DE OERDIEREN (Protozoa).
Reading edition
Het overzicht van het voorafgaande gedeelte van het dierenrijk wordt van het begin af gemakkelijk gemaakt door de omstandigheid, dat men bij die dieren van eene bepaalde richting van het maaksel kan spreken, van een bepaalden bouwstijl, als ik mij zoo mag uitdrukken. De meeste Oerdieren zijn nu wel niet juist vormloos, maar bestaan uit vormen van den meest verschillenden aard; hunne bewerktuiging is veel eenvoudiger en de differentieering van bijzondere organen heeft in merkelijk geringere mate of in het geheel niet plaats. Er blijft ons dus niets anders over dan ons tevreden te stellen met de algemeen aangenomen gewoonte om al deze dieren samen te vatten onder den naam van Oerdieren (Protozoa). Men verstaat hieronder dieren, die in zekeren zin en tot op zekere hoogte blijven staan op eene ontwikkelingstrap, die andere dieren achter zich laten. Op die trap gekomen teelen zij reeds voort en hunne nakomelingen zullen dat ook doen, omdat hun, door het alles beheerschende sarcode (de zelfstandigheid waaruit zij bestaan) of dierlijk protoplasma die plaats is aangewezen.
Onder deze omstandigheden is eene algemeene schildering der Oerdieren onmogelijk. Er behooren, volgens de meening van vele natuuronderzoekers, groote groepen van organismen toe, welker dierlijke natuur door anderen weder betwijfeld wordt. Wij komen dan ook met deze dieren op de grenzen van de plantenwereld, en er is veel over getwist en geschreven of er werkelijk tusschen beide rijken wel grenzen bestaan, dan of niet veeleer wezens van tweeledige natuur of van eenvoudige organisatie den overgang onmerkbaar maken. Er behoeft tegenwoordig niet meer aan te worden getwijfeld, dat zoo’n tusschenrijk bestaat. Wij komen ten slotte bij de studie van deze Protozoën tot het moeielijke onderwerp der oorspronkelijke wording en daarmede zoo goed als aan de grenzen van het daadwerkelijk onderzoek.
[
Inhoud
]