← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 01: De Apen

De Apen (Pitheci). (continued 2)

Reading edition

De nu volgende mededeelingen zijn te danken aan een scheepskapitein, Smit, die drie maanden lang een Orang-Oetan op zijn schip heeft gehad. Zoolang het schip zich in de Aziatische zeeën bevond, huisde de Aap op het dek, dat hij in ’t geheel niet verliet; alleen ’s nachts had hij behoefte aan een beschutte plaats om te slapen. Overdag was de Orang-Oetan buitengewoon vroolijk; hij speelde met andere, kleinere Apen, die zich aan boord bevonden, of maakte luchtreizen in het touwwerk. Hij scheen een bijzonder vermaak te vinden in het klimmen en gymnastiseeren; meermalen per dag hield hij zich er mede bezig, nu eens aan het eene, dan weer aan het andere touw. De behendigheid en spierkracht, welke hij bij deze bewegingen toonde, waren verbazingwekkend. De kapitein had eenige honderden kokosnoten medegenomen; de Aap kreeg er dagelijksch twee van. De buitengemeen taaie, ongeveer 5 cM. dikke bolster van de vrucht, die zelfs met een bijl moeilijk stuk gemaakt kan worden, wist onze Aap met zijn krachtig gebit behendig te verwijderen. Hij greep de noot bij het dunste einde, daar waar zich kleine verhevenheden bevinden, pakte het andere einde met de rechter achterhand en scheurde nu zonder fout den vezeligen bolster vaneen. Daarna boorde hij den vinger door een van de drie dunnere gedeelten, die op de binnenste laag van den bolster zichtbaar zijn, en door het daaronder liggend deel van de kern, dronk de melk uit, sloeg den noot vervolgens tegen een hard voorwerp stuk, en at de kern op.

Ook was hij een liefhebber van zout, vleesch, meel, sago enz.; allerlei listen wendde hij aan, om gedurende den maaltijd een zekere hoeveelheid vleesch meester te worden. Wat hij eenmaal gegrepen had, gaf hij nooit weer terug, zelfs niet, als men hem sloeg. 3 à 4 pond vleesch at hij met gemak bij een maaltijd op. Het meel haalde hij zich iederen dag uit de keuken; altijd wist hij gebruik te maken van een tijdelijke afwezigheid van den kok om de meelton te openen, een flinke handvol meel er uit te nemen, en dit in den mond te stoppen, waarna hij de hand aan zijn kop afveegde, zoodat hij steeds gepoederd van zijn rooftocht terugkeerde. Des Dinsdags en Vrijdags bracht hij, zoodra de etensbel geluid werd, geregeld een bezoek aan de matrozen, omdat deze dan voor hun middagmaal sago met suiker en kaneel kregen. Even geregeld begaf hij zich om 2 uur naar de kajuit om aan den maaltijd deel te nemen. Gedurende het eten hield hij zich zeer bedaard, en was, wat van de andere Apen niet gezegd kan worden, netjes. Nooit heeft hij echter een lepel goed leeren gebruiken. Hij zette het bord eenvoudig aan den mond, en dronk de soep uit, zonder een droppel te morsen. Hij hield veel van alcoholische dranken, en kreeg daarom geregeld des middags een glas wijn. Hij ledigde dit op een zeer eigenaardige wijze. Van zijne onderlip kon hij, door haar vooruit te steken, een meer dan 7 cM. langen en bijna even breeden lepel vormen, ruim genoeg om een geheel glas water te bevatten. In dezen lepel goot hij den wijn, na er vooraf zorgvuldig aan geroken te hebben; nooit dronk hij, zonder den onderlip op de genoemde wijze vooruit te steken. Den wijn liet hij vervolgens zeer voorzichtig en langzaam tusschen de tanden door naar binnen vloeien, alsof hij het genot er van zoo lang mogelijk wilde doen duren. Daarna hield hij zijn glas opnieuw bij, om zich nogmaals te laten inschenken. Nooit brak hij iets, altijd zette hij breekbare voorwerpen voorzichtig neder, juist het tegendeel van hetgeen men in den regel bij de Apen opmerkt.

Bij geen enkel apengeslacht zijn de voorste ledematen zoo sterk ontwikkeld als bij de Gibbons of Langarm-apen (Hylobates). Zij dragen hun naam met het volste recht, want de boven alle gewone afmetingen verlengde armen bereiken, wanneer het dier rechtop staat, den bodem. Dit eene kenmerk zou voldoende zijn om de Langarm-apen van alle overige leden der orde te onderscheiden.

De Gibbons vormen het soortenrijkste geslacht van de Mensch-apen; men kent er niet minder dan zeven soorten van. Allen zijn bewoners van Azië, en behooren uitsluitend thuis in Voor- en Achter-Indië en op de Groote Soenda-eilanden: Sumatra, Java en Borneo. Deze Apen bereiken een vrij aanzienlijke grootte, ofschoon geen enkele van hen meer dan 1 M. hoog wordt. Hun lichaam heeft, ondanks de sterke, gewelfde borst, een zeer slank voorkomen, omdat het in de lendenstreek, evenals bij de Windhonden, verschraald is. De achterste ledematen zijn aanmerkelijk korter dan de voorste; de lange achterhanden onderscheiden zich bij één soort (de Siamang) bovendien, door het onderling vergroeid zijn van de onderste helften der op een na binnenste en middelste teenen. De kop is klein en eivormig, het aangezicht menschachtig. De eeltplekken op het zitvlak zijn klein; de staart is uitwendig niet zichtbaar. Een dichte, dikwijls zijdeachtig zachte vacht bedekt hun lichaam; zijne hoofdkleuren zijn zwart, bruin, bruinachtig grijs en stroogeel. Alle Gibbons hebben een buitengewoon luide stem; vooral in de morgenuren schreeuwen zij veel.

Van de tot dusver bekende soorten van Langarm-apen zijn vooral merkwaardig: De Siamang (Hylobates syndactylus), de Hulock (H. hulock), de Lar of Withandige Gibbon (H. lar), de Oengko (H. rafflesii) en de Wouwou of Oa (H. variegatus). De grootste van deze is de Siamang, die een donkerzwart, zacht haarkleed heeft, en een keelzak, die bij het schreeuwen opzwelt en het geluid versterkt. Sumatra is zijn vaderland. De iets kleinere Hulock is, met uitzondering van een witte streep over het voorhoofd, meestal zwart; van deze soort komen echter lichter gekleurde verscheidenheden voor. Hij heeft geen keelzak en bewoont Voor- en Achter-Indië. Nog veranderlijker van kleur is de zeldzamere, op Sumatra inheemsche Oengko, die tot op 1000 M. hoogte in de bosschen van het gebergte (nevens den Siamang) voorkomt. De Wouwou eindelijk heeft een blauwachtig zwart gelaat, de kop, de buik en de binnenzijde van de armen en beenen zijn donkerbruin, de overige lichaamsdeelen lichter van kleur; hij leeft evenals de Lar op het Maleische schiereiland, en wordt ook op Sumatra gevonden. De geheele lichaamsbouw van de Langarm-apen maakt hen voor ’t klimmen geschikt. Zij hebben iedere eigenschap, die voor snelle, langdurige klim- en sprongbewegingen vereischt wordt. De breede en diepe borst bevat de noodige ruimte voor de groote longen, die niet vermoeid worden, den arbeid niet staken, als de snelle voortbeweging den kringloop van het bloed bespoedigt; de krachtige achterste ledematen ontwikkelen de veerkracht, welke voor verre sprongen vereischt wordt; de lange armen verschaffen de zekerheid, dat de afgelegen tak, die zoo aanstonds de taak van het tegenwoordige steunpunt zal overnemen, bereikt zal worden; kortere armen zouden het doel licht missen. Hoe lang deze armen in verhouding tot het overige lichaam zijn, blijkt vooral, wanneer men ze met die van den mensch vergelijkt. Bij ons komt, zooals bekend is, de afstand tusschen de middelvingertoppen der zoover mogelijk zijwaarts gestrekte armen met de lichaamslengte overeen; bij den Gibbon is zij het dubbele daarvan. Een rechtopstaand mensch bereikt met zijne slap afhangende armen niet eens de knieën, de Gibbon reikt er mede voorbij de enkels. Dat zulke voorste ledematen nagenoeg ongeschikt zijn om er op te loopen, is even licht in te zien, als hunne uitstekende geschiktheid voor ’t klimmen. De gang van den Gibbon is dan ook een hoogst gebrekkig waggelen op de achterpooten, een onbeholpen voortschuiven van het lichaam, dat slechts door de uitgestrekte armen in evenwicht kan worden gehouden. Hun klimmen en huppelen in de boomen echter is een prachtige, vervroolijkende beweging; ’t is alsof haar geen grenzen gesteld zijn, alsof de zwaartekracht haar geen belemmeringen in den weg legt. De Gibbons op den grond zijn langzaam, onbeholpen, onbehagelijk—kortom stumperachtig; tusschen de takken zijn zij juist het tegendeel van dit alles; men zou ze vogels in apengedaante kunnen noemen. De kunstverrichtingen van de Langarm-apen in de boomen worden door allen, die er getuige van geweest zijn, eenstemmig bewonderd.

Met ongeloofelijke snelheid en behendigheid beklimt de Wouwou, volgens Duvaucel, een bamboesstengel, een boomtop of een tak, slingert hiermede eenige malen op en neer of heen en weer, en overspringt nu, geholpen door de veerkracht van den terug zwaaienden tak, tusschenruimten van 12 of 13 meter, drie, vier malen achtereen, met zooveel gemak dat men geneigd zou zijn deze beweging te vergelijken met die van een pijl, of van een in schuinsche richting naar beneden schietenden vogel. ’t Is, alsof men het hem kan aanzien, dat het bewustzijn van zijne onnavolgbare vlugheid, hem een groot genoegen verschaft. Zonder noodzakelijkheid springt hij over tusschenruimten, die hij door een kleinen omweg gemakkelijk zou kunnen vermijden, verandert van richting gedurende den sprong, en blijft, zoodra hij dit wenscht, aan den eersten den besten tak hangen, schommelt en wiegelt er aan, beklimt hem schielijk, laat hem op en neer veeren, en stort er zich weer van af in de lucht, met nooit missende gewisheid naar een nieuw doel strevend. Het is, alsof dit dier tooverkrachten bezit, en zonder vleugels te hebben, toch vliegen kan; hij leeft meer in de lucht dan op de takken. Waartoe zou een met zulke begaafdheden uitgerust wezen de aarde noodig hebben? De aarde blijft dezen luchtbewoner vreemd, hoogstens biedt zij hem een lavenden dronk, voor ’t overige stoot zij hem terug in het rijk der lucht. Hier vindt hij zijn woning, hier geniet hij rust, vrede en veiligheid; hier is het hem mogelijk, iederen vijand te trotseeren en te ontvluchten; hier kan hij leven, zich opwindend door snelle beweging.

Aan het nagaan van de levenswijze dezer dieren in de vrije natuur zijn groote bezwaren verbonden, omdat bijna alle soorten den mensch schuwen en slechts zelden de open plaatsen in het bosch naderen. Alleen een goede verrekijker—een onmisbaar hulpmiddel bij het waarnemen van het leven in vrijen toestand van alle schuwe dieren—kan den voorzichtigen onderzoeker de gelegenheid verschaffen, eenige van hunne handelingen te bespieden. Zoo zag men, dat de moeders hare jongen naar den rivieroever droegen, om ze in weerwil van hun schreeuwen te wasschen, dat zij ze daarna afwischten en droogden, kortom zooveel werk van hun reiniging maakten, als slechts in gunstige gevallen aan menschenkinderen wordt besteed.

Bij zonsop- en zonsondergang vereenigen zij gewoonlijk hunne luidklinkende stemmen tot zulk een vreeselijk geschreeuw, dat men er door verdoofd zou worden, als men zich in hun nabijheid bevond, en dat iemand, die aan deze zonderlinge muziek niet gewoon is, er waarlijk van schrikt. Zij zijn de Brulapen van de Oude Wereld, de morgenwekkers van de Maleische bergbewoners en tevens een bron van ergernis voor de stedelingen, wie zij het verblijf in hunne villa’s verbitteren. Het heet, dat men hun geschreeuw op een afstand van een Engelsche mijl hooren kan. Ook van gevangene Langarm-apen heeft men het dikwijls gehoord: van hen die keelzakken hebben, even goed als van die, welke deze trommels tot versterking van de stem missen. Een goede opmerker, Bennett, bezat een levenden Siamang, en zag, dat deze, als hij door de een of andere oorzaak opgewonden was, telkens de lippen bij wijze van een trechter vooruitstak, daarna lucht in de keelzakken blies, en nu er op loskraaide, ongeveer als een Kalkoen. Hij schreeuwde zoowel als hij in vroolijke, als wanneer hij in toornige stemming verkeerde. Ook het Oengko-wijfje te Londen maakte een druk gebruik van hare stemorganen; zij deed dit echter op een hoogst eigenaardige, muzikale wijze. Men zou haar geschreeuw zeer goed op noten kunnen zetten. Het begon met den grondtoon E, en steeg daarna bij halve tonen een volle octaaf hooger, langs de chromatische toonladder. De grondtoon bleef steeds hoorbaar en diende als voorslag voor elke volgende noot. Bij het opklimmen van de toonladder, volgden de afzonderlijke tonen al langzamer en langzamer op elkander, bij het afdalen echter sneller en ten slotte buitengewoon snel. Steeds was het slot een gillend geluid, dat met groote kracht uitgestooten werd. De regelmatigheid, snelheid en toonvastheid, waarmede het dier de toonladder uitschreeuwde, wekte algemeene bewondering.

Over de geestvermogens van de Langarmige apen zijn de meeningen der onderzoekers verdeeld. Duvaucel noemt den Siamang langzaam, dom, onbeholpen, lui, onhandig, vreesachtig en vervelend, onverschillig tegenover zijne verzorgers en onvatbaar voor welwillende, zoowel als voor wraakzuchtige gevoelens. Forbes daarentegen roemt zijne tembaarheid en aanhankelijkheid. „De aardige, liefkoozende wijze, waarop hij zijne lange armen om mijn hals, en zijn kop aan mijn borst legde, terwijl hij een tevreden gebrom liet hooren, zou iedereen bekoord hebben.” Ook Bennett oordeelt gunstiger. De Siamang, dien hij naar Europa trachtte over te brengen, verwierf zich in korten tijd de genegenheid van al zijne menschelijke reisgezellen. Tot droefheid van de bemanning stierf dit dier nog voor zijn aankomst in Engeland. Zelden ziet men de Gibbons in gevangen staat, zelfs in hun vaderland. Zij kunnen het verlies van hun vrijheid niet verdragen, verlangen steeds naar hunne bosschen en spelen terug, en worden voortdurend stiller en treuriger, totdat zij eindelijk bezwijken.

Lar of Withandige Gibbon (Hylobates lar). 1⁄7 v.d. ware grootte.
Lar of Withandige Gibbon (Hylobates lar). 1⁄7 v.d. ware grootte.

Lar of Withandige Gibbon (Hylobates lar). 1⁄7 v.d. ware grootte.

De tweede onderfamilie van de Smalneuzen wordt gevormd door de Honds-apen (Cynopithecini). Zij is gekenmerkt door het sterker vooruitsteken van den snuit, hetgeen vooral bij de lager ontwikkelde geslachten bemerkbaar is, de geringere lengte der armen, het veelvuldig aanwezig zijn van een staart en van wangzakken en het geregeld bezit van eeltplekken aan het zitvlak. Voor het overige is hun lichaamsbouw zeer ongelijk, want alle overgangen van de slanke gestalte der Slankapen tot den loggen lichaamsvorm der Hondskop-apen of Bavianen komen voor. Zij zijn verbreid over de tropische gewesten van de Oude Wereld, vooral over Indië van den Himalaja af, Achter-Indië, Cochin-China, den Maleischen Archipel, het zuiden van Arabië en geheel Afrika met uitzondering van de oostelijke gedeelten van de Sahara. Zij behooren tot de levendigste en bewegelijkste vertegenwoordigers der Apenorde, zijn schrander, doch voor ’t meerendeel ook boosaardig en onwelvoeglijk. Bijna overal waar zij voorkomen, worden zij in meerdere of mindere mate schadelijk, daar zij plantages en tuinen op de onbeschaamdste wijze plunderen. Hier en daar worden zij ook wegens hunne boosaardige hartstochten gevreesd. Bij eenige volken hebben zij zich de grootste verachting op den hals gehaald; bij andere staan sommige dezer dieren in een reuk van heiligheid.

Het eerste geslacht, dat wij behandelen zullen, omvat de Slankapen (Semnopithecus). Deze zijn, zooals hun naam aangeeft, slanke en rank gebouwde Apen met lange, fijne ledematen en zeer langen staart, kleinen, hoogen kop, onbehaard gelaat en korten snuit met kleine wangzakken. Hunne eeltplekken zijn zeer klein. Aan den achtersten waren kies hebben zij vijf knobbels; hun geraamte herinnert door zijne slanke vormen aan dat van de Gibbons. Aan de handen komen lange vingers voor, maar de duim van de voorhanden is klein, bij sommige zelfs rudimentair, voor ’t grijpen ongeschikt, geworden. Hun beharing is bewonderenswaardig fijn, hun kleur steeds bevallig, bij één soort hoogst eigenaardig; dikwijls zijn de kopharen buitengewoon lang.

Het vastland van Zuid-Azië, Ceylon en de eilanden van den Indischen archipel vormen het vaderland van de Slankapen. Hier leven zij, tot meer of minder talrijke troepen vereenigd in de bosschen, liefst in de nabijheid van rivieroevers, niet minder gaarne echter in de nabijheid van dorpen en plantages. Zij leiden, daar zij bijna overal ontzien worden, een zeer genoeglijk leven.

Van de Slankapen verdient in de eerste plaats vermeld te worden de Hoelman, Hamman of Hanoeman, zooals de Hindoes hem noemen, de Heilige Aap der Indiërs (Semnopithecus entellus). Hij is de veelvuldigst voorkomende Aap van Voor-Indië en over de meeste districten van den Himalaja tot Kaap Comorin verbreid. Zijn verbreidingsgebied wordt voortdurend grooter, daar men hem niet slechts beschermt en verwent, maar ook in sommige gewesten invoert. Hij bereikt een lengte van 1.57 à 1.72 M., waarvan 97 cM. op den in een haarkwast eindigenden staart komen. Hij is geelachtig wit behaard, de naakte lichaamsdeelen zijn donker violet. Het gelaat, de handen en voeten, voor zoover zij behaard zijn en de stijve kam van vooruitstekende haren, die boven de oogen aanwezig is, zijn zwart; de korte baard is geelachtig van kleur.

De Hoelman neemt niet de laagste plaats in onder de tallooze godheden van de Hindoes, en verheugt zich reeds sedert ondenkbare tijden in deze eer. De reus Ravan roofde, volgens de oud-Indische sage, Sita, de gemalin van Schri-Rama, en bracht haar naar zijn woning op het eiland Ceylon; de Koning der Apen echter bevrijdde de dame uit haar gevangenschap en voerde ze naar haar gemaal terug. Ook hielp hij Rama bij de verovering van Ceylon. Sedert dien tijd wordt hij als held vereerd. Veel wordt er verteld van zijne geestkracht en vlugheid. Een der meest geschatte vruchten, de mango, heeft men aan hem te danken; hij stal haar uit den tuin van den reus. Tot straf voor dezen diefstal werd hij tot den vuurdood veroordeeld—door wie, meldt de historie niet—; hij echter bluschte het vuur, maar verbrandde zich daarbij het gelaat en de handen, die sedert dien tijd zwart zijn gebleven. Om al deze redenen hebben de Brahminen hem vergood.

Reeds sedert vele jaren heeft men de levenswijze van dezen Aap in zijn vaderland nagegaan. Maar, hoe vreemd dit ook schijne, juist daarom zijn wij het laatst met hem bekend geworden. Men meende, dat zulk een algemeen voorkomend dier wel dikwijls naar Europa gebracht zou zijn, en verzuimde daarom, onzen Hoelman op te stoppen en het opgezette dier naar Europa te zenden. Hier komt nog bij, dat er bezwaren of liever gevaren aan verbonden zijn, het heilige dier te dooden; want alleen de Maratten bewijzen hem geen achting, terwijl bijna alle overige Indiërs hem verzorgen en een schuilplaats verleenen, beschermen en verdedigen, zooveel zij maar kunnen. Een Europeaan, die het waagt, het onschendbare dier aan te grijpen, stelt zijn leven op het spel, wanneer hij de eenige blanke onder de licht opgewonden menigte is. De Aap wordt immers heilig geacht. Een regeerend vorstenhuis beweert van hem af te stammen, en de leden er van dragen den titel „Rama met den staart”, omdat hun stamvader, naar zij beweren, gezegend was met het voor ons onnoodige aanhangsel. Een Portugeesch onderkoning van Indië, Constantino de Braganza, maakte een Apentand buit uit den schat van een Ceylonsch vorst en ontving kort daarna een gezantschap van den koning van Pegu, die hem 300.000 cruzaden liet aanbieden in ruil voor de kostbare reliquie. Waarschijnlijk is er nog nooit zoo’n hooge som voor een tand geboden; des te meer verwondering zal het wekken, dat het bedoelde bod door de Europeanen afgeslagen werd. De onderkoning raadpleegde zijne raadslieden; deze waren natuurlijk voor ’t meerendeel van oordeel, dat het geld aangenomen moest worden; een hunner, een priester kwam hier tegen op, omdat, naar hij beweerde, de heidensche begrippen over tooverij en ander bijgeloof door zulk een handel veld zouden winnen; het gelukte den ijveraar zijn meening ingang te doen vinden. Dat de vorst van Pegu zijn wensch niet vervuld zag, laat ons koud; te bejammeren is het echter dat het niet toestaan van zijn verzoek gevolgd werd door het te loor gaan van een gedenkstuk, dat voor de geschiedenis van de Indische godenleer, en ook voor de natuurlijke geschiedenis, belangrijk geweest zou zijn. Naar dezen enkelen tand zou men zeer goed hebben kunnen bepalen, van welken Aap dit kostbaar kleinood een lichaamsdeel was.

In onzen tijd wordt aan het heilige dier dezelfde achting bewezen als vroeger. De Indiërs laten den onbeschaamden gast rustig hunne tuinen plunderen en hunne huizen leeg stelen, zonder er iets tegen te doen; zij kijken ieder, die het waagt, den Aap kwaad te doen, met scheele oogen aan. Toen een jonge Hollander, die eerst kort te voren uit Europa was gekomen, van uit zijn venster een van deze Apen had doodgeschoten, ontstond hierover, gelijk Tavenier verhaalt, zulk een groote opschudding onder de inboorlingen, dat het bijna niet mogelijk was, er een einde aan te maken. Allen zeiden onmiddellijk den Hollander den dienst op in de vaste overtuiging dat de gepleegde heiligschennis voor den vreemdeling, en misschien ook voor hen, vreeselijke gevolgen zou hebben.—Duvaucel bericht, dat het hem in den eersten tijd onmogelijk was, een van deze Apen te dooden, omdat de inboorlingen dit steeds verhinderden.—Forbes verzekert, dat er in Duboy evenveel Apen als menschen wonen. De Apen bewonen er de bovenste verdieping van de huizen. De vreemdelingen hebben veel last van deze dieren. Als een bewoner van genoemde stad zich wil wreken op zijn buurman, strooit hij rijst of ander graan op diens dak, liefst kort voor den aanvang van het regenseizoen, wanneer alle eigenaars van huizen zorgen moeten, dat het dak in goeden toestand verkeert. Zoodra de Apen het voor hen bestemde zien, maken zij zich meester van al wat zij er van machtig kunnen worden; hunne begeerigheid gaat zoo ver, dat zij de dakbedekking vernielen, om de korrels te kunnen vergaren, die in de spleten gevallen zijn. Daar in den genoemden tijd alle werklieden het zeer volhandig hebben, en er dus geen hulp te krijgen is voor het herstellen van het dak, zal de bewoner veel last hebben van lekkage, en daardoor groote schade lijden. Niet alleen voor de gezonde, ook voor de zieke Apen wordt goed gezorgd. Tavernier vond in Ahmadabad een ziekenhuis, waarin Apen, Runderen enz. verpleegd werden. Op alle platte daken worden van tijd tot tijd rijst, gierst, dadels en andere vruchten en suikerriet voor de Apen neergelegd. De Apen zijn zoo brutaal, dat zij niet slechts de tuinen plunderen, maar ook omstreeks het etensuur het huis binnendringen, en de spijzen onder de handen der menschen wegrooven. De zendeling John verzekert, dat het hem groote moeite heeft gekost, zijne kleederen en andere zaken voor deze dieren te beveiligen.—Zeer waarschijnlijk hangt de eerbied, die aan de Apen betoond wordt, met het geloof aan de zielsverhuizing samen. De Hindoes gelooven n.l., dat hunne zielen zich na den dood het lichaam van deze Apen tot woonplaats kiezen.

Hun onbeschaamdheid daargelaten, is er alle reden om deze dieren aantrekkelijk en bevallig te noemen. John zegt uitdrukkelijk, dat hij nooit mooier Apen heeft gezien dan de Hoelmans. Iedereen wordt getroffen door de vriendschappelijkheid, welke zij elkander betoonen, en verbaast zich over hunne reusachtige sprongen.

Het geslacht der Slankapen bevat nog andere merkwaardige leden. Een zeer sierlijke Aap is de Boedeng der Javanen (Semnopithecus maurus). In volwassen staat is hij zwart; het aangezicht en de handen hebben den glans van fluweel, de rug is zijdeachtig. Het kophaar vormt een eigenaardige muts, die over het voorhoofd afhangt en aan weerszijden van den kop langs de wangen vooruitsteekt. Pasgeboren jongen zijn goudgeel van kleur, alleen aan het onderste gedeelte van den rug, aan de bovenzijde van den staart en aan den staartkwast zijn de bovenste gedeelten der haren donkerder. Weldra echter breidt de zwarte kleur zich verder en verder uit, binnen eenige weinige maanden zijn de handen, de bovenzijde van den kop en de staartkwast zwart geworden, en van nu af wordt de vacht allengs gelijk aan die van het oude dier. De lengte van dezen fraaien Aap bedraagt nagenoeg 1.5 M., waarvan meer dan de helft op den staart komt.

Hoelman (Semnopithecus entellus) 1⁄10 v.d. ware grootte.
Hoelman (Semnopithecus entellus) 1⁄10 v.d. ware grootte.

Hoelman (Semnopithecus entellus) 1⁄10 v.d. ware grootte.

„De Boedeng”, zegt Horsfield, „komt in de uitgestrekte bosschen van Java zeer veelvuldig voor. In talrijke gezelschappen vindt men hem op de toppen der boomen, niet zelden meer dan 50 exemplaren bijeen. Men doet wel, zulke troepen op eenigen afstand te beschouwen. Bij de nadering van menschen beginnen zij luid te schreeuwen, en springen onder een oorverdoovend geraas zoo woedend in de boomkroon rond, dat er dikwijls dikke stukken dood hout afbreken en op hunne vervolgers vallen.”

De gevangene Boedeng heeft een stil, zachtaardig en lijdend voorkomen. In Antwerpen was er een in gezelschap van kleine Meerkatten en Makaken, die hem onophoudelijk plaagden en kwelden, zonder dat het in hem opkwam, zich te verweren. Het maakte een comischen indruk, dezen grooten Aap naar de pijpen te zien dansen van een nauwelijks één jaar ouden Meerkat, die hem door stompen en oorvegen, door knijpen en aan ’t haar trekken op de jammerlijkste wijze tyranniseerde. Het bleek duidelijk, dat goedaardigheid den grondtrek van het karakter van den Boedeng uitmaakt; hij mist geheel en al de laaghartigheid, die andere leden der orde zoo zeer kenmerkt.—Ook de Boedeng heeft, naar het schijnt, veel te lijden van ons klimaat. Het is hem aan te zien, hoeveel goed het hem doet, als hij zich in het zonnetje mag koesteren, hoe gelukkig hij is, wanneer een blik van de levenwekkende dagvorstin, welker gloed aan zijn rijk gezegend vaderland alle pracht en heerlijkheid der keerkringslanden verschaft, op hem valt.

Van de eigenlijke Slankapen wordt tegenwoordig een soort afgescheiden, die duidelijk kenbaar is aan zijn vreemdsoortigen neus; het is de op Borneo levende Neusaap of Kahau (Nasalis larvatus). Over het geheel heeft dit zonderlinge dier denzelfden lichaamsbouw als de Slankapen: de vooruitstekende, misvormde menschenneus echter, die als een slurf bewogen, uitgestoken en teruggetrokken kan worden, verleent hem een hoogst eigenaardig voorkomen. Het lichaam is slank, de staart zeer lang; de voorste en achterste ledematen zijn ongeveer van gelijke lengte; wangzakken ontbreken. De neus hangt haakvormig over de bovenlip heen, is in het midden tamelijk breed, aan den top toegespitst en langs den rug met een ondiepe groeve voorzien; de neusgaten zijn zeer groot, en kunnen nog zeer sterk uitgezet worden. Bij jonge dieren is het later zoo merkwaardig ontwikkelde zintuig nog klein en stomp. Volgens C. Bock bereikt het alleen bij de mannetjes op lateren leeftijd de eigenaardige, aanzienlijke grootte, niet echter bij de wijfjes. De beharing is dicht en zacht; aan de kruin zijn de haren kort en talrijk, aan de zijden van het gelaat en aan het achterhoofd langer; aan den hals vormen zij een soort van kraag. De kleur van dezen Aap is tamelijk bont; de volwassen mannetjes zijn ongeveer 1.5 M. lang; de staart is een weinig langer dan de kop met den romp te zamen genomen. De wijfjes zijn kleiner.

Neusaap of Kahau (Nasalis narvatus). 1⁄10 v.d. ware grootte.
Neusaap of Kahau (Nasalis narvatus). 1⁄10 v.d. ware grootte.

Neusaap of Kahau (Nasalis narvatus). 1⁄10 v.d. ware grootte.

De levenswijze van deze op boomen gezellig levende dieren is nog slechts zeer onvolledig bekend. Volgens Wurmb verzamelen zij zich des morgens en des avonds tot talrijke scharen, die een gehuil aanheffen, waarvan hun naam een nabootsing is.

Ook de Afrikaansche verwanten van de Aziatische Slankapen, de Kortduim-apen (Colobi), zijn zeer in ’t oog loopende dieren, die zich door een eigenaardige kleur, zonderlinge, maar fraaie manen en andere haarwoekeringen onderscheiden. Evenals Indië meer leven en rijkdom vertoont dan het droge Afrika, zoo zijn ook de Slankapen helderder en vroolijker van kleur dan de Kortduimapen, hoewel men niet zeggen kan, dat deze minder schoon zijn, een minder aangenamen indruk maken op ons oog dan gene. Over ’t geheel zijn de kenteekenen, waardoor deze beide groepen van elkander verschillen van zeer geringe beteekenis. De Kortduimapen onderscheiden zich van de Slankapen vooral hierdoor, dat zij aan de voorhanden nevens de vier vingers slechts een kort stompje hebben, ter plaatse waar de duim verwacht kon worden. De romp van de Kortduimapen is nog steeds slank en sierlijk gebouwd, de snuit kort, de staart zeer lang; de schrale ledematen evenaren elkander in lengte; de wangzakken ontbreken.

De eereplaats in deze diergroep komt toe aan den Guereza (Colobus guereza); ontegenzeggelijk is hij de schoonste van alle Apen. Zijn kleur maakt een hoogst aangenamen indruk; zijn haarkleed is zoo eigenaardig en tevens zoo sierlijk, dat misschien geen ander dier hem in dit opzicht overtreft. De Duitsche reiziger Rüppell vond dit wonderschoone wezen gedurende zijn reis in Abessinië in de provincie Godscham; aan den naam dien het dier daar draagt, heeft hij den naam ontleend, waarmede het in de wetenschappelijke werken wordt aangeduid. Eigenlijk was deze aap al vroeger bekend; Hiob Ludolf vermeldt hem in een zeer belangrijk werk over Ethiopië; Rüppell echter was de eerste natuuronderzoeker, die den Guereza levend leerde kennen en op eigen ervaringen gegronde mededeelingen over hem kon geven. Later waren ook andere reizigers hiertoe in staat. Terwijl ik mij in de nabijheid van den benedenloop van den Witten Nijl bevond, zag ik een als tabakszak dienend vel van dit dier in de handen van een Hassanie, die mij vertelde, dat het in verder zuidwaarts gelegen gewesten niet zeldzaam is. Ook Heuglin heeft dezen Aap in Abessinië en bij den Witten Nijl dikwijls ontmoet, en uit betrouwbare bron vernomen, dat hij ook in andere Afrikaansche landen inheemsch is. Dat zijn verbreidingsgebied veel uitgestrekter is, dan vroeger aangenomen werd, bleek, toen Thomson hem in Massai-land vond, en Johnston en Hans Meijer berichtten, dat hij niet alleen op den Kilima-Ndscharo op ongeveer 1000 M. hoogte, maar ook, en zelfs vrij veelvuldig, verder zuidwaarts in het landschap Kahe aangetroffen wordt. Van de bekoorlijkheid van den Guereza kunnen afbeeldingen en beschrijvingen natuurlijk slechts een onvolkomen denkbeeld geven: Op het fluweelachtig zwarte lichaam maken de wit behaarde gedeelten van de huid (een dwarsstrook boven de oogen, de slapen, de zijden van den hals, de kin, de keel, een strook langs de zijden en om de naakte eeltplekken, het uiteinde van den staart) een prachtig effect. Ieder wit haar is echter met een groot aantal bruine ringetjes geteekend, waardoor het geheel den indruk maakt van zilvergrijs te zijn. De manen (zoo zal ik de lange haren van de zijden des lichaams maar noemen) hangen als een kostbare Bedoeïnen-mantel naar beneden, en vormen een zeldzaam schoon sieraad van de vacht.

De jacht op den Guereza biedt groote bezwaren aan. Op de hooge kruinen zijner lievelingsboomen is hij voor de listen der menschen tamelijk veilig. Met een met hagel geladen geweer kan men het sterke, taaie dier wel wonden, maar dan heeft men het nog niet in handen; met meer succes gebruikt een geoefend jager de buks. Gelukkig kunnen de inboorlingen met dit wapen niet goed omgaan; anders zouden de Abessiniërs het schoone dier misschien uitgeroeid hebben. In vroegere tijden werd het ijverig vervolgd. Het gold voor een bijzondere onderscheiding een schild te bezitten, dat met een vel van dezen Aap versierd was. De schilden der Abessiniërs en van andere volksstammen in Oost-Afrika zijn langwerpig rond en van Antilopen-, soms ook wel van Nijlpaardenleer vervaardigd; zij worden op zulk een wijze met het vel van den rug en van de zijden van den Guereza bekleed, dat de manen er een gordel omheen vormen.

In Gondar, de hoofdstad van Abessinië, werd vroeger voor zulk een vel een speciedaalder betaald, een som waarvoor men 5 of 6 vette Schapen kon bekomen. Tegenwoordig is de prijs van dit sieraad belangrijk lager; de hierboven beschreven schilden worden gelukkig niet meer gebruikt;—gelukkig, zeg ik, omdat hierdoor, naar ik hoop, de zoo bekoorlijke Guereza, voorloopig althans, het lot ontgaan zal, waarmede de vernielingswoede van den mensch overal „zijne eerst-geboren broeders” bedreigt.

Guereza (Colobus guereza). 1⁄10 v.d. ware grootte
Guereza (Colobus guereza). 1⁄10 v.d. ware grootte

Guereza (Colobus guereza). 1⁄10 v.d. ware grootte

Slechts tweemaal zijn, voor zoover mij bekend is, Guereza’s levend naar Europa gebracht.

Andere leden van hetzelfde geslacht zijn de Beerachtige Kortduimaap (Colobus ursinus) en de Duivelsaap (Colobus satanas). De eerstgenoemde verschilt van den Guereza door het gemis van de witte manen, door de langere beharing van het lichaam en door den bijna pluimloozen staart. Hij bewoont Opper-Guinea en Fernando-Po. De Duivelsaap is eenkleurig zwart, en wordt hoofdzakelijk op Fernando-Po gevonden.

*

Afrika is het vaderland zoowel van de grootste, de schranderste en de leelijkste Apen van de Oude Wereld, als ook van de schoonste, de sierlijkste en de gezelligste leden van deze diergroep. Tot dezen behooren ongetwijfeld de Apen, die bij ons onder den naam „Meerkatten” bekend zijn, en die het geslacht Cercopithecus vormen. Sommige leden van dit geslacht komen ons in iederen dierentuin of in ieder beestenspel vaak genoeg onder de oogen; ook treft men ze niet zelden aan als vroolijke huisgenooten van dierenvrienden. De benaming „Meerkat”, die reeds in de 16e eeuw voorkomt, is door zoogenoemde volks-etymologie uit het Indische woord markata ontstaan, dat ook thans nog gebezigd wordt tot aanduiding van den Bonder. Natuurlijk staat onze Aap zoo min tot het „meer” als tot de „kat” in eenige betrekking. Hij bewoont de tropische gewesten van Afrika, wordt echter alleen op het vastland, niet op de eilanden aangetroffen. Waar ongerepte wouden zijn, komen ook de Meerkatten in grooten getale voor. Verscheidene soorten krijgen wij zoowel uit het oostelijke, als uit het westelijke en uit het centrale gedeelte van het donkere werelddeel; de meesten echter komen uit West-Afrika; tamelijk vele ook uit Abessinië en uit de landen, die tot het stroomgebied van den Boven-Nijl behooren.

Zij onderscheiden zich door een vlugge en sierlijke gestalte, slanke ledematen, fijne, korte handen met langen duim, bovendien door een langen staart zonder kwast aan de spits; zij hebben wijde wangzakken en groote eeltplekken aan het zitvlak. Hunne kleuren zijn meestal tamelijk levendig, bij enkele soorten zelfs bont en dikwijls recht aangenaam. Men kent er ongeveer 20 soorten van. In de Nijllanden vindt men ze eerst op lagere breedtegraden dan 16° N.-B.; in het westen en oosten verbreiden zij zich tot aan de zeekust. Vochtige of althans door rivieren besproeide bosschen worden door hen steeds verkozen boven droge bergstreken; in de nabijheid van bebouwde velden vestigen zij bijzonder graag hun woonplaats. Men kan er stellig op rekenen daar, waar men in Afrika Papegaaien vindt, ook Meerkatten te zullen ontmoeten; omgekeerd treft men waarschijnlijk Papegaaien aan daar, waar Meerkatten inheemsch zijn.

De Meerkatten behooren tot de gezelligste, vlugste, vroolijkste Apen. Bijna altijd vindt men ze in vrij groote troepen bijeen; afzonderlijk levende familiën komen bijna niet voor. Vermakelijk is het, een bende van deze dieren in ’t bosch waar te nemen. Er komt geen einde aan ’t leven maken, schreeuwen en vechten, aan ’t boos worden en zich weder verzoenen, aan ’t klimmen en loopen, aan ’t rooven en plunderen, aan de grimassenmakerij en aan de lichaamsverdraaiingen. Zij vormen een staat op zichzelf, en erkennen geen anderen heer boven zich dan de sterkste hunner soortgenooten; zij weten van geen recht, dan dat, hetwelk door de scherpe tanden en de krachtige handen van den ouden Apenpatriarch geoefend wordt; zij achten geen gevaar mogelijk, waaraan zij niet zouden kunnen ontkomen; zij schikken zich in alle omstandigheden, vreezen geen gebrek of nood, en slijten zoo hun leven in voortdurende opgewondenheid en vroolijkheid. Zij zijn gekenmerkt door een grenzelooze lichtzinnigheid, gepaard aan een potsierlijken ernst; met beiden beginnen en voleindigen zij al hunne ondernemingen. Voor hen is geen doel te veraf, geen top te hoog, geen schat veilig genoeg, geen eigendomsrecht heilig. Het behoeft ons derhalve niet te verwonderen, dat de inboorlingen met grenzelooze verachting en met toorn over hen spreken; evenmin kan het ons bevreemden, dat de toeschouwer, die geen schade lijdt, ze als hoogst vermakelijke wezens aanmerkt.

Het is onmogelijk, een bende Meerkatten in ’t bosch voorbij te gaan, zonder ze op te merken. Gesteld zelfs, dat uw aandacht niet getrokken wordt door de zoo wisselende roepstem van den Apenhoofdman, dan zal toch vermoedelijk het gedruisch, veroorzaakt door het loopen en springen van het gezelschap in de boomen uw opmerkzaamheid gaande maken. Indien ook dit niet gehoord wordt, ziet men de dieren loopen, spelen, rustig zitten, zich in de zon koesteren, en elkander liefdediensten bewijzen, die wegens de aanwezigheid van sommige parasieten noodig zijn; nooit denken zij er aan, zich voor iemand, wie het ook zij, te verbergen. Op den bodem ontmoet men ze alleen daar, waar iets te bikken valt; overigens leven zij in de toppen der boomen, en gaan van den eenen tak op den anderen over. En daarbij is het hun volkomen onverschillig, of hun weg over doornen leidt of niet.

Een zeer merkwaardig schouwspel levert een op roof uitgaande bende Meerkatten op. De brutaliteit, die zij daarbij toonen, heeft mij altijd evenzeer vermaakt, als zij den inboorlingen verdroot. Onder de leiding van den ouden patriarch, wiens rijpe ervaring hem reeds aan menig gevaar heeft doen ontkomen, begeven de roovers zich naar het korenveld; de apinnen, die kinderen hebben, dragen deze, onder den buik hangend, mede; ten overvloede houden de kleintjes mama’s staart met hun staartje haakvormig omvat. In ’t eerst nadert de bende met groote voorzichtigheid; het liefst neemt zij haar weg over de toppen der boomen. De oude heer gaat steeds vooruit, de overigen gaan hem stap voor stap na; zij betreden niet alleen dezelfde boomen, maar zelfs dezelfde takken als hij. Nu en dan klautert de voorzichtige leidsman tot in den top van een boom, en kijkt van daar zorgvuldig rond; als de uitkomst van zijn onderzoek gunstig is, geeft hij dit door geruststellende keelklanken aan zijne onderdanen te kennen, zoo niet, dan verneemt men zijn waarschuwende stem. Van een boom, die dicht bij het korenveld gelegen is, daalt de bende op den bodem af, en nadert nu met flinke sprongen het beoogde paradijs. Hier ontwikkelt zij een waarlijk voorbeeldelooze bedrijvigheid. In de eerste plaats zorgen de Apen er voor, dat zij niet platzak den terugtocht moeten aanvaarden, ingeval zij spoedig verdreven worden. Schielijk rukken zij eenige maïs-kolven of doerrha-aren af, maken de korrels los en stoppen hiermede de wangzakken zoo vol, als mogelijk is; eerst nadat deze voorraadschuren gevuld zijn, vatten de roovers hun taak wat gemakkelijker op, maar worden tevens voortdurend keuriger en moeilijker te bevredigen bij ’t uitzoeken van ’t voedsel. De afgebroken aren en kolven worden zorgvuldig beroken, en onmiddellijk weggeworpen, als zij, wat zeer dikwijls geschiedt, aan de gestelde eischen niet voldoen; de spilzucht, die aan alle Apen eigen is, openbaart zich nu in de hoogste mate. Men kan er op rekenen, dat zij van de tien afgeplukte kolven er slechts één werkelijk opeten; in den regel nemen de fijnproevers slechts een paar korrels uit iedere aar, en werpen het overige weg. Juist hierop grondt zich de grenzelooze haat, dien de inboorlingen hun toedragen.

Als de Apenbende zich in ’t korenveld volkomen veilig acht, veroorloven de moeders hare kinderen haar te verlaten en met de andere Apenjongen te spelen. Het strenge toezicht, waaronder alle kleinen door hunne verpleegsters gehouden worden, blijft daarom niet achterwege; elke apin houdt een waakzaam oog op haar lieveling gevestigd; niemand hunner bekommert zich echter om de veiligheid van het geheele gezelschap, maar verlaat zich, evenals ieder ander lid van de bende, geheel op de zorgvuldigheid van den aanvoerder. Deze gaat, zelfs gedurende het nuttigen van ’t smakelijkste maal, af en toe op de achterpooten staan, en kijkt, als een mensch, in opgerichte houding om zich heen. Na ieder onderzoek hoort men een geruststellend gegorgel, voor zoover hij namelijk niets verdachts heeft opgemerkt: in ’t tegenovergestelde geval waarschuwt hij zijne onderhoorigen door een onnavolgbaar, trillend of blatend geschreeuw. Oogenblikkelijk maakt de geheele schaar zich tot den aftocht gereed, iedere moeder roept haar kind tot zich, en in een oogwenk zijn allen bereid om te vluchten, hoewel zij in der haast nog zooveel voedsel oprapen, als zij meenen te kunnen meedragen. Meermalen heb ik gezien, dat een Aap vijf groote maïskolven meevoerde. Daarvan omvatte hij er twee met den rechter voorpoot, de overige hield hij in de handen en de voeten, zoodat hij bij ’t gaan met de kolven den grond aanraakte. Bij dreigend gevaar worden alle geroofde schatten, die de vlucht vertragen, achtereenvolgens met onwillige gebaren weggeworpen, de laatste kolf echter eerst dan, als de vervolgers den dief zeer na op de hielen zijn, en hij werkelijk handen en voeten voor ’t klimmen noodig heeft. Altijd nemen de Meerkatten de wijk naar den eersten den besten boom. Ik heb opgemerkt, dat zij ook in een geheel afgezonderd staanden boom klauterden, waaruit zij, om verder te kunnen vluchten, als ik ze van daar verjoeg, weer afdalen moesten: zoodra zij echter het bosch bereikt hebben, en werkelijk vluchten willen, zijn zij geborgen; want hun bekwaamheid in ’t klimmen is bijna even groot, als die der Langarmige Apen. ’t Is alsof er geen hindernissen voor hen bestaan: de vreeselijkste doornen, de dichtste heggen, ver uiteenstaande boomen—niets stuit hun vaart. Elke sprong geschiedt met een zelfvertrouwen, dat ons verbazen moet, omdat geen enkel klimmend dier, dat bij ons thuis behoort in de verste verte in dit opzicht met den Aap wedijveren kan. Ook nu gaat de Apenleidsman steeds vooraan, en spoort de kudde door een veel beteekenend gegorgel nu eens tot snellere, dan weer tot langzamere beweging aan. Angst of moedeloosheid zijn bij vluchtende Apen niet waar te nemen; bewonderenswaardig is hun tegenwoordigheid van geest, die zij nooit verliezen. Zonder overdrijving mag men zeggen, dat er voor hen, als zij willen, geen gevaar bestaat. Alleen de listige mensch met zijne verreikende wapens kan ze overmeesteren.

In Oostelijk Soedan maakt men geen eigenlijke jacht op de Meerkatten; wel vangt men ze, en dan gewoonlijk in netten, waaronder lekkernijen voor hen zijn neergelegd. De Apen, die het lokaas wegnemen willen, komen onder ’t net, en geraken er zoozeer in verward, dat zij niet in staat zijn, zich te bevrijden, hoe woedend zij ook te keer gaan. Wij Europeanen schoten deze dieren zonder eenige moeite, omdat zij eerst dan de vlucht nemen, wanneer eenigen hunner den dood gevonden hebben. Voor menschen gevoelen zij weinig of geen vrees. Dikwijls heb ik waargenomen, dat zij voetgangers of ruiters, muildieren en Kameelen onder zich door laten trekken, zonder te kikken; terwijl zij daarentegen bij ’t zien van een Hond, onmiddellijk hun angstgeschreeuw laten hooren.

Bij de Apenjacht is het mij gegaan, als tal van andere jagers vóór mij: ik kreeg er op eens een onweerstaanbaren afkeer van. Ik vuurde op een Meerkat, die mij juist het gelaat toewendde; zij werd getroffen en viel van den boom naar beneden, bleef rustig zitten, en wischte zich, zonder een klaagtoon te laten hooren, met de eene hand op zulk een menschachtige wijze, zoo verheven bedaard, het bloed af, dat uit vele wonden van ’t aangezicht vloeide, dat ik ten hoogste ontroerd toesnelde, en, daar beide loopen van mijn geweer afgeschoten waren, mijn jachtmes herhaaldelijk door de borst van het dier stiet, om een einde te maken aan zijn lijden. Ik heb sinds dien dag nooit weer op kleine Apen gevuurd, en ik raad dit iedereen af, die niet in het belang van zijne wetenschappelijke onderzoekingen op de Apenjacht moet gaan. Het was mij te moede, alsof ik een mensch vermoord had, en het beeld van den stervenden Aap heeft mij in den letterlijken zin van ’t woord nog lang daarna vervolgd.

Van roofdieren hebben de in vrijheid levende Apen niet veel te lijden. Voor de viervoetige Roofdieren zijn zij te vlug; hoogstens zal de Luipaard nu en dan een onvoorzichtig aapje door list buit maken. Den Roofvogel weerstaan zij met vereende krachten. Zeer bang zijn zij voor Kruipende Dieren en Amphibiën, vooral voor Slangen, hetwelk vooral blijkt, wanneer zij vogelnestjes uithalen. Zij doen dit dikwijls, omdat zij niet alleen eieren, maar ook jonge Vogels als een buitengewone lekkernij beschouwen. Als zij nu een vogelnest willen plunderen, dat in een holte van een boom gebouwd is, nemen zij uit vrees voor de Slangen, die graag in zulke nesten kruipen, allerlei voorzorgen in acht. Meer dan eens heb ik gezien, hoe zorgvuldig zij een pas door hen gevonden gat in een boom onderzochten, om te weten te komen, of daarin ook een Slang verborgen lag. Eerst keek de Aap er zoo diep mogelijk in, vervolgens hield hij het oor bij den ingang, en als ook dit zintuig hem niets verdachts openbaarde, stak hij aarzelend een arm in de holte. Nooit bepaalde hij zich tot een moedigen greep, steeds ging hij schoksgewijs al dieper en dieper, en gluurde bovendien van tijd tot tijd in de donkere opening, of luisterde er aan, om zeker te zijn, dat het gevreesde kruipend gedierte zich daarin niet bevond.

De voortplanting van de in vrijheid levende Meerkatten schijnt aan geen bepaald jaargetijde gebonden te zijn. Bij iedere kudde ziet men zuigelingen, kinderen en halfwassen dieren, die de zorg van de moeder niet meer noodig hebben. In de dierentuinen en menagerieën van Europa planten de meeste soorten zich bij goede verzorging eveneens voort, ofschoon dit zeldzamer wordt waargenomen bij hen, dan bij de Makaken en Bavianen.

Gedurende mijn veeljarig verblijf in Afrika heb ik steeds vele Apen (en hierbij waren geregeld ook Meerkatten) in gevangenschap gehouden. Ik kan verzekeren, dat elk van deze merkwaardige dieren eigenaardigheden had, die bij de andere niet, of niet in die mate, voorkwamen, en mij voortdurend de gelegenheid gaf tot even aantrekkelijke, als onderhoudende waarnemingen. De eene Aap was twistziek en bijtlustig, de andere vreedzaam en mak, een derde brommig, een vierde altijd vroolijk, deze rustig en eenvoudig, gene geslepen, sluw en aanhoudend bezig met het beramen van booze plannen en streken; alle kwamen echter in dit opzicht met elkander overeen, dat zij grootere dieren graag een poets wilden spelen, kleinere echter beschermden, koesterden en verzorgden. Zij wisten zich in iederen toestand te schikken en zich het leven dragelijk te maken. Dagelijks leverden zij bewijzen van een helder verstand, van wezenlijk berekenende sluwheid en echt schrander overleg; bovendien zag men hen voortdurend aan andere dieren de grootste hartelijkheid en offerwilligheid betoonen; wegens al deze eigenschappen hield ik bijzonder veel van eenige dezer dieren.

Sommige soorten van Meerkatten hebben een zeer bevallig uiterlijk. Een daarvan, en wel een der meest bekende, die van Abessinië tot aan de westelijke bijrivieren van den Nijl veelvuldig voorkomt, is de Groene Meerkat of Groene Aap, de Aboelandsj van de Arabieren (Cercopithecus sabaeus), die een lengte van 1 M. bereikt, zonder den staart mede te rekenen, die ongeveer half zoo lang is als het lichaam. Zijn haarkleed is aan den rug grijsachtig groen, aan de buitenzijde van armen en beenen en aan den staart aschkleurig; de kortharige wangbaard is witachtig, zoo ook de onder- en binnenzijde der beenen; de neus, de bek en de wenkbrauwen zijn zwart; het gelaat is overigens lichtbruin.

Een der schoonste en sierlijkste Meerkatten is de Diana-aap (C. diana); bij de grootendeels leikleurige, aan den rug en het kruis in purperbruin overgaande vacht steken de witte buikzijde en de eveneens witte baard aan wangen en kin prachtig af. Deze soort bewoont West-Afrika, evenals de Mooraap of Mangebe (C. fuliginosus).

Men vindt daar ook de Blauwkoppige Meerkat, de Moeïdo van de negers aan de Loangokust (C. cephus), die in grootte met den Aboelandsj overeenkomt; doch vroolijker en fraaier kleuren vertoont dan deze. De rug, de bovenzijde van den hals en van den kop, alsmede de buitenzijden van de ledematen zijn vuil olijfgroen, met een zeer aangenamen goudachtigen weerschijn; de onderzijde van den romp en de binnenzijden van de ledematen zijn blauwachtig grijs. Het fraai kobaltblauwe aangezicht met een witte plek op de bovenlip is omlijst door een schel-gelen bakkebaard, die door een zwarte streep gescheiden is van het olijfkleurige kophaar; de staart is van de spits tot dicht bij den wortel roest-rood. Volkomen gezonde en krachtige Apen van deze soort, onverschillig of het mannetjes dan wel wijfjes zijn, vertoonen deze in ’t oog loopende samenvoeging van kleuren zoo duidelijk en volledig, alsof zij beschilderd waren.

Groene Meerkat (Cercoputhecus sabaeus).
Groene Meerkat (Cercoputhecus sabaeus).

Groene Meerkat (Cercoputhecus sabaeus).

In Beneden-Guinea zijn zij gemeen; vooral in de landstreek tusschen den Yumba en den Kongo zijn zij veel talrijker vertegenwoordigd dan andere soorten. Bij voorkeur houden zij zich op in de prachtige bosschen, die zich langs de rivieroevers tot aan zee uitstrekken, en meer binnenslands in de wouden van het gebergte, die aan den regen het noodige water ontleenen. Pechuel-Loesche, die de levenswijze van deze en andere soorten van Apen, zoowel in de vrije natuur als in gevangenschap heeft nagegaan, zegt, dat er waarschijnlijk geen Meerkatten bestaan, die de gevangenschap beter verdragen en geschikter zijn om getemd te worden, dan deze: „Een daarvan, een wijfje, dat naar den inheemschen naam Moeïdo luisterde, en dat ik, toen het nog zeer jong was, van den Kongo ontving, en met zorg groot bracht, heb ik bijna vijf jaar lang als huisdier gehad. Hierdoor is het mij duidelijk gebleken, dat een in de prilste jeugd beginnende, goed doordachte, zorgvuldige behandeling een uitstekenden invloed op het gemoed van den Aap heeft, en dat het daarentegen bedorven wordt door plagerijen, ruwe grappen en uit onbedachtzaamheid gepleegd onrecht. Men zou werkelijk veel minder te klagen hebben over de boosaardigheid, prikkelbaarheid en valschheid van tamme Apen, indien deze dieren van hun kindsheid af behandeld waren geworden volgens den regel, die bij iedere opvoeding op den voorgrond staat, d.w.z., indien zij voor alle slechte invloeden bewaard waren gebleven. Dat men in den regel niet veel pleizier beleeft van Apen, die men op meer gevorderden leeftijd als huisgenooten aanneemt, komt doordat zij reeds te veel hebben moeten verduren. Naar alle waarschijnlijkheid is het een dwaling, dat de Apen een van nature slecht karakter hebben, en moet men liever zeggen, dat de onophoudelijke grappen en plagerijen, die deze dieren, meer dan alle andere, van de menschen te verduren hebben, hun karakter bederven, verkeerde neigingen doen ontstaan, en de goede te verstikken. Men moet de Apen niet beoordeelen naar exemplaren, die reeds veel doorleefd, reeds vele meesters gehad hebben, maar naar zulke, welke direct, nadat zij uit de wildernis kwamen, verstandig behandeld werden; iedere andere Aap althans zal blijken ongeschikt te zijn voor pogingen om hem tot een huisdier op te voeden.

„Onze Aap, die van zijn kindsheid af zorgvuldig behoed was geworden voor verkeerde invloeden, genoot in Europa een onbeperkte vrijheid, bewoog zich ongehinderd door alle kamers, over tafels en stoelen; hij deed dit echter zoo behendig en voorzichtig, dat hij bij ons nooit iets gebroken heeft. Hij klauterde door het openstaande raam naar buiten, gymnastiseerde op het balkon, liep langs de kroonlijst om het huis heen, gleed bij de gootpijpen naar beneden en stoeide in hof en tuin. Als een gehoorzaam hondje maakte hij met ons uren lange wandelingen door bosch en veld, ving Spinnen, Vlinders, Sprinkhanen (zijn liefste voedsel) en sprong naar hartelust rond. Hierdoor nam blijkbaar zijne gezondheid zeer toe en werd zijn gestel zoo gehard, dat hij later zelfs meermalen in de pas gevallen sneeuw kon rondbuitelen, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Bij zulke gelegenheden bemoeide hij zich met alle menschen, die wij tegen kwamen, hoewel met sommige liever dan met andere; hij hield er van bedaarde landlieden verschrikt te maken, door plotseling uit een schuilhoek te voorschijn te komen, vaak ook, door bij hen op te springen; nooit deed hij echter iemand eenig leed. Graag speelde hij met kleine Honden, groote ging hij uit den weg; als zij hem echter bedreigden, ging hij hen zonder vrees te lijf, sprong hen op den rug, sloeg ze om den kop, trok hen aan de ooren, beet en krabde met zooveel behendigheid dat de aangevallene eindelijk, ten einde raad, zich zoo schielijk mogelijk uit de voeten maakte. Voor Kikvorschen en Hagedissen toonde hij geen vrees; hij mishandelde ze echter ook niet. Als hij zijne handen vuil gemaakt had, trachtte hij ze vlug op de een of andere wijze te reinigen; als hij hierin niet naar zijn zin slaagde, wendde hij zich smeekend tot ons.

„In huis viel hij ons slechts door één onhebbelijkheid lastig, die hem niet afgeleerd kon worden: hij bevuilde de vloer. In alle andere opzichten deed hij, wat hem gezegd was, ging in zijn slaapkorf, in zijn kooi, waarvan hij zelf het deurtje sloot; als hij kattekwaad uitvoerde, was het voldoende „St!” te roepen, om hem te doen ophouden. Hij speelde graag met zachte poppen, groote en kleine gomelastieke ballen, kurken, houtjes enz.; één daarvan genoot gedurende eenigen tijd steeds de voorkeur, en werd medegenomen in den slaapkorf; de overige werden zorgvuldig geborgen en verstopt achter of onder kasten, gordijnplooien enz.; altijd echter werden deze voorwerpen zoozeer als eigendom beschouwd, dat het aanraken of wegnemen er van steeds als een onrechtmatige inbreuk op verkregen rechten werd beschouwd. Hij was gewoon in zijne ruime wangzakken alle mogelijke voorwerpen, die hij hier en daar vond, op te bergen; deze waren hoogstens van de grootte van een walnoot, in den regel echter kleiner. Mijn vrouw begon weldra hem iederen avond de wangzakken te ledigen. In den beginne stribbelde hij tegen, later kraamde hij uit eigen beweging zijne schatten uit, als men hem op den schoot nam. Het ledigen van de wangzakken maakte hij gemakkelijker, door met den rug van de hand er van buiten over te strijken. Dan kwamen er steentjes, erwten, muntstukjes, boonen, spijkers, kurken, vingerhoeden, glazen stoppen en vele andere zaken te voorschijn; hij mocht behouden wat voor een ander doel niet meer bruikbaar was; nooit verloor hij iets. Bijzonder graag bekeek hij afbeeldingen, vooral gekleurde, in boeken, en lette zorgvuldig op het omslaan der bladen. In den beginne greep hij bliksemsnel naar afbeeldingen van Sprinkhanen en Spinnen, onverschillig of zij gekleurd waren of ongekleurd; weldra echter had hij ontdekt, dat zij niet eetbaar waren. Bij ’t zien van afbeeldingen van Slangen en Hagedissen liet hij geen vrees blijken; hij begreep echter, wat zij voorstelden, zooals uit de veranderde uitdrukking van zijn gelaat en uit zijn stem viel af te leiden.

„Hij at van alle spijzen, die op tafel gebracht werden; alleen brood met boter en melk lustte hij in ’t geheel niet. Hij hield dol veel van uien en van stukken brood, die dik besmeerd waren met mosterd; wel trok hij dan onder ’t eten afschuwelijke gezichten en deed wanhopige sprongen, maar toch ging hij er mede voort. Ook lustte hij inkt: hij haalde de gouden pen van den inktpot, likte hem af, legde hem zorgvuldig neer, en likte nu zoo vaak den telkens weer in den inktpot gedoopten vinger af tot hij genoeg had. Aan tabaksrook had hij een hekel. Rooden wijn en bier dronk hij zeer gaarne, ging zich er echter niet aan te buiten; het liefst slurpte hij het schuim van ’t bier af. Vruchten van allerlei soort waren eveneens van zijn gading, het meest echter aalbessen, aardbeien en kruisbessen. Van eieren hield hij niet, hij haalde nooit een nest uit, leefde zelfs op zeer vertrouwelijken voet met een paar Vliegenvangertjes, die ieder op ons balkon hun nestje bouwden, zoo ook met andere Vogels, vooral met Meezen en een Bonten Specht, die wij gewoon waren aan het venster te voederen, en die, sommige althans, onbezorgd de kamer binnenvlogen. Zijn dagwerk begon aan de ontbijttafel. Zoodra hij uit de met warme dekkleeden voorziene slaapmand opgerezen was, ijlde hij naar de tafel, om het zien aansteken van het spirituslampje onder den koffieketel niet te verzuimen, en tevens den hiervoor gebruikten lucifer, die hem nog brandend werd overgegeven, door schudden en rollen in de handen uit te blusschen. Daarna ging hij met opgeheven handen voor den koffieketel staan, warmde zich, en keek oplettend naar de geheimzinnige spiritusvlam, die hij met evenveel belangstelling hoorde knetteren en zag opflikkeren als het sissen en borrelen van het water hem interesseerde. Vervolgens werd hij door de vrouw des huizes van den kop tot aan het puntje van den staart flink afgeborsteld; hij vond dit zoo prettig, dat hij ongevraagd alle voor deze reiniging gewenschte houdingen aannam; het dagelijks wasschen van het aangezicht beviel hem veel minder, en aan het baden en met zeep afwasschen, dat geregeld eens in de week plaats vond, had hij een innigen hekel.

„Voor bezoekers vatte hij dadelijk genegenheid of afkeer op; nooit veranderde hij in ’t vervolg zijn gedrag tegenover hen; hij herkende ze allen dadelijk weder. Die, welke hij wel mocht lijden, werden, doordat hij ze aan de kleederen trok, terwijl hij allerlei bewegingen en geluiden maakte, uitgenoodigd om met hem te spelen; hij sprong hen op den schoot, liet zich krauwen en streelen, en was zoo aanhalig en grappig, dat hij zich vele vrienden maakte. Op lieden, die hij niet lijden mocht, sloeg hij in ’t geheel geen acht; als zij zich toch met hem bemoeien wilden, ontweek hij hen, of ging op zijne achterpooten staan, en gaf door voortdurend wenken te kennen, dat zij ophouden moesten; volhardden zij ook dan nog in hunne pogingen om een toenadering te bewerken, of lachten zij luid, dan „speelde hij voor basilisk”, d.w.z. hij ging met alle vier ledematen uitgestrekt op den grond liggen, deed den bek wijd open, bewoog de tong heen en weer, knorde en maakte dreigende bewegingen. Dan was het voor ons tijd om tusschenbeide te komen anders ging hij zonder nadere uitdaging tot den aanval over. Het bleek ons, dat zijn oordeel over personen op sommige uitwendige eigenaardigheden gegrond was: een vriendelijk gezicht, een welluidende stem, voorname bedaardheid in de bewegingen stemde hem dadelijk gunstig; haastige bewegingen, hard of koel blikkende oogen, een schelle, luide stem boezemden hem afkeer in. Met alle kinderen zonder eenige uitzondering speelde hij graag; hij werd niet boos, wanneer zij hem al te wild behandelden, maar stoeide en vocht met hen, of liep eindelijk weg, als zij het hem te bont maakten. Nooit heeft hij een kind bedreigd, gekrabd of gebeten; alle kinderen beschouwde hij als goede vrienden.

„Roerend was zijn gehechtheid aan mijn vrouw. Hij beschouwde zich als haar rechtmatigen beschermer, en wie haar aanraken, of zelfs maar de hand geven wilde, vond dadelijk het diertje tot den sprong bereid aan hare zijde, op haren schouder, op haren schoot. Toen zijn meesteres door een zware ziekte werd aangetast, werd de Aap droefgeestig en lusteloos; uren lang zat hij voor de deur van de ziekenkamer en bedelde om binnengelaten te worden. Toen dit hem eindelijk na eenige weken werd toegestaan, sprong hij dadelijk op de herstellende toe, vleide zich zacht klagend tegen haar aan, legde de armen om haar hals, en was niet weer weg te krijgen.

„Deze Aap beschikte over een zeer buigzame stem. Wij konden er dertien afzonderlijke klanken of klankverbindingen in onderscheiden. Het geluid dat wij aan het eene eind dezer reeks plaatsten, was zacht en tamelijk welluidend; het bestond uit een op vele wijzen gevarieerd gepiep, gesjirp of gespin, dat welgevallen, een verzoek of vergenoegdheid te kennen gaf. Aan het andere einde van de lijst stond het gillend gekraai en gekrijsch, dat woede beduidde. Andere tegenstellingen waren het nauwhoorbare „toek, toek,” dat men vernam, als hij, wat dikwijls geschiedde, zich niet op zijn gemak gevoelde in het niet verlicht vertrek naast het onze, en het schelle, zeer luide „tek” bij plotseling opkomenden schrik, benevens het hoog gestemde gekef en gebrul, dat, evenals het uit lage tonen bestaande grommen, gorgelen en knorren, verschillende graden van opgewondenheid verraadde. Hoogst merkwaardig waren zijne geluiden en gebaren, als hij „de zon begroette”, zooals wij het noemden. ’s Morgens als de zonnestralen in de kamer vielen, zocht hij in het venster, op de tafel of op den grond een sterk verlichte plek op, ging overeind staan, keerde zich naar de zon, hief de armen zacht wiegelend omhoog, stak de lippen vooruit, en liet nu 5 à 6 maal achtereen een reeks van geluiden hooren, die van een zeer diepen borsttoon tot een bizonder hoogen toon opklommen, en ongeveer de helft van een chromatische toonladder omvatten. Het geheel werd besloten door een diep, langgerekt „Eu”-geroep. Deze hoogst zonderlinge geluiden heb ik nooit van andere Apen gehoord.”

*

Met den naam Makak of Makako (Macacus) duidt men in Afrika een groep van zeer verschillende Apen aan, die tot een geslacht behooren, dat niet veel soorten omvat—volgens de beteekenis, die door de wetenschap aan dit woord wordt gehecht. De uiterste grens van het verbreidingsgebied dezer Apen is het Zuid-Oosten van Azië. Zij onderscheiden zich allen te zamen door de volgende kenmerken: Hun lichaamsbouw is ineengedrongen, de ledematen zijn sterk en tamelijk lang; de snuit steekt ongeveer even vooruit, als bij de Meerkatten; de korte duim van de voorhand en de aanmerkelijk langere duim van de achterhand dragen platte, de overige vingers en teenen bolle nagels. De staart is verschillend: bij enkele heeft hij een lengte, welke die van het lichaam nabijkomt, bij andere is hij bijna geheel verdwenen. De wangzakken en eeltplekken aan het zitvlak zijn groot. Bovendien moet nog als een eigenaardigheid van deze dieren opgemerkt worden, dat het kophaar bij eenige in ’t midden een scheiding vertoont, bij andere als een pruik bij den overigens kalen schedel naar beneden hangt, en dat de bij enkele ontbrekende wangbaard bij andere een waarlijk voorbeeldelooze ontwikkeling vertoont.

In een vroegere periode van de ontwikkelingsgeschiedenis onzer planeet waren de Makaken over een groot deel van Europa verbreid; ook thans nog begeven zij zich verder noordwaarts dan alle andere Apen. Die, welke een kort staartstompje hebben, bewonen Noord-Afrika, China en Japan; de langstaartige het vastland en de eilanden van Oost-Indië. Zij vervangen hier als ’t ware de Meerkatten, maar gelijken in vele opzichten op de Bavianen; zij leven soms, evenals gene, in de bosschen, dan weer, gelijk deze, meer op rotsen. Zij zijn, naar het schijnt, even onbeschaamd als beide groepen van Apen te zamen genomen: gedurende hunne jeugd zijn zij grappig en vroolijk als de Meerkatten, op gevorderden leeftijd boosaardig en gemeen als de Bavianen.

Tot de bekendste soorten van het geslacht behoort de Makako of Javaanaap, de Monjet van de bewoners van Java (Macacus cynomolgus). Hij bereikt een hoogte van 1.15 M., waarvan 50 à 58 c.M. op den staart komen. Het kophaar van het mannetje is plat neergedrukt, dat van het wijfje staat bij wijze van een kam overeind. De kleur is van boven bruinachtig groen, van onderen witachtig grijs, aan de handen, de voeten en den staart zwartachtig. Dit dier bewoont Oost-Azië, vooral de Soenda-eilanden (van Java tot Timor), waar hij zeer menigvuldig is; bijna ieder uit Indië komend schip heeft een aantal van deze Apen aan boord, die voor lagen prijs van de inboorlingen gekocht kunnen worden. Zij maken daarom een belangrijk deel van de bevolking van onze dierentuinen en beestenspellen uit; door gedrag en gestalte gelijken zij op de Meerkatten. In de gevangenschap kunnen zij gemakkelijk in ’t leven gehouden worden, en planten zij zich geregeld voort. Wegens zijn opgewektheid en leerzaamheid wordt de Javaan-aap dikwijls in apentheaters gebruikt; gewoonlijk heeft hij er de rol van bediende te vervullen.

Verwant aan deze soort is de Kroonaap (Macacus sinicus), de Malbroek der inboorlingen van Voor-Indië, die hem voor heilig houden, evenals den Bonder (Macacus rhesus), de Markat der Indiërs. „Een geloofwaardig man,” zegt kapitein Johnson, „verhaalde mij, dat de eerbied van de inboorlingen voor den Markat bijna even groot is, als die voor den Hanoeman (p. 20). De inboorlingen van Baka laten op den akker tienden van den oogst achter voor deze Apen, die dan ook spoedig van de bergen afdalen, om de hun aangeboden belasting te halen.”

Bereidwillig betaalt iedere Hindoe deze bijdrage, en geeft hierdoor een bewijs van milddadigheid en barmhartigheid, dat ons bijna belachelijk voorkomt, maar hem toch tot eer verstrekt, en ons in vele opzichten ten voorbeeld zou kunnen zijn. Ook de bescherming, die zij aan de door hen verzorgde dieren verleenen, vind ik in ’t geheel niet belachelijk of ongepast; integendeel het komt mij hoogst prijzenswaardig voor, dat de menschen daarginds de dieren tegen iedere mishandeling in bescherming nemen. Ik stem echter toe, dat zij hierin te ver gaan. Voor een vreemdeling is het moeilijk, met dezen Aap samen te leven, zonder met hem in vijandschap te geraken. Iedere tuin of aanplanting wordt door deze gauwdieven, die onder de bescherming staan, spoedig vernield of althans op de jammerlijkste wijze geplunderd. Door schildwachten te plaatsen om ze te verjagen bereikt men zijn doel niet, want de brutale gasten, die aan de eene zijde uit den tuin verdreven worden, komen er aan de andere zijde weer in. Om brandende vuren, Apenverschrikkers en dergelijke verweermiddelen bekommeren zij zich in ’t geheel niet, en door tegenover hen geweld te gebruiken brengt men zijn eigen leven in gevaar.

Dat het welslagen van een feest in Indië nog van geheel andere omstandigheden afhankelijk is dan in Europa, blijkt duidelijk uit de geschiedenis van Lady Barker’s eerste groote diner te Simla. Lady Barker had in haar huis alles in orde laten maken voor het ontvangen van een groot gezelschap; eigenhandig had zij de tafel met bloemen versierd en met de uitgezochtste Europeesche en Indische lekkernijen voorzien. Toen het uur, waarop de gasten zouden verschijnen, naderde, ging zij heen, om zich aan te kleeden. De bedienden, in plaats van de wacht te houden in de eetzaal, vermaakten zich elders. Toen de gastvrouw terugkeerde, om hare gasten te ontvangen, en nog een laatsten onderzoekenden blik op haar kunstwerk wilde werpen, vond zij haar feestzaal vol met gasten, maar niet die, welke zij verwachtte. Een groote troep Apen uit de naastbijgelegene boomen was over het balkon in het vertrek doorgedrongen, en banketteerde nu aan en op de kostelijk aangerechte tafel. Men stelle zich de gewaarwordingen van de gastvrouw voor, toen zij hare juist binnentredende gasten niets anders kon aanbieden dan het schouwspel van bevuilde en vernielde heerlijkheden.—Misschien waren het wel dezelfde Apen, die aan Lady Barker een andere leelijke poets speelden. Haar schoothondje „Fury” leefde in voortdurenden oorlog met de Apen, en verzuimde geen enkele gelegenheid om ze weg te jagen. Op een goeden dag echter pakte een der ongenoode gasten den onverzoenlijken vijand van zijn geslacht bij de lurven, en nam hem met zich mede naar den top van een boom. Daar ging het jammerlijk huilende hondje van hand tot hand, en werd onder veel geschreeuw heen en weer geschud en geplaagd door zijne ontvoerders, die hem eindelijk lieten vallen, zoodat hij van een overhangenden tak in een afgrond stortte. Zoo vond de arme „Fury” door de wraak der Apen een vroegtijdigen dood.

De Markat bereikt een lengte van 50 à 60 cM., en heeft een staart van ongeveer 25 cM. Zijne gestalte is krachtig en gedrongen. Zijn vacht is van boven groenachtig of vaal grijs, met een geelachtigen weerschijn aan de dijen en het zitvlak; de buikzijde is wit, de staart van boven groenachtig van onderen grijsachtig. Het aangezicht, de ooren en de handen zijn licht koperkleurig, de eeltplekken helder rood van kleur. Het wijfje laat den staart gewoonlijk hangen, het mannetje draagt hem boogvormig naar beneden en naar binnen gekromd.

Nauw verwant aan den Markat, maar met een nog korteren staart voorzien, is de Bangoer (Macacus erythraeus) die op de Oost-Indische eilanden leeft. Een nog korteren staart heeft de eveneens daar voorkomende Laponder-aap (Macacus nemestrinus), die door de Maleiers wel voor het plukken van kokosnooten wordt afgericht.

In zekeren zin is de Magot of Staartlooze Aap (Inuus ecaudatus), ook wel Turksche, Barbarijnsche en Gewone Aap genoemd, de belangrijkste van alle Makaken. Hij is de eenige Aap, die in Europa in ’t wild levend aangetroffen wordt. Op grond van ’t ontbreken van den staart heeft men hem als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd. Bovendien is hij gekenmerkt door een schralen lichaamsbouw en de slankheid van zijne lange ledematen, als ook door een vrij overvloedige beharing, die aan de onderzijde van het lichaam minder dicht is, en door een dichten wangbaard. Het gerimpelde gelaat is vleeschkleurig, evenals de ooren, handen en voeten; de eeltplekken zijn lichtrood; de vacht is roodachtig olijfkleurig. De ledematen hebben aan de onder- en binnenzijde een lichtere, meer grijs-geelachtige of witachtige kleur. Bij een lichaamslengte van omstreeks 75 cM. is de schouderhoogte 45 à 60 cM.

Zonder eenigen twijfel hebben reeds de oude Grieken dezen Aap gekend en hem Pithecus genoemd; hij was de eerste Aap, die in Europa vertoond werd. Plinius zegt van hem, dat hij alles nabootst, het bordspel leert, een met was geschilderd beeld onderscheiden kan, graag heeft, dat men zich met hem bemoeit, zich in de gevangenschap voortplant enz.

Het vaderland van den Magot is het noordwesten van Afrika, Marokko, Algerië en Tunis. Voorzoover wij weten, leeft hij daar in groote gezelschappen, die onder de leiding van een oud ervaren mannetje staan. Hij is zeer verstandig, listig en schrander, vlug, behendig en krachtig; in geval van nood weet hij zich met zijn voortreffelijk gebit uitmuntend te verdedigen. Bij elke hartstochtelijke aandoening vertrekt hij het gelaat erger dan eenige andere Aap, beweegt intusschen de lippen in alle richtingen en klappert ook wel met de tanden. Slechts wanneer hij bevreesd is, laat hij een luid, kort geschreeuw hooren. Verlangen, vreugde, afschuw, ontevredenheid en toorn geeft hij door grimassen en tandengeklapper te kennen. Als hij toornig is, beweegt hij zijn met diepe rimpels doorploegde voorhoofdshuid schielijk op en neer, steekt den snuit vooruit en trekt de lippen samen, zoodat de mond een kleine, cirkelronde opening vormt. In vrijen toestand leeft hij in bergachtige streken, op rotsen; hij weet zich echter ook op boomen te redden. Naar men zegt, eet hij, evenals de Bavianen, vele Insecten en Wormen; daarom wentelt hij gedurig steenen om, en laat ze wel eens van de hellingen afrollen. Op steile rotswanden wordt hij hierdoor niet zelden gevaarlijk. Men beweert, dat Scorpioenen zijn lievelingsvoedsel vormen; hij weet hun den vergiftigen angel behendig uit te rukken, en eet ze met grooten smaak op. Hij is echter ook tevreden met kleine Insecten en Wormen; hoe kleiner zijn buit is, des te ijveriger moet hij jagen, en des te gulziger verslindt hij de gevangene dieren. Het door hem opgespoord Insect wordt zorgvuldig aangevat, voor de oogen gehouden, met een gezichtsverdraaiing die tevredenheid verraadt, verwelkomd en dadelijk opgevreten.

Magot of Staartlooze Aap (Inuus ecaudatus). ½ v.d. ware grootte.
Magot of Staartlooze Aap (Inuus ecaudatus). ½ v.d. ware grootte.

Magot of Staartlooze Aap (Inuus ecaudatus). ½ v.d. ware grootte.

De Magot is de eenige Aap, die tegenwoordig nog wild in Europa gevonden wordt. Ongelukkig kon ik gedurende mijn verblijf in het zuiden van Spanje (in 1856) over de Apenbende, die de rotsen van Gibraltar bewoont, geen nauwkeurige en uitvoerige berichten verkrijgen: Men verhaalde mij, dat dit gezelschap nog altijd vrij talrijk is, maar niet zeer vaak gezien wordt. Van de vesting keek men dikwijls met verrekijkers naar de dieren; men zag ze, om voedsel te zoeken, steenen omwentelen, zoodat deze van den berg afrolden. In de tuinen kwamen zij, naar mij gezegd werd, zelden. Ook de Spanjaarden konden mij niet mededeelen, of deze dieren werkelijk als Europeanen beschouwd moeten worden, of uit Afrika overgebracht waren. Volgens A. G. Smith, die op de plaats zelf gegevens verzamelde, werd het aanwezig zijn van deze dieren in Europa dikwijls in twijfel getrokken, door sommigen zelfs als een dwaas sprookje beschouwd, o.a. door een scheepskapitein, die dikwijls te Gibraltar kwam. Smith verzekert dan ook, dat hij bijna alle geloof er aan verloren had. Hij kwam echter tot andere denkbeelden, toen hij den vlaggestok op den top van den berg bezocht, om zich te verlustigen in het heerlijke uitzicht, dat men vandaar in alle richtingen heeft. Toevallig vernam hij van den vlaggewachter, dat „de Apen bezig waren rond te trekken”. Nu begon onze zegsman met zorg berichten te verzamelen, en een verslag op te maken, waaraan het volgende ontleend is:

„Op deze rots hebben de Apen sedert onheuglijke tijden post gevat; wanneer, en hoe zij over de zee gekomen zijn, is echter niet gemakkelijk uit te maken; de Moorsche sage, dat zij ook nu nog door een onderaardschen gang, onder de zeeëngte door, heen en weergaan tusschen Gibraltar en Marokko, luidt toch wel wat al te onwaarschijnlijk. Met zekerheid kan men alleen dit zeggen, dat zij er zijn, hoewel hun aantal aanmerkelijk verminderd is, zoodat gedurende eenige jaren het geheele gezelschap uit vier exemplaren bestond. Men ziet ze zelden; zoodra echter de wind omdraait, veranderen ook zij gewoonlijk van verblijfplaats. Weekelijk en gevoelig als zij zijn, schuwen zij elke plotselinge weersverandering, vooral het omslaan van den wind van het westen naar het oosten, of omgekeerd; zij trachten zich daartegen te beveiligen, door achter de rotsen weg te kruipen. Zij zijn zeer bewegelijk, en kiezen tot woningen het liefst steile afgronden, waar zij in ’t ongestoorde bezit zijn van vele holen en gaten in de losse steenmassa. Het kost hun, naar ’t schijnt, niet veel moeite, voedsel te vinden; want zij zien er zeer welgedaan uit. Men houdt ze gewoonlijk voor buitengewoon schuw, en zegt, dat zij bij het geringste gedruisch vluchten; mijn berichtgever ontkent dit echter, en toonde mij tot bewijs voor zijn bewering eenige rotsen, van waar zij hem op dienzelfden morgen hadden aangestaard, zonder vrees te toonen voor zijn kleurigen Engelschen uniform of voor zijn onderofficiersblik. Vrij langen tijd bleven zij staan op een afstand van 30 à 40 M. van de borstwering, waartegen hij leunde, en trokken zich ten slotte dood op hun gemak terug. Dat men ze zoo zelden ziet, bijna alleen gedurende hun „omtocht” naar de tegenovergestelde zijde van de rots, schijnt te wijzen op een zeer schuwen, ongezelligen aard: want niemand vervolgt ze; veeleer behoedt men ze angstvallig voor alles wat hun lastig kan zijn.”

Een jaar later meldt Posselt van dezelfde Apen: „Gedurende de overvaart van Cadiz naar Gibraltar, had een te Gibraltar wonende Engelschman mij op mijne vragen naar de Apen geantwoord, dat er geen meer waren. In de stad verzekerde men mij het tegendeel; hun aantal werd echter verschillend aangegeven (3 à 15); de reden van deze onzekerheid is waarschijnlijk te zoeken in de levenswijze dezer dieren; zij houden zich in de steilste en ontoegankelijkste gedeelten van de rotsen op, en zijn zeer schuw. Zonder gids begaf ik mij op weg, ging langzaam langs het gemakkelijkste pad omhoog, doch week op ongeveer twee derde van de hoogte naar links af van den hoofdweg, die naar het signaalstation leidt, en begaf mij naar den hoogsten, noordelijken top van de rots. Het heerlijke panorama, dat zich onder mij uitbreidde, boeide mij zoozeer, dat ik de Apen reeds geheel vergeten had, toen plotseling bij de laatste bocht van den weg mijn aandacht getrokken werd door een eigenaardig schel geluid, dat ik in ’t eerst voor ’t blaffen van een Hond in de verte hield. Op ongeveer 200 schreden afstand voor mij, lag de eerste batterij met hare dreigend naar Spanje gerichte, ijzeren kanonnen. Op de gemetselde borstwering van deze batterij liep een dier van de grootte van een Schotschen Dashond, dat zich langzaam van mij verwijderde, en van dit dier kwam het gehoorde geluid. Ik bleef staan, en zag nu, dat het een van de Apen was, waarschijnlijk die, welke de wacht moest houden. Aan het einde van den muur, nader bij de Middellandsche zee, lagen twee andere Apen behaaglijk in den zonneschijn uitgestrekt. Langzaam, voetje voor voetje, naderde ik het merkwaardig gezelschap, welks leden nu dicht bij elkander waren gaan staan, en mij opmerkzaam aanzagen. Op een afstand van ongeveer 100 schreden stond ik stil, en keek naar de dieren, die allengs hun schroomvalligheid hadden laten varen. Op allerlei wijzen toonden zij hun welgevallen in den warmen zonneschijn; nu eens omarmden zij elkander, dan weder wentelden zij zich behaaglijk op den muur om. Dikwijls sprong een van hen al spelend op een van de kanonnen, en kwam, door de geschutpoorten sluipend, aan de andere zijde weer bij zijne hem hier afwachtende kameraads terug; kortom, zij leefden op deze plaats zeer huiselijk, en waren naar het scheen, voornemens, zoo lang mogelijk te genieten van den prachtigen zonneschijn.

„Hun aantal, dat in vroegere jaren groot was, is thans tot op slechts drie verminderd; het neemt niet meer toe, waarschijnlijk omdat zij van één sekse, òf allen mannetjes, òf allen wijfjes zijn, zoodat de kleine familie weldra geheel uitsterven zal. De eigenaars, van tuinen plachten vroeger vallen te plaatsen, om hun kweekerij te beveiligen tegen de strooptochten van deze gasten, die door hun vraatzucht groote verwoestingen aanrichten. De bescherming van het machtige Engeland was dus niet voldoende geweest om de vroegste bewoners van zijn sterkste vesting voor den ondergang te behoeden; na weinige jaren zal de fauna van Europa een dierengeslacht minder bevatten.”

Tot geruststelling van alle dierenvrienden kan ik mededeelen, dat Posselt’s vrees niet bewaarheid is geworden, en dat daaraan integendeel alle grond ontnomen is. Door tusschenkomst van mijn broeder, die zich tot den bevelhebber van de vesting had gewend met een verzoek om inlichtingen, ontving ik n.l. het volgende bericht:

„Het getal van de Apen, die tegenwoordig onze rotsen bewonen, bedraagt elf. Daar het gebleken is, dat zij op de rotsen zonder moeite voldoende voedsel vinden, worden zij niet gevoederd, maar geheel aan zich zelf overgelaten. De signaalwachter en de politiebeambten waken over hun veiligheid, en verhinderen, dat zij gejaagd, of op een andere wijze verontrust worden. De eerstgenoemde houdt boek over hen, en is, daar zij steeds bijeenblijven, altijd goed op de hoogte van de verandering of vermeerdering van hun aantal.

„Wanneer en hoe zij op de rotsen gekomen zijn, weet niemand te zeggen; men hoort hierover de meest verschillende meeningen. Voor ongeveer 6 of 7 jaren was hun aantal tot op drie stuks verminderd. Sir William Codrington heeft, vreezend dat zij geheel zouden uitsterven, drie of vier dieren van dezelfde soort van Tanger ingevoerd, en sedert dien tijd hebben zij zich vermenigvuldigd tot het bovengenoemde getal.”

Uit een bericht van den allerlaatsten tijd blijkt, dat dit getal thans meer dan verdubbeld is. Een op goed geluk aan een officier van de Engelsche bezetting van Gibraltar gerichte brief werd door Kapitein C. S. Shephard op de meest welwillende wijze beantwoord. „Het is moeielijk”, schrijft Shephard den 12en Maart 1889, „het aantal aanwezige Apen nauwkeurig te bepalen. Eergisteren nog zag ik er twaalf; in den vorigen zomer heb ik er echter wel 25 bijeengezien, en ik denk, dat men veilig aannemen kan, dat er in ’t geheel omstreeks 30 zijn. In den tegenwoordigen tijd van het jaar ziet men ze niet zoo dikwijls, omdat er op de hoogere gedeelten van de rots voedsel en water in overvloed te vinden zijn. Maar gedurende den heeten zomertijd worden zij door gebrek aan voedsel gedwongen, zich naar lager gelegen plaatsen te begeven; dan richten zij een niet onbelangrijke schade in de tuinen aan. Ongeveer in Juni of Juli van het vorige jaar hadden de Apen minstens zes jongen. Het volwassene mannetje is van aanzienlijke grootte, volle 3 voet hoog; de grootste, wijfjes zijn ook zeer goed ontwikkeld, maar slanker en niet zoo krachtig en gedrongen van gestalte. Het sterkste mannetje houdt zich gewoonlijk alleen, op eenigen afstand van de bende op.”

Volgens deze nieuwste waarnemingen is het dus volstrekt niet te vreezen, dat Europa’s laatste, in ’t wild levende Apen uitsterven zullen.

*

„De Talapoin-Aap (Myiopithecus)”, zegt Wallace, „verschilt van de overige Afrikaansche Apen door den bouw van de laatste kies, door de groote ooren, het kort aangezicht en het breede neusmiddelschot. In dit opzicht en ook door zijn lief uiterlijk en de gratie zijner bewegingen gelijkt hij eenigszins op de Amerikaansche Apen.”—Dr. J. E. Rombouts zegt in „Artis, Kijkjes in den Dierentuin” het volgende: „Deze lieve diertjes zijn veel schuwer dan de andere in de apenkooi aanwezige Apen. Bij het minste vreemde geluid zoeken ze bij elkaar hun troost, dan zitten ze op een boomstam lijf aan lijf ineengehurkt, als om elkander te beschermen, en hunne geestige kopjes zijn alleen naar den toeschouwer gericht. De lange staarten hangen bij zulk een gelegenheid lijnrecht naar beneden, wat een eigenaardig effect teweegbrengt. Deze aapjes zijn afkomstig uit westelijk Afrika, waar ze gezellig leven; hun kleur is geelachtig groen; de haren van den kop staan als een kuif overeind, en, wat hun vooral een aardig voorkomen geeft, is de lange knevelbaard, die bij den neus begint en over de wangen voortloopt tot onder de ooren. De kleur van dezen baard is geelachtig, behalve op zij van den neus, waar hij eenigszins zwart is en een soort van knevel vormt. De neus is zwart en de lippen zijn vleeschkleurig.”

*

Het geslacht der Bavianen (Cynocephalus), hoewel een der merkwaardigste van de geheele orde, is echter volstrekt niet het aantrekkelijkste en aangenaamste. Het omvat de leelijkste, goorste vlegelachtigste en daarom afkeerwekkendste van alle Apen; deze zien wij hier op den laagsten trap, waarop zij staan kunnen. Van edele vormen is hier niets meer te bespeuren; alle meer verhevene begaafdheden van den geest zijn in de bandeloosheid der hartstochten te gronde gegaan.

In navolging van Aristoteles, worden de Bavianen ook wel Hondskop-apen genoemd, omdat de bouw van hun kop in eenige opzichten meer gelijkt op dien van een groven, ruwen Hond dan op het hoofd van den mensch, waaraan de overige Apen in de verte herinneren. Toch is de overeenstemming, waaraan de bedoelde naam haar oorsprong ontleent, slechts zeer oppervlakkig. De vergelijking waarop zij berust, bevredigt ons niet, omdat de kop van den Baviaan evenzeer een misvorming is van dien van den Hond, als de kop van den Gorilla dit is van het hoofd van den mensch. Het Bavianengezicht verschilt echter door zijn vooruitstekenden snoet zoozeer van dat van andere Apen, dat de door Aristoteles gegeven naam behouden kan blijven.

Naast de Anthropomorphen zijn de Hondskop-apen de grootste vertegenwoordigers van de orde der Apen. Hun lichaamsbouw is gedrongen, hun spierkracht verbazend groot. De zware kop verlengt zich tot een sterken en langen, van voren afgeknotten, dikwijls gezwollen of gegroefden snuit met vooruitstekenden neus; het gebit ziet er roofdierachtig uit door de sterke ontwikkeling der hoektanden, die aan de achterzijde met een scherpen kant voorzien zijn. De lippen zijn zeer beweeglijk, de ooren klein. De uitdrukking van de oogen, die door vooruitstekende wenkbrauwbogen overschaduwd zijn, is een getrouwe weerspiegeling van het gemoed van hun eigenaar—listig en valsch in de hoogste mate. Alle ledematen zijn kort en sterk, de handen hebben vijf teenen; de soms korte, soms lange staart is gelijkmatig behaard of aan ’t einde kwastvormig; de wangzakken zijn groot; de eeltplekken aan ’t zitvlak bereiken een waarlijk afkeerwekkende grootte, en vertoonen gewoonlijk merkwaardig sprekende kleuren. Bij eenige soorten verlengt de lange en losse beharing zich aan kop, hals en schouders tot goed gevulde manen; het haar heeft een moeielijk te omschrijven kleur, niet zelden overeenkomende met die van den bodem of van de rotsen, waarop zij leven, zooals grijs, grijs-groenachtig geel, bruinachtig groen.

Het verbreidingsgebied van de Bavianen strekt zich uit over Afrika, Arabië en Indië. In eenige streken treft men soorten aan, die alleen daar gevonden worden; de overige zijn verder verbreid en daarom aan verscheidene landen gemeen.

Hoewel de Bavianen bij voorkeur rotsen bewonen, houden sommige soorten zich toch ongetwijfeld ook in de bosschen op, en zijn bekwamer in ’t beklimmen van de boomen, dan men op grond van waarnemingen aan verwante dieren in boomlooze oorden wel eens beweerd heeft. In ’t gebergte komen zij tot op een hoogte van 3000 à 4000 M. boven de oppervlakte der zee, ja zelfs tot aan de sneeuwgrens; toch geven zij, naar het schijnt, de voorkeur aan de landstreken van 1000 à 2000 M. hoogte boven het hoogere bergland. Dat bergachtige gewesten hun eigenlijk vaderland zijn, wordt reeds door de oudste reizigers vermeld.

Het voedsel van de Bavianen bestaat hoofdzakelijk uit bollen, knollen, grassen, kruiden, vruchten van laaggroeiende planten, eieren en kleine dieren van allerlei soorten. Waarschijnlijk echter zijn deze goed gewapende en vlugge wezens niet altijd tevreden met een kleine prooi, hun verlangen naar dierlijk voedsel zal hen ook wel nopen, om als echte roovers grootere dieren te overvallen. Volgens de mededeelingen van Fischer maken de Oost-Afrikaansche Bavianen niet slechts op Hoenderen jacht, maar trachten zij ook Dwerg-Antilopen en zelfs de vrij groote Bosch-Bokken te overmeesteren. In de aanplantingen, vooral in de wijngaarden, richten de Bavianen buitengewoon groote verwoestingen aan; men beweert zelfs, dat zij hunne rooftochten op een geregelde wijze naar een vooraf beraamd plan ondernemen.

Meer dan de overige Apen toonen de Bavianen door hun houding, dat zij eigenlijk op den grond thuis behooren. Hun geheele lichaamsbouw bindt hen aan den bodem. Hun gang gelijkt op dien van een plompen Hond; ook wanneer zij zich oprichten, steunen zij het lichaam liefst met een van de handen. Zoolang zij zich kalm gedragen en den tijd hebben, zijn hunne schreden langzaam en log: zoodra zij zien, dat zij vervolgd worden, gaat deze gang in een merkwaardigen galop over, die met de allerzonderlingste bewegingen gepaard gaat. Hun gang onderscheidt zich door een zekere lichtzinnige onbeschaamdheid, die men gezien moet hebben om er een voorstelling van te verkrijgen.

De eigenschappen van hun geest zijn volstrekt niet in strijd met hun uitwendig voorkomen. Om ze te beschrijven beginnen wij met een aanhaling van Scheitlin’s woorden:

„Alle Bavianen zijn in meerdere of mindere mate slecht van aard, altijd wild, toornig, onbeschaamd, haatdragend; hun snuit is gevormd naar het grofste hondenmodel, hun gelaat misvormd. Sluw is hun blik, boosaardig hun gemoed. Daarentegen zijn zij leerzamer dan de kleine Apen, en toonen nog meer verstand, dat zich echter altijd in den vorm van list openbaart. Vooral bij hen treedt een der merkwaardigste eigenschappen van de Apen, de zucht tot nabootsing, duidelijk te voorschijn, waardoor het schijnt, dat zij geheel menschachtig kunnen worden, hoewel zij altijd aapachtig blijven. Valstrikken en gevaren merken zij gemakkelijk op, en tegen vijanden verdedigen zij zich moedig en hardnekkig. Hoe boos van aard zij ook zijn, toch kan men ze in hun jeugd veranderen, temmen, gehoorzaam maken; op lateren leeftijd, als hun aanleg verzwakt, hun gevoel verstompt is, komt de oude Adam, hun ware, booze aard weer boven. Zij houden op gehoorzaam te zijn, grijnzen, krabben en bijten weder. De opvoeding was niet diep genoeg doorgedrongen. Men zegt, dat zij in vrijen toestand schranderder en verstandelijk hooger ontwikkeld zijn, in de gevangenschap daarentegen zachtaardiger en geleerder worden. Hun familienaam is immers „Hondskop”. Hadden zij, behalve den kop, ook maar de ziel van den Hond!”

Op Scheitlin’s woorden valt niets af te dingen: het door hem geteekende beeld is juist. De geest van de Bavianen is als ’t ware de apengeest op zijn hoogsten trap van volkomenheid; evenwel is hij dit meer in den slechten dan in den goeden zin. Eenige voortreffelijke eigenschappen kan men hun niet ontzeggen. Zij hebben een merkwaardige genegenheid voor elkander en voor hunne kinderen; zij houden ook van den mensch, die hen verzorgd en opgevoed heeft, en worden hem zelfs op allerlei wijzen nuttig. Maar al deze goede zijden wegen in de verste verte niet op tegen hunne onhebbelijkheden en booze hartstochten. List en valschheid zijn algemeen voorkomende eigenschappen bij de Hondskop-apen; vooral onderscheiden zij zich door een vreeselijke woede. Hun toorn is als een opvlammend stroovuur, zoo schielijk bereikt hij een grooten omvang; hij blijft echter aanhouden en is niet zoo gemakkelijk weder te bedaren. Een enkel woord, een spottend gelach, een schuinsche blik kunnen een Baviaan razend maken, en in zijn woede vergeet hij alles, zelfs zijne genegenheid voor den persoon, dien hij zooeven liefkoosde. Daarom blijven deze dieren in alle omstandigheden gevaarlijk; hun ruwe inborst treedt af en toe naar buiten, al openbaarden zij haar gedurende geruimen tijd in ’t geheel niet. Hunne vijanden behandelen zij op een waarlijk afschuwelijke wijze.

Hoewel de Bavianen voor den mensch vluchten, aanvaarden zij toch in geval van nood den strijd met hem en ook met Roofdieren, en deze strijd wordt dikwijls recht gevaarlijk. De Luipaard is, naar het schijnt, hun voornaamste vijand; hij belaagt echter de jonge dieren meer dan de oude, omdat hij alle reden heeft om vooraf eens te overwegen, of zijne hoektanden en klauwen wel opgewassen zijn tegen het gebit en de handen van de Bavianen, ’t Is volstrekt geen zeldzaamheid, dat Honden in een strijd met den Baviaan het onderspit delven, en toch kennen deze edele dieren geen grooter vermaak dan de jacht op zulke Apen. Behalve de Hond, de Luipaard en de Leeuw hebben de Bavianen nagenoeg geen vijanden, die voor hen bijzonder gevaarlijk zijn. Men mag echter wel aannemen, dat de Apen leelijke ervaringen hebben opgedaan van den vreeselijken giftand der Slangen. Geen Baviaan licht een steen op, of doorzoekt een struik, zonder zich vooraf te vergewissen, dat hieronder of hierin geen Slang verborgen is. Voor Scorpioenen zijn deze looze dieren niet bang; integendeel zij weten ze met groote behendigheid te vangen en van hun gifklauw te berooven, zonder zich er aan te wonden. Daarna verslinden zij den Scorpioen met hetzelfde genoegen als andere Spinnen of als Insecten.

Het nut van de Bavianen is gering. Wegens hunne leerzaamheid worden zij tot allerlei kunststukjes afgericht. In Zuid-Afrika dienen zij, naar men zegt, nog tot het opzoeken van water in de woestijn. Getemde Bavianen worden voor dit doel meegenomen naar de waterarme gewesten, waar zelfs de Bosjesmannen het onontbeerlijke vocht slechts in uiterst kleine hoeveelheid kunnen vinden. Als de watervoorraad ten einde loopt, krijgt de Baviaan iets hartigs te eten. Na eenige uren neemt men hem dan aan een lijn en laat hem loopen. Het door dorst gekwelde dier wendt zich nu eens naar rechts, dan weer naar links, loopt vooruit en achteruit, snuffelt in de lucht, rukt planten uit, om ze te proeven, en wijst eindelijk door in den grond te graven, het verborgene, of door in één richting vooruit te ijlen, het aan de oppervlakte aanwezige water aan.

De Aap, dien wij nu beschouwen zullen, wordt door vele dierkundigen tot de Bavianen, door andere echter tot de Makaken gerekend. In vele opzichten komt hij met de Echte Hondskop-Apen overeen, door zijne gestalte echter verschilt hij er van, en dit heeft aanleiding gegeven tot het genoemde verschil in meening der natuuronderzoekers. Men moet hem beschouwen als een overgangsvorm, die de kenmerken van twee diergroepen vereenigd vertoont, en tusschen deze beide het midden schijnt te houden. Wie hem tot de Makaken wil rekenen, kan gelijk hebben; wie hem bij de Hondskop-apen voegt, eveneens.

De Zwarte, Moor- of Kuifbaviaan (Cynopithecus niger) onderscheidt zich van de overige Hondskop-apen door zijn korten staart en door den vorm van den snuit, die breed, plat en kort is: een eigenaardig kenmerk van dit dier is vooral te vinden in den neus, die niet, zooals bij de Bavianen, over de bovenlip uitsteekt, maar vrij ver achter den bovenlipsrand eindigt. Onze Aap wordt daarom beschouwd als de vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht, dat der Honds-apen in engeren zin (Cynopithecus). Het aangezicht en het zitvlak zijn naakt, alle overige lichaamsdeelen echter bedekt met een lange en wollige vacht, die op de ledematen korter is, maar zich op den kop tot een vrij lange kuif verheft. Het haarkleed is, evenals de naakte, fluweelachtige huid van het aangezicht, effen donker zwart. Het zitvlak is rood. De Kuif-Baviaan is kleiner dan al zijne verwanten. Het lichaam is 65 cM., het staartstompje ternauwernood 3 cM. lang.

De Zwarte Hondsaap bewoont Celebes; hij komt er vrij talrijk voor. Over zijne levenswijze in vrijen toestand zijn de berichten schaarsch.

In den laatsten tijd werd hij dikwijls naar Europa overgebracht, en heeft er geruimen tijd in gevangenschap geleefd. Het exemplaar, dat ik in den Amsterdamschen dierentuin zag, scheen zich zeer wel te bevinden. Overdag werd hij geregeld bij de Meerkatten gebracht, die in het groote Apenhuis de toeschouwers vermaakten. De overmoedige en heerschzuchtige Zwarte Baviaan zou alle schroomvalligere Apen geplaagd hebben, indien de vlugge Meerkatten hem niet te rechtertijd ontvloden waren. Met de Makaken scheen hij op vrij goeden voet te staan, met een vrouwelijke Baboeïn was hij zelfs zeer intiem; aan deze teedere dame bewees hij allerlei attenties, en liet zich tot loon door haar gaarne zijn vacht doorzoeken. Onze afbeelding (p. 34) is sprekend gelijkend. In de nadenkende houding, die hij hier heeft, zit hij dikwijls uren achtereen; waarschijnlijk beramen zijne hersenen dan het plan tot nieuwe dolle of lichtzinnige streken.

Volgens Broekman is geen enkele Aap zoo goed als deze voor het Apentheater geschikt. Hij leert gemakkelijk al spelend, onthoudt het geleerde en „werkt” met ware liefhebberij. Wegens zijn zeldzaamheid en den hoogen prijs, die voor hem betaald moet worden, ziet men hem niet geregeld op de planken; bovendien houdt hij het er ongelukkig niet lang uit.

Zwarte-, Moor- of Kuif-Baviaan (Cynopithecus niger). ⅙ v.d. ware grootte.
Zwarte-, Moor- of Kuif-Baviaan (Cynopithecus niger). ⅙ v.d. ware grootte.

Zwarte-, Moor- of Kuif-Baviaan (Cynopithecus niger). ⅙ v.d. ware grootte.

Van de eigenlijke Bavianen, en meer bepaaldelijk van die, welke geen haarmantel dragen, heb ik den Gewonen Baviaan of Baboeïn (Cynocephalus babuin) het best leeren kennen, hoewel ik alleen de levenswijze van dit dier in gevangenschap heb kunnen nagaan. Met den zooeven beschreven stamgenoot of met de Mantel-Bavianen kan hij niet licht verward worden, wel echter met andere Hondskop-apen, vooral met den in Zuid-Afrika levende Tsjakma of Kaapschen Baviaan (C. porcarius) of met de West-Afrikaansche Sphinx (C. sphinx, ook wel Bruine Baviaan genoemd), die veel op hem gelijken. De gladharige, gelijkmatige vacht is aan de rugzijde olijfgroenachtig geel: op ieder haar wisselen gele en zwartachtige ringen met elkander af; de onderdeelen zijn lichter, de wangen witachtig geel behaard. Het aangezicht en de ooren zijn zwartachtig loodkleurig, de bovenste oogleden witachtig, de handen bruinachtig grijs, de oogen lichtbruin. Volwassen mannetjes bereiken bij 65 à 70 cM. hoogte in de schoften een totale lengte van 1.50 M., waarvan echter ongeveer een derde gedeelte op den betrekkelijk dunnen staart valt. De Tsjakma is aanmerkelijk grooter, plomper gebouwd en donkerder van kleur, de Sphinx eer kleiner, maar kennelijk krachtiger ontwikkeld, haar snuit is korter, en onderscheidt zich zeer door een vreemdsoortige verdikking der wangbeenderen; haar vacht, welker haren zwartachtig grijze en roodachtige bruine ringen vertoonen, is niet geelachtig bruin, maar roodachtig bruin met een oliegroene tint.

Daar de levenswijze en de gewoonten van deze drie Bavianen nagenoeg geen verschil aanbieden, zal ik mij van nu af vooral tot den Gewonen Baviaan bepalen.

Deze Aap bewoont nagenoeg dezelfde gewesten als de Hamadryas, maar dringt verder in Centraal-Afrika door dan deze. In Abessinië, Kordofan en andere Middel-Afrikaansche landen is hij inheemsch, en waar hij voorkomt, vindt men hem in grooten getale. Volgens Böhm en Reichard is hij ook in Duitsch Oost-Afrika algemeen, en strekt zijn verbreidingsgebied zich nog ver ten zuidwesten van het Tanganjika-meer, tot aan den bovenloop van den Loealaba, uit—tenzij men hier met een verwisseling van twee soorten te doen heeft.

In zijne bewegingen en houding gelijkt de Baboeïn volkomen op de andere Bavianen; door zijne geestesgaven onderscheidt hij zich echter in zijn voordeel van hen. Het is een zeer schrander dier, dat zich, als het jong gevangen is, zeer gemakkelijk aan den mensch gewent, zich zonder moeite tot allerlei kunstverrichtingen laat dresseeren, en, ondanks slechte behandeling, met groote trouw aan zijn meester hangt. Het wijfje is zachtaardiger en lieftalliger dan het mannetje, dat dikwijls kuren en onhebbelijkheden toont zelfs tegenover zijn meester, terwijl het wijfje met dezen op een zeer vertrouwelijken voet verkeert.

De eerste Baboeïn, dien ik bezat, werd Perro genoemd. Het was een aardige, vroolijke Aap, die reeds na 3 dagen geheel aan mij gewoon was geraakt. Ik stelde hem als deurwachter aan, door hem vast te leggen aan een plek boven onze tuindeur. Hier had hij zich spoedig een geschikt plaatsje uitgekozen, van waar hij de deur op de zorgvuldigste wijze bewaakte. Alleen wij en onze kennissen mochten binnengaan; aan onbekenden werd standvastig de toegang ontzegd; daarbij stelde hij zich zoo woest aan, dat hij altijd vastgehouden moest worden, tot de bedoelde persoon binnengetreden was, dien hij anders als een dollen Hond aangevlogen zou hebben. Bij elke opwinding toonde hij zich een Baviaan van top tot teen, met alle gebruiken en gewoonten, eigenschappen en onhebbelijkheden van de leden van dit geslacht, welker gebaren over ’t geheel een zeer groote overeenstemming vertoonen. Als hij toornig was, stak hij den staart omhoog, en, op de beide achterste ledematen en één hand rustend, sloeg hij met de andere hand heftig op den grond, zooals een woedend mensch op de tafel slaat, zonder evenwel den vuist te ballen, gelijk deze doet. Zijne oogen fonkelden en schitterden; hij liet een gillend geschreeuw hooren en schoot woedend op zijn tegenstander toe. Niet zelden huichelde hij met onovertroffen arglistigheid geheel andere gevoelens, nam een zeer vriendschappelijke houding aan, smakte verscheidene malen snel achtereen, wat bij hem altijd voor een vriendschapsbetuiging gold, en strekte vol verlangen de handen uit naar den persoon, dien hij beetnemen wilde. Als deze hem ook de hand toestak, greep hij die schielijk en trok zijn vijand naar zich toe, om hem te krabben en te bijten. Hij leefde in vrede en vriendschap met alle dieren, behalve met de Struisvogels, die wij hadden. Deze droegen echter de schuld van de gespannen verhouding, die er tusschen hen en onzen Aap bestond. Perro zat, als zijne portiersdiensten onnoodig waren, gewoonlijk rustig op zijn muur, en hield zich een stroomat als een parasol boven ’t hoofd, om zich tegen de verzengende zonnestralen te beschutten. Intusschen lette hij niet bijzonder op zijn langen staart, en liet dezen bij den muur naar beneden hangen. Nu moet men weten, dat de Struisvogels de onhebbelijkheid hebben, om naar alles wat niet spijkervast is, te happen. En zoo gebeurde het dan zeer dikwijls, dat de een of andere van deze Vogels waggelend naderbij kwam, zijn dommen kameelkop naar den apenstaart toeboog, en hierin den niets kwaads vermoedenden Perro onverwachts een flinken beet toebracht. Den stroomat wegwerpen, luid schreeuwen, den Struis met beide handen bij den kop pakken en hem duchtig door elkander schudden, was het werk van een oogenblik. Dikwijls duurde het wel een kwartier, voordat de Aap na zulk een onverhoedschen aanval van zijn gemoedsaandoening bekomen was. Het was dus niet te verwonderen, dat Perro den Struis, telkens als hij hem raken kon, een slag of een stomp gaf.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings