Zeden en Gewoonten.
Reading edition
De westelijke Alifoeroe roepen bij hunnen eed en hunne bezweringen zon, maan en sterren aan en erkennen Lahatalla niet. De Patasiwa hitam hebben een soort eeredienst in het Kakihanisme. Het ritueel wordt echter zeer geheim gehouden en v. d. Crab heeft gelijk, als hij uitroept: „indien men 20 verschillende Alifoeroe naar het Kakihanisme vraagt krijgt men ook 20 verschillende verhalen, terwijl ieder verhaler beweert, dat zijne mededeelingen de juiste zijn en dringend verzoekt ze geheim te houden.” Verscheidene artikelen treft men in de tijdschriften hierover aan met bijzonderheden, die wij geheel voor rekening van de schrijvers moeten laten, terwijl het ons verwonderen moet, op welke wijze de schrijvers, die met uitzondering van den heer van Ekris, Seran slechts vluchtig bezochten, al die mededeelingen wisten te ontlokken aan inboorlingen, die slechts ongaarne de bijzonderheden van hun intieme leven vertellen en dan nog wel omtrent het Kakihanisme, dat zoo geheim gehouden wordt, dat nog heden ten dage zelfs verboden is om te vragen: „wat is dat voor een teeken op uwe borst”, eene vraag, die dengeen die haar doet op het leven kan te staan komen en bijna zeker de oorzaak is geweest van de vernieling van Wae Samoe in 1903 door de Roemah Soal-Alifoeroe. Vreemd is het tevens, dat zelfs de Christen Alifoeroe nog veelvuldig lid zijn van dien geheimen bond. Het volgende kan met zekerheid omtrent den bond worden medegedeeld.

Roemah Soal Alifoeroe.

Op patrouille. (De Warawa rivier).
Zoodra bij de knapen de puberteit intreedt, moeten zij in den bond worden opgenomen. Tot het aanrichten van een kakihanfeest moet de vergunning worden gevraagd van het hoofd der negorij en van den gouvernementsambtenaar, hetgeen zeker zonderling genoeg is, maar het feest mag volstrekt niet in het geheim geschieden; eerst nu tegenwoordig een dergelijk verzoek steeds geweigerd wordt, komt het voor, dat de aanneming geschiedt bij stammen, die in de bergen wonende, zich aan ons toezicht kunnen onttrekken.
Elke negorij van West-Seran heeft hare „maoewin”, een soort priesters, waaronder één de „maoewin bĕsar” als opperste optreedt en de bewaker van de baileo (raadhuis) en het kakihanhuis is. Eerst wordt onder leiding van deze maoewin, (wier waardigheid alleen erfelijk is voor den oudsten zoon) de mannelijke bevolking verzameld om het kakihanhuis in orde te brengen of opnieuw te bouwen. Eene merkwaardigheid is dat dit gebouw, op eene geschikte plaats in het bosch opgetrokken, gedeeltelijk van eene gemetselde omwanding voorzien is, van daar het hiervoren vermelde verbod voor den Alfoer om metselwerk aan zijne woningen te hebben of zelfs om kalk te branden. De anders zoo buitengewoon vadsige inboorling gaat thans met grooten ijver aan het bouwen van den tempel en de maoewin zetten hen hiertoe nog meer aan, door het uitdeelen van duchtige slagen, zoodat kreten van pijn veelvuldig weerklinken. In gewone omstandigheden zou de Alfoer zich niet zoo laten mishandelen. Is het huis gereed, dan deelt de maoewin bĕsar in de negorij mede, dat de jongens naar zijn huis moeten gebracht worden en dat de vrouwen en meisjes eetwaren moeten gereedmaken. Von Schmid vertelt ons: „Het geheele wezen van den kakian is eigenlijk niet anders dan een bedrog der mannen om gedurende eenigen tijd lui en lekker te leven en de vrouwen te noodzaken voor goed eten en drinken te zorgen, waartoe deze zich niet zouden leenen zonder de vrees voor den duivel en voor hare kinderen!”
Zulk een eenvoudig doel nu heeft het Kahihan zeer zeker niet. Bij alle Alfoerenfestijnen wordt zeer veel gegeten en gedronken, trouwens ook in de beschaafde maatschappij is dat veel het geval en daarom alleen behoeft de Alfoer zich niet met een waas van geheimzinnigheid te omhullen.
Leeken mogen het kakihanhuis tot op een tiental passen naderen; het binnentreden is hun op doodstraf verboden. Nadat de opperpriester de knapen weggevoerd heeft, komt hij terug en deelt mede, dat de duivel hen verslonden heeft. Onder luid geweeklaag trekken moeders, zusters en magen naar de noodlottige plek, waar men groote bloedplassen op den grond vindt en de struiken met bloed bespat zijn. De negorij blijft dan in rouw, tot op een zekeren dag de priesters komen vertellen, dat door hunne kracht de jongelingen weer in leven zijn teruggekeerd en weldra komen deze in het dorp terug, vuil en beslijkt; zij praten niet, doen alsof zij niet loopen kunnen en eerst weder opnieuw de levensverrichtingen moeten leeren. Zij hebben een grillig besneden en beschilderd bamboestokje in de hand, dat zij van den duivel heeten ontvangen te hebben. Tijdens hun verblijf in het kakihanhuis hoort men daarin een dof gebrul en gekrijsch, veroorzaakt door het schreeuwen in holle bamboes. Dit moeten dan de stemmen der voorvaderen verbeelden.
Volgens sommigen worden de knapen door eene opening in het huis, dat den vorm van een krokodillenmuil heeft, naar binnen gestoken en dadelijk daarop quasi onthoofd, terwijl aan de vrouwen die buiten staan, bebloede speren en parangs worden vertoond van achter de omheining van het huis. Ook Valentijn meldt: „Pas na de overgave van hunne kinderen hooren de ouders een afgryselijk gehuil en gejammer en zien ook tegelyk verscheidene pieken, daar het bloed by neder druipt door het dak te voorschyn komen, dat hun doet vooronderstellen, dat de kinderen vermoord worden, hoewel zy weten, dat zy na drie jaren er in geweest te zyn, naar het ouderlyk huis terugkeeren.
„Wanneer die tyd daar is, krygt ieder kind een geschilderd stokje van dun wit bamboe, waarop eenige zonderlinge figuurtjes of karakters gebrand zyn en waaraan eenige snoertjes met een soort van koperen plaatjes als penningjes hangen.
„Als deze kinderen weder thuis komen, kunnen zy nog gaan nog spreken en moeten zulks opnieuw als pasgeboren kinderen leeren.”
Van Doorn voegt hier naïef aan toe: (de Alfoeren van Wahaï besprekende) „Deze tempels vond men in vroegere tijden ook bij de Wester-Cerammers, die ook de heidensche leer beleden.” (!)
Het feit is, dat zij nimmer bij de Patalima en Oost-Seranners hebben bestaan. Doch uit Valentijns beschrijving blijkt, dat het ritueel in zijn tijd reeds bestond, al sprak men toen niet van den geheimen kakihanbond.
Van Rees gaat zelfs zoover met mede te deelen welke woorden door de holle bamboes aan de neophyten worden toegeroepen. De geslotenheid van den Alfoer op dit punt kennende, ook zelfs van hen die bij ons in dienst zijn getreden als soldaat en een beschavingsproces hebben ondergaan, kunnen wij niet anders dan aan de juistheid daarvan twijfelen. Bij een laag staand volk als de Alfoeren treft het toch, dat men zoo iets als de idee eener wedergeboorte heeft, alsook het bestaan van een geheim woord Fahadjoel, waarom sommige spreken van de Seransche vrijmetselarij. Bij hunne terugkomst dragen de ingewijden op borst, rug of dijbeen ingeprikte figuren in ster- of halvemaanvorm. Soms zelfs komt een kinderlijk geteekend dierfiguurtje voor. (Zie Martin. Reisen in den Molukken, plaat XXVI). De vrouwen van de Hatoenoeroe’s en van enkele Owinstammen dragen op het voorhoofd ook een getatoeëerd halve maantje of kruisje. Dit heeft echter niets met het Kakihan te maken, daar vrouwen nimmer in den bond worden opgenomen.
Moge het Kakihan eertijds een politiek doel gehad hebben, thans is daarvan niets te merken. Een aaneengesloten geheel vormen de stammen volstrekt niet en er worden onderling ook koppen gesneld, als men daartoe gelegenheid heeft. Zeer beslist staat het Kakihan echter tegen het Christendom en verstoort het de orde en rust, want deze ritus zou onschuldig zijn, als niet na de aanneming der jongelieden deze verplicht waren erop uit te trekken om minstens één kop te snellen, terwijl ook de bouw van het kakihanhuis en van de baileo niet kan voltooid worden zonder dat een kop geofferd is.
De zendeling van Ekris zegt aan het slot van zijne beschrijving van het Kakihanisme: „Haar met geweld te ontbinden is niet raadzaam; Christendom en beschaving moeten haar oplossen. Zij begint in het oog van sommigen reeds belachelijk te worden.” Wij kunnen het hiermede eens zijn, doch nu de Regeering zich langzamerhand wat meer van Seran begint aan te trekken, kunnen wij dit succes bespoedigen met alle moreele en materieele dwangmiddelen, die ons ten dienste staan. De inwijding der nieuwe leden moet verboden blijven, en de maoewin en de vaders der aangenomen jongens moeten gestraft worden, indien het blijkt dat zij zich in het geheim toch van de kakihanteekens hebben voorzien. De Christenen die tevens Kakihan zijn, moeten wel in de kerken en bijeenkomsten worden toegelaten, doch men moet hun niet toestaan de belijdenis te doen. Dit moge hard klinken, doch het is een zedelijke dwang waarom de Alfoer wel zal geven en die zal maken, dat hij zijn zoon niet meer tot het Kakihan zal toelaten, opdat deze aldus ook voor „vol” zal worden aangezien. Men voere leerplicht in en zorge, dat vooral de zonen der maoewin, die zooals gezegd alleen hun vader mogen opvolgen, ter school gaan en meer ontwikkeld worden, opdat zij het dwaze van de Kakihanleer in zullen zien en zich ervoor schamen zullen maoewin te worden. Is aan de kust het Kakihan aldus uitgeroeid, dan zullen de bergstammen ook wel volgen. West-Seran kan niet tot orde en rust komen, zoolang het Kakihan bestaat en daar zijne leer strijdig is met de zedelijkheid, zoo is de Regeering volkomen gerechtigd tot het verbieden van de uitoefening daarvan.
Baileo. Bij de Patasiwa is de baileo een vrij groot gebouw met slechts eene gedeeltelijke omwanding, waarin de raadsvergaderingen gehouden worden en waarin de bovenvermelde koppen worden bewaard, hangende aan den nokbalk. Aan deze koppen wordt groote waarde gehecht. De negorij Lisiëla heeft bij hare overplaatsing naar Wahaï, zooals vroeger werd medegedeeld, een aantal doodshoofden weten mede te nemen, die nu in de baileo aldaar hangen, hoewel de negorij thans tot de Patalima behoort en de bevolking niet getatoeëerd is.
De Patalima bezitten geen baileo. Bij de Alifoeroe van Malowan (achter Soekaradja) heeft men geen bezwaar vreemdelingen in de baileo toe te laten en zijn deze huizen voor de troep het aangewezen logies. Bij de West-Seranners echter laat men ons slechts noode, dikwijls in het geheel niet daarin toe. Huisraad treft men in de baileo niet aan; een dego2 (rustbank) is rond de muren aangebracht om tot zitplaats te dienen. In de baileo van Moesihoé (Malowanstam) vindt men voor de hoofden een verhoogde dego2, terwijl de zitplaats der kapitans bestaat uit een balk van zacht hout, waarin ovale zitplaatsen en relief zijn uitgesneden.
Versieringen treft men zeer weinig aan en waar zij aangebracht zijn, bestaan zij uit eenig snijwerk in den vorm van krullen, aangebracht in stijlen of aan de gevelplaat. Aan de stijlen bij den ingang van de baileo te Séa (Malowan) ziet men het mannelijk geslachtsdeel en vrouwenborsten uitgebeiteld, in die van de baileo van Horali Kolalinje zijn vrij sierlijk krokodillen en schilden uitgesneden. Behalve de vuurplaat vindt men ook nog wel een vorkvormigen tak midden in den vloer vastgemaakt, waarop de bamboekoker, waarin de sagéroe zich bevindt, komt te rusten, terwijl aan de dakrichels ook wel de mamakoer hangt. Dit is een glazen ring, waarvan men de herkomst niet meer weet en die een zeer waardevol sieraad van den Alfoer uitmaakt. Zij bestonden reeds voor de komst der Portugeezen in de Molukken en zullen waarschijnlijk wel door vreemdelingen zijn ingevoerd.
Ofschoon wij niet in staat zijn den echten van den modernen mamakoer te onderscheiden, ziet de Alfoer dadelijk het verschil. Sommige van die ringen worden van tijd tot tijd in bloed gelegd om eene heldere kleur te behouden en bijna alle worden omwikkeld met gĕmoetoetouw ter beveiliging tegen beschadiging. Aan den arm wordt de mamakoer nooit gedragen.
In de baileo van Eti ziet men een hertengewei, dat afwijkt van het gewone type, doordat de takken plat en breed uitloopen, evenals dat van een eland, doch van veel kleiner afmeting. De inwoners beweren, dat het al heel oud is en afkomstig van een vroeger bestaande hertsoort.
In de baileo van Noniali treft men een zeer oud zwaard aan met kruisgevest, van geheimzinnigen oorsprong, daarom dus „pamali” verklaard en het wordt slechts zeer ongaarne aan vreemdelingen ter bezichtiging gesteld, aanraken mag men het in geen geval.
Scholen. De Christenalifoeroe, die evenals de Mohammedanen allen aan de kust wonen, worden in hunne gemeenten voorgegaan door een goeroe of inlandschen godsdienstleeraar, die zijne opleiding daartoe ontvangen heeft aan eene school te Amboina. Te Amahei en te Lokki zijn Europeesche hulppredikers gevestigd die gedurig de gemeenten afreizen en aldaar onderricht geven; ook de goeroe moet den kinderen onderwijs geven in lezen, schrijven en rekenen. Over het algemeen is de Alfoer zeer leerzaam en staat men verrast te zien hoe snel de kinderen lezen en schrijven leeren, terwijl het koorgezang door hen ten gehoore gebracht, volstrekt niet behoeft onder te doen voor dat van Nederlandsche schoolkinderen.
Behalve deze scholen, die door de zending worden gesticht, heeft men nog gouvernementsscholen te Amahei, Roemah Kai, Tihoelalé, Kamarian, Seroeawan, Hatoe Soea, Kaibobo, Lokki en Boano, terwijl te Piroe eene door het gouvernement gesubsidiëerde zendingsschool bestaat. (Ook te Wahaï zal eene gouvernementsschool worden opgericht.)
Naar gelang van het aantal leerlingen staan aan het hoofd dezer scholen inlandsche hoofdonderwijzers met twee tot vijf hulponderwijzers, die over het algemeen eenvoudig en goed onderwijs geven. Deze leeraren verzuimen ook niet hunne leerlingen, voor zoover zij zelf ermede bekend zijn, te verhalen van ons Vorstenhuis en van Hollandsche aangelegenheden.
Zoo werden wij indertijd bij eene inspectie van de school in de kleine negorij Latéa verrast met het Transvaalsche Volkslied in het Maleisch en niet minder verraste het ons te Boano, dat na het doen opnoemen der namen van ons Vorstenpaar, van den Gouverneur-Generaal, van den Resident enz., de onderwijzer de vraag stelde: „En wat is de zinspreuk van Prins Hendrik?” Waarop de kleine Alfoertjes als uit een mond riepen: „Per aspera ad astra!”
Hoewel deze scholen onmiskenbaar bijdragen tot de beschaving van het volk, is het toch te betreuren, dat niet meer partij daarvan getrokken wordt door het geven van ambachtsonderwijs, daar thans de leerlingen na hun 14de jaar van school afgaan en verder weder het werkelooze leven hunner ouders leiden, terwijl anders nijverheidsontwikkeling en daarmede gepaard gaande geregelder levenswijze zou bevorderd worden.
Kerken. De kerken worden door de inboorlingen zelve gebouwd en zijn in de groote negorijen ruim en fraai opgetrokken van metselwerk en zware pilaren, terwijl eene kleine koperen klok ter oefening oproept. Hoewel de Christelijke leer nog niet diep is doorgedrongen, is het nut der zending op Seran toch groot te noemen, daar zij den Alfoeren zachtheid en zindelijkheid leert, zij zich door hun Christendom veel nader tot ons gevoelen, en hun onderling verkeer daardoor menschwaardiger wordt. Over het algemeen zijn de vrouwen beter Christen dan de mannen en daardoor is het vertrouwen niet misplaatst, dat ook langzamerhand de mannen het Christendom meer zullen gaan belijden.
De Mohammedanen op Seran wonen meest aan de Zuid-Oostkust; zij zijn niet talrijk en maken ook op geenerlei wijze propaganda voor den Islam. De imam en modin, die de oefeningen leiden, zijn bijna niet bekend met het wezen daarvan en zijn tamelijk onbeschaafde lieden, waarvan het meerendeel den Koran niet lezen kan. Men krijgt den indruk, dat het belijden van den Islam alhier meer eene kwestie van adat is geworden; men kent de algemeene gebruiken, doch bekommert zich niet veel om de voorschriften.
De Mohammedanen gaan broederlijk met de Christenen om en slechts zeer zelden zijn twisten om godsdienstredenen voorgekomen. Van tijd tot tijd gaat een Mohammedaan de reis naar Mekka ondernemen, in de kosten gesteund door zijne negorij; het aantal bedevaartgangers is echter zeer gering.
Eigenaardig is het, dat de Alfoeren van Noniali, dat dicht tegen het Mohammedaansche en daarmede zeer bevriende Lisabata is aangebouwd, ofschoon nog volkomen Kakihan, toch kleederdracht en eenige gewoonten der Mohammedanen hebben overgenomen en men soms wel over en weer vrouwen aan elkaar uithuwelijkt. Alleen gedurende de vasten grijpt onder de Mohammedaansche gemeente een opgewekter geestelijk leven plaats; anders zijn de missigits bijna leeg op de uren van het gebed. Op Z.O. Seran echter houdt men zich meer aan de voorschriften.
Te Boano islam, welks bewoners een teruggetrokken schuwen aard hebben, heerschen op het gebied van den godsdienst allerlei zonderlinge gebruiken; het ontsteken van lichtjes, het aanbrengen van bamboekokers in de missigit wijst op een heidenschen invloed op de Islamietische leer.
Ook vindt men er woningen, die tot 40 zielen bevatten, iets wat geheel indruischt tegen de Mohammedaansche begrippen van huisvesting. Trouwens over de geheele stam van Boano gaat een roep van geheimzinnigheid, men moet er geestenzieners hebben en zeer listig zijn in het giftmengen. Een onzer posthouders durfde er zelfs niets te gebruiken van wat Regenten of volk hem aanboden. Wellicht had hij er reden toe gegeven dat hij zoo bevreesd was voor de Boanoërs; ons is geen geval van vergiftiging op Boano bekend. Ook op Manipa rust bovenvermelde beruchtheid.
Bijgeloof. Evenals alle natuurvolken zijn de Alfoeren buitengewoon bijgeloovig en het zou een afzonderlijk boekdeel kunnen vullen, indien men al hunne verschillende voorteekens, spookgeschiedenissen, wichelarijen enz. wilde opteekenen. Maar in den omgang met den Alifoeroe moet men soms rekening houden met deze bijgeloovigheid. In 1866 wilden de koelies en hulptroepen ons niet vergezellen, omdat de Radjah van Taniwel een kwaden droom had gehad. In 1860 moest men een dag de excursie staken, omdat de „boerong siang” verkeerd gefloten had. In 1904 waren de koelies slechts met de grootste moeite te bewegen voorwaarts te gaan, omdat het een slecht voorteeken was, dat bij de eerste ontmoeting met den vijand aan onze zijde gewonden waren gevallen en zij bleven gedurende den ganschen tocht onwillig.
Toen een weg moest gekapt worden van Bessi naar Hoaoeloe wilden de wegwerkers met alle geweld eerst door middel van een haoewé (wichelarij) onderzoeken of de onderneming zou slagen en men het vijandelijk gezind veronderstelde Hoaoeloe den baas zou blijven. Men nam twee van den bast ontdane kokosnooten, doopte de een „Kompania”, de ander „Hoaoeloe” en onder het prevelen van tooverwoorden werden de twee klappers met kracht tegen elkaar geworpen. Gelukkig voor ons legde de klapper Hoaoeloe het af, want anders waren de wegwerkers zeker gedeserteerd.

Hoofden van West Seran
(op den voorgrond Saniri-hoofden).

Abdoel Djalil Moekadir. Radja van Sawaï. Hoofd der Patalima van Wahaï.
Een geel blad, dat dwars op het pad valt, is voldoende om eene Alfoerenbende, die zich ergens naar toe begeeft, de tocht te doen staken
Bij de Patasiwa mag de tjidako bij het doorwaden van rivieren niet nat worden en bij alle Alifoeroe geldt het voor onheilaanbrengend om zich het hoofd nat te laten regenen. Op marsch dekt men zich dan ook dadelijk bij de eerste regendruppels met groote bladeren of met de „kokoja”, eene kleine mat die men op lange tochten, onder den arm opgevouwen, meeneemt.
Alle Seranners gelooven aan de mogelijkheid dat iemand behekst is of een toovenaar of heks kan zijn en zelfs komt men den Civielen gezaghebber wel eens voor den moeilijken taak stellen, om een van hekserij beschuldigd persoon daarvan vrij te pleiten en het is zaak daaraan te voldoen, daar men anders tot geweldadigheden tegenover die persoon overgaat.
Het gebeurde in 1902, dat de Nisawéléstam mij kwam bezoeken en de vraag stelde, of zij de ontevredenheid van het bestuur hadden gaande gemaakt, omdat zoovelen in hunne negorijen ziek lagen en verscheidene personen gestorven waren. Toen hun verzekerd werd, dat dit niet het geval was, verzochten de hoofden om eenige flesschen „tooverwater” om daarmede de zieken te genezen. Toen zij naar den dokter verwezen werden en hun medicijnen werden aangeboden, wilden zij daarvan volstrekt niets weten en beweerden, dat alleen de kommandant de kracht bezat om zieken te genezen. Ten einde raad en wetende dat te Nisawélé veel malaria heerschte werden hun eenige flesschen opgeloste kinine gegeven, waarover in hun bijzijn eenige kabalistische teekens werden gemaakt, met het voorschrift, de zieken daarvan iederen ochtend eene kleine bamboe vol te geven en de mededeeling, dat het water nu zeer bitter geworden was, waarover zij niet ongerust moesten zijn. Daarop gingen zij getroost heen en kwamen later verheugd melden, dat de ziekte vrijwel geweken was, hetgeen een hechten vriendschapsband gaf.
Te Warasiwa bestaat een godsoordeel om den schuldige in eene zaak tusschen twee personen, die niet uit te maken is, te ontdekken. De beide deliquenten krijgen een door den wichelaar betooverd stokje in de hand en moeten nu gelijktijdig in zee duiken. Hij die het langst onderblijft, is onschuldig.
Een diefstal, moord of andere misdaad, die niet aan het licht te brengen is, tracht men overal op Seran uit te vorschen door het stellen van een „matakau”. Men plaatst, meestal onder een afdakje, een ruw uit gabba2 (bladsteel van den arènpalm) gesneden voorwerp, dat bijv. een krokodil, een haai, eene slang e.d. moet voorstellen. Men meent dan, dat hij die het misdrijf pleegde wel spoedig zal sterven door den beet van een dezer dieren, als hij zich niet aanmeldt.
Soms stelt de matakau een klapper of andere vrucht voor en dat wil dan zeggen, dat de misdadiger sterven zal als hij zoo’n vrucht eet. Eigenaardig is, dat de matakau alleen mag geplaatst worden na bekomen vergunning van het negorijbestuur of van den Civielen gezaghebber, in welk laatste geval het verzoek natuurlijk altijd geweigerd wordt. Op den heiden-Alfoer maakt echter de matakau, die niet dan als uiterste poging wordt opgesteld, in zijne bijgeloovigheid grooten indruk en doorgaans meldt de schuldige zich of tracht hij op de een of andere wijze zijn misdrijf te herstellen.
Eigenaardig is de aanblik van zulk een matakau, als men die plotseling op een heuveltop midden in een wijd en zijd in het rond onbewoond terrein ziet staan. Zoo troffen wij er een aan op den Topomosolinoi, daar geplaatst wegens diefstal van sagoboomen. Een klein atap afdakje beschermde de daaronder geplaatste matakau, terwijl de negorijen dagmarschen ver van dit punt gelegen waren. Ook tot het voorkomen van diefstal wordt algemeen de matakau gebezigd.
Huwelijk. Het huwelijk heeft plaats door het koopen van de vrouw. Bij de strandbewoners wordt dit koopen verbloemd uitgedrukt door den term „bruidschat geven” doch in den grond is de zaak dezelfde. Bij de Alifoeroe is de gemiddelde prijs voor eene vrouw ± 50 gulden, bij de strandbewoners 150 gulden, doch zeer dikwijls worden uit zucht tot groot doen veel hoogere sommen geëischt, die de aspirant-schoonzoon nimmer kan betalen, hetgeen menigmaal aanleiding geeft tot allerlei geschillen. Bij de Nisawélé-Alfoeroe geschiedt de huwelijksovereenkomst aldus:
De vader of bloedverwant van eenen huwelijkscandidaat doet aanzoek bij den vader van het meisje. Indien dit gunstig ontvangen wordt, bepalen zij dadelijk de harta, die de ouders van het meisje zullen ontvangen. Eene maand lang blijven de jongen en het meisje verloofd, zonder echter omgang met elkaar te hebben. Na verloop van dien tijd gaan vader en bruidegom naar het huis der bruid en spreiden voor den ingang eene mat, (kokoja), waarop de harta wordt neergelegd. De vader der bruid neemt deze weg en legt er voor in de plaats drie of meer armbanden van schelpen ( ± ƒ 8 stuk). Daarna is het huwelijk gesloten en volgt de vrouw haren man.
De Alifoeroe mogen meer dan een vrouw hebben, hetgeen zij echter zelden doen, terwijl het meisje reeds op kinderlijken leeftijd kan worden uitgehuwelijkt. Na het huwelijk wordt er eenige dagen lang gedanst en feest gevierd. De huwelijken worden meest in eigen stam gesloten. Neemt een Alfoer een meisje van een anderen stam, dan moet hij, zoolang hij de harta niet betaald heeft, in de negorij der vrouw blijven. Zeer dikwijls betaalt men de harta niet en het hoofd der negorij waartoe de vrouw behoort, ziet dat zelfs gaarne, daar hij aldus zijne onderdanen ziet vermeerderen en daar voordeel van trekt. Later als er echter oneenigheid komt, dan geeft dit uitstel aanleiding tot eene geduchte perkara, want de Alifoeroe, Mohammedaan, Christen of Heiden, zijn aartsliefhebbers van gedingen en processen.
Het kan voorkomen, dat eene vrouw vrijwillig een man volgt zonder dat van hartabetaling sprake is. Dit noemt men dan ook schaken en wordt niet zeer netjes gevonden. De vrouw wordt dan ook beschouwd, als niet meer te behooren tot hare vroegere negorij. Mocht zij ongelukkigerwijze genoeg krijgen van den man harer keuze, dan is haar hoofd niet veel meer waard, daar zij na hare vlucht uit het huis, vogelvrij is voor haren vroegeren minnaar.
Echtscheiding kan plaats grijpen doch op eisch van den echtgenoot moet de harta of wel een gedeelte daarvan teruggeven worden, naar gelang van den tijd dat het huwelijk gelukkig heeft geduurd; zijn er kinderen, dan worden deze gelijk verdeeld. Kan de man echter bewijzen, dat het zijne schuld niet is, dat de vrouw niets meer van hem wil weten, dan heeft hij recht op alle kinderen, eveneens als de vrouw sterft. Sterft de man, dan vervallen de kinderen aan de negorij, waartoe de man behoort. Voor zoover ik heb kunnen waarnemen, zijn de Berg-Alifoeroe zeer zedig en komt echtbreuk zelden voor, bij de strandbewoners daarentegen zooveel te meer. (Eene eigenaardige uitdrukking voor een onecht kind is: „anak sirih pinang” d.w.z. dat zoo onder een praatje het leven kreeg).
Eene uitzondering maken de Alifoeroe van Sétie. Met deze stam kwamen wij eerst in 1902 in aanraking en toen werd opgemerkt, dat de leden daarvan geen vorm van huwelijk kenden, doch in vrije liefde leven. De vrouw heeft gemeenschap met den man harer keuze, tot zoolang het beiden bevalt. Verwekte kinderen, behooren der vrouw en het is eene gunst, als zij er een afstaat aan hem, dien zij van het vaderschap verdenkt.
De Mohammedanen aan het strand houden zich wel is waar in het algemeen aan den Koran, doch huldigen ook het gebruik, dat zoolang als de bruidschat nog niet geheel voldaan is, de vrouw den man nog niet behoeft te volgen. De bruidegom is verplicht, de bruid een „méhar” te geven, de eigenlijke bruidschat; deze is haar eigendom en behoeft bij echtscheiding niet terug gegeven te worden. Verder moet de bruidegom aan de ouders der bruid, de zoogenaamde „harta hadat” geven, afwisselend, naarmate van de meerdere of mindere gegoedheid, van 100 tot 500 gulden. Deze worden echter bijna nooit betaald, het is meer een bluf, dien men tegenover elkaar slaat en de goederen, die als hadat gegeven worden, vertegenwoordigen eene waarde, die zij niet hebben. Bijv. men betaalt den bruidschat met 10 kammen „sisirmas” ad ƒ 100, 10 stukken madapolam ad. ƒ 50 en 3 gongen ad. ƒ 30.
De sisirmas (zie vroeger) heeft misschien eene werkelijke waarde van ƒ 1.00 of minder; een stuk madapolam, kost tegenwoordig slechts ƒ 2.00, doch doet immer dienst als betaalstuk van ƒ 5 en bijna iedereen heeft daartoe eenige stukken van dit slechte goed netjes opgevouwen in zijn bezit. Verder moet nog eene grootere of kleinere som aan den Regent der negorij voldaan worden.
Het betalen van dezen bruidschat geeft bijna immer aanleiding tot verwikkelingen en moeilijkheden en men schaamt zich voor elkander, om minder te vragen voor zijne dochter. Een voorstel om den bruidschat te Wahaï niet hooger te maken dan ƒ25, benevens 1 gong aan de moeder en ƒ5 aan den Regent, op West-Seran resp. ƒ30, 1 gong en ƒ7.50, viel dan ook dadelijk in goede aarde bij de hoofden. De ingeboren zucht tot grootspraak maakt echter dat de Alfoer, hoewel in zijn hart erkennende, dat het officieel bepalen van een lagen bruidsprijs, voor allen gelijk, zeer in ieders voordeel is, zich uiterlijk niet ingenomen daarmede betoont.
Soms woont men daar vermakelijke tooneeltjes van bij. De bruidsprijs werd plechtig vóór den Civielen gezaghebber uitbetaald, de vader streek het met een hoogst ontevreden gelaat op en als hij dan buiten den gezichtskring, doch niet buiten het gehoor was gekomen, gaf hij zijn gemoed in luide verwenschingen lucht. De schoonzoon, zoo riep hij, moest zich schamen, dat hij slechts zulk een erbarmelijken spotprijs over had voor zijne dochter, dat prachtjuweel, voor wie hem reeds menigmaal honderden guldens waren geboden enz. enz. De schoonzoon echter, in den toon blijvend, riep even luidkeels, dat hij zich inderdaad schaamde, dat hij zeker veel meer zou willen geven, als de machtige Kompania het maar niet verboden had! En het zwak van zijn aanstaande schoonvader kennende, liet hij een „vierkante pot” achteloos glinsteren, waarop diens woede langzamerhand bedaarde en tegen den morgen vond men hen dronken en broederlijk in elkanders armen. M.i. moet het bestuur aan de gemaakte bepaling vasthouden, om het aantal huwelijken te vermeerderen en vooral ook moet men de exogamie bevorderen, teneinde het ontaarden en uitsterven van het ras zooveel mogelijk tegen te gaan.
Onder de strandbewoners komt ook nog wel de schaking voor, doch dit is dan meer eene „bedriegelijke nabootsing” daarvan, daar ieder van de zaak afweet. Het is behoorlijk, als de schaker op de slaapplaats der ontvoerde schoone een passend geschenk voor de ouders achterlaat. Dikwijls worden de gelieven voor de leus vervolgd met eenige geweerschoten, terwijl zij ook in de negorij van den man met geweerschoten ontvangen worden.
Liggen de betrokken negorijen dicht naast elkander, dan gebeurt het wel eens, dat de jonge lieden en jonge meisjes zich solidair verklaren en om de hun quasi aangedane beleediging te wreken, dagen zij de jongelui der andere negorij uit tot eene algemeene vechtpartij. Hierbij mogen geen wapens gebruikt worden, maar toch komen bebloede koppen wel eens voor, zoodat het goed is als het bestuur eraan een einde maakt. De strijders hebben dit ook gaarne daar dan niemands eer in opspraak komt door het lijden van de nederlaag.
De positie van de vrouw is betrekkelijk hoog; wel is zij het lastdier waartoe de man bij de Oostersche volken haar heeft bestemd, doch overigens heeft zij zoowel in den familiekring als in zaken van algemeen belang, vrij veel te vertellen.
De man behandelt haar met zekere hoffelijkheid en zwijgt zoolang zij aan het woord is. Bij de krijgsdansen zijn het dikwerf oudere vrouwen die de liederen daarbij zingen en zelfs is de vrouwelijke invloed in sommige zaken van politieken aard niet te miskennen. De Alfoer is dan ook over het algemeen zeer aan zijne vrouw gehecht. Eens gebeurde het, dat een Alfoer van Sollok, die den eigenaardigen naam Sequah droeg, toen zijne vrouw stierf, zich met boreh op haar graf vergiftigde. Op de vraag of men hem niet belet had zulks te doen, antwoordde het hoofd: „dat mag men niet beletten, hij kon toch niet meer leven zonder haar!” Een dergelijk bewijs van liefde zou men niet vermoeden bij dit half wilde volk.
Het jonge meisje geniet eene groote vrijheid. Onder aanvoering van de Kapala djodjaro (Hoofd der maagden) vormen de meisjes een element van beteekenis in het negorijleven, vooral op West-Seran. Bij ontvangst van gasten, bij feestelijkheden e.d. treden zij gezamenlijk op en de jongeling getroost zich gaarne veel moeite om zijn meisje te voorzien van kleederen en snuisterijen.
Ook de Seransche jongelingschap, die den verzamelnaam van ngoengaré draagt, wordt bij feestelijkheden e.d. door den Kapala ngoengaré aangevoerd. Eigenaardig is het, dat op West-Seran en ook wel op Midden-Seran, dikwijls pic-nics worden gehouden door de jongelieden van beiderlei sekse, evenals wij dat doen; men noemt dat „makan pĕtita”. Die vrijheid en onafhankelijkheid echter zijn oorzaak, dat te vertrouwelijken omgang zeer veel voorkomt en de kuischheid der djodjaro’s dikwijls zeer bedenkelijk is. Het verwekken van abortus komt dan ook bij de strandbewoners ongelukkig zeer veel voor.
Ook is merkwaardig, dat de jonkman het meisje dat hij lief heeft, dikwijls op goed geluk en onverwacht in hare des nachts donkere kamer opzoekt. Is zij van zijne genegenheid gediend, dan houdt zij zich stil, zoo niet, dan roept zij de huisgenooten wakker, waarop de indringer maakt, dat hij ijlings wegkomt, daar hij bij ontdekking de kans loopt van minstens een pak slaag te krijgen, zoo niet erger, daar de Alfoer in zijne drift al zeer snel naar de wapens grijpt. Zoo wordt de negorij soms opgeschrikt uit haren slaap door eene wilde klopjacht, die het gevolg is van eene dergelijke vlucht. Ten slotte geeft dit gebruik nog al eens aanleiding tot „chantage” en zet menige schoone den bestuursambtenaar voor de moeilijke taak, uit te maken of de persoon die zij aanwijst, werkelijk hare onschuld snood belaagd heeft!
Indien vrouwen tegenwoordig zijn, zullen de Alfoeren geen vijandige daden plegen, wat zeker een hoogstaande adat is, waar tegenover te betreuren valt, dat als hij eenmaal op sneltocht is, ook de vrouw niet door hem gespaard wordt.
Deze adat kan ook ons van nut zijn. Na het gevecht met de Roemah Soal-Alfoeren in 1904, waarbij het vrij scherp was toegegaan, wenschten deze weder in aanraking te komen met ons bestuur ten einde te onderhandelen. Maar het vertrouwen was geschokt en zij durfden zich niet naar Piroe te wagen, ondanks alle verzekeringen van het bestuur, dat de ontvangst vredelievend zou zijn. Ten slotte ging ik vergezeld van een drietal jonge meisjes en eenige hoofden, waarbij zich ook de officier van gezondheid aansloot, de Roemah Soal-Alfoeren, die ten getale van 80, tot de tanden toe gewapend, op meer dan een uur afstands van Piroe wachtten, te gemoet. Op het gezicht van de vrouwen en ons ongewapende officieren, kwamen zij te voorschijn en nadat wij den eed hadden afgelegd, dat hun te Piroe geen kwaad zou geschieden, gingen zij willig mede, er in hunne kinderlijkheid op vertrouwend, dat de eed op Alfoersche wijze afgelegd, ook voor ons Christenen bindend moest zijn.
Geboorte. Gedurende de zwangerschap neemt de Alifoeroevrouw zich volstrekt niet in acht, doch blijft zij tot het laatste oogenblik haar dikwijls zwaar werk verrichten. De vrouw van een der hoofden van Hoaoeloe ging bij eene patrouille met haren man mee, terwijl zij in vergevorderde staat van zwangerschap verkeerde; zij droeg een tamelijk zwaren last gedurende een zeer moeilijken marsch door heuvelterrein. Na het beëindigen van den tocht gaf zij het leven aan een zoon.
Gedurende de bevalling wordt de vrouw door eene vriendin bijgestaan; eene vroedvrouw of doekoen kent men niet. De houding der vrouw is bij de meeste stammen neergehurkt op de knieën, de armen gestrekt, steunende op den vloer. Bij eenige stammen in het Westen gaat de vrouw op het beslissend oogenblik met gestrekte armen hangen aan een dwarsbalk van het pamalihutje of aan een tak van een boom, op zulk eene hoogte, dat zij in zittende houding hare voeten op de grond kan steunen. De navelstreng van het kind wordt afgesneden met een scherp stukje bamboe, (een mes mag hierbij niet gebruikt worden) en met een stukje rottan afgebonden. Daarna wordt de jonggeborene zoo mogelijk met lauw water afgewasschen.
Ook gedurende de bevalling mag de vader het bewuste hutje niet binnentreden. Bijna altijd is het eten van een of ander voedsel voor hem gedurende eenige tijd pamali. Ook mag hij bij sommige stammen niet jagen of op eenigerlei wijze bloed storten; bij andere daarentegen moet hij juist een varken of hert zien te dooden en dit als feestmaal doen toebereiden.

Alfoersche eedsaflegging.

Paparisa in het woud.
Het aantal kinderen is doorgaans klein, de meeste echtparen hebben slechts twee kinderen, terwijl tweelingen bijzonder zeldzaam zijn. Ofschoon de bevolkingsstatistiek nog zeer onvolkomen is, zoo doet een blik op de cijfers toch zien, dat de Alifoeroe langzaam maar zeker uitsterven. De verschrikkelijke pokkenepidemieën die gewoed hebben, waarbij het aantal dooden zoo groot was, „dat de bergen stonken van de onbegraven lijken”, hebben het aantal inboorlingen sterk verminderd, doch misschien is ook het voortdurend onderling en in denzelfden stam huwen, mede een reden van de weinige vruchtbaarheid en het wegkwijnen van dit ras.
Puberteit. De intrede van de puberteit gaat voor den knaap met eenige plechtigheid gepaard. De tjidako wordt hem dan aangelegd en in vroeger tijd ging de vader een sneltocht ondernemen, om met een kop als zegeteeken den jongen man te begroeten. Nu wordt deze gerekend tot de „parang voerenden”. De meisjes van den Wae Rama en Nisawéléstam dragen zoodra zij vrouw worden, een touwtje onder de armen, waaraan twee lapjes, die de borsten bedekken. Tevens dragen zij dan eene korte sarong, die van het middel tot de knie afhangt. Bij de Alifoeroe van Warasiwa dragen de meisjes tot aan de intrede der puberteit een helm, gevormd uit een caladiumblad. Deze wordt met een gevlochten bandje op het hoofd vastgehouden. De haren zijn dan zeer kort geknipt, op het eindje steel van het blad steken de meisjes een pluimpje van sprieten en vederen, zoodat het geheel een aardig gezicht oplevert, vooral wanneer men haar des avonds aan den algemeenen dans ziet deelnemen. Worden zij vrouw dan leggen zij dit hoofdtooisel af en bekleeden zich met de koelit kajoe (schaamgordel).
Rechtspleging. De voornaamste taak der hoofden is het berechten der eindelooze geschillen en gedingen hunner onderhoorigen. Het gemis van letterschrift wordt door het ijzeren geheugen van den Alfoer tegemoet gekomen en zoo onthoudt hij jaren lang zijne perkara om die te gelegener tijd voor te brengen. Dit recht zoeken is op zichzelf een genot voor den Seranner, want hierdoor wordt hij in de gelegenheid gesteld om ten aanhoore van een groot publiek zijne welsprekendheid te luchten. Want deze staat bij den Alfoer hoog in eere; hoe meer beelden hij gebruikt en vooral hoe radder hem de woorden over den tong rollen, hoe grooter zijn aanzien. Daarom maakt hij van de nietigste geschillen eene rechtszaak en het is dikwerf de moeite waard om den aanklager en verdediger tegenover elkander te keer te hooren gaan.
Vooral is het zijn trots om tegenover den blanken bestuursambtenaar zijn talent te kunnen ontwikkelen. Door de uitgestrektheid van zijn gebied is deze verplicht om eenige malen ’s jaars een rondreis te doen en de negorijen te bezoeken. Voor die gelegenheid bewaart men dan de ingewikkeldste perkara’s en nu wordt de rechtszitting eigenlijk eene publieke vermakelijkheid. Iedereen stroomt toe: mannen, vrouwen en kinderen, tot zelfs zuigelingen worden op den arm medegenomen. Met de grootste aandacht volgt men het proces en het is zaak voor den bestuursambtenaar om ook zijn publiek in het oog te houden want daaronder zijn velen, die het geval op hun duimpje kennen en uit hunne goed- of afkeurende gebaren is dikwijls veel op te maken. Soms echter wordt het den een of anderen toehoorder te machtig en roept hij den rechter luide eenige inlichtingen toe of zegt zijne meening omtrent den getuige. In dit geval treedt de marinjo op, doet met zijn rottan eenige woeste uitvallen en deelt slagen uit (die zelden raak zijn) waarop alles uiteen stuift om grinnikend onmiddellijk achter den terugkeerenden dienaar des gerechts weder in den kring der hoorders neer te hurken, volstrekt niet uit het veld geslagen en niet anders verwacht hebbende.
Maar daarom meene men niet, dat het gemakkelijk is om die zaken te berechten, want de Alfoer heeft tevens een sterk rechtsgevoel en het is de groote moeilijkheid om te onderscheiden, welke zaak van belang is of alleen om bovenvermelde redenen wordt voorgebracht. Want een schijnbaar nietige zaak, die onjuist berecht wordt, kan aanleiding geven dat de Alfoer met zijne dikwijls kinderlijke onbillijkheid en koppigheid, zijne opvliegendheid en achterdocht, gaat broeden over eene vermeende of werkelijke onrechtvaardigheid en ten slotte naar den parang grijpt om zijn wrok te koelen. Daartegenover staat, dat met een grap de publieke opinie dikwijls gewonnen kan worden en men den Alfoer het onredelijke van zijn eisch kan doen inzien en zijn in den grond goedaardigen aard bovenkomt.
Doordat zijne zaken dikwijls zeer ingewikkeld zijn en beiderzijds bijna evenveel getuigen worden aangebracht, zoo is het soms onmogelijk die te berechten en worden zij slepende gehouden, zoodat men wel eens komt aanzetten met gedingen, die reeds 30 ja 50 jaren oud zijn, terwijl het eens gebeurde, dat men een geschil over het bezit van een eilandje voorbracht, waarbij zich de eene partij beriep op eene verklaring van den gouverneur Demmers! In een dergelijk geval, alsmede bij sommige geschillen over doesoens, zegenden wij den ouden Valentijn, voor wiens dik boek de hoofden respect hebben en van wien velen wel weten, dat hij de geschiedenis van Seran opgeteekend heeft, zoodat men zich bij het door hem vermelde nederlegde.
De adatstraffen bestaan bijna uitsluitend in het betalen van boeten, terwijl voor zeer ernstige misdrijven eene enkele maal de doodstraf wordt uitgesproken. Maar door het gemis aan gezag der hoofden worden de straffen wel opgelegd, doch veelal niet ten uitvoer gebracht, waarvan weer nieuwe geschillen het gevolg zijn.
Ook zijn de uitspraken der hoofden vrij willekeurig en worden zij wel omgekocht, hetgeen echter gelukkig niet dikwijls voorkomt. Op West-Seran bestaat een zeer merkwaardig gebruik om iemand tot betaling zijner schuld te dwingen. De schuldeischer (meestal vreemde handelaren) neemt dan ongemerkt, dus steelt eigenlijk, een of ander voorwerp van waarde uit het huis van den Regent, in de verwachting dat deze, om zijn eigendom terug te krijgen, den schuldenaar zal dwingen zijne schuld te betalen! Met deze zonderlinge wijze van doen houdt het wetboek van strafrecht, volgens hetwelk recht moet gesproken worden op Seran, wel geene rekening?
Heeft men eenmaal het vertrouwen van den Alfoer gewonnen, dan komt hij met de merkwaardigste zaken die zijn intieme huiselijk leven raken aanzetten. Hij brengt U zijne dochter om haar te berispen voor z. i. onbehoorlijk gedrag of tracht U in familiegeschillen te betrekken en of men zich al onbevoegd verklaart om in dergelijke zaken recht te spreken, hij laat niet gauw los en vraagt dan listig; „maar wat zou U zelf in een dergelijk geval doen?” Ook komt een hoofd U plotseling mededeelen, dat hij besloten heeft zijn zoon eenigen tijd onder Uwe hoede te stellen om eenige kennis en beschaving op te doen. Hij vindt dit zoo iets natuurlijks, dat hij niet eens vraagt, of het gelegen komt en er niet aan denkt dat het huisvesten van eenige van die jongelingen, die wel is waar behulpzaam zijn in de huishouding, doch die ook op Uwe kosten gevoed behooren te worden, wel eens bezwaar heeft.
Eigendomsrecht. Het eigendomsrecht op sago- of vruchtboomen, die verspreid in de wildernis staan, alsmede dat op stukken grond, wordt kenbaar gemaakt door het „sasi”teeken, aldus op Noord-Seran zoo geheeten. Dit bestaat uit het plaatsen van eenige staken, meest in den vorm van een W vóór den boom of op eenige plaatsen van den omtrek van het stuk grond. Een Alfoer zal een dergelijk teeken nimmer schenden, evenmin als hij dit een „pélé”teeken zal doen, bestaande uit een kruis van stokken, geplaatst op een voetpad om dit af te sluiten. Is eene negorij in vijandschap met eene andere, dan zal eene derde negorij, die met het geschil niets te maken wil hebben, op de toegangen daarheen pélé merken stellen, ten teeken van hare onzijdigheid.
Toen onze troepen naar Roemah Soal oprukten, hadden de negorijen Boeria (Poelia) en Patahoé, die wij voorbij moesten trekken een geheel hekwerk op hun toegangspad geplaatst, waarachter de bevolking stond ten bewijze, dat zij niet in het geschil wenschten betrokken te worden. Vóór dit hek stond een stokje, waaraan een gedraaid stukje rottan (Poelia) en een steen (Patahoé), aldus symbolisch de namen der betrokken negorijen aangevend.
Eene latere colonne, waarvan de meeste officieren en minderen vreemdelingen op Seran waren, vernielde de péléteekens van Roembéroe en Lohia, toen zij van daar uit naar Honitétoe oprukte, aldus onwetend een fout begaande, meenende, dat Honitétoe die teekens geplaatst had om haar den weg te versperren. Indien de Alfoer den weg wil afsluiten met vijandige bedoelingen, dan plaatst hij naast of op het pad een stokje met eene pijlpunt er aan gebonden, of wel, hij plaatst een pijl of lans wijzende naar de vijandelijke richting. Te Loöen trof ik eene boog met pijl aldus aan, terwijl het teeken dat Roemah Soal tegen een vijandige stam plaatste, bestond uit een stokje waaraan twee kruitkokertjes gebonden waren en een pakje van sago bladscheede, waarin randjoes en pijlpunten, met bloed besmeerd.
Diefstal komt onder de Noord-Alfoeren zeer zelden voor en wordt met zware boete of met een sneltocht bestraft. Dit is zeker het gevolg van de afwezigheid van sluiting of zelfs van omwanding in de woningen, die stilzwijgend de noodzaak in het leven riep bij onderlinge overeenkomst niet te stelen. Zoo ziet men midden in het woud een pak sagomeel staan of een hoop dammar liggen, waarvan de eigenaar zijne reis naar de kust tijdelijk gestaakt heeft en zijn eigendom aldus onbeheerd achterlaat!
Vooral de goederen aan de „Kompania” behoorend, zijn daar heilig. Op eene patrouille in het gebergte achter Soekaradja (Wahaï) verloor een soldaat zijn maskéke (Alfoerentaschje), waarin tabak, naaigerij enz. Drie dagen later langs het veel begane voetpad terug keerende, lag het taschje nog midden daarop. Een bajonet en een kapmes, in een ravijn verloren, werden zonder verdere navraag door de bevolking teruggebracht. Levensmiddelen en bagage der patrouilles werden den Alfoerenkoelies toevertrouwd, die daarmede soms een dag eerder op marsch gingen, zonder dat iemand er aan denken zou, van het toch zoo begeerlijke zout, spek enz, iets weg te nemen.
In West-Seran is dit weer geheel anders, daar komt diefstal vrij veel voor en worden gouvernementsgoederen volstrekt niet geëerbiedigd, als zij onbewaakt liggen.
Péla. Eigenaardig is het sluiten van de „péla soedara” d.w.z. verbond van broederschap tusschen twee of meer negorijen. De aldus verbondenen beschouwen elkander als zoodanig vermaagschapt, dat huwelijken tusschen de péla niet gesloten mogen worden en men die als bloedschande aanmerkt. Zelfs sluiten wel negorijen van de Oeliassers een péla met die van Seran hetgeen uitsluitend uit winstbejag geschiedt, want behalve dat de péla elkander steeds moeten bijstaan, zoowel in den oorlog als bij het verrichten van groote werkzaamheden, huizen- of kerkbouw enz., mag men elkander bij bezoeken als ’t ware niets weigeren, waarom de Oeliasser de péla, waarmede de minder beschaafde Seranner zeer vereerd is, bezigt tot het kosteloos en gemakkelijk verkrijgen van sago, tuinvruchten enz., terwijl de kans, dat hij zelf wat offeren moet gering is, daar de Seranner zelden of nooit bij hem te gast komt.
Pamali. Over geheel Seran komt het „pamali” voor, d.i. vrij wel hetzelfde als het „taboe” der Nieuw-Zeelanders, een verbod om zekere dingen te doen, terreinen te betreden enz. Zoo is het voor sommige stammen pamali rijst te eten, voor andere weer zekere vruchten of riviervisch; ook voor enkele personen kan het een of ander pamali zijn. De toppen van sommige bergen zijn pamali verklaard d.i. zij mogen niet beklommen worden; soms ook is dit het geval met terreinen en kapen, zooals de naam Tandjong Pamali aanduidt. Gedurende het omvaren van de Noordkaap van Boano is het bijv. verboden zijne behoeften te doen. Het maken van zout is voor alle Alfoeren pamali, ook zooals gemeld werd, het bouwen van steenen huizen. Dit pamali zijn, is soms den Alfoer ook behulpzaam om iets na te laten, waar hij geen trek in heeft. Zoo b.v. toen zij werden aangespoord om toch wat meer aan landbouw te doen en den grond om te spitten, antwoordde de Wae Ramastam, dat zulks pamali voor hen was. De Radja van Hatoé, een tachtigjarige, vrij ontwikkelde grijsaard merkte toen zeer ter snede op met eene aardige woordspeling: „och mijnheer, zij zeggen dat het „pamali” is, doch ik denk dat het „pamalas” (lui) is.”
Na een sterfgeval is voor eenigen tijd alle luidruchtigheid, zang en dans verboden. Doch de Alfoeren zijn een vroolijk volkje en deze onthouding valt hun zwaar. De Alfoeren van West-Wahaï hebben daar wat op gevonden in het „minta minjak” letterlijk „olie vragen.” Eenige mannen gaan in vollen krijgstooi op marsch naar eene naburige negorij en verzoeken daar eenige borden ten geschenke; worden hun deze gegeven, dan is daarmede het pamali verbroken.
Ook het stuk grond een overledene behoord hebbende is dikwijls voor langen tijd ontoegankelijk; de erfgenaam kan het pamali opheffen, doch vergeet dit wel eens of vindt het niet noodig zulks te doen, zoodat een dergelijk terrein soms jaren en jaren niet wordt betreden; als er een pad doorheen loopt, tot eenig ongerief der bevolking.
Ribbe deelt nog mede, dat hij bij Illoe (Oost-Seran) een tampat pamali aantrof, bestaande uit een gladden steen „auf den mit vieler Mühe ein menschliches Antlitz eingehauen worden ist” en dat hier omheen als offers menschenschedels en fraaie porseleinen schotels waren neergelegd. Daar de schrijver zegt dit zelf gezien te hebben, nemen wij er nota van, anders is op geheel Seran het uithouwen in steen van eene menschelijke figuur onbekend.
Eedsaflegging. De eed der Alifoeroe is vrij omslachtig. Ten eerste kan zij alleen tusschen zonsop- en ondergang worden afgelegd en de eedsaflegger moet buiten staan. Vervolgens neemt men een kommetje, doet daarin wat sagoweer, arak of anderen sterken drank en een kogel met wat buskruit. Twee helpers houden een geweer en een parang met de punt in het vocht. De eedsaflegger vat beide voorwerpen aan en nu zegt een ouderling, hoofd, of iemand die het formulier goed machtig is, dit op zangerige, luiden toon op. De aanhef voor Oost- en Midden-Seran is „oôooh! Lahatalla”; voor West-Seran „oôooh Lanité” (hemel). Vervolgens wordt de eedsaflegger uitgenoodigd bij Lahatalla of den hemel, de aarde, waarop dan met den voet gestampt wordt, de zon, de maan, de sterren en de zee, om de waarheid te spreken of om zijn eed te houden, daar hij anders zal worden verpletterd door Lahatalla, verslonden door de aarde, gedood door pijl, kogel of zwaard of op andere wijze gewelddadig aan zijn eind zal komen. Van tijd tot tijd vallen de omstanders in met de woorden: „zoo is het”, of reciteeren sommigen het formulier een eindje mede of voegen daaraan toe, wat naar hunne meening noodig is. Op West-Seran roepen allen na elke zinsnede: „hio!” Is de beëediging afgeloopen, dan drinken eedsaflegger en helpers een slokje van het mengsel in het kommetje. Op West-Seran tracht een ieder der omstanders een slokje van de lekkernij (?) te bemachtigen.
De Nisawéléstammen gebruiken instede van sterken drank, water bij de beëediging. Bij de Halamoeristammen is de eedsaflegging weer eenigszins anders. Bij het sluiten van den vrede tusschen Halamoeri en Sĕliha ging deze plechtigheid aldus toe:
De hoofden van Hatiling, Manoeséla, Pasahari en Hatoe Olo legden hunne dienststokken weg en stelden zich op voor den eed van onverbreekbaren vrede. Een aarden pot met water gevuld, werd op den grond geplaatst, dáárop een parang, een geweer en een paar sagobroodjes gelegd. De Radja van Manoeséla hield eene lans met de punt in het water en begon onder eene doodsche stilte Lahatalla aan te roepen en verder het eedsformulier op te zeggen. In de met rotsblokken bezaaide rivier, overschaduwd door woeste plantengroei, leverde deze plechtigheid van die eenvoudige natuurmenschen, een belangwekkend schouwspel op. Na den eed raakten allen beurtelings de lans aan, terwijl zij die schuld hadden aan den vroeger gepleegden moord, hun gezicht in het water afwieschen.
Daarna werden de handen van den moordenaar en den broeder des vermoorden in een gelegd over den aarden pot en door den Orangkaja van Ajerbĕsar, onder het uitspreken van eenige woorden naar de 4 windstreken heen en weder bewogen, waarna door beide partijen een schot werd gelost.
Eene andere wijze van eedsaflegging greep plaats tusschen Nisawélé en Hatiling.
Nadat de noodige besprekingen waren gehouden en de gegeven snelpanden (zie later) waren ingelost, werd een algemeene maaltijd gehouden „het pamali-eten”, waaraan mannen en vrouwen deelnamen. Na afloop hiervan gingen de hoofden en Orang toea naar den pamaliheuvel, in de negorij Hatiling (oudtijds Marawali geheeten) gelegen en onder het blazen op groote klinkhoorns, werden aldaar met luider stemme de schimmen der voorvaderen aangeroepen. Teruggekeerd, werd ten huize van den Gezaghebber van Hatiling, de harta, bestaande uit borden en kaïns gekeurd en in ontvangst genomen.

Alfoersche waterdraagster (Pasahari).

Vlechtwerk van Noord Seran (zeeven, mandjes en doozen).
Daarna schaarden zich de hoofden en de Orang toea in een kring, waaromheen de bevolking; de oudste nam een mes, bracht dat in den mond en gaf het daarna ter handreiking aan allen; nu werd beurtelings door een der hoofden een duren eed gezworen; bij de aarde (waarvan eene kleine hoeveelheid in den mond werd genomen) bij de zon en de maan, bij de zee en onder het luidkeels aanroepen van Lahatalla, het Opperwezen; gedurig vielen de overigen in koor in met het woord: „Séhoe” beduidend: „zoo is het, het is uit.” Ten slotte nam Nisawélé een loeri, zwoer eveneens als de anderen, doch ook bij den heiligen berg Moerkélé en reikte daarna den loeri aan Hatiling over. De bedoeling hiervan is: het mes, dat Nisawélé ontving zal zich tegen den stam keeren, zoo hij nu iets verborgen zal hebben of later toch weer kwaad tegen het strandvolk bedrijven mocht; de loeri beduidde, dat indien Hatiling mocht vernemen, dat Nisawélé weer aan het snellen zou gaan, dit niet waar zou zijn en beschouwd moest worden als het onzinnig gebabbel van een loeri.
De Oost-Alfoeren maken eenig werk van de versiering hunner schilden, door die in te leggen met stukjes glas en paarlemoer en te bekleeden met stukken kasawarihuid. Bij de strandbevolking is eenige meerdere nijverheid te bespeuren. Er zijn verscheidene timmerlieden, die vrij knap een houten huis in elkander weten te zetten. Hier en daar treft men een smid aan, met zijne bekende primitieve smidse van bamboekokers met zuigers, als blaasbalg dienst doende. Weven en pottenbakken is echter onder hen ook onbekend, met uitzondering van eenige negorijen op Z.O. Seran, waar enkele vrouwen met een primitief weefgestoelte eenvoudige kaïn oeté2 weten te vervaardigen. Daarentegen zijn onderscheidene negorijen bekend voor haar mattenvlechten. De matten worden vervaardigd van reepen pandanusblad, die rood, geel, zwart en blauw gekleurd worden; het patroon is dikwijls wel aardig. Roemah Olat aan de Noordkust is bekend voor het vlechten van manden (tagalaja), zeeven en groote en kleine doozen, terwijl men op Boano aardige sirihdoozen vervaardigt in den vorm van missigits.
De Oost-Alfoeren maken hoofddeksels van bamboe en gekleurde pandanusbladeren, met schelpjes en paarlemoer versierd, terwijl de Zuid-Oost-Seranners worden genoemd om hunne tĕtoemboe, groote en kleine veelkleurige koffers, eveneens van pandanblad, geschikt om kleederen in te bergen en die dikwijls zeer sierlijk van afwerking zijn. Zij werken echter slechts op bestelling of wanneer zij er lust in hebben. Van het drijven van bepaalden handel in nijverheidsartikelen is geen sprake.
Op Hoeamoal zijn zeer enkelen, die hun brood winnen met het stoken van kajoepoetih olie. Men verzamelt de bladeren van den kajoepoetihboom in een vat en kneust ze met water vermengd. Daarna distilleert men het mengsel middels eene eenvoudige koperen distilleerkolf, waarvan de buis wordt afgekoeld in een tweede vat en vangt de uitloopende olie in de bekende vierkante jeneverflesschen op.
Daar, waar de kanarieboom in groote hoeveelheid voorkomt, leggen de vrouwen zich wel toe op het vervaardigen van olie daaruit, hoofdzakelijk door kneuzing en afkoken der amandels, aldus eene zeer fijne braadolie verkrijgend, terwijl het vervaardigen van klapperolie overal bekend is. Indien men voortdurend de bewoners aanspoort en er toe opwekt, is er wel eenige meerdere levendigheid in handel en nijverheid te brengen, zooals moge blijken uit het feit, dat in de afdeeling Wahaï de waarde der uitvoerartikelen (hoofdzakelijk bestaande in boschproducten, coprah, hout, hertehuiden en hoorns,) in drie jaren tijds van ± ƒ 9000 op ± ƒ 20.000 kon worden gebracht.
De eenige rijkdom der Alfoeren bestaat eigenlijk in het bezit van een meerder of minder groot aantal borden, kommen en schotels. Hoewel het gros hiervan meestal de gewone goedkoope porseleinsoorten zijn, bezitten zij toch ook vele zeer oude en schoone Chineesch en Delftsch(?) porseleinen schotels. Zij vertoonen die slechts ongaarne en weten heel goed, dat Europeanen daar veel geld voor willen geven. Onze voorvaderen schijnen vrijgevig geweest te zijn met het begiftigen van de regenten daarmee. Dikwijls ziet men in hunne handen zeer fraaie langwerpige en zeskantige schotels, met een Hollandsch motief er op en soms wel van een familiewapen voorzien. Bij het betalen van boeten, die doorgaans betaald worden met deze borden, onderzoeken de Alfoeren die nauwkeurig stuk voor stuk. De klank speelt een hoofdrol daarbij. Terwijl een persoon een schotel, op de vlakke hand geplaatst, door middel van een tik deed klinken, zag ik een ander, die de beweging maakte van het uitmeten van vademen met de armen; dit deed hij zoolang, tot de toon niet meer waarneembaar was en uit het verkregen aantal vademen kon hij dus vergelijken den duur van doorklinken met andere schotels, een zeker niet onaardig middel, bij gebrek aan een horloge.
Nog is in aanzien een verglaasde aardewerk schotel van bleekblauwe of bleekgroene kleur de pinggang batoe. Van een echte pinggang batoe beweert men, dat het glazuur barst als er vergif in den schotel gedaan wordt.
Een volledige „harta”, oorlogsschatting of boete, bestaat bij de Patasiwa uit:
9 vlaggen, 9 mangkok sĕrasa (kommen) en groote schotels, 90 oude borden, 900 kleine bordjes en 9 gongs; bij de Patalima vraagt men geen vlaggen, doch respectievelijk 5 kommen, 50 oude borden, 500 kleine bordjes en 5 gongs. Men houdt zich echter niet streng aan deze adat, doch voegt er wel eens andere zaken aan toe, die men begeert. Vooral de hebzuchtige West-Seranners zijn hiervoor bekend en dikwijls eischen zij b.v. een extra harta als een moord geschied is, voor de oogen, den mond of eenig ander lichaamsdeel van den verslagene. Het niet of slechts gedeeltelijk voldoen van de geëischte harta is de hoofdoorzaak van de meeste veeten tusschen de verschillende stammen.
Landbouw. De Alifoeroe zijn nog altijd in hoofdzaak een jager- en visschersvolk; den landbouw of liever tuinbouw beoefenen zij als nevenbedrijf. De buitengewone luiheid van dit volk zal wel oorzaak zijn, dat het een afkeer heeft van het geregeld bewerken van den grond.
De landbouw op Seran is overal roofbouw. Dáár waar hem dit goeddunkt, kapt de Alfoer een terrein open, plant er zijn gewas en ziet na den oogst niet meer naar dit stuk grond om, dat spoedig weder in eene wildernis herschapen is. De tuinen zijn dan ook wijd en zijd om de negorijen verspreid. Slechts bij de strandbewoners, die zich niet ver van hunne dorpen willen of durven wagen, kan men eenigszins van blijvende tuinen spreken, doch men verwachte niet, dat men daarom wel gezuiverde, goed beplante velden aan zal treffen. Tusschen de vruchtboomen of veldgewassen in schiet het onkruid welig op, zelfs de voetpaden door den tuin zijn meestal niet onderhouden. Men moet er zich toch over verbazen, dat de Alfoer bij al zijne luiheid, er weinig tegen opziet om groote stukken bosch te vellen, welk zware werk hem zeer vlug afgaat en vreemd is het, dat hij na zulk een arbeid verricht te hebben, plotseling tot andere gedachten komt, zijn met moeite verkregen zaaiterrein schijnbaar zonder eenige reden verder laat liggen voor wat het is en zijne landbouwplannen opgeeft.
Ook op ander gebied handelt hij zoo. Menigmaal ziet men in het bosch vierkant bekapte balken en stijlen liggen voor den huizenbouw, waarvan de eigenaar den verderen arbeid gestaakt heeft; ook wel vindt men in het bosch eene half of bijna geheel afgewerkte prauw liggen, die men blijkbaar niet meer noodig had. Wellicht wordt onder het werken de luiheid den Alfoer toch te machtig en ziet hij tegen de voltooiing op.
Den sagopalm, die hem zijn hoofdvoedingsmiddel verschaft, behoeft hij eigenlijk niet te verbouwen. Ten eerste groeit deze op Seran in ontzaggelijke massa en ten tweede plant hij zichzelf voort. Als de boom ongeveer 6 jaren oud is, is hij geschikt om meel te leveren. Hij wordt geveld en in de lengte in tweeën gekapt. Het vezelige merg wordt met een soort dissel verbrijzeld en murw geklopt. Daarna wordt de massa met water gekneed en door eene zeef geperst en het vocht langs een goot geleid naar een vat, waarin het sagomeel bezinkt. Hiervan maakt men kegelvormige of cylindrische pakken (toeman) met behulp van sagobladeren en hiermede is de bewerking afgeloopen. Bijzondere hulpmiddelen zijn hiervoor niet noodig geweest. Een der bladstelen dient als afvoergoot; het dikke ondereinde der takken vormt den mengtrog; de zeef vervaardigt men uit het weefsel, dat in groote lappen het boveneinde van den stam bedekt en het vat, waarin men de emulsie opvangt, kan men uit sago-bladscheeden maken. De natuur zorgt dus al buitengewoon goed voor den Alfoer.
Ook voor de Oeliassers is Seran de voorraadschuur, daar op die eilanden weinig palmen voorkomen en door de bevolking moeten worden bijgeplant. Voor den rijstbouw kapt men een terrein open en nadat men het omgekapte heeft laten drogen, wordt het in brand gestoken. De groote boomen die in het terrein liggen, blijven daarna soms wekenlang doorsmeulen. Met een scherpen stok maakt men gaten in den grond, werpt daarin eenige korrels en dekt ze dan losjes dicht. Dikwijls worden er nog takjes en struikjes los overheen gelegd, tot afweer van de vogels. Tusschen het onkruid schiet dan de padi op.
De korrel der Seranrijst is dan ook klein en vrij hard als ze gekookt is, maar een proefsawah op Javaansche manier aangelegd, leverde met zaaipadi van Seran, een prachtigen korrel, geheel gelijk aan Javarijst en even smakelijk. Slechts de Malowanstammen verbouwen de rijst op eenigszins groote schaal, terwijl wij aldaar tot onze verbazing, eenige berghellingen beplant vonden met de gewone aardappels, echter niet groot van stuk. De Alfoeren vertelden, dat zij zeer lang geleden eenige aardappels van een Civiel-gezaghebber gekregen hadden en die waren blijven verbouwen. Ook op Boeroe, waar onder aanmoediging van het Bestuur, aardappelen worden geteeld, gedijen deze goed. Op Seran troffen wij ze echter nergens anders aan.
Bij Lisabata, te Amahei en op Manipa groeien eenige honderdtallen koffieboomen, vroeger op last van het Bestuur als proef geplant. Er wordt geenerlei zorg aan besteed en toch geven de boomen een tamelijken oogst. Te Lisabata staan zij op slechts honderd meters van de kust, eigenlijk nog in het zand en bloeien toch vrij goed. Bijna iedere Alfoer verbouwt eenige tabaksplanten en stelt deze liefst in de onmiddellijke nabijheid van zijn huis op, dikwijls onder den dakrand, zoodat de planten bij regen in den drup komen te staan. De bladeren zijn groot en krachtig. Nadat zij fijn gekorven zijn, droogt men ze op platte schotels of wannen op het dak van het huis en als de massa licht geelbruin geworden is, is de tabak voor het gebruik geschikt. Slechts om Sétie (Wahaï) heeft de tabaksbouw grootere afmetingen en mag de tabak der Sétie-Alfoeren zich in een zekeren roep verheugen.
De Radja van Amar op Z.O. Seran is vrijwel de eenige der inboorlingen, die meer uitgebreide notemuskaattuinen bezit en in noten handel drijft. De overigen verbouwen hunne gewassen hoofdzakelijk voor eigen gebruik en verkoopen daarvan slechts, als zij zelven het minder noodig hebben of overvloed bezitten.
Evenzoo primitief als de rijst, verbouwt de Alfoer nog suikerriet, maïs, cassave, katjang en obi (patater) en het is slechts aan den buitengewoon vruchtbaren bodem van Seran te danken, dat de bijna onverzorgde gewassen nog voldoende vruchten afwerpen.
Jacht. De geliefkoosde wijze van jagen is het zich in hinderlaag stellen, evenals bij het koppensnellen. Men noemt dit aan de kust „pĕrgi loer” (op den loer gaan). Om den zeer schuwen casuaris te bemachtigen, moet de Alfoer soms een geheelen dag in hinderlaag blijven, welke moeite hij zich gaarne getroost, daar het vleesch van dien vogel zeer gezocht is en de beenderen hem dienstig zijn tot het maken van lansspitsen, priemen, papedavorken etc. Het gebruik van springlansen en strikken is algemeen. De eerste zijn zeer scherpe bamboelansen, die door een veerkrachtigen, sterk gebogen tak voorwaarts gedreven worden, als de liaan, die dwars over het pad gespannen is, wordt aangeraakt. Soms plaatst men twee van die lansen evenwijdig boven elkaar.
De springlansen worden ook wel met vijandige bedoelingen geplaatst en zijn door hunne moeilijke zichtbaarheid vrij gevaarlijk. Zij mogen dan ook niet in de onmiddellijke nabijheid der negorijen geplaatst worden en dan nog wordt op een tiental passen vóór de plek, waar de springlans opgesteld is, een stok geplaatst waaraan een cirkelvormig gebogen stuk liaan bevestigd is, ten einde tot voorzichtigheid aan te manen. Over de strikken valt niets bijzonders te vermelden, dan dat men ze ook wel zoodanig aan een gebogen tak verbindt, dat indien het dier in den strik geraakt, het een haakje, waaraan de strik bevestigd is lostrekt, door de veerkracht van den tak omhoog geslingerd wordt en hangen blijft. Ter bemachtiging van een koesoe2 plaatst men in de boomen zeer kunstige strikken van lianen, waarin het dier zich vangen laat.
Soms maakt de Alfoer van den strijdlust, waarmede de herten gedurende den paartijd bezield zijn gebruik, om het dier te verschalken. Hij stelt zich op eene gunstige plek in het kreupelhout op en slaat zachtjes met een takje tegen een boom. Het mannetjeshert, denkende een tegenstander aan te treffen, die uitdagend zijn gewei wet, komt dan nieuwsgierig en strijdlustig binnen het bereik van den Alfoer. Wellicht wordt het hert in zijne meening versterkt, doordat de Alfoer eene lucht van zich afgeeft, niet ongelijk aan die van een dier.
Het roeien der groote prauwen geschiedt op gongen tifaslag en onder het zingen van een beurtzang van roeiers en tifaslagers. De grootste onzin wordt hierbij dikwijls uitgekraamd, hetgeen er niets toe doet, mits men in de maat blijve. Haast heeft men nimmer en men roeit langzaam en krachteloos voort, maar houdt dit dan ook uren lang vol. Maar opeens gebeurt het, dat de roeiers „den geest” krijgen, de tifa slaat een woesten slag en alles begint onder het uitstooten van een vreeselijk gegil, zoo woest en hevig te roeien, dat men meent eene partij krankzinnigen te zien. Deze opwinding houdt soms een kwartier aan en dan laat plotseling weer iedereen de riemen zakken en gaat uitgeput een pruimpje sirih kauwen.
De wind wordt steeds eerbiedig behandeld en men noemt hem altijd „Toean”. Eigenaardig is de aanroep: „Krrrrr! Marilah toean Timor, datang dari belakang toeroen di haloewan, antar prahoe Radjah, makan baik, mínoem baik, mari dengan mara-mara sadikit, toean!” (Kom, heer Oostenwind, van achteren naar den steven en geleid deze vorstelijke prauw, goed eten en drinken is dáár, kom met een beetje boosheid, (harder blazen) Heer!) Wordt de bergwind aangeroepen, dan heet het: „Ajo, Poetri goenoeng, kipas-kipas kain sadikit!” (Kom, vorstin der bergen, wapper eens een beetje met uwe sarong!) Is de wind zwakjes, dan verzoekt men: „Tambalah barang satoe gantang, doea gantang, satoe mangkok, doea mangkok, satjoepa doea tjoepa.” (Doe er nog een of twee maten, een of twee kommen, een of twee vingerhoeden bij!) Maar als de wind den geheelen dag wegblijft, dan kan het ook wel gebeuren, dat de roerganger in arren moede den wind toesnauwt: „Zijt gij niet beschaamd, Heer, zoo den geheelen dag te slapen?” Dien man in ernst zoo boos te zien, maakt een komischen indruk.

Orembaai’s ter reede Piroe.
(In het verschiet de landengte van Kotania).

Plechtige ontvangst bij den Regent van Roemah Kai
(menari der djodjaro in pakean tanah).
De strand-Alfoer is goed bekend met het zeeleven en durft dikwijls brutaal zeilen, maar hij is zeer roekeloos en onverschillig voor zijne vaartuigen. De reiziger, die in een daarvan zal stappen, doet wel met de prauw altijd grondig te onderzoeken, wil hij niet onderweg beleven, dat eene plank lek springt, de mast omvalt of een vlerk plotseling afbreekt, dingen die den Alfoer, uitmuntend zwemmer als hij is, vrij koud laten. Prof. Martin zag eens een Alfoer op zulk een grooten afstand van de kust in zee, dat hij meende een drenkeling te zien. Het bleek echter, dat de man eenvoudig zijn weggedreven prauwtje achterna zwom!
In de Piroebaai gebeurde het in 1904, dat een man, niet ver van Piroe, bij ruw weder overboord sloeg. De opvarenden kwamen het vrij onverschillig mededeelen, zeggende, dat de golven te hoog gingen om hem te kunnen redden, doch dat hij wel terecht zou komen. De prauwen, die daarop van verschillende kanten uitgezonden waren, vonden den man niet, doch bijna twee dagen later, was hij gezond en wel te Poeloe Kasa aangeland. Dat de Alfoer tot zoo iets in staat is, verklaart wel eenigszins zijne roekeloosheid bij het varen. Op een nacht wakker wordend, bemerkte ik, dat de roerganger van mijn schoener in slaap was gevallen, terwijl hij het roer gemakshalve maar had vastgebonden! Gelukkig was er bijna geen wind en dreven wij maar wat rond. Het reizen langs de kust van Seran is op die manier vol verrassingen. Legt men op eene nachtelijke vaart, dicht bij het doel gekomen zijnde, zich ter ruste, in de meening „zie zoo, over een uurtje zijn we er, dat kunnen de roeiers alleen wel af” dan gebeurt het zeer dikwijls, dat men zich den volgenden dag verbaasd de oogen uitwrijft, als men bemerkt in volle zee te zijn, of op een heel ander gedeelte der kust. De oplossing van het raadsel is, dat iedereen, toen de „toean” zich ter ruste begaf, dit voorbeeld maar gevolgd heeft, het aan den stroom of den wind overlatende de prauw te drijven, waarheen het hem goeddunkt! Maar de stuurman vertelt U met een geheimzinnig gezicht, dat een polyp de prauw heeft weggevoerd, waarop volgt het verhaal van een verren bloedverwant, wien dat eveneens is overkomen „drie kommandanten geleden!”
Visscherij. Voor de strandbevolking is de visscherij een hoofdmiddel van bestaan, terwijl de Berg-Alifoeroe gaarne hunne tuingewassen tegen gedroogde visch komen inruilen. Het visschen geschiedt op onderscheidene wijzen. Ten eerste met den hengel „hohaté” genaamd (Noord-Seran.) De hengel is een bamboespriet met een snoer van uitgegloeid koperdraad en van een zelf vervaardigden, uitmuntenden haak voorzien. De visschen zijn bijna alle roofvisschen van zeer gulzigen aard, zoo komt het, dat dikwijls de moeite van een aas aan te slaan bespaard wordt, door eenvoudig een bosje witte veeren aan den haak te binden. Slaat men nu den haak snel door het water, dan hapt dikwijls, vooral in de monding van rivieren een „bobara” daarnaar. Het aas bestaat uit kleine vischjes makki-makki of „téri” genaamd sterk op sardines gelijkend. Deze vischjes zwemmen in dichte drommen rond; om ze te vangen, maakt men gebruik van het werpnet, maar ook van een hengel met zeer dun snoer en grooten haak zonder aas. Dezen laat men in de school zinken en haalt dan met een snellen ruk op, waardoor een vischje letterlijk aan den haak geslagen wordt, zoo dicht is de school.
Den sako, een geepvormige visch met een spitsen bek, die snelle sprongen boven water maakt, vangt men wel eens met een hengel, waaraan instede van een haak, een strik om het aas is bevestigd. Hapt de sako er in, dan haalt men snel op, trekt den strik dicht en vangt zoo het dier. Wanneer men op groote diepte met de lijn vischt, wordt de haak voorzien van een klapperblad, waaraan een steen gebonden is. De aldus bezwaarde haak zinkt dan snel tot op eene diepte van tachtig vaam en meer. Raakt men den grond, dan geeft men een snellen ruk, zoodat de haak het brooze klapperblad doorscheurt en nu vrij komt. Van de nerven van den gĕmoetoe-boom, knoopt men eene vrij sterke, zeer dunne lijn. Hieraan wordt een klein koperen haakje bevestigd met vederen voorzien en dan wordt de lijn achter een prauwtje aan gesleept. Over koraalriffen varende krijgt men altijd visschen van ± 2 d.m. lengte aan den haak. In één uur werden soms aldus 12 visschen van 7 verschillende soorten opgehaald. Het visschen is dus hier, ook als sport, zeer loonend te bedrijven.
De „djolong”, een in dichte scholen levende visch, wordt „geschept”. Is een djolongschool verkend, dan varen de prauwen er in een halve maan op af. Iedere prauw heeft op den boeg een V vormig bamboestel, waartusschen een net, eindigend in een zak, is bevestigd. Plotseling gaan alle vorken neer, men vaart een slag vooruit en werpt met steenen over de school heen om die naar zich toe te jagen, onder het maken van luid misbaar, klappen met roeiriemen enz. Daarna worden de netten omhoog gewipt en de inhoud binnen boord gehaald. Tot duizenden djolongs worden aldus in een kwartier geschept. Zij worden dan tusschen bamboeraampjes gewerkt en gerookt om aldus als opgelegde voorraad nog lang goed te kunnen blijven. Schildpadden en groote visschen, alsmede de doejong worden gejaagd met den atjo (harpoen) terwijl langs het strand op visschen geschoten wordt met pijl en boog. Ook met de kalawai, een lichten drietand, wordt in scholen visch geworpen, maar de vangst op deze wijze vereischt eene bijzondere geoefendheid, die lang niet iedereen bereikt. Verder bezigt men om op ondiep water te visschen het werpnet, ook elders in den archipel bekend, terwijl enkele een groot treknet bezitten, gebreid van ganémoe-vezel en met bloed en toerisap zwart geverfd.
Op bepaalde tijden vertoonen zich in de baaien dichte zwermen lémah. Het visschen hiernaar is een groot genoegen voor de strandbewoners. Talrijke prauwtjes drijven dan in het duister op het water, alle voorzien van eene harsfakkel, waarvan het licht de visschen aantrekt. Nadat door beproeving de diepte gevonden is, waarop de school zich bevindt, laat men zeer dunne lijntjes zakken met een stukje lood bezwaard, terwijl het beste aas is een klein stukje van den lémah zelf. Onophoudelijk kan men dan ophalen, terwijl de door honderden lichtjes blikkerende baai, het vroolijk elkander toeroepen en schertsen, dit soort visschen (mengaïl) tot een zeer aangenaam tijdverdrijf maakt en het voor den inboorling eene gemakkelijke wijze van verkrijgen van smakelijk voedsel is.
Op de Oeliassers beschouwt men dit dan ook als eene geschikte gelegenheid om eene nachtelijke pic-nic te houden. Begeleid door guitaar en zang, visschen de dames en heeren genoegelijk voort, terwijl men soms op een medegevoerd komfoor dadelijk eenige visschen bakt en in de prauw verorbert. De lémah is waarlijk een zeebanket. De Alfoer schijnt dit ook zoo te vinden, daar ik herhaaldelijk zag, hoe men den pas gevangen visch rauw verslond.
Zoodra de maan opkomt, bijten de visschen niet meer, de fakkels worden gedoofd en onder vroolijk gezang stevent de vloot huiswaarts.
De verbazingwekkende rijkdom van visch der Moluksche zeeën zou eene zeevisscherijonderneming ten stelligste succes waarborgen, meer nog dan in de Javazeeën. Immers potvisschen vertoonen zich herhaaldelijk in deze wateren en waar die komen, moet de voorraad kleinere visschen ook groot zijn? Eene eigen diepzeevisscherij zou het met graagte visch verbruikende Java, van die uitmuntende volksvoeding kunnen voorzien, terwijl men thans verplicht is, slechte en dikwijls voor het gebruik schadelijke vischsoorten uit Siam en elders in te voeren.
Voeding. De voeding der Alifoeroe is zeer eenvoudig, welk feit verband houdt met de allerbedroevendste culinaire bekwaamheden hunner vrouwen. Het hoofdvoedsel bestaat uit sago, die onder verschillende vormen genuttigd wordt. Het meest geliefkoosd is de papéda, bestaande uit eene pap, die men verkrijgt door versch sagomeel te overgieten met kokend water, waardoor een gerecht ontstaat uiterlijk volkomen gelijk aan behangersstijfsel. De papéda wordt in eene aarden kom opgediend; met een vork van twee kruiselings aan elkander bevestigde stokjes, draait men zich een bal uit de kleverige massa en werpt die op zijn bord, waarna men de papéda opslurpt zonder zijne vingers of een lepel te gebruiken. Deze wijze van eten is ook op de Oeliassers gebruikelijk, zelfs bij de hoogere, Hollandsch sprekende of met Europeanen gelijkgestelde bevolking.
De Alfoeren nuttigen bij de papéda vleesch en visch, soms een lombok, terwijl bij de strandbewoners meestal eene dunne soep van visch en specerijen (pindang) er bij gegeten wordt. Hoe onoogelijk het gerecht er ook uitziet en hoe onsmakelijk de wijze van eten er van schijnt, ook de Europeaan kan er vrij gemakkelijk aan gewennen en het smakelijk vinden. Om op marsch te bezigen stopt men het sagomeel in eene dunne bamboe en roostert deze boven het vuur. Als de bamboe is opengebarsten, heeft de sago zich samengepakt tot een rol, niet ongelijk aan den gummistok onzer politieagenten. Men begrijpt, dat het verorberen van eene dergelijke staaf eene taaie geschiedenis is.
Door het sagomeel in langwerpig vierkante, leemen vormpjes te roosteren, verkrijgt men de zoogenaamde sagobroodjes, die door hun klein volume en platten vorm, gemakkelijk mede te voeren zijn, doch die bij volkomen smakeloosheid en korreligheid het gevoel geven als knabbelde men op droog zand. Niettemin is de bevolking zeer tevreden met deze broodjes, die zij in een weinig water weeken en met wat toespijs nuttigen. Op zeetochten ziet men velen het broodje in het zeewater dompelen en dan verorberen.
Voor de bereiding van vleesch en visch kent men slechts ééne wijze n.l. het roosteren. Men legt een vuurtje aan en plant daar omheen in een kegelvorm stokken, waaraan men de stukken vleesch of den visch heeft geregen en laat het vleesch dan roosteren; hier en daar dooft men met de vingers het vuur, dat het gerecht dikwijls aantast. De eenige smaak, die het aldus toebereide vleesch heeft, hetzij het van herten, varkens, duiven of papegaaien komt, is altijd dezelfde n.l. „rookerig!”
Bij de strandbewoners is het bakken en braden en bereiden met specerijen reeds bekend, al is ook bij hen de kookkunst nog zeer in wordingstoestand. In de tweede plaats gebruikt men rijst, maïs, cassave (kasbi) en aardknollen, hier patatter genaamd, doch deze voedingsmiddelen zijn lang niet algemeen en worden door de Alfoeren slechts in kleine hoeveelheden verbouwd.
Behalve wat sago, legt de Alfoer ook bijna geen voorraad in zijne huizen op. Is zijne provisie verbruikt, dan gaat hij nieuwe halen en te Piroe merkte ik op, dat velen zoo lui zijn, dat zij eerst nadat alles schoon op is en zij tevergeefs getracht hebben bij een buurman wat te leenen, er pas toe kunnen besluiten om opnieuw te gaan sago kloppen of te jagen!
Genotmiddelen. Bij de strandbewoners komen meer en meer de lekkernijen in gebruik, die men ook elders in den Archipel aantreft. De Berg-Alfoeren echter gebruiken als genotmiddelen niet veel anders dan sirih en pinang. Van de sirih gebruikt men meer de langwerpige vrucht dan de bladeren. Tabak wordt ook vrij algemeen gebruikt, doch voornamelijk om te pruimen, terwijl hier en daar uit het sap van den arènpalm suiker wordt gekookt. Het gebruik van sagéroe is reeds uit de vorige bladzijden bekend. De uitspraak van Ribbe: „der Muhamedaner liebt das Opiumrauchen über alles”, geldt alleen den Z.O. Seranner, daar opium elders bijna onbekend is en slechts door vreemdelingen ten eigen bate wordt binnengesmokkeld.
Wapens. Het inheemsche wapen is de boog. Deze wordt gesneden uit bamboe of hout en is zeer eenvoudig van vorm, zonder versierselen. De pees wordt van ineengedraaide rottan of ganémoevezelen vervaardigd. De schacht der pijlen wordt gevormd door een rietstengel (glaglah) terwijl de spitsen vervaardigd worden van ijzer, bamboe en arèn of wokkahout. De oorlogspijl wordt in jachtpijl herschapen door het opplaatsen van eene losse bamboespits. Terwijl deze in het getroffen dier blijft zitten, laat de pijl los en kan dus door den Alfoer gemakkelijk teruggevonden worden. De ijzeren spits van den oorlogspijl wordt meestal gevormd door een daartoe bijgeslepen stuk mes. Ook wordt hiertoe wel gebezigd een scherp behakt stukje vogeldijbeen.
Onder de oorlogspijlen zijn er altijd eenige, die uitgekerfd zijn of van weerhaakjes zijn voorzien, doch dit snijwerk is niet zoo kunstig als dat der Nieuw-Guinea-Alfoeren; ook versiering blijft geheel achterwege. Om meer uitwerking te hebben bij het schieten op den koesoe2, gebruikt men een pijl met drievoudige spits van bamboe, waarin weerhaken zijn uitgesneden. Een steentje dient om de 3 punten uit elkander te houden. Tot het schieten van visschen, waarin de Alfoer zeer behendig is, bezigt men eveneens eene meervoudige spits van dunne scherpe punten van arènhout. De lans, meestal van wokka, wordt bijna uitsluitend voor de jacht gebezigd. Zij bestaat uit een eenvoudigen ± 2 M. langen spitsen stok. Op Oost-Seran voorziet men haar dikwijls van eene spits, bestaande uit een schuin afgesneden casuarisdijbeen, terwijl ter versiering een bosje casuarisvederen, aan het boveneinde gebonden, moet dienen. Een bijzondere lans, bijna over de geheele lengte voorzien van geitenhaar en casuarisvederen dient alleen om bij den schilddans (mĕnari parisi) of bij den waaierdans (mĕnari kipas) door den voordanser te worden gebruikt. Zij komt, zoover mij bekend, alleen te Hatoé en te Loehoe voor en is waarschijnlijk uit Celebes afkomstig. (De Toradja’s hebben b.v. vrij wel dezelfde lans).
Het schild, de salawakoe, wordt alleen bij krijgsdansen gebezigd. Het bestaat uit een eenvoudig bewerkt langwerpig stuk hout, aan de binnenzijde van een handvat voorzien en doorgaans versierd met stukjes paarlmoer en porselein scherven. Hier en daar komen fraaier bewerkte, zeer kleine schilden voor, die echter uit Ternate afkomstig zijn.
De parang (kapmes) wordt meest uit Ternate ingevoerd. Die van West-Seran zijn veel grooter dan die van Midden- en Oost-Seran. Het gevest wordt uit hout gesneden, met rottan vlechtwerk om den angel bevestigd en met eene harssoort vastgezet; op West-Seran worden de gevesten met eenig kunsteloos snijwerk versierd of ook wel rood geschilderd. Met de parang zijn de Alfoeren zeer handig en doordat het zwaartepunt geheel in het uiteinde gelegen is, kunnen er geduchte houwen mede toegebracht worden. Op marsch draagt men het wapen op den schouder gesteund, doch moet de Alfoer zijne beide handen vrij hebben, dan klemt hij het gevest van de parang met zijne kin vast, terwijl het lemmet over den schouder ligt. Op deze wijze klimt hij b.v. met gemak in boomen.
Nog bezit men lila’s, kleine koperen kanonnetjes, dikwijls fraai bewerkt, die van elders afkomstig zijn. Deze worden nimmer in den krijg gebezigd, doch dienen om vreugdeschoten te lossen of om daarmede boeten en bruidschat te betalen. Affuiten ervoor zijn onbekend. Te Kambélo ligt in het bosch een oud kanon van ons vroeger fort aldaar afkomstig waaraan door de inwoners wel geofferd wordt.
Bijna alle Alfoeren van West-Seran zijn met een voorlaadgeweer bewapend. Hoe deze in hunne handen gekomen zijn, kon niet worden nagegaan, doch vele geweren dragen Engelsche merken. De West-Seranners onderhouden hunne geweren veel beter, dan de overige Seranners, ook bezitten de Berg-Alfoeren van Midden- en Oost-Seran veel minder vuurwapenen. Pijl en boog vormen daar nog altijd de hoofdbewapening. De behendigheid hiermede is niet altijd zoo groot als men zou verwachten en de werkzame afstand daarvan is ongeveer dertig passen. Trouwens de dichte begroeiing van Seran maakt het ook onmogelijk om verder te schieten.
Het is beslist onjuist, te meenen, dat op Seran het noodzakelijk voor den man is om minstens een kop te hebben gesneld, alvorens hij zich eene vrouw kan verwerven, zooals men van andere volksstammen en ook van de Seran-Alifoeroe beweert. Natuurlijk staat hij, die eenige koppen geroofd heeft, in hooger aanzien dan degeen die het niet deed en daardoor zal hij het vrouwelijk hart eerder winnen, doch een vereischte is het niet. Ook zijn de gesnelde koppen niet het eigendom van dengene, die ze verwierf, doch van de negorij, terwijl voor het feit, de geheele negorij aansprakelijk is. Zelfs is het bij de kakihans streng verboden de vraag te doen: „wie snelde dien kop?”
De Alfoer, die er op uitgaat om een kop te rooven, doet dit doorgaans door zich in hinderlaag te leggen en van daar uit zijn prooi neer te schieten, liefst met pijl en boog, ten einde zoo min mogelijk gerucht te maken. Daarna houwt hij den gewonde of doode het hoofd af. Dit wordt in eene tasch geborgen om te voorkomen, dat bloedsporen de richting zullen aanwijzen, in welke hij vlood. Na het afhouwen van het hoofd stoot hij den hoogen, gillenden toon uit, die bij alle bergvolken, zoowel in Europa als in Azië, bekend schijnt te zijn. Zijn meerdere koppenjagers vereenigd, dan schijnt het gezicht van het hoofdelooze lijk zoozeer hun hartstocht te prikkelen, dat allen in blinde woede daarop inhouwen, zoodat het lijk eene afgrijselijk verminkte massa wordt. De behaalde kop wordt zoo spoedig mogelijk en in het geheim bij den maoewin gebracht. Deze geeft aan de negorij kennis van de heldendaad, waarop eenige dagen feest wordt gevierd en iederen avond de kahoewa of kairori (zie later) om het zegeteeken gedanst wordt.

1 Sirihdoos (Boano). 2 Schild van Oost Seran. 3 id: van Opin. 4 id: van Maneoe. 5 Maskéke voor mannen. 6 Tjidako voor mannen. 7 Kalkkokertje voor mannen. 8 idem voor vrouwen. 9 Zilveren tabaksdoos. 10 Parang van midden Seran. 11 Schaamgordel voor vrouwen. 12 Sieraadspijl. 13 Hoofddeksel v. Oost Seran. 14 Teeken van oorlogsverklaring. 15 Pijl met beenen spits. 16 Jacht- tevens oorlogspijl. 17 Parang van West Seran. 18 Mandje voor vrouwen. 19 Pijl om visschen te schieten. 20 idem voor koesoe2. 21 Boog.
Nadat de kop geheel van het vleesch is ontdaan, wordt hij, zonder den onderkaak, aan den middenbalk van de baileo gehangen. Bij de Patalima wordt het hoofd ergens in het bosch of in rotsholten bewaard, terwijl bij de Malowanstammen bemerkt werd, dat men vele menschenschedels in boomen had gehangen. Het gebeurt zeer zelden, dat de Alfoeren elkaar in groot aantal beoorlogen; doet men dit, dan noemt men dat de „hongi” in navolging van onze vroegere strooptochten. De „hongi” neemt haren weg over de moeilijkste en minst bevolkte streken, om zoo ongemerkt mogelijk in de nabijheid der vijandelijke negorij te komen. Zij wordt steeds voorafgegaan door een kapitan met 6 of 8 man. Deze sluipen zeer behoedzaam over een korten afstand voorwaarts, waarop een man teruggaat om de rest der hongi den weg te wijzen enz. Worden dan slechts een of weinige koppen verkregen, dan krijgt iedere stam, die aan den tocht deelnam, een stuk van den schedel.
Zooals gezegd is, worden op een sneltocht vrouwen noch kinderen gespaard. In onderscheidene baileo ziet men menigen kinderschedel onder het aantal doodshoofden hangen.
Het nachtverblijf in een baileo, waar als versiering boven uwe slaapplaats honderden menschenschedels hangen, is natuurlijk niet vroolijk en het gebeurde wel, als de wind zachtjes door de oogholten floot, dat de Javaansche soldaten dit zoo „unheimlich” vonden, dat zij maar liever in den guren wind buiten overnachtten of onder de baileo kropen.
Soms gebeurt het, dat de koppensnellers eenige dagen om de negorij in hinderlaag liggen, zoo noodig zelfs zonder voedsel om maar een gunstig oogenblik voor hun aanslag te kunnen afwachten. Men vertelde mij, dat eens een gezelschap koppenjagers uit Roemah Sokat, dat om niet ontdekt te worden, zijn pad koos over het woeste rotsgebergte achter Sawaï, daarin blijkbaar verdwaalde en van gebrek omkwam. Dat zij niet eerder terugkwamen, komt daar vandaan, dat een Alfoer, die eenmaal op de menschenjacht is uitgegaan, er zich voor schaamt om platzak terug te keeren en zich de uiterste inspanning getroost, om zijn doel te bereiken.
Zijn vijand in front aanvallen doet een Alfoer nooit; dit gaat zelfs zoover, dat herhaaldelijk gebeurt, dat hij het slachtoffer, waarmede hij b.v. staat te praten, door kleine listen er toe brengt zich om te keeren of zich te bukken, door hem iets te laten oprapen, waarna verraderlijk de houw wordt toegebracht. Onder de strandbewoners geldt dan ook de regel, nooit een Alfoer achter zich te laten loopen in het bosch. Bij velen bestaat een bepaald ingeschapen moordzucht. Zoo kwam te Wahaï een geval te berechten van een Alfoer, die zijn kameraad met wien hij geenerlei twist had, den kop had afgeslagen, omdat de toevallige, verleidelijke houding, waarin deze stond, hem blijkbaar te machtig was geworden. Een gevreesd alamanan, hoofd van Riring (West-Seran) sneed eens een naast hem slapenden jongen heimelijk den hals af; eerst toen het bloed door de reten van den vloer op degenen, die onder het huis sliepen, druppelde, merkte men de misdaad. Te Wahaï kwam het voor, dat een Alfoersch hoofd om onbekende redenen plotseling zijne gastvrouw, die bezig was de lamp op te steken, met één houw het geheele hoofd afhieuw; daarna trad hij naar buiten en vermoordde zijn dochtertje, waarop hij door de bevolking werd neergeschoten. Het is zeer waarschijnlijk, dat drankmisbruik een hoofdoorzaak is van dergelijke gruweldaden.
Vooral de Honitétoe-Alfoeren kenmerken zich door hunne ruwheid en bandeloosheid. Toen zij eens werden aangemaand, om het moorden te laten, antwoordden zij: „Indien God niet zoo hoog zat, zouden wij ook op God schieten.” Men voelt, dat tegen een dergelijk volk, dat zelfs met gespannen haan ter vergadering met het bestuur kwam, niet te redeneeren valt en alleen door geweld tot rede is te brengen, zooals thans gelukkig geschied is.
De Oost-Seranners snellen sinds menschenheugenis niet meer. Wel beschuldigt men hen van met vergif hun tegenstanders om het leven te brengen. Ook komt het bij hen wel voor, dat men op zijn tegenstander „in effigie” schiet, in de overtuiging dat hij dan gedood zal worden of minstens een ongeluk zal krijgen. Een hoofd van daar zeide, terwijl hij de zachtere zeden van zijn volk roemde, met een eigenaardigen term: „wij zijn de „bĕhagian pĕrampoean” (vrouwenafdeeling).”
Een kwaad, dat in den loop der tijden is ingeslopen, is het „zenden van den parang” d.w.z. men belast een Alfoer, een vijand uit den weg te ruimen, door hem een of ander voorwerp in pand te geven. Bijna uitsluitend maken de strandbewoners hiervan gebruik om hunne veeten te beslechten, terwijl de schuld van den moord op de Alfoeren valt. Het is nog niet zoo lang geleden, dat het Bestuur de ware toedracht van zaken in dergelijke gevallen ontdekte en den zedelijken dader als hoofdschuldige aan de kust zocht. De expeditie van 1875 was het gevolg van een dergelijk misdrijf (zie Hoofdstuk I). De Alfoer, die de opdracht tot snellen ontvangt, kan zich daaraan niet onttrekken, daar dit zijne eer te na zou komen. Mocht al vroeger in werkelijkheid hem daartoe een parang gezonden worden, tegenwoordig geschiedt het symbolisch.
Het snelpand bestaat uit een kogel, een steentje e.d.; als men den Alfoer wil beletten om lang te dralen met het uitvoeren van die opdracht, geeft men als snelpand eenige schaamharen in een lapje gewikkeld. Toen wij krachtiger met den troep begonnen op te treden, begrepen de Alfoeren, dat op die wijze zij altijd het kind van de rekening zouden zijn, waarom verscheidene snelpanden ingeleverd werden te Wahaï, zij het dan ook na vele beraadslagingen en overreding van de zijde van het bestuur. De aanstokers tot dergelijke euveldaden, onder wie Mohammedanen en zelfs Christenen zijn, behooren immer ten strengste te worden gestraft, wil men een einde aan deze praktijken maken.
Het feit echter, dat de ambtenaar moet rechtspreken volgens het wetboek van strafrecht voor Inlanders en het politiestrafreglement, evenals in eene beschaafde maatschappij, maakt het bestraffen der zedelijke hoofdschuldigen moeilijk, dikwijls onmogelijk. Ook met het berechten van vele andere zaken is dit het geval, daar het vanzelf spreekt, dat bij allerlei geschillen, waarin de adat een hoofdrol speelt, niet alle formaliteiten van het gewone recht kunnen worden vervuld. Het instellen van eene landsrechtbank voor Seran is mijns inziens voorloopig zeker een vereischte ter behandeling van dergelijke zaken.
Uit de beschrijving van het koppensnellen blijkt, dat de Alfoer, wil hij zijns gelijken besluipen, bijzonder geschikt moet zijn om zich behoedzaam door de wouden te bewegen en snel daarin te verdwijnen. Den reiziger verrassen dan ook de lichamelijke eigenschappen van dezen echten zoon des wouds. Hij heeft een scherpen speurzin, weet aan allerlei teekenen zijn weg te vinden of een spoor te volgen en kan ongeloofelijk hard loopen. Een marsch, door een goed geoefende troep in twee en een halven dag afgelegd, volbracht een Alfoer, die met een bericht belast was, in één dag en in de gevechten op den tocht naar Roemah Soal (1904) werd geen enkele Alfoer gezien, ofschoon zij altijd onzen troep op zeer korten afstand (van 10–20 passen) bevuurden en gewonden toebrachten, terwijl zij zich steeds aan vervolging wisten te onttrekken.
Zij kozen daartoe hunne opstelling meest op hellingen van ravijnen, waarin zij zich na het afgeven van hun schot, maar een eind lieten afglijden of vallen, hetgeen dien boschmenschen mogelijk is. Ten einde zich minder zichtbaar te maken, steken zij bladeren en takken tusschen de banden van den hoofddoek, in den gordel en tusschen de armringen.
De taaiheid van den Alfoer is groot. Een Alfoersche gids kreeg een doorgaand schot door de borst, even boven den rechter longtop. Tot onze verbazing zagen wij, dat de man, die niet eens viel, bedaard ging zitten en een stukje suikerriet begon te kauwen, terwijl hij op het aanleggen van een verband wachtte. Nadat dit geschied was, marcheerde hij weer mede gedurende twee dagmarschen, waarbij de tocht door moeilijk hooggebergte ging en toen hij later in het hospitaal werd opgenomen, genas hij binnen twee weken volkomen.
Een andere Alfoer had een buikschot gekregen, waardoor een gedeelte darm naar buiten was getreden. Toen na eenigen tijd de dokter toevallig ter plaatse kwam, bevond deze, dat de wond genezen was en de darm, dien men daarbuiten had gelaten, was afgestorven en vanzelf wel zou afvallen of vergroeien, zoodat de operatie (daar ter plaatse trouwens bijna ondoenlijk) kon achterwege blijven.
Wij halen nog eenige zinsneden uit Prof. Martin’s werk aan, om te doen zien, dat ook op hem de natuurlijke behendigheid van den Alfoer grooten indruk maakte. (blz. 129)
„Bald war ich in der Lage, die Geschicklichkeit und Kraft der Alfuren auf dem Waldpfade bewundern zu lernen; denn obwohl ich schon unter gleichen Verhältnissen mit Negern und Indianern gegangen war, so hatte ich doch bis dahin Ähnliches noch nicht gesehen. Dasz die Eingeborenen umgefallene Bäume nicht als ein Hindernis im Wege betrachten, ist ja selbstredend; aber erstaunt war ich doch zu bemerken, wie sie ohne Weiteres in deren Äste hineinkletterten, wenn sie zu mehreren ein Gespräch führen wollten und ihnen der enge Pfad keinen genügenden Raum zum Beieinanderstehen bot. Das ging so bequem von statten, als stiegen sie eine Treppe hinan und da saszen denn die Leute gleich Affen in den Zweigen um sich mit den am Boden stehenden zu unterhalten. Ansehnliche Äste, welche ihnen im Wege waren, schlugen sie so mühelos mit einem Schlage ihres Parangs herunter, dasz ich seither an die Behauptung glaube, es vermöge der Alfure einen Menschen ohne Umstände durch einen einzigen Hieb zu köpfen.”
Medicijnen en Ziekten. Medicijnen zijn zoo goed als onbekend. Bij verwondingen gebruikt men wat klei of eene pap van gekauwde bladeren, die men daarop legt, aldus dikwijls ernstige verzweringen veroorzakende. Het geneesmiddel voor alle kwalen der Alifoeroe is eene soort netel „daon gatal”, waarmede bij hoofd-, oor-, buikpijn enz. de zieke deelen worden ingewreven. Ook de Alfoer op marsch is er doorgaans van voorzien. Bij eene rust wrijft hij er zijne magere kuiten mede in en beweert, dat zoodoende de vermoeidheid dadelijk verdwijnt. Eene proefneming deed mij daarvan niets bemerken, wel dat het blad een scherpen jeuk veroorzaakte, die gelukkig spoedig verdween.
Iets waaraan zeer vele Alfoeren, tengevolge van de onreinheid op hun lichaam lijden, zijn huidziekten, bekend onder den algemeenen naam van „kaskado”. Sommige lieden zien er geheel grauw uit door deze schurftsoort, die eene schubvorming van de huid veroorzaakt en waardoor soms geheele ringvormige figuren op borst of rug worden geteekend. Zelden doet men hier wat tegen; de geneeswijze is het afschuren met zand en zeewater en daarna berooken.
Velen stellen zich gaarne onder behandeling van den Nederlandschen geneesheer en het besmeren met salicyl of jodium doet den Alfoer om de bijtende werking, vergenoegde grimassen trekken. Ook elephantiasis komt vrij veel voor. De lijders beweren, dat zij door het loopen in de modderige strandlagunen b.v. het opgezette been gekregen hebben. Berooking is ook het eenige middel, dat zij daartegen aanwenden. Verder lijden vooral kinderen aan frambosiae, „boba” geheeten, die een afzichtelijken uitslag, vooral om den mond vormt. Bij verscheidene kinderen komt het voor, dat de mond daardoor tot op eene zeer kleine opening na, geheel dichtgroeit, zoodat de lijder niet kan spreken en met moeite zijne sagopap kan opslurpen. Te Wahaï werden een paar van dergelijke vergroeingen door den officier van gezondheid geopereerd, tot groote verbazing der Alfoeren. Eigenaardig was, dat de patiënten toen opnieuw moesten leeren spreken en zij (een man en een opgeschoten jongen) in den aanvang onverstaanbaar waren.
Lepra komt zeer weinig voor; in de afdeeling Wahaï b.v. konden wij (als leek) slechts 7 lijders op de ± 11000 inwoners erkennen. De Alfoeren zonderen een lepralijder vrij streng af en hebben dus de besmettelijkheid van die vreeselijke ziekte wel ingezien. Te Kalowa, aan den bovenloop van de Isal, toonde men mij zulk een ongelukkige, die naar men zeide, de laatste was van een kleinen stam, waarvan de leden allen aan lepra waren overleden. De afzondering was hier gedeeltelijk; de man moest wel alleen wonen en eten, doch men stond hem toe ook in andere huizen te verwijlen.
Tegen de kinderpokken, die op Seran epidemisch zijn, hebben de Bergalfoeren geen geneesmiddel. Komt een geval in de negorij voor, dan vlucht men het bosch in. De strandnegorijen, waar de bewoners zich niet willen laten inenten, sluiten dikwijls door middel van péléteekens zich van alle verkeer af, indien de pokken zich in de nabijheid vertoonen. Zeer velen laten zich echter door den vaccinateur, die gedurig de kustnegorijen langs reist, inenten. Hun aantal wordt steeds grooter, daar zij het vaccineeren als een deugdelijk voorbehoedmiddel hebben leeren kennen.