MAURICE MAETERLINCK (continued 4)
G. M. Van Der Wissel-Herderschee translation
III.
Dikwijls heeft die moord op denzelfden dag in een groot aantal kolonies van den bijenstand plaats. De rijkste en de best bestuurde geven het sein. Eenige dagen daarna volgen de minder voorspoedige republieken hun voorbeeld. Alleen de armste en zwakste volken, die wier moeder zeer oud en bijna onvruchtbaar is, onderhouden hunne mannetjes tot aan den winter, daar zij de hoop niet willen opgeven, de maagdelijke koningin, die ze verwachten en die nog kan geboren worden, bevrucht te zien. Dan komt de onvermijdelijke ellende, en de gansche stam, moeder, parasieten en werkbijen voegt zich bijeen tot een hongerige groep, die elkaar eng omvat houdt en nog vóór de eerste sneeuw in de duisternis van den korf in alle stilte omkomt.
Na 't voltrekken van het vonnis aan de leegloopers wordt in de bevolkte en rijke steden de arbeid hervat, doch met afnemenden ijver, want reeds wordt het honingsap zeldzamer. Met de groote feestelijkheden en de groote drama's is het gedaan. Het wonderbaar lichaam, waarin myriaden zielen zich tot slingers aaneensloten, het edel monster zonder slaap, zich voedend met bloemen en lucht, de roemrijke korf der schoone Juli-dagen, slaapt langzamerhand in, en zijn warme adem vol geuren begint langzamer te gaan en verstijft. Toch wordt nog de herfst-honing opgestapeld in de voedende wanden om den noodzakelijken voorraad volledig te maken, en de laatste vergaarbakken worden verzegeld met het onschendbaar zegel der witte was. Men houdt op met bouwen, het aantal geboorten vermindert, dat der dooden neemt toe, de nachten worden langer en de dagen korter. De meedoogenlooze regens en windvlagen, de nevelen van den ochtend, de hinderlagen van de te vroeg invallende duisternis rapen honderden werksters weg, die niet weerkeeren, en het gansche volkje, dat even begeerig haakt naar zonneschijn als de krekels van Attica, voelt de koude bedreiging van den winter op zich neerdalen.
De mensch heeft zijn aandeel aan den oogst reeds weg. Iedere goede korf heeft hem tachtig of honderd pond honing opgeleverd, en de allervoortreffelijkste geven er soms twee honderd, enorme vlakten vloeibaar licht vertegenwoordigend, groote velden met bloemen, die één voor één moesten worden bezocht, een duizendtal per dag. Nu werpt hij een laatsten blik op de kolonies, die op 't punt staan te verstijven. Aan de rijksten ontneemt hij hunne overvloedige schatten om ze uit te deelen aan die anderen, die in deze werkzame wereld zijn verarmd door steeds onverdiende rampen. Hij dekt de woningen warm toe, neemt de nuttelooze lijken weg en laat de bijen over aan hun grooten winterslaap. Dan verzamelen ze zich in 't midden van den korf, klemmen zich aan elkaar vast en gaan hangen aan de raten, die de getrouwe urnen bevatten, waaruit in de dagen van ijzige koude, de vervormde substantie van den zomer zal te voorschijn komen. Midden in bevindt zich de koningin, omgeven door haar wacht. De eerste rij werkbijen klampt zich vast aan de verzegelde cellen, een tweede rij dekt hen, en wordt op hare beurt door een derde overdekt, en zoo gaat het voort tot de laatste, die het omhulsel vormt. Wanneer deze buitenste bijen voelen, dat de koude hen bevangt, gaan ze terug binnen in de massa, en worden door andere afgewisseld, en zoo alle om beurten. De hangende massa gelijkt op een roodbruinen, lauwwarmen bol, die door de honingwanden wordt gesneden, en die bijna onmerkbaar stijgt of daalt, vooruit of achteruit gaat naar gelang de cellen, waaraan hij zich vasthoudt, leeg raken. Want, in tegenspraak met wat men gewoonlijk meent, vertraagt het leven der bijen in den winter wel, doch het staat niet stil[1]. Door de eenparige beweging hunner vleugeltjes, de in leven gebleven zusjes van het zonnevuur, die sneller of langzamer gaan al naar de wisseling in de temperatuur daar buiten, onderhouden ze daar binnen in hunnen bol een gelijkmatige warmte overeenkomende met die van een lente-dag. Deze geheime lente spruit voort uit den heerlijken honing, zelf in vroeger tijd getransformeerd uit een zonnestraal, en die nu tot zijne oorspronkelijke gedaante terugkeert. Hij vloeit door den bol heen als het weldadig bloed. De bijen, die op de boordevolle cellen zitten, bieden hem aan hunne naaste buren aan, en deze op hunne beurt weer aan anderen. Zoo gaat hij van poot tot poot en van mond tot mond, tot hij de verst verwijderde bereikt van de groep, die slechts ééne gedachte heeft, en wier leven verscheiden is en toch één in duizenden harten. Hij vervult de plaats van zon en bloemen, tot zijn oudere zuster, de werkelijke zon van de echte volle lente, door de poort hare eerste zoele blikken werpt, waaronder viooltjes en anemonen herleven, en zachtjes de werkbijen wekt, om hen te doen zien, dat het azuur zijne plaats in de wereld heeft heroverd, en dat de cirkel zonder einde, die den dood aan het leven verbindt, weder een wenteling om zijne as heeft volbracht en nieuw leven ontvangen.
ZEVENDE BOEK.
DE VOORUITGANG DER SOORT.
I.
Alvorens dit boek te besluiten, zooals we den korf hebben gesloten over de verstijfde stilte van den winter, wil ik zelf een tegenwerping maken, die slechts zelden uitblijft van de zijde dergenen, voor wie men de verrassende staatkunde en nijverheid der bijen ontvouwt. Ja, mompelen zij, dat alles is nu heel wonderbaarlijk, maar zonder dat er eenige verandering in komt. Daar leven ze nu reeds duizenden jaren onder merkwaardige wetten, maar duizenden jaren zijn deze wetten dezelfde gebleven. Reeds duizenden jaren bouwen ze die merkwaardige raten, waaraan men niets heeft toe te voegen of af te nemen, en waarin men de kennis van den scheikundige, den landmeter, den architect en den ingenieur vereenigd aanschouwt; doch deze raten zijn precies gelijk aan die welke men in oude sarcophagen vindt of die staan afgebeeld op Egyptische steenen en papyrusrollen. Noem ons één enkel feit, dat wijst op eenigen den minsten vooruitgang, wijs ons op een of andere bijzonderheid, die toont dat ze iets nieuws hebben ingevoerd, een enkel punt, waarop ze de routine van eeuwen hebben gewijzigd: dan zullen we ons buigen en erkennen, dat in hen niet alleen een bewonderenswaardig instinct schuilt, maar een verstand, hetwelk recht heeft dat van den mensch ter zijde te streven, en tegelijk met hem te hopen op een of andere bestemming, hooger dan die van de onbewuste of afhankelijke materie.
Niet alleen de leek spreekt aldus, maar bekende entomologen als Kirby en Spence hebben hetzelfde argument aangevoerd, om aan de bijen elk ander intellect te ontzeggen buiten en behalve dat hetwelk zich nauw merkbaar beweegt in den engen kerker van een verrassend doch onveranderlijk instinct. "Toon ons," zeggen zij, "één enkel geval, waarin ze, door de omstandigheden gedrongen, b.v. op het denkbeeld zijn gekomen de was en de maagdenwas te vervangen door klei of mortel, dan zullen we toestemmen, dat ze in staat zijn tot overleg'."
Deze redeneering, die Romanes "The question begging argument" noemt, en die men ook wel de "onverzadelijke redeneering" zou kunnen noemen, is hoogst gevaarlijk en zou ons, op den mensch toegepast, buitengewoon ver doen afdwalen. Wel beschouwd spruit ze voort uit dat "eenvoudig gezond verstand," dat dikwijls heel wat kwaad aanricht en dat aan Galileï ten antwoord gaf: "Niet de aarde draait, want ik zie de zon zich aan den hemel bewegen, 's morgens weer opkomen en des avonds ondergaan, en niets gaat boven het getuigenis mijner oogen." Gezond verstand is uitstekend en noodig als grondslag voor onzen geest, onder voorwaarde echter, dat het wordt gecontroleerd door iets hoogers, dat nimmer sluimert en dat waar het noodig is, aan datzelfde gezond verstand herinnert, hoe oneindig groot nog zijne onkunde is; zoo niet, dan is 't niets meer dan de routine der lagere deelen van ons intellect. De bijen zelven echter hebben antwoord gegeven op de tegenwerping van Kirby en Spence. Nauwelijks was ze uitgesproken, of een ander natuuronderzoeker, Andrew Knight, kwam, toen hij de zieke schors van zekere boomen had bestreken met een soort van cement, vervaardigd uit was en terpentijn, tot de ontdekking, dat zijne bijen het inzamelen van maagdenwas geheel hadden opgegeven en uitsluitend deze hun onbekende materie gebruikten, die weldra beproefd werd bevonden en algemeen aangenomen, daar ze die geheel gereed en in overvloed vonden in de omgeving hunner woning.
Trouwens, de helft van de theorie en de praktijk der bijenkunde is de kunst, vrijen loop te laten aan het initiatief der bij, aan haar ondernemend verstand gelegenheid te geven zich te oefenen, en echte ontdekkingen, wezenlijke uitvindingen te doen. Zoo gebeurt het b.v. wel, dat bijenhouders, wanneer het stuifmeel schaarsch is in de bloemen, een zekere hoeveelheid meel in de nabijheid van den bijenstand uitstrooien, om zoodoende mede te helpen aan het grootbrengen der larven en nymphen. 't Is vrij duidelijk, dat de bijen een dergelijke stof nooit hebben aangetroffen in hun natuurstaat, in hunne oorspronkelijke woonplaatsen, de bosschen of Aziatische valleien, waar zij waarschijnlijk het levenslicht aanschouwden in het tertiaire tijdperk. En toch, wanneer men zorg draagt er eenige te lokken, door ze op het uitgestrooide meel te zetten, dan betasten ze het, proeven het, zien in, dat het in qualiteit bijna gelijk staat met het stof der helmknopjes, keeren naar den korf terug, deelen de tijding mede aan hunne zusteren en ziet, daar komen alle honingdraagsters op deze onverwachte en onbegrijpelijke spijze aanvliegen, terwijl toch in hunne aangeboren herinneringen hun voedsel onafscheidelijk moet zijn van de bloemkelken, waar zij reeds sedert zoo vele eeuwen zulk een weelderig en overdadig onthaal vinden.
II.
Nauwelijks honderd jaar, namelijk sedert den arbeid van Huber, is men bezig een ernstige studie te maken van de bij en de eerste belangrijke waarheden te vinden, die maken, dat men ze met vrucht kan waarnemen. Iets meer dan vijftig jaar geleden werd, dank zij de raten en korven met lossen bouw van Dzierzon en Langstroth, de rationeele en praktische bijenkunde gegrondvest en was de korf niet langer dat onschendbaar huis, waarin alles gebeurde in een diep mysterie, dat men eerst eenigszins kon doorgronden, nadat de dood het in puin had gestort. En eindelijk, nog geen vijftig jaar is het geleden, dat de verbeteringen in het microscoop en het laboratorium van den entomoloog het juiste geheim hebben geopenbaard van de voornaamste organen der werkbij, koningin en darren. Is 't nu zoo vreemd, dat onze kennis even weinig omvattend is als onze ervaring? De bijen leven al duizenden jaren en wij nemen ze waar sedert tien of twaalf lustra. Zelfs dan, wanneer het ware uitgemaakt, dat er niets veranderd is in den korf sedert wij dien hebben geopend, zouden we dan het recht hebben daaruit op te maken, dat er ook nooit iets in gewijzigd is vóór wij hem hebben ondervraagd? Weten we dan niet, dat een eeuw in de evolutie eener soort verloren gaat als een regendruppel in een draaikolk, en dat een milennium voor het leven der algemeene materie even snel voorbij gaat als een jaar voor de geschiedenis van een volk?
III.
Maar 't is volstrekt geen uitgemaakte zaak, dat er niets veranderd is in de gewoonten der bijen. Wanneer men ze zonder vooroordeel onderzoekt, zal men zonder nog het kleine veld, waarop het licht van onze hedendaagsche ervaring valt, te verlaten, integendeel zeer merkbare afwijkingen vinden. En wie zal zeggen, welke ons ontgaan? Een waarnemer, die ongeveer honderd vijftig maal onze grootte had en bijna zeven honderd duizend maal ons gewicht (dit zijn de verhoudingen tusschen onze gestalte en ons gewicht en die van de nederige honingbij), die onze taal niet verstond en geheel andere zintuigen had dan wij, zou er zich rekenschap van geven, dat er vrij merkwaardige materieele veranderingen hebben plaats gehad in de laatste twee derden dezer eeuw, doch hoe zou hij zich een denkbeeld vormen van de moreele, sociale, godsdienstige, staatkundige en economische evolutie?
Zoo straks zal die wetenschappelijke hypothese, welke onder alle de grootste waarschijnlijkheid bezit, ons veroorloven onze huis-bij in verbinding te brengen met den grooten stam der Apiërs, waaronder zich waarschijnlijk hare voorouders bevinden en die alle wilde bijen omvat[1]. Dan zullen we physiologische, sociale, economische, industrieele en bouwkundige veranderingen zien, die nog van meer belang zijn dan die van onze menschelijke evolutie. Voor 't oogenblik houden wij ons aan onze eigenlijk gezegde honingbij. Men telt daarvan ongeveer zestien vrij duidelijk te onderscheiden soorten; maar in den grond der zaak is het, of men te doen heeft met de Apis Dorsata, de grootste, of met de Apis Florea, de kleinste die men kent, precies hetzelfde insect, enkel min of meer gewijzigd door het klimaat en de omstandigheden, waaraan het zich heeft moeten aanpassen. Al die soorten verschillen onderling niet veel meer dan een Engelschman van een Spanjaard of een Japannees van een Europeaan. Terwijl we zoodoende onze eerste opmerkingen eenigszins beperken, zullen we hier enkel aanvoeren, wat we met onze eigen oogen en op dit zelfde oogenblik zien, zonder behulp van eenige hypothese, hoe waarschijnlijk en onvermijdelijk die zijn moge. Wij zullen niet alle feiten, die men zou kunnen opnoemen, de revue laten passeeren. Eenige der gewichtigste, in vlugge opsomming, zullen voldoende zijn.
IVf.
En dan in de eerste plaats de belangrijkste en radicaalste verbetering, die bij den mensch niet mogelijk ware zonder verbazend veel arbeid: de uitwendige bescherming van de gemeenschap.
De bijen bewonen niet als wij steden onder den blooten hemel, overgeleverd aan de nukken van wand en storm, doch steden, die geheel door een beschuttend omhulsel zijn omgeven. In den natuurstaat echter en in een ideaal klimaat is dit niet zoo. Indien ze slechts gehoor gaven aan hun dieper instinct, dan zouden ze hunne raten onder den blooten hemel bouwen. De Apis Dorsata in Indië zoekt niet met voorliefde holle boomen of rotskloven. De zwerm gaat aan den oksel van een tak hangen, en de raat wordt gebouwd, de eieren door de koningin gelegd, de provisie opgestapeld, zonder andere beschutting dan de lichamen der werkbijen zelf. Somtijds heeft men onze Noordelijke bij wel zien terugkeeren tot dit instinct en zwermen gevonden, die aldus in de lucht leefden midden in het struikgewas.[1]
Doch zelfs in Indië heeft deze blijkbaar ingeschapen gewoonte noodlottige gevolgen. Ze dwingt zulk een groot aantal werkbijen tot werkeloosheid, wier eenige bezigheid daarin bestaat de noodzakelijke warmte te onderhouden rondom degenen, die het was bewerken en het broedsel grootbrengen, dat de Apis Dorsata zoo aan de takken hangend, maar één enkele raat kan bouwen. De geringste schuilplaats daarentegen stelt haar in staat er vier, vijf en meer te maken, en vermeerdert in dezelfde mate de bevolking en de welvaart der kolonie. Alle bijenrassen der koude en gematigde streken hebben dan ook deze oorspronkelijke methode bijna, geheel opgegeven. Klaarblijkelijk heeft de natuurlijke teeltkeus dit verstandig initiatief van het insect begunstigd door alleen de talrijkste en best beschermde stammen onze winters te doen overleven.
Wat eerst een denkbeeld was in strijd met het instinct, is langzamerhand een instinctieve gewoonte geworden. Doch dit neemt niet weg, dat het oorspronkelijk een zeer koene gedachte was, welke waarschijnlijk vergezeld ging van allerlei opmerkingen, proefnemingen en redeneeringen, de geduchte op deze wijze het groote natuurlijke en aanbiddelijke licht vaarwel te zeggen om zich in de duistere diepten van een boomstam of grot te vestigen. Men zou bijna kunnen zeggen, dat dit denkbeeld even gewichtig was voor het verder lot der bijen, als de uitvinding van het vuur voor dat van het menschelijk geslacht.
V.
Na dezen grooten stap vooruit, die, al is hij oud en overgeërfd, toch ook aktueel is, vinden we een massa oneindig verscheiden bijzonderheden, die ons bewijzen, dat de nijverheid en de staatkunde van den bijenkorf niet zijn vastgelegd in onverbrekelijke formules. We spraken over het verstandig verwisselen van stuifmeel voor meel, en van de maagdenwas voor een kunstmatig cement. We hebben gezien, hoe knap ze de woningen, waarin men hen bracht, in plaats van zich daardoor uit het veld te laten slaan, voor hun doel geschikt wisten te maken. We hebben ook gezien, hoe verbazend handig ze onmiddellijk partij wisten te trekken van de kunstraten voorzien van cellen-indruk, die men voor hen had bedacht. Hier is het werkelijk iets heel buitengewoons, hoe ze een wonderbaar gelukkig, maar onvolmaakt verschijnsel zich ten nutte wisten te maken. Ze hebben werkelijk den mensch met een half woord begrepen. Stel u eens voor, dat wij sedert eeuwen onze steden in plaats van met hardsteen, kalk en baksteen, met een zekere smeedbare substantie hadden gebouwd, die we met moeite moesten afscheiden door speciaal daartoe bestemde organen van ons lichaam. Op zekeren dag zet een almachtig wezen ons neer midden in een fabelachtige stad. We zien al spoedig, dat deze gemaakt is van een zelfde stof als die, welke wij afscheiden, maar de rest is als een droom, waarin wel samenhang is, doch zóó vervormd en verkleind en saamgedrongen, dat hij ons nog meer van de wijs brengt dan het geval zou zijn als we er geen samenhang in bespeurden. Ons gewone bouwplan vinden we er in terug, alles is er wat we verwachtten, doch slechts in aanleg en als 't ware verpletterd door een reeds vóór zijn ontstaan daarop inwerkende kracht, die het heeft vastgehouden als ontwerp en verhinderd zich verder te ontwikkelen. De huizen, die vier of vijf meter hoog moeten zijn, vormen kleine verhevenheden, welke we met onze beide handen kunnen bedekken. Duizenden muren zijn aangegeven door een streepje, dat tegelijkertijd hun omtrek aangeeft en de stof, waarvan ze gebouwd zullen worden. Elders weer zijn groote onregelmatigheden, die we zullen moeten in orde brengen, afgronden om te dempen en in harmonie te brengen met het geheel, uitgestrekte wankelende massa's, die een stut noodig hebben. Want 't werk is wel verrassend, maar onzeker en gevaarlijk, Het is uitgedacht door een scherp verstand, dat de meeste onzer bedoelingen heeft geraden, doch ze slechts heel ruw heeft kunnen uitvoeren, daar juist zijn reusachtigheid het in den weg stond. 't Komt er dus nu maar op aan, dit alles te ontwarren, partij te trekken van de geringste bedoelingen van den bovennatuurlijken gever, in enkele dagen te bouwen, wat anders jaren vereischt, organische gewoonten op te geven, de methode van arbeid totaal onderst boven te werpen. Zeer zeker zou de mensch al zijn opmerkzaamheid noodig hebben om de vraagstukken op te lossen, die zich hier voordeden, en niets te verliezen van de hulp, die hem op deze wijze door een grootsche voorzienigheid werd aangeboden. En toch dit alles doen zoo ongeveer de bijen in onze nieuwerwetsche bijenkorven[1].
VI.
Zelfs de staatkunde der bijen, heb ik gezegd, staat waarschijnlijk niet onveranderlijk vast. Dit is het duisterste punt, dat ook het moeilijkst valt te constateeren. Ik zal niet stilstaan bij de verschillende manieren, waarop ze hunne koninginnen behandelen, bij de wetten van het zwermen, die iedere korf voor zichzelf heeft en die blijkbaar van geslacht op geslacht worden overgeleverd, enz. Doch naast deze feiten, die nog niet voldoende vaststaan, zijn er andere constante en scherp omlijnde, die ons doen zien, dat niet alle rassen der honingbij denzelfden trap van staatkundige ontwikkeling hebben bereikt en dat men er vindt, waar de publieke opinie zich tastend voortbeweegt en misschien een andere oplossing zoekt voor het probleem van het koningschap. De Syrische bij b.v. voedt gemeenlijk honderd twintig koninginnen op en dikwijls nog meer, terwijl onze Apis mellifica er hoogstens tien of twaalf groot brengt. Cheshire spreekt van een volstrekt niet abnormalen Syrischen korf, waarin men een en twintig doode en negentig levende en vrije koninginnen ontdekte. Hier staan we dus aan het aanvangs- of eindpunt van een tamelijk vreemde evolutie, waarvan het interessant zou zijn ze grondig te bestudeeren. Laat ons er nog bijvoegen, dat wat de koninginnen betreft, de Cyprische bij de Syrische zeer nabij komt. Is dit een nog eenigszins onzekere terugkeer tot de oligarchie, na de ervaring opgedaan met de monarchie, tot het moederschap van velen na dat der ééne? Dit is zeker, dat de Syrische en Cyprische bijen, nauw verwant met de Egyptische en Italiaansche, waarschijnlijk de eersten zijn, die door den mensch zijn tam gemaakt. En ten slotte doet een laatste waarneming ons nóg duidelijker zien, dat de zeden, evenals de omzichtigheid, die blijkt uit de organisatie van den korf, niet het resultaat zijn van een oorspronkelijken impuls, werktuigelijk volgehouden in den loop der eeuwen en de onderscheiden klimaten, maar dat de geest, die de kleine republiek regeert, alle nieuwe omstandigheden weet op te merken, er zich naar te voegen en er partij van te trekken, evenals hij vroeger reeds geleerd had gevaren af te wenden. Naar Australië of Californië overgebracht, verandert onze zwarte bij totaal van gewoonten. Reeds van het tweede of derde jaar af leeft ze, nu ze gezien heeft, dat het daar voortdurend zomer is en de bloemen haar nooit in den steek laten, van den eenen dag op den anderen, vergenoegt zich met een zoo geringe hoeveelheid honing en stuifmeel als voor het dagelijksch voedsel vereischt wordt, en doet zelfs geen voorraad op voor den winter; zoo winnen hare nieuwe en verstandige waarnemingen het van hare overgeërfde ervaring[1].
Zelfs kan men haar alleen door haar gaandeweg de vruchten van haar arbeid af te nemen, in voortdurende werkzaamheid houden.
VII.
Dit alles kunnen we met onze eigen oogen zien. Men zal moeten toegeven, dat dit feiten van belang zijn, wel geschikt de meening aan het wankelen te brengen van degenen, die zichzelf wijs maken, dat in geen enkel verstand vooruitgang is te bespeuren en iedere toekomst onbewegelijk vast staat, behalve het verstand en de toekomst des menschen.
Nemen we echter voor een oogenblik de hypothese van de evolutie aan, dan breidt het tooneel zich uit en het onzekere, grootsche licht daarvan reikt weldra tot aan ons eigen levenslot. Een onweersprekelijk feit is het niet, maar voor wie nauwkeurig waarneemt is het moeielijk voorbij te zien, dat er in de natuur een wil schuilt, die er naar streeft, een deel der materie tot een teederder en misschien beter staat te verheffen, haar oppervlak langzamerhand te doordringen van een hoogst geheimzinnig fluïdum, dat we in den aanvang leven noemen, daarna instinct, en spoedig daarop verstand; het bestaan van alles, wat leeft voor een onbekend doel te verzekeren, te organiseeren en te verlichten. Zeker is het niet, maar vele voorbeelden rondom ons maken ons de veronderstelling aannemelijk, dat, zoo men de hoeveelheid materie kon schatten, die sedert haren oorsprong aldus hooger is opgevoerd, men zou bevinden, dat deze aanhoudend is toegenomen. Ik herhaal het, de opmerking mist alle vastheid, maar 't is de eenige die we hebben kunnen maken omtrent de verborgen kracht, die ons leidt; en dat is al veel in een wereld, waar het onze eerste plicht is, vertrouwen te stellen in het leven, zelfs al ontdekte men daarin geen enkelen bemoedigenden lichtstraal, en zoolang er geen zekerheid bestaat voor het tegendeel.
Ik weet al wat men kan aanvoeren tegen de evolutieleer. Ze heeft talrijke bewijzen en machtige redeneeringen, die echter, waar het er op aan komt, geen overtuigende kracht hebben. Men moet zich nooit geheel zonder voorbehoud overgeven aan de nieuw ontdekte waarheden van den tijd waarin men leeft. Misschien zullen over honderd jaar vrij wat hoofdstukken, die daarvan doortrokken zijn, juist daardoor verouderd lijken, even als heden ten dage de werken van de philosophen der vorige eeuw, met hunnen veel te volmaakten mensch, zooals er geen bestaat, en verscheidene bladzijden uit de XVIIde eeuw, ontsierd door de idee van den boozen en kleingeestigen god van de door zooveel ijdelheid en leugen verdraaide katholieke overlevering.
Nochtans, als men de waarheid omtrent eenige zaak niet te weten kan komen, dan is het goed de hypothese te aanvaarden, die op het oogenblik waarin het toeval ons deed geboren worden, zich met den meesten klem aan het verstand opdringt. Tien tegen één dat ze verkeerd is, doch zoolang men haar voor waar houdt, is ze nuttig; ze vuurt den moed aan en stuurt de onderzoekingen in eene nieuwe richting. Op 't eerste gezicht lijkt het verstandiger, waar men deze vernuftige veronderstellingen wil doen plaats maken voor iets anders, eenvoudig de diepe waarheid zelve te zeggen, deze namelijk, dat men niets weet. Doch deze waarheid zou alleen dan heilzaam zijn, wanneer het was uitgemaakt, dat men nooit iets te weten zal komen. En ondertusschen zou ze ons laten staan, waar we staan, wat veel noodlottiger is dan de ergste illusies. We zijn nu eenmaal zoo, dat niets ons verder of hooger brengt dan de sprongen onzer dwalingen. In den grond der zaak zijn we het weinigje, dat we weten, verschuldigd aan hypotheses, die altijd gewaagd, somtijds onzinnig en voor 't meerendeel nog minder voorzichtig waren dan die van onzen tijd. Misschien waren ze onverstandig, doch ze hebben de nasporingen levendig gehouden. Al was de wachter bij den haard van het hotel der menschheid blind of heel oud, wat zou het den reiziger deren, die zich verkleumd naast hem nederzet? Als het vuur onder zijn hoede maar niet is uitgegaan, dan heeft hij gedaan wat de beste had kunnen doen. Laat ons dat vuur op anderen overdragen, niet slechts ongeschonden maar ook verlevendigd, en niets kan dit beter aanwakkeren dan deze hypothese van de evolutie, die ons noodzaakt al wat daar leeft op de aarde, in haar binnenste, in de diepten der zeeën en de wijdte der hemelen, met nog strenger methode en meer onverflauwde belangstelling te ondervragen. Wat stelt men er tegenover, wat kunnen we in haar plaats aanbieden, als we haar verwerpen? De openhartige bekentenis van de geleerde onwetendheid, die zichzelve kent, maar gewoonlijk werkeloos is en de nieuwsgierigheid verlamt, welke nog noodzakelijker is voor den mensch dan de wijsheid zelve, of wel de hypothese van de onveranderlijkheid der soort, die nog minder bewezen is dan de onze, die voor altijd de levende deelen van het probleem afsnijdt en zich ontdoet van het onverklaarbare door zichzelf alle onderzoek te ontzeggen.
VIII.
Op dezen April-morgen heb ik in mijn tuin, die weer tot nieuw leven ontwaakt onder een goddelijken groenen dauw, voor de bloemperken van rozen en bevende primula's met hunnen rand van wit taschjeskruid, dat men ook wel boerenkers of visselkruid noemt, de wilde bijen weergezien, de voorouders van die, welke zich naar onze wenschen hebben geschikt, en ik dacht weer aan de lessen van den ouden bijenkweeker in Zeeland. Meer dan eens geleidde hij mij langs zijn veelkleurige bloembedden, die waren aangelegd en onderhouden als in den tijd van vader Cats, den goeden, prozaïschen en onuitputtelijken dichter. Ze vormden rozetten, sterren, slingers, hangers en kroonluchters aan den voet van een hagedoorn of een vruchtboom gesnoeid in den vorm van een bol, een pyramide of een spinrokken, en de maagdenpalm liep waakzaam als een herdershond langs de randen om de bloemen te beletten in de paden te groeien. Daar heb ik de namen en de gewoonten leeren kennen van die onafhankelijke honingdraagsters, aan wie wij nooit onze aandacht schonken, daar we ze voor gewone vliegen, voor kwade wespen of domme torren houden. En toch draagt ieder hunner onder het dubbel paar vleugels, dat hen kenmerkt in het land der insecten, een levensplan, de idee en de middelen tot een verschillend en dikwijls zeer wonderbaar levenslot. Hier hebben we in de eerste plaats de naaste bloedverwanten onzer gewone bij, de behaarde en ineengedrongen hommels, een enkelen keer klein, doch meestal zeer groot en even als de oorspronkelijke mensch bedekt met een loshangend kleed zonder snit, waaromheen zich de koper- of vermiljoenkleurige ringen bevinden. Het zijn nog halve barbaren; ze verkrachten de bloemkelken, scheuren ze indien ze weerstand bieden en dringen onder de satijnen sluiers der bloemkroon door, zooals de holenbeer de geheel met zijde en paarlen bewerkte tent van een Byzantijnsche prinses zou binnendringen.
Naast hem vliegt een monster met duisternis bekleed, grooter dan de grootste onder hen. Hij gloeit van een somber vuur, eenigszins groen en violetkleurig; dit is de Xylocopa of Houteter, de reuzin in de bijenwereld. Als tweede in rang naar de grootte komt dan de Chalicodoma of metsel-bij, die in zwart laken gekleed is en van klei en kiezelzand woningen vervaardigt zoo hard als steen. Dan komen in bonte mengeling de Dasypoden en Halicten, die op wespen gelijken, de Andrena's, dikwijls ten prooi aan een fantastischen parasiet, den Stylops, die het voorkomen van het slachtoffer, dat hij zich heeft uitgekozen, totaal verandert, de Panurgen, bijna dwergjes en altijd beladen met een zware vracht stuifmeel, de veelvormige Osmiën, die honderden bijzondere industrieën hebben. Een hunner, de Osmia papaveris, vergenoegt er zich niet mee het noodzakelijke eten van de bloemen te vorderen; ze snijdt van de bloemkroon zelf van papaver en klaproos groote purperen lappen af, om daarmee het paleis harer dochters koninklijk te behangen. Een andere bij, de kleinste van alle, een stofje zwevend op vier elektrische vleugeltjes, de lappendeken, Megachilis, snijdt uit de blaadjes van de rozenstruik halve-maantjes, zoo nauwkeurig, dat het is, alsof ze de blaadjes had laten uitslaan; ze vouwt die, past ze in elkaar en vormt een kokertje van eenige wonderbaar regelmatige vingerhoedjes, die alle tot cel van een larfje dienen.
Doch een geheel boek zou nauwelijks voldoende zijn om de gewoonten en verschillende talenten op te sommen van deze honing-lievende menigte, die zich in alle richtingen over de verlangende en passieve bloemen beweegt, deze vastgeketende gelieven, die wachten op de liefde-boodschap, hun gebracht door verstrooide gasten.
IX.
Men kent ongeveer vier duizend vijf honderd soorten van wilde bijen. Natuurlijk zullen we ze niet alle de revue laten passeeren. Misschien zal men eenmaal door grondige studie, door waarnemingen en proefnemingen welke tot nu toe niet gedaan zijn en die meer dan één menschenleven zouden vereischen, een helder licht kunnen doen vallen op de geschiedenis van de evolutie der bij. Voor zoover ik weet is deze geschiedenis nog nooit methodisch geschreven. 't Is te hopen, dat het gebeuren zal, want ze zou meer dan één probleem moeten aanroeren, even groot als die van menige geschiedenis der menschheid. Wat ons betreft, zonder iets met beslistheid te zeggen, daar we hier in de gesluierde gewesten der veronderstellingen komen, we zullen er ons mee vergenoegen een enkelen stam der vliesvleugeligen te volgen op zijn weg naar een hooger bestaan, naar een weinigje welvaart en veiligheid, en met een enkelen trek zullen we de belangrijkste punten van deze stijging aangeven, die over vele duizenden jaren loopt. De stam in questie is, zooals we reeds weten, die der Apinen[1], welke zoo scherp geteekende en duidelijk waarneembare kenmerken bezit, dat men veilig mag gelooven, dat al zijne leden van een enkelen voorvader afstammen.
De leerlingen van Darwin, o.a. Hermann Müller, beschouwen een kleine wilde bij, die over het gansche heelal verspreid is en Prosopis genoemd wordt, als de hedendaagsche vertegenwoordigster van de oorspronkelijke bij, van wie alle bijen, die wij in onze dagen kennen, zouden afstammen.
De ongelukkige Prosopis is tegenover de bewoonster onzer korven vrij wel wat de holbewoner zou zijn in vergelijking met de gelukkige bewoners onzer groote steden. Misschien hebt ge haar meer dan eens in een verlaten hoekje van uw tuin, waar ze zich bewoog in het struikgewas, gezien, zonder er op te letten en zonder te vermoeden, dat gij de eerwaardige stammoeder voor u zaagt, aan wie wij waarschijnlijk de meeste onzer bloemen en vruchten te danken hebben. (Inderdaad, men houdt het er voor, dat er meer dan honderd duizend plantensoorten verdwijnen zouden, indien onze bijen ze niet meer bezochten. En wie weet of we haar ook niet onze beschaving moeten dank weten, want in deze mysteriën schakelt zich alles aaneen). Ze is schoon en levendig; de in Frankrijk meest verbreide soort is bevallig wit gevlekt op een zwarten grond. Doch deze sierlijkheid verbergt een ongeloofelijke naaktheid. Ze leidt een kommerlijk leven. Ze is bijna naakt, terwijl al hare zusteren met warme en weelderige vachten zijn bekleed. Ze bezit geen enkel werktuig voor den arbeid. Ze heeft geen korfjes om het stuifmeel in te verzamelen, zooals de Apiden, of bij gebreke daarvan den uitwas aan de heup van de Andrena's, noch die aan den buik van de Gastrilegiden. Moeizaam moet ze met behulp van haar pootjes het meel uit de kelken inzamelen en het inslikken om het naar hare woning te brengen. Ze heeft geen andere hulpmiddelen dan haar tong, haar mond en haar pootjes, maar haar tong is te kort, haar pootjes zijn zwak en hare kaken krachteloos. Daar ze geen was kan voortbrengen, geen hout kan uithollen, geen grond kan omwoelen, vervaardigt ze op onhandige wijze gangen in het weeke merg van droge bramen, maakt er eenige ruw bewerkte cellen in, voorziet die van een klein weinigje voedsel voor kinderen, die ze nooit zien zal en dan, als hare armzalige taak is volbracht voor een doeleinde, dat zij niet kent en wij al evenmin, legt ze zich in een hoekje neer om te sterven, alleen in de wereld, evenals ze geleefd heeft.
X.
We gaan heel wat overgangsvormen voorbij, bij welke we langzamerhand de tong konden zien langer worden om het honingsap uit de diepte van een grooter aantal bloemkronen te kunnen putten, het apparaat voor het inzamelen van stuifmeel ontstaan en zich ontwikkelen, nl. borstels en haartjes aan scheenbeen, tars en buik, de pootjes en kaken sterker worden, nuttige afscheidingen zich vormen, en den genius, die voorzit bij het bouwen van woningen, naar alle kanten verrassende verbeteringen zien zoeken en vinden. Zulk een studie zou een boekdeel vereischen. Ik wil er slechts een enkel hoofdstuk, en nog minder, een enkele bladzijde van schetsen, die ons door al de aarzelende pogingen heen van den wil om te leven en gelukkig te zijn, de geboorte, het ontluiken en de bevestiging van de sociale verstandhouding aantoont.
We hebben de ongelukkige Prosopis zien fladderen, die haar klein eenzaam bestaan in dit groot heelal vol vreesaanjagende krachten, in stilte draagt. Een zeker aantal harer zusteren, die reeds tot beter gewapende en bekwamer rassen behooren, de goed gekleede Colleta's b.v. of de merkwaardige rozenblad-snijdster, en de lapjesdeken Megachilis, leven in even groote afzondering, en indien bij toeval zich een wezen aan haar hecht en haar woning komt deelen, dan is 't een vijand of nog veelvuldiger een parasiet. Want de wereld der bijen is met nog vreemder spooksels bevolkt dan de onze, en menige soort heeft aldus een geheimzinnigen en werkeloozen dubbelganger, volkomen gelijk aan het slachtoffer, dat hij zich kiest, behalve dat reeds sinds onheugelijke tijden zijn luiheid hem één voor één alle werktuigen voor den arbeid heeft doen verliezen, en dat hij nog enkel kan blijven bestaan ten koste van het werkzaam type van zijn ras[1].
Toch broeit het sociaal instinkt reeds onder die bijen, die men wel wat al te categorisch eenzame Apiden genoemd heeft, als een vlam die wordt gedoofd onder de opeenhooping der materie, welke alle oorspronkelijk leven onderdrukt. Hier en daar, waar men het volstrekt niet verwachten zou, gelukt het dit instinct bij wijze van verkenningstocht, in aarzelende en somtijds vreemdsoortige uitbarstingen, den houtstapel te doordringen, die hem drukt en die eens door zijn zegepraal zal worden verteerd.
Indien alles stof is in deze wereld, dan staat men hier wel voor de meest onstoffelijke verandering der materie. Het geldt hier over te gaan van het zelfzuchtig, onzeker en onvolmaakt leven tot het eenigszins veiliger en eenigszins gelukkiger leven van broederschap. Het geldt op ideëele wijze door den geest te vereenigen, wat in werkelijkheid is gescheiden door het lichaam; te bewerken, dat het individu zich zal opofferen voor de soort, en de dingen, die men niet ziet in de plaats stellen van dat wat men ziet. Is het te verwonderen, dat de bijen niet onmiddellijk verwezenlijken, wat wij, die staan op het bevoorrecht standpunt, waar het instinct van alle kanten in het bewustzijn straalt, nog niet eens hebben ontward? 't Is dan ook interessant, bijna aandoenlijk, te zien hoe de nieuwe idee nog tastend zich voortbeweegt te midden van de duisternis, die al wat op deze aarde ontstaat, omhult. Ze komt uit de materie en is aanvankelijk nog geheel stoffelijk. Ze is niets dan koude, honger of angst omgezet in iets, dat nog geene gestalte heeft. Ze kruipt onzeker rondom de groote gevaren, de lange nachten, de nadering des winters, en een verdachten slaap, die bijna gelijk is aan den dood.
XI.
De Xylocopen zijn, zooals we gezien hebben, machtige bijen, die hun nest in droog hout schroeven. Zij leven altijd alleen. Toch gebeurt het wel, dat men tegen het einde van den zomer, enkele individuen van een bijzondere soort (Xylocopa Cyanescens) in hunne kouwelijkheid tot een heele groep vereenigd in den steel van een affodil ziet kruipen om er den winter gezamentlijk door te brengen. Deze broederschap in het late seizoen is uitzondering bij de Xylocopen, maar bij hunne naaste verwanten, de Ceratinen, is ze reeds tot een vaste gewoonte geworden. Het denkbeeld breekt zich baan. Dadelijk echter komt het tot stilstand, en tot nu toe heeft het bij de Xylocopen de eerste onduidelijke linie van de liefde nog niet kunnen overschrijden.
Bij andere Apinen neemt de nog tastende idee andere vormen aan. De Chalicodomen der schuren, die tot de metsel-bijen behooren, de Dasypoden en Halicten, die legers graven, vereenigen zich in talrijke kolonies om hunne nesten te bouwen. Maar 't is een denkbeeldige menigte, gevormd uit op zichzelf staande wezens. Geenerlei overleg, geen enkele gemeenschappelijke daad. Ieder staat geheel geïsoleerd in de menigte en bouwt hare woning voor zich alleen, zonder zich om hare buren te bekommeren. "Het is," zegt J. Perez, "enkel een verzameling individuen, die door gelijkheid van smaak en vermogens op eenzelfde plaats worden saamgebracht, bij wie de stelregel van het ieder voor zich in zijn ganschen omvang in praktijk wordt gebracht; 't is een troep arbeiders, die enkel door hun aantal en hun werklust aan den zwerm van den korf doen denken. Zulke vereenigingen zijn dus eenvoudig het gevolg van het groot aantal individuen, die dezelfde localiteit bewonen."
Doch bij de Panurgen, de nichten der Dasypoden, breekt plotseling een lichtstraaltje door, en laat het ontluiken van een nieuw gevoel in de toevallige bijeenvoeging zien. Ze vereenigen zich op dezelfde wijze als de vorigen en ieder graaft voor zich hare onderaardsche woning; doch de ingang, de gang die van de aardoppervlakte naar de verschillende holen geleidt, is gemeenschappelijk.
"Zoo gedraagt zich dus ieder," zegt dezelfde Perez, "wat het vervaardigen der cellen betreft, alsof zo alleen ware; doch allen maken gebruik van de gang, die den toegang verleent; hierin profiteeren allen van den arbeid eener enkele en sparen zoodoende den tijd en de moeite uit, die vereischt zouden worden om ieder eene afzonderlijke gang te vervaardigen. 't Zou interessant zijn na te gaan of ook deze voorafgaande arbeid niet gemeenschappelijk werd verricht, en of niet verscheidene wijfjes elkaar aflosten om er beurtelings aan deel te nemen."
Hoe dit ook zij, het denkbeeld van broederschap hoeft reeds de wand doorboord, die twee werelden van elkander scheidde. 't Zijn nu niet meer de winter, de honger of de angst, die het, nog geheel onkenbaar, afdwingen van 't instinct; hier doet het werkzaam leven het aan de hand. Doch ook ditmaal komt het dadelijk tot stilstand, en weet zich nog niet verder in deze richting te bewegen. Dat doet er niet toe, het verliest den moed niet, en beproeft andere wegen. En ziet, nu dringt het door bij de Hommels, rijpt daar, neemt er in een andere atmosfeer gestalte aan en bewerkt de eerste beslissende wonderen.
XII.
De Hommels, die groote behaarde bijen, met hun zwaar geluid, die ons wel vrees aanjagen, doch zeer vreedzaam zijn, en die wij allen kennen, leven eerst in afzondering. Dadelijk in de eerste dagen van Maart begint het bevruchte wijfje, dat den winter heeft overleefd, haar nest te bouwen, 't zij onder den grond, 't zij in een heester, al naar de soort, waartoe ze behoort. In de ontwakende lente is zij alleen op de wereld. Ze gaat aan 't opredderen, aan 't graven en aan 't bekleeden van de uitgekozen plaats. Dan maakt ze vrij vormelooze cellen van was, voorziet ze van honing en stuifmeel, legt eieren en broedt ze uit, verzorgt en voedt de larfjes, die uitkomen, en weldra ziet ze zich omringd van eene schare dochters, die haar bijstaan bij haar werk binnen en buitenshuis, en waarvan er eenige op hare beurt eieren gaan leggen. De welvaart neemt toe, de bouw der cellen wordt beter, de kolonie breidt zich uit. De stichteres blijft er de ziel en de voornaamste moeder van en ziet zich geplaatst aan het hoofd van een koninkrijk, dat is als het ontwerp van dat onzer honingbij. En een nog zeer ruw ontwerp. De welvaart is er altijd nog zeer beperkt, de wetten zijn er slecht omschreven en worden slecht gehoorzaamd, bij tusschenpoozen duiken het oorspronkelijk cannibalisme en de kindermoord weer op, de bouworde is nog vormeloos en kostbaar, doch wat het grootste onderscheid tusschen de beide rijken uitmaakt is dit, dat het ééne duurzaam en het andere slechts tijdelijk is. Inderdaad, dat der Hommels zal in den herfst volledig te gronde gaan, zijne drie- of vierhonderd bewoners zullen omkomen zonder een spoor van hun aanzijn achter te laten, al deze inspanning vergaat, en er zal slechts één wijfje overblijven, dat in de volgende lente even eenzaam als hare moeder en evenals deze niets bezittende, denzelfden nutteloozen arbeid opnieuw zal beginnen. En toch blijft het feit bestaan, dat ditmaal het denkbeeld zich zijner kracht bewust is geworden.
Bij de Hommels zien we het deze grens nog niet overschrijden, doch getrouw aan zijne gewoonte, gaat het zich onmiddellijk door een soort van onvermoeide zielsverhuizing, nog trillend van zijn laatste zegepraal, overmachtig en reeds bijna volmaakt, incarneeren in een andere groep, de voorlaatste van het ras, die welke onze honingbij onmiddellijk voorafgaat, waarin het zijn glanspunt bereikt, ik bedoel de groep der Meliponiten, die de tropische Meliponen en Trigonen omvat.
XIII.
Hier is alles georganiseerd, evenals in onze korven. Waarschijnlijk is er maar ééne moeder[1] en verder zijn er geslachtloozen en darren. Zelfs zijn sommige bijzonderheden er beter geregeld. De mannetjes zijn er b.v. niet geheel werkeloos, ze scheiden was af. De toegang tot de stad wordt met meer zorg verdedigd: gedurende de koude nachten is hij afgesloten door een poort, in de warme nachten door een soort gordijn, dat lucht doorlaat.
Doch de republiek is minder sterk, het leven der leden minder veilig, de welvaart beperkter dan bij onze bijen, en overal waar men deze laatsten er in brengt, hebben de Meliponiten de neiging, voor hen de plaats te ruimen. Het denkbeeld van broederschap hoeft zich gelijkelijk en prachtig in de beide rassen ontwikkeld, behalve op één punt, waarop het bij een van hen nauwelijks verder is dan wat het reeds bij de beperkte familie der Hommels bereikt had. Dit punt is de mechanische organisatie van den gemeenschappelijken arbeid, het uitsparen van alle overbodige inspanning, in één woord de bouworde van den korf, die, zooals duidelijk is te zien, van minder gehalte is.
Ik kan volstaan met te herinneren aan hetgeen ik in Boek III, Hoofdstuk XVIII gezegd heb, en voeg er nog aan toe, dat in de korven dor Apiten alle cellen gelijkelijk geschikt zijn voor het kweeken van broedsel of voor het bewaren van de provisie, en dat ze even lang bestaan als de stad zelve, terwijl ze bij de Meliponiten slechts tot één doeleinde kunnen gebruikt worden en dat die, welke tot wiegjes der jeugdige nymphen dienen, vernietigd worden, nadat deze zijn uitgekomen.
Bij onze honingbijen heeft dus het denkbeeld zijn volmaaktsten vorm aangenomen. En zoo hebben we dan hier een vlug ontworpen en onvolledig overzicht van de ontwikkeling dezer idee. Staan die verschillende vormen eens voor goed vast bij iedere soort en zou de lijn, die hen verbindt, enkel in onze verbeelding bestaan? Baat ons nog geen systeem gaan opbouwen in deze nog zoo gebrekkig onderzochte gewesten. We kunnen enkel voorloopige gevolgtrekkingen maken en, als we willen, bij voorkeur overhellen tot die, welke de meeste hoop geven; want zoo we noodzakelijk moesten kiezen, dan hebben we reeds een schemerachtige aanduiding, dat de meest gewenschte tevens die zijn, welke de meeste zekerheid hebben. En laat ons overigens erkennen, dat onze onwetendheid nog zeer groot is. Duizenden proefnemingen, die men zou kunnen doen, zijn nog niet gedaan. Zouden b.v. de Prosopis, de gevangenen, die genoodzaakt zijn met hunne gelijken samen te wonen, op den langen duur den ijzeren drempel van de volstrekte eenzaamheid kunnen overschrijden, er evenals de Dasypoden pleizier in krijgen zich te vereenigen, en een poging tot verbroedering doen zooals de Panurgen? Zouden de Panurgen op hare beurt van de gemeenschappelijke gang den overgang kunnen maken tot een gemeenschappelijke kamer? Zouden de moeders der Hommels, die samen overwinterden, in gevangenschap grootgebracht en gevoed, er toe kunnen komen samen overleg te plegen en den arbeid te verdeelen? En wat de Meliponiten betreft, heeft men hun wel eens kunstraten met cellen-indruk gegeven? Heeft men hun kunstmatige honing-amphora's aangeboden om de zonderlinge, die zij bouwen, te vervangen? Zouden ze die aannemen en er partij van trekken; en hoe zouden ze hunne gewoonten plooien en schikken naar dezen ongewonen bouw? Dit zijn alles vragen, die we richten tot zeer kleine wezentjes en die toch de kern van onze grootste geheimen inhouden. We kunnen er geen antwoord op geven, want onze ondervinding dateert eerst van gisteren. Als we rekenen van af Réaumur, dan is men ongeveer anderhalve eeuw bezig met het waarnemen van de zeden van enkele wilde bijen. Réaumur kende er maar een paar, wij hebben er eenige andere bestudeerd; doch honderden, misschien duizenden, zijn tot op heden enkel ondervraagd door onwetende of haastige reizigers. Die welke wij kennen sedert den schoonen arbeid van den schrijver der Gedenkschriften, hebben niets in hunne gewoonten veranderd, en de Hommels, die omstreeks 1730 met goudpoeder waren bestrooid, trilden als het verkwikkelijk gemurmel der zon, en zich te goed deden aan honing in de tuinen van Charenton, geleken volkomen op die welke, nu de April-maand is weergekeerd, morgen zullen gonzen eenige schreden van daar verwijderd, in het bosch van Vincennes. Doch van Réaumur tot op onze dagen, dat is slechts een wenk des tijds voor ons onderzoek, en verscheidene menschenlevens aan elkander gevoegd vormen slechts eene seconde in de geschiedenis van eene gedachte der natuur.
XIV.
Al heeft nu de idee, die wij met de oogen hebben gevolgd, haren hoogsten vorm aangenomen bij onze honingbijen, daarmede is niet gezegd, dat alles in den korf onverbeterlijk is. Een meesterstuk, de zeshoekige cel, bereikt daarin in ieder opzicht hare absolute volmaking, en aan alle genieën vereenigd zou het onmogelijk zijn iets daaraan te verbeteren, Geen enkel levend wezen, niet eens de mensch, heeft in zijne sfeer tot stand gebracht, wat de bij tot stand bracht in de hare; en indien er eens een geest, die niet tot de aarde behoorde, haar het meest volmaakte voorwerp van de logica des levens kwam vragen, zou men hem een eenvoudige honingraat moeten aanbieden.
Doch niet alles evenaart dit meesterstuk. In 't voorbijgaan hebben we reeds eenige fouten en vergissingen aangeteekend, nu eens in 't oog vallend, dan weer meer bedekt: de schadelijke overvloedigheid en werkeloosheid der darren, de parthenogenesis, de gevaren van de parings-vlucht, het overdreven veel zwermen, het gebrek aan meegevoel, het haast monsterachtig opofferen van den individu aan de gemeenschap. Laten we er nog aan toevoegen een zonderlinge neiging om enorme massa's stuifmeel op te zamelen, die niet gebruikt al spoedig ransig en hard worden en maar in den weg staan; verder de lange onvruchtbare tusschenpoos tusschen het eerste zwermen en de bevruchting der tweede koningin, enz.
Van deze fouten is de ergste, de eenige, die in ons klimaat bijna altijd noodlottig is, het herhaald zwermen. Doch laat ons, wat dit betreft, niet vergeten, dat de natuurlijke teeltkeus van onze gewone bij reeds sedert duizenden van jaren door den mensch is tegengewerkt. Van den Egyptenaar uit den tijd der Pharao's tot op de boeren van onze dagen heeft de bijenhouder altijd tegen de wenschen en belangen der soort in gehandeld. De voorspoedigste korven zijn die, welke slechts één zwerm uitzenden dadelijk in 't begin van den zomer. Zoo vervullen zij hun moederlijk verlangen, verzekeren de instandhouding van den moederstok, de noodzakelijke vernieuwing der koninginnen, en de toekomst van den zwerm, die zoo talrijk en zoo vroeg in den tijd, gelegenheid heeft stevige en welvoorziene woningen te bouwen voorliet invallen van den herfst. 't Is wel zeker, dat, wanneer men ze aan zichzelf overliet, het bij onze Noordelijke rassen langzamerhand regel geworden zou zijn weinig te zwermen, daar dan deze korven en hunne afstammelingen alleen de bezwaren van den winter zouden overleven, die bijna geregeld de door andere instincten beheerschte kolonies zouden vernietigd hebben. Maar juist deze voorzichtige, welvarende en goed geacclimatiseerde korven worden altijd door den mensch vernield, om in 't bezit te komen van hunne schatten. Hij liet en laat nog in de tot gewoonte geworden praktijk enkel de uitgeputte moederstokken, de tweede of derde nazwermen overleven, die zoo ongeveer genoeg hebben om den winter door te komen of waaraan hij wat honing-afval meedeelt om hunne armelijke provisie aan te vullen. Het gevolg daarvan is geweest, dat waarschijnlijk de soort is verzwakt, dat de neiging tot al te veelvuldig zwermen zich erfelijk heeft ontwikkeld en dat tegenwoordig bijna al onze bijen, vooral de zwarte, te vaak zwermen. Sedert enkele jaren is de nieuwe methode van het bijenkweeken met mobielbouw deze gevaarlijke gewoonte komen bestrijden, en wanneer men ziet, met hoeveel snelheid de teeltkeus inwerkt op de meeste onzer huisdieren, op ossen, honden, schapen, paarden, duiven, om ze niet alle op te noemen, dan is 't geoorloofd te meenen, dat wij over niet te langen tijd een geslacht van bijen zullen bezitten, die het natuurlijk zwermen bijna geheel zullen opgeven en zich met alle kracht zullen toeleggen op het inzamelen van honing en stuifmeel.
XV.
Maar hoe staat het met die andere fouten; zou een verstand, dat zich klaarder bewust was van het doel des gemeenschappelijken levens, zich ook daarvan niet kunnen bevrijden? Er zou heel wat te zeggen vallen omtrent deze fouten, die nu eens 't gevolg zijn van onbekendheid met den korf, dan weer van 't zwermen met zijne misgrepen, waarin wij de hand hebben gehad. Maar naar hetgeen hij tot nu toe gezien heeft, kan ieder naar willekeur aan de bijen verstand toekennen of ontzeggen. Ik ben er niet op gesteld hen te verdedigen. Mij komt het zoo voor, dat ze in verschillende omstandigheden begrip toonen te bezitten; doch al deden ze blindelings al wat ze doen, dan zou mijne nieuwsgierigheid er niet minder om zijn. 't Is interessant op te merken, hoe eenig brein in zichzelf buitengewone hulpmiddelen vindt om te strijden tegen de koude, den honger, den dood, den tijd, de ruimte of de eenzaamheid, al die vijanden van de materie, die leven heeft verkregen; maar dat een wezen er in slaagt zijn ingewikkeld en diep leventje te onderhouden zonder iets meer dan zijn instinct, zonder iets anders te doen dan het zeer gewone, dat is eveneens zeer interessant en zeer buitengewoon. Het gewone en het buitengewone vloeien ineen en wegen tegen elkander op, wanneer men ze op de rechte plaats stelt te midden der natuur. Niet zij, die aangematigde namen dragen, maar het onbegrepene en onverklaarde moeten onze blikken tot zich trekken, onze werkzaamheid aanvuren en een nieuwen, juisten vorm geven aan onze gedachten, gevoelens en woorden, 't Is verstandig zich niet op iets anders toe te leggen.
XVI.
Bovendien, wij hebben eigenlijk niet de bevoegdheid, in naam van ons verstand de fouten der bijen te veroordeelen. Zien we onder ons het verstand en het bewustzijn niet langen tijd leven te midden van dwalingen en fouten zonder ze op te merken, en nog langer zonder genezing aan te brengen? Indien er één wezen bestaat, dat door zijn bestemming er speciaal, bijna organisch toe is aangewezen zich ten volle bewust te worden, volgens de zuivere rede te leven en het gemeenschappelijk leven te organiseeren, dan is het wel de mensch. En toch, zie eens wat hij er van maakt, en vergelijk eens de gebreken van den bijenkorf met die van onze maatschappij. Indien wij bijen waren, die de menschen waarnamen, dan zou onze verbazing groot zijn, als we b.v. de onlogische en onjuiste organisatie van den arbeid zagen bij een stam van wezens, die ons toch overigens met een eminent verstand begaafd leken. We zouden zien hoe de oppervlakte der aarde, de eenige bron van alle gemeenschappelijk leven, moeizaam en ontoereikend werd bebouwd door twee of drie tiende van de gansche bevolking; hoe een ander tiende in volslagen werkeloosheid het beste doel der produkten van dien arbeid verslond; hoe de overige zeven tiende, tot een eeuwigdurenden half-honger veroordeeld, hunne krachten onophoudelijk moesten inspannen voor vreemdsoortig en onvruchtbaar werk, waarvan ze zelven nooit voordeel trekken en dat er enkel toe schijnt te dienen, het leven der leegloopers nog ingewikkelder en onverklaarbaarder te maken. We zouden er uit afleiden, dat het verstand en de zedelijkheid dezer wezens tot een gansch andere wereld behoorden dan de onze en dat ze principes volgden, die wij maar niet zonden wenschen te begrijpen. Laat ons dit overzicht over onze gebreken maar niet verder voortzetten. Ze staan ons toch altijd voor den geest. Doch 't is waar, al zijn ze daar, ze richten er al heel weinig uit. Niet veel meer dan van eeuw tot eeuw staat een hunner even op, schudt voor een oogenblik den slaap van zich af, stoot een kreet van verbazing uit, rekt den pijnlijken arm eens, die het hoofd heeft gestut, verandert van houding, legt zich weer neder en slaapt opnieuw in, totdat een nieuwe pijn, gevolg van de doffe vermoeienis der rust, het wederom wekt.
XVII.
Nemen we nu de evolutie der Apinen of althans der Apiten eenmaal aan, daar ze waarschijnlijker is dan het tegendeel, dan rijst de vraag welke vaste en algemeene richting deze evolutie neemt? Ze schijnt dezelfde lijn te volgen als de onze. Klaarblijkelijk streeft ze er naar inspanning, onveiligheid, gebrek te verminderen, en het welzijn, de gunstige kansen en het gezag der soort te bevorderen. Aan dit doeleinde schroomt ze niet het individu ten offer te brengen en geeft door de gemeenschappelijke voordeelen van kracht en geluk vergoeding voor de trouwens denkbeeldige en ongelukkige onafhankelijkheid der eenzaamheid. 't Heeft er veel van alsof de natuur, evenals Pericles bij Thucidides, het er voor houdt, dat de individuen gelukkiger zijn in een stad, die in haar geheel voorspoedig is, zelfs indien zij er moeten lijden, dan wanneer het individu welvaart geniet en de staat kwijnt. Ze beschermt den ijverigen slaaf in de machtige stad, en geeft den voorbijganger, die geen taak heeft in deze onbestendige associatie, aan de vele vijanden zonder naam en gedaante prijs, die schuilen in alle oogenblikken des tijds, alle bewegingen van 't heelal, alle oneffenheden van de ruimte. 't Is nu niet de tijd om over deze gedachte der natuur te disputeeren, noch om ons af te vragen, of het den mensch betaamt zich daarnaar te richten; doch 't is wel zeker, dat overal waar de oneindige massa ons in de gelegenheid stelt den schijn eener idee te vatten, die schijn dezen weg inslaat, waarvan we het einde niet kennen. Wat ons aangaat zal 't voldoende zijn te constateeren, met hoeveel zorg de natuur er zich op toelegt, al wat op de vijandelijke inertie der materie eenmaal is veroverd, te bewaren en vast te leggen in het zich ontwikkelend ras. Ze zet een punt achter de welgeslaagde poging en legt den achteruitgang, die onvermijdelijk zou zijn na die inspanning, allerlei speciale en welwillende wetten in den weg. Deze vooruitgang, dien men bij de verstandelijk meest ontwikkelde soorten moeielijk zou kunnen loochenen, heeft wellicht geen ander doel dan die beweging zelf en weet niet waar hij heen gaat. In ieder geval, in een wereld waarin niets, uitgenomen enkele feiten van dezen aard, op een duidelijken wil wijst, is het van veel beteekenis enkele wezens zich trapsgewijze en onafgebroken te zien ontwikkelen, sedert den dag, waarop wij onze oogen geopend hebben; en al hadden de bijen ons niets anders geopenbaard dan deze geheimzinnige spiraal van licht in den alles overheerschenden nacht, dan zou dit genoeg zijn om ons den tijd niet te doen betreuren, gewijd aan de studie hunner kleine daden en nederige gewoonten, die zoo ver af staan van en toch eigenlijk zoo dicht bij onze groote passies en onze trotsche bestemming.
XVIII.
't Is mogelijk dat dit alles ijdel is, en dat onze spiraal van licht en die der bijen evenzeer enkel schijnt om de duisternis op te vroolijken. 't Is ook mogelijk dat een geweldig incident van buiten af komend, van een andere wereld of van een nieuw natuurverschijnsel, plotseling een beslissende richting geeft aan dat pogen of het voor goed vernietigt. Doch laat ons onzen weg vervolgen alsof er niets abnormaals gebeuren zou. Al wisten we, dat morgen eene of andere openbaring, b.v. de aanraking met een oudere en meer lichtgevende planeet, onze gansche natuur zou in de war brengen, de diep in ons binnenste gewortelde hartstochten, wetten en waarheden van ons wezen zou onderdrukken, dan nog zou 't het verstandigst wezen in het heden al onze belangstelling te wijden aan die hartstochten, wetten en waarheden, ze in onzen geest tot harmonie te brengen, en getrouw te blijven aan onze bestemming, die hierin bestaat, de duistere machten van het leven aan ons te onderwerpen en tot een eenigszins hooger peil te brengen in ons zelven en rondom ons. 't Kan zijn dat er in de nieuwe openbaring niets van blijft bestaan, doch 't kan niet zijn, dat zij die tot den einde toe hunne zending, de menschelijke zending bij uitnemendheid, hebben vervuld, niet in de eerste rijen zouden staan om deze openbaring te ontvangen: en zelfs indien ze hun mocht leeren, dat de eenige ware plicht bestond in niet vragen en zich er in schikken, dat men niet weten kan, dan zullen zij beter dan anderen dezen plicht weten te begrijpen en er partij van te trekken.
XIX.
En bovendien, laten we aan onze droomen niet die richting geven. Laten we de mogelijkheid eener algeheele vernietiging evenmin opnemen in de becijfering onzer behoeften, als de wonderbare hulp van eenig toeval. Tot nu toe waren we ondanks de schoone beloften onzer verbeeldingskracht toch altijd aan ons zelven en onze eigen hulpmiddelen overgeleverd. Door onze eigen nederigste pogingen hebben wij al, wat er nuttigs en duurzaams op deze aarde is verricht, tot stand gebracht. 't Staat ons vrij het beste of het ergste te verwachten van eenig buitengewoon voorval, doch alleen op voorwaarde, dat deze verwachting zich niet bemoeit met onze taak als menschen. Ook hier geven ons de bijen een uitstekende les, uitstekend als alle lessen der natuur. Voor hen kwam er werkelijk een wonderdadige tusschenkomst. Veel beslister dan wij zijn zij overgeleverd aan de handen van een wil, die hun geslacht kan vernietigen of wijzigen, en aan hun lot een andere wending geven. En niettemin volgen zij hun oorspronkelijken en grooten plicht. En 't zijn juist diegenen onder hen, welke 't best gehoor geven aan dezen plicht, die er het geschiktst voor zijn te profiteeren van die bovennatuurlijke tusschenkomst, waardoor in onze dagen het lot hunner soort aan 't stijgen is. Nu is het minder moeielijk dan men meent, den onafwijsbaren plicht van een wezen te ontdekken. Men kan dien altijd lezen uit het orgaan, dat juist hem onderscheidt en waaraan alle andere ondergeschikt zijn. En zoo goed als 't op de tong, in den mond en de maag der bijen geschreven staat, dat zij honing moeten voortbrengen, zoo goed is het in onze oogen, onze oren, ons merg, alle uitwendige organen van ons hoofd, in 't gansche zenuwstelsel van ons lichaam te lezen, dat wij er toe geschapen zijn, al wat wij in ons opnemen van de dingen der aarde, om te zetten in een bijzondere en geheel eenige kracht op dezen aardbol. Zoo ver ik weet is geen wezen zóó zeer als wij bewerktuigd om dat vreemde fluïdum voort te brengen, dat we noemen met den naam van gedachte, verstand, begrip, rede, ziel, geest, hersenvermogen, deugd, goedheid, kennis; want het bezit duizenden namen, al heeft het slechts één essence. Alles in ons werd daaraan opgeofferd. Onze spieren, onze gezondheid, de lenigheid onzer ledematen, het evenwicht onzer dierlijke functies, de rust onzes levens, dragen den steeds grooter wordenden last van zijn overwicht. Het is de kostelijkste en moeielijkste toestand waartoe men de materie kan verheffen. De vlam, de warmte, het licht, het leven zelf, het instinct, dat nog fijner is dan het leven, en de meeste der onvatbare machten, die de kroon der wereld waren vóór onze komst, dat alles is verbleekt bij de aanraking met het nieuwe fluïdum. We weten niet, waarheen het ons leidt, wat het met ons doen zal, wat wij er mee doen zullen. 't Zal aan hem staan ons dit te doen weten, wanneer het in volheid van kracht heerschen zal. Laat ons in afwachting daarvan er enkel aan denken daaraan te geven, al wat het van ons vraagt, daaraan alles ten offer te brengen, wat zijn ontwikkeling zou kunnen tegenhouden. 't Is wel niet twijfelachtig of dat is voor 't oogenblik onze eerste en duidelijkste plicht. Deze zal ons de overige bij toeneming leeren. Hij zal ze voeden en versterken al naardat hijzelf gevoed wordt, even als het water der bergen in rechte reden met het geheimzinnig voedsel van zijn top de beken der vlakte voedt en versterkt. Laten we ons niet kwellen met den wensch, te weten wie partij zal trekken van de kracht, die aldus ten onzen koste vermeerderd wordt. De bijen weten niet of zij den honing zullen eten, dien zij inzamelen. Evenmin weten wij, wie voordeel zal trekken van de geestelijke kracht, die wij in 't heelal brengen. Even als zij van bloem tot bloem gaan om meer honing in te zamelen dan zij zelven en hunne kinderen behoeven, laat ons zoo gaan van werkelijkheid tot werkelijkheid om alles bijeen te garen wat tot voedsel kan strekken aan deze onvatbare vlam, opdat wij op alles zijn voorbereid in de zekerheid onzen organischen plicht te hebben vervuld. Laat ons haar voeden met onze gevoelens, onze hartstochten, met al wat we zien, hooren, ruiken, aanraken en met haar eigen essence, dat is de idee, die ze haalt uit de ontdekkingen, ervaringen, opmerkingen, uit al wat ze bezoekt. Dan komt er een oogenblik, waarop alles zich zóó natuurlijk ten goede keert voor een geest, die zich heeft ondergeschikt gemaakt aan de eischen van den echt menschelijken plicht, dat zelfs het vermoeden dat al zijn krachtsinspanning misschien doelloos is, den ijver zijner nasporingen nog klaarder, zuiverder, belangloozer, onafhankelijker en edeler maakt.
Inhoud
EERSTE BOEK.—OP DEN DREMPEL VAN DEN BIJENKORF. I. II. III. IV. V. VI. VII. VIII TWEEDE BOEK.—DEN ZWERM. I. II. III. IV. V. VI. VII. VIII. IX. X. XI. XII. XIII. XIV. XV. XVI. XVII. XVIII. XIX. XX. XXI. XXII. XXIII. XXV. XXV. XXVI. XXVII. XXVIII. XXIX. XXX. XXXI. DERDE BOEK.—DE STICHTING DER STAD. I. II. III. IV. V. VI. VII. VIII. IX. X. XI. XII. XIII. XIV. XV. XVI. XVII. XVIII. XIX. XX. XXI. XXII. XXIII. XXIV. VIERDE BOEK.—DE JONGE KONINGINNEN. I. II. III. IV. V. VI. VII. VIII. IX. X XI. XII. XIII. XIV. XV. XVI. XVII. XVIII. VIJFDE BOEK.—DE PARINGSVLUCHT. I. II. III. IV. V. VI. VII. VIII. IX. X. XI XII. ZESDE BOEK.—DE DARRENSLACHT. I. II. III. ZEVENDE BOEK.—DE VOORUITGANG DER SOORT. I. II. III. IV. V. VI. VII. VIII. IX. X. XI. XII. XIII. XIV. XV. XVI. XVII. XVIII. XIX.