Front matter
Reading edition
Het bergland van den Roewenzori.
Uit het reisverhaal van Z. K. H. den Hertog der Abruzzen.
Den 24sten Mei 1888 wierp Henry M. Stanley, toen hij op zijn langste en avontuurlijkste Afrikareis de smalle oeverstrook aan den westelijken oever van het Albertmeer bereisde, tusschen Nsabe en Badsua voor de eerste maal een blik op de met sneeuw bedekte toppen van den Roewenzori.

Van Entebbe naar Fort Portal den met papyrusstengels overdekte moerasvlakten.
“Toen wij”, vertelt hij, “ongeveer acht kilometer van het kamp bij Nsabe verwijderd waren en ik, naar het Zuidoosten kijkend, over de gebeurtenissen van de laatste maand nadacht, wees mijn bediende mij op een zonderling gevormde wolk, die een wonderheerlijke zilverachtige kleur had en geleek op een reusachtigen, met sneeuw bedekten berg. De omtrekken met de oogen volgend, verraste mij de donkere, blauwzwarte kleur van den voet, en ik bedacht in stilte, of de wolk ook de voorbode kon wezen van een nieuwen wervelstorm; maar toen ik zag, dat ze reikte tot aan de opening tusschen het oostelijke en het westelijke plateau, kreeg ik de overtuiging, dat ik niet voor oogen had iets, dat op een grooten berg geleek, maar een heuschen, solieden bergtop, waarvan de hoogste gedeelten met sneeuw waren bedekt.”
Roewenzori is de naam, dien Stanley uit de vele aanduidingen van de in den omtrek van den berg wonende inboorlingen koos, omdat het hem voorkwam dat hij dien naam het vaakste hoorde.
Geen van de ontdekkingsreizigers, die in de voorafgaande twintig jaren die streken bezochten en die de wateren van de aan den voet van het gebergte gelegen meren hadden bevaren, had er de nabijheid van massa’s eeuwige sneeuw en ijs vermoed, die steeds aan het oog onttrokken werden door een ondoordringbaren sluier van wolken en nevels.
Sir Samuel Baker had in het jaar 1864 aan de bergcomplexen, die hij door den mist in de vlakte flauw kon onderscheiden, den naam van Blauwe Bergen gegeven, zonder over de beteekenis van het bergland een nader onderzoek in te stellen.
Reeds in December 1875 had Stanley zijn kamp op de oostelijke hellingen van de bergketen opgeslagen en had de inboorlingen niet willen gelooven, toen ze hem verhalen deden over de schitterend witte kleur en de verbazend koude lucht van die onzichtbare hoogten.
Sir Harry Johnston gewaagt van enkele particuliere brieven, die Romolo Gessi in het jaar 1876 had geschreven, toen hij de eerste volledige opneming deed van de oevers van het Albertmeer. Daar is sprake van een zonderling verschijnsel, dat Gessi aan de lucht had bemerkt en dat het aanzien had van met sneeuw bedekte bergen. Misschien meende hij, dat hij aan een hallucinatie had geleden, want zeker is het, dat de eer der ontdekking van den Roewenzori noch hem, noch Emin Pacha of Mason toekomt, die later ook aan het meer reisden.
Stanley maakt terecht de opmerking, dat de uit de rondom de bergen gelegen moerassige vlakten opstijgende dampen ook op heldere dagen de atmosfeer volkomen ondoorschijnend maken en de bergketen onzichtbaar moesten houden. Soms verdrijft een windstoot de nevels en dan aanschouwt het oog als met een tooverslag verre landschappen, die binnenkort opnieuw verdwijnen en den toeschouwer in twijfel en onzekerheid laten.
Met de ontdekking van die geweldige massa van met sneeuw bedekte bergen, die hun watervoorraad in de meren afvoeren, waaruit de Nijl zijn water krijgt, kon het onderzoek naar de bronnen van den belangwekkenden stroom, dat al op zichzelf een zoo groot deel uitmaakt van de geschiedenis der ontdekkingen op aardrijkskundig gebied, als voltooid worden beschouwd.
Na twee duizend vierhonderd jaren kreeg de uitdrukking van Aeschylos van “het door sneeuw gevoede Egypte” haar letterlijke verklaring; het geheim van den “zilverberg”, de Nijlbron van Aristoteles, was onthuld. Hoe zonderling toch die gang van het menschelijk inzicht!
De overlevering, dat de Nijl uit groote, door met sneeuw bedekte bergen gevoede meren ontsprong, was door alle tijden heen bewaard gebleven en had zich hardnekkig gehandhaafd. We vinden haar in de beschrijving van het Maangebergte terug, die Ptolemaeus uit de geschriften van Marinus van Tirus overnam en verbeterde; dan in de geschriften en op de kaarten der arabische geografen uit de Middeleeuwen; in de beschrijvingen van europeesche compilators, als den prior van Neuville-les-Dames en Alfonse de Saintorge, en hoewel er niemand was, die hun daadwerkelijk bestaan kon bevestigen, verdwenen toch de bergen en de meren tot aan het begin der negentiende eeuw nooit geheel van de aardrijkskundige kaarten; verschenen ze er, dan was het echter met onzekere omtrekken en met onbepaalde ligging.
Zeer levendig was het geloof aan de aanwezigheid van sneeuwbergen aan de bronnen van den Nijl gebleven bij de bewoners van Afrika’s oostkust, en mogelijk werd dat geloof van tijd tot tijd gevoed door berichten, verspreid door karavanen, die ivoor en slaven uit het binnenland brachten. Burton, Speke en Baker hadden Arabieren en inwoners van Zanzibar er steeds weer over hooren praten.
De ontdekking van den Kenia en den Kilimandscharo, waarvan de eer aan de duitsche zendelingen Krapf en Rebmann toekomt, (1848 en 1849) scheen de vraag te hebben beslist; maar deze bergen staan noch met de meren, noch met den Nijl in eenig verband. In het jaar 1861 meende Speke het Maangebergte te hebben teruggevonden in de vulkanische keten, die tusschen het Kiwoe- en het Albert-Eduardmeer ligt, en wel in den hoogsten van de vulkanische kegels, den Nfumbiro; maar geen van die toppen is met sneeuw bedekt.
Veel deugdelijker gronden had Stanley voor de bewering, in den Roewenzori eindelijk het Maangebergte van Ptolemaeus te hebben gevonden. Inderdaad komt op alle punten alleen de Roewenzori overeen met de beschrijvingen der oude aardrijkskundigen. Het bergland toch vormt een met eeuwige sneeuw en gletschers bedekte bergketen, die met al haar hellingen tot het Nijlgebied behoort, en het maakt in de tropische streek, waar het zich verheft, zulk een overweldigenden en onverwachten indruk, dat het de verbeeldingskracht van al diegenen, die het voor de eerste maal zagen, sterker moet hebben getroffen dan eenige andere landschapsvorm, en dat het in het geheugen moet zijn gebleven, zonder dat eenig reisavontuur het eruit kon verdrijven.
Toch waren er velen, die Stanley tegenspraken, en onder hen verscheiden aardrijkskundigen van naam; maar al diegenen, die de bergketen van den Roewenzori na Stanley bereisden en onderzochten, Stuhlmann, Scott Elliot, Moore, Johnston e. a., hebben Stanley’s verklaring van den tekst van Ptolemaeus aangenomen. En werkelijk, als men niet wil aannemen, dat de oude geografen berichten hebben gekregen van den waren staat van zaken, zou men hen voor zieners en profeten moeten houden.
Hoe het ook zij, de sage van het Maangebergte heeft haar rol uitgespeeld, en voor den Roewenzori bestaat, nadat hij eenmaal zijn vaste plaats op de kaarten heeft gekregen en thans in alle bijzonderheden van zijn opbouw nauwkeurig is onderzocht en naar alle richtingen opgemeten is, geen gevaar meer, dat hij ooit uit het geheugen der menschen zou kunnen verdwijnen!
Om tot de historie der ontdekking terug te keeren: nadat Stanley in 1888 gedwongen was, op den vroeger afgelegden weg door de onmetelijke oerwouden van het Congogebied terug te gaan, om zich met zijn achterhoede weer te vereenigen, kwam hij eerst in het volgend jaar, 1889, weer in de buurt van den Roewenzori.
Toen bereisde hij de geheele westelijke helling, koos den weg tusschen het gebergte en het Albert-Eduardmeer, wendde zich daarna naar het Oosten en bleef meer dan drie maanden, van April tot Juni, in de omgeving van de bergketen, waarvan hij de vergletscherde toppen herhaaldelijk kon waarnemen.
Bezield door den wensch, den vorm en de rangschikking der verschillende toppen beter te leeren kennen, gaf hij aan luitenant W. G. Stairs de opdracht, een ontdekkingsreis er heen te ondernemen.
Stairs brak in de eerste dagen van Juni 1889 op van het kamp Bakokoro, dat 1176 meter boven de zee was gelegen, en trok twee dagen lang door een der noordwestelijke dalen van het gebergte, terwijl hij op zijn marsch twee toppen van karakteristieken kegelvorm als doel in het oog hield, die in de verte zichtbaar waren in het uiterste Noordwesten van de bergketen. Hij kwam tot de hoogte van 3254 meter, ongeveer 500 meter beneden den rotskegel en kon van daar een met sneeuw bedekten top onderscheiden, dien hij schatte op 5060 meter hoogte, maar die niet het hoogste punt vormde.
Daar Stairs niet genoeg levensmiddelen had, om verscheiden dagen in het bergland te blijven, moest hij het verdere onderzoek opgeven en naar het dal terugkeeren. Uit den vorm der bergen meende hij het besluit te mogen trekken, dat ze van vulkanischen oorsprong waren.
In December 1889 voltooide Stanley gelukkig zijn gevaarvolle reis en kwam met Emin Pacha en zijn begeleiders behouden in Zanzibar aan. Weinige maanden daarna brak Emin Pacha aan de spits van een duitsche expeditie weer op, om naar de aequatoriale meren terug te keeren, en in het begin van 1891 bevond hij zich opnieuw op de westelijke helling van den Roewenzori, waar hij zijn kamp in Karevia aan de Isango, een zuidelijken arm van de Semliki opsloeg.
Van dit kamp uit, 1330 meter boven den zeespiegel, ondernam Dr. F. Stuhlmann, een der deelnemers aan de expeditie, een uitstapje van vijf dagen bergop door het Butagudal, een van de grootere dalen, die in het Westen van het gebergte afdalen. Hij kwam tot 4063 meter, waar hij op geringen afstand van de sneeuwgrens stil hield in het gezicht van twee met sneeuw bedekte bergen. De beperkte transportmiddelen, alsook de ziekten van de inboorlingen ten gevolge van de koude, noodzaakten hem tot den terugkeer.
Als uitstekend natuuronderzoeker, ontdekkingsreiziger van den eersten rang en zorgvuldig waarnemer, gaf Stuhlmann voor de eerste maal een nauwkeurige beschrijving van de opeenvolging der verschillende stadia van den plantengroei op de verschillende hoogten en toonde met overtuigende duidelijkheid aan, dat de Roewenzori geen enkelvoudige berg, maar een echte bergketen was. Hij onderscheidde er vier hoofdgroepen in, waaraan hij in de volgorde van het Noorden naar het Zuiden de namen Kraepelin, Möbius, Semper en Weismann gaf. Möbius was de hoogste top, door de inboorlingen Kanjangungwe genoemd, en de Semper heette bij de inboorlingen Ngenwimpi. Hij kon twee ervan van het hooggelegen Butagudal uit fotografeeren. Hij merkte ook op, dat de keten inderdaad niet van vulkanischen oorsprong was. Maar het was hem nog niet recht duidelijk, of er op de bergen werkelijke gletschers lagen of dat het slechts opeengehoopte sneeuwmassa’s waren.
Op Stuhlmann volgde in het onderzoek van den Roewenzori in de jaren 1894 en 1895 de natuuronderzoeker G. F. Scott Elliot. Hij drong vijfmaal langs verschillende wegen naar de hooge toppen een eindweegs voort, door het Yeriadal, het Wimidal, het Moboekoe- en het Nyamwambadal op de oostelijke helling en door het Butagudal op den westkant.
Scott Elliot, die aan malaria leed en geen voldoende transportmiddelen bezat, had een bewijs van bewonderenswaardige wilskracht gegeven, doch kon omtrent de met sneeuw bedekte hooge punten geen opheldering geven. De interessantste waarneming, die hij deed, betrof de sporen van oude gletschers in de dalen Moboekoe, Nyamwamba en Butagu, die bewijzen, dat de genoemde dalen eenmaal door groote gletschers waren ingenomen. Ook hij kwam tot de slotsom, dat een vulkanische oorsprong van de dalen geheel was uitgesloten. De belangrijkste resultaten van den tocht van Scott Elliot lagen op botanisch gebied.
Na Scott Elliot nam vijf jaren lang niemand notitie van den Roewenzori, ofschoon op de periode van wetenschappelijk onderzoek in Oeganda een van inbezitneming was gevolgd. De groote moeilijkheden en de noodzakelijkheid, zich uit allerlei verwikkelingen te redden, die de kolonie vóór zich had, namen al den tijd van de engelsche overheid in beslag. Men moest koningen afzetten en opstanden bedwingen met karige hulpmiddelen, die eerst na maandenlange reizen van de verre kust konden worden aangevoerd.
Zoo komen we aan het jaar 1900. In dat jaar verscheen C. S. Moore aan het hoofd van een wetenschappelijke expeditie, die tot taak had, de fauna van de groote meren te bestudeeren, aan de oostelijke hellingen van den Roewenzori met het doel, een bestijging te beproeven.
Moore had zich voorgenomen, den weg door het Nyamwambadal in, te slaan, maar kon het niet bereiken, daar de door den regen gezwollen en ondoorwaadbare rivier het voortmarscheeren verhinderde. Nu herinnerde zich Moore, dat in het jaar 1894 kapitein, nu generaal, Sir Frederick Lugard het dal van de Moboekoe tegenover Scott Elliot als het beste had aangeduid, om de terreinen van de eeuwige sneeuw te bereiken, en hij beproefde langs dien weg omhoog te gaan. Met slechts een klein aantal Soeaheli’s als dragers, bij wie zich enkele inboorlingen uit het dal aansloten, kon hij het doortrekken tot de hoogte, ofschoon het slechte weder hem een beletsel was. Hier ontdekte hij voor de eerste maal de gletschers, die het boveneind bezetten, en het gelukte hem, over een van de ijsvelden tot den eigenlijken kam op 4541 meter boven den zeespiegel door te dringen.
Moore leverde het eerste onwederlegbare bewijs van het voorhanden zijn van echte gletschers op den Roewenzori en bevestigde de juistheid van Stuhlmann’s beschrijving van het gebergte, daar hij ook van het Oosten af de verdeeling der toppen in vier hoofdgroepen herkende.
Ongeveer drie weken later bezocht Fergusson, een reisgezel van Moore, die door koorts aangetast, gedurende den tocht der overige expeditieleden in Fort Gerry was achtergebleven, ook het Moboekoedal en vorderde op den gletscher tot 4450 meter hoogte.
Ook een civiel ambtenaar uit het Torodistrict, de heer Bagga, die reeds een reis in het Nyamwambadal tot aan de bamboe-zône had gemaakt, bracht kort na Fergusson een bezoek aan het Moboekoedal en drong tot den gletscher door. Hem komt de verdienste toe, de inboorlingen tot het aanleggen van een ruw, in het dal omhoog voerend pad te hebben overgehaald, een weg, die later diensten heeft bewezen aan alle volgende onderzoekers.
De betrekkelijke gemakkelijkheid, waarmee deze kleine expedities de gletschers hadden bereikt, en de overweging, dat rondom het bovengedeelte van het Moboekoedal de hoofdgroepen van de keten verdeeld waren, gaven Sir Harry Johnston, den High Commissioner van de kolonie, aanleiding, bij een onderzoekingstocht, dien hij in September van hetzelfde jaar met de heeren Doggett en Vale ondernam, denzelfden weg in te slaan. Ook zij bereikten den gletscher en vorderden er op tot een hoogte van 4520 meter, maar konden niet tot den kam doordringen.
Johnston wilde aan de toppen andere namen geven, namelijk die, welke de inboorlingen der streek gebruikten en die natuurlijk verschilden van de door Stuhlmann gegevene. Zoo werd de Semper tot Kiyanja, en een andere van het Moboekoedal zichtbare top werd Duwoni genoemd. Johnston kon eenige goede photografieën van het dal, van den Moboekoegletscher en van eenige toppen opnemen en leverde ons een uitvoerige beschrijving van de planten- en dierenwereld van het gebergte. Evenals Scott Elliot bespeurde hij in het dal sporen van gletscherwerkzaamheid ongeveer duizend meter beneden het punt, waar tegenwoordig de gletscher eindigt. Ook hij had als al zijn voorgangers te klagen over den buitengewoon langen duur van het slechte weer.
Dus was alleen in het jaar 1900 het Moboekoedal door vier verschillende expedities bezocht.
In Augustus van het volgend jaar werd het dal door W. H. Wylde en Ward bereisd, die tot den kam op het hoogste deel van den gletscher schijnen te zijn gekomen, tot dezelfde hoogte, die Moore bereikt had, ongeveer 4550 meter. Daarna krijgen we twee jaren lang van het Moboekoedal geen berichten meer, tot het tochtje van den Reverend A. B. Fisher en zijn echtgenoote, die in Januari 1903 het punt bereikten, tot waar Sir Harry Johnston was doorgedrongen.

Markt te Entebbe.
Het aardrijkskundig tijdschrift “Globus” gaf in het jaar 1904 een kort bericht over een bestijging van den Roewenzori, door Dr. J. J. David, in April ondernomen en waarbij deze de hoogte van 5000 meter zou hebben gehaald. Twee jaren later gaf het “Bollettino” van het italiaansche Aardrijkskundig Genootschap een artikel van Revelli, naar aanleiding van de reisdagboeken van David geschreven.
David had zich tot het Butagudal in het Westen van de bergketen gewend, dat sinds Scott Elliot door niemand meer was opgezocht. Hij ondernam de bestijging door een zijdal en bereikte in zeven dagen de gletschers en daarover heen een vergletscherden pas, eigenlijk een zadel. Daarop verhief zich een ongeveer vijftig meter hooge, rotsachtige top, van gneis, van waar uit David de aan den anderen kant naar Oeganda gaande dalen kon overzien. Het klaarblijkelijk gevaar, dat hij liep, als hij zich alleen verder op den gletscher waagde, belette hem verder te gaan. De hoogte van het zadel, 5000 meter, tot waar hij was gekomen, schijnt door hoekmeting te zijn bepaald. Het ontbreken van nauwkeuriger opgaven en van een ook maar eenigszins uitvoerige beschrijving van den ingeslagen weg vergunt ons niet, vast te stellen welke berg bestegen werd. Misschien zou David zijn bestijging op een der photografieën, die Stuhlmann van het hooge dal Butagu heeft genomen en in zijn boek weergegeven heeft, met voldoende duidelijkheid kunnen aangeven.
Als bloot vermoeden zij gewezen op de mogelijkheid, dat David de inzinking tusschen den Helena- en den Savoyetop van den Stanleyberg, ongeveer 2800 meter boven het niveau der zee, bereikt heeft, waar men een zoowat vijftig meter hooge rotspunt vindt.

Hutten van inboorlingen te Entebbe.
In hetzelfde jaar 1904 ondernam M. T. Dawe een belangrijke plantkundige excursie naar het Moboekoedal, zonder daarbij plannen te hebben van bergbestijgingen.
In den tusschentijd was de spoorweg tusschen Mombasa aan de kust van den Indischen Oceaan en Fort Florence aan den oostelijken oever van het Victoriameer geopend. Port Florence was reeds met Entebbe, de hoofdstad van Oeganda, door een geregelden stoombootdienst verbonden. Zoo was het mogelijk geworden, in het hart van het afrikaansche vasteland zonder eenig ongerief door te dringen tegen geringe kosten en met enorme besparing van tijd. In het geheele land heerschten rust en veiligheid.
Na de poging tot een bestijging van David maakte tot het eind van 1905 niemand gebruik van die gunstige omstandigheid; maar toen scheen opeens de belangstelling in het onderzoek van den Roewenzori weer te ontwaken.
Toen ik het plan tot een expeditie overwoog en in het begin van 1906 begonnen was met de eerste stappen tot de uitvoering van mijn voornemen, door het materiaal samen te brengen, moest het geheimzinnige gebergte herhaalde aanvallen van beproefde bergbeklimmers zich laten welgevallen, allen van ijver brandend, om den sluier op te lichten, die het geheim ginds eeuwen verborg.

Waterval bij Boeamba in het Moboekoe-dal.
In November 1905 verscheen voor de eerste maal in de historie van den Roewenzori een echte karavaan van Alpinisten in het Moboekoedal; ze bestond uit de heeren Douglas, W. Freshfield en A. L. Mumm met den gids Moritz Inderbinnen uit Zermatt. Ze kwamen aan in het allerongunstigste jaargetijde. Na lang wachten aan het boveneind van het dal werden ze door den onophoudelijken regen genoodzaakt, van hun voornemen af te zien. Ze hadden een enkel uitstapje kunnen maken, waarbij Mumm tot den gletscher was opgeklommen, zonder echter tot den kam te hebben kunnen vorderen.
In Januari 1906 keerde Reverend Fisher met zijn onverschrokken echtgenoote terug, om voor de tweede maal den Moboekoegletscher te bestijgen; buitendien kwam R. Grauer, een oostenrijksch bergbeklimmer, vergezeld van twee engelsche zendelingen, H. E. Maddox en Rev. H. W. Tegart, die reeds in het jaar te voren op den Moboekoegletscher tot 4267 meter hoogte waren doorgedrongen, opnieuw op den het dal begrenzenden hoogen kam, die sedert 1901 nog niet weer was bestegen. Hij beklom daarbij een rots, die zich in een inzinking van den kam ter hoogte van 4572 meter boven de zee verheft en waaraan hij den naam van koning Eduard gaf.
Ten slotte was in October 1905 een door het Britsch Museum uitgeruste expeditie met het doel de fauna en de flora van den Roewenzori te onderzoeken, onder leiding van A. B. Woosnam van Londen vertrokken. Deelnemers waren G. Legge, R. C. Dent, M. Carruthers en de Alpinist Dr. A. F. R. Wollaston. De expeditie hield zich langen tijd in het Moboekoedal op, om studiemateriaal te verzamelen; in den tusschentijd werden excursies naar de gletschers in het bovengedeelte van het dal ondernomen.
Eerst bereikte Woosnam alleen de hoogte; daarna kwam ook een klein gezelschap, waartoe Wollaston, Woosnam en Dent behoorden, in Februari 1906 bij de rotspunten op den kam, tot waar Grauer, Maddox en Tegart in Januari waren doorgedrongen.
Weinige dagen later ondernamen Wollaston en Woosnam de bestijging van een top, die zich aan den westelijken wand van het dal verheft, den Kiyanja van Johnston; wegens den dichten nevel moesten ze op een rotspunt van den kam ter hoogte van 4915 meter stilhouden, niet ver onder den werkelijken top.
Den 1sten April klommen de beide eerstgenoemden, bij wie zich Carruthers aansloot, over de rotsen naast den Moboekoegletscher onder aanhoudend slecht weer omhoog en bereikten een 4844 meter hoogen top, die in het Noordoosten zich boven het dal verheft en dien ze hielden voor Johnston’s Duwoni.
Ten slotte keerden de drie na twee dagen naar de rots van den Kiyanja terug en stelden, op grond van een hoogtemeting door middel van het kookpunt, vast, dat de hoogte veel aanzienlijker, namelijk 4922 meter was.
Het aanhoudende slechte weder, dat hen op al deze excursies vervolgde, vergunde hun niet meer dan een vage veronderstelling, dat zich in het Noordwesten nog andere toppen van de keten verhieven, die hooger schenen dan de door hen beklommen toppen.
Vóór mijn vertrek waren uit Oeganda slechts onbepaalde en onnauwkeurige berichten over deze bestijgingen naar Europa doorgedrongen, en er was nog geen precies, onmiddellijk bericht van de medeleden der expeditie van het Britsch Museum aangekomen.
Ten behoeve van een duidelijk overzicht heb ik de onderzoekingsreizen naar den Roewenzori, die aan de mijne voorafgingen, alle vermeld; er kan nog wel de een of andere tocht door engelsche ambtenaren zijn ondernomen, maar ik heb er geen mededeelingen over kunnen vinden.
Geen van mijn voorgangers was in staat geweest, de bergketen inderdaad te onderzoeken, dat is, het was niemand gelukt, de vorming, het verloop der waterscheidingen, de wijze van groepeering en de hoogteverhoudingen der toppen onder elkaar, hun betrekkingen tot de dalen, de uitgebreidheid en rangschikking der gletschers vast te stellen en te beschrijven.
De bekwaamsten hadden waargenomen, dat de sneeuwbergen in vier verschillende groepen gerangschikt zijn; men wist echter niet, of deze door hooge kammen verbonden waren of dat ze door diepe dalen waren gescheiden.
Bij gebrek aan een stelselmatig onderzoek was het onmogelijk, de beschrijvingen der van verschillende punten uit aanschouwde bergen met elkander in verbinding te brengen; de verwarring ten gevolge van de massa der aan de bergen gegeven namen moest een vergelijkende samenstelling der verschillende waarnemingen nog meer bemoeilijken. Voor het overige was het slechts aan zeer weinigen, en dan nog zeer zelden, vergund geweest, op grooten afstand een blik op het geheele bergstelsel te kunnen werpen.
In deze omstandigheden moesten de meeningen der reizigers over de hoogte der belangrijkste toppen, over de uitgestrektheid der gletschers en over den algemeenen aard van het bergmassief wel ver uiteenloopen en alle beslistheid missen, omdat ze de uitkomst waren van een meestal vluchtigen aanblik van verre bergen, die voor het meerendeel door ervoor liggende hoogten aan hun voet verborgen waren, ofwel steunden op de bekendheid met een enkel dal en de toppen daar in de buurt.
Zoo wisselde de schatting der hoogte van de bergen tusschen 5000 en 6000 meter. Het eenige betrouwbare resultaat was, dat, door de hoekmetingen, ten opzichte van den schijnbaar hoogsten top verkregen, welke metingen luitenant Behrens, een lid der met de vaststelling van de grens tusschen de engelsche en duitsche koloniën in Oost-Afrika belaste commissie, van vele ten zuidoosten van den bedoelden top gelegen punten had uitgevoerd. De berekening op grond van deze waarnemingen, gaf tot uitkomst een hoogte van 5107 meter. Maar toch was het, zooals de overste C. Delmé Radcliffe, de leider der expeditie, aanvoert, niet uitgesloten, dat zich verder naar het Noorden nog hoogere toppen bevonden, die van de waarnemingsplaats uit niet zichtbaar waren.
De keten van den Roewenzori, zonder twijfel de belangrijkste groep van bergen en gletschers uit Afrika, en het eenige der met de Nijlbronnen samenhangende raadselachtige vraagstukken, dat nog niet was opgelost, beloofde een vruchtbaar ontdekkingsgebied te worden. Des te meer waren de duidelijke bezwaren van de onderneming en de onbekendheid van de hindernissen, die de oplossing van het vraagstuk in den weg konden treden, geschikt, mij aan te sporen en in spanning te houden.
Het grootste bezwaar, waartegen bijna al mijn voorgangers bij het onderzoek van den Roewenzori hadden moeten strijden, was het aanhoudend slechte weer, de bijna onophoudelijke regen en in de korte tusschenpoozen van droogte de dichte, alles omhullende nevel geweest.
De keuze van het minst ongunstige jaargetijde was dus buitengewoon belangrijk. Maar het leek bij het lezen der berichten over de voorafgegane pogingen, die in alle jaargetijden, bijna zelfs in alle maanden ondernomen waren, alsof er in de bergen bestendig regentijd heerschte, zonder eenige afbreking door mooi weder.
Inderdaad wordt de groote bergketen, die geïsoleerd tusschen de wijde, moerassige vlakten van Oeganda en de onmetelijke oerwouden van het Kongogebied verrijst, tot middelpunt van aantrekking voor de door de tropische zon voortgebrachte dampmassa’s, die zich tegen de verijsde toppen tot een ondoordringbaren sluier van nevels en wolken verdichten. Daardoor kwam het, dat reizigers zich veel maanden in de nabijheid van de keten konden ophouden, zonder ooit de toppen der bergen in het gezicht te krijgen of meer dan zeer vluchtige en korte beelden op te vangen.
Het schijnt wel, als hadden alleen Stairs en Stuhlmann in Juni en David in April iets betere klimaatsvoorwaarden aangetroffen. Maar Wollaston trof het juist in April ellendig. Stanley geeft aan, dat hij in Mei vaak en bijna dagelijks de met sneeuw bedekte bergen door nevelen omhuld had gezien. Sir Harry Johnston bericht, dat naar de meening der plaatselijke autoriteiten November en December de beste maanden waren; daarentegen had Freshfield in dat jaargetijde te lijden onder afschuwelijk weer.
De door de zendelingen in de provincie Toro aan den voet der bergen ingewonnen berichten en het bericht van Sir William Garstin over het bovenbekken van den Nijl, Kaïro 1904, schenen daarin overeen te stemmen, dat de regen minder viel in Januari en Februari, en ook in Juni en Juli, ofschoon in het gebergte ook in die maanden de atmosfeer niet helder werd. Toch waren de ervaringen van mijn voorgangers met deze opgaven slecht in overeenstemming te brengen; maar bij gebrek aan elk ander aanknoopingspunt was het beter, zich er toch naar te richten. Ik besloot dus, Italië in het voorjaar te verlaten en mij begin Juni ter plaatse te bevinden.
De voorbereidingen tot de reis werden getroffen in de eerste maanden van het jaar 1906, en wel op een wijze, die maakte, dat de expeditie zoo goed mogelijk toegerust was voor de buitengewone omstandigheden, waaronder het onderzoek moest plaats hebben in een bijna totaal onbekend gebergte en in een landstreek met zoo eigenaardige verhoudingen, in het hart van een werelddeel, waarin nog zooveel te ontdekken was.
Het voornaamste werk der expeditie was natuurlijk een aardrijkskundig, want men moest de topografie van de bergketen vaststellen en de hoogten der bergen meten. Daarbij voegden zich onderzoekingen over geophysica, meteorologie en magnetisme.
Verder was het noodig, met behulp der photografie overvloedige afbeeldingen uit de bereisde gebieden te erlangen. Even belangrijk waren geologische en ijsstudiën, onderzoek van gesteenten en mineralen, dieren en planten. Op grond van dit alles verzocht ik mijn trouwen medewerker, met wien ik zooveel moeiten en gevaren en zoo groote verantwoordelijkheid had gedeeld, kapitein Umberto Cagni, zich bij het reisgezelschap aan te sluiten. Deze en de luitenant ter zee Edward Winspeare als ordonnans zouden mij bij het geografisch en geophysisch werk bijstaan. De photografie werd aan Vittorio Sella toebedeeld, een man, wiens roem als alpinist en photograaf geen verdere verklaring behoeft; de zorg voor de gezondheid was opgedragen aan den officier van gezondheid Achille Cavalli Molinelli, die tijdens mijn Noordpoolexpeditie in 1906 de tweede groep der vooruitgezonden onderzoekers naar Frans-Jozefsland en van daar terug had geleid. Cavalli Molinelli zou ook doctor Alessandro Roccati, die speciaal met het geologisch onderzoek belast was, helpen bij het verzamelen van botanisch en zoölogisch materiaal.
Over de noodzakelijkheid, om bij een onderneming, die in hoofdzaak uit bergbestijgingen zou bestaan, berggidsen uit de Alpen mee te nemen, behoeft niet te worden uitgeweid. Ook hadden we eraan te denken, dat de expeditie waarschijnlijk langen tijd boven de sneeuwgrens zou moeten werken. Dus moest men zich van alles voorzien wat noodig was bij het leven op het ijs, ongeveer als op mijn expeditie in Aljaska. Daarvoor moesten europeesche dragers worden meegenomen, daar men boven den voet der gletschers op de diensten van de inboorlingen niet kon rekenen.
Dus werden bij de leden gevoegd de gletschergids, Giuseppe Petigax, die zich in de Alpen, in Aljaska en op de Noordpoolexpeditie als mijn kloeke en toegewijde begeleider had onderscheiden, en Cesare Ollier met de dragers Giuseppe Brocherel en Lorenzo Petigax, die alle vier uit Courmayeur geboortig waren. Dan was er nog Arminio Botto, de hulp van Sella voor de photografie, die in den Kaukasus, in Aljaska en op den Himalaya aan het harde ontdekkersleven gewend was geworden, en ten slotte Igino Igini, ook een trouwe dienaar van mij, die den arctischen winter in de schuilhut aan de Teplitzbaai op Frans-Jozefsland met mij had doorgebracht.
In het begin van April 1906 was alles klaar, en in den avond van den 16den verliet de expeditie, die voltallig aan boord van de poststoomboot “Bürgermeister”, een duitsche boot, was samengekomen, de haven van Napels, om de vaart naar Afrika te beginnen.
De afstand van Napels naar Mombasa in Engelsch Oost-Afrika aan de kust van den Indischen Oceaan bedraagt ongeveer 4100 zeemijlen en wordt in zeventien dagen afgelegd, waarbij een kort oponthoud in Port Saïd, Suez, Aden en Djiboeti komt.
De aanwezigheid van professor Koch onder de passagiers droeg er voor ons allen toe bij, de eentonigheid van den overtocht door gesprekken over aequatoriaal Afrika te verminderen. Koch keerde daarheen terug, om de studie der slaapziekte te vervolgen, dien verschrikkelijken geesel, die in weinige jaren geheele landstreken in de buurt van de groote meren had ontvolkt.
De laatste dagen van de vaart werden overschaduwd door een geval van ziekte, dat luitenant Winspeare overviel; het was waarschijnlijk een infectieverschijnsel van de ingewanden met hooge koorts; en daar de kwaal langer aanhield, kregen we weldra de zekerheid, dat Winspeare de expeditie niet door de ongezonde zone tusschen de kust en het gebergte zou kunnen vergezellen, een reis, die vaak noodlottig wordt voor diegenen, die den tocht in volle gezondheid aanvangen.
Mombasa, de beste haven aan de geheele oostkust van Afrika, een waardevolle stapelplaats op den ouden zeeweg naar Indië, eer de landengte van Suez was doorboord, is eeuwen lang een der meest begeerde en vurigst omstreden bezittingen geweest tusschen Arabieren, Portugeezen en Turken, die er afwisselend heer en meester waren. Nadat de portugeesche heerschappij in 1729 voor goed geëindigd was, werd het eiland, waarop de stad is gelegen, een volgende eeuw door Arabieren uit het geslacht Mazrui, onder de nominale opperheerschappij van de imams van Oman geregeerd, tot deze, na overbrenging van hun hoofdstad van Maskate naar Zanzibar, de Mazrui uit Mombasa verdreven en in het jaar 1837 hun eigen heerschappij herstelden.
Na het jaar 1848 volgden duitsche en engelsche ontdekkingsreizen elkander op, en in aansluiting daaraan de koloniale handelmaatschappijen, die aan de kusten nederzettingen stichtten en zich langzamerhand landwaarts in terrein zochten, door steeds meer concessies van den sultan van Zanzibar te erlangen en met inlandsche hoofden verdragen te sluiten. Later drongen anglikaansche en katholieke missies ver in het binnenland door, waar de Mohammedanen hun voorgangers waren geweest. Daaruit ontstonden godsdienstoorlogen, die Oeganda langen tijd teisterden.
In het jaar 1890 stelden Duitschland en Engeland door een verdrag de grenzen van hun wederzijdsche belangensferen vast; drie jaren later maakte de engelsche regeering op de kolonie voor zich aanspraak en breidde daarna haar bezit spoedig tot aan de grenzen van den Kongostaat uit.
Op den morgen van den 4den Mei 1906 werd de arme, voortdurend aan koorts lijdende Winspeare naar het ziekenhuis gebracht, dat op een frissche en gezonde plek in het gezicht van de zee en van het schilderachtige portugeesche fort bekoorlijk is gelegen. De grijze hemel, waaruit een fijne regen neerdruppelde, was in overeenstemming met de treurige stemming, die aller gemoed bij het scheiden van den metgezel vervulde. Nadat zijn toestand zich had verbeterd, verliet luitenant Winspeare Mombasa, om den 12den Mei naar Europa terug te keeren.

Aan den Oegandaspoor.
Zooals men weet, is Mombasa thans met het Victoriameer door een spoorweg verbonden, die in noordwestelijke richting bijna evenwijdig loopt met de engelsch-duitsche grens, om het meer bij Port Florence, aan het eind van de Kavirondobaai bijna onder den aequator, te bereiken.
Den 4den Mei, om elf uur in den voormiddag, verliet de italiaansche expeditie Mombasa. Zij werd door den spoorweg door streken gevoerd, die voor nog geen dertig jaar volkomen onbekend waren.
Van de kust van den Indischen Oceaan tot aan het Victoriameer bedraagt de afstand 940 kilometer, die tegenwoordig zonder het minste ongerief in twee dagen worden afgelegd, terwijl men gemakkelijk in de kleine spoorwaggons zit, waarvan de spoorwijdte nauwelijks een meter is. Nog slechts weinige jaren geleden was er, om dat eind af te leggen, een gevaarlijke marsch vol moeilijkheden van drie tot vier maanden noodig, die over onbegaanbare wegen door het gebied van oorlogszuchtige stammen voerde; bovendien was het klimaat hoogst ongunstig, en er moest een talrijke karavaan van dragers worden gehuurd, met alle verwikkelingen, hindernissen en kosten, die daarmee gepaard gaan.
De uitvoering van dit met het oog op de verschrikkelijke bezwaren, welke te overwinnen waren, werkelijk grootsche werk is een der schitterendste bewijzen van de volharding en de wilskracht, die de mensch in een zesjarigen onophoudelijken strijd met de zwaarste moeilijkheden heeft aan den dag gelegd. Onmetelijk lange einden van den weg zijn volkomen waterloos en zonder eenige hulpbronnen; het zijn bijna woestijnen. Verder loopt een groot deel der lijn door bergland, waar ze tot 2347 meter stijgt, om dan tot 1829 meter te dalen, dan weer omhoog te gaan tot 2530 meter en aan de oevers van het Victoriameer opnieuw tot 1128 meter naar beneden te gaan.
De bewoners, naakte wilden zonder industrie of handwerk, niet in staat tot eenigen arbeid, konden geen hulp verleenen. Men moest daarom uit Indië een leger van 20 000 arbeiders en handwerkslieden laten komen, die men had te voeden, te kleeden, onder dak te brengen en van gereedschap te voorzien; elke kleinigheid moest uit Engeland of Indië komen, wat groote omzichtigheid en een ingewikkelde organisatie vereischte als voor een veldtocht. Daarbij komt, dat tengevolge van de ongehoorde terreinmoeilijkheden in een land, waar de tsetsevlieg het gebruik van lastdieren niet vergunt, de voorbereidende werkzaamheden van den spoorwegaanleg het verste einde van het reeds gelegde spoor slechts weinig vooruit konden wezen. Dan de ongezonde streken, epidemieën, gezwellen, die door kwellende parasieten werden veroorzaakt, en ten slotte talrijke op menschenvleesch beluste leeuwen, die veel offers eischten en grooten schrik onder de arbeiders verspreidden.
Het werk werd in 1895 begonnen, nog eer de verovering van Oeganda voltooid was. Toen de werkzaamheden tot de helft waren voltooid, brachten in het jaar 1897 de ernstige muiterij onder de soedansche troepen en de opstand der door de mohammedaansche partij opgestookte koningen van Oeganda en Oenyoro de kolonie in groot gevaar. Maar in het derde jaar na de opening der lijn telde de Oegandaspoorweg reeds tegen 179 000 passagiers!

De Roewenzori op 70 kilometer afstand van af Kaibo gezien.
De trein rijdt tot op de pier van Port Florence aan het Victoriameer, waar de “Winifred”, de stoomboot, ankert. Zij onderhoudt met de tweelingboot “Sybil” de gemeenschap tusschen de havens van het Victoriameer. De handel neemt zoo snel toe, dat in het jaar 1907 een derde stoomboot van stapel liep en een vierde is al in aanbouw.
Alleen overdag wordt er gevaren. Aan den avond van den 6den Mei legde dus de “Winifred” aan den mond van de golf van Kavirondo in het meer bij het eilandje Rusinga aan, om er den nacht door te brengen; ze werd dadelijk door booten van inboorlingen omringd. Dat zijn groote booten van slanken vorm, die in staat zijn, twintig en meer roeiers op te nemen, niet ruw uitgeholde boomstammen, maar zorgvuldig gebouwde, gekielde, planken booten, die door touwen van vezel planten saamgebonden en met vezelstoffen en hars gedicht zijn. Het voorste gedeelte is voorzien van een langen, spits toeloopenden snavel.
Op den morgen van den 7den Mei werd bij het aanbreken van den dag de vaart voortgezet, maar nu niet meer in het troebele water van de golf van Kavirondo, maar in het volkomen heldere, doorzichtige water van het meer zelf, dat in een tusschen blauw en groen gelegen tint heerlijk schittert en kristalhelder is. Enkele uren na het vertrek verliezen wij het land geheel uit het gezicht en men komt volkomen in de illusie, dat men zich op open zee bevindt.
Het Victoriameer wordt inderdaad enkel door het Bovenmeer in Noord-Amerika overtroffen in grootte en heeft zulk een uitgebreidheid, dat men er in de lengte en in de breedte meer dan 300 kilometer kan varen, zonder land te zien. Het gelijkt ook op de zee door de talrijke onverwachte stormen, die golven meebrengen, in hoogte volkomen gelijk aan die van den oceaan.
Eerst in het jaar 1907 is de hydrographische studie van de 3200 mijlen lange kusten voltooid, waaraan de commandant der engelsche marine, H. Whitehouse, zeven jaren ingespannen heeft gewerkt. Maar het midden van het meer is nog voor het grootste deel ondoorzocht en levert de stof voor een groote menigte sagen, die in het land verbreid zijn. Men vertelt van eilanden, die door wilde menscheneters bewoond zijn, van schepen, die door geweldige wervelstroomen verzwolgen zijn, van monsters, die de onbekende diepten bewonen en dergelijke verhalen.
De route van de stoomboot loopt ongeveer langs den evenaar en ligt dwars door het noordelijkste deel van het meer, op vrij grooten afstand van de rij eilanden, die den oever omzoomen en daarlangs een bijna onafgebroken, voor stormen welbeschut kanaal afzonderen, waarin de roeibooten en de kleine zeilscheepjes van de inboorlingen in volle veiligheid kunnen varen.
Het belangrijkste en grootste eiland is Roevoema, een van die, welke den toegang tot de Napoleongolf versperren en de uitvloeiing van den Nijl uit het Victoriameer verbergen; het werd vroeger door een krijgshaftigen stam bewoond, die met behulp van een sterke oorlogsvloot steeds met groote dapperheid zijn onafhankelijkheid tegen de machtige koningen van Oeganda verdedigde.
De slaapziekte heeft de meerderheid der verrukkelijke, vruchtbare eilanden van den archipel in groote kerkhoven veranderd. Nadat geheele landstreken van den Kongostaat door de ziekte waren ontvolkt, tastte ze, de hoofdverkeerswegen volgend, tusschen 1900 en 1902 in Oeganda om zich heen en breidde zich al verder uit. Langzamerhand vertoonde ze zich ook in de streken van Oesoga en Kavirondo. Ze richtte onmetelijke verwoestingen aan en eischte tot 40 000 slachtoffers in een enkel jaar. Daar de ziekte hoofdzakelijk mannen in hun beste jaren wegrukt, zijn er dorpen en eilanden, waar enkel vrouwen en kinderen zijn achtergebleven.
Aan de noord westpunt van het meer legde de “Winifred” op 7 Mei des namiddags in de baai van Entebbe aan, en de italiaansche expeditie was aan het eind van de verkeerswegen der beschaving gekomen, nadat ze in drie weken een afstand van 4750 geographische mijlen had afgelegd.
Bij het aan wal gaan ontving mij de oppercommissaris van het Oegandaprotectoraat, de heer Hesketh Bell, die in October 1907 tot gouverneur benoemd werd en bood mij en commandant Cagni gastvrijheid aan in zijn huis. De overige leden der expeditie werden opgenomen door de ambtenaren, de heeren G. F. M. Ennis en W. M. Carter, alsook door Majoor L. C. E. Wyndham. De gidsen werden in het “Equatoriaal Hotel”, dat door den heer Berti, een Italiaan, wordt gehouden, ondergebracht.
Entebbe of Port Alice, dat nauwelijks vijftien jaren geleden door Sir Gerald Portal werd gesticht, is de politieke en administratieve hoofdstad van het engelsche Oegandaprotectoraat. Dit omvat veel meer dan het vroegere koninkrijk van dien naam, daar er ook de rijken Oenyoro en Ankole toe behooren, die in een krans om het Westen en Zuiden van het eigenlijke Oeganda zijn gelegen, alsook de heele streek ten oosten van het Kiogomeer en om den grooten, uitgedoofden vulkaan Elgon. Verder behooren in het Noorden de uitgestrekte gebieden er toe, die de namen Nijlprovincie en Rudolfprovincie dragen.
De stad ligt op twee heuvels op de uiterste punt van een schiereiland tusschen twee armen van het meer. De straten zijn alle breed en worden aan beide zijden door de huizen van Europeanen omzoomd. Die zijn op de in tropische streken gewone manier gebouwd met daken, die over de breede galerijen naar voren springen en zijn door bloemtuinen omringd. De ligging der stad is betooverend mooi; het onmetelijke meer met zijn overvloed van licht en glans en zijn hier en daar verspreide liefelijke en vriendelijke eilanden ligt vóór ons uitgebreid; maar de netten en het gaaswerk vóór de vensters, de hallen en deuren zijn welsprekende getuigen van de heerschende malaria.
Er is een hotel, een protestantsche en een katholieke kerk, drie ziekenhuizen, verschillende handelshuizen en winkels, die door Goaneezen en Indiërs worden gehouden. Een uitgestrekt terrein langs het meer wordt door den botanischen tuin ingenomen.
Aan het uiterste noordeinde der stad bevindt zich het marktplein, het punt van samenkomst der negers, die altijd in grooten getale in de nabijheid der stad zich ophouden in de hoop, eenig werk te krijgen als gidsen of dragers. De woningen der inboorlingen, ongeveer honderd hutten, liggen, tot een dorpje vereenigd, verder van de stad verwijderd onder prachtige boomen te midden van bananenaanplantingen en maïsvelden.
Onze expeditie hield zich van den 7den tot den 15den Mei in Entebbe op, om de organisatie der karavaan in alle bijzonderheden voor te bereiden. Intusschen werd ongelukkigerwijze de commandant een offer van het ongezonde klimaat, ten minste hij kreeg den 8sten Mei koorts en trots de chinine-inspuitingen hield de koorts aan, en de ziekte werd gecompliceerder door een ontsteking van de ingewanden, zoodat hij na eenige dagen naar het ziekenhuis moest worden overgebracht, dat gezond was gelegen en waar voor het herstel de gunstigste omstandigheden te vinden waren.
Ik verloor daardoor de meest waardevolle hulp op een oogenblik, waarop het werk het moeilijkste en ingewikkeldste was.
De uit de “Winifred” ontscheepte uitrusting van de expeditie was door de dragers op de plaats van het “Equatoriaal Hotel” gebracht en werd nu te midden van een dichten drom nieuwsgierigen, kinderen en volwassenen, uit de kisten gehaald, nadat alle vrachtstukken gecontroleerd en geteld waren. Het gezamenlijk materiaal voor het kamp, tenten, bedden, slaapzakken, stoelen, tafels, badkuipen, keukengereedschap, de hermetisch gesloten kisten met kleeren, het photografiemateriaal, alsook dat voor de zoölogische, botanische en mineralogische onderzoekingen, de jachtwapens met munitie vormden te zamen 114 stukken bagage, elk van 23 kilogram zwaarte, die genummerd en van teekens voorzien moesten worden, om, als ze noodig waren, terstond gevonden te kunnen worden.
De voorraad levensmiddelen was onder aanneming van een verblijf van veertig dagen in het hooggebergte boven de sneeuwgrens en een even langen duur der reis van Entebbe tot de bergen, met de terugreis inbegrepen, berekend. Hij vormde 80 dragerslasten van hetzelfde gewicht als de zoo juist genoemde; elke last bevatte het dagelijks benoodigde voor twaalf personen plus de door dunne plaatjes beschermde blikjes gecondenseerde melk. Het eenige onderscheid tusschen de voor het hooggebergte en die voor de lagere regionen bestemde porties bestond daarin, dat de laatste geen vleesch in bussen bevatten, daar versch vleesch in iedere bewoonde landstreek gemakkelijk te krijgen was.
Dus waren er 194 dragers noodig voor het vervoer van de geheele uitrusting. Rekent men daarbij de karavaanleiders, de persoonsbedienden met hun eigen dragers, de met de zorg voor de paarden en muildieren belaste negers en diegenen, die tijdens den marsch de runderen, geiten, schapen, het levend proviand voor de karavaan, moesten drijven, dan komt men tot een gezamenlijk aantal van over de driehonderd menschen.
De collector of hoogste ambtenaar van het district, J. Martin, een man van groote ervaring in het organiseeren van karavanen en reizen, had het heele personeel door den heer Bulli, die toenmaals beambte van het italiaansche koloniale genootschap was, in de maanden vóór de aankomst van de expeditie laten uitzoeken en voorbereiden. Bulli zou bovendien de expeditie als karavaanleider vergezellen.
Er waren drie paarden en drie muildieren gekocht, om de bezwaren van den marsch eenigszins te verlichten; verder twee riksja’s, kleine, lichte tweewielige wagentjes, die voor één of twee personen ruimte boden en door inboorlingen getrokken of geschoven werden; ze moesten dienen, om zonder inspanning de vlakke einden van den weg af te leggen.
Den 12den Mei was alles voor het vertrek gereed. Maar ik wilde nog drie dagen wachten, daar ik er maar moeilijk toe kon overgaan, Cagni achter te laten. Ik moest echter toch besluiten, zonder hem op te breken; de duur van zijn ziekte liet zich in het geheel niet bepalen, en wilde men nog langer talmen, dan liep men gevaar, dat het gunstige jaargetijde tot onderzoek der bergen onbenut verstreek, om geheel te zwijgen van het gevaar, dat er nog een deelnemer ziek kon worden en daarmee de uitslag van de heele onderneming mislukken kon.
Er bleef dus niets anders over, dan de hoop te koesteren, dat Cagni door de nauwlettende verpleging van den uitstekenden dokter Hodge spoedig herstellen zou en dan te gelegener tijd de expeditie weer kon inhalen. Daarom werd in Entebbe de heele uitrusting achtergelaten, dat Cagni zoo gauw mogelijk zou kunnen opbreken.
Den 14den Mei nam ik met mijn metgezellen afscheid van de gastheeren in Entebbe, die alles hadden gedaan, om het verblijf van een week op de aangenaamste wijze voor ons te laten voorbijgaan. Als vertegenwoordiger der kolonie begeleidde collector Martin de expeditie tot aan de grens van het koninkrijk Oeganda met een geleide van 26 askari’s en 67 dragers.
Op den morgen van den 15den Mei verzamelden zich in den vroegen morgen alle dragers met hun karavaanleiders, de boys en de soldaten op de plaats van het hotel Berti, waar de lasten op rijen geschaard stonden. Intusschen namen wij, Europeanen, afscheid van Cagni met hoopvolle woorden en goede wenschen voor zijn spoedig herstel.
Om half negen gingen de dragers onder een oorverdoovend geschreeuw in een lange rij met de lasten op het hoofd langs de breede, vlakke straat op weg naar Kampala.
De spits der ongeveer vierhonderd personen tellende karavaan was reeds buiten het gezicht, toen ik met de overige deelnemers der expeditie eveneens opbrak.
Op korten afstand van Entebbe voert de weg door majestueuse loofwouden. Deze uitgestrekte landstreek, die een onafgebroken hoogvlakte is tusschen de drie meren, het Victoriameer, het Albert Eduardmeer en het Albertmeer, wordt in alle richtingen door heuvelketens doorsneden, die in het Oosten minder duidelijk zijn te onderscheiden en meer samenhang toonen, maar in het Westen meer afzonderlijk van elkander staan.
De grond is meest rood, van de kleur van dakpannen; de verdeeling van den plantengroei richt zich naar den aard van den bodem. De hoogste gedeelten, de hellingen en de toppen der heuvels zijn begroeid met hoog gras, en slechts hier en daar ziet men een eenzamen boom of een groep van weinige boomen, welker voet omgeven is door onderhout; op den grond van de inzinkingen, waar men stroomend water vindt, gedijen prachtige wouden; waar het water niet afvloeit, zijn uitgestrekte moerassige vlakten geheel met hooge papyrusstruiken bedekt, waaronder een rijke waterflora tiert.
De weg, nu eens een pad, dat als een diepe kloof door de twee of drie meter hooge gele grasstengels heen voert, dan weer een vrij breede route op de vlakke einden, loopt volkomen rechtuit als een romeinsche weg, gaat over heuvels heen of volgt een eind ver de kammen, daalt in de dalen neer en dringt in de wouden binnen of passeert groote moerassige streken, waar hij als dam doorheen leidt. Zulk een dam wordt door de inboorlingen gemaakt, doordat ze aan beide zijden papyrusstruiken en riet afhouwen en dwars over den weg leggen; ze maken op die manier een vaste laag, waar dan zand en losse aarde ter voltooiing van den weg wordt uitgestort. Voor de stevigheid wordt aan den weg vastheid gegeven door palen, die aan den kant diep in het moeras zijn gedreven.
De temperatuur, die des morgens aangenaam is, wordt tegen den middag gloeiend heet en verstikkend, ofschoon in de heetste uren de lucht tengevolge van een meteorologische inrichting, die men niet genoeg kan prijzen, met meer of minder dichte wolken bedekt is, die voldoende zijn om de onbarmhartige zonnestralen tegen te houden. Bijna elken dag en iederen nacht breekt er een hevig onweder los, dat door stormachtige winden, donderslagen en vlammende bliksemstralen en regenbuien vergezeld wordt, maar in den regel slechts kort duurt. Gelukkig had de karavaan niet met de ergste orkanen, met water- en windhoozen te kampen, die op hun weg alles ontwortelen, vernielen en overstroomen en door gevaarlijke electrische ontladingen vergezeld gaan, zooals naar de mededeelingen der schrijvers vaak in Oeganda voorkomen.
Het weder verandert altijd zeer plotseling. Binnen weinige minuten wordt de tot dien tijd heldere hemel zwart als de nacht en begint er akelig dreigend uit te zien; met dezelfde verbazende snelheid verdeelen zich na een regenbui, die maar zeer kort duurt, de dichte, zware wolken, en opnieuw straalt de gloeiende zon.
De duur van de dagmarschen wisselt af tusschen drie en zes uren, waarin 15 tot 30 kilometer worden afgelegd. De dragers loopen in den regel snel, onverschillig hoe de weg ook zij. Men breekt ’s morgens om half zes op, en voor den middag is de marsch ten einde, zoodat men op de warmste uren van den dag kan rusten. Onderweg neemt de karavaan bijna een halven kilometer ruimte in; er heerscht een aanhoudend rumoer van stemmen, gelach, geschreeuw, dat op de bezwaarlijkste einden ietwat kalmer wordt, als een steile helling ook de niet beladen personen doet hijgen. Uit de aan den weg liggende kleine dorpen stroomen de inboorlingen nieuwsgierig toe, om den optocht te bekijken en met de dragers onder luid gelach te schertsen.
Soms kruist de karavaan een andere, die zout uit de salinen of ivoor uit den Kongostaat brengt, of er komt ons een blanke koopman tegen met een geleide. De askari’s handhaven een zekere tucht onder de talrijke schaar en komen dikwijls tusschenbeide, om twisten te beslechten. Die worden meestal door de dragers veroorzaakt, die, om zich het werk te verlichten, graag met geweld inboorlingen, die ze onderweg ontmoeten, tot het dragen der lasten willen pressen.

Worstelwedstrijd van dragers.
Voor het overige zijn de negers als kinderen, goedig en zachtmoedig of boosaardig en lastig, al naarmate men ze behandelt; met een beetje tact en welwillendheid, waaraan niet een zekere vastheid van wil ontbreekt, is het gemakkelijk, hun levendig temperament in de goede richting te leiden. De karavaan bestaat voor het meerendeel uit Waganda’s, die echter, hoewel ze de eigenlijke inboorlingen van Oeganda zijn, verschillende anthropologische kenmerken in zich vereenigen, zoodat ze een uit vele stammen gemengd volk schijnen te zijn. Ze dragen de trekken van de echte negers in hun kroes, pikzwart haar, den breeden, platten neus, de dikke lippen en de afstaande ooren, maar het prognatisme is onduidelijk, en het voorhoofd is breed en wijkt niet achteruit. In den regel zijn het magere menschen, niet gespierd ook, en ze zien er niet als sterke lieden uit.
Het kamp werd steeds ver van de dorpen, op van te voren gereed gemaakte plekken opgeslagen. In den regel bestond het uit een groote schuilhut, waarin de blanken hun maaltijden gebruikten, en een of twee beschuttende daken voor het bergen van het materiaal en om het tegen slecht weder te beschutten. Martin sloeg een tweede kamp op, dat van het mijne afgezonderd lag. In beide wapperden de italiaansche en de engelsche vlag.
De tenten waren omgeven door een seriba, een omheining van gevlochten riet, die niet zoozeer diende ter verdediging dan wel om het kamp der blanken van dat der dragers te scheiden.
De negers kwamen altijd zingend en lawaaimakend op de plaats van het kamp aan, legden de lasten in groote haast neer op de daarvoor bestemde plaats en gingen dadelijk aan het bouwen van hun slaaphutten. Met verwonderlijke snelheid verrezen die dan in het rond.
De zeer doelmatige manier van bouwen bestaat hierin, dat ze een rij van takken of buigzame riethalmen in een kring in den grond steken, naar het midden omgebogen en daar aan elkaar verbonden, zoodat een ronde koepel ontstaat. Daarop worden gelijkmatig gerangschikte bundels gras gelegd, terwijl een smalle opening voor ingang dient. In minder dan een kwartier veranderde een groote grasvlakte in een flink dorp.
Tijdens het vlijtige werken van de negers verschijnen in het kamp lange rijen vrouwen en kinderen uit de naburige dorpen met bundels bananen en zoete bataten op het hoofd. Een schaar naakte kinders begeleidt hen; de kleinste worden door de moeders op den rug in een plooi van het kleed gedragen. Op deze wijze wordt de karavaan door de bevolking van het land volop van levensmiddelen voorzien.
Intusschen ontving ik de huldigingsbezoeken van eenige hoofden, die in het kamp met een praal verschenen, in overeenstemming met hun beteekenis. Ze werden door vroeger komende afgezanten aangekondigd; in den regel waren ze in een witte tunica of in een mantel van meer of minder kostbare stof gekleed en hadden sandalen aan de voeten. Slaven vergezelden hen, die de teekens van de macht van hun gebieder droegen, het zonnescherm en den zetel; daarachter verdrong zich een gevolg van bedienden en een met lansen en sabels gewapende lijfwacht.
Dan volgde een menigte inboorlingen, die de geschenken aan geiten, schapen, soms ook kalveren en stieren voor zich uit dreven en korven met kippen, eieren, bananen, in het kort alle voortbrengselen der streek, droegen. Een levenmakende muziekkapel met trommels, fluiten, horens en andere instrumenten volgde den optocht of ging in de voorhoede.

Dans in het kamp.
Nu en dan kwamen de hoofden met dezelfde vertooning van staatsie de expeditie tot aan de grens van hun gebied tegemoet en sloten zich bij de menigte aan tot aan het kamp. De muzikanten begeleidden de karavaan vaak verscheiden dagen achtereen en bewezen haar de eer van haar onverbiddelijke muziek.
Het tegenbezoek bracht ik of bracht een ander door mij aangewezen lid van de expeditie aan het hoofd, waarbij de geschenken door ons beantwoord werden met een vergoeding, die in den regel zeer royaal uitviel.
De woningen der hoofden zijn cirkelronde huizen met wanden van in elkander gevlochten riet en met het gewone dak der inboorlingenhuizen. De binnenruimte is door gordijnen in verschillende vertrekken verdeeld; de wanden zijn behangen met platen uit geïllustreerde tijdschriften; op den vloer liggen matten en dierenvellen; meestal treft men een bescheiden uitstalling van stoelen aan en van kussens, en alles is zindelijk en in goeden staat. Om het huis loopen verscheiden seriba’s of omheiningen, en in de ruimte tusschen twee daarvan bevinden zich de hutten voor de vrouwen, de bedienden en de askari’s.
Gedurende de eerste marschdagen was het noodig zich met ontelbare kleinigheden te bemoeien, opdat alles goed in elkaar zou sluiten en het werk gelijkmatig over allen verdeeld zou zijn, zoodat er weinig tijd overbleef om de schilderachtige zijde van het nomadenleven te waardeeren. Maar later, toen ieder met wat hij te doen had vertrouwd was geraakt, werd alles ons tot een bron van genot.
Zoodra de avond langzaam begon te vallen, vlammen in den omtrek van het kamp honderden van vuren op, waaromheen de dragers tot laat in den nacht vertoeven, om de zoete bataten te roosteren of de bananen te koken, die bijna hun eenig voedsel uitmaken en waarbij soms nog wat gedroogde visch komt.
Na een marsch van vijf of zes uren over een dikwijls moeilijken weg, waarbij de menschen vrij zware lasten op het hoofd droegen, is die hoogst eenvoudige, eenige maaltijd des avonds voldoende voor hun verzadiging.
Tegen den avond werd het weder meestal koeler. Na gebruik van den maaltijd verzamelden zich de blanken om een groot vuur, dat ook, afgezien van de warmte, die het verspreidde, niet onaangenaam was en beschutting tegen de kleine gevaarlijke vijanden gaf, die de malaria overbrengen. De steekmuggen vlogen inderdaad in ontelbare menigten in de lucht rond; des nachts werden ze tot een ware kwelling. Uren lang hoorde men door slapeloosheid den roep der schildwachten en het eigenaardig getriller van den buga-buga, een kleinen, in de buurt van het kamp nestelenden vogel.
Tusschen drie en vier uur ’s morgens klonk een stoot op de trompet als réveille, en het heele kamp was dadelijk in drukke beweging. In weinig meer dan een uur was het kamp afgebroken. De dragers grepen hun lasten en marcheerden af met het gewone doordringende geschreeuw.

De bloeiende vlakte bij Boeamba.
De expeditie had 15 dagen noodig, om den afstand tusschen Entebbe en Fort Portal af te leggen.
Den 18den Mei werd het kamp in Mitiana opgeslagen in de nabijheid van een neerzetting der katholieke missie van de Franschen aan den voet van een met een kerkje versierden heuvel. Er werden bezoeken gewisseld met de zendelingen, die prachtige europeesche groenten en fruit als geschenk hadden gezonden. Den volgenden avond kwam de expeditie te Bujongolo tegenover het vischrijke Isoldemeer in boschrijke omgeving. Het kamp werd hier door sterke omheiningen en palissaden beschermd, wat ook met de volgende kampen het geval was, daar de omgeving door leeuwen onveilig werd gemaakt, zoodat de inboorlingen het niet wagen, ’s nachts zich op weg te begeven.
Den 25sten Mei werd de grens tusschen de provincie Oeganda en de Westprovincie overschreden, die de districten Toro, Oenyoro en Ankole omvat. Buiten enkele hoofden van het nieuwe gebied met hun hofstaat had ik, ter begroeting van de expeditie den ondercommissaris van de provincie, den heer A. F. Knowles aangetroffen, die ons zou begeleiden door het door hem bestuurde terrein, terwijl de heer Martin met zijn bedekking naar Entebbe terugkeerde.
Bij gedeelten is de weg zeer lastig en vermoeiend; het weer is slechter geworden en de vele regens maakten den weg moerassig en glibberig.
Hoe meer wij het Albert- en het Albert-Eduardmeer naderden, des te grooter werd de spanning, om de keten van den Roewenzori te zien te krijgen. Nadat we het gebied Toro hadden bereikt, waren aller blikken voortdurend naar het Westen gericht, vooral als de weg naar den top van een heuvel voerde, die een weinig boven de vlakte uitstak. Tweemaal hadden we, van opwinding bevend, gemeend, de bergen te aanschouwen, maar het was een vergissing geweest, een beeld van witte wolken aan den horizon.
Eindelijk op den morgen van den 28sten Mei daagden van een paar heuvels ten noorden van Kaibo, bij bedekten hemel maar heldere atmosfeer, op eens in het Westen hoog in de lucht opstekend, de met ijs bedekte toppen van de geweldige bergketen op. Ze waren nog ongeveer 70 kilometer verwijderd en schenen in de lucht te zweven tusschen de nevels, die den geheelen voet van de bergen omhulden, en de grijze hoopen wolken, die den hemel boven de toppen bedekte en ze bijna aanraakte.
Van dit punt uit schenen de bergen in drie hoofdgroepen verdeeld. De middelste wordt beheerscht door een karakteristieken, met sneeuw bedekten top met twee punten, die de hoogste van alle schijnt te zijn; hij is van de zuidelijke groep gescheiden door een diepe insnijding. De derde groep ligt ten noorden of noordoosten van het middelmassief. Van de hooge kammen reiken gletschers naar beneden, welker voet door de vóór de keten liggende kleinere bergen verscholen blijft.
Op dien dag werd het kamp te Butiti opgeslagen, waar ook evangelische en katholieke zendelingen werken, die jegens de expeditie zeer vriendelijk waren.
Op den middag van den volgenden dag, 29 Mei, besteeg ik met mijn begeleiders een ongeveer anderhalf uur van Butiti gelegen heuvel in de nabijheid van den weg, om opnieuw den Roewenzori te beschouwen, die zich in zijn vollen glans vertoonde. De karavaan had zich naar het Noordwesten gewend; daardoor scheen de noordelijke groep van de keten dichter bij de middelste te zijn gekomen, die ook van dit punt uit de hoogste was en door de grootste gletschers bedekt bleek te wezen.
De lucht was boven de bergen in het Westen helder, maar donker en dreigend met onweer in het Oosten. Rondom breidde zich de golvende vlakte, met lage, van boven afgeronde heuvels in roodachtige of geel-bruine kleur uit, waar donkergroene vlekken op afstaken, die gevormd werden door de euphorbia’s en de lichtgroene, gevederde acaciabladeren. Het landschap ging in de verte langzamerhand over in de dampige atmosfeer en werd onduidelijk aan den voet van de hooge voorgebergten der keten.
Moore was door den aanblik herinnerd geworden aan de Alpen, zooals die zich voordoen van uit de piemonteesche en lombardijsche vlakte; maar de vergelijking gaat niet op. Het onderscheid is, zooals men moet voelen, diepgaand, maar men is niet in staat het te analyseeren. Wel hebben de verre, met olifantsgras bedekte hellingen en de door papyrusstengels overdekte moerasvlakten eenige gelijkenis met de bebouwde heuvels en dalen in het voorland der Alpen, en niets verraadt, dat olifanten, buffels, antilopen en verscheurende dieren zich daar verbergen tusschen de velden, die weiden schijnen te zijn of stukken land, waar koren, maïs of vruchtboomen groeien. Maar het landschap is oneindig grootscher en plechtiger; als men de verschijnselen in de verte weg neemt, die meer gelijken op het resultaat van een weerspiegeling dan op onmiddellijke, zinnelijke waarneming, dan ontbreekt alle spoor van menschelijke werkzaamheid. De hutten der negers, de bananenvelden en de andere culturen der inboorlingen zijn slechts met moeite en, als men ernaar zoekt, te onderkennen; ze versmelten volkomen met het landschap en doen op geen manier afbreuk aan den indruk van het maagdelijke en ongerepte.
Bij het voorttrekken kwam de expeditie nog weer door een woud, het laatste, maar ook het mooiste, dat ze onderweg hadden aangetroffen, en dat bevolkt werd door tal van apen. Nog dienzelfden dag werd na een langen marsch van zeven uren Fort Portal bereikt.
Toen we het naderden, werd ik ontvangen door Kasagama, den hier resideerenden koning van Toro, een knap man van meer dan normale lichaamsgrootte en met open, intelligente trekken; hij werd door een talrijk gevolg begeleid, dat veel geschenken bracht. Nadat de karavaan de zich rondom de stad uitstrekkende bebouwde zone was gepasseerd, trok ze over den breeden, gladden, door de gloeiende zon beschenen weg in Fort Portal binnen. De hoofden uit de streek, die met hun gevolg ter ontvangst van de expeditie verschenen waren, maken ruimte; de weg is bezet door een dringende menigte menschen, vooral door lawaai makende kinderen.
Fort Portal werd in 1891 door Lugard aangelegd, nadat hij Kabarega, den bondgenoot van Mwanga, bij zijn opstand onttroond had en in zijn plaats Kasakama had aangesteld, waardoor een tijdperk van gruwelijke vervolgingen en menschenjachten, die bijna het geheele land ontvolkt hadden, beëindigd werd.
Het aantal der in Fort Portal wonende Europeanen beloopt, met de dames erbij, niet meer dan vijftien personen; de ondercommissaris, de collector, de bevelhebber der troepen, en de katholieke en protestantsche zendelingen. De woningen der engelsche beambten liggen op een heuvel; die van den onder-commissaris trekt het meest de aandacht, en het paleis is door een gracht en een palissadenomheining omringd. Op de naburige heuvels hebben de zendingsgebouwen en het ziekenhuis plaats gevonden; op een heuvel in het Zuidoosten, die geheel bedekt is met uitgestrekte bananenaanplantingen, liggen de huizen van den koning van Toro. Beneden aan den voet der heuvels naast een met boomen beplanten weg staan winkels, terwijl ook nog een kazerne aanwezig is voor de inlandsche soldaten en de gewone markt.

Bosch tusschen Butiti en Fort Portal.
De expeditie vond in Fort Portal bij den collector den heer J. O. Haldane een gastvrije ontvangst; aan de dragers werd als kampplaats de beneden liggende vlakte aangewezen.
Twee dagen bleef de expeditie onder slecht weder in Fort Portal. Ik maakte hier kennis met den reverend Fisher en zijn vrouw, die tweemaal in het Moboekoedal tot aan den gletscher waren doorgedrongen, en ook met den ontdekkingsreiziger in het hooggebergte, A. F. Wollaston, die de expeditie van het Britsch Museum, waarvan hij lid was, voor eenige dagen had verlaten, om op uitnoodiging van den ondercommissaris, den heer Knowles, mij te begroeten.
Zooals ik reeds gezegd heb, had Wollaston in de laatste maanden twee van de toppen bestegen, die zich aan het eind van het Moboekoedal verheffen. Van hun hoogste punt uit had hij in het Noordoosten onduidelijk tusschen de nevels nog twee met sneeuw bedekte toppen gezien, die nog hooger waren dan die, waarop hij zich bevond, en die, naar het hem scheen, zich verhieven op de naar den Kongostaat gekeerde westelijke hellingen. Het was hem niet mogelijk geweest, vast te stellen, of deze hoogere toppen met die in het Moboekoedal samenhingen.
De door Stuhlmann aanschouwde en afgebeelde bergen boven het Butagudal in het Westen der keten waren dus verschillend van die, welke van het Oosten uit te zien zijn en welke de italiaansche expeditie van Kaibo en Butiti uit had kunnen waarnemen. Het leek dus aanbevelenswaardiger, de bestijging van de bergen van de westelijke helling uit te beproeven.
Deze mededeelingen waren niet zeer aanmoedigend. Volgde ik den door de voorgangers ingeslagen weg door het Moboekoedal, dan liep ik gevaar, na den top op den achtergrond van het dal te hebben bereikt, mij den toegang tot de hoogere toppen door een diep dal of door een onbestijgbaren kam te zien afgesneden. Aan den anderen kant zouden wij, om naar de westelijke helling van het gebergte te komen, een langen marsch in de vlakte door streken, waar malaria heerscht, moeten maken; we zouden om het uiterste zuidelijke punt van de keten moeten heen gaan en het Semlikidal moeten bereiken, en het was twijfelachtig, of de hulpmiddelen van die streken voor de voeding van de talrijke karavaan toereikend zouden zijn; bovendien was ook de stemming der inboorlingen van den Kongokant, die zich al vaak vijandig en onrustig hadden getoond, een zeer onzekere zaak.
Van de beide wegen bood de tweede stellig groote moeilijkheden, en wel in ongekende mate. Daarom besloot ik, den kortsten, rechten weg te nemen en het Moboekoedal voor de bestijging te kiezen, om zoodra mogelijk op de bergen te komen. Daar zouden wij, met in aanmerking nemen van de nadere omstandigheden, tot een beslissing kunnen komen omtrent den te kiezen weg.
De beide dagen van het oponthoud in Fort Portal waren rustdagen voor de karavaan. Ze waren reeds voldoende geweest, den hechten samenhang te verbreken en de in de beide vorige weken gewonnen tucht losser te maken. Toen dus op den morgen van den 1sten Juni de klank van trommels en trompetten zich om half vijf deed hooren, kwam geen van de boys in beweging en de dragers daagden te laat en afzonderlijk op. Ten gevolge daarvan kon ik de karavaan eerst na twee uren onder het gewone geschreeuw in gang zetten; de engelsche en de italiaansche vlag werden voor haar uit gedragen.
De dragers konden worden verminderd, daar door het gebruik van de levensmiddelen en doordat wij veel dingen in Fort Portal achterlieten, de bagage geslonken was, en wij kozen de gezondste en krachtigste mannen uit voor den verderen tocht. Bij het vertrek werden wij door den heer Knowles, den collector, den heer Haldane, en Dr. Wollaston vergezeld, welke laatste zich naar de expeditie van het Britsch Museum in het Nyamwambadal wilde terugbegeven.
Een geleide van 20 askari’s voltooide de karavaan. De vrouwen der soldaten waren gekomen, om vóór het vertrek van hen afscheid te nemen. De vorm van dat afscheid kon niet zediger en bescheidener zijn; de vrouw laat zich vóór haar man op een knie neer en hij legt haar de hand op het hoofd.

Het overtrekken der Wimi.
In drie dagen legden wij den weg tusschen Fort Portal en het Moboekoedal af. Er moesten talrijke wildstroomende beken worden doorwaad; maar slechts één daarvan, de Wimi, beteekent iets. Als ze gezwollen is, kan ze tot een ernstigen hinderpaal worden. Wij vonden het stroompje ongeveer tien meter breed; het water was zeer koud, ongeveer 60 of 70 centimeter diep en sterk stroomend. Dwars over het water werd een lange menschenketen gevormd en aan den bovenkant daarvan trokken de dragers met hun lasten door het water. Diegenen, die struikelden of uitgleden, konden dus dadelijk gesteund en opgeholpen worden. In ongeveer een uur bevond zich onze heele karavaan aan den overkant, waar de helling schuin en met hoog gras bedekt was, zonder dat we een enkel stuk bagage hadden verloren.
De weg, die door een heuvelachtige en bebouwde streek leidt, daalt ten slotte naar de Moboekoe, die door een bedding vloeit, welke zeven of acht meter diep in oude alluviale lagen is ingesneden. De rivier is ongeveer 20 meter breed en 60 tot 70 centimeter diep; de strooming is heftig. Het water is frisch, maar geelachtig van kleur, dus niet tot drinken noodend.
Terwijl de karavaan aan den oever samenkwam, verschenen aan beide kanten de hoofden der naburige dorpen met hun stoelen en zonneschermen en een lang gevolg van inboorlingen. Allen deden hun best, aan de karavaan hulp te bieden bij het oversteken. Er werd dwars over het water een touw gespannen, waarachter voor meerdere veiligheid nog een aantal inboorlingen gingen staan. Alle leden der karavaan gingen daarna afzonderlijk met hun lasten bovenstrooms van het touw naar de overzij, waarbij ze zich aan het touw vast hielden. Zoo bevond zich in korten tijd de karavaan op den anderen oever van de Moboekoe, zonder eenig ongeluk.
In de omgeving van het kamp bevinden zich talrijke dorpen en bananenaanplantingen. De inboorlingen loopen naakt; nauwelijks een ketting van schelpjes hebben ze zich om de heupen geslagen, met een stukje doek eraan. In het kamp wordt bij uitzondering de schuilhut niet opgeslagen, zoodat de blanken niet onder dak kunnen eten; maar gelukkig is het mooi weer en de maaltijden worden in de schaduw van eenige boomen dicht bij de rivier gebruikt. Trots een nauwkeurig onderzoek gelukt het niet, een visch te zien te krijgen.
De avond is wonderlijk helder en de schemering daalt langzaam. Het vertrouwde ruischen van den stroom roept de herinnering aan kalme avonden in afgelegen dalen van de Alpen op. Beneden het kamp branden tallooze vuren, waaromheen de dragers zich bewegen, en die daardoor nu eens schijnen uit te dooven, dan weer helder op te vlammen.
De omtrekken van het dal worden tegen den sterrenhemel duidelijk afgeteekend, en het oog keert terug naar de sneeuwtoppen van den Duwoni, die het fonkelen der sterren zwak weerspiegelen, en lang blijft het eraan hangen.
Aller harten waren weer vol hoop. Gelukkiger dan onze voorgangers, hadden wij vele van de toppen te zien gekregen, eer we den voet van het gebergte bereikten, en wij hadden een belangrijk feit betreffende hun verdeeling kunnen vaststellen, namelijk dat de van Kaibo en Butiti uit in het midden zichtbare berg met twee toppen, die de hoogste van alle scheen te zijn, geen andere kon wezen dan de Duwoni van Johnston.
Nadat de karavaan het kamp had verlaten, stak ze snel de vlakte over, waar Ibanda ligt. De vlakte is hier en daar moerassig en bezet met kleine boschjes hooge acacia’s en drakenbloedboomen, en afgeronde, gladde rotsmassa’s zijn erover verspreid. Dan komen we aan den voet van een hoogen dwarsrichel, die een uitlooper van de rechtsche dalbegrenzing is. Het pad, dat erheen leidt, is hier en daar zoo steil, dat ook de onbeladen deelnemers aan de expeditie den adem verliezen. De karavaan der zwarten, die het eerste deel van den dagmarsch met hun gewone luidruchtigheid hebben afgelegd, verstomt, terwijl ze hijgend de moeilijke helling opklauteren; de samenhang in den optocht gaat verloren en hoe hooger we komen, des te ernstiger en donkerder wordt het pad.

De Alexandra- en de Margheritatop, de beide hoogste punten van de Roewenzori.
Ter halver hoogte bevindt zich een smalle, groene vlakte, waarop eenige hutten van inboorlingen verspreid liggen. Het zijn de laatste huizen van het dal, dat hoogerop geheel verlaten is. De plaats heet Bihunga en ligt 536 meter boven Ibanda, dus 1920 meter boven de zee. De expeditie van het Britsch Museum had er zich verscheiden maanden opgehouden, om studiemateriaal te verzamelen; een groote hut herinnerde nog aan het verblijf aldaar.
Daar rondom konden de tenten op de betrekkelijk kleine beschikbare ruimte slechts met moeite worden opgeslagen. De dragers zochten, zoo goed het ging, een onderkomen te vinden op de steile helling van den berg.
Het uitzicht naar boven is door de ervoor liggende hoogten, op welker helling het kamp is opgeslagen, volkomen afgesneden. Naar beneden dwaalt het oog over de vlakte van Ibanda en door het breede dal tot in de verte, waar de wazige atmosfeer het zien belemmert. Rondom zijn de hellingen met dichte bosschen bezet, waartusschen kleine, met hoog gras bedekte open plaatsen te voorschijn komen. In de buurt van het kamp ziet men de eerste Lobelia’s, veel Dracaena’s, een wonderschoon bloeienden koraalboom en de armzalige, smalle velden van het dorpje, dat een groepje Bakongo’s herbergt, trots het ruwe klimaat naakt loopend.
In Bihunga ging ik ertoe over, het aantal deelnemers aan de karavaan te verminderen. Van hier ging de optocht verder door onbewoonde streken, en het werd al moeilijker levensmiddelen te krijgen. Er waren afspraken gemaakt met de hoofden der dorpen in de omgeving van Ibanda, waardoor bepaald was, dat ze geregeld afdeelingen dragers met levensmiddelen door het dal naar boven zouden zenden. Afgezien daarvan echter, dat de hulpmiddelen van zoo’n klein gebied maar beperkt waren, moesten de af te leggen afstand en de bezwaren van den marsch al grooter worden, hoe verder de expeditie naar boven doordrong.
Daarom werd in Bihunga een deel van de bagage achtergelaten, ongeveer veertig lasten, waaronder alle voor persoonlijk gebruik bestemde voorwerpen, die in het koude klimaat van den berg niet gebruikt konden worden; en eveneens deed ik afstand van een gedeelte der boys. Dezen en ook de overbodige dragers gingen naar Butanuka terug, een dorp halfweg tusschen het Moboekoedal en Fort Portal, dat de plaats van samenkomst was van alle uit het gebergte komende werkkrachten. De 20 askari’s van de bedekking, die onder het bevel van sergeant Green, een Engelschman, stonden, bleven in Bihunga als verbindend lid tusschen de expeditie en het benedendeel van het dal. Het achtergebleven materiaal vond een goed onderkomen in de hut van de expeditie van het Britsch Museum.
De op deze wijze bewegelijker gemaakte karavaan toog op den morgen van den 5den Juni weer op weg. Eerst moest ze de hoogten van Bihunga langs een steil en zeer smal pad door dichte struiken, die gezicht en handen door de vaak doornachtige takken ten bloede sloegen, beklimmen, en daarna moest ze over het kleine dal Chawa afdalen in het Mahomadal, waar een belangrijke zijtak der Moboekoe door stroomt.
De helling is zeer steil en voert geheel door een ondoordringbaar woud van hooge boomen. Daaronder komen veel exemplaren voor van mooie coniferen, o. a. van den Podocarpus, die door dicht dooreen geslingerde lianen onderling verbonden zijn en waartusschen loofboomen staan, overdekt met orchideeën. Aan alle kanten verheffen zich hooge, steile bergen, die ook door bosch bedekt zijn. Aan den voet der boomen groeit dichtbebladerd onderhout, dat vermengd is met varens van allerlei soort. Het onderhout staat zoo dicht, dat het pad tot iets van een galerij wordt, waarin men heele einden gebukt moet afleggen. De struiken hebben veel gevallen boomstammen overgroeid, waaronder in den humus een rijke oogst van kleine dieren voor de verzamelingen te vinden is. De grond is zeer vochtig; hij staat hier en daar onder water en is glibberig, zoodat de dragers slechts met moeite zich staande kunnen houden. Het woud vergezelt den weg tot aan den oever der Mahoma.
Na den overgang over den stroom begint de optocht weer omhoog te klimmen over een steile, met reusachtige varens begroeide helling, wat voor de afzonderlijk en zeer langzaam marcheerende dragers buitengewoon inspannend is. Vanaf een bepaalde hoogte mengen zich onder de varens de eerste bamboes en Ericaceeën. Het gladde en moerassige gebied is bezaaid met rotsblokken van allerlei grootte.
Het is alles niet anders dan een geweldige zijmorene van den gletscher, die zich in overoude tijden naar het dal heeft laten glijden en die waarschijnlijk ook de hoogvlakte van Ibanda heeft bedekt. Het is te verwonderen, dat geen van de talrijke onderzoekers, die het Moboekoedal vóór ons bezocht hebben, de ware natuur van dit gebied herkend heeft. Een evenwijdig met de eerste loopende morene gaat langs den tegenovergestelden, den linkschen, kant van het dal. De Moboekoe gaat schuimend meer dan 200 meter lager in de steil afdalende kloof, die ze zich tusschen het rotspuin heeft gebaand, waarbij ze de blokken en het puin van de morene aan de oppervlakte van de doorsnede bloot legde.
De boomen worden langzamerhand dichter, tot men zich boven aan de morene opnieuw midden in het bosch bevindt. De weg loopt een heel eind gelijk met den kam der morene, welke kam op sommige plaatsen minder dan een meter breed is, tot aan een geweldig zwerfblok, dat minstens twintig meter lang en acht tot tien meter hoog is, en waarnaast zich een klein, scheef strooien dak vertoont, dat gedragen wordt door een paar in den grond gestoken palen. Het is de kampplaats van Nakitawa. Daar rondom bestaat het woud uit reusachtige boomen, met dicht onderhout aan hun voet. Er was een arbeid van verscheiden uren noodig, om struiken en boomen te vellen en ruimte te maken voor zes tenten. De zwarten drongen dadelijk om het rotsblok, waarbij de keuken was opgeslagen.
Het kamp ligt 2652 meter boven de zee. Op den laatsten dagmarsch waren er, trots de daling, 732 meter bijgekomen. Bijna den geheelen namiddag kwamen de dragers afzonderlijk opdagen, uiterst vermoeid van den bezwaarlijken marsch. Als bewoners der vlakte waren de Waganda oogenschijnlijk niet in staat, de strapatsen van den tocht door het gebergte te verdragen, en er moest nu aan gedacht, ze door de Bakonjo te vervangen, die aan het klimaat van hun dal gewend waren en bij de jacht op mormeldieren en klipgeiten zich geoefend hadden in het klauteren langs de hellingen.
Zoo ver het oog reikt is alles wat er van hellingen, rotswanden en bergen te zien is, door ondoordringbaar woud overdekt. Het is de aanblik van een maagdelijke natuur; we hebben nu inderdaad de door menschen bewoonde streken verlaten.
In de buurt van Nakitawa, aan de monding van het Mahomadal, vereenigen zich de beide morenen, en in den door de vereeniging der linker morene van het Mahomadal met de rechter van het Moboekoedal gevormden hoek ligt een meertje, dat later bij de terugkomst van de expeditie onderzocht werd. Juist tegenover het kamp aan de linkerzijde van het Moboekoedal verheft zich de groep toppen van den Portal. Aan den voet der steil afdalende wanden mondt een breed dal uit in dat van de Moboekoe; het opent zich tusschen de beide zuidelijke Portal-toppen, die als twee reusachtige grenssteenen aan den ingang staan.
Geen der vroegere onderzoekers had de aanwezigheid van dit zijdal bespeurd, terwijl de ontdekking het mij mogelijk maakte, gewichtige besluiten te trekken omtrent de ligging der toppen. Door de opening van dit nieuwe dal had de expeditie, van Ibanda uit, op den achtergrond den Duwoni van Johnston aanschouwd. Deze berg lag dus niet aan het eind van het Moboekoedal. Vergeleek men echter den aanblik der keten, van Kaibo en Butiti uit, met het geleidelijk zichtbaar worden der afzonderlijke toppen gedurende den marsch door het Himadal tusschen Kasongo en Ibanda en daarna bij het dalen naar het Moboekoedal, dan werd het duidelijk, dat de toppen en gletschers van de middelste en hoogste groep zich zuidelijk van den Duwoni bevonden; dus moesten ze tusschen den Duwoni en het Moboekoedal liggen.
Het scheen dus duidelijk, dat het pas ontdekte dal juist in het hart der keten lag en naar den hoogsten top moest voeren, veel directer dan het Moboekoedal. Bij het ontbreken van bericht over dit dal en onzeker, of ik het tot aan den voet der bergen zou kunnen doorreizen, besloot ik niettemin, den door de vroegere onderzoekers gevolgden weg verder te vervolgen, om zoo spoedig mogelijk bij een hooger punt en op een top te komen en van daar de ligging der toppen en dalen met gewisheid te bepalen. Ik behield voor het ontdekte dal den naam Boejoekoe, dien de inboorlingen van Ibanda eraan gegeven hadden.
Vijf dagen achter elkander was het weder ongewoon zacht geweest voor deze streken, en gedurende de geheele reis hadden we eerst in de laatste dagen, toen de expeditie op het punt stond het gebergte te verlaten, weer een even lange periode van onafgebroken mooi weer. Op den morgen van den 6den Juni viel er evenwel bij het aanbreken van den dag een fijne regen van den grijzen, bewolkten hemel.
De karavaan wachtte op de levensmiddelen voor de negers, die, door tachtig Bakonjo gebracht, eerst om zeven uur aankwamen. De Bakonjo zijn lieden van een krachtig uiterlijk, met nog al vooruitspringende wangbeenderen, soms met een spoor van baard en met geschoren of potsierlijk opgemaakte haren. Hun door de kou, het water en de zon gelooide huid is hard en rimpelig als leer. Ze zijn enkel gekleed in een van de heupen afhangend stuk doek, dragen aan armen en beenen metalen ringen en aan den hals een zak voor pijp en tabak. Enkelen dragen op den rug een luipaardsvel of een soort van mantel van aaneengehechte vellen van klipgeiten. Er zijn geen Christenen onder hen. Tijdens den marsch steunen ze op lange stokken, waarvan ze zich op moeilijke plaatsen met groote behendigheid bedienen.
De tachtig man waren aangeworven, om de eene helft der Waganda-dragers te vervangen, die dadelijk naar beneden werden gezonden. Nadat alles in orde was en de menschen gegeten en gedronken hadden, konden we eindelijk tegen acht uur opbreken.
Achter Nakitawa verdwijnt de weg bijna geheel en wordt tot een nauwelijks bespeurbaar voetpad. Toen de optocht den kam der morene had verlaten, ging het bergaf en kwam, tusschen bamboeplanten en lianen doordringend, in het op een hoogvlakte gelijkende dal, waar de Moboekoe werd bereikt. De stroom was zoo ondiep, dat men er, van steen op steen springend, met droge voeten overheen kon komen. Een over de rivier gelegde boomstam vergemakkelijkte den dragers den overgang. Het geweldige onderscheid tusschen den overvloed der Moboekoe bij Ibanda en hier boven Nakitawa komt zeker grootendeels door de toevloeiing van de Boejoekoe, die bij gevolg een veel belangrijker rivier moet wezen dan de Moboekoe.
Het vlakke dal is moerassig, en het bosch is er bijna niet anders dan bamboe. De weg bestaat uit nat slijk, waar men dikwijls tot de knieën in wegzinkt. Onder het moeras stoot de voet op steenen of stukken hout, of hij raakt verward in een klimplant of stapt op een omgevallen boomstam en dwingt den reiziger, te grijpen naar de doornstruiken in het rond, om het evenwicht te bewaren. Langzamerhand leert men den weg kennen; men vindt de stevigste plaatsen eruit en het gelukt, zich met sprongen voort te bewegen, nu eens met den eenen voet op den rechter en met den anderen op den linker kant van den weg. Of wel men zoekt naar een steunpunt op de uit het moeras opstekende steenen of wortels of op een vergaanden tak en een gevallen boomstam. Ieder oogenblik echter struikelt men of zakt weg, en de tocht wordt gekruid door uitroepen, die meer krachtig en vol uitdrukking zijn dan wellevend. Intusschen is het bovendien gaan regenen en van de bamboestruiken, de Ericaceeën, de varens van allerlei vorm en grootte en de andere bladeren stroomt aanhoudend een stortbad neer.
Van het hoofd tot de voeten met slijk bedekt, met doornatte kleederen, kwam de expeditie, nadat ze op den linkerkant van het dal was overgegaan, aan den voet van een overhangenden rotswand, die achter in een klein, van voren door een morene versperd, dal lag.
Het is het kamp van Kichuchu, 2997 meter boven de zee, 345 meter hooger dan Nakitawa gelegen. De rotsmuur biedt tegen slecht weer eenige beschutting op een plek, die wel beveiligd is voor den neervallenden regen, maar doornat is door het langs de rotswanden neerloopende water. Er is slechts plaats voor een enkele tent. Alles in het rond is diep slijk. Met behulp van op den grond gelegde takken en boomstammen gelukt het ons, den vasten grond zooveel uit te breiden, dat we nog twee tenten konden opslaan. Veel uren lang moest ik bij de oprichting van het kamp in het moeras in den regen rondwaden.
In de nabijheid is weinig brandhout te vinden en de vuren zijn onvoldoende. De Wagandadragers zijn uitgeput en mismoedig; ze trillen van kou en zijn blijkbaar buiten staat, verder te marcheeren. Ze blijven dus allen met de boys achter en gaan naar beneden naar Boetanoeka, om samen te zijn met de in Bihunga en Nakitawa ontslagen gezellen. Van nu af gaan we enkel met de Bakongo verder; de overcomplete lasten worden achtergelaten en zullen later afgehaald worden.
De vlakte, waarop zich het kamp van Kichuchu bevindt, is het eerste van drie boven elkaar liggende terrassen. Alle drie zijn gelijkmatig met stilstaand water bedeeld; ze worden door drempels van 200 tot 300 meter van elkaar gescheiden en vormen het bovenste deel van het Moboekoedal.
Van Kichuchu af stijgt de weg dadelijk langs een smalle, natuurlijke trap; deze is ingesneden in de rotsen van een ongeveer 300 meter hoogen bergwand, die van den zuidelijksten top der Portalpunten neerdaalt. Waar de rotstrap te smal en ongemakkelijk is, wordt het klimmen door houten trappen verlicht; de weg is zoo steil, dat men op handen en voeten moet klimmen, waarbij men zich moet vastgrijpen aan de weinige lianen en alleenstaande boompjes. Op het laatste, minder steile gedeelte wordt het pad opnieuw geheel tot moeras, steenen en wortels.
Eindelijk komen we op de hoogte, die den rand van het tweede terras vormt. Hier werd de expeditie verrast door een der zeldzaamste tooneelen van de gansche reis. De hoogvlakte was overdekt met een groot woud van boomachtige Ericaceeën. De stammen en takken zijn van boven tot onderen met een dichte laag mossen overtogen, die in lange baarden van alle takken afhangen en die de knoopen van het hout, de uiteinden der afgehouwen takken verdikken en afronden. Tengevolge daarvan doen zich de planten wonderlijk wanstaltig voor en als door gezwellen bedekt, alsof ze lijden aan een groenachtig gelen of rooden uitslag. Geen enkel blad is te zien, uitgezonderd aan de hoogste takken; zwart en donker ligt het woud door den dichten stand der boomen en de dooreenwarring der takken. Van den bodem is door de tallooze doode stammen niets te ontdekken; ze liggen in een onontwarbaar net over en door elkander, bedekt met kleverige, glibberige mossen. Geen woud maakt er somberder indruk dan dit, dat wel een bosch uit den oertijd gelijkt.
Toen we aan de Mokoeboe kwamen, bleek die helder te wezen; de karavaan trok er over en ging daarna naar het derde terras, waar aan den voet van den Buamba een kamp werd opgeslagen ter hoogte van 3518 meter boven de zee. Het was een mooie dag, en ik had bijna geen geduld, om in Buamba te blijven, bijna in het gezicht van Bujongolo, de laatste halt in het dal. Nadat in haast iets was gebruikt, marcheerden we verder dwars over de met allerlei planten begroeide hoogte, met het uitzicht op een geheel door groen en bloemen omsloten waterval, die van de bergen aan de rechterzij van het dal neerstortte.

Marsch door een bosch van Senecios.
Met mijn metgezellen kwam ik tegen twee uur in den namiddag in Bujongolo aan, een echt adelaarsnest tusschen de rotsen, 3798 meter boven de zee en 800 meter boven Kichuchu. Wij hadden de karavaan van dragers achter ons gelaten. De meesten hadden in Buamba gerust, en slechts enkelen kwamen dien dag de expeditie achterna. De plaats was ruw en woest; van den gletscher waaide een snijdend koude wind, die aan alles eerder herinnerde dan aan den aequator en Midden-Afrika. Allen waren wij onder den indruk, dat we eindelijk aan den voet der bergen waren aangekomen, die we zouden onderzoeken, nadat we een reis van 54 dagen achter ons hadden.
De expeditie bracht den nacht onder den blooten hemel door. Er was geen tent aangekomen, en velen moesten zich ook zonder slaapzak behelpen. Eenige schapen, die met de dragers tot hier gekomen waren, drongen verschrikt tegen elkander aan, en de figuren der naakte negers, die in de nabijheid om een vuur hurkten, teekenden zich in de nachtelijke duisternis in onduidelijke omtrekken af.
Cagni had, nauwelijks hersteld, twee dagen geleden Entebbe verlaten en trok nu in snelle marschen naar ons toe, vol verlangen ons in te halen en door zijn persoonlijke medewerking bij te dragen tot den goeden afloop der expeditie.
Na een tocht naar de toppen op den achtergrond van het Moboekoedal, waarbij we veel nevel hadden, bleven we nog vier dagen in Bujongolo, door slecht weer als opgesloten. Maar eindelijk kwam dan den 14den het onderzoek van de centrale groep aan de beurt, en terwijl ik mij gereed maakte, om Bujongolo te verlaten, ten einde de centrale groep der keten te gaan onderzoeken, trok commandant Cagni in ijlmarschen door het Moboekoedal, en hij had al bijna de tochtgenooten bereikt, toen zij hem nog op vele mijlen afstands vermoedden.
Zooals gezegd, was hij den 5den Juni van Entebbe met 25 dragers, een riksja en een paard opgebroken. In korten tijd had hij zijn krachten in zoo ver herwonnen, dat hij op één dag twee, ja zelfs vier etappen kon afleggen. Daar het juist volle maan was, brak hij op vóór het aanbreken van den dag en zette den tocht tot den laten avond voort, zoodat hij 46 tot 50 kilometer in eens aflegde. De dragers, die door giften van eenige schapen en door kleine geschenken in geld gewillig waren geworden, deden wonderen. Eenmaal marcheerden ze 17 uren en lieten in dien tijd 60 kilometer achter zich.
In zes dagen kwam Cagni te Fort Portal, waar koning Kasagama hem alle mogelijke vriendelijkheid bewees. Den 12den Juni brak hij van daar weer op. In Butanuka trof hij de 178 Wagandadragers, die uit het Moboekoedal teruggestuurd waren. Volgens de door mij gegeven aanwijzingen ontsloeg hij een deel van hen en liet de overigen naar Fort Portal verder marcheeren, waar ze den terugkeer der expeditie uit het gebergte zouden afwachten.
Niet zonder moeite kwam hij over de Wimi, die geworden was tot een tegen 50 meter breeden en hier en daar over een meter diepen bergstroom. Een nog ernstiger belemmering vond hij aan de Moboekoe, die ten gevolge van de regenstroomen, waardoor de expeditie in Bujongolo was opgehouden, eveneens zeer gezwollen was. Daar hij geen touw bezat, dat lang genoeg was, om het over de rivier te spannen, zooals ik had gedaan, behielp hij zich daarmee, dat hij de halsters van het paard en alle touwen van de tenten en de lasten enz. samenknoopte. Op deze wijze kreeg hij een touw, dat wel is waar nauwelijks half zoo breed was als de rivier, maar dat door twee groepen mannen over het middelste en snelst stroomende deel kon worden vastgehouden. Dank zij der gewillige hulp van de hoofden en inboorlingen uit de omliggende dorpen, gelukte het Cagni, de rivier zonder ongevallen te passeeren, maar de overtocht had een halven dag gekost.
Den 14den Juni verwisselde hij in Bihunga, waar de askari’s van het geleide in kwartier lagen, zijn Wagandadragers tegen geboren Bakonjo. Twee dagen later kwam hij te Bujongolo aan; de heele afstand was door hen in slechts tien dagmarschen afgelegd.
Hij vond er alleen Dr. Cavalli. Ik was den avond te voren opgebroken, en Sella en Roccati hadden zich juist dien morgen op weg begeven, om den berg of pas ten zuiden van den Kiyanja te beklimmen.

Lobelia Stuhlmanni in vollen bloei.
Freshfield had zijn karavaanleider hooren vertellen, dat het zadel in de waterscheiding, waarover de zuidelijke kam van den Kiyanja loopt, eens door de in het Westen der keten wonende inboorlingen als pas werd gebruikt. Ze gingen er over naar het Moboekoedal tot naar Buamba, om met de Bakonjo ruilhandel te drijven.
Daarentegen gelukte het mij niet, van mijn dragers de geringste inlichting te krijgen over de verbindingswegen tusschen de beide kanten van de bergketen. Ze schenen vrees te koesteren voor de streken aan den anderen kant van den kam en waren blijkbaar overtuigd, dat een trekken over de grens van den Kongostaat gelijkstond met den dood. Dus was het natuurlijk, dat de Bakonjo in deze omstandigheden een grooten tegenzin aan den dag legden, om mij naar het Westen te volgen.
Op den morgen van den 15den Juni waren in Bujongolo slechts negen Bakonjo bijeen gekomen, die nauwelijks voldoende waren, samen met de vier gidsen en Botta, de voor een kamp benoodigde onmisbare dingen en levensmiddelen voor eenige dagen te dragen. In het laatste oogenblik stelden de negers nog den eisch, hun loon dagelijks uitbetaald te krijgen, en ik moest een niet gering gewicht aan roepijen meenemen.
Eindelijk tegen acht uur, toen elk ander voorwendsel tot langer talmen ontbrak, verlieten wij het kamp bij stralenden zonneschijn en marcheerden het dal in, dat zich, zooals we hebben gezien, aan den rechter kant van het Moboekoedal in de nabijheid van Bujongolo opende. Nu eens op den eenen, dan op den anderen kant van de beek loopend, bereikten we de hoogte van den uitlooper en kwamen in een dal, waaruit een door de gletschers ten zuiden van den Kiyanga gevoed riviertje te voorschijn komt, hetzelfde, dat den schilderachtigen waterval aan de rechterzij der hoogvlakte van Buamba vormt. In de buurt van het boveneind van het dal verhieven zich twee rotsen, die, als de vorige van Kichuchu en Buamba, natuurlijke schuilplaatsen vormden.
De grond is tengevolge van de in de laatste dagen gevallen regens geheel doorweekt, en de marsch was moeilijk, doordat men bij elke schrede uitglijdt en in het slijk verzinkt. De dragers, die geen vermoeden hebben omtrent het onbekende land, waarheen de tocht gaat, marcheeren mismoedig en met een langzaamheid, die iemand tot wanhoop zou kunnen brengen. Reeds twintig minuten, nadat ze Bujongolo verlaten hadden, maakten ze halt en ontstaken een vuur, waar ze bij gingen zitten rooken. Na nog een half uur herhaalde zich dat verschijnsel. Alle aandrijven beantwoordden ze daardoor, dat ze wezen op hun hoofd, hun buik, hun voeten of beenen, die op eenmaal de zetel van onvermoede ziekte waren geworden.
Om den toestand nog te verergeren, werd het weder opnieuw nevelig, en wij liepen door het geheel in een moeras herschapen dal tusschen Senecio’s, Lobelia’s, mossen en steenen, zonder iets te onderscheiden. Na een lichte stijging, die over de rotsen en later door een kloof leidde, kwamen we eindelijk aan de inzinking in de waterscheiding, het Freshfieldzadel van de kaart. Er waait een frissche bries, en de dragers maken haast, om een windstillen hoek te vinden. We zijn nu 4326 meter boven de zee, en er groeien geen boomen meer, maar enkel mossen en planten, die zoden vormen. Hier en daar verjaagt de wind de nevels en onthult zoo stukken van het landschap. In het Noorden zien we breed en afgerond den zuidelijken kam van den Kiyanga, door een gletscher bedekt, die eenmaal zoo diep daalde, dat hij de heele inzinking vulde. Teekenen daarvan zijn nog op de gladde en geschramde rotsen te zien. In het Zuiden ligt de groep van kammen en toppen, die ik reeds van den top van den Kiyanga uit had aanschouwd. Er zijn twee kleine gletschers te onderscheiden, die twee passen bedekken, en daartusschen een derde inzinking. De zadels sluiten vier toppen in, waarvan de westelijke de verst verwijderde en hoogste schijnt.
Aan den voet van deze bergen en ervan gescheiden door een uitlooper van den Kiyanga, ligt een dal, dat naar het Westen gaat. Men ziet aan den overkant twee meertjes schitteren in een ander dal, dat van het Noorden naar het Zuiden is gericht en naar beneden loopt vanaf den pas tusschen den Kiyanga en de centrale groep van het gebergte. Dien pas wil ik bereiken, om van daar uit de bedwinging der hoogere toppen te ondernemen. Ik teekende alles, wat ik van het landschap te zien kon krijgen, zorgvuldig op, door gebruik te maken van de doorblikjes in de golvende nevels. Er was een gids vooruitgegaan, om te onderzoeken of het niet mogelijk was, de westelijke helling van den Kiyanga boven te overschrijden, want daardoor zou ons het afdalen tot de diepte van het dal bespaard zijn geworden; maar de gids keerde terug, nadat hij had uitgemaakt, dat het onmogelijk was, ter halver hoogte verder te komen, omdat de wanden loodrecht in het dal vielen. Wij moesten dus tot de meren afdalen.