AANHANGZEL.
Reading edition
Indien wy ons, onder het zamenstellen van de voorgaande bladen, hadden willen bedienen, van eenige papieren, in den tegenwoordigen tyd van beklaagenswaardige verdeeldheid ten voorschyn gebragt, zouden wy menigvuldige trekken hebben kunnen bybrengen, zo wel die den braaven Hugo de Groot ongunstig zyn, als anderen die van zynen lof gewaagen; dan, daar wy het grootste gedeelte van die geschriften houden voor schandzuilen, den lande opgericht, om dat ze hunne geboorte verschuldigd zyn aan eene verfoeijelyke partyzucht, en verdervenden geest van nieuwigheden, hebben wy dezelven allen ter zyde gelegd, als onwaardige werktuigen in de hand van een onpartydigen; 't kan de nagedachtenis van de Groot niet verheerelyken, dat men zyner uitmuntendheid gedenkt, ten koste van de openbaare rust; maar, daar de onlusten binnen de stad Rotterdam voorgevallen, en de gevolgen van dien, de achtbaare Regeering van Amsteldam, onlangs, aanleiding gegeeven hebben, om in den lof van onzen Held uitteweiden, en eenige uitdrukkingen te doen, welken over het geval van dien grooten man, een zeer helder licht verspreiden, hebben wy geoordeeld die lofspraak, en verdere uitdrukkingen, by onze voorgaande beknopte beschryving van 's mans leven te moeten voegen; aangezien dergelyke straatsstukken, schoon niet altoos bevattende onwrikbaare grondslagen, waarop men mag bouwen, of onwederlegbaare regelen, waarnaar men mag oordeelen, echter te stellen zyn, verre boven de verachtelyke papieren waarvan wy boven spraken:—de bedoelde lofspraak is vervat in de volgende woorden, te vinden in de Nadere Aantekening van Amsteldam, ter Staatsvergaderinge van Holland en West-Frieslaand gedaan, op eene Resolutie van den 24 December 1784, concerneerende het onderzoek van het voorgevallene te Rotterdam:
"En dit wel uit denzelven Voortreflyken en by de Natie Hooggeschatten Rechtsgeleerden, Hugo de Groot, op wiens Leer en Gezag de Supplianten van zeker Request, op den 2 December laatstleden aan Hun Ed. Gr. Mog. gepresenteerd, ter adstructie van het Sentiment en Advys van bovengemelde Heeren Gedeputeerdens, zich met zoo veel fiducie beroepen hebben."
"Dat men ten dien einde vooraf moet remarqueren, dat de Memorie, by voorschreve Requeste geallegueert, speciaal was ingerigt, zo als uit de Introductie klaar te zien is, tegen de Hoven van Justitie, dewelke in die ongelukkige tyden van scheuringen en verdeeldheden in kerke en burgerstaat, zich aanmatigden kennis te nemen van dispositien en politique orders, die de Steden goedvonden in den hare te stellen tot conservatie van de Rust en Vrede onder hare Ingezetenen; doch welken de Hoven, door Mandamenten en andere Provisien van Justitie illusoir tragtten te maken."
"Dat men dus in het oog houdende de gelegenheid by welke, en het oogmerk, waar mede voornoemde Heer de Groot dit Advys, in den Jare 1617 heeft gesteld, en het zelve in zyn geheel met oordeel en attentie nalezende, ligt bemerken zal, dat hy daar by niets anders heeft willen betogen, als dat de Hoven van Justitie zich de klagten en quæstien tusschen de Magistraten der Steden en derzelver Ingezetenen over gezegde politique Ordonnantien of Correctien van die Magistraten tot maintien van de publyke rust, niet vermogen aan te trekken, en wel voornaamlyk, dat zulks egter by de Hoven ondernomen wezende, de Staten volkomen bevoegd waren zoodanige quæstien den Hove te onttrekken en aan zich te evoceren, zonder dat daar door enige Privilegien verkort wierden."
En Pag. 150 sprekende van de defecten in de Personen, die gecommitteerd waren geweest tot zyne Rechters, zegt hy:
"dat eerst hier op staat te letten, dat die niet en waren ordinarisse Rechters; indien de Staten Generaal het regt van de Commissie te geven toekwam, (vervolgt hy) waarom en hebben zy daartoe niet gecommitteert den Hoogen of Provincialen Raad van Holland? waarom niet de Raden van Staten, die ordinaris Recht doen uit den naam van de Generaliteit? In alle vrye Regering is hatelyk over het bloed, eer en goed van de Ingezetenen, andere als ordinarisse Rechters te stellen, veel meer, als die Personen, gelyk het meerendeel van deze, niet en zyn in dienst van de Justitie, maar politicque persoonen."
Doch zoo men nog al zoude willen beweren, dat hy, in 1619 gesmaakt hebbende, wat het te zeggen is van zynen dagelykschen Rechter vis factie te werden geëvoceert, van een ander begrip geweest zy, dan in 1617, zal men teffens moeten erkennen, dat hy het slagtoffer van zyn eigen systema is geworden; en dat de violente en onwettige handelwyze omtrent hem en andere beroemde voorstanders der vryheid gehouden, de hooge waarde van de Privilegien de non evocando, zoo wel hebben leeren kennen, dat sints alle tyd elk Liefhebber van het Vaderland een afgryzen van den naam zelfs van gedelegeerde Rechters als aangeboren is; zoo als men ook sedert altoos tegens dergelyke inbreuken en violentien, met de uiterste zorg heeft gevigileert, uitwyzens Hun Ed. Groot Mog. bekende verklaring van den 15 September 1677:
"dat het binnen den Lande van Holland en West Friesland een indisputabel recht is, dat geene Ingezetenen anders dan voor hunnen ordinaris en daaglykschen Rechter mogen te recht gesteld worden."
BERICHT voor den BINDER. De Plaaten te voegen, tegenover Bladz. 70.