Note 1 — De Apen (Pitheci). (continued 2)
Reading edition
Men hoorde slechts tweeërlei stemgeluiden van hem: een zwak, fluitend keelgeluid, dat opgewondenheid te kennen gaf, en een verschrikkelijk gebrul, dat eenigszins geleek op het loeien van een in ’t nauw gebrachte koe, en vrees uitdrukte. Eens werd dit gebrul te voorschijn geroepen door eenige Potvisschen, die dicht bij het schip langs zwommen, een andere maal door het zien van de Waterslangen, die zijn meester van Java medegenomen had. De uitdrukking van zijn gelaat bleef steeds hetzelfde. Een ongelukkig toeval maakte een einde aan het leven van dit dier, voordat het Duitschland bereikte. Het wist een flesch rum machtig te worden, dronk deze bijna schoon leeg, werd hierdoor ziek en stierf veertien dagen later.1