zien, zo groot een vermogen op hem zou hebben, dat het wel 't voornaamste gedeelte van zyn smart, die hun afweezen hem veroorzaakt had, zou kunnen verdryven. Hy stak met helder weêr en een vry goeden wind in zee, doch de hoop op eene voorspoedige reis verdween welhaast, en verwisselde in de vrees voor in de hollende baaren begraaven te zullen worden; reeds ten volgenden dage was men, ter oorzaake van een hevigen storm, genoodzaakt kleiner zeil te maaken: de wind, tegen den avond nog woedender uitbarstende, wierp den grooten mast overboord; het schip liep verscheidene keeren gevaar van te zullen zinken; het werd door de winden, die van alle kanten toeliepen, zodanig geslingerd, dat het, na ook de andere mast gebroken was, ten laatsten op de kust van Cassubien, lek en reddeloos op 't strand geraakte: dit gevaar duurde volle agt dagen, na welken tyd de beangste, vermoeide en geteisterde togtgenooten, middel vonden om, naby het dorp Liba, veertien Duitsche mylen van Dantzig voet aan land te zetten: de Groot, zegt zeker schryver, was ziek, niet min van verdriet als van lichaam, en daar hy van zyn hart, dat zig spoedde om weder naar de zynen te keeren, zelfs niet éénen dag om zyn lichaam te verkwikken en te bezorgen konde verkrygen, heeft hy op een boerenwagen, dien hy aldaar ter naauwernood gekreegen had, door regen en wind, nog andere agt dagen zyne reis vervolgd, tot dat hy ten laatsten, nu zyne krachten door te hevige schokken en vermoeidheid waren uitgeput, den 26sten der bovengemelde maand, te Rostok is aangekomen: de Hertogin van Pommeren, had hem te Stolke doen verwelkomen, en ten Hove noodigen, doch hy liet zig verontschuldigen, en haar bedanken: zyne reis vervorderende, zond de Hertogin haare koets hem na, die hem te Coslin bragt, alwaar zy hem ter maaltyd liet onthaalen, met bevel van hem kosteloos te stellen tot aan Stettyn, doch hy zondt de koets te rug, met een' brief van dankzegging, waardoor de gezegde Hertogin de eer genoot van den laatsten brief, dien de groote Staats- en Letter-held geschreeven heeft, te bezitten.
Terstond na zyne aankomst te Rostok, begaf hy zig te bedde, waarvan hy ook niet weder is opgestaan: de geneesheer die by hem ontboden werd, oordeelde dat eene te groote vermoeidheid alleen de oorzaak was van 's mans ongesteldheid, en begreep derhalven dat hy door rust en versterkende spyzen hersteld moest worden; doch des anderen daags wederkomende, zeide hy onzen held den dood aan; waarom men, volgends gewoonte, een Geestlyke by hem ontbood, verkiezende daartoe den Heer, Johannes Quistorpius, Doctor en Hoogleeraar in de Godgeleerdheid, mitsgaders bedienaar des Godlyken woords by de Luthersche Gemeente te Rostok, een man, zegt men, door zyne schriften in de geleerde wereld bekend; wy kennen hem niet, maar wel zyn gedrag dat hy by den stervenden Hugo hield, en bekennen dat wy daarin den geleerden man niet kunnen vinden; wel den gewoonen Geestlyke, die zig by alle stervenden op een zelfde wys gedraagt, als wilde hy te kennen geeven dat hy zyn ambacht oefent gelyk een timmermans- of metzelaars-gezel 't zyne; 't behaagt my als ik Quistorpius voor het sterfbed van onzen Hugo hoor zeggen, dat hem niets aangenaamers zou geweest zyn, dan dat hy met zyn Ed., nog gezond zynde, in gesprek had mogen komen: maar 't komt my van zyn' kant zeer ambachtlyk voor, de verbaazende kunde, (en met nadruk in de Godgeleerdheid,) van de Groot, in aanmerking neemende, wanneer ik die man, zulk een onvoorbeeldig mensch hoor vermanen, dat hy zig tot een gelukkige verhuizing uit dit leven moest gereed maaken; dat hy zig van alle aardsche zaaken moest ontlasten; dat hy bekennen moest een zondaar te zyn, met betuiging van leedweezen over de zonden waar in hy mogt zyn gevallen; (de Hoogleeraar stelde het zondigen van onzen Hugo, met dat, mogt, ondertusschen vry twyfelachtig,) dat hy de oneindige goedertierenheid Gods in de zonden te vergeeven voor oogen moest houden; wanneer ik hem het voorbeeld van den bekenden Tollenaar hoor bybrengen; wanneer ik hem hoor zeggen, dat de Groot zyn toevlucht tot Christus moest neemen, als buiten wien geen zaligheid is; benevens meer andere dingen, die men Gewoon is, zegt zeker schryver, den stervenden voortehouden; die men Gewoon is; zo is 't ambachtlyk! de Dichter Duim, behaagt my, ter plaatse alwaar hy Quistorpius, tegen onzen held doet zeggen:
——Ik reken, U zyn de paden wel bekend, om op den weg Der eeuwigheid, met wys, en ryplyk overleg, Te wandlen.
Immers was het op dien toon dat hy tegen een uitgeleerd man, en die in zyn gantsche leven, naar zyn besten vermogen, deugdzaam geweest was, had moeten spreeken! hoe verdienstlyk zou Quistorpius zig gedraagen hebben, wanneer hy den grooten Hugo, nu stervende, als by de hand, het koningryk der hemelen ingeleid had! wanneer hy, in een wel geordend tafreel, zyn zwak levenshulkje, dat zedert zo veele jaaren op de ongestuime zee des tyds gesukkeld had, en geslingerd geweest was door storm en donderbuijen, had doen aanlanden in behoudenen have, om daar te omhelzen de geenen die hem reeds vooruitgegaan waren, en zonder ongeduld te verwachten die voorwerpen zyner liefde, welken hy moest achterlaaten!—wat waren toch de aardsche zaaken waarvan hy zig moest ontlasten? zou de voornaamste daarvan niet wel geweest zyn, de bewonderenswaardige Maria, zyne hartvriendinne, zyne verlosscheresse? ô zekerlyk, en ook zonder twyfel zyne lieve kinderen; (de Groote man zal de laatste oogenblikken zyns levens tog niet besteed hebben aan het peinzen over de zaaken van staat!) hy mogt in de armen van die gadelooze panden den geest niet geeven; zou dit den dood voor hem niet akelig hebben kunnen maaken? die dat van een stervenden man en vader vordert, is nooit man en vader geweest, of moet door eenige gewyde drogredenen, alle natuurlyk en beminnelyk gevoel des harten verdoofd hebben: moest Hugo zig ontslagen hebben van zyne lieve vrouw, die hy zekerlyk in 't stervende hart goeden nacht gekuscht heeft? ô dat waare haare betoonde liefde voor hem schandelyk geweest! neen, maar Quistorpius had hem moeten vertoonen den zaligen hemel; hy had hem moeten doen denken, dat duizend jaaren aldaar als een dag voorby snellen; dat hy dus byna by het uitstappen uit het levensbootje in de eeuwige rust, zyne lieve Maria, en na nog weinige oogenblikjes ook haare telgen zou zien aanlanden;—zou zulks ook ambachtlyk geweest zyn?—neen zeker, maar thans verdiende het gedrag van den Geestlyken dien naam zo veel te meer, daar hy zelfs niet eens een toepasselyk en krachtig gebed voor den stervenden deed, maar met luider stemme, het gewoone Hoogduitsche Gebed, beginnende; Her Jesu wahrer mensch und Godt, uitbazuinde, (men zegt dat de Groot zyn slaapmuts afnam:) aanmerkelyk is het, dat hy den grooten man na het eindigen van dat gebed, vroeg, of hy hem wel verstaan had?—hy ontving ook niet anders tot antwoord als: ik heb het wel verstaan.... dan laat ons hiervan verder zwygen,—de Groot gaf den geest op den tweeden dag na zynen aankomst Rostok, (den 28 Augustus des jaars 1645), omtrent middernacht, in den ouderdom van 62 jaaren, en ruim 4 maanden: zyne ingewanden werden geslooten in een koperene bus, en zyn in een zeer eerlyke plaatse in de hoofdkerk begraaven; 't lichaam is, met sterke kruiden gebalzemd, overgevoerd naar zyn vaderland, en tot Delft, zyne geboortestad, niet zonder groote pracht by zyne uitvaart, gelegd in 't graf zyner voorouderen, in 't Choor van de Nieuwe kerk, ter rechter zyde van de vermaarde grafplaats der Prinsen van Oranje:
"Een zeer groot getal menschen vloeide by zyne begraavinge uit de omliggende plaatsen derwaards, en van Rotterdam alleen, zag men zes schuiten, opgepropt met volk, om de eer te hebben van zyne lykstatie bytewoonen; men telde vier honderd paar in rouwgewaad bekleed, behalven nog een groote stoet, die zonder rouwgewaad volgde:"
ondertusschen is dit gedeelte van des grooten mans overschot iets bejegend, dat, om de zamenhang van alle zyne wederwaardigheden, aanmerkelijk is; het werd naamlyk, te Rotterdam aangekomen zynde, door den schipper, die hetzelve had overgebragt, voor de vrachtpenningen gearresteerd, tot dat de Heer Hendrik Zwaardenkroon, vader van den Geneesheer, Petrus Zwaardenkroon, schoonvader van den Heere, Caspar Brandt, op verzoek van Jan van Reigersbergen, de geëischte penningen betaalde, en dus het lyk van onzen Held ontsloeg.
De gestalte zyns lichaams was niet ver boven de middenmaatige, zyne gedaante vry schoon, de verwe frisch, de neus een weinig geboogen, zyne oogen glinsterende, het wezen helder, de leden geslooten, en zo sterk, dat hy in 't wandelen, in 't loopen, in 't springen, onder lieden van zyne jaren, weinig of naauwlyks weêrgaê vond: in 't bedryf van zaaken was hy ernsthaftig, onder zyne vrienden vrolyk, by allen gespraakzaam, en meêwarig; doch met wat nyverheid, wat verstand; met wat oordeel, met wat godvruchtigheid, liefde omtrent zyne naasten, liefde omtrent zyn vaderland, hy begaafd is geweest, zal klaarder uit zyne schriften zelven, dan uit de getuigenissen van anderen kunnen afgenomen worden.
Dus hebben wy dan onzen Held, op zynen moeijelyken levensweg gevolgd, tot daar hy door den dood in een beter leven overgegaan is: laat ons nu, eer wy verder kortlyk aantekenen, wat na zyn overlyden nog ten zynen opzichte is voorgevallen, hooren, hoe de dichters van dien tyd den uitvaart bezongen hebben van dien grooten man, die het heil des vaderlands altoos bedoeld heeft, doch onder de slagen der doemwaardige onëenigheid heeft moeten bezwyken: deeze gedachten omtrent hem drukt de Dichter G. Brandt, dus kunstig uit:
o Delf, beny geen Maes den grooten Rotterdammer, de Groot is ruim zoo groot. d'Een' zocht het Hollands jammer Te stuiten, door zyn' raadt: maar 't oor der twist bleef doof; Men scheurde veel te licht om liefdeloos geloof; Indien zyn Fenixgeest verdeelt waer onder zeven, 't Vereenight Nederlandt waar onverdeelt gebleven.
De groote Vondel, vervaardigde het volgende dichtstuk, waarboven hy schreef: Uitvaart van zyn Excellentie den Heere Hugo de Groot, aan de wethouders van Delft:
Helaes! wie komt myn hoop vermoorden? Wat onweêr ruischt 'er uit den Noorden? Verzekert fluks ons beste pant: Verzekert, bergt het Hollantsch wonder, Hoe haelt de zon haer aanschyn onder! O Baltisch meir! o storm! o strant! Helaes! waar is de Groot gebleeven, Die voor de schipbreuk van zyn leven, Zelf onder opgeheven zwaert, 't Gezicht des doods braveerde, en sterker Dan stael, voor eeuwigheid van kerker Noch bittren laster was vervaert? Dit was 't, Kristyn, dat u verraste, Toen ghy naer uwe Ryckskroon taste, En zocht den schoonsten diamant, U tot cieraat en roem beschoren; Maer zocht vergeefs; hy bleef verloren: Een voorspook van uw Rycksgezant! Hoe luysterden noch stracks uw ooren, Die onverzaet 't orakel hooren, Dat in uw koningklyck paleis U zyn geheimenissen melde; U in den dagh der wysheit stelde, En toonde d'eere van den Pais: Dan zagh men Pais uw hart bewegen; Zoo dat ghy den geschaerden degen Scheent op te steecken, op zyn woort, En met uw heiren aftetrecken; Die nu de Kristenweerelt decken, En openen den Krygh de poort. Flus hoopte Munster hem t' ontfangen; Nu delft heel Delft met lyckgezangen Zyn' ingeboren in het graf; Daar d'Afgunst, entlyck afgeronnen, Zyn doot gebeente rust moet gonnen, Die zy den levende nooit gaf. Och krancke troost in zulk een jammer Men stell', gelyk den Rotterdammer, Een beelt den wyzen Delvenaar: Men paer' die groote nageburen, Wier faem alle eeuwen zal verduuren, Zo sta de Wysheit op 't altaer.
G. Brand, bovengenoemd, heeft mede de uitvaart van onzen Held gezongen, in een uitgebreid dichtstuk, waarin hy zig, onder anderen, dus laat hooren:
Vraag Hollant nu naar haar doorluchtigsten de Groot. Wie zal nu met zyn pen haar afgezette Staaten Verdedigen? wie zal de slaverny zo haaten? Of wie was zo gehaat van dwingelanden? want Hy leet niet van, maar om, en met zyn Vaderlant; 'k Zing nu niet hoe de haat heeft over hem gezeten; Noch hoe men hem (God weet, en veele menschen weeten Door wiens gewelt en list!) onwettiglyk verwees: Noch hoe hy levendig begraven lag, en rees, Door 't ysre grafslot uit: noch hoe ze t'zamen spanden, In zynen ondergang, en maakten hem die landen Te naauw, wier grenzen hy had uitgebreit: noch hoe De wysheit met hem ging in ballingschap: waar toe Dat opgehaalt? had hy geen ongeluk verdragen, Waar was nu zyn geluk geweest? laat ons niet klaagen Om dat hy balling was; zyn Vaderlant is niet Bepaalt van Oceaan, noch Ryn, noch Maas; neen, ziet Den heelen Hemel aan, die heeft in zich beslooten Zyn Vaderlant; wie daar nog niet is uitgestooten Is in geen ballingschap; enz.
In een volgend gedeelte van dit Dichtstuk zegt de Heer Brand; daar hy Hugo in den hemel ziet:
——van te voren Had men zyn rechters meest uit vyanden verkooren: Maar daar spant Godt voor hem een strenge vierschaar, om Hem recht te doen; daar is 't myneedig recht nu stom; Daar zal men 't recht met geen gekochte stemmen kreuken; Daar leezen Seraphyns zyn goude Goden spreuken; Daar spreekt de mont nu van d'onmondige Vorstin Der Gotten; daar is nu de vryheit met hem in Geen Loevestein; zy zyn van slaverny ontslagen; Daar sleept men hem niet weg, door de onverwagte lagen, Daar d'ouden vader van het vaderlant meê wiert Verrast: enz.
Men vervaardigde ook het volgende grafschrift, waaruit men het jaartal zyns overlydens (1645) kan tellen.
hVgo de groot een LICht, Was aLLer WereLts Wonder; sIIn sIeLe Leeft bII godt, sIIn LIChaaM Leght hIer onder.
De Heer Sarravius, zeide, wegens het overlyden van dien wonderbaaren man: Hy is 'er, ô droefheid! geweest: de man met naam en daad groot, en een heldere flonkerster onzer eeuwe, Hugo de Groot; ô bitter ongeval voor de geleerdheid! ô overzwaar verlies! de aarde zy hem ligt, en de bloemen moeten zyn grafstede bedekken! zo lang de boeken en weetenschappen zullen geëert worden, zal de naam van de Groot waarlyk groot wezen; zo lang myn bloed in de aderen zweeft, zal ik zekerlyk altyd roemen dat ik gemeenzaam by hem bekend geweest ben.
Nog zullen wy hier byvoegen, het volgende grafschrift, gedicht door Wybo Fynje:
Europa's wonder, dat geleerdheid doet verstommen; Het werkstuk daar Natuur zig zelve in overtreft; Het beeld der deugd; 't verstand, in 's hemels top geklommen, 't Sieraad dat boven 't lot des menschdoms zich verheft; Dien waaren Godsdienst, voor wiens eer hy streed, beloonde, Met fraaije Cederen van Libans kruin gehaald; Dien Pallas met olyf, en Mars met laauwren kroonde, Toen hy het recht van vrede en oorlog heeft bepaald; Dien Theems en Seine, om stryd, een wonderwerk beleeden Van Neêrland; dien de Zweed zig eigende als gezant; de Groot ligt hier; wyk van dit graf met snelle schreden, Die niet door vaderlands- noch wysheids-liefde brandt.
Dit ter neder gesteld hebbende kunnen wy tot het waardige overschot van onzen Held wederkeeren.
Zo dra sommige heethoofdige Predikanten vernamen, dat de ingewanden van Hugo eene eerlyke verblyfplaats genooten, hebben zy zulks hooglyk niet alleen afgekeurd, maar zig ook met kracht daartegen verzet; denkelyk ter oorzaake van zyne toegeevendheid voor de Remonstranten, of mogelyk geloofden die zonderlinge Geloovigen, die zekerlyk, in den geloove, gantsche kemels kunnen doorslikken, en te dikwyls zo ryk in ligtgeloovigheid, als arm in broederliefde zyn; mogelyk, zeggen wy, geloofden zy de taal van den laster, die uitstrooide, dat de Groot met papistery besmet geweest was; die geestlyke stookebranden wisten dan te bewerken, want hunne invloed is van alle tyden af zonderling groot geweest, dat het overschot van dien geleerden man, uit zyne rustplaatze weggenomen, en elders in een vreemd oord gebragt is geworden:—hoe haatelyk is niet de vuige haat, wanneer zy 't hart van een' Godstolk bewoont, en zig zelfs op het levenloos overschot der broederen wreekt!
Deeze gruwelyke en allerverachtelykste daad, werd echter niet met toestemming des volks verricht, inzonderheid waren de studenten van Rostoks Hooge Schoole, over een bedryf dat de menschlykheid schande aandeed, zeer gebelgd, en toonden zulks ook in 't openbaar, want zy zyn,
"kort daarna, gelykelyk, met een geheelen drom en opgeheven toon, toegevloogen, om op nieuw de uitvaart te houden van den grooten man, en zyn overschot weder in zyne oude grafstede te brengen; deeze studenten, die door eenen rechtmaatigen yver waren ontstoken, dreigden tevens dat zy, indien dat eerwaardig pand in het toekomende niet onaangeroerd en ongemoeid bleeve, altemaal terstond hun goed oppakken, en naar een andere studeerplaats vertrekken zouden, daar men de zeergeleerde mannen, ten minsten na hunnen dood, veilig zou laaten rusten".
Een geruimen tyd na het overlyden van onzen held, werd by de Regeering der stad Delft beraadslaagd, over eene openbaare vereeuwiging van 's mans zonderlinge verdiensten; men was van gevoelen hem een standbeeld opterichten, in navolging van die van Rotterdam, welken den grooten Erasmus op die wyze verëerd hadden; dan, eenigen waren meer genegen tot het vervaardigen van een prachtigen graftombe, om dat het oude Delft wel de meeste praalgraven bezit; deeze wisten hunne begeerte doortedringen, en hun voorstel werd tot zo verre voordgezet, dat de Overheid van Delft, het volgende besluit nam:
"De Heeren Burgemeesters en Regeerders der stad Delft, hebben, op verzoek van den Heere, Mr. Pieter de Groot, Pensionaris der stad Amsteldam, zo van hem zelven, als van wegen zyne zuster, vrouwe Cornelia de Groot, aan hunne Achtbaarheden gedaan, na ingenomen advies en bericht van de Heeren Kerkmeesteren binnen de voorschrevene stad, geconsenteerd en toegestaan, gelyk hunne Achtbaarheden consenteeren en toestaan mits deezen, dat gemelde Heer de Groot zal mogen doen oprichten, in 't Choor van de Nieuwe Kerk alhier, op de graven daar de Heer Hugo de Groot, hunlieder vader Zal. Ged. begraaven is, een tombe met de ornamenten daartoe behoorende, ter eere en gedachtenisse van hun gemelden Heer vader; mits dat alvorens van de inscriptie daarop te doen stellen, communicatie aan de Heeren Burgemeesteren gegeeven, en derzelver approbatie daarop erlangd zal moeten worden. Gedaan by alle de Heeren, 21 July 1663".
Dit besluit, hoe billyk, werd echter niet verder ter uitvoer gebragt, dan dat een ontwerp, van het beraamde praalgraf getekend, en in aarde geboetseerd werd, door den vermaarden kunstenaar en beeldhouwer, Rombout Verhulst, door wien, naderhand, ook getekend is, de tombe werkelyk vervaardigd ter gedachtenisse van den vermaarden Zeeheld, de Ruiter, met welke tombe het Choor der Nieuwe Kerk te Amsteldam is versierd geworden: op den voorgrond zag men den beroemden letterheld, den grooten Hugo, levensgrootte nederliggen, rustende met zyn' hoofd op een stapel boeken, en houdende een boek in zyn rechterhand; op den achtergrond was een voetstal uitgewerkt, met boeken en papieren versierd, en daarop, in 't midden, een zon, ten zinnebeelde, dat gelyk deeze het aardryk met haare straalen, alzo ook de Groot, de geleerde wereld met zyne schriften verlichtte: rondsom den voetstal vloogen eenige naakte kindertjes, met boeken, rollen papieren, en lauwerkransen in de handen; in het verschiet, zag men, aan wederzyde een grafnaald, en boven den voetstal vloog de Faam, die 's mans lof en geleerdheid, met twee trompetten, uitblies: op de kroonlyst zag men zyn wapen, en aan iedere zyde van hetzelve een opengeslagen boek: deeze beraamde praaltombe gaat in prent uit, en is den Landgenooten eerst medegedeeld, door den Heer Cornelis van Alkemade, in zyn werk, ten tytel voerende: Inleiding tot het Ceremoniëel en de plechtigheden der begravenissen: op den voet der tombe leest men het volgende vierregelig versje:
De Phenix van zyn vaderland, Het Delfs-orakel, 't groot verstand, De zon die 't aardryk heeft verpligt, Was waard dit graf van eer gesticht.
Zynde deeze regels op het onderwerp toepasselijk gemaakt, oorspronglyk zyn zy van den Heere G. Brand, en gedicht om geplaatst te worden, op de tegenzyde van eenen eerepenning waarop onzen held afgebeeld is; alwaar zy dus luiden:
De Fenix van het vaderlandt, Het Delfs-orakel, 't groot verstandt, Het licht dat d'aarde alom bescheen, de Groot, vertoont zich hier in 't kleen.
De meergemelde Dichter Duim, heeft zyne Leezers ook een afbeeldzel van de gezegde beraamde tombe medegedeeld, maar de Groot, een pen in de hand gegeeven, en 'er bygevoegd, de twee gedenkpenningen, waarvan wy daadlyk zullen spreeken, die hy geplaatst heeft, aan de kroonlyst, ter wederzyde van de geopende boeken; het zelfde bovengenoemd versje van Brand heeft hy mede op de tombe geschreeven, maar met nog eene andere verandering; by zyn Ed. luidt het als volgt:
De Fenix van het vaderlant, Het Delfs Orakel, 't groot verstand. Het licht dat d'aarde alom bescheen, De groote Huig rust hier beneên.
Dezelfde Dichter heeft eene uitlegging der tombe, in versmaat, vervaardigd, waarvan wy den Lezer een gedeelte zullen mededeelen, als bevattende eene beknopte beschryving van het leven, van onzen onvergelykelyken Hugo; dus luidt dezelve:
Zie hier de tombe van den grooten Huig de Groot, Eerst Advocaat Fiskaal, om Hollands heilge wetten En zyn gerechtigheên, (wie tegenstand hen boodt,) Te schraagen, en voor 't recht zig in de bres te zetten. Toen Raatsman van den Raadt der koopstad Rotterdam: Hy zette zyne borst, voor onze aloude rechten, Als eenen koopren muur, toen die verwoede vlam, Van kerk- en staat-twist, uit kwam barsten, om te slechten Den band der eendracht. Hy, met onvermoeide vlyt, 't Roer wendde van de kerk en staat, naar alle boegen; Op dat die band niet wierd verbroken, in dien tyd, Zocht hy, ter wederzyds, elk een te vergenoegen: Om zulks te doen, was 't wit van hem, verdraagzaamheid, Hierop hy doeldde, doch party wou 't niet gedogen; Hy wierd, om deeze drift, naar Loevestein geleid, En levendig, als dood, ontrukt der menschen oogen, Tot hy na der d'half jaar verlost wierd, door een kist; Hy leefde in ballingschap, na 't vluchten, all' zyn dagen, Maar Zweden, die 't geweld, hom aangedaan, wel wist, Heeft 't ampt, als Afgezant, hem gunstig opgedraagen. Dit heeft hy loffelyk bediend; maar, door den dood, Nu eindelyk ontlast van alle de aardsche zorgen, Rust hier het lichaam van den wakkeren de Groot, Voor wien (wat wetenschap betreft,) niets was verborgen. Des rust hy met zyn hoofd op boeken; in de hand Voert hy een veder, die de vrucht des geestes baarde; Kenmerken van zyn groot en doorgeleerd verstand. In d'achtergrond ziet gy den schat, dien hy vergaarde, Een gantsche boekzaal, waarin hy begraaven lag; Dit gaf men naderhand voor twaalef duizend kroonen, In handen van Katryn[12], op dat ik, schreef zy, mag. Myn' grooten Afgezant, my, in zyn schrift vertoonen In 't midden van dien schat, ziet gy een helder zon, Wier glans alom verlicht het aardryk, met haar straalen Van zynen geest, die in zyn schrift met luister praalen; Die schriften vliegen al de wereld door en door, In Englen handen; en met kransen van Lauwrieren, Ontwonden Rollen, elk een draaft op 't letterspoor; Gy zietze, wederzyds om deeze zonne zwieren. Wat hooger blaast de faam, met twee trompetten, uit, 's Mans lof, zyn wysheid, in religie, en staatkunde. Zyn wapen ziet men op de lyst. Een boek ontsluit, Ter wederzyde, zig, wyl 't yder toegang gunde, Om, nevens Huig de Groot, de bladren in te zien: enz.
Wat betreft de gedenkpenningen, tot 's mans eere geslagen, en waarvan wy boven reeds gewag gemaakt hebben; beiden vertoonden zyn borstbeeld, doch in verschillende standen; op de tegenzyde van den eenen, zag men een koffer, indedaad in alles zeer gelykende naar dat welk onder den Heer Mr. Klinkhamer berustende is, en dat wy den Leezer in plaat medegedeeld hebben; op het koffer stonden twee kroonen, verbeeldende die van Frankryk en Zweeden, te kennen geevende zyn vlucht in 't eerstgemelde ryk, en zyn gezantschap ten dienste van het tweede; aan de eene zyde van het koffer vertoonde zig een opgaande zon, en aan de andere zyde, in een flaauw verschiet, het Slot van Loevestein; de opgaande zon verstrekte
"ten zinnebeeld van de vernieuwing zyner tydlyke gelukzaligheid en glorie, als die lang verborgen geweest zynde onder de duisternis van veele rampen, eindelyk te helder weder doorbrak":
De Dichter Duim, laat de flaauwe vertooning van het Loevesteinsche slot, te kennen geeven, dat deszelfs vermogen door de groote Hugo overwonnen is: dus zingt hy, in de bovengenoemde Uitlegging:
Men ziet, aan de eene zyde, een halve opgaande zon, Het slot van Loevestein verflaauwd aan de andre zyde, Ten teken dat zyn glans verryst, en hy verwon Het Loevesteinsche slot, dat hem zyne eer benydde.
Boven aan den rand van deezen penning las men de woorden:
melior post aspera fata resurgo.
Dat is:
Ik kom na myne rampen weder ten voorschyn:
Onder aan stond:
N. 1583. O. 1645.
Dat is:
Geboren in 't jaar 1583, en overleden 1645.
Op den tweeden penning, zag men, gelyk gezegd is, mede 's mans sierlyk borstbeeld, en daar rondsom de volgende woorden:
hugo grotius natus mdlxxxiii, 10 apr. obiit, mdcxlv. 28 augus.
Dat is:
Hugo de Groot, geboren den 10 April 1583, En gestorven den 28 Augustus 1645.
Op de tegenzyde las men, onder drie bloemtrossen, en boven twee lauwertakken, het versje van den Heere Brand, gelyk wy het Bladz. 153 opgegeeven hebben.
Laat ons by dit alles nog eenige weinige regels ten slotte voegen:—de gewoone spreuk van den onstervelyke Hugo was; Ruit Hora, dat is, Het uur snelt voord, welke woorden hem altoos de kostlykheid van den tyd te binnen bragt: hy was gewoon des morgens ten zes uure optestaan: wanneer hy vermoeid was door de studie, las hy iets vrolyks, of onderhield zig met zyne kinderen: Ik heb de genade van God, zeide hy, als ik de sleutel uit myn Comptoir trek, dat ik my van alle ingespannene gedachten ontledig: hy was hartig in 't eeten; hoorde gaarne dat men hem tegensprak: zynen Geheimschryver, den Heer Pels, raadde hy, den bybel te leezen, zonder enige aantekeningen te raadplegen, zeggende: Komt U iets voor, dat gy niet verstaat, leg daar een vouwtje by, en lees voord; het een zal 't ander verklaaren, en God zal u helpen.
Zyne weduwe, de onvoorbeeldige Maria, volgde haaren zaligen Echtgenoot, op de reis naar de eeuwigheid, den 19 April des jaars 1653: haare dochter Cornelia was gehuwd aan den Heere Joan Barton, Graaf van Mombas: behalven deeze dochter, liet onze held na, drie zoonen, Cornelis, Pieter, en Diederik, waarvan de oudste en jongste ongehuwd gestorven zyn; de middenste, door wien het beroemde geslacht van den grooten Hugo voordgeplant is, werd, na in vreemden dienst geweest te zyn, aangesteld tot Pensionaris van Amsteldam; vervolgends bekleedde hy de hooge waardigheid van Afgezant van Hun Hoog Mogende, by de Noordsche Kroonen, en werd daarna Pensionaris en Lid in de Vroedschap van Rotterdam; doch hy heeft ook eindelyk het lot van zyn' vader ondergaan, en buiten zyn vaderland moeten zwerven, tot dat hy, na dat de tyd de benevelde oogen een weinig verklaard had, wederkeerde, en zyn verblyf nam op een buitenplaats naby Haarlem, alwaar hy zyne dagen sleet, in het opvoeden van zyne kinderen en het leezen van goede schryvers: hy overleed in den ouderdom van 70 jaaren.