Front matter (continued 2)
Reading edition
Kort na den middag namen wij, na op den pas een deel der lasten te hebben achtergelaten, om sneller te vorderen, den marsch weer op langs een steile en gladde helling, waarbij we omwegen moesten maken rondom groote rotsblokken, die uit het moeras omhoog staken. De dragers gleden uit en moesten aanhoudend worden aangemoedigd. Tegen vier uur kwamen we aan den oever van het eerste meer, en ik besloot, daar het onmogelijk bleek, de dragers dien dag nog verder te krijgen, op een in het meer uitstekende rots het kamp laten opslaan, het tweede kamp ter hoogte van 4045 meter boven de zee, 250 meter boven Bujongolo.
Hier buigt het dal, dat eerst van het Noorden naar het Zuiden loopt, scherp naar het Westen en is zoo nauw, dat het meer het geheel vult, zoodat de dalgrond bij den eersten aanblik veel gelijkt op een krater. Eenige eenden zwemmen er rond. In de buurt vertoonen zich sporen van luipaards en mormeldieren, en veel raven beschrijven kringen in de lucht. Overigens is er geen bewijs van dierleven te bespeuren. Een bergbeek, die uit de gletschers van den Kiyanga komt, voedt het meer en levert ons water in overvloed, terwijl er in het rond genoeg hout ligt, zoodat al gauw ieder zijn kleeren bij een geweldig vuur kan drogen.
Op dien helderen namiddag spiegelt het meer, welks oppervlakte onder het windje zich rimpelt, de beelden van de met sneeuw bedekte bergen in bevende omtrekken, en langzamerhand verdwijnt in ons tot rust gekomen gemoed de herinnering aan de vermoeienissen en ontberingen. De zon daalt achter een zware wolkenlaag en komt dan er beneden weer te voorschijn, om de lucht, het dal en het oerwoud met haar rood schijnsel te vervullen.
Den volgenden morgen keeren Lorenzo Petigax, Brocherel en drie inlandsche dragers terug, om de den vorigen dag op den pas van Bujongolo achtergelaten lasten te halen. De anderen nemen de overige lasten op en zetten hun marsch voort. De expeditie trekt langs de beide meren aan den voet der rotswanden van den Kiyanga en baant zich stap voor stap een weg door de dicht ineengegroeide plantenwereld van Senecio’s en Helichrysums. Onder de altijd groene struiken zijn exemplaren van een prachtige grootbloemige Hypericum, van Festuca, ranonkels, kruisbloemen, vrouwenmantel, balsamienen e.a.
Het nauwe dal tusschen de steile rotsen is droger dan het Moboekoedal en draagt duidelijke sporen van vergletschering in niet ver vervlogen tijden. Hoog steken de zuidelijke toppen der centrale groep in de lucht, waar twee gletschers van neerdalen, de bronnen van twee armen der rivier; een derde arm ontspringt uit een gletscher van den Kiyanga.
Het derde kamp op de bergen werd ter hoogte van 4219 meter opgeslagen bij een oude eindmorene, bijna loodrecht onder de beide toppen van den Kiyanga, die ik zes dagen te voren bestegen had. Ook hier waren water en hout overvloedig. Van hier uit bestegen we den Scott-Elliotpas zonder moeite, door een oude middelmorene naar boven te volgen. Deze bewijst, dat eenmaal de gletschers van den Kiyanga en van de centrale groep samenvloeiden en vereenigd naar het dal zich bewogen. De Senecio’s en de altijd groene struiken reiken bijna tot den kam, maar worden langzamerhand schaarscher.
Op den pas aangekomen, volgden we den kam naar het Westen tot dichtbij den gletscherrand, die voortliep tot den voet van de zuidelijke toppen der centrale groep. Op rotspuin sloegen wij naast den gletscher, 4516 meter boven de zee, het vierde kamp op.
De levensmiddelen waren nog slechts voor een enkelen dag voldoende. Om die reden zond ik alle Bakonjo, Lorenzo Petigax en Botta naar Bujongolo terug. Bij mij bleven alleen Giuseppe Petigax, Ollier en Brocherel. De namiddag is helder en de bergen teekenen zich duidelijk tegen den hemel af. Aan den voet van het kamp ligt het eerst van den kam op de hoogte van den Moboekoegletscher geziene dal met zijn klein, donkerblauw meer, waarboven bijna loodrecht de noordelijke helling van den pas hangt.
Thans kunnen we dat dal met het oog een lang eind naar het Oosten vervolgen en zien, hoe het in de verte naar het Zuiden ombuigt, om het Moboekoedal te bereiken. Er is dus geen twijfel aan, dat het het Bujukadal is, en dat de geweldige berg in het Noorden feitelijk de Duwoni van Johnston is. In zuidoostelijke richting is het uitzicht door de massa van den Kiyanga afgesloten.
De gidsen, die op den gletscher zijn gestegen, om den weg tot de centrale hoogvlakte der groep te banen, keeren des avonds terug. De zonsondergang was minder helder dan op de vorige dagen. De nabijheid van het doel maakte het wachten tot een zeer pijnlijk iets. Met de gidsen in de enge ruimte van een enkele tent te zamengedrongen, bracht ik een groot deel van den nacht slapeloos door, gepijnigd door zorgen omtrent het weer.
Eindelijk brak de morgenschemering van den 18den Juni aan bij bedekte, grijze lucht. Snel, zonder een woord te verliezen, werd de volgorde van den stoet vastgesteld. Giuseppe Petigax en Ollier gingen vooraan, dan kwam ik, Brocherel als laatste; zoo begonnen wij den gletscher te bestijgen langs den weg, dien de gidsen den dag te voren hadden aangewezen. Zonder moeite werd in ongeveer een uur de groote gletschervlakte bereikt. Het was half zeven, en de begeerde toppen lagen op geringen afstand vóór ons. Beide waren ze door sneeuw bedekt; de zuidelijke, dichtstbijzijnde, viel naar het Oosten in een loodrechten wand neer en werd door een machtigen sneeuwmuur overwelfd; door een afgerond ijszadel stond hij met den noordelijken, veel hoogeren top in verbinding. Daarvan gingen twee kammen uit, de eene naar het Oosten, recht op het dal toe, de andere naar het Noordwesten, met zachte kromming, en uitloopend in een karakteristieke punt. Toppen en kammen waren omzoomd door het reusachtigste sneeuwdek, dat men zich kan voorstellen en dat door tallooze ijszuilen en ijsnaalden gesteund werd, in de verte den indruk makend van een verblindend witte kantstrook.
De sneeuw in het rond had de glanslooze, bleeke kleur, die er altijd bij slecht weer over ligt. Een oogenblik glansde ze onder een zonnestraal, die echter dadelijk door dichte wolken, snel naderend uit het Oosten, weer werd verduisterd. Er kwamen windstooten uit het Oosten; nevelsluiers stegen uit het dal in zware massa’s omhoog en hulden ons in korten tijd geheel in.
Wij vieren zetten zwijgend onzen gang naar de hoogte voort. Zonder wankelen, met den niet in de war te brengen blik op den juisten weg, schreed Giuseppe Petigax in den ondoorzichtigen mist vóór ons allen uit, tegen de hoogvlakte op, tot den voet van den zuidoostelijken kam van den zuidelijken top. De vaste sneeuw, die niet meegaf onder de voeten, vergunde het, dat we den uitgebreiden sneeuwkam vlug bestegen, waarbij op de steilste plaatsen eenige trappen moesten worden gehouwen. Om half acht was de hoogte van den eersten top bereikt.
Een hevige wind waaide van het Oosten. Alles in het rond was onzichtbaar door den witglanzenden, voor het oog ondoordringbaren nevel. Ieder had zich vast voorgesteld, dat de hoogste top op weinige honderden meters afstands onzichtbaar zou wezen. En wij allen wachtten, met de blikken onafgebroken naar het Noorden. In anderhalf uur tijds konden we slechts enkele oogenblikken door den even optrekkenden nevel de onbepaalde omtrekken van den hoogeren top onderscheiden.
Er waren maar twee wegen, om hem te bereiken, namelijk naar den pas af te dalen en te beproeven, of men van hier uit den, door de sneeuwmassa’s van boven afgesloten, ijswand kon beklimmen, of op de hoogvlakte terug te keeren, haar onder den pas over te steken en over den oostelijken kam omhoog te gaan, een verre omweg, die in den nevel zonder een vast punt, om zich naar te richten, zou moeten worden afgelegd. De gedachte, voor dezen dag van een poging tot bestijging afstand te moeten doen en in het kamp terug te keeren, kwam, zooals een blik op de ernstige, vastbesloten trekken van de zwijgende gidsen aantoonde, geen van hen in de gedachte.
Om 9 uur besloten wij, het wachten moe, tot den aanval langs den meest rechtstreekschen, kortsten en gevaarvolsten weg, en de een na den ander begaf zich naar de helling, die naar den pas voerde.
Met het oog op de sneeuw gericht, gingen wij voorwaarts, de voeten voorzichtig zettend in de groote holten, die Petigax in de gelukkig vaste sneeuw, die niet meegaf onder den voeten, had uitgehouwen.
Het zadel maakt den indruk van een ijsband, die van den eenen tot den anderen top reikt. Het is onmogelijk, rechts of links van den weg af te raken, maar men moet rechtuit op den ijsmuur af, waarvan de nabijheid door den nevel nauwelijks wordt vermoed. Waar de helling steil begint te worden, worden de rugzakken en alle overtollige voorwerpen afgelegd, en Petigax gaat aan het moeilijke werk. Binnen kort zijn alle vijf zoo goed als loodrecht boven elkander, langzaam de rechte lijn van trappen klimmend, die Petigax met krachtige, breede bijlslagen uithouwt in den wand, waarbij hij ons met een hagel van stukken sneeuw en ijs treft. Naar beneden verdween de wand dadelijk in de duisternis, en het was alsof we boven een grondeloozen afgrond zweefden.
Zoo kwamen we onder den sneeuwmuur tusschen de ijszuilen, die van nabij gezien, een rij vormden, dicht als de boomen in een woud; daarop rustte de zware sneeuwwelving. waarvan de stevigheid twijfelachtig was. De indruk, dien het geheel in den nevel maakte, was buitengewoon eigenaardig en onvergetelijk.
In dien onveiligen stand moesten wij, ons vasthoudend aan den steilen wand, om de ijspilaren loopen, om beneden aan de plaats te komen, waar het sneeuwdek aan den wand aansloot en daar een doorgang te zoeken.
Wij vonden dien in een insnijding, die een nauw, loodrecht kanaal van één tot twee meter vormde.

De Alexandra- en Margarethatop van af den Stanley-gletscher gezien.
Ollier, stevig geplant op een breed punt, moest Petigax tot gids dienen. Deze steeg hem met zijn zware, van spijkers voorziene bergschoenen op de schouders, dan op het hoofd en groef den bijl diep in den sneeuw, om zich tot den kam te kunnen optrekken. Voor de overigen was het kinderspel, hem te volgen. De kam was bedwongen. Nog weinige minuten en ik zette den voet op den hoogsten top van den Roewenzori!
Uit de duisternis waren wij in een van stralend licht vervulde vrije ruimte getreden. Aan onze voeten golfde een nevelzee; een onmetelijke vlakte van lichte nevels van witachtig aschgrijze kleur bewoog zich, door den wind gedreven, naar het Noordwesten. Uit de eindelooze, bewegelijke, eenvormige vlakte staken slechts twee vaste punten omhoog, twee verblindend witte, in de zon van myriaden sneeuwkristallen glinsterende pyramiden, de uiterste punten van de beide hoogste toppen.
Aan die twee gaf ik in dat uur de namen Margherita en Alexandra, omdat, zooals in het “Bollettino della Società Geografica Italiana” van Februari 1907, op bladz. 117 is aangegeven, “onder de auspiciën van de twee koninginnen de naam van haar beider landen gemeenschappelijk door de wereld werd gedragen: die van Italië, welks naam als de eerste op deze sneeuwvelden in een triomfkreet weerklonk, en die van Engeland, waarvan de bewonderenswaardige koloniale uitbreiding de beschaving tot aan de hellingen van deze bergen heeft gebracht.”
Een oogenblik later liet ik met bewogen gemoed de kleine vlag in den wind fladderen, een kostbaar geschenk van de koningin-moeder Margherita, en ze schitterde in de zon, de groen-wit-roode banier met de kleine letters van de bemoedigende zinspreuk: “Ardisci e spera!” (“Waag en hoop!”), die de hooge vrouwe erop had laten borduren.


De Stanley.
Den 21sten Juni was de expeditie in het vierde kamp boven den Scott-Elliotpas bij den Helenagletscher van den Stanley vereenigd.
Den daarop volgenden morgen besloot ik mij nog eens van mijn metgezellen te scheiden, om het onderzoek van het gebergte voort te zetten en wel om nu de noordelijke groep onderhanden te nemen. Eenige dagen te voren had ik van den hoogsten top van den Alexandra kunnen waarnemen, dat de gemakkelijkste en meest directe weg naar den Speke en den Emin over de westhelling ging. Daarheen kon ik zonder veel moeite komen, als ik door het hoogste deel van het Bujuku-dal en over den tusschen den Speke en den Stanley gelegen Stuhlmannpas reisde. Met mij samen waren de gidsen Giuseppe en Lorenzo Petigax, Ollier en vijf Bakonjodragers.
De noordelijke wand van den Scott-Elliotpas daalt, zooals reeds werd gezegd, steil af naar het Bujukumeer. Na een korte daling tusschen zware, met mossen begroeide rotsblokken kwam onze kleine schaar in een nauwe kloof en daarna in een steile, met steenpuin gevulde rivierbedding. De zwarte dragers, die weinig gewend waren aan de in deze omstandigheden te nemen voorzorgsmaatregelen, traden steenen los en brachten die aan het rollen, tot groot gevaar van degenen, die vooraan liepen. Men moest zeer langzaam en voorzichtig dalen en allen moesten te zamen blijven.
De negers hadden nu al een grooter vertrouwen in hun tijdelijke meesters gesteld en volgden gewilliger; de berggidsen schonken hun op alle moeilijk te passeeren plaatsen hulp en bijstand, en de goede luim was teruggekeerd.
Aan het eind van de kloof troffen we weer het Seneciowoud aan, waardoor we langs een zachtere helling dieper dalwaarts gingen naar een moerassige, boomlooze vlakte, die 3933 meter hoog lag. Na een marsch van 2½ uur kwamen we hier aan, nadat we den bergstroom boven het Bujukumeer waren overgegaan. Van hier uit begonnen we over een niet al te steile helling rechtuit in de richting van den zuidwand van den Speke te stijgen. Ongeveer honderd meter verder naar boven stieten we op een sneeuwveld van resten van lawinen aan den voet van den rotswand, die van boven met een in seracs verbrokkelden en als over het dal zwevenden gletscher bedekt was. Wij trokken links om het sneeuwveld heen en stegen verder naar de plaats, waar de zuidwestelijke punt van den Speke met den Stuhlmannpas te zamen komt, ten noorden van een vooruitspringende rots, die in het midden van den pas duidelijk zichtbaar is. Het laatste eind van den weg, aan den voet van den door de eindseracs van den gletscher omzoomden, loodrecht opstijgenden wand is blootgesteld aan het gevaar van steenval; het stijgen was niet moeilijk, maar inspannend door de met mos bedekte, glibberige rotsen.
Toen wij den hoofdkam hadden bereikt, was de nevel ten gevolge van den mooien, warmen zonneschijn verdwenen, en wij hielden voor korten tijd rust, om ons te verkwikken met het heerlijke uitzicht over het bovenste amphitheater van het Bujukudal. Aan alle zijden is het door loodrecht oprijzende rotsen omgeven; alleen onder den Margheritatop en den Alexandra vergunt de zachtere helling den gletscher, verder naar beneden door te dringen; in den geheelen verderen omtrek eindigen de gletschers op de tinnen der rotswanden. Van tijd tot tijd weerklinkt de donder van ijslawinen, die in het dal storten. Bijzonder grootsch zijn de rotstorens der toppen Helena en Savoye en de steile rotsen van den noordmuur van den Baker, die naar het Oosten in hoogte overtroffen worden door de toppen Moore en Wollaston.
Nadat we den voet van den Speke in het Zuidwesten waren omgetrokken, marscheerde ons klein gezelschap bijna in horizontale richting onder den westelijken wand voort, waarbij we ons steeds aan den rand van den gletscher boven hielden. Deze heeft zich in den jongsten tijd teruggetrokken en daarbij een breeden zoom van rotsblokken en morenepuin achtergelaten, waartusschen eenige groepen van Senecio’s en Helichrysums wortel hebben geschoten.
Iets verder naar boven, op een smalle strook tusschen twee langwerpig ronde meren en aan den rand van den Spekegletscher, liet ik het kamp opslaan. Het was het vijfde, 4475 meter boven de zee gelegen, juist beneden den Victor-Emanueltop. In de nabijheid staan eenige Senecioboomen; de negers zoeken verder naar beneden, waar hout in overvloed te vinden is, een rustplaats. Boven is de lucht helder, maar om de bergen en in de dalen hangen trage nevels, die het grootste deel van het landschap omhullen. Op korten afstand en wat verder naar beneden ligt een derde meer, dat een weinig grooter is dan de beide naast het kamp.
Den volgenden dag bereikten wij, eerst over rotsen, dan over plaatsen vol sneeuw langs een zachte helling, zonder van het touw gebruik te moeten maken, in weinig meer dan een uur den top van den 4901 meter hoogen Victor Emanuel. Het was half zeven in den morgen en alles in het rond lag reeds in een dichten nevel. Wij bleven bijna acht uren boven, altijd in afwachting van een opklaring van het weder, die echter uitbleef. Er woei een zwakke, veranderlijke wind, en ieder oogenblik begon het nu eens te sneeuwen, dan weer vielen korte en krachtige hagelbuien neer. Op eens waren de bergbestijgers omhuld door een met electriciteit beladen wolk, en op de bijlen en houweelen, de statieven, den barometer en de naburige rotsen begonnen kleine ontladingen te knetteren. Zelfs de haren op het hoofd werden electrisch. Het was een onbehagelijke en ook niet ongevaarlijke toestand.
Om ons den tijd te verdrijven bouwden wij een grooten steenhoop op de noordwestelijke rotspunt, die enkele meters lager is dan de met sneeuw bedekte top. In den namiddag ging het naar het kamp terug, terwijl het weder nog slechter werd. De dag was voor het verder onderzoek volkomen verloren.
Den 24sten en 25sten Juni weken de nevels in het geheel niet van den grond, en er heerschte een aanhoudende afwisseling van regen, sneeuw en hagel. De gidsen ondernamen een klein uitstapje om een weg te zoeken naar den Eminberg dwars over de dalen ten noordwesten van den Speke. Den 25sten deden we een poging, om verder te marscheeren, maar na korten tijd moesten wij omkeeren; de nevel was te dicht; het scheen wel nacht te wezen. Op die twee dagen van gedwongen rust kon ik in de van den Spekegletscher komende beken de karakteristieke, door het smelten van het ijs te voorschijn geroepen, periodieke schommelingen tusschen een minimum en een maximum in den morgen en in den avond nauwkeurig nagaan. Er zou geen reden zijn, dat feit te vermelden, als Freshfield niet door de geringe waterrijkdom van de Moboekoe op de plaats, waar ze van den gletscher komt en door de helderheid van het water tot het besluit was gekomen, dat de stroom zijn oorsprong waarschijnlijk eerder aan een bron onder den gletscher dan aan het smelten van het ijs te danken had.
Die waarneming staat in verband met een algemeene theorie van Freshfield, dat de gletschers in de tropen hoofdzakelijk door verdamping en maar voor een gering deel door afsmelting kleiner worden. Hoe echter ook de omstandigheden in den Himalaya mogen wezen, er is geen twijfel aan, dat in dat opzicht de gletschers van den Roewenzori op die van de Alpen gelijken en alle aan hun uiterste einden bergstroomen laten ontspringen, die geheel de eigenschappen van gletscherbeken bezitten. Inderdaad heeft het klimaat van den Roewenzori niet veel van het tropische aan zich, en waarschijnlijk laat een atmosfeer, die zoozeer met vocht overladen is, dat er bijna aanhoudend nevels hangen, geen zoo aanmerkelijke verdamping toe, dat zich daaruit alleen de aanzienlijke vermindering laat verklaren.
De zuiverheid van het water van sommige uit de gletschers van den Roewenzori te voorschijn komende stroompjes heeft zeker haar oorzaak in de onbewegelijkheid van deze gletschers, die den rotsgrond, waar ze op rusten, niet afschuren en verbrokkelen. Werkelijk zijn deze gletschers meer ijsdeksels op toppen en kammen dan ijsstroomen, die, als in de Alpen, uit een verzamelbekken zich naar beneden bewegen.
Zeker moet men, om zich rekenschap te geven van de beteekenis, die de Roewenzoriketen heeft voor de voeding van den Nijl, de keten in haar geheel beschouwen. Met haar toppen reikend tot in de koudste luchtlagen, trekt ze de massa’s der uit verren omtrek opstijgende waterdamphoeveelheden tot zich en laat ze als regen en sneeuw neervallen. Daarbij komt het stelsel der dalen, die als groote verzamelbekkens voor het regenwater dienen. Ik herinner eraan, dat Stanley alleen op de westelijke en zuidelijke helling 62 bergbeken telde, die zich van het gebergte in de Semliki en in het Albert-Eduardmeer stortten.
In den avond van den 25sten Juni helderde ten gevolge van een plotselingen omslag van het weder de lucht geheel op, en een wondervolle zonsondergang overgoot het geheele dal en het verre oerwoud van het Kongogebied met een vlammend rood. Er volgde een bitterkoude nacht. Op den morgen van den 26sten, om vier uur, was ik met de gidsen reeds onderweg. Alles was stijf van de vorst; er vloeide geen druppel water, en het meer was zoo goed als geheel bevroren. De harde sneeuw op den gletscher knarste onder de voeten. Om half zes was ons klein gezelschap weer op den Victor-Emanueltop. Er woei een koude wind van het Noordwesten; in de heldere, doorschijnende lucht teekenden zich de lijnen der kammen schitterend tegen het uitspansel af. Het was ideaal weêr voor het doen van hoekmetingen.
De Victor-Emanueltop ligt zoowat in het midden van den wijden kring, waarin de bergen en gletschers van den Roewenzori verrijzen, en zonder twijfel is hij het geschiktste punt voor de waarneming der geheele keten. Van den top verloopt naar het Noorden de lange vergletscherde kam, die dan tot het Cavalli-zadel daalt en zich van daar weer tot den Humberttop van den Eminberg verheft. Een diepe, van het Noorden naar het Zuiden gerichte kloof met steile wanden scheidt den Emin van den Gessi, van waar uit de beide toppen Jolanda en Bottego aan het uiterste einde van den met sneeuw bedekten eindkam duidelijk zichtbaar zijn. In het Zuidwesten steekt ver boven alle andere bergen de Stanley op met zijn vijf toppen, van welke de Alexandratop maar even links achter den Margheritatop te zien is. Op de groote gletschervlakte aan den voet der beide toppen kan men zwarte punten onderscheiden; dat is de karavaan van Sella, die op dezen morgen den Alexandratop bestijgt. De kring van gletschers eindigt in het Oosten in den Mooretop van den Baker, waar zich de enkele dagen te voren door Sella opgerichte steenhoop verheft.
Over den Scott-Elliotpas heen ziet men als door een venster in de verte den uitersten westelijken rand van den Luigi-van-Savoyeberg. Tusschen dezen en den pas kan de blik zich in de dalen verdiepen met de meren ten westen van den Baker, en in het nog vale licht der morgenschemering onderscheidt men daar in de diepte een vuur; dat is van het kamp der zwarte dragers, die de levensmiddelen brengen.
Zoo was ik in dat morgenuur, van den hoogen top van den Speke uit, getuige van de veelzijdige, opgewekte werkzaamheid van mijn karavaan en zag vóór mij den geheelen goed georganiseerden arbeid der expeditie zich ontvouwen. Na zeven uur bevonden we ons reeds op den terugweg naar de tent en brachten het overige van den dag door met het drogen van onze kleeren, die door de regens van de laatste dagen doornat waren.
Tegen den avond kwamen nog eenige Bakonjo’s met levensmiddelen aan. De nacht was helder en de sterren fonkelden; de zon ging op aan een volkomen wolkenvrijen hemel. Ik ging met een gids vooruit in de richting naar het Noorden op de vlakte tusschen de meren en den voet van den bergmuur, een rotsterras, waarop ongeveer 200 meter verder de gletscher met een groep van seracs eindigt. Wij komen vooruit door te springen van het eene aan den voet der rots opgestapelde rotsblok op het andere. De dragers vinden iets verder naar beneden een gemakkelijker weg, die tusschen het tweede en het derde meer onder Senecio’s en Helichrysum loopt.
Zoo bereiken wij steeds langs den rand van den gletscher de hoogte van den hoogen voormuur, die zich van den Speke naar het Westen wendt en de dalen ten westen van den Stuhlmann- en den Cavallipas van elkander scheidt. Op den kam steekt een rotspunt uit, een soort van uitzichttoren, 4494 meter hoog, van waar uit men den af te leggen weg kan overzien. Ongelukkigerwijze begon de lucht alweer te betrekken, en nevels, die zich hier en daar vormden, schoven zich snel tusschen den beschouwer en het landschap. Op een van de in het Westen vóór den Emin gelegen uitloopers bemerkten we van hier uit duidelijk een loodrechten rotskegel, een soort van kleinen Matterhorn, die wel een van de “tweeling-kegels” zou kunnen zijn, waarop Stairs bij zijn excursie naar het noordwestelijk deel der keten marcheerde.
Om aan den voet van den Emin te komen, moesten wij het bovendeel van het dal oversteken, dat naar het Westen van het Cavalli-zadel daalt, en een tweede, lager rotsbastion, dat van den Speke af in dit dal vooruitspringt, passeeren. Van daar uit ging de weg verder langs den berg onder den Grantgletscher, die zich nog sterker dan de overige op den rug van dezen uitlooper schijnt te hebben teruggetrokken; daarna stegen we erlangs in de richting van den Cavallipas verder. Wij bemerkten daarbij, dat er, als door de Voorzienigheid geschapen trappen waren, ingesloten tusschen rotsblokken, waar we anders onmogelijk over zouden hebben kunnen heen komen. Er groeiden een menigte Helichrysumstruiken, waar de gidsen een pad door moesten banen.
Het dal wordt in zijn bovengedeelte beneden de inzinking gepasseerd, en het zesde kamp wordt een paar honderd meter onder den Humbertgletscher op een kleine rots vlakte opgeslagen, waar de rots loodrecht in het dal afdaalt. Dit mondt 160 meter verder uit in een soort van amphitheater, dat door loodrechte wanden is omgeven; in het midden echter leidt een minder steile helling naar het Cavallizadel omhoog. In het Westen trekt zich het dal samen tot een enge kloof, waarin zich de uit de zuidelijke gletschers van den Emin komende bergstroom uitstort.
De op dien dag afgelegde weg was lang geweest, en wij allen voelden ons vermoeid.
Op den morgen van den 28sten Juni kondigde zich de dag met slecht weer aan. Wij braken bij bewolkten hemel op en begonnen de vooruitspringende rots te beklimmen, die van den Humberttop tusschen den Emingletscher en den Humbertgletscher in dalende richting voortloopt. Toen we den rechtschen rand van den laatste hadden bereikt, lieten we hier, juist 200 meter boven het zesde kamp, de tent achter en begonnen de bestijging door de sneeuw, die den gletscher bedekte. Boven aangekomen, bogen wij naar het Westen af in de richting van een rotskam, waarover we den Humberttop bereikten ter hoogte van 4815 meter. Hier bleven we vijf uren; toch viel het ons nauwelijks te beurt, hier en daar een paar bergen tusschen de nevels te voorschijn te zien komen. We richtten op den breeden, steenachtigen top een groot en steenhoop op.
Een machtige, verbrokkelde kam strekt zich in het Noorden tot den Kraepelintop uit, die lager en eveneens steenachtig is. De Gessi, aan de overzijde van een nauwe kloof met steil afdalende wanden, heeft het aanzien van een breed zadel met twee weinig uitstekende punten aan het uiterste noord- en het uiterste zuideinde van een langen, met sneeuw bedekten kam. Laat keerden wij naar de tent in de nabijheid van den gletscher terug.
Den dag daarop wilde ik naar den Humberttop terugkeeren, om hoekmetingen te verrichten, maar reeds in den morgen dreigde slecht weer. Wij hadden nog slechts levensmiddelen voor een enkelen dag. Bij den grooten afstand van Bujongolo, de eenige basis, waar we iets konden vinden, en bij zoo moeilijke wegen was de regelmatige proviandeering niet licht. Dus moesten we den terugweg inslaan.
In een half uur hadden we het zesde kamp onder het Cavallizadel bereikt; daarna stegen we weer omhoog naar den “uitzichttoren”, en in de eerste uren van den namiddag sloegen we, onderweg door een sneeuwstorm, overvallen, de tent nogmaals aan den voet van den Victor-Emanueltop op. Den volgenden dag trokken wij in een langen dagmarsch over het Stuhlmannzadel, staken het bovengedeelte van het Bujukudal over, klommen tegen den steilen wand van het Scott-Elliotzadel op en overnachtten weer in het tweede kamp aan den oever van het meer en aan den voet van den westelijken wand van den Baker. De levensmiddelen waren op den terugweg op vooraf aangewezen punten verdeeld, zoodat de karavaan snel vooruit kwam, daar ze slechts het weinige kampmateriaal had mee te voeren.

Het beklimmen van den Alexandratop.
Den 1sten Juli keerde ik, na den Freshfieldpas te zijn overgegaan, waar Sella gemeenschappelijk met Botta zijn tent had opgeslagen, om te kunnen photografeeren, steeds onder stroomenden regen in het moerassige Moboekoedal terug. Na een afwezigheid van zeventien dagen zag ik het kamp van Bujongolo weer.
Den geheelen tijd door had ik op een hoogte van meer dan 4000 meter geleefd, waarbij mij maar weinig en primitief kampmateriaal ter beschikking stond; er moesten drie personen in een enkele kleine bergtent zonder veldbedden slapen, bijna altijd met door regen en sneeuw doorweekte kleeren, onder ontberingen en strapatsen, die enkel kunnen beoordeeld worden door wie het leven in het hooggebergte onder dergelijke omstandigheden kent.
In die zeventien dagen was het mij mogelijk geweest, een flink stuk werk te doen; ik had de toppen Margherita, Alexandra, en dien tweemaal, Helena en Savoye van den Stanley, den Victor-Emanueltop van den Speke ook tweemaal en den Humberttop bestegen; ik had mij een weg gebaand over de zadels naar Freshfield, Scott-Elliot en Stuhlmann genoemd, het bovengedeelte van het Bujukudal kunnen onderzoeken en de westelijke hellingen van den Speke en daar bij tevens de studie van de verdeeling der toppen en van den aard van den samenhang der afzonderlijke groepen onder elkander kunnen voltooien, wat ik voor een deel reeds sedert de eerste bestijgingen der toppen van den Baker ondernomen had en wat ik later door talrijke hoogte- en hoekmetingen verder had uitgebreid.
Dat alles werd op de gelukkigste wijze aangevuld door de werkzaamheden, die de overige leden der expeditie hadden uitgevoerd. Wat dien arbeid van mijn medeleden betreft, kan ik het volgende mededeelen.
Het bericht over de werkzaamheid van een expeditie als die der Roewenzori-bestijging, welker afzonderlijke afdeelingen hun bijzondere taak hebben en die zich gelijktijdig met verschillende dingen bezighouden op uiteenloopende punten, kan noodwendig enkel in brokstukken worden gegeven en moet in den tijd nu en dan teruggaan, om de veelzijdige werkzaamheid van de karavaan in het licht te stellen.
Toen ik den 22sten Juni het vierde kamp op den Scott-Elliottop verliet, om mij door het Bujukudal naar de noordelijke bergen te begeven, bestegen Cagni en Cavalli onder leiding van den gids Brocherel den Alexandratop. Jammer genoeg, was het weer nevelig, zoodat ze in de drie uren, die ze op den top doorbrachten, slechts af en toe een vluchtig oogenblik uitzicht hadden, waardoor ze den naburigen Margheritatop waarnemen en van de omringende bergen eenige hoekmetingen konden doen. Bij den terugkeer geraakten ze in een erge sneeuwjacht, zoodat ze er tot de knieën in wegzonken.
Sella was bij het aanbreken van den dag met de photografietoestellen opgebroken en kon een paar foto’s van de kammen in de buurt van het kamp nemen, terwijl Roccati geologische waarnemingen deed en mineralen verzamelde.
Den 23sten en den 24sten hinderde hetzelfde slechte weer, dat mijn eerste bestijging van den Victor-Emanueltop had belet en mij twee dagen in het vijfde kamp gevangen had gehouden, Sella en Roccati bij alle werk buiten de tent.
Cagni had haast om naar Bujongolo terug te keeren, om zoodra mogelijk de magnetische waarnemingen te beginnen en de ligging van de ter beeindiging der trianguleering vereischte basislijnen vast te stellen. Hij verliet den 23sten, te zamen met Cavalli, het vierde kamp en kwam nog denzelfden avond over het Freshfieldzadel naar Bujongolo, waarbij hij den geheelen weg moest afleggen in een regen, die op wolkbreuken geleek. Langs den weg had hij op geschikte punten voorraden van levensmiddelen laten plaatsen ten gebruike voor allen, die nog in het gebergte waren achtergebleven. Cavalli, die zich met het oog op botaniseeren in het derde kamp, aan den voet van den westelijken wand van den Baker had opgehouden, keerde den volgenden dag naar Bujongolo terug, eveneens tot op de beenderen nat.
Hij trof Cagni verdiept in allerlei werk. Nadat hij weer orde had gesteld op de organisatie van de expeditie, zorgde hij voor de vorming van vliegende negertroepjes, die tot taak hadden mij van levensmiddelen in de verre dalen ten westen van den Speke te voorzien. Verscheiden Bakonjo hadden gewonde voeten en behoefden geneeskundige hulp. Daar de meerderheid van de tenten ontbrak en de plaats open was, nam Dr. Cavalli het kampwerk weer op, liet de reeds gereed gemaakte platformen herstellen en nieuwe aanleggen, de gaten vullen, blokken ver wij deren en boomen vellen ter vergrooting van de beschikbare ruimte.

De Speke.
Het slechte weer vergunde geen enkele waarneming. In den loop van een week kon Cagni de zon niet een enkel uur lang onafgebroken te zien krijgen. De regen was niet hevig, maar viel onophoudelijk, en de nevel was zoo dicht, dat men niet eens den overkant van het dal kon zien.
Toch kon Cagni op 25, 27 en 28 Juni, in de zeer kleine tusschenpoozen waarin het weder ophelderde, eenige astronomische waarnemingen doen. Ook Sella benutte den 26sten het ietwat betere weêr, om van het vierde kamp uit in gezelschap van Roccati, Brocherel en Botta de bestijging van den Möbiustop, den eenigen nog niet bestegen top van den Stanley, te voleindigen, en deed een kort uitstapje over den kam naar de Serpentinrotsen van de westelijke hellingen, nadat hij het geweldige sneeuwdek op dien kam met bijlslagen had verbrijzeld. Van daarboven waren de beide kleine meren aan den voet van den rotswand duidelijk zichtbaar. Het viertal keerde in een dichten sneeuwstorm naar het kamp terug, maar de dag was toch tot iets nuttig geweest.
Den volgenden dag brak Sella met Brocherel en Botta in de vroege morgenschemering weer op. Van de gletschervlakte uit kon hij mij tijdens mijn oponthoud op den Victor-Emanueltop waarnemen. In de tusschenpoozen tusschen de nevels deed hij opnamen met het photografietoestel en kwam ten slotte ook op den Alexandratop. Onder den terugkeer van Sella begon het weer te sneeuwen.
Nog gunstiger liep de 27ste Juni af. Sella keerde met Roccati naar den Alexandratop terug. Het was de vijfde bestijging van den top. Weer beneden aangekomen, trok hij met Brocherel en Botta over den pas tusschen den Alexandra- en den Möbiustop en daalde langs den van spleten doorsneden gletscher aan de westzijde ongeveer 400 meter naar beneden. Van een rotspunt uit, die vooruitsprong tusschen de gletschers van de beide toppen, kon hij verschillende opnemingen van de westelijke wanden maken en zoo de voorstelling in beeld van den Stanley van alle windstreken uit voltooien. De door Sella bestegen rots aan den voet der westelijke gletschers was daar de laatste overwinning; den volgenden dag braken ze bij storm en hagel met hulp van de uit Bujongolo aangekomen dragers het kamp af en daalden naar de meren ten westen van den Baker.
Den 29sten sloegen ze nogmaals hun kamp op het Freshfieldzadel op. Op dien dag werd het photografietoestel op den kam ten zuiden van den Eduardtop dicht bij den rand van den gletscher opgesteld. Na drie uren van vergeefsch wachten in regen en sneeuwjacht lieten ze het daar staan en keerden naar hun tent terug. Den geheelen volgenden dag brachten ze op den kam door, terwijl de sneeuw om hen heen stoof, zooals ze daar zaten gehurkt bij het toestel. Ook beneden op den pas was zooveel sneeuw gevallen, dat het gewicht ervan de tent had omvergeworpen. Trots rijkelijke besproeiing met petroleum gelukte het eerst met de grootste moeite een klein vuur aan te leggen met het doorweekte hout.
Den 1sten Juli steeg ook Roccati, die de inzameling van mineralen en steensoorten in de omgeving van den pas en de naburige gletschers voltooid had, naar Bujongolo naar beneden en liet Sella, die vast besloten was zijn plan te volvoeren, met Brocherel en Botta achter. In den namiddag van dien dag trok ook ik op den terugweg van den verren Emin over den pas, van waar ik mij rechtstreeks naar Bujongolo begaf.
Den daarop volgenden morgen steeg Sella bij weinig belovend weer met zijn beide begeleiders, van den pas uit, over den zuidelijken kam omhoog naar den Eduardtop. Hij kon enkele foto’s maken en ook een vrij onvolledig panorama verkrijgen. Bij de daling werd hij door een hevig onweer overvallen, dat den geheelen volgenden dag met regen, hagel en sneeuw aanhield.
Het schouwspel, dat een onweer op deze hoogte van 4322 meter aanbiedt, is een der meest grootsche, die men kan aanschouwen. Zware wolkenmassa’s waren gelegerd boven de Semliki, die in de verte zich als een zilveren lint voortslingerde. Geweldige wervelingen van nevels komen aanhoudend uit de oostelijke en westelijke dalen op, vloeien te zamen en lossen zich onder voortdurend opvlammen van bliksemstralen en kraken van donderslagen op, om dadelijk door nieuwe, uit de diepte opkomende dampmassa’s te worden vervangen.
Dikwijls klaarde in den avond na een onder nevel, regen, sneeuw en hagel verloopen dag het weer op. In de van waterdamp verzadigde atmosfeer van kristalheldere doorschijnendheid is de ondergaande zon als een reusachtige vuurbol, en dalen, gletschers en sneeuwvlakten in het Westen worden overgoten door een vlammend rood.
Op den morgen van den 4den Juli verliet Sella met zijn begeleiders opnieuw de tent, om den middelsten top van den Luigi van Savoye, die thans den naam van Sella draagt, te bestijgen. Na door het hoogst gelegen deel van het dal te zijn getrokken ten westen van den Freshfieldpas, kwamen ze aan een inzinking van den kam. Het was moeilijk, zich in den nevel te oriënteeren. De talrijke rotstorens noodzaakten hen, over een steil hellend sneeuwveld ten zuiden van den kam te gaan en daarna naar de noordzijde beneden den top terug te keeren, dien ze eindelijk door een rotskloof bereikten. De 4659 meter hooge, rotsachtige Sellatop is eveneens bezaaid met uiterst talrijke plekken, waar de bliksem verwoestingen heeft aangericht. Eenige rotsen waren aan den rand over een dikte van verscheiden centimeters geheel doorboord en zagen eruit, alsof ze wormstekig waren geworden. Ze bleven verscheiden uren op den top, zonder dat het hun gelukte, ook maar een enkele photografische opneming te doen. Nauwelijks konden ze in het Zuidwesten door den een oogenblik lichter wordenden nevel den Weismanntop aan het uiterste einde van een met sneeuw bedekten kam onderscheiden.
Bij den terugkeer daalden ze rechtstreeks naar het dal, dat vol moerassige plaatsen was en de gewone vegetatie van Senecio’s vertoonde; na het aanbreken van den nacht kwamen ze in mooien maneschijn in hun tent terug.
Eindelijk op den 5den Juli trof Sella weer met de expeditie in Bujongolo samen, nadat hij een geheele week op den Freshfieldpas vertoefd had en steeds uitvluchten op de kammen had gedaan, waarbij hij uren en uren naast zijn photografietoestel in ellendig weêr had doorgebracht. Niettegenstaande zijn volharding en geduld was het hem niet mogelijk geweest, het geheele panorama der bergen van den Eduardtop uit op te nemen, zooals zijn bedoeling was geweest.
Ondertusschen was men in Bujongolo niet werkeloos gebleven. Cagni had te vergeefs beproefd, magnetische waarnemingen te doen. Ze waren door de menigte der in de gesteenten bij Bujongolo voorkomende ijzerhoudende mineralen verhinderd geworden, welker invloed zich zelfs openbaarde, als de inclinatienaald geplaatst werd op een met opzet voor dat doel gebouwd getimmerte, dat vele meters boven den grond uit balken was opgetrokken.
De grootste moeite was het echter, om een voldoende vlak en uitgestrekt veld te vinden, waarop men een basislijn kon afpalen, welker beide einden met de twee toppen verbonden moesten worden, die in het net begrepen waren der door mij van verschillende bergen uit gemeten hoeken.
Tegenover de hooge rots, aan welker voet Bujongolo lag, bevond zich iets achterwaarts een effen terrein. Maar van daar kon men alleen den Eduard- en den Cagnitop zien, die met de overige toppen niet verbonden waren. Een andere nog hooger gelegen plaats op den naar het Freshfieldzadel voerenden weg, die door het slechte weder en door het heen en weer gaan van de dragers in een moeras was veranderd, bood al geen betere gelegenheid. Ik moest mij met Cagni ervan overtuigen, nadat wij hier een geheelen dag in den regen hadden doorgebracht.
Nu werd het plan overwogen, de basis naar de vlakte achter Bujongolo te verleggen. Ik zou dan naar den Eduardtop zijn gestegen, en Cagni zou den top, die zijn naam draagt, hebben beklommen, om van die punten uit de hoeken der overige bergen te meten. Alles hing ervan af, of het ons gegeven zou wezen, eenige uren helder weêr op de bergen te treffen.
Intusschen ondernam ik een onderzoek in het dal, dat zich tegenover Bujongolo tusschen den Baker en den Cagnitop bevindt, en zag, dat het door sterk hellende, gladde en voor de zwarte dragers zeker onoverkoombare rotsblokken versperd was. Het weêr bleef als te voren slecht; de Baker was geheel met versche sneeuw bedekt; in het dal had de regen de heele aarde in taai slijk veranderd.
Den 4den Juli gelukte het, trots den aanhoudenden regen en den dichten nevel, door gebruik te maken van elk windje dat de wolken verdreef, de basislijn op de vlakte boven het kamp af te steken op een mostapijt op moerassigen grond, begroeid met Senecio’s, die van het water dropen. Om de theodoliet aan de beide einden der lijn te kunnen opstellen, moest men bepaalde fondamenten leggen, door steenen als paalwerk tot op twee meter diepte in het moeras te brengen. Nauwelijks waren de voorbereidselen voltooid, of het weer begon beter te worden, en op den 5den Juli, op een helderen, zeer kouden morgen, kon ik den Freshfieldpas bestijgen. Roccati, die mij tot zoo ver vergezeld had, keerde met Sella weer naar Bujongolo terug, terwijl ik rechtstreeks naar den Eduardtop verder trok, langs den zuidelijken kam, waarover drie dagen te voren Sella de bestijging had volbracht. De nevel keerde weer, eer ik den top had bereikt, en eerst laat in den namiddag kon ik bij een kort oogenblikje van helderheid eenige hoeken meten. In den laten avond keerde ik in het kamp terug.
Den 6den werd ik door het opnieuw slecht geworden weer in mijn werk gehinderd; den 7den echter was ik op een vroeg morgenuur naar den top gestegen en kon alle metingen voleindigen. Den volgenden dag ondernam ik nog de bestijging van den Stairstop van den Luigi van Savoye, vóór ik naar Bujongolo terugging.
Commandant Cagni was den 6den Juli met Giuseppe Petigax, Brocherel en eenige zwarten opgebroken, om de bestijging van den rotstop ten noorden van het kamp te verrichten, welke top aan het eene einde der basislijn en aan het hoeknet zou worden aangesloten.
De Cagnitop ligt aan het uiterste zuidelijk einde van een rotsmuur, die zich tusschen den Baker en den zuidelijken Portaltop bevindt, ingesloten tusschen twee korte dalen, die meertjes bevatten en door zijtakken van de Moboekoe worden doorstroomd.
Daar Cagni de rotsblokken, die mij bij het onderzoek van den 2den Juli hadden belet voort te gaan, wilde vermijden, en ook om het Moboekoedal niet dwars te moeten oversteken door het moeras, besloot hij de wanden van den Baker beneden den Wollastontop te bestijgen en dan op de hoogte naar den Cagnitop te marscheeren.
De expeditie sloeg dus eerst den weg naar het kamp aan den Moboekoegletscher in en wendde zich van daar naar de oostelijke hellingen van den Baker met het doel, den pas ten oosten van den Mooretop te bereiken. Maar de nevel, die eeuwige vijand, dwong hen, aan den steilen wand te midden van sneeuw, rotsblokken en moerassen halt te houden. Den volgenden dag zag men in, dat men op den ingeslagen weg niet verder kwam. Men moest in de nauwe kloof tusschen den Wollaston- en den Cagnitop afdalen. Dat was geen lichte taak, en op meer dan één plaats moest men de lasten en ook de dragers, alsof het zakken waren, aan een touw neerlaten. Toen men aan den voet der loodrecht oprijzende zuidwestelijke wanden van den Cagnitop en beneden in het kleine dal was gekomen, steeg men door een dicht boschje van Ericaceeën weer naar den bovensten rand en sloeg de tent dadelijk beneden den pas op.
Van dit punt uit volgde men den 8sten Juli het bergland, aan welks uiterste einde de top ligt en bleef daarbij aan den westkant. Aan den voet van den eindkegel gekomen, liet men de kampbenoodigdheden achter en kwam na wat geklauter om half vier in den namiddag, midden in den nevel, op den in een kleine vlakte uitloopenden top. Dadelijk werd de kleine magneettheodoliet op het statief gezet. Op eens ontdekten de bergbestijgers door den nevel heen, ten zuiden van het punt waar ze zich bevonden, den werkelijken top, die door de straalbreking zeer hoog boven hen zich scheen te verheffen. Terstond werd de theodoliet eraf genomen en opgeborgen; de expeditie daalde naar de inzinking en klom van daar in een verbazend moeilijken klim om en over glibberige rotsblokken omhoog, tot ze om zes uur op den echten top stond.
De nevel was opgetrokken, maar het was bijna nacht. Cagni had nauwelijks den tijd, alle toppen met het kompas op te nemen. Daarna daalde de kleine schaar weer naar beneden, om te gaan rusten. Den volgenden morgen bij zonsopgang en kristalhelderen hemel was Cagni weer op den top en kon alle hoeken met de theodoliet en het kompas meten. Na oprichting van een steenhoop aanvaardde men om acht uur den terugweg, toen de eerste nevels begonnen op te stijgen. De expeditie sloeg den weg in naar het ten westen gelegen kleine dal en trok daar door tot aan het Moboekoedal. Hier werd de marsch door het dichte woud in den nevel bezwaarlijk, maar nog denzelfden avond was men in Bujongolo terug.

Het Bujuku-meer met den Stanley.
Sella wachtte er op de bergtent van Cagni, om nogmaals er op uit te trekken voor een photografeertocht. Ik was dien dag naar het eerste kamp op den Baker gegaan, van waar ik den volgenden dag, den 10den Juli, naar den Wollastontop ging, die 4659 meter hoog is en nog door geen lid der expeditie was bestegen. De rotsen waren met ijs bedekt, het weêr was helder en ik kon twee uren aaneen waarnemingen doen. Toen zette ik mijn marsch over den kam voort tot den Mooretop, van waar ik over den reeds door Sella beklommen kam den terugweg naar Bujongolo insloeg.
Sella was des morgens met Botta en eenige negers weer opgebroken en was naar het Freshfieldzadel teruggekeerd. Den 11den Juli was hij bij zonsopgang nog weer op den Eduardtop, en het gelukte hem eindelijk, het geheele panorama der keten op te nemen, ter wille waarvan hij een geheele week op het Freshfieldzadel in zijn tent had gewacht. Bij het dalen bracht hij een bezoek aan den kleinen, wat lageren, tweemaal door Wollaston bestegen top en vond er een korte, schriftelijke mededeeling van den engelschen onderzoeker. Daarin waren de beide bestijgingen van den 17den Februari en den 3den April 1906 vermeld, alsook de namen der onderzoekers van het hooggebergte “A. F. R. Wollaston, R. B. Woosnam, 17 Febr. 1906. Height by aneroid 16050 feet.”
“A. F. R. Wollaston (Alpine Club), R. B. Woosnam, D. Carruthers of the British Museum Expedition to Ruwenzori, 5 hours from Bujongolo. Waterboil 183,6; Temp. of air 39,7; aneroid 16150 feet. April 3, 1906.”
Den 12den Juli besteeg Sella bij aanhoudend mooi weer opnieuw den Stairstop en kon er een groot aantal photografieën maken. Intusschen had Cagni in twee dagen van ijverig werken de meting van de basis voltooid, haar met den Eduard- en den Cagnitop verbonden en kon door waarneming eener bedekking lengte en breedte van het eene eindpunt van de basis bepalen.
Toen de expeditie naar Bujongolo was teruggekeerd, had een luipaard stoutmoedige bezoeken aan het kamp gebracht, had schapen verscheurd en vleesch geroofd tot van dichtbij het vuur midden tusschen de dragers. Allen hadden het te druk, om op het dier te letten. De kok Igini en Bulli zetten echter een val voor hem neer, uit twee karabijnen en een stuk vleesch vervaardigd, en zóó aan de trekkers bevestigd, dat de wapens afgingen, als het dier eraan rukte. En inderdaad werd op een nacht het mooie dier gevangen en werd dadelijk door de beide kogels, die hem in den schedel drongen, gedood.
Ik kon thans onze werkzaamheden als volkomen afgedaan beschouwen. Den 7den was Roccati, nadat hij nog eenmaal naar den Moboekoegletscher was teruggekeerd, om op verscheiden plaatsen der rotsen de grenzen der gletschers met roode verfstrepen aan te geven, en nadat hij al zijn verzamelingen volkomen in orde had gebracht, met Dr. Cavalli en een aantal Bakonjo, die een deel van de gereedschappen droegen, van Bujongolo opgebroken, om zich naar Ibanda, het lager dan het Moboekoedal gelegen kamp, te begeven.
Er bleef een enkele berg over, waarvan de top door niemands voet nog was betreden, de Gessi. Natuurlijk wilde ik het mij niet laten ontgaan, ook hem onder handen te nemen, des te minder daar de bestijging te verbinden was met het onderzoek van het Bujukudal, dat nog volkomen onbekend was en dus de moeite beloonde, het in zijn gansche uitgestrektheid door te trekken. Daarom had ik vroeger al de opdracht gegeven, dat een aantal Bakonjo van het punt af, waar het Bujukudal uitmondt in het Moboekoedal tegenover Nakitawa, een ruw pad aan moesten leggen tot op de hoogte. Nu was de arbeid zoo ver gereed, dat hij in de eerstvolgende dagen beëindigd moest worden.

Gezicht op den Stanley en den Baker.
Ik had het plan, met Sella den weg naar beneden door het Bujukudal af te leggen, terwijl Cagni het transport van alle overige voorwerpen, die in het kamp van Bujongolo achtergebleven waren, zou leiden en met zijn gezellen Cavalli en Roccati in Ibanda zou samentreffen, om mij daar te wachten.
Ibanda werd dus de algemeene plaats van samenkomst voor de karavaan.
Dadelijk na mijn op 1 Juli plaats gehad hebbenden terugkeer van den Emin naar Bujongolo, werd met de toebereidselen voor den definitie ven terugkeer uit het gebergte begonnen, waartoe we de tusschenpoozen gebruikten, die tusschen de verschillende werkzaamheden in het kamp vrij bleven. Zoo werden langzamerhand de lasten met de wetenschappelijke verzamelingen en alle niet meer noodige instrumenten en overige voorwerpen in gereedheid gebracht.
Wij beschikten nu over veertig Bakonjodragers, daar de voeding van een grooter aantal op zoo verren afstand van Ibanda moeilijk zou geweest zijn. Zoo kon altijd slechts een deel van het materiaal vervoerd worden, en de dragers moesten den weg herhaaldelijk afleggen. De eerste schaar Bakonjo was met veertig lasten den 4den Juli van Bujongolo opgebroken. Den 7den ging een tweede karavaan weg, begeleid door Roccati en Dr. Cavalli. De laatste had zijn vertrek vervroegd, daar hij had hooren vertellen, dat er zieke dragers in de andere kampen van het dal waren, een gerucht, dat echter ongegrond bleek. Een week later verliet Cagni met Lorenzo Petigax, Brocherel, den kok Igini en 23 dragers Bujongolo. Ikzelf was den dag te voren naar het Bujukudal opgebroken. Ten slotte lag op den 15den Juli Bujongolo, nadat ook Bulli en een laatste groep van 30 Bakonjo de plaats verlaten hadden, weer doodsch en verlaten in de stille bergeenzaamheid.
Ten volle bevredigd door den gedanen arbeid, met een verheugd hart bij de gedachte aan den terugkeer in het vaderland, verlieten allen zonder leedwezen het ongastvrije rotsland, dat hun vijf weken lang had geherbergd; vol ongeduld het moeras, de steenen, de treurige vegetatie van schimmelplanten en korstmossen, het vale licht der nevels, den eeuwig stroomenden regen, het vocht en de koude te verlaten, om de zon, de droge warmte en de levensvolheid van de tropische vlakten met haar kleurenpracht, haar vogelgekrijsch en haar vroolijk volkje van zorgelooze Waganda’s ervoor in de plaats te krijgen.
De Moboekoe, die gezwollen was door een langer dan veertien dagen aanhoudenden regentijd, was niet weer te herkennen; ze vormde grootsche watervallen tusschen de terrasvormig oprijzende, afzonderlijke hoogvlakten van het dal. Overal ontmoetten de dalende karavanen afdeelingen van dragers, die naar Bujongolo omhoog gingen, om nieuwe lasten te halen.
Terwijl een maand te voren aan hen, die uit de vlakte kwamen, het dal zoo goed als ontbloot van dierlijk leven was voorgekomen, maakte nu, na het wekenlang verblijf in het zwijgende hooggebergte, waar hoogstens eenige raven kringen in de lucht beschreven, elk gonzen van een insect, elk geluid van een vogel een diepen indruk op ons.
Bihunga was tot een belangrijk punt van samenkomst geworden; het was de plaats waar de Bakonjodragers de Waganda’s uit de vlakte aflosten, welke laatsten weer in Ibanda samentroffen.
De leden der expeditie werden, toen ze na elkander in Ibanda uit Bujongolo aankwamen, door de naburige hoofden met het gewone ceremoniëel en met geschenken ontvangen. Het kamp was natuurlijk de verzamelplaats voor alle bewoners van het omliggende land. Vrouwen en grijsaards waren ijverig bezig met het uitrukken van gras en in orde brengen van den grond voor den bouw van nieuwe hutten naast de tenten. Van den vroegen morgen tot den laten avond duurde het gelach, het rumoer, het dringen om de vuren, om de keukens en bij het haar- en baardscheren, terwijl de askari’s zich hier en daar door de menigte bewogen en hun best deden, een weinig orde in de menschenmassa te bewaren. De rivier was steeds vol badende negers, die in het water zich met allerlei grappen vermaakten.
Dr. Cavalli kreeg opeens veel te doen, en verscheiden uren van den dag moest hij zich met de zieken bezighouden, die van heinde en ver tot hem kwamen, door verwanten of vreemden met trouwe zorg gesteund of gedragen. Bij de kleine operaties schreeuwden en weenden ze, om dadelijk erna te lachen, juist als kinderen.
Cagni deed een reeks magnetische waarnemingen. Dr. Roccati ondernam geologische en mineralogische excursies in de omgeving, waaronder een naar het meer boven Nakitawa, bij de monding van de Mahoma, in het Moboekoedal. Dit meer was reeds door Moore, door Johnston, door Dawe en anderen gezien; Freshfield noemt het Kobokorameer; maar te oordeelen naar de reisberichten, schijnt geen der genoemden in de nabijheid te zijn geweest. Om erbij te komen, moet men van Nakitawa zonder eenig spoor van een weg in het dichte oerwoud doordringen en zich met de bijl een pad banen door het bamboestruikgewas, de lianen en de Ericaceeën. Men komt over morenenruggen, die een zoo weelderigen plantengroei vertoonen, dat men op veel plaatsen over de struiken loopt, over een elastische, vaak vier tot vijf meter hooge onderlaag van takken en loof. Van tijd tot tijd klautert een van de Bakonjogidsen op een boom, om zich te oriënteeren.
In de buurt van een omgevallen boom zijn sporen te ontdekken van een verlaten vuurhaard, een stuk courant en een oud sardinenblikje, aanwijzingen van een vroegere onderzoekingsreis, misschien van Wollaston of een ander medelid van de expeditie van het Britsch Museum.
Van hier uit bereikt men in een uur het meer. Het is blijkbaar een langwerpig rond glaciaal meer; het strekt zich uit van het Zuidoosten naar het Noordwesten, met loodrecht oprijzende oevers, en is omgeven door een smallen zoom van moerasmossen, waarbuiten het water dadelijk zeer diep is. Er hangen nevelen in het rond en er heerscht een doodsche stilte; nergens een spoor van dierlijk leven. Roccati verzamelde hier planten en dieren aan de moerassige oevers. Lorenzo Petigax en Brocherel bezochten later nog eenmaal het meer en konden zich nog beter ervan overtuigen, dat onder normale omstandigheden geen rivier eruit ontspringt.
Terwijl in Ibanda allen met velerlei arbeid bezig waren, bracht ik het onderzoek van het gebergte ten einde. Ik was op den morgen van den 13den Juli van Bujongolo opgebroken met de gidsen Giuseppe Petigax en Ollier, een askari, een boy en zeventien zwarte dragers met den gids, die bij hen behoorde, een knappen ouden man van vijftig jaren. Op het Freshfieldzadel waren Sella en Botta bij mij gekomen, en wij marcheerden daarna te zamen tot aan het derde kamp beneden de westelijke hellingen van den Baker.
Het dal met de meren, waardoor wij zoo dikwijls bij regen en nevel waren getrokken, nam nu op den mooien, helderen dag een geheel ander landschappelijk karakter aan. Toch brengt de zon, door de dichte, donkere Senecioboschjes gezien, iets in de natuur, dat er niet bij past; de Helichrysums maken den indruk van bloemskeletten; het geheele landschap is doodsch en ernstig, zonder leven, en van beklemmende stilte.
Den volgenden dag werd de lucht na een zonsopgang van verblindende helderheid opnieuw door nevels verduisterd. Op den bekenden weg bestegen wij het Scott-Elliotzadel en marcheerden dan in het uitgedroogde rivierbed op het Bujukudal toe. De vooraangaanden waren aanhoudend in gevaar, getroffen te worden door de steenen, die ondanks alle voorzichtigheid onder de schreden van de beladen negers losraakten.
Aan het benedeneind van de geul aangekomen, moest de expeditie nog een uur door een donker bosch trekken van altijdgroene gewassen, dat op een plek afgebroken werd door een moeras, en was daarna aan het Bujukumeer, een bekoorlijk, rustig waterbekken ter hoogte van 3918 meter, waarop eenige eenden rondzwommen. De aanblik van de toppen van den Stanley en den Baker met hun ontzaggelijke, loodrecht afdalende wanden is hier onvergelijkelijk veel grootscher dan in het bovengedeelte van het Moboekoedal.
Op de met mos bedekte oevers, tusschen het riet, wordt spoedig de voor de expeditie door de Bakonjo aangelegde weg zichtbaar, die langs een zachte helling dwars over het bovenste terras van het dal leidt. De weg eindigt in een rotsspleet, die gevormd wordt door bergmassa’s, afdalend van den Mooretop van den Baker en van den Johnstontop van den Speke. Hier verheft zich een eerste steile trap naar boven en de eerste Ericaceeën verschijnen weer op een hoogte van 3748 meter, vermengd met weinige Lobelia’s, die echter bijna alle afgestorven zijn.
Thans gaat het nu eens op den rechtschen, dan weer op den linker oever van den stroom bergaf, tot men op een tweede hoogvlakte komt, waarachter zich het dal samentrekt tot een smalle kloof, die daardoor gevormd wordt, dat het bergmassief, aan welks uiterste zuidelijk einde de Cagnitop ligt, dwars over het dal zich uitstrekt naar het Noorden. Het loopt zoo ver door, dat het met het langgerekte, geweldige massief van den Speke samenvalt. Dit is van het Westen naar het Oosten gericht en vormt tot hier de noordelijke, linkerzijde van het dal. Op den kam van dien rotsvoorsprong van den Speke verheft zich de zeldzame monolithische rots van regelmatige, architectonische vormen, die al in de schildering der eerste bestijgingen van den Baker werd genoemd.
Wij dalen door de kloof aan de rechterzijde; beneden groeit er een dicht woud van Ericaceeën, dat veel tijdverlies zou hebben veroorzaakt, als er niet reeds een pad door gehouwen was. Daaruit komen we op de zeer uitgestrekte derde hoogvlakte, waarop verschillende, van het Noorden komende, zijdalen uitmonden. Het eene verloopt naar het Noordwesten achter den oostelijken voorlooper van den Speke, om in de nauwe kloof tusschen den Emin en den Gessi te eindigen; het is het Migusidal. Twee andere uitloopers, die door een nevenkam gescheiden zijn, worden doorstroomd door den bergstroom Kurungu, die uit een door den Jolandagletscher van den Gessi gevoed meer ontspringt; en ook vloeit er de Waigga door, die eveneens uit een meer aan den voet van den noordelijken Portalberg komt.
Nauwelijks op de hoogvlakte aangeland, sloegen we op een geschikt punt de tenten op, in de nabijheid van een tegen het weer beschuttende rots, aan den voet van den rechter dal wand in een open ruimte van het bosch, waar overal Helichrysum bloeide. De 3506 meter hooggelegen plek is uiterst schilderachtig; ze is omgeven door hellingen en bergwanden, die geheel met dicht woud bedekt zijn en ligt tegenover de rotstorens van den noordelijken Portaltop.
Dit negende kamp werd het uitgangspunt voor de bestijging van den Gessi, den laatsten top, die nog bedwongen moest worden.
Op den morgen van den 15den Juli trok ik met de beide berggidsen en eenige negers over de vlakte in noordelijke richting en wendde mij naar een inzinking in den van den Speke afdalenden noordwand van het dal. Daarheen trok onze kleine schaar, door in een klein dal op een der hellingen door te dringen, om niet door het dichte woud te moeten gaan. Van den kam daalden wij naar het Migusidal, waarbij we een eindweegs de sporen van een luipaard volgden, die zich een weg door de struiken had gebaand.
Ook het Migusidal wordt gevormd door terrasvormig boven elkander gelegen vlakten. De expeditie bestijgt een paar van die terrassen en komt ten slotte op een hoogvlakte, die zacht hellend omhoog voert naar een bergketel, waar de kloof eindigt, die den Emin van den Gessi scheidt. Wij vermeden de hoogvlakte, doordat wij langs den rechter rotswand van het dal omhoog gingen, tot wij op het terras kwamen, waar de Jolandagletscher eindigt. De brave Bakonjo marcheerden uitstekend; de meeste inspanning werd echter van de gidsen gevergd, die den weg moesten banen, door boomen en struiken van allerlei soort om te hakken.
Het tiende kamp werd op een hoogte van 4166 meter boven de zee in de nabijheid van een oude morene opgeslagen, een paar honderd meter van de tegenwoordige eindmorene van den gletscher verwijderd, die in seracs verbrokkeld, op den rand van een loodrechte rots eindigt. Senecio’s en Helichrysum dringen slechts nog een kort eind boven het kamp door. Van dit hoog terras af gezien, vormt het amphitheater der bergen een der mooiste panorama’s, die er op den Roewenzori te zien zijn.
Op den morgen van den 16den was alles rondom het kamp bevroren. Eer de dag aanbrak gingen we weer op weg. Door een van boven door de eindseracs van den Jolandagletscher gekroonde kloof, dan over de rotsen daar rechts van bereikten we de firnsneeuw en daarmee den zuidoostelijken kam van den berg. Om half zeven zette ik, zonder dat ik van het touw gebruik had behoeven te maken, den voet op den 4769 meter hoogen Jolandatop, en Ollier begon terstond met het bouwen van een reusachtigen steenhoop.
Het weer, dat er bij het opbreken uit het kamp dreigend uitzag, was langzamerhand geheel opgeklaard, en wij hadden een prachtigen kijk op alle bergen te zamen, zoodat ik nog een photografisch panorama van het geheele gebergte kon opnemen. De keten was nu volkomen in twee panorama’s opgenomen, die vanaf de uiterste einden van den onmetelijken cirkelboog uit gephotografeerd waren, namelijk van den Stairstop van den Luigi van Savoye en van den Jolandatop, die bij den Gessi behoort. Daar sluiten zich dan bij aan het van den Eduard-top genomen panorama en dat van de Grauerrots. Tegenover mij zag ik op korten afstand den gespleten en verbrokkelden kam van den Emin, ten zuiden daarvan den Speke met den machtigen Victor-Emanuelgletscher, die van geen punt uit zoo duidelijk zichtbaar is als van de toppen van den Gessi. Achter hem verheft zich de bovenste kam van den Margheritatop met den geweldigen noordwestelijken schouder. Nog verder zuidelijk ligt de geheele Baker met zijn woesten, loodrecht naar het Bujukudal afdalenden rotswand.
Ten oosten van den laatste steekt achter een reeks uitloopers de Cagnitop omhoog.
De Gessi staat in zuidoostelijke richting door middel van een langgestrekten uitlooper met den noordelijken Portaltop in gemeenschap. Het schijnt alsof de waterscheiding van hier uit over een rij van ruggen verloopt, die in noordoostelijke richting tegen elkander aan liggen, zoodat de van de oostzijde van den Gessi afstroomende wateren tot het stelsel van de Semliki zouden behooren.
Lang vertoefde ik op den top, om voor de laatste maal het grootsche schilderij te bewonderen van de bergen en de gletschers, dat nu geen geheimen meer voor mij had. Dan besteeg ik langs den met sneeuw bedekten kam in een half uur nog den Bottegotop, die vijftig meter lager is dan de Jolandatop. Het uitzicht is, in het groot beschouwd, hetzelfde. In een eng dal ten noorden van het tusschen den Gessi en den Emin gelegen Cavallizadel wordt een meertje zichtbaar.

Het Bujukudal.
Aan den noordoostelijken en noordelijken kant van den Emin dalen drie kleine gletschers naar beneden. De westelijke wand van den Gessi wordt geheel door een gletscher ingenomen, terwijl de oostelijke wand een naakte rots is.
Nog vóór het middaguur waren wij weer in onze des morgens verlaten tent terug. We hadden denzelfden weg genomen, maar waren langs den rand der kloof gegaan en niet onder door, om ons niet bloot te stellen aan het gevaar, bij de seracs van den Jolandagletscher door lawinen te worden getroffen. Na korte rust werd de terugweg aanvaard, en snel daalden wij naar het negende kamp in het Bujukudal.
Gedurende het geheele uitstapje was de zonderlinge monoliet op den uitlooper, die het Bujukudal van het Migusidal scheidt, in het gezicht gebleven. Door zijn eigenaardig uitzien aangelokt, had Sella er afstand van gedaan mij naar den Gessi te vergezellen, om te trachten die rots van nabij te bekijken.
Op den morgen van den 15den brak Sella in gezelschap van Botta op en keerde eerst naar het tweede terras van het dal terug, om dan tegen den, met reusachtige Ericaceeën en altijdgroene struiken begroeiden noordwand omhoog te gaan. Het terrein was zeer oneffen, en geweldige rotsblokken moesten worden vermeden, die soms troonden op omgevallen en met mos begroeide boomen. De nevel omhulde Sella, eer hij hoog genoeg had kunnen komen om den monoliet duidelijk te zien.
Den volgenden dag kon hij zijn doel beter naderen, maar zag zich teleurgesteld, daar hij zich bevond vóór een rotstop, die tengevolge van zijn geïsoleerden stand op een kam grootscher leek, dan hij in werkelijkheid was. Tegen het vallen van den nacht keerde hij naar het negende kamp terug.
Den 17den Juli werd met de daling begonnen bij bedekte lucht, maar zonder regen of nevel. Wij gingen over de vlakte, waar zich de dalen Bujuku, Migusi en Kurungu vereenigen en die waarschijnlijk de bodem is van een vroeger meer, thans geheel met riet bedekt, en marcheerden langs den linkerkant, waar zich overal kleine, met gras begroeide heuvels vertoonden. De expeditie kwam op het derde terras, daarna bij de derde vernauwing van het dal tusschen de beide zuidelijke Portalbergen.
Hier buigt zich het dal licht naar het Zuiden, en de weg voert steil bergaf langs den linkeroever der rivier, die met stroomversnellingen en schuimende watervallen zich naar beneden spoedt. Een klein eind beneden de vlakte houden de Senecio’s op, terwijl de Lobelia’s (Lobelia Stuhlmanni en Deckeni) nog voorkomen.
Nadat we over de Manureggio gegaan waren, een linker zijtak van de Bujuku, kwamen we in een gebied, dat met een reusachtige grassoort begroeid is, een echt rietbosch tusschen de Ericaceeënstammen, en waarmee alle steile hellingen in den omtrek bedekt zijn. Hier waren groote rotsblokken verspreid, en de hellingen werden telkens door kleine bochten afgebroken.
De negers hebben hier het pad aangelegd, door de lange, dikke rietstengels eenvoudig uit te trekken; die vormden een veerkrachtige onderlaag, maar waarop men bij iederen stap uitglijdt of struikelt of wegzakt.
Het elfde kamp werd beneden de Porta-lengte ter hoogte van 2910 meter boven de zee opgeslagen. Eindelijk bevond men zich weer in een echt bosch, omgeven door trotsche boomen, waaronder mooie, met lianen bedekte Podocarpusboomen, bamboestruiken, en buiten het gebied van Senecio’s en Lobelia’s. Kudden van apen dartelden tusschen de takken, en de lucht was vervuld van vogelgezang.
Des avonds begon het weer te regenen, voor de eerste maal na tien dagen van droog weer. De eenige tijd van onafgebroken mooi weer, dien de expeditie in het bergland beleefde, lag achter ons.
Den volgenden dag ging het op den linkeroever van de rivier over een al beter wordenden weg bergaf. Beneden in het dal aangekomen, wendden we ons naar het Zuiden, recht naar de Moboekoe, waarover een bamboebrug gelegd was. Kort daarna kwam de expeditie op den ouden weg door het Moboekoedal en steeg omhoog naar de morene van Nakitawa. Twee uren later kwam ze te Bihunga, en na nog twee uren te Ibanda, waar de geheele expeditie eindelijk weer vereenigd was. Onze taak was volbracht. Door het goede in elkander grijpen van ons aller werk was de onderneming in elk opzicht gelukt.

De Moboekoe-rivier in het Ericaceeënbosch.
In twee dagen reisde de expeditie van Ibanda naar Fort Portal. De Roewenzori had zich in zijn gewonen wolken- en nevelsluier gehuld en werd niet weer zichtbaar. Wij waren in de verstikkende hitte der vlakte teruggekeerd onder de vroolijke menigte der dragers, naar de vertrouwde vertooningen der inboorlingendorpen met hun bananenaanplantingen. Bij elk kamp werden we door de hoofden met het gansche ceremoniëel der afrikaansche étiquette ontvangen.
In Fort Portal wedijverden de engelsche officieren, koning Kasagama met zijn hofstaat en de zendelingen met elkander in het betoonen van gastvrijheid en beminnelijkheden.
Roccati begaf zich van hier uit in gezelschap van Sella naar de kraters en de kratermeren van Toro op een geologisch-photografisch uitstapje. De oevers van die meren zijn bezet met een ondoordringbaar dichten plantengroei van palmen, drakenbloedboomen, en Euphorbia’s, die zich in het water weerspiegelen, en alles wemelt van een ongeloofelijk mild dierenleven, op het water, in de lucht, in de struiken, misschien wel bewaard door het bijgeloof der inboorlingen, die zich niet graag in de nabijheid der vulkanen wagen, de plaatsen, waar zich toovenaars en booze geesten ophouden en die daarom gevreesd zijn.
Intusschen ondernam ik in gezelschap van Cagni en Cavalli jachtuitstapjes. We waren in het droge, niet gunstige jaargetijde. Het was een onmogelijkheid, door het hooge gras vooruit te komen, want het sluit de paden als muren in en belet den jager alle uitzicht. Des nachts schittert de heele omgeving van Fort Portal van het roode schijnsel der vuren, als de kilometerlange stukken van de uitgedroogde prairieën in vlammen staan.
Zoo naderde Augustus en daarmee het uur van onze terugreis. De expeditie verliet Fort Portal, begeleid door de heeren Knowles en Haldane. Trots de talrijke regenbuien barstten overal branden uit, die soms, als er wind was, ook het bouwland aantastten. Groote velden waren kaal en met asch bedekt.
Den 7den Augustus overschreed de karavaan de grens tusschen Toro en Oeganda, aan de scheiding ontvangen door majoor Wyndham. De dragers schenen ook aangegrepen door het ongeduld van de naar huis keerenden en trokken snel, met slechts weinig rustpoozen, huns weegs. De dagmarschen waren op verschillende manier ingedeeld, en dikwijls werd het kamp opgeslagen op plaatsen, waar men op den heenweg niet gekampeerd had.
In Byndia werd, evenals reeds in Kichiomi in het koninkrijk Toro, de marsch afgebroken, om een reeks magnetische waarnemingen te doen.
Eindelijk, den 14den Augustus, kwamen wij aan de oevers van het Victoriameer. De discipline van de karavaan was er in de laatste dagen niet beter op geworden, en ieder oogenblik ontstonden er twisten, gekibbel en lasterpraatjes onder de dragers.
Bij den terugweg hadden we een korteren weg ingeslagen en bereikten de oevers van het meer tegenover de uiterste punt van het schiereiland, waarop Entebbe ligt.
Terwijl de booten klaar werden gemaakt en de lasten erover werden verdeeld, ontbeten wij aan den oever van het meer in de schaduw van de majestueuse boomen. In de eerste middaguren kwamen we in Entebbe aan.
Na een week, die met de verpakking van al het materiaal in kisten werd doorgebracht, en waarin aan de scheidenden de hartelijkste bewijzen van gastvrijheid en deelneming van den kant van alle in de stad wonende Europeanen werden gegeven, verliet onze expeditie Entebbe en zijn krans van bloeiende eilanden en kusten op de stoomboot “Sybil”.
Onderweg deden wij Jinja aan, om de beroemde Riponwatervallen te bezoeken, die den oorsprong van den Victoria-Nijl vormen; we ondernamen in de langgestrekte booten der inboorlingen een uitstapje op de donkergroene wateren van de rivier.
Den 24sten Augustus verliet de italiaansche expeditie op de stoomboot “Natal” van de fransche Messageries Maritimes den afrikaanschen grond.
Vijf maanden later had ik de gelegenheid, in Rome in een plechtige vergadering van het italiaansche Aardrijkskundig Genootschap te verklaren, dat vervuld was wat Sir Henry Stanley vijf jaren geleden in hetzelfde genootschap als wensch had uitgesproken: “Dat een hartstochtelijk vriend der Alpen met volle toewijding aan zijn taak, den Roewenzori tot doel kiezen zou en hier een grondig werk zou verrichten, door de bergketen van haar hoogsten top tot haar diepste laagte in al haar uitgestrekte dalen en diepe kloven te onderzoeken.”
Den grooten, sedert twee en een halfjaar gestorven onderzoeker is het niet gegund geweest, de vervulling van zijn wensch te beleven.
De Roewenzoriketen heeft zoowel in orographisch als in hydrographisch opzicht veel eigenaardige trekken. Terwijl in den regel de continenten in trappen van de zee opstijgen naar de uitloopers aan den voet der bergstelsels, verheft zich de Roewenzori in de groeve van het Albertmeer, een gebied, dat ongeveer 300 meter dieper ligt dan de gemiddelde hoogte van Oeganda, en waarin de bekkens van het Albert- en het Albert-Eduardmeer met de noordelijke verlenging van het laatste, het Dueru- of Ruisambameer liggen.
Deze depressie is niets anders dan een deel van de westelijke groote geul in Afrika. Die inzinkingen of geulen, misschien het interessantste geologische verschijnsel in Afrika, zijn twee enorme, 30 tot 70 kilometer breede insnijdingen, die, ongeveer zes lengtegraden van elkander verwijderd, bijna evenwijdig loopen en het werelddeel, van het Nyassameer af, in noordelijke richting doorsnijden. De oostelijke geul volgt den 36sten meridiaan tot voorbij het Rudolfmeer en wendt zich dan naar de Roode Zee; de westelijke verloopt tusschen den 29sten en den 30sten meridiaan en eindigt bij Gondokoro in het dal van den Boven-Nijl. Beide geulen bevatten een bijna onafgebroken reeks van meren alsook talrijke vulkanische bergen, kegels en kraters; beide zijn door een dwarskam in twee deelen verdeeld, die twee hydrographische stelsels, een noordelijk en een zuidelijk, van elkander scheidt. In de oostelijke geul ligt deze kam in de nabijheid van het Naiwaschameer, ongeveer daar, waar de Oegandaspoorweg de depressie snijdt. In de westelijke geul wordt de waterscheiding door een formeele keten van vulkanische bergen gevormd, waarvan enkele nog heden werkzaam zijn; deze keten scheidt ook de merenreeks in twee verschillende systemen. Tot het zuidelijke behooren de Kiwoe- en Tanganyika-meren en tot het noordelijke het Albert-Eduard- en het Albertmeer.
Aan het uiterste zuideinde van de Roewenzoriketen verdeelt zich de geul in twee armen; de eene loopt ten oosten van de keten en eindigt aan den voet der bergen, die de noordelijke afsluiting van het Ruisambabekken vormen en waar Toro en Fort Portal op liggen; de andere arm loopt ten westen van het gebergte, vormt het dal der Semliki en het bekken van het Albertmeer en strekt zich ook nog ter lengte van eenige honderden kilometers in het Nijldal uit. De Roewenzori is op deze wijze bijna volkomen door de inzinking van het Albertmeer omgeven en vormt te zamen met de drie meren een zelfstandig, van het Victoriameer geheel afgescheiden hydrographisch stelsel.
Zoo komt het, dat de geheele bergketen al haar water, onverschillig of het afloopt naar het Oosten, Westen, Zuiden of Noorden, uitstort in een en hetzelfde riviergebied en bijna geheel alleen de drie meren en de Semliki voedt, die te zamen de zuidwestelijke bronnen van den Nijl vormen. Ofschoon de Roewenzori zonder twijfel de belangrijkste groep van met sneeuw bedekte bergen is in het geheele werelddeel, en ofschoon hij in het centrum van Afrika ligt evenals in de richting van de hoofdas, maakt hij toch geen deel uit van de groote waterscheiding. Integendeel is de waterscheiding tusschen Kongo en Nijl een lage hoogte, die geheel door het beide hellingen bedekkende groote woud gemaskeerd wordt en zich naar het Westen op korten afstand van de Semliki voortzet, in het Noorden tot het Albertmeer voortloopt, in het Zuiden zich in de vulkaanketen tusschen het Kiwoe- en het Albert-Eduardmeer, dat is in den scheidingskam van de geul voortzet, en dan een buiging langs de oostelijke oevers van het Kiwoe- en Tanganyikameer maakt.
Ik had voor de keten den naam Roewenzori behouden, die haar door Stanley, haar eersten ontdekker, was geschonken en die in het vervolg door de meerderheid der aardrijkskundigen was aangenomen. Stanley had het gebergte door de noordelijk en westelijk wonende inboorlingen met de namen Roewenzori, Ukonju, Bugombowa, Avuruka, Avirika, Ruwenzururu, Ruwenjura enz. hooren aanduiden. Het scheen hem, alsof Roewenzori de in de Bantoetaal het veelvuldigst gebruikte benaming was; ze zou te vertalen wezen met “Koning der nevelen” of ook met “Regenvoortbrenger”.
Stuhlmann hoorde de namen Runssoro en Rundjuru van de inboorlingen van den Wanyoro- en Bakonjostam. In hun taal beteekenen Niuru en Nssoro regen; daardoor wordt de juistheid van de vertaling van den naam door Stanley gegeven bevestigd. Stuhlmann verandert echter de schrijfwijze eenigszins. Ook David schreef “Roenssoro; buitendien hoorde hij de hoogste toppen Kokoro noemen.
Scott-Elliot geeft als inheemschen naam Runsororo aan; ook hoorde hij van zeer velen den naam Kiriba, die bergtop zou beduiden.
Volgens A. B. Fisher hebben de inboorlingen van Oeganda geen naam voor den geheelen berg, doch enkel namen voor de afzonderlijke toppen. Fisher vermeldt echter de namen Rwenzozi en Rwenseri, waaraan hij de beteekenis “berg der bergen” of “de zeer bijzondere berg” en “berg daar beneden” geeft.
Bij zoo groote onzekerheid had Stanley het volle recht, een bepaalden naam te kiezen, en niemand kan er iets tegen hebben, want als hij het gebergte met een naam had gedoopt, die in geenerlei betrekking stond tot den door de inboorlingen gebruikten, als hij het bij voorbeeld Maangebergte, Ptolemaeusgebergte of Victoriagebergte had genoemd, zouden alle geografen den naam zonder tegenspraak en zonder pogingen tot verandering hebben aanvaard.
Deze korte opmerkingen over den naam Roewenzori zullen voldoende zijn om aan te toonen, welk een onmogelijke onderneming het is, van de inboorlingen plaatselijke namen voor alle afzonderlijke bergen en toppen der keten te krijgen. Tot heden heeft de poging het resultaat gehad, dat elke onderzoeker zich van een anderen, afwijkenden naam bediende. Overigens is het zeer waarschijnlijk, dat de inboorlingen nooit speciale namen voor de verschillende toppen hebben gehad, als men bedenkt, dat zelfs in onze Alpen vele toppen eerst na het opkomen van het Alpinisme hun namen hebben gekregen.
Het was daarom noodig, aan de Roewenzoriketen een naam te geven, die niets meer dan een middel is voor topografische aanduiding. Met inachtneming van het werk mijner voorgangers, die aan de bergen reeds namen hadden gegeven, onderhandelde ik na mijn terugkeer uit Afrika met Sir Harry Johnston en Dr. Stuhlmann mondeling over dit onderwerp. Een overeenstemming werd gemakkelijk verkregen, daar beide uitstekende onderzoekers met al mijn voorstellen meegingen. Ik had namelijk voorgesteld, aan de bergen de namen te geven der tot hiertoe met de geschiedenis van het onderzoek van Centraal Afrika verbonden reizigers en voor de afzonderlijke toppen de namen te behouden, die Stuhlmann reeds had gegeven.
Sir Harry Johnston had reeds vroeger voorgeslagen, de bergen met de namen van beroemde reizigers aan te duiden, daar er geen juiste en voldoende onderscheidende inlandsche namen te vinden waren. Zie Johnston, The Uganda Protectorate, 2de druk, Londen 1904 blz. 159.
De kaart van het Roewenzorigebied, die het voornaamste resultaat van de italiaansche expeditie in geografisch opzicht voorstelt, werd op den grondslag der talrijke hoekmetingen geteekend, die ik van de verschillende toppen uit door middel van het meetkompas had uitgevoerd met behulp van een basis, die over een lengte van 300 meter op het veld bij Bujongolo door commandant Cagni was afgestoken en door hem met den Kiyanja, dat is met den Eduardtop van den Baker, en met een ten noordoosten van Bujongolo gelegen rotstop, den Cagnitop, verbonden was geworden, van welken top uit Cagni zelf alle hoeken der toppen met een reistheodoliet had gemeten.
Ten slotte maakt de berekening van de lengte en breedte van Bujongolo het mogelijk, aan de bergketen de haar op de kaart van Afrika toekomende plaats te doen toekomen. Naar de kaart ligt Bujongolo op 0 graden, 20 minuten en 23 seconden N. B. en op 30 graden, 1 minuut en 34 seconden O. L. van Greenwich. Deze getallen zijn eenige seconden boven de in mijn voordracht in het italiaansche Aardrijkskundig Genootschap genoemde en op de kaart vermelde. Door aanwijzingen van het astronomisch observatorium van Greenwich konden eerst later de verbeteringen worden aangebracht.
Ofschoon de waarnemingen onder ongunstige atmosferische omstandigheden werden gedaan en ook niet alle metingen plaats hadden met een zij ’t ook nauwkeurig, maar zwaar, gevoelig en moeilijk verplaatsbaar instrument als de theodoliet, toch kan de topografische schets als voldoende nauwkeurig worden beschouwd, daar ze op zeer talrijke, van dezelfde punten uit dikwijls herhaalde waarnemingen steunt, die bovendien, daar ze grootendeels in betrekking tot elkander staan, elkaar wederzijds contrôleeren.
De Roewenzoriketen wordt door zes bergen of groepen van toppen met gletschers gevormd, die door niet met sneeuw bedekte inzinkingen, zadels of passen, worden gescheiden en daardoor met preciesheid van elkaar kunnen worden afgezonderd. De met gletschers bedekte zone is, gemeten in rechte lijn van het Zuiden naar het Noorden meer dan 11.5 kilometer lang en, gemeten van het Oosten naar het Westen, ongeveer 6.5 kilometer breed. De lijn der waterscheiding, die alle bergen, dus de gezamenlijke met sneeuw bedekte keten omvat, is ongeveer 19 kilometer lang.
In het Noorden begint de keten met twee bergen, twee evenwijdige, met sneeuw bedekte kammen, die bijna precies van het Noorden naar het Zuiden zijn gericht, waarvan de oostelijke door mij Gessiberg werd genoemd ter herinnering aan den italiaanschen onderzoeker, die als eerste in een boot het Albertmeer rondvoer; de westelijke Emin naar Emin Pacha, die voor de eerste maal met Stanley te zamen door het Semlikidal trok.
Bij den Emin sluit zich de Speke aan, die den naam draagt van den onderzoeker, aan wien men de ontdekking is verschuldigd, dat de Nijl uit het Victoriameer ontspringt. Dan vormt de keten een hoek naar het Westen, om zich tot de hoogste groep te verheffen, die met het volste recht den naam Stanleyberg draagt, en ze zet de buiging naar het Oosten voort met de groep, die den naam van Baker voert, den onderzoeker, die het Albertmeer ontdekte en van daar uit als eerste het bergmassief van den Roewenzori aanschouwde.

De expeditie bij haar terugkeer aan het Victoriameer.
De groep ten zuiden van den Baker, die in het algemeen een richting van het Noordoosten naar het Zuidwesten heeft, werd Thomson genoemd ter herinnering aan J. Thomson, den succesvollen onderzoeker van Nigerië. Na mijn terugkeer naar Europa stemde ik in met het voorstel van het engelsch Aardrijkskundig Genootschap, om den Thomson den naam te geven van Luigi van Savoye, daar de maatschappij den bovengenoemden berg met mijn ontdekkingen wenschte te verbinden. De naam Thomson werd behouden, om een van de gletschers van dezelfde groep naar hem te noemen.
De Stanley omvat de hoogste toppen, den Margherita, 5125 meter, den Alexandra, 5105 meter, den Helena, 4995 meter, en den Savoye, 4980 meter. Van een vijfden top, den Möbius, die tusschen Helena en Alexandra ligt en iets lager is dan de Savoye, is de hoogte niet gemeten.
Van de beide noordelijke groepen heeft de Emin de toppen Humbert, 4815 meter, en Kraepelin, 4801 meter; de Gessi de toppen Jolanda, 4769 meter, en Bottego, 4719 meter. De Luigi van Savoye eindelijk omvat de toppen Weismann, 4663 meter, Sella, 4659 meter, en Stairs, 4590 meter. De top tegenover Bujongolo draagt den naam Cagnitop naar dengene, die hem besteeg, om van daar uit de triangulatie te verrichten. Hij is 4519 meter hoog.
De voornaamste gletschers hebben hun namen gekregen naar de toppen, van waar ze afdalen.
De vijf inzinkingen, die de zes bergen van elkander scheiden, dragen in de richting van het Noorden naar het Zuiden de namen Roccati, Cavalli, Stuhlmann, Scott-Elliot en Freshfield. Ze zijn alle tusschen 4300 en 4400 meter hoog, met uitzondering van het Stuhlmannzadel tusschen de beide hoogste bergen, den Speke en den Stanley, dat iets lager is, namelijk 4200 meter.
Aan de dalen, meren, rivieren en bergbeken heb ik de door de Bakonjo gebruikte namen gelaten.
