MAURICE MAETERLINCK (continued 3)
G. M. Van Der Wissel-Herderschee translation
Kunnen ze dien door alle hinderpalen heen ontdekken? Nemen ze bepaalde herkenningsteekenen te baat om zich te oriënteeren, of wel bezitten ze dat bijzondere en nog weinig bekende zintuig, dat wij aan sommige dieren toeschrijven b.v. aan zwaluwen en duiven, en dat het zintuig voor de richting genoemd wordt? De proeven van J.H. Fabre, van Lubbock en vooral van Romanes (in de Natuur, 29, Oktober 1886) schijnen uit te maken, dat ze niet geleid worden door dit merkwaardig instinkt.
Van een anderen kant heb ik meer dan eens geconstateerd, dat ze niet veel aandacht verleenen aan den vorm of de kleur van den korf. Ze schijnen er meer op te letten, hoe de plank waarop hun huis rust, er gewoonlijk uitziet, op de plaatsing van den ingang en het landings-plankje[1]. Doch zelfs dit is bijkomstig, en indien men tijdens de afwezigheid der honing-draagsters den gevel hunner woning van boven tot onder wijzigt, dan komen ze evengoed onmiddellijk daarop af van uit de diepten van den horizont, en leggen eerst eenige aarzeling aan den dag op het oogenblik dat ze den onherkenbaren drempel zullen overschrijden. Hunne wijze van zich te oriënteeren schijnt voor zoover onze proeven ons daarover een oordeel toelaten, veeleer gebaseerd op een buitengewoon nauwkeurig opnemen van allerlei kleine kenmerken. Niet den korf zelf herkennen ze, maar zijn plaatsing met betrekking tot de voorwerpen in de omgeving, tot op drie vier millimeter benaderd. En dit kenmerk is zoo merkwaardig, zoo mathematisch zeker en zoo diep in hun geheugen gegrift, dat alle werkbijen, als men den korf, nadat ze vijf maanden in een donkeren kelder hebben overwinterd, weer op zijn plankje zet doch iets meer naar rechts of links dan vroeger, bij hunnen terugkeer van de eerste bloemen, zonder zich door iets te laten afleiden rechtstreeks naar de plaats zullen vliegen, waar de korf het vorige jaar stond, en niet dan tastend eindelijk het verplaatste vlieggat vinden. Men zou kunnen meenen, dat de ruimte den ganschen winter het onuitwischbaar spoor hunner tochten had vastgehouden, en dat het paadje, waar langs ze zich volijverig voortbewogen, in den hemel bleef gegrift.
Wanneer men dan ook een korf verplaatst, verdwalen vele bijen, tenzij er sprake is van een groote reis en het geheele landschap, dat ze door en door kennen tot drie of vier kilometer in 't rond, veranderd is, of tenzij men er voor gezorgd heeft een plankje, een stukje dakpan of een of andere belemmering voor het vlieggat te plaatsen, waardoor ze gewaarschuwd worden, dat er iets is veranderd, en ze zich op nieuw moeten oriënteeren en het juiste punt bepalen.
III.
Nadat we dit gezegd hebben, keeren we terug naar onze stad, die op nieuw wordt bevolkt, waar onophoudelijk nieuwe wiegen opengaan en zelfs de substantie der muren in beweging komt. Deze stad heeft echter nog geene koningin. Aan de kanten van een der middelste raten verheffen zich zeven à acht zonderlinge gebouwtjes, die op de golvende vlakte der gewone cellen doen denken aan de protuberances en kringen, die de photographieën der maan zoo vreemd maken. 't Zijn een soort capsules van ruwe was of hangende, volkomen gesloten eikels, die de plaats van drie of vier werkbijen-cellen innemen. Gewoonlijk liggen ze in een groep bijeen en een sterke, buitengewoon bezorgde en oplettende wacht behoedt dit gebied, dat een soort ontzag schijnt in te boezemen. Daar komen de moeders tot ontwikkeling. In ieder dezer huisjes is vóór het vertrek van den zwerm een eitje neergelegd, 't zij door de moeder zelve, 't zij nog waarschijnlijker, hoewel men er zich niet van heeft kunnen vergewissen, door de voedsters, die het daarheen overbrengen uit een of andere cel uit de buurt.
Drie dagen daarna ontwikkelt zich uit dat ei een made, waaraan men een bijzonder en zoo overvloedig mogelijk voedsel toedient; en hier kunnen we één voor één de bewegingen nagaan van een dier verrukkelijk vulgaire methoden der natuur, die wij indien het menschen gold, met den verheven naam van Fataliteit zouden omkleeden. Het kleine larfje ontwikkelt zich dank zij dit stelsel van opvoeding op een gansch bijzondere wijze, en zijn denkbeelden worden tegelijk met zijn lichaam dermate gewijzigd, dat de bij, die daaruit geboren wordt, tot een geheel ander ras van insekten schijnt te behooren.
Ze zal vier of vijf jaar leven in plaats van zes of zeven weken. Haar lijf wordt tweemaal langer, haar kleur glanziger en lichter, haar angel krom. Haar oogen zullen slechts acht à negen duizend facetten tellen in plaats van twaalf of dertien duizend. Haar brein wordt beperkter, maar haar eierstokken enorm groot, en ze zal een afzonderlijk orgaan, de zaadblaas, bezitten, die haar om zoo te zeggen tot een hermaphrodiet maakt. Ze krijgt geen der organen voor een leven van inspanning: noch zakjes om was af te scheiden, noch borstels, noch korfjes om er het stuifmeel in te verzamelen. Ze zal geen der gewoonten en geen der hartstochten kennen, die wij onafscheidelijk achten van de bij. Ze zal geen verlangen koesteren naar de zon, noch behoefte aan de open lucht, en sterven zonder een enkele bloem bezocht te hebben. Haar leven zal ze doorbrengen in de duisternis en de drukte van de groote menigte, met het onvermoeid opzoeken van wiegjes om ze te bevolken. Daarentegen zal alleen zij de onrust der liefde kennen. Ze is er niets eens zeker van, dat ze twee oogenblikken in haar leven het licht zal aanschouwen—-want het uitvliegen van den zwerm is niet onvermijdelijk—misschien zal ze slechts eenmaal gebruik maken van hare vleugels, doch dan om den minnaar te gemoet te vliegen! 't Is merkwaardig, dat zooveel dingen, dat organen, denkbeelden, verlangens, gewoonten, een gansch levenslot aldus liggen opgesloten, niet in een zaadje—dat zou het gewone wonder zijn van plant, dier en mensch—doch in een vreemde en levenlooze substantie: ineen druppel honing[1].
IV.
Ongeveer een week is verloopen sedert het vertrek der oude koningin. De koninklijke nymphen, die in de hulsels slapen, zijn niet allen van denzelfden leeftijd, want het is in 't belang der bijen, dat de koninklijke geboorten na elkaar plaats hebben, op de tijden dat ze beslissen of er een tweede, derde of zelfs wel een vierde zwerm uit den korf zal vertrekken. Reeds eenige uren zijn ze bezig de wanden van de rijpste moederwieg langzamerhand dunner te maken, en de jonge koningin, die van binnen uit tegelijkertijd het ronde deksel doorknaagt, steekt haar kopje er uit, komt halverwege te voorschijn en met behulp van de verpleegsters, die dadelijk komen aanloopen, haar afvegen, schoonmaken en liefkoozen, wikkelt ze zich los en doet hare eerste schreden op de raat. Evenals een pasgeboren werkbij is ze bleek en nog wankel op hare pootjes, maar na verloop van een minuut of tien worden deze steviger en daar ze wel voelt, dat ze niet de eenige is, dat ze haar rijk moet veroveren, dat er hier of daar mededingsters schuilen, loopt ze vol onrust langs de wanden van was om deze op te sporen. Hier komen de wijsheid en de geheimzinnige besluiten van het instinkt, van den geest des bijenkorfs, of van de vergaderde werkbijen tusschenbeide. 't Geen het meest verrast als men in een observatie-korf den loop dezer gebeurtenissen met de oogen volgt, is dat men nooit de minste aarzeling, de minste verdeeldheid waarneemt. Nergens eenig spoor van tweedracht of verschil van meening. Daar heerscht niets dan een reeds te voren ingestelde eensgezindheid, dit is de atmosfeer van dezen staat, en iedere bij schijnt reeds bij voorbaat te weten, wat alle anderen denken. Toch is dit een hoogst gewichtig oogenblik voor hen, 't is om zoo te zeggen de minuut waarvan leven of dood afhangen. Ze moeten weten welke partij te kiezen uit drie of vier mogelijkheden, die ver-reikende gevolgen zullen hebben, welke onderling totaal verschillen en door eene kleinigheid noodlottig kunnen worden. Ze moeten de passie of de ingeschapen plicht van het vermeerderen der soort met het behoud van den moederstok en diens afstammelingen weten te verzoenen. Een enkelen keer vergissen ze zich; ze laten drie of vier zwermen na elkaar uitvliegen, die den moederstaat totaal uitputten en zelf te zwak zijn om zich snel genoeg te organiseeren, zoodat ze worden overvallen door ons klimaat, dat niet het oorspronkelijk klimaat is waaraan de bijen ondanks alles de herinnering blijven behouden, en bezwijken bij het intreden van den winter. Dan vallen ze als slachtoffers van de zwerm-koorts, die even als onze gewone koorts een soort al te sterke reactie van het leven is, een reactie, die haar doel voorbijstreeft, den kring afsluit en den dood vindt.
V.
Geen der besluiten, die ze zullen nemen, schijnt zich met dwingende noodzakelijkheid op te dringen, en als de mensch eenvoudig toeschouwer blijft, kan hij niet voorzien, wat ze zullen kiezen. Maar een bewijs dat er altijd overleg is bij deze keuze is hierin gelegen, dat hij daarop invloed kan uitoefenen, ja zelfs die keuze bepalen, door enkele omstandigheden te wijzigen, b.v. door de ruimte die hij toestaat kleiner of grooter te maken, of volle honingraten weg te nemen en er leege voor in de plaats te stellen, welke voorzien zijn van werkbij-cellen.
De zaak is dus, dat ze weten, niet of ze dadelijk een tweeden en derden zwerm zullen uitzenden—dat zou vrij wel enkel een blind besluit zijn, een gevolg van den gril of het onbezonnen verlangen van een gunstig oogenblik de zaak is, dat ze op het oogenblik, eenparig, maatregelen treffen, die hen zullen vergunnen drie of vier dagen na de geboorte der eerste koningin een tweeden zwerm uit te zenden, en een derde drie dagen na het vertrek der jonge koningin aan het hoofd van dezen tweeden zwerm. Niemand zal kunnen ontkennen, dat we hier een geheel systeem, een gansche combinatie van voorzorgsmaatregelen aantreffen, die, vooral als men denkt aan de kortheid van hun leven, een geruimen tijd in beslag nemen.
VI.
Deze maatregelen betreffen de bewaking der jonge koninginnen, die nog begraven liggen in hunne gevangenis van was. Ik veronderstel, dat de bijen het verstandiger oordeelen geen tweeden zwerm uit te zenden. Hier doen zich dus weer twee mogelijkheden voor. Zullen ze aan de eerstgeborene der koninklijke maagden, aan haar, die wij hebben zien uitkomen, toestaan hare vijandelijke zusteren te vernietigen, of wel zullen ze wachten totdat deze de gevaarlijke plechtigheid van de "parings-vlucht" heeft volbracht, waarvan de toekomst van het volk kan af hangen? Dikwijls wettigen ze den onmiddellijken moord, dikwijls ook verzetten zij er zich tegen, maar 't laat zich gemakkelijk begrijpen, dat het moeielijk is uit te maken of dit gebeurt met het oog op een tweeden zwerm, of op de gevaren van de "parings-vlucht"; want meer dan eens heeft men waargenomen, dat ze, na tot een tweeden zwerm te hebben besloten, plotseling daarvan afzagen en heel het voorbestemde nakroost vernietigden, 't zij omdat de tijden ongunstiger waren geworden, 't zij om eenige andere reden, die we niet kunnen opsporen. Doch stel dat ze het nuttig hebben geoordeeld van het zwermen af te zien en de gevaren van de "parings-vlucht" te aanvaarden. Wanneer nu onze jonge koningin, aangevuurd door haar verlangen, het gebied van de groote wiegen nadert, dan wijkt de wacht ter zijde om haar vrijen doortocht te laten. Ten prooi aan haar woedende jaloezie werpt ze zich op de eerste koninginne-cel, die ze aantreft en doet met tanden en pooten al haar best om de was te breken. Ze slaagt er in, rukt met geweld de pop er uit, die in die woning rust, wikkelt de slapende prinses los en als haar mededingster reeds kenbaar is, keert ze zich om, steekt haar angel in de open cel en boort als waanzinnig dezen daarin, totdat de gevangene bezwijkt onder de wonden van het giftig wapen. Dan komt ze tot rust, en vindt voldoening in den dood, het mysterie, dat aan den haat van alle wezens grenzen stelt, trekt haar angel in, valt op een andere cel aan, opent die om er echter voorbij te gaan als zeer enkel een onvolgroeide larf of nymph in vindt, en gaat zoo voort tot op het oogenblik, dat ze hijgend en uitgeput bemerkt, dat hare tanden en nagels machteloos langs de wanden van was afglijden.
De bijen rondom haar zien hare woede aan zonder er in te deelen en gaan haar uit den weg om haar het veld vrij te laten; maar zoodra een cel is doorboord en verwoest komen ze aanloopen, halen het lijk, het nog levende larfje of de gepijnigde nymph er uit, gooien ze uit den korf, en proppen zich gretig vol met de kostelijke koninklijke pap, die den bodem van de cel overdekt. En daarna, als hunne uitgeputte moeder hare woede laat varen, voleindigen zij zelven den moord der onschuldigen, en het vorstelijk ras heeft met zijne woonplaatsen opgehouden te bestaan.
Met de executie der darren, die overigens meer is te verontschuldigen, is dit de afschuwelijke ure van den bijenkorf, de eenige waarin de bijen aan tweedracht en dood verlof geven hunne woningen te overmeesteren. En, zooals het zoo vaak in de natuur voorkomt, zijn het juist de door de liefde bevoorrechten, die de buitengewone pijlen van een gewelddadigen dood op zich zien gericht.
Enkele malen, doch uiterst zelden daar de bijen voorzorgsmaatregelen nemen om dit geval te voorkomen, enkele malen gebeurt het, dat twee koninginnen tegelijkertijd uitkomen. Dan heeft onmiddellijk bij het verlaten van de wieg de doodelijke kamp plaats, waarvan Huber voor het eerst een merkwaardige bijzonderheid heeft opgeteekend: telkens wanneer de beide maagdelijke koninginnen in hun curas van sits bij hun uitval zulk een stelling innemen, dat ze bij het steken met hun angel elkaar weerkeerig zouden doorboren dan is het, juist als bij de gevechten in de Ilyas, alsof den god of godin, wellicht de god of de godin van het ras, tusschen beide komt; door een zelfden schrik bevangen, gaan de beide strijdende partijen uiteen en ontvluchten elkaar geheel ontdaan, om kort daarna elkander weer te zoeken en opnieuw uiteen te gaan indien de dubbele ramp opnieuw de toekomst van hun volk bedreigt; totdat het aan een van beiden gelukt hare onvoorzichtige of onhandige mededingster te verrassen, en haar te dooden zonder gevaar voor zichzelve, want de wet van de soort eischt slechts één offer.
VII.
Wanneer de jeugdige vorstin op deze wijze de wiegen heeft vernield of hare mededingster gedood, wordt ze door het volk erkend, en om in waarheid te regeeren en zich behandeld te zien evenals vroeger hare moeder, blijft haar niets meer overig dan hare paringsvlucht te volbrengen; want de bijen bemoeien zich weinig met haar en bewijzen haar weinig eer zoolang ze nog onbevrucht is. Dikwijls echter is hare geschiedenis minder eenvoudig, en slechts zelden weerstaan de werkbijen hun verlangen een tweeden keer te zwermen.
In dit geval komt ze evenals in het eerste, en gedreven door hetzelfde voornemen, naar de koninklijke cellen toe, doch in plaats van daar onderworpen dienaressen te vinden, die haar aanmoedigen, stuit ze op een sterke vijandelijke macht, die haar den weg verspert. Opgewonden, en steeds aangedreven door haar idée fixe, wil ze zich met geweld een doortocht banen of een anderen weg inslaan, doch overal ontmoet ze schildwachten, die de slapende prinsessen bewaken. Ze wil doorzetten, doet een nieuwen aanval, doch met steeds meer kracht stoot men haar terug en mishandelt haar zelfs, tot ze eenigszins vaag begint te begrijpen, dat die kleine werkbijen een wet vertegenwoordigen, waarvoor de wet die haar aandrijft moet wijken.
Eindelijk verwijdert ze zich, en in haar nog niet gekoelde drift loopt ze van raat tot raat onder het aanheffen van dien eigenaardigen krijgszang of dreigende klacht, die iedere bijenhouder kent en die gelijkt op den zilveren klank van een verwijderde trompet; dit geluid van onmacht en verbittering is zóó krachtig, dat men het vooral 's avonds, op drie of vier meter afstands door de dubbele wanden van den korf heen hoort, al is die ook nog zoo goed gesloten.
Deze koninklijke kreet heeft een magischen invloed op de werkbijen. Hij vervult hen met een soort van eerbiedigen schrik of verbijstering, en wanneer de koningin hem doet weerklinken over de cellen waarvan men haar verwijderd houdt, dan staan de wachten die haar omringen en lastig vallen plotseling stil, buigen het hoofd, en wachten onbewegelijk, of hij niet zal ophouden te weerklinken. Overigens meent men, dat juist door de overmacht van dezen kreet, dien hij nabootst, de Doodshoofd-vlinder in de korven kan komen om zich aan honing te goed te doen, zonder dat de bijen er aan denken hem aan te vallen.
Twee of drie, en soms wel vijf dagen achtereen worden deze klaagtonen der gesmade aldus gehoord, die de in bescherming genomen pretendenten ten strijde oproepen. Ondertusschen komen deze tot ontwikkeling, willen op hunne beurt het licht aanschouwen en beginnen de deksels hunner cellen te doorknagen. Groote wanorde bedreigt de republiek. Doch toen de genius van den korf zijn besluit nam, heeft hij alle gevolgen daarvan overzien en de bewaaksters, die goed op de hoogte zijn, weten van uur tot uur wat hun te doen staat om de onverhoedse stooten van het gedwarsboomd instinkt te pareeren en twee vijandelijke krachten tot een zelfde doel te doen samenwerken. Ze weten, dat de jonge koninginnen, die naar het geboorte-uur verlangen, indien ze er in slaagden te ontsnappen, in de handen hunner reeds onoverwinnelijke oudere zuster zouden vallen, die ze een voor een zou vernietigen. Terwijl dus een der ingesperden van binnen de poorten harer gevangenis afknaagt, bedekken zij die van buiten met een nieuwe laag was, en de ongeduldige zet hardnekkig haar werk voort zonder liet minste vermoeden, dat ze te doen heeft met een betooverden hinderpaal, die uit de puinhoopen steeds nieuw verrijst. Onderwijl hoort ze de uitdagende kreten van hare mededingster, en daar ze haar bestemming en hare koninklijke plichten reeds kent nog vóór ze een blik heeft kunnen werpen op het leven en weet wat een bijenkorf is, beantwoordt ze die heldhaftig van uit hare gevangenis. Daar echter hare kreten de wanden van een grafgewelf moeten doordringen, klinken ze geheel anders, dof, hol, en de bijenhouder die 's avonds, wanneer op de velden alle geluid verstomt en het zwijgen der sterren begint, de wonderbare steden komt ondervragen, herkent en begrijpt de beteekenis van deze samenspraak tusschen de ronddwalende maagd en de gevangenen.
VIII.
Overigens is zulk een lange opsluiting gunstig voor de jonge koninginnen, die als ze uitkomen rijp en reeds krachtig zijn en klaar om hunne vlucht te nemen. Van een anderen kant heeft het wachten de vrije koningin sterker gemaakt en haar in staat gesteld de gevaren eener reis te doorstaan. De tweede zwerm of nazwerm verlaat dan de woning met de eerstgeborene onder de koninginnen aan zijn spits. Onmiddellijk na haar vertrek bevrijden de in den korf achtergebleven werkbijen een der gevangenen, die dezelfde moorddadige pogingen doet, dezelfde kreten van toorn uitstoot, om op hare beurt drie dagen later den korf te verlaten aan het hoofd van een derden zwerm en zoo maar voort ingeval van zwerm-koorts, totdat de moederstad totaal is uitgeput.
Swammerdam haalt een korf aan, die door zijn eigen zwermen en het zwermen van die zwermen, dertig kolonies gaf in één enkel seizoen.
Zulk een buitengewone vermenigvuldiging wordt vooral aangetroffen na een slechten winter, alsof de bijen, die altijd voeling hebben met de geheime wenschen der natuur, zich bewust waren van het gevaar, dat de soort bedreigt. In normale tijden is deze koorts echter vrij zeldzaam in krachtige en goed bestuurde korven. Vele zwermen maar eens en verscheidene zelfs in geheel niet.
Gewoonlijk zien de bijen na den tweeden zwerm van een verdere verdeeling af, 't zij ze de geduchte verzwakking van den moederstok opmerken, 't zij het betrekken van den hemel hun voorzichtigheid voorschrijft. In dat geval staan ze toe, dat de derde koningin de gevangenen vermoordt, en het gewone leven gaat weer zijn gang en wordt met te meer ijver opgevat daar de werkbijen alle zeer jong zijn, de korf verarmd is en ontvolkt, en er voor den winter groote leemten zijn aan te vullen.
IX.
Het vertrek van den tweeden en derden zwerm is juist zooals die van den eersten en alle omstandigheden zijn gelijk, behalve dat er minder bijen zijn, dat de troep minder omzichtig is en geen verkenners heeft, en dat de jonge, maagdelijke, vurige en lichte koningin veel verder vliegt en reeds bij de eerste pleisterplaats haar volk tot op grooten afstand van den korf heeft meegevoerd. Voeg er nog bij, dat deze tweede en derde uittocht veel vermeteler zijn en dat het lot dezer zwervende kolonies zeer hachelijk is. Als vertegenwoordigster der toekomst hebben ze enkel een onvruchtbare koningin aan hun spits. Hun gansche bestaan hangt af van de op handen zijnde paringsvlucht. Een voorbijvliegende vogel, enkele regendruppels, een koude wind, een vergissing, en het onheil is onherstelbaar. Dit weten de bijen zóó goed, dat ze, wanneer ze een toevluchtsoord gevonden hebben, ondanks hunne reeds groote gehechtheid aan de woning die eerst sedert een enkelen dag de hunne is, ondanks het aangevangen werk, dikwijls alles in den steek laten om hunne jeugdige souvereine te vergezellen bij het zoeken van een minnaar, om hunne oogen onafgewend op haar gevestigd te houden, haar te omgeven en te omhullen met duizenden liefderijke vleugeltjes, of met haar te gronde te gaan indien de liefde haar zóó ver van den nieuwen korf doet afdwalen, dat de nog ongewone terugweg vervluchtigt en verdwijnt uit hun aller geheugen.
X
Zóó sterk is echter de wet der toekomst, dat geen enkele bij aarzelt met het oog op deze onzekerheid en dit doodsgevaar. Een zelfde geestdrift voor een tweeden en derden zwerm als voor een eersten. Wanneer de moederstaat zijn besluit beeft genomen, dan vindt ieder dezer gevaarlijke jonge koninginnen een troepje werkbijen gereed haar lot te deelen en haar te vergezellen op haar reis, waarbij veel te verliezen en niets te winnen is dan de hoop op voldoening van een instinkt. Wie geeft hun de energie, die wij nimmer bezitten, om met het verleden te breken als met een vijand? Wie kiest uit de massa degenen, die moeten gaan en wie wijst aan welke zullen achterblijven? Niet die of die klasse vertrekt of blijft, hier zijn het de jongsten, daar de oudsten, rondom iedere koningin, die heengaat om niet terug te keeren, verdringen zich zeer oude honingdraagsters naast kleine werkbijtjes, die zich voor het eerst wagen in het duizelingwekkende azuur. 't Is evenmin het toeval, de gelegenheid of een voorbijgaande opwelling van geestdrift of van ontmoediging door een gedachte, instinkt of gevoel, waardoor de betrekkelijke grootte van een zwerm wordt bepaald. Herhaaldelijk heb ik er mij op toegelegd, te berekenen welke verhouding er bestond tusschen het aantal bijen van den zwerm en van degenen die achterblijven; en hoewel de moeielijkheden aan de proef verbonden het verkrijgen van mathematische zekerheid beletten, heb ik toch kunnen constateeren dat deze verhouding, als men mede rekening houdt met het broedsel, dus met de op handen zijnde geboorten, constant genoeg was om een werkelijke en geheimzinnige berekening van den genius des bijenkorfs te doen vermoeden.
XI.
We zullen niet alle avonturen dezer zwermen nagaan, het zijn er vele, en dikwijls zeer ingewikkelde. Somtijds vallen twee zwermen samen, een andermaal gebeurt het in de verwarring van het heengaan, dat twee of drie der gevangen koninginnen aan het toezicht der bewaaksters ontsnappen en zich voegen bij den zich vormenden tros. Weer een andermaal maakt een der jonge koninginnen gebruik van de zwermingsvlucht om, waar ze zich van darren omringd ziet, zich te laten bevruchten en dan voert ze heel haar volkje mee tot op een buitengewone hoogte en afstand. In de praktijk van de bijenteelt brengt men deze tweede en derde zwermen naar den moederstok terug. De koninginnen vinden elkaar terug in den bijenkorf, de werkbijen scharen zich rondom de strijdenden en wanneer de beste heeft gezegevierd, verwijderen zij in hun afkeer van wanorde en hun lust tot werken de lijken, sluiten de deur voor toekomstige daden van geweld, vergeten het verleden, keeren terug naar hunne cellen, en gaan op nieuw den vreedzamen weg op naar de bloemen, die hen wachten.
XII.
Om ons verhaal te vereenvoudigen zullen we de geschiedenis van de koningin weer opvatten, waar we die hadden afgebroken, daar waar de bijen haar hadden toegestaan hare zusters in de wieg te dooden. Zooals ik reeds gezegd heb verzetten ze zich dikwijls tegen dezen moord, ook zelfs wanneer ze niet het voornemen schijnen te koesteren een tweeden zwerm uit te zenden. Dikwijls ook hechten zij er hunne goedkeuring aan, want de staatkundige geest der korven van een zelfden bijenstand is even verschillend als die der menschen-volken van een zelfde vastland. Doch zeer zeker begaan ze een onvoorzichtigheid door hem te wettigen. Komt de koningin om of verdwaalt ze bij hare parings-vlucht, dan blijft er niemand over om haar te vervangen, en de larven der werkbijen zijn al over den leeftijd om nog in koninklijke herschapen te kunnen worden. Maar enfin, de onvoorzichtigheid is begaan en dus is de eerste, die uitkomt, de eenige en erkende heerscheres in de gedachten haars volks. Toch is ze nog maagd. Om gelijk te worden aan de moeder, die zij vervangt, moet ze in de eerste twintig dagen na hare geboorte een ontmoeting hebben met het mannetje.
Wordt door een of andere oorzaak deze ontmoeting vertraagd, dan blijft ze onherroepelijk maagd. Toch is ze zooals we gezien hebben niet onvruchtbaar, al is ze maagd. Hier staan we tegenover die groote anomalie, die wonderlijke voorzorgsmaatregel of gril van de natuur, die men parthenogenesis noemt, en die een zeker aantal insekten met elkaar gemeen hebben, te weten de boomluizen, de stofvleugelige insekten van het geslacht Psyche, de Hymenopteren van den stam der Cynipides, enz. De koningin-maagd kan dus eieren leggen als ware zij bevrucht, maar uit alle eieren die ze legt, in groote of kleine cellen, zullen enkel darren geboren worden, en daar deze nimmer werken, enkel op kosten der wijfjes leven, zelfs nooit honing gaan zoeken voor zich zelven en niet in hun onderhoud kunnen voorzien, volgt slechts weinige weken na den dood van de laatste afgetobde werkbij, de volledige ondergang der kolonie. Uit de maagd zullen duizenden mannetjes geboren worden, en ieder dezer mannetjes bezit millioenen zaadlichaampjes, waarvan er geen enkel in haar organisme is kunnen binnendringen. Dat is zoo men wil niet wonderlijker dan duizend andere analoge verschijnselen; want als men zich bezighoudt met deze problemen, voornamelijk met die van de voortplanting, waarbij het wonderlijke en verrassende van alle kanten opduiken, nog veel overvloediger en nog veel minder volgens menschelijke wetten dan in de wonderbaarlijkste tooversprookjes, dan wordt na verloop van korten tijd de verbazing zoo iets gewoons, dat men er vrij spoedig de notie van verliest. Toch was het feit de moeite waard te worden opgeteekend. Doch van een anderen kant, hoe in het reine te komen met de bedoeling der natuur, die aldus de darren, welke zoo noodlottig zijn, begunstigt ten koste der zoo noodzakelijke werkbijen? Is ze bang, dat anders het verstand der wijfjes hen er toe brengen zou het aantal dezer nadeelige parasieten, die nu eenmaal onvermijdelijk zijn voor de instandhouding der soort, buitensporig te verminderen? Is het uit overdreven reactie tegen den ramp van een onvruchtbare koningin? Behoort het tot die al te geweldige en blinde voorzorgsmaatregelen, die de oorzaak van het kwaad niet kennen, met het geneesmiddel het doel voorbijschieten, en om een lastig geval te vermijden, een ramp teweegbrengen? In werkelijkheid—doch laat ons niet vergeten, dat het niet geheel en al de natuurlijke en oorspronkelijke werkelijkheid is, daar de kolonies in de primitieve wouden veel meer verspreid moeten geleefd hebben dan tegenwoordig, in werkelijkheid ligt het bijna nooit aan gebrek aan mannetjes, wanneer een koningin niet is bevrucht, want deze zijn altijd talrijk en komen van zeer verre. Veeleer hebben koude of regen haar te lang in den korf opgesloten gehouden, en nog vaker de onvolkomenheid harer vleugeltjes, waardoor ze niet in staat is tot de hooge vlucht, die vereischt wordt door het orgaan der darren. Nochtans legt de natuur, zonder rekening te houden met deze meer reëele oorzaken, zich met hartstocht toe op het vermenigvuldigen der darren. Ze brengt zelfs nog andere wetten in beroering om er te verkrijgen en somtijds vindt men zelfs in een verweesden korf twee of drie werkbijen, die zoo sterk worden geprikkeld door het verlangen naar instandhouding der soort, dat ze zich ondanks hunne verminkte eierstokken inspannen om eieren te leggen, hunne organen eenigszins zien opleven onder den drang van dit tot het uiterste geprikkeld gevoel, en er werkelijk in slagen eenige eieren voort te brengen; doch ook uit deze eieren ontstaan evenals uit die der maagd-moeder, enkel darren.
XIII.
Hier betrappen we op heeterdaad een hoogeren doch misschien onvoorzichtigen wil, die met zijn tusschenkomst den van verstand getuigenden wil van sommige levens met onweerstaanbare kracht tegenwerkt. Dergelijke interventies zijn in de wereld der insekten vrij veelvuldig en het is merkwaardig ze daar te bestudeeren. Daar deze wereld rijker bevolkt en samengestelder is dan de overigen kan men sommige wenschen der natuur daar nog beter waarnemen en men verrast haar daar te midden van allerlei proefnemingen, die men voor onvoltooid zou kunnen houden.
Zoo heeft ze b.v. één grooten wensch, dien ze overal aan den dag legt,—te weten: de verbetering van iedere soort door het overleven van den sterkste. Gemeenlijk is de strijd goed georganiseerd. Het doodenoffer der zwakken is enorm groot, dat kan haar weinig schelen ingeval de belooning van den overwinnaar maar ontwijfelbaar en zeker is. Doch er zijn gevallen, waarin men zeggen zou, dat ze nog niet den tijd heeft gehad hare combinaties weer te ontbinden, waarbij het lot van den overwinnaar al even rampzalig is als dat der overwonnenen. En om bij onze bijen te blijven, in dit opzicht ken ik niets treffenders dan de geschiedenis der triongulins der Sitaris Colletis. Men zal trouwens zien, dat verscheidene bijzonderheden dezer geschiedenis niet zoo vreemd zijn aan die van den mensch als men geneigd zou zijn te meenen.
Deze triongulins zijn de primaire larven van de parasiet eener wilde, afgezonderd levende bij met een stompe tong, de Colletis, die haar nest bouwt in onderaardsche gangen. Voor de opening dezer gangen loeren ze op de bij en ten getale van drie, vier, vijf en somtijds meer klampen ze zich aan haar haren vast en gaan op haar rug zitten. Had de strijd der sterken tegen de zwakken op dit oogenblik plaats, dan zou er verder niets over te zeggen vallen en alles zou zijn verloop hebben volgens de algemeene wet. Maar, waarom weet men niet, hun instinkt wil en bijgevolg beveelt de natuur, dat ze zich rustig houden zoo lang ze op den rug der bij zitten. Terwijl deze de bloemen bezoekt, haar cellen bouwt en van levensmiddelen voorziet, wachten ze geduldig hun tijd af.—Maar zoodra er een ei is gelegd springen alle er op, en de onschuldige Colletis sluit de goed van levensmiddelen voorziene cel zorgvuldig dicht, zonder te vermoeden, dat ze er tevens den dood harer nakomelingschap in opsluit.
Zoodra de cel dicht is begint onmiddellijk rondom het ééne ei de onvermijdelijke en heilzame strijd der natuurlijke teeltkeus tusschen de triongulins. De sterkste of handigste grijpt zijn tegenstander bij zijn gevoeligste plaats, beurt hem boven zijn kop en houdt hem zóó uren lang in zijn kaken totdat hij bezwijkt. Doch gedurende dezen kamp heeft een andere triongulin, die óf nog alleen over was óf zijn mededinger reeds overwonnen heeft, zich meester gemaakt van het ei en is er aan begonnen. Dan moet de laatste overwinnaar het nog klaar spelen met dezen nieuwen vijand, wat hem niet moeielijk valt, want de triongulin, die een honger heeft te stillen welke reeds van vóór zijn geboorte dateert, hecht zich zóó hardnekkig aan zijn ei, dat hij aan geen zelfverdediging denkt.
Eindelijk is ook hij gedood en is de ander alleen met het zoo kostbare en met zooveel moeite veroverde ei. Begeerig steekt hij zijn kop in de door zijn voorganger gemaakte opening en zet zich aan den langen maaltijd, die hem in een volkomen insekt zal herscheppen, en hem de noodige middelen moet verschaffen om uit de cel te komen, waarin hij is opgesloten. De natuur echter, die deze proef van den strijd verlangt, heeft van een anderen kant het loon van deze zegepraal met zoo karige nauwgezetheid berekend, dat een ei juist voldoende is voor het voedsel van een enkelen triongulin. "Zoodat," zegt Mayet, wien wij het verhaal van dit verbijsterend ongeval te danken hebben, "zoodat onze overwinnaar al het voedsel mist, dat zijn laatste vijand vóór zijn dood heeft verzwolgen, en zoo sterft hij op zijn beurt, daar hij niet in staat is de eerste gedaanteverwisseling te doorstaan, blijft aan het vlies van het ei hangen of vermeerdert het aantal der in het zoete vocht verdronkenen met één."
XIV.
Dit geval, al is het zelden zóó goed na te gaan als hier, is niet eenig in de natuurlijke geschiedenis. Onverhuld aanschouwt men hier den strijd tusschen den welbewusten wil van den triongulin, die wenscht te leven, en den duisteren, algemeenen wil der natuur, die eveneens verlangt dat hij zal leven en zelfs dat hij zijn leven nog krachtiger en beter zal maken dan zijn eigen wil hem zou aandrijven te doen. Doch door een vreemde zorgeloosheid vernietigt die hem opgelegde verbetering het leven van den meerdere; en de Sitaris Colletis zou reeds lang verdwenen zijn, indien niet enkele individuen, afgezonderd door een toeval dat strijdt met de bedoelingen der natuur, aldus ontkwamen aan de voortreffelijke en met de toekomst rekenende wet, die overal de zegepraal der sterksten eischt.
Dus er zijn gevallen, dat de groote macht, die ons onbewust lijkt doch wel wijs moet zijn, daar het leven, dat ze organiseert en onderhoudt haar altijd in 't gelijk stelt, dus er zijn gevallen, dat deze een misgreep doet? Schiet dus hare hoogere rede, die wij aanroepen wanneer neer we de grenzen der onze bereikt hebben, schiet deze dus te kort? En indien dat zoo is, wie verhelpt dit dan weer?
Laat ons echter terugkomen op haar onweerstaanbare interventie, die den vorm der parthenogenesis aanneemt. Vergeet niet, dat deze vraagstukken, waarop wij stuiten in een wereld, die zeer ver van de onze schijnt af te staan, ons van nabij raken. Eerstens is het mogelijk, dat alles op dezelfde wijze toegaat in ons eigen lichaam, waarop we zoo trotsch zijn. De wil of de geest der natuur, die werkt in onze maag, ons hart en in het onbewuste deel onzer hersenen, zal al heel weinig verschillen van dien geest of dien wil in de meest rudimentaire beesten, planten en zelfs mineralen. En dan, wie zou durven beweren, dat een dergelijke geheime doch niet minder gevaarlijke interventie nooit voorkomt in de bewuste sfeer der menschen? Wie heeft ten slotte gelijk in het onderhavige geval, de natuur of de bij? Wat zou er gebeuren indien deze óf nog volgzamer óf nog verstandiger was, zoodat ze den wensch der natuur ten volle begreep, dezen volgde tot het uiterste, en omdat hij gebiedend darren eischt, deze ook in het oneindige vermenigvuldigde? Zou ze geen gevaar loopen hare soort te gronde te richten? Moet men aannemen, dat de natuur bedoelingen heeft, waarvan het gevaarlijk en noodlottig zou zijn, ze met al te grooten ijver op te volgen, en dat een harer wenschen deze is, dat men niet al hare verlangens moge begrijpen en volgen? Is dit misschien niet een der gevaren, die het menschdom loopt? Wij ook voeden in ons onbewuste krachten, die totaal het tegendeel willen van hetgeen ons verstand eischt. Is het goed dat dit verstand, hetwelk gewoonlijk niet meer weet waar het heen zal, nadat het den ganschen cirkel heeft afgelegd, is het goed, dat het zich schaart naast deze krachten en onverwachts ook haar gewicht daaraan komt hechten?
XV.
Hebben wij het recht uit de gevaren der parthenogenesis het besluit te trekken, dat de natuur niet altijd de rechte verhouding weet te treffen tusschen middel en doel, dat hetgeen zij wil staande houden zijn behoud somtijds te danken heeft aan andere voorzorgsmaatregelen, die ze genomen heeft tegen deze voorzorgsmaatregelen zelf, en dikwijls ook aan omstandigheden, die haar geheel vreemd zijn, en die ze niet heeft voorzien? Maar kan ze voorzien, heeft ze de bedoeling iets staande te houden? De natuur, zal men zeggen, is een woord, waarmee we het onkenbare dekken, en slechts weinige beslissende feiten geven ons het recht haar bedoeling of verstand toe te schrijven. Dat is waar. Hier leggen we de hand op de hermetisch gesloten vaten, die onze opvatting van het heelal kenmerken. Om er niet onveranderlijk datzelfde opschrift Onbekend op te plaatsen, dat ontmoedigt en het stilzwijgen oplegt, snijden wij er, al naar vorm en grootte, de woorden in: "Natuur", "Leven", "Dood", "Oneindigheid", "Selectie", "Geest der soort", en nog vele andere, evenals zij die ons zijn voorgegaan, er de namen "God", "Voorzienigheid", "Noodlot", "Belooning" aan hechtten. Dat is zoo, en niets meer zoo men wil. Maar zoo het inwendige op deze wijze al duister blijft, we hebben er althans dit mee gewonnen, dat we, nu de inschriften minder dreigend zijn, die vaten durven naderen, ze aanraken en met heilzame nieuwsgierigheid het oor daartegen te luisteren leggen.
Maar welken naam men er ook aan moge geven, dit is zeker, dat althans één dezer vaten, het grootste, datgene dat als opschrift het woordje "Natuur" draagt, een zeer reëele kracht inhoudt, de meest reëele van alle en die op onzen aardbol een verbazend groote en wonderbaarlijke hoeveelheid leven weet te onderhouden, door zóó vernuftige middelen, dat men zonder overdrijving zeggen mag, dat ze alles overtreffen, wat het genie der menschen weet tot stand te brengen. Zouden deze quantiteit en deze qualiteit ook kunnen blijven bestaan door andere middelen? Vergissen wij ons als wij meenen voorzorgsmaatregelen te zien waar misschien niets anders aanwezig is dan een gelukkig toeval, dat een millioen ongelukkig toevallen overleeft?
XVI.
't Kan zijn; maar dan leert zulk een gelukkig toeval ons lessen van bewondering, die vrij wel gelijk staan met die welke we zouden opdoen als het meer dan toeval was. Laat ons niet enkel onze aandacht schenken aan de wezens, die een schemering van verstand of bewustzijn bezitten en kunnen strijden tegen de blinde wetten, laat ons zelfs niet stilstaan bij de eerste schaduwachtige vertegenwoordigers van het beginnende dierenrijk: de Protozoën. De proeven van den beroemden microscopist M.H.J. Carter, F.R.S., toonen dat zich inderdaad reeds een wil, verlangens, voorkeur openbaren in zulke oneindig kleine embryo's als de myxomyceten; dat er bij infusiediertjes, oogenschijnlijk ontbloot van alle organisme, list wordt aangewend, zooals b.v. bij de Amoeba, die met huichelachtig geduld loert op de jonge Acineten, als ze uit het moederei te voorschijn komen, daar ze weet, dat ze op dat oogenblik nog geen giftige sprieten hebben. Deze Amoeba nu bezit noch zenuwstelsel, noch eenig waarneembaar orgaan. Laat ons regelrecht afgaan op de planten, die onbewegelijk zijn en schijnbaar afhankelijk van alle gebeurlijkheden, en zonder stil te staan bij de vleeschetende planten, de Drosera's b. v., die werkelijk net doen als dieren, liever de scherpzinnigheid bestudeeren, welke wordt aan den dag gelegd door onze eenvoudigste planten om te maken dat het bezoek eener bij noodzakelijk de kruisbestuiving ten gevolge heeft, die noodzakelijk voor hen is. Let op het wonderbare spel van rostellum en retinaculum in verband met de kleverigheid en het mathematisch en automatisch overhellen der massa pollinis (stuifmeelmassa) in de Orchis Morio, de nederige orchidee onzer velden[1]; onderzoek eens de onfeilbare bascule van de twee helmknopjes der salie, die op een bepaalde plaats het lichaam van het insekt, dat hen bezoekt, aanraken, om te maken, dat dit op zijne beurt op een nauwkeurig bepaalde plaats den stempel van een naburige bloem raakt; let verder eens op het successievelijke kartelen van de Pedicularis Sylvatica (bosch-kartelblad) en de berekeningen van haren stempel. Zodra de bij komt, zien we alle organen dezer drie bloemen in beweging geraken op de wijze van die ingewikkelde mechaniek, die men op onze dorpskermissen zien kan, en die in beweging geraakt, wanneer een behendig schutter het zwarte punt van de schijf heeft getroffen.
We zouden nog lager kunnen afdalen en, evenals Ruskin in zijn Ethics of the Dust gedaan heeft, de gewoonten, het karakter en de listen en lagen der kristallen aantoonen, hunne onderlinge twisten, wat ze doen indien een vreemd lichaam hunne plannen komt verstoren, plannen die ouder zijn dan al wat onze verbeelding maar kan bevatten, de wijze waarop ze een vijand toelaten of weren; de mogelijke zegepraal van den zwaksten over den sterksten, zoo b.v. bij het almachtige Kwarts, dat beleefd de plaats ruimt voor het nederige en huichelachtige Epidoot (een soort van porphyr) en dit vergunt zich over hem te legeren, den nu eens verschrikkelijken, dan weer bewonderenswaardigen strijd van het rotskristal met het ijzer, den regelmatigen, vlekkeloozen groei en de ongenaakbare reinheid van 't eene blok hyalith (glas-opaal) dat reeds bij voorbaat alle vlekken weert, en het ziekelijk opwassen, de klaarblijkelijke onzedelijkheid van zijn broeder, die deze vlekken aanneemt en kommerlijk voortkruipt in het ledig; we zouden de zonderlinge verschijnselen van aaneenvoeging en samengroeiing der kristallen kunnen aanhalen, waarvan Claude Bernard spreekt, enz..... Doch deze geheimen zijn ons al te vreemd. We houden ons maar aan onze bloemen, de laatste gestalten van een leven, dat nog eenige verwantschap met het onze heeft. We hebben hier niet meer te doen met dieren of insekten, aan wie wij een redelijken en eigen wil toeschrijven, krachtens welken zij zich in stand houden. Terecht of ten onrechte schrijven wij er hun geen toe. In ieder geval kunnen wij bij hen geen spoor ontdekken van die organen in welke gewoonlijk de wil, het verstand, het initiatief tot de daad ontstaan en zetelen. Bijgevolg komt al wat in hen op zoo bewonderenswaardige wijze werkt, onmiddellijk van datgene wat wij elders de Natuur noemen. 't Is niet meer het intellekt van den individu, doch de onbewuste en ongedeelde kracht, die strikken spant aan andere van haar afwijkende vormen. Zullen we daar nu uit opmaken, dat deze strikken iets anders zijn dan louter toevallige omstandigheden, die door eveneens toevallige gewoonten regel zijn geworden? We hebben daartoe nog niet het recht. Wel kan men zeggen, dat bij gebreke van dit wonderbaar samentreffen deze bloemen niet zouden hebben voortbestaan, maar dat ze zouden zijn vervangen door andere, welke geen kruisbestuiving noodig hadden, zonder dat iemand het niet-bestaan der eersten had opgemerkt, zonder dat het leven, dat over de aarde golft, ons minder onbegrijpelijk, minder verscheiden of minder verbazingwekkend was voorgekomen.
XVII.
En toch zou 't ons moeielijk vallen niet op te merken, dat daden, die er geheel en al uitzien als daden van voorzichtigheid en verstand, het gelukkig toeval te voorschijn roepen of doen voortduren. Van waar gaan zij uit? Van het voorwerp zelf of van de kracht, waaruit dit het leven put? Ik zal niet zeggen: "dat komt er weinig op aan"; integendeel, er zou ons enorm veel aan gelegen liggen, dat te weten. Maar in afwachting van het antwoord op deze vraag, of het de bloem zelve is, die er met alle krachten naar streeft het leven, dat de natuur in haar gelegd heeft, te onderhouden en te volmaken, of dat de natuur haar best doet dat deel van het leven, hetwelk de bloem heeft aangenomen, te onderhouden en te verbeteren, of eindelijk dat het toeval ten slotte het toeval regelt, pleiten talloos veel verschijnselen er voor te gelooven, dat iets hetwelk aan onze hoogste gedachten beantwoordt, bij tijden te voorschijn treedt uit een groot geheel, dat we moeten bewonderen zonder te kunnen zeggen, waar het zich bevindt.
't Lijkt ons toe alsof er somtijds iets verkeerds uit dat groot geheel te voorschijn komt. Maar al weten we ook al heel weinig, menigmaal hebben we gelegenheid op te merken, dat dit verkeerde juist een daad van voorzichtigheid is, die boven het bereik lag van onzen eersten blik. Zelfs in het kleine kringetje, dat onze oogen omvatten, kunnen we de ontdekking doen, dat zoo de natuur zich hier schijnt te vergissen, dit gebeurt omdat ze het nuttig oordeelt ginds hare schijnbare nalatigheid weer goed te maken. Ze heeft de drie bloemen, waarvan we spraken, in zoo ongunstige omstandigheden geplaatst, dat ze zichzelven niet kunnen bevruchten, doch dit is zoo omdat ze er voordeel in ziet, zonder dat wij begrijpen waarom, deze drie bloemen door hunne buren te doen bevruchten; en het genie, dat ze rechts in gebreke bleef te toonen, openbaart ze ter linkerzijde door het vernuft harer slachtoffers te scherpen. De wegen en omwegen van dezen genius blijven ons onverklaarbaar, doch zijn peil blijft steeds hetzelfde. Het schijnt te dalen door een of andere vergissing, als we aannemen dat eene vergissing mogelijk is, doch onmiddellijk daarna stijgt het weer hooger in het orgaan, dat belast is met het herstel der fout. Hoe wij ons ook wenden of keeren, het staat hooger dan wij. Het is de cirkelvormige oceaan, de onmetelijke watervlakte zonder laagste peil, waarop onze stoutste en onafhankelijkste gedachten nooit iets anders zullen zijn dan willig schuim. Heden noemen we het natuur, en morgen zullen we er misschien een anderen, vreeselijker of zachter naam voor vinden. En ondertusschen heerscht het gelijktijdig en gelijkmatig over leven en dood, en verschaft aan die beide onverzoenlijken de prachtige of gemeenzame wapenen, die zijn boezem bedreigen en sieren tevens.
XVIII.
Wat nu de vraag betreft of deze genius maatregelen neemt om te onderhouden wat leeft en zich beweegt op zijne oppervlakte, of dat men dezen zonderlingen cirkel moet afsluiten door het zeggen, dat wat zich op zijne oppervlakte beweegt, maatregelen neemt tegen den genius zelf, die het doet leven, dat blijven open vragen. We kunnen onmogelijk te weten komen of eenige soort heeft voortbestaan ondanks de gevaarlijke zorgen van dien hoogsten wil, onafhankelijk daarvan, of wel juist daardoor.
Al wat we kunnen constateeren is, dat die of die soort bestaat, en dat bij gevolg de natuur op dit punt gelijk heeft gekregen. Wie zal ons echter zeggen hoevele andere, die wij niet gekend hebben, gevallen zijn als slachtoffers, van haar verstand in zijn vergeetachtigheid of onrust? Al wat we verder nog kunnen constateeren is, welke verrassende en somtijds vijandelijke vormen het vreemde fluïdum, dat we leven noemen, aanneemt, nu eens in absolute onbewustheid, dan weder in een soort van bewustheid, het fluïdum dat ons bezielt zoo goed als al het overige, en dat onze gedachten schept, die een oordeel daarover uitspreken en onze onbeduidende stem, die haar best doet er over te praten.
VIJFDE BOEK.
DE PARINGSVLUCHT.
I.
We komen nu tot de wijze waarop de bevruchting der bijen-koningin plaats heeft. Ook hier heeft de natuur buitengewone maatregelen genomen om de paring van mannetjes en wijfjes uit verschillende moederstokken te begunstigen; een vreemde wet, die ze volstrekt niet had behoeven uit te vaardigen, een gril of misschien het gevolg van een oorspronkelijke nalatigheid, waardoor ze nu allerlei merkwaardige krachten aan 't werk moet zetten, om die te herstellen.
Waarschijnlijk zou het heelal, indien zij ook maar de helft van het genie, dat ze nu verspilt aan kruisbevruchting en sommige andere willekeurige wenschen, had besteed om het leven te verzekeren, het lijden te verlichten, den dood te verzachten en afschuwelijke rampen te vermijden, ons een minder onbegrijpelijk raadsel zijn geweest, minder erbarmelijk dan hetgeen we nu trachten te doorgronden. Maar we hebben niet te doen met wat had kunnen zijn, we hebben onze bewustheid en onze belangstelling in het bestaande te putten uit hetgeen is.
Rondom de maagdelijke koningin en met haar levende in den korf midden in de massa, bewegen zich honderden mannetjes, die altijd dronken zijn van honing, en wier eenige reden van bestaan de vereeniging der liefde is. Maar hoewel hier twee verlangens, die overal elders alle hinderpalen omverworpen, voortdurend met elkaar in aanraking zijn, heeft de paring nooit plaats in den korf, en men is er nog nooit in geslaagd, een gevangen koningin te doen bevruchten[1]. De minnaars, die haar omgeven, weten niet wat ze is, zoolang ze in hun midden woont. Zonder te vermoeden dat ze zoo juist van haar afkomen, dat ze met haar sliepen op dezelfde raten, dat ze misschien in de haast van het uitvliegen tegen haar aan zijn gebonsd, gaan ze haar zoeken in de ruimte, op de meest verborgen plaatsjes van den horizont. 't Is alsof hunne bewonderenswaardige oogen, die hun geheelen kop bedekken als een schitterende helm, haar eerst leeren kennen en begeeren, wanneer ze zweeft in het azuur. Dagelijks van elf tot drie uur, wanneer het licht zijn hoogsten glans heeft en vooral wanneer de middag tot aan de grenzen des hemels zijn groote blauwe vleugelen uitspreidt om de vlammen der zon aan te wakkeren, gaat hunne gevederde horde er haastig op uit om de echtgenoote op te sporen, die nog koninklijker en nog moeielijker te verkrijgen is dan alle ongenaakbare prinsessen uit de sprookjes, want twintig of dertig stammen omringen haar en komen uit alle naburige staten aansnellen, om een hofstoet van meer dan tien duizend pretendenten voor haar te vormen. Uit deze duizenden zal er één enkele worden uitgekozen voor één enkelen kus van ééne minuut, die hem aan het geluk maar tevens aan den dood zal huwen, terwijl alle overigen doelloos rondom het verbonden paar heenvliegen, en weldra zullen sterven zonder de begoochelende en noodlottige verschijning weer te zien.
II.
Ik overdrijf deze verrassende en dolzinnige verkwisting der natuur niet. In de beste korven telt men gewoonlijk vier of vijf honderd darren. In zwakke of verbasterde korven vindt men er dikwijls vier of vijf duizend, want hoe meer een bijenkorf ten ondergang neigt, des te meer darren brengt hij voort. Men kan zeggen dat een bijenstand van tien kolonies gemiddeld op een gegeven oogenblik een volk van tien duizend darren in de lucht verspreidt, waaronder er tien of hoogstens vijftig zijn, die kans hebben de eenige daad te volbrengen, waarvoor ze geboren worden.
En ondertusschen putten zij den voorraad der stad uit, en de aanhoudende arbeid van vijf of zes werkbijen is nauwelijks voldoende om de vraatzucht en begeerigheid van een dezer parasieten te bevredigen, die in hun nietsdoen enkel onvermoeid zijn in het eten. Doch de natuur is altijd grootsch, wanneer ze te doen heeft met de functies of de voorrechten dor liefde. Karig is ze alleen, waar het de organen en werktuigen voor den arbeid betreft. In 't bijzonder is ze heftig tegen al wat de menschen deugd hebben genoemd. Daarentegen telt ze de schatten en gunsten niet, die ze strooit op het pad ook der minst interessante gelieven. Van alle kanten roept ze: "Vereenigt u, vermenigvuldigt u, er is geen andere wet, geen ander doel dan de liefde," en ze is vrij er zachter bij te voegen:—"En leeft daarna voort als ge kunt, dat gaat mij niet meer aan". Wat men ook doet, wat men ook anders zou verlangen, overal vindt men deze zelfde moraal weer, die zoozeer afwijkt van de onze. Let nog eens op haar onrechtvaardige karigheid en onzinnige weelderigheid bij deze zelfde wezentjes. Van haar geboorte af tot aan haren dood moet de strenge honingdraagster overal heen, ver weg, naar de dichtst begroeide streken, om een massa bloemen op te sporen, die wegschuilen voor den blik. In de doolhoven der honingkelken en de geheime gangen der helmknopjes moet ze den verborgen honing en 't stuifmeel opsporen. En toch zijn hare oogen en reukorganen vergeleken met die der darren als die van een invalide. Al waren deze laatsten bijna blind en ontbloot van een reukorgaan, dan zouden ze er weinig onder te lijden hebben, ze zouden het nauwelijks weten. Ze hebben niets te doen, geen enkele prooi te vervolgen. Hun voedsel wordt hun geheel klaar voorgezet en hun leven brengen ze door met het opslurpen van den honing zoo maar van de raat, in de duisternis van den korf. Doch zij staan in dienst der liefde en de grootste en overbodigste gaven worden met volle handen in den afgrond der toekomst geworpen. Een van hen op de duizend heeft ééns in zijn leven de tegenwoordigheid der koninklijke maagd in de diepte van het azuur te ontdekken. Een op de duizend moet één enkel oogenblik in de ruimte het spoor volgen van het wijfje, dat niet tracht te ontvluchten. Dat is voldoende. De partijdige macht heeft hare ongehoorde schatten, tot in 't overdadige en onzinnige, voor hen opengesteld. Aan ieder dezer mogelijke (doch zeer onwaarschijnlijke) minnaars, waarvan er negen honderd negen en negentig gedood worden enkele dagen na het noodlottig bruiloftsfeest van den duizendste, heeft ze dertien duizend oogen gegeven aan beide kanten van den kop, terwijl de werkbij er zes duizend heeft. Ze heeft, volgens de berekeningen van Cheshire, hunne sprieten voorzien van acht duizend holten voor den reuk, terwijl de werkbij er geen vijf duizend bezit. Hier hebben we een voorbeeld van de wanverhouding, die men bijna overal kan opmerken tusschen de gaven, die ze aan de liefde verleent en die welke ze aan den arbeid toemeet, tusschen de gunsten, die ze uitstort over hetgeen het leven hooger opvoert door eenig genoegen, en de onverschilligheid waarmee ze aan zijn lot overlaat al wat geduldig zich staande houdt in moeite en kommer.
Wie naar waarheid het karakter der natuur zou willen schilderen, naar de trekken, die men aldus te zien krijgt, hij zou er iets zeer buitengewoons van maken, dat geenerlei gelijkenis zou vertoonen met ons ideaal, en toch moet ook dit uit haar voortkomen. Aan den mensch echter zijn veel te veel zaken onbekend dan dat hij dit portret zou durven onderhanden nemen; hij zou niets anders op 't doek kunnen brengen dan een groote schaduw met twee of drie lichtende punten, die echter slechts een onzeker schijnsel zouden afwerpen.
III.
Ik denk, dat slechts weinigen het geheim van het bruiloftsfeest der bijen-koningin, hetwelk gevierd wordt in de verborgen schuilhoeken van een oneindigen en schitterenden blauwen hemel, hebben geschonden. Wel echter kan men het aarzelend vertrekken der bruid en den moorddadigen terugkeer der echtgenoote waarnemen.
Ondanks haar ongeduldig verlangen kiest ze dag en uur, en wacht achter hare poorten tot een wonderschoone morgen door de groote azuren urnen in de voor haar bruiloftsfeest bestemde ruimte wordt uitgegoten. Ze kiest graag het oogenblik, waarop nog een weinig dauw bladeren en bloemen met een herinnering bevochtigt, wanneer de laatste koelte van de bezwijkende morgenschemering nog worstelt met en bijna verslagen is door de hitte des daags, als een naakte maagd in de armen van een forschen krijger, wanneer de stilte en de rozen van den naderenden middag nog hier en daar een enkelen geur van de morgen-viooltjes of een doorzichtigen kreet van den dageraad doorlaten.
Dan verschijnt ze aan den ingang, óf te midden van onverschillige honingdraagsters, die zich bedrijvig aan den arbeid begeven, of wel omgeven door opgewonden werkbijen, al naar ze zusters in den korf achterlaat of dat er geen kans meer is, haar te vervangen. Ze vliegt achteruit, keert twee of drie maal weer terug naar het plankje, en wanneer ze het uiterlijk en de juiste plaats van haar koninkrijk, dat ze nooit van buiten heeft gezien, goed in haar geest heeft opgenomen, vliegt ze als een pijl uit den boog naar het zenith van 't azuur. Zoo bereikt ze hoogten en een lichtende sfeer, waarin de overige bijen zich op geen enkel tijdstip huns levens wagen. Van uit de verte, waar ze in hun luiheid om de bloemen heen zweven, hebben de darren die verschijning opgemerkt en den magnetischen geur ingeademd, die zich verspreidt en van den een op den ander wordt overgebracht tot aan de naburige bijenstanden. Onmiddellijk verzamelen zich geheele benden en werpen zich om haar te achtervolgen in de zee van vreugde, wier doorzichtige grenzen steeds worden verplaatst. Zij, dronken van hare vlucht, en gehoor gevende aan de prachtige wet der soort, die haren minnaar voor haar kiest en wil dat alleen de sterkste haar zal inhalen in de eenzaamheid van den ether, zij stijgt nog steeds, en voor de eerste maal dringt de blauwe morgenlucht krachtig door de luchtgaten van haar lichaam en zingt als het bloed des hemels in de duizenden vertakkingen van de beide luchtbuizen, die de helft van haar lichaam innemen en zwelgen in de ruimte. Nog altijd stijgt ze. Ze moet een eenzaam gebied bereiken, dat niet meer wordt bezocht door de vogels, want dezen zouden het mysterie kunnen verstoren. Nog hooger verheft ze zich, en reeds verminderde daar onder haar de ongelijke bende, waaruit enkele zich afscheiden. De zwakken, de invaliden, de grijsaards, de onwelkome gasten en slecht gevoeden uit werkelooze of zwakke korven, geven de vervolging op en verdwijnen in het ruim. Daar in het oneindig opaal blijft nog slechts een klein, onvermoeid groepje hangen. Ze vergt een laatste stijging van hare vleugels en ziet, de door de onbegrepen macht uitverkorene ijlt op haar toe, omvat haar, dringt in haar, en gedragen door de dubbele snelheid van hun beider vlucht, dwarrelt de stijgende spiraal hunner omhelzing één seconde in de vijandige hartstochtelijkheid der liefde.
IV.
De meeste wezens hebben een onbestemd gevoel, dat een zeer onbetrouwbaar toeval, een soort van doorschijnend vlies, den dood scheidt van de liefde, en dat de diepste gedachten der natuur verlangen, dat men sterven zal op 't oogenblik waarop men leven wekt. Waarschijnlijk maakt deze erfelijke vrees de liefde van zoo groot gewicht. Hier althans wordt dit denkbeeld in zijn primitieven eenvoud tot werkelijkheid, dit denkbeeld waarvan een herinnering blijft nazweven over den kus des menschen. Zoodra de paring is voltrokken opent zich de buik van den dar, het orgaan scheurt af en neemt de massa der ingewanden met zich mee, de vleugels ontspannen zich en als had dit huwelijk hem met een bliksemschicht gedood, draait het geledigde lichaam even rond en valt in den afgrond.
Dezelfde gedachte, die straks in de parthenogenesis de toekomst van den korf aan de buitengemeene vermenigvuldiging der darren ten offer bracht, offert hier het mannetje aan de toekomst van den korf.
Deze gedachte zet ons altijd op nieuw in verbazing; hoe meer men haar zoekt te doorgronden, des te minder zekerheid krijgt men, en Darwin b.v., om dengene te noemen die van alle menschen er de meest hartstochtelijke en methodische studie van heeft gemaakt, Darwin raakt zonder het te willen bekennen bij iedere schrede meer van de wijs en krabbelt achteruit tegenover het onverwachte en onvereenigbare. Zie hem eens, als ge getuige wilt zijn van het vernederend en toch edel schouwspel van het menschelijk genie, den strijd aanbindend tegen de oneindige macht, zie hem eens in zijn pogingen om de vreemde, ongelooflijke, geheimzinnige en onsamenhangende wetten van de onvruchtbaarheid en de vruchtbaarheid der bastaardsoorten of die van de variëteiten in de karakters der soorten of geslachten te ontwarren. Nauwelijks heeft hij een regel geformuleerd of uitzonderingen zonder tal dringen op hem aan, en al spoedig mag de aangevallen regel blij zijn als hij een boekje vindt om zich in te verschuilen en onder den naam van uitzondering zijn bestaan te kunnen rekken.
Dit komt doordat in de bastaardsoorten, in de variëteiten (vooral in de gelijktijdige variëteiten, die men correlaties van groei noemt) in het instinct, in de gevallen van vitale concurrentie, in de selectie, in de geologische opvolging en de geographische verspreiding der bewerktuigde wezens, in de wederkeerige verwantschap, evenals overal elders, de gedachte der natuur uitvoerig en slordig, zuinig en kwistig, voorzichtig en onoplettend, onstandvastig en onwankelbaar, druk en onbewegelijk, één en ontelbaar, grootsch en popperig is uitgedrukt op hetzelfde oogenblik en bij hetzelfde verschijnsel. Terwijl ze het onmetelijk en maagdelijk veld van den eenvoud vóór zich had, bevolkt ze het met kleine vergissingen, tegenstrijdige wetjes, kleine lastige vraagstukken, die in het leven geen weg weten, even als blinde kudden. 't Is waar, zóó gebeurt alles in onze oogen, waarin alleen die werkelijkheid weerkaatst wordt, die zich aanpast aan onze bevatting en onze behoeften, en niets geeft ons het recht te gelooven, dat de natuur hare verkeerde oorzaken en gevolgen uit het oog verliest.
In ieder geval laat ze hun zelden toe al te ver te gaan en te naderen tot gevaarlijke en onlogische gewesten. Ze beschikt over twee krachten, die nimmer hun macht verliezen, en wanneer de verschijnselen zekere grenzen overschrijden, dan geeft ze een wenk aan leven of dood, die dan weer de orde komen herstellen en onverschillig den weg weer nieuw afbakenen.
V.
Ze ontsnapt ons aan alle kanten, veronachtzaamt de meeste onzer regels en verbreekt al onze maatregelen. Ter rechterzijde staat ze verre beneden onze gedachten, maar plotseling stijgt ze ter linker hoog als een berg. Ieder oogenblik schijnt het alsof ze zich vergist, zoowel in de wereld harer eerste proefnemingen, als in die der laatste, ik bedoel de wereld des menschen. Daar wettigt ze het instinct der duistere massa, de onrechtvaardigheid en onwetendheid van het aantal, de nederlaag van verstand en deugd, de moraal zonder verheffing, waardoor de groote stroom der soort zich laat leiden en die kennelijk lager staat dan de moraal volgens de opvatting en den wensch van een geest, die zich aansluit bij de veel klaarder rimpeling, welke zich stroomopwaarts beweegt. Vraagt echter deze zelfde geest zich in onze dagen ten onrechte af, of het niet zijn plicht is alle waarheid, bij gevolg de moreele even goed als de rest, liever in dezen chaos te zoeken dan in zichzelf, waar ze betrekkelijk zoo helder en zoo duidelijk schijnt?
Hij denkt er niet aan het verstand en de deugd van zijn ideaal, dat door zoovele helden en wijzen gewijd is, te verloochenen, doch somtijds zegt hij tot zichzelven, dat dit ideaal misschien te veel buiten de enorme massa om ontstaan is, wier veelomvattende schoonheid het beweert te vertegenwoordigen. Met volle recht heeft hij tot nu toe moeten vreezen dat hij, wanneer hij zijn moraal pasklaar maakte naar die der natuur, vernietigen zou wat voor hem juist het meesterstuk dier zelfde natuur is. Nu hij deze echter eenigszins beter kent, en nu enkele wel nog eenigszins duistere, maar toch ongedacht uitvoerige antwoorden, hem een enkelen blik deden werpen op een plan en een verstand, die hooger staan dan al wat hij had kunnen uitdenken als hij zich in zichzelf had opgesloten, nu koestert hij minder vrees, hij heeft niet meer zoo dringend behoefte aan een veilig schuilhoekje voor zijn eigen verstand en deugd. Hij oordeelt nu, dat wat zóó groot is, ons nooit zal leeren af te dalen. Hij zou gaarne weten of niet het oogenblik gekomen was om zijn principes, zijn zekerheid en zijn droomen aan een zorgvuldiger onderzoek te onderwerpen.
Ik herhaal, hij denkt er niet aan, zijn menschelijk ideaal prijs te geven. Juist datgene wat aanvankelijk van dit ideaal afkeerig wil maken, leert ons er toe terugkeeren. De natuur zou geen verkeerden raad kunnen geven aan een geest voor wien elke waarheid, die niet althans even hoog staat als de waarheid van zijn eigen verlangen, niet verheven genoeg lijkt om definitief te zijn en het groote plan waardig, dat hij zich beijvert te omhelzen. Niets verandert in zijn leven van plaats, of het moet met hem stijgen, en nog langen tijd zal hij tot zichzelf zeggen, dat hij stijgt, wanneer hij het oude beeld van het goede naderbij komt. Maar in zijn denken wijzigt zich alles met veel grooter vrijheid, en in zijn hartstochtelijke contemplatie kan hij ongestraft zóó ver afdalen, dat hij de wreedste en onzedelijkste contradicties van het leven kan lief krijgen als deugden; want hij heeft er een voorgevoel van, dat een massa opeenvolgende valleien voeren tot de hoogvlakte waarnaar hij verlangend uitziet. Deze contemplatie en deze liefde beletten niet dat hij, al zoekende naar zekerheid, en zelfs dan wanneer zijne nasporingen hem leiden naar het tegendeel van wat hij liefheeft, toch zijn gedrag regelt naar de waarheid die volgens zijn menschelijk inzicht het schoonst is en zich bij al het voorbijgaande houdt aan het allerhoogste. Al wat de deugd doet toenemen wordt onmiddellijk een deel van zijn leven; al wat haar zou doen verminderen blijft er slechts in hangen, even als die onoplosbare: zouten, die eerst bij de beslissende proef in beweging komen. Hij kan een waarheid van lager orde aannemen, maar met het handelen in overeenstemming daarmee wacht hij—eeuwen lang, indien het moet,—totdat hij ziet in welk verband deze waarheid staat tot andere waarheden, die genoeg van 't oneindige in zich bevatten om alle andere in zich op te nemen en te overtreffen.
In één woord hij maakt scheiding tusschen de zedelijke en de verstandelijke orde, en neemt in de eerste slechts datgene op wat grooter en schooner is dan vroeger. En zoo het niet goed is deze beide te scheiden, zooals men maar al te dikwijls doet in het leven om minder goed te handelen dan men denkt—het slechtere te zien en het betere te volgen, zijne gedachten te doen overtreffen door zijn daden, dat is altijd heilzaam en verstandig, want de menschelijke ervaring vergunt ons van dag na dag met te meerder vastheid te hopen, dat de hoogste gedachte waartoe we kunnen stijgen, nog langen tijd beneden de geheimzinnige waarheid zal blijven, die wij zoeken. Bovendien, al behelsde al hetgeen is voorafgegaan geenerlei waarheid, dan nog zou er een eenvoudige en natuurlijke reden voor hem overblijven om zijn menschelijk ideaal niet op te geven. Hoe meer kracht hij toekent aan de wetten, die ons zelfzucht, onrechtvaardigheid en wreedheid ten voorbeeld schijnen te stellen, des te meer erkent hij tegelijkertijd de geldigheid dier andere wetten, die aanmanen tot edelmoedigheid, medelijden en rechtvaardigheid: want zoodra hij begint de aandeelen die hij toekent aan het heelal en aan zich zelven op methodische wijze aan elkaar gelijk te maken of evenredig te verdeelen, vindt hij in die laatste wetten iets dat in den grond der zaak even natuurlijk is als in die eerste, daar ze even diep in hem zelven staan gegrift als die andere in al wat hem omringt.
VI.
We keeren terug tot de tragische bruiloft der koningin. In het voorbeeld, waarmede wij ons bezig houden, wil dus de natuur met het oog op de kruisbevruchting, dat de paring van den dar en de koningin alleen mogelijk is hoog in de lucht. Maar hare wenschen raken in elkaar verward als de draden van een net, en haar dierbaarste wetten moeten onophoudelijk tusschen de mazen van andere wetten doorsluipen, die een oogenblik later zich op hunne beurt door die der eerste moeten heen werken.
Daar ze deze zelfde lucht heeft bevolkt met tal van gevaren, koude wanden, luchtstroomingen, storm, duizeling, vogels, insekten, waterdroppels, die even goed aan onverbreekbare wetten gehoorzamen, moet ze maatregelen treffen om de paring zoo kort mogelijk te maken. En dat gebeurt door den bliksemsnellen dood van het mannetje. Eene omhelzing is voldoende, en de gevolgen van dit huwelijk spelen zich af in het lichaam van de echtgenoote.
Deze daalt van uit de blauwende hoogten weer neer tot den korf, terwijl de losgewikkelde ingewanden van den minnaar als vaandels achter haar aan wapperen. Sommige bijenhouders beweren, dat de werkbijen bij hare thuiskomst, die zoo rijk is aan beloften, groote vreugde aan den dag leggen. Büchner o.a. hangt er een uitvoerig tafereel van op. Ik heb herhaaldelijk deze thuiskomst van de bruiloft waargenomen en ik beken, dat ik niets van buitengewone opwinding bemerkt heb, behalve in die gevallen waar men te doen had met een jeugdige koningin, die aan het hoofd van een zwerm was uitgetrokken en de eenige hoop van een kortelings gestichte en nog ledige stad was. Dan zijn alle werkbijen buiten zich zelven en vliegen haar tegemoet. Maar gewoonlijk, al is er dikwijls precies even veel gevaar voor de toekomst der stad, schijnen ze haar te vergeten. Ze hebben alles voorzien tot op het oogenblik dat ze den moord der koninklijke mededingsters toestonden. Doch eenmaal op dat punt gekomen, schijnt hun instinct te stokken, 't is alsof er een gat is in hunne voorzichtigheid. Ze schijnen dus vrij onverschillig. Ze heffen don kop op, herkennen misschien het moorddadig getuigenis van de bevruchting, maar leggen, eenigszins wantrouwend, volstrekt niet die blijdschap aan den dag, die onze verbeelding verwachtte. Zeer positief en weinig geneigd zich illusies te maken, wachten ze waarschijnlijk eerst andere bewijzen af, vóór ze zich vroolijk maken. Ten onrechte wil men alle gevoelens van deze wezentjes, die zoo zeer van ons verschillen, logisch en menschelijk maken. Bij de bijen en bij alle overige dieren, die een afschijnsel van ons verstand met zich omdragen, komt men zelden tot zulke duidelijke resultaten als die welke in de boeken worden beschreven. Te veel omstandigheden blijven ons nog verborgen. Waarom zouden we hen volmaakter afbeelden dan ze zijn, door dingen te zeggen, die geen waarheid behelzen? Indien sommige menschen meenen, dat de bijen interessanter zouden zijn indien ze nog meer op ons geleken, dan komt dit doordat ze nog geen duidelijke voorstelling hebben omtrent hetgeen de belangstelling van een oprechten geest moet wekken. Het deel van den waarnemer is niet zich te verbazen maar te begrijpen, en 't is precies even merkwaardig eenvoudig de leemten aan te wijzen van een verstand en alle sporen van een hersen-systeem, dat van het onze verschilt, als er wonderen van te verhalen.
Toch is die onverschilligheid niet algemeen, en wanneer de hijgende koningin op het plankje verschijnt, dan vormen zich eenige groepen, die haar vergezellen naar die gewelven, waarin de zon, de held van alle feesten van den korf, slechts met kleine, aarzelende schreden binnendringt en de wanden van was zoowel als de gordijnen van honing in schaduw en azuur hult. Voor het overige is de jong-gehuwde al even kalm als haar volk, en in de bekrompen hersenen dezer praktische en barbaarsche koningin is geen plaats voor velerlei aandoeningen. Ze bekommert zich slechts om één ding, namelijk zich zoo spoedig mogelijk te ontdoen van de lastige souvenirs van haren echtgenoot, die haren gang belemmeren. Ze gaat vóór de poort zitten en verwijdert zorgvuldig de overbodige organen, die dadelijk door de werkbijen worden meegenomen en weggegooid; want het mannetje heeft haar alles gegeven wat hij bezat, en veel meer dan vereischt werd. Ze houdt in haar zaadblaasje enkel het zaadvocht, waarin de millioenen kiemen zwemmen, die tot aan haar uiteinde, één voor één, bij het aanraken der eitjes, in de duisternis van haar lichaam de geheimzinnige vereeniging van het mannelijke en het vrouwelijke element zullen tot stand brengen, waardoor de werkbijen geboren worden. Door een zonderlinge verwisseling verschaft zij het mannelijk, en het mannetje het vrouwelijk principe. Twee dagen na de paring legt ze haar eerste eitjes, en dan wordt ze door haar volk dadelijk met groote zorg behandeld. Van dat oogenblik af, nu ze een dubbele sexe bezit, daar ze een onuitputtelijk mannelijk element in zich besloten houdt, begint haar eigenlijk leven, ze verlaat den korf niet meer en ziet nimmer het licht meer terug, tenzij om een zwerm te vergezellen; en haar vruchtbaarheid eindigt eerst bij het naderen van haar dood.
VII.
Welk een wonderbaar bruiloftsfeest, zoo sprookjesachtig als we maar zouden kunnen bedenken daar in het volle azuur, doch zoo uitermate tragisch; door de vlucht van het verlangen over het leven heen gedragen, bliksemsnel en onvergankelijk, geheel eenig in zijn soort en verblindend, eenzaam en oneindig. Welk een wondere wellust waarbij de dood, die zijn offer komt verrassen in de maagdelijke en onbegrensde ruimte, het schoonste en klaarste wat er in deze sfeer te vinden is, deze seconde van geluk, vastlegt in de verheven doorschijnendheid van den grooten hemel, waar hij in het smetteloos licht reinigt wat toch altijd eenigszins laag is in de liefde, den kus onvergetelijk maakt, en met zijn eigen ditmaal moederlijke handen zelf zorg draagt twee kleine, brooze levens in een enkel lichaam te vereenigen en voor een lange toekomst onafscheidelijk samen te voegen, waarbij hij zich vergenoegt met het hem ten deel vallend tiende.
De diepe waarheid bezit niet zooveel poëzie, ze heeft er een andere, voor ons minder gemakkelijk te vatten, maar die we ten slotte misschien zullen leeren begrijpen en liefhebben. De natuur heeft er volstrekt niet aan gedacht, aan deze beide "raccourcis d'atôme" (deeltjes van atomen) zooals Pascal ze noemen zou, een schitterend huwelijk, een ideaal liefdes-geluk te verschaffen. Zij had enkel, zooals we reeds gezien hebben, de verbetering der soort op het oog door kruisbevruchting. Om zeker daarvan te zijn heeft ze het orgaan van het mannetje op een zóó bijzondere wijze aangebracht, dat hij er onmogelijk ergens anders dan in de ruimte gebruik van kan maken. Eerst moet hij een heelen tijd vliegen om daardoor zijn beide groote luchtbuizen flink te doen uitzetten. Deze enorme blazen, die zich geheel vullen met azuur, dringen dan de lagere deelen van het achterlijf terug en hebben de uitzetting van het orgaan ten gevolge. Dit is, wat de physiologie betreft, het gansche geheim van die bewonderenswaardige vlucht der minnenden, van die verbijsterende jacht bij dit prachtig bruiloftsfeest; vrij laag bij den grond zullen sommigen, bijna kwetsend zullen anderen zeggen.
VIII.
"En wij," zoo vraagt de dichter, "moeten wij ons dan maar steeds blijven verheugen in dingen, die de waarheid te boven gaan?"
Ja zeker, laten we ons bij iedere gelegenheid, ten allen tijde, in alle dingen blijven verheugen, niet in wat de waarheid te boven gaat, wat onmogelijk is, daar wij niet weten waar ze zich bevindt, maar in wat die kleine waarheden te boven gaat, die wij te zien krijgen. Indien een of andere herinnering, illusie, hartstocht, toeval, of welk ander motief dan ook, maakt dat een voorwerp zich voor onzen blik schooner vertoont dan voor dien van anderen, laat dan allereerst dit motief zelf ons lief zijn. Misschien berust het enkel op een dwaling: die dwaling echter belet geenszins, dat het oogenblik, waarop dit voorwerp ons het bewonderenswaardigst voorkomt, juist het oogenblik is, waarop we de meeste kans hebben, de waarheid daarvan te ontdekken. De schoonheid, die wij er aan verleenen, vestigt onze aandacht op zijn ware schoonheid en grootheid, die niet zoo gemakkelijk ontdekt worden en die gedegen zijn in de betrekking, waarin ieder voorwerp onvermijdelijk staat tot algemeene en eeuwige krachten. Het vermogen tot bewondering dat we hebben doen ontstaan naar aanleiding van eene illusie, is niet verloren voor de waarheid, die vroeger of later komen zal. Met woorden en gevoelens, met de warmte die is gewekt door denkbeeldige schoonheden van vroegere tijden, ontvangt de menschheid van heden waarheden, die misschien nooit het licht hadden aanschouwd, en nooit een gunstigen bodem hadden gevonden, indien deze prijsgegeven illusies niet eerst hart en verstand hadden verwarmd, waarin nu die waarheden nederdalen. Gelukkig de oogen, die geen illusies noodig hebben om te zien, dat het schouwspel grootsch is! En voor de overigen is het juist de illusie, die hen leert zien, bewonderen en zich verinnigen. En hoe hoog ze ook opzien, nimmer zullen ze te hoog zien. Zoodra men de waarheid nadert, verheft ze zich hooger; zoodra men haar bewondert, komt men haar nader. En hoe hoog hunne vreugde zich ook verheffe, ze zullen zich nooit verheugen in het ledig of wel boven de onbekende en eeuwige waarheid uit, die als schoonheid over alle dingen zweeft.
IX.
Wil dit nu zeggen, dat we ons maar zullen blijven houden aan de leugen, aan een willekeurige en onreëele poëzie en dat we bij gebrek aan beter daarin maar al onze vreugde moeten stellen? Wil dit zeggen, dat we in 't voorbeeld, dat we bespraken,—op zichzelf is dat niets, maar we blijven er bij stilstaan, omdat het als type kan dienen van duizend andere, en van onze gansche houding tegenover verschillende soorten van waarheden,—wil dit nu zeggen, dat we in dit voorbeeld de physiologische verklaring maar moeten wegcijferen om enkel de aandoeningen vast te houden en te smaken, in ons gewekt door deze parings-vlucht, die, wat er dan ook de oorzaak van zij, niettemin een der schoonste lyrische daden is van die belangelooze en onweerstaanbare macht, waaraan alle levende wezens gehoorzamen, en die men liefde noemt? Niets ware kinderachtiger en onmogelijker, dank zij de voortreffelijke neigingen van iederen geest in onze dagen, die te goeder trouw is.
Dit kleine feit van de uitzetting van 't orgaan der mannelijke bij, wat enkel kan plaats hebben ten gevolge van de zwelling der luchtbuizen, wordt door ons natuurlijk aanvaard, daar het niet kan worden weersproken. Maar indien we ons daarbij neerlegden, indien we in 't geheel niet verder zagen, indien we daaruit afleidden, dat iedere gedachte, die te ver of te hoog reikt, noodzakelijk verkeerd is, en dat de waarheid altijd gelegen is in de materieele bijomstandigheden; indien we niet, waar dan ook, in allerlei nog veel grooter onzekerheden dan die, welke werd verdreven door onze kleine verklaring, b.v. in het vreemde mysterie der kruis-bevruchting, in den duur der soort en van 't leven, in het plan der natuur, indien we daarin niet zochten naar een vervolg op die verklaring, naar een voortzetting der schoonheid en grootheid in het onbekende, dan zouden we, durf ik bijna beweren, verder van de waarheid ons leven leven dan zij die blindelings willen blijven hangen aan de dichterlijke en fantastische uitlegging van dit wonderbaar huwelijk. Klaarblijkelijk vergissen zij zich in den vorm of de nuance der waarheid, doch veel meer dan degenen, die zich vleien haar geheel in handen te hebben, leven zij onder den indruk daarvan en in haar atmosfeer. Zij staan klaar om haar te ontvangen, de waarheid vindt bij hen een veel gastvrijer dak, en zoo zij haar al niet zien, toch richten zij hunne oogen naar de plaats der schoonheid en grootheid, waar het heilzaam is te gelooven dat zij zich bevindt.
We kennen het doel der natuur niet, de waarheid, die in onze oogen alle andere overheerscht. Maar ter wille van deze waarheid zelve, om onze ziel warm te houden voor het nasporen daarvan, is het noodig, dat we haar voor groot houden. En mochten we te eeniger tijd inzien, dat we een verkeerden weg hebben ingeslagen, dat ze klein is en onsamenhangend, dan zullen we juist tengevolge van de bezieling, die haar vermeende grootheid ons had verleend, hare kleinheid ontdekken, en deze kleinheid zal ons, wanneer ze zekerheid voor ons geworden is, leeren wat ons te doen staat. In afwachting daarvan echter doen we niet te veel, wanneer we, om haar op te sporen, al wat ons verstand en ons hart aan kracht en moed bezitten, aan het werk zetten. En ook al zou het laatste woord van dit alles nog zoo armzalig zijn, dan is het toch geen geringe zaak, dat we de kleinheid en de ijdelheid van het doel der natuur in al hunne naaktheid hebben ten toon gesteld.
X.
"Voor ons bestaat nog geen waarheid," sprak een der groote physiologen onzer dagen tot mij, terwijl ik een wandeling met hem deed, "wij hebben de waarheid nog niet gevonden, doch overal vinden we in drieërlei vorm een schoonen schijn, die zich als waarheid voordoet. Ieder doet een keuze of liever deze dringt zich aan hem op, en de keuze, die hij ondergaat of dikwijls zonder nadenken doet, en waaraan hij zich houdt, bepaalt den vorm en de houding van al wat hij in zich opneemt. De vriend, dien wij ontmoeten, de vrouw die glimlachend op ons toetreedt, de liefde, die ons hart opent, de dood of de smart, die het weer sluiten, deze September-hemel, dien wij aanschouwen, deze prachtige, liefelijke tuin, waar men zooals in Corneille's Psyche "overbladerde laantjes met vergulde borstbeelden aan de uiteinden" ziet, de grazende kudde met den slapenden herder, de laatste huizen van het dorp, de oceaan tusschen de boomen, dat alles daalt of rijst, alles neemt schooner vormen aan of wordt van zijn tooi ontdaan, vóórdat het in ons binnendringt, al naar den wenk, dien onze keus hem geeft. Laat ons den schijn leeren kiezen. Aan den avond eens levens, waarin ik steeds weer de kleine waarheid en de physische oorzaak heb gezocht begin ik liefde te koesteren niet voor 't geen daarvan verwijdert, maar voor 't geen daaraan voorafgaat en vooral datgeen wat hen eenigszins overtreft."
We waren boven op een plateau gekomen in 't landschap Caux in Normandië, dat doet denken aan een Engelsch park, maar een natuurlijk en onbegrensd park. 't Is een der weinige punten van den aardbodem, waar het landschap zich volkomen gezond vertoont met een ongerept groen. Iets verder naar het Noorden loopt het gevaar, te ruw te worden; iets verder zuidelijk wordt het door de zon verteerd en verbrand. Aan 't eind eener vlakte, die zich tot aan de zee uitstrekte, waren boeren bezig koren op te stapelen.
"Zie eens hier," sprak hij tot mij: "van hier beschouwd zijn ze schoon. Zij maken dat eenvoudig en toch zoo gewichtig voorwerp, dat meer dan alle andere het gelukkig en bijna onveranderlijk gedenkteeken is van het tot rust gekomen menschelijk leven: een korenschelf. De afstand, de avondlucht maken van hun blijde uitroepen een soort lied zonder woorden, een weerklank op het edele lied der bladeren boven onze hoofden. Boven hen een prachtige hemel, alsof welwillende geesten, voorzien van vurige palmen, al het licht naar den kant van den korenschelf gedreven hadden om langer den arbeid te verhelderen. En het spoor dier palmen is in het azuur achtergebleven. Zie eens naar dat nederig kerkje, dat daar ter halver hoogte hen overheerscht en hen bewaakt, tusschen de volle lindeboomen en het grasveld van het kerkhof, dat hun zoo gemeenzaam is, en dat het uitzicht heeft op den oceaan. Harmonisch bouwen ze daar hun monument van leven onder de monumenten hunner dooden, die deze zelfde dingen deden en nog in hun midden zijn.
Omvat dat alles met uwen blik: geen enkele trek daarin, die het te bijzonder, te karakteristiek maakt, zooals 't geval zou zijn in Engeland, Provence of Holland. 't Is de groote schilderij, algemeen genoeg om symbolisch te kunnen wezen, van een natuurlijk en gelukkig leven. Hier ziet ge dus de schoonheid en harmonie van het menschelijk leven in zijn nuttige bezigheden. Zie dien man, die de paarden leidt, zie 't gansche lichaam van dengeen, die de schoof aanreikt op zijn hooivork, de vrouwen gebogen over 't graan en de spelende kinderen. Ze hebben geen steen verlegd, geen schop aarde omgespit met het doel het landschap schooner te maken; ze doen geen schrede, planten geen boom, zaaien geen bloem, of 't moet noodig zijn. Dit gansche tafereel is eenvoudig het onwillekeurig resultaat van de pogingen des menschen om in de natuur een korten tijd te kunnen bestaan; en toch weten diegenen onder ons, die er enkel aan denken, tafereelen van vrede, gratie of diepen zin uit te denken of te scheppen, niets volmaakters te vinden, en komen eenvoudig dit schilderen of beschrijven, wanneer ze ons schoonheid of geluk willen afbeelden. Dit is de eerste schijn, die door sommigen de waarheid wordt genoemd."
XI
"Laat ons nader treden. Begrijpt ge nu, wat dat gezang was dat zoo schoon in 't gebladerte der boomen? Het wordt gevormd door ruwe woorden en vloeken; en de uitbarstingen van lachen, die we hooren, worden teweeggebracht doordat een man of eene vrouw met vuil werpt of wel dat men den zwakkere uitlacht, den gebochelde, die zijn vracht niet kan beuren, den manke, dien men omstoot, den idioot, dien men uitscheldt.
Ik heb ze al verscheidene jaren waargenomen. We zijn in Normandië, de bodem is vet en willig. Rondom dezen schelf heerscht meerdere welvaart dan elders rondom dergelijke tafereeltjes. Bijgevolg zijn de meeste mannen en vele vrouwen eveneens alcoholisten. Nog een ander gif, dat ik niet behoef te noemen, vreet in dit geslacht in. Daaraan en aan den alcohol hebben we zulke kinderen te danken, als ge voor uwe oogen ziet, dien dwerg, dien klierachtige, dien krombeen, dien hazelip, dat waterhoofd. Allen hebben ze, de mannen en vrouwen, ouden en jongen, de gewone ondeugden van den boer; ze zijn brutaal, huichelachtig, leugenachtig, diefachtig, kwaadsprekend, wantrouwend, jaloersch en zeer gemakkelijk te vinden voor oneerlijke voordeeltjes, gemeene uitleggingen, vleierij van den sterkste. De noodzakelijkheid houdt hen bijeen en dwingt hen elkaar te helpen, maar ieders geheime wensch is, elkaar nadeel toe te brengen, zoodra ze het zonder gevaar doen kunnen. Het ongeluk van een ander is het eenige echte genoegen in het dorp. Een groote ramp is er een onderwerp van heimelijk genot, dat nog lang nawerkt. Ze bespionneeren, benijden, verachten en haten elkaar. Zoolang ze arm zijn, koesteren ze een steeds weer aangewakkerden en stillen wrok, en zoo zij op hunne beurt dienstboden hebben, dan maken ze gebruik van hun eigen ervaringen op dit gebied, om de hardheid en vrekkigheid, waaronder zij geleden hebben, in nog erger mate in praktijk te brengen.
Ik zou u allerlei kunnen vertellen van de kleinzieligheid, het bedrog, de heerschzucht, de onrechtvaardigheid, den haat, die hen vervult bij dien arbeid, waarover de ruime hemel, waarover vrede ligt uitgespreid. Meen niet, dat het gezicht van dien bewonderenswaardigen hemel of van die zee, die achter de kerk een anderen hemel uitspant, welke over de aarde vloeit als een groote spiegel van kennis en wijsheid, meen niet dat deze hun blik ruimer of hooger maken. Ze kijken er nooit naar. Niets vervult hunne gedachten of brengt ze in beroering, dan drie of vier bepaalde dingen, waar ze bang voor zijn; ze vreezen den honger, de macht, de openbare meening en de wet, en de hel in de ure van hunnen dood. Om te laten zien, hoe ze zijn, zou men ze één voor één moeten nemen. Daar hebt ge b.v. dien langen daar links, die er zoo joviaal uitziet en zulke mooie schoven bindt. Nu, verleden zomer werd door zijn vrienden zijn rechterarm gebroken bij een standje in de herberg. Ik heb de breuk, een leelijke en gecompliceerde, hersteld. Ik heb hem langen tijd verpleegd, heb voor zijn levensonderhoud gezorgd, tot hij het werk weer kon hervatten. Dagelijks kwam hij bij mij. Daarvan heeft hij geprofiteerd om in het dorp te verspreiden, dat hij mij eenmaal verrast had in de armen mijner schoonzuster, en dat mijn moeder dronk. Hij is niet slecht, hij is niet boos op mij; integendeel, zie maar, er komt een oprecht gemeende glimlach op zijn gelaat, nu hij mij ziet. Evenmin wordt hij daartoe gedreven door socialen haat; de boer haat den rijke niet, hij heeft veel te veel respekt voor den rijkdom. Maar ik houd het er voor, dat de goede man niet begreep, waarom ik zooveel zorg voor hem zou dragen zonder er voordeel bij te hebben. Hij vermoedt dat daar iets achter zit, en wil daar niet de dupe van worden. Vóór hem had menigeen, rijk of arm, hetzelfde gedaan of nog erger. Hij dacht niet te liegen met het verspreiden dezer verzinsels, hij gaf gehoor aan een vaag bevel van de zedelijkheid rondom hem. Hij gehoorzaamde zonder het te weten, en om zoo te zeggen zijns ondanks, aan den machtigen wensch van de algemeene kwaadsprekendheid.... Maar waarom een tooneel verder uit te werken, dat voor ieder, die eenige jaren op het land heeft gewoond, een bekende zaak is. Dit hier is de tweede schijn, die door het meerendeel der menschen de waarheid genoemd wordt. Het is de waarheid van het noodzakelijk leven. Dit is zeker, dat ze berust op zeer nauwkeurige feiten, de eenige, die door iederen mensch kunnen worden waargenomen en beleefd."
XII.
"Laten we op deze korenschoven gaan zitten," vervolgde hij, "en nog eens om ons heen zien. Laten we geen dier kleine feiten afwijzen, die de werkelijkheid vormen, waarvan ik sprak. Ze moeten maar uit zich zelf in de verte verdwijnen. Ze staan daar vooraan in den weg, doch we moeten erkennen, dat er zich een geduchte, bewonderenswaardige kracht achter bevindt vindt, die 't geheel in stand houdt. Is 't enkel in stand houden, voert ze het niet steeds hooger? De menschen, die we hier voor oogen hebben, zijn toch niet meer geheel en al wilde dieren, zooals bij La Bruyère, "die een soort van gearticuleerde stem hadden, en zich des nachts in laden terugtrokken, waar ze leefden van zwart brood, water en wortels...."
"Het ras is minder sterk en minder gezond," zult gij zeggen, 't is mogelijk; de alcohol en die andere geesel zijn rampen, die de menschheid moet te boven komen, misschien wel beproevingen, welke aan sommige onzer organen, die van het zenuwstelsel b.v., ten goede zullen komen; want we zien steeds, dat het leven voordeel trekt uit het kwaad, dat het overwint. Bovendien zal een kleinigheid, die morgen misschien reeds gevonden wordt, voldoende zijn om ze onschadelijk te maken. Dat is dus niet de reden waarom we onzen blik zoo laag bij den grond moeten houden. Deze menschen hebben gedachten en gevoelens, welke die van La Bruyère nog niet hadden.—"Nog liever het eenvoudige, naakte beest, dan dat afschuwelijke half-beest." mompelde ik.—"Zoo spreekt ge onder den invloed van dien eersten schijn, dien der dichters, waarover we gesproken hebben," hernam hij; "laten we dien niet verwarren met dien, welke we nu onderzoeken. Deze gedachten en gevoelens zijn gering en laag, zoo ge wilt, maar wat gering en laag is, is reeds beter dan 't geen niet is. Zij gebruiken ze voor weinig anders dan om elkander te benadeelen en even middelmatig te blijven als ze zijn; maar zoo gaat het dikwijls in de natuur. Van de gaven, die zij verleent, bedient men zich aanvankelijk enkel voor het kwade om slechter te maken, wat zij scheen te willen verbeteren; maar ten slotte is altijd een of ander goed het gevolg van al dat kwaad. Overigens wil ik volstrekt den vooruitgang niet bewijzen; al naar de plaats, waarop men zich bevindt, is het iets heel kleins of heel groots. Den toestand der menschen iets minder afhankelijk, iets minder moeielijk maken is een belangrijk punt, misschien het zekerst ideaal; maar beschouwd met een geest, die zich voor een oogenblik heeft losgemaakt van de materieele gevolgen, is de afstand tusschen den man, die aan de spits gaat van den vooruitgang, en hem, die zich blindelings voortsleept achteraan, uiterst gering. Onder deze jonge boeren, wier hersenen slechts met vormelooze ideeën zijn gevuld, zijn er verscheidene, bij wie het mogelijk is in korten tijd dienzelfden graad van bewustheid te verkrijgen, waarin wij beiden leven. Men is vaak getroffen door de kleine tusschenruimte, die de volgens ons idee volslagen onbewustheid dezer lieden scheidt van de bewustheid, die men voor de hoogste houdt.
En bovendien, waaruit bestaat ze eigenlijk, die bewustheid, waar we zoo trotsch op zijn? Uit veel meer schaduw dan licht, uit veel meer verworven onkunde dan kennis, uit veel meer dingen, waarvan we weten, dat we er maar van moeten afzien ze te leeren kennen, dan dingen, die wij kennen. En toch bestaat daarin onze gansche waardigheid, onze meest reëele grootheid, en is zij waarschijnlijk het verrassendste verschijnsel ter wereld. Zij is het, die ons veroorlooft het hoofd op te heffen waar we staan tegenover het onbekend principe, en te zeggen: Ik ken u niet, maar iets in mij houdt u reeds omvat. Ge zult mij misschien vernietigen, maar zoo dat niet gebeurt om uit mijn overblijfselen een beter organisme dan het mijne te vormen, dan toont ge minder te zijn dan ik, en de stilte, die dan volgen zal op den dood van de soort, waartoe ik behoor, zal u verkondigen, dat ge geoordeeld zijt. En als ge zelfs niet in staat zijt u er om te bekommeren of ge al of niet rechtvaardig wordt beoordeeld, wat beteekent dan uw geheim? We zijn er niet meer op gesteld, het te doorgronden, het moet onbeduidend en leelijk zijn. Ge hebt bij toeval een wezen voortgebracht, dat ge niet de bevoegdheid hadt voort te brengen. 't Is maar gelukkig voor hem, dat ge 't door een ander toeval weer hebt uit den weg geruimd, vóór het nog de diepte van uwe onbewustheid had gepeild, en nog gelukkiger, dat het niet de eindelooze reeks uwer proefnemingen heeft overleefd. Het hoorde niet thuis in een wereld, waarin zijn intellect geen weerklank vond bij een eeuwig intellect, waarin zijn verlangen naar het betere hem geen enkel wezenlijk goed kon doen bereiken.
"Nogmaals, vooruitgang is niet noodig om ons warm te maken voor dit schouwspel. Daartoe is het raadsel al voldoende, en dit raadsel is even groot en heeft een even geheimzinnigen glans in die boeren als in ons. Overal vindt men het, als men het leven volgt tot in zijn almachtig principe. Van eeuw tot eeuw wijzigen we de benaming van dit principe. Somtijds had het namen, die duidelijk en ook troostrijk waren; men heeft ingezien, dat die troost en die duidelijkheid zinsbedrog waren. Maar of we het God noemen of Voorzienigheid, Natuur, Toeval, Leven, Noodlot, het mysterie blijft hetzelfde en al wat de ervaring van duizenden jaren ons heeft kunnen leeren, is dien naam omvattender te maken, dichter bij ons staande, buigzamer, geschikter voor het verwachte en het onverwachte. Dezen draagt het tegenwoordig, en daarom leek het nooit grooter dan nu. En hier hebt ge een der tallooze vormen van den derden schijn, en dat is de laatste waarheid."
ZESDE BOEK.
DE DARRENSLACHT.
I.
Als na de bevruchting der koningin de hemel helder en de lucht warm blijft, als er overvloedig stuifmeel en honingsap in de bloemen is, dan dulden de werkbijen door een soort van vergeetachtige toegevendheid, of misschien uit overmaat van voorzichtigheid, de lastige en schadelijke aanwezigheid der darren nog eenigen tijd.—Deze gedragen zich in den korf evenals de vrijers van Penelope in het huis van Ulysses. Ze slempen en maken goede sier, ze leiden een werkeloos leven als verkwistende, onkiesche eere-minnaars: welvoldaan, dik en vet, de wegen vullend, den doortocht versperrend, den arbeid belemmerend, duwend en geduwd, gewichtig doende, opgeblazen door een onverstandige en onschadelijke minachting, zelven echter geminacht met verstand en nevenbedoeling, onbewust van de toenemende verbittering en het lot dat hun te wachten staat. Ze kiezen het lekkerste hoekje van de woning uit om er op hun gemak te gaan sluimeren, staan nonchalant op om op de open cellen zelf van den geurigsten honing te smullen en bevuilen de raten, die ze bezoeken, met hunne uitwerpselen. De geduldige werkbijen herstellen stilletjes de schade, met het oog op de toekomst. Tusschen twaalf en drie uur, wanneer het blauwende landschap van een aangename matheid trilt onder den onweerstaanbaren blik van een Juli- of Augustus-zon, vertoonen ze zich voor de poort. Ze hebben een helm op van groote zwarte kralen, twee hooge bewegelijke vederbossen, een overkleed van roodbruin fluweel, met lichte plekken, een helden-vacht, een viervoudigen, deftigen en doffen mantel. Ze maken een verbazend lawaai, verwijderen de schildwachten, gooien de waaistertjes om, en loopen de werkbijen omver, die beladen met hun nederigen buit terugkeeren. Ze hebben de drukke, overdreven en onverdraagzame manieren van onmisbare goden, die met veel drukte uitgaan voor eenig doel, waarvan het plebs niet weet. Een voor een wagen ze zich in de ruimte, pralend en onweerstaanbaar, en gaan kalmpjes zitten op de naastbijzijnde bloemen, waarop ze inslapen tot ze gewekt worden door de koelte van den namiddag. Dan komen ze met dezelfde drukte en meesterachtigheid weer terug, en altijd vol van datzelfde groote doel, waarvan niets uitlekt, ijlen ze naar de voorraadschuur, dompelen hun kop tot aan den hals in de vaten met honing om de verloren krachten te herwinnen, zoodat ze opzwellen als groote wijnzakken, en keeren terug naar dien slaap zonder droom en zonder zorgen, die hen bevangen houdt tot aan den volgenden maaltijd.
II.
Maar het geduld der bijen evenaart dat der menschen niet. Op zekeren morgen wordt er een wachtwoord in den korf gegeven, het gaat van mond tot mond, en de vreedzame werkbijen veranderen in rechters en beulen. Wie het geeft weet men niet; plotseling duikt het op uit de koude en beredeneerde verontwaardiging der werkbijen, en geheel in den geest der eenstemmige republiek, vervult het alle harten, zoodra het maar is uitgesproken. Dien dag ziet een deel van het volk van het honingzoeken af, om zich aan het werk der gerechtigheid te wijden. De dikke luiaards, die daar in trossen bijeen onbekommerd zitten te slapen op de honingdragende wanden, worden plotseling gewekt door een leger woedende maagden. Ze ontwaken schijnheilig en onzeker, gelooven hunne oogen niet, en slechts met moeite breekt hun verbazing zich baan door hun luiheid heen, als een straal der maan door het water van een moeras. Ze verbeelden zich, dat ze het slachtoffer zijn van een misverstand, zien met verbazing om zich heen, en daar de grondidee van hun leven in hunne dikke hersenen het eerst weer opleeft, doen ze een schrede in de richting van de honingcellen om zich daar te versterken. Maar ze zijn voorbij, de dagen van den Mei-honing, van den bloemen-wijn der linden, van de zoo gemakkelijk te verkrijgen ambrozijn der salie, van thijm, marjolijn en witte klaver. In plaats van den vrijen toegang tot die heerlijke volle reservoirs, die dadelijk bij de aanraking hunner lippen hunnen lekkeren en zoeten voorraad openstelden, zien ze een brandend braambosch om zich heen van tegen hen gerichte vergiftigde angels. De geheele atmosfeer der stad is veranderd. De weldoende geur van den nektar heeft plaats gemaakt voor den scherpen reuk van 't venijn, waarvan duizenden droppeltjes aan het uiteinde der angels hangen, en wrok en haat voortplanten. Vóór hij zich nog rekenschap heeft gegeven van den ongehoorden ommekeer in zijn weelderig bestaan, door het omverwerpen van al die heerlijke wetten der stad, ziet ieder der ontstelde parasieten zich aangevallen door drie of vier dienaressen der gerechtigheid, die hun best doen zijn vleugels af te snijden, het dunne steeltje door te zagen, dat het achterlijf met het borststuk verbindt, de trillende sprieten te verwijderen, de pooten te ontwrichten, en een opening te vinden tusschen de ringen van het harnas, om hun zwaard daarin te steken. In al hun grootte toch ongewapend, niet in 't bezit van een angel, denken ze aan geen verdediging, en trachten zich uit de voeten te maken, of stellen hunne logge massa tegenover de stooten der aanvallers. Op den rug liggend, houden ze met hunne krachtige pooten op onhandige wijze hunne vijandinnen vast, doch deze houden vol; of wel al rondwentelend sleepen ze de heele groep mee in een dollen rondedans, tot ze weldra uitgeput blijven liggen. Na verloop van korten tijd verkeeren ze in zóó deerniswaardigen toestand, dat het medelijden, hetwelk in de diepste diepte van ons hart nooit zoo heel ver van de gerechtigheid afstaat, haastig terugkeert en—doch te vergeefs—gratie zou willen vragen aan de hardvochtige werkbijen, die enkel de diepe en dorre wet der natuur kennen. De vleugels der ongelukkigen zijn doorboord, hunne pooten uitgerukt, hunne sprieten afgeknaagd, en hunne prachtige zwarte oogen, waarin de weelderige bloemen zich afspiegelden, waarin 't azuur en de onschuldige aanmatiging van den zomer weerkaatsten, geven nu, verzacht door het lijden, enkel een beeld te zien van wanhoop en van angst voor het einde. Sommigen bezwijken aan hunne wonden en worden onmiddellijk door twee of drie hunner beulen naar de verwijderde begraafplaats gedragen. Anderen, die nog niet zoo erg zijn gekwetst, weten zich in een hoek te verschansen, waar ze zich allen op elkaar hoopen en waar een onverbiddelijke wacht hen houdt ingesloten tot ze van gebrek omkomen. Velen slagen er in de poort te bereiken en met hunne tegenpartij in de ruimte te ontwijken; tegen den avond echter komen ze, door honger en koude gedreven, bij massa's naar den ingang van den korf om een schuilplaats af te smeeken. Daar vinden ze opnieuw een onverbiddelijke wacht. Den volgenden morgen houden de werkbijen opruiming voor de poort, waar de lijken der reuzen liggen opgestapeld die tot niets nut waren, en de herinnering aan dit ras van leegloopers wordt in de stad totaal uitgewischt tot aan de volgende lente.