II. DE BIJENTEELT.
Reading edition
DE WONINGEN.
Men heeft reeds sedert eeuwen ingezien, dat de gewone bijenkorven veel te wenschen overlaten: in den bouw kan men niet zien en meest alles is van het toeval afhankelijk; de willekeur der bijen kan men niet behoorlijk tegengaan en aan zijn wil onderwerpen. Men trachtte daarom steeds betere en meer geschikte woningen uit te denken, maar die, welke men te voorschijn bragt, beantwoordden niet aan het oogmerk. Zij waren zeer zamengesteld, hoog in prijs en moeijelijk en omslagtig in de behandeling: men stelde haar daarom ter zijde en gebruikte weder strookorven.
De oude Grieken gebruikten reeds woningen met lossen bouw, doch zij waren ondoelmatig en vonden geene navolging. De eerste, die er in geslaagd is om de bijenteelt met eenig goed gevolg in zulke woningen te beoefenen, was Frans Huber, een Fransch bijenvriend, die in de tweede helft der vorige eeuw leefde. Hij werd op eene zeer eenvoudige wijze tot hare zamenstelling gebragt. Voor zijne waarnemingen omtrent het leven der bijen, gebruikte hij zeer ondiepe kasten, die slechts eene tafel konden bevatten, en waarin hij dus de bijen aan beide kanten, in al haar doen kon bespieden. Van deze kasten, welke ieder een los raampje bevatteden, waarin de tafels gebouwd moesten worden, plaatste hij er eenige tegen elkander, vereenigde die door ijzeren stangen met schroeven, en verkreeg daardoor eene woning, uit kleinere te zamen gevoegd, die naar willekeur kon worden uit elkander genomen. Hij noemde haar blad- of boek-woning, omdat men haar, even als een boek, kon openen en bezien. Al gaf zij gelegenheid om den bouw uiteen te nemen en weder zamen te voegen, waarvan men het nut erkende, voor algemeen gebruik was zij te kostbaar en te omslagtig, en werd daarom bijna geheel der vergetelheid prijs gegeven.
Aan Dzierzon komt de eer toe de teelt der bijen, in woningen met lossen bouw, gemakkelijk en voor iedereen uitvoerbaar gemaakt te hebben, en hoewel zijne woningen nog wel voor verbetering vatbaar zullen zijn, vergeten zullen zij nooit worden. Het eerst maakte hij die bekend in de Bienenzeitung voor 1845, No. 12, na haar reeds geruimen tijd, onder toepassing van zijne theorie, op zijn stand gebruikt te hebben. Later maakte hij haar, door verscheidene afzonderlijke werken, meer algemeen, zooals in zijne: “Theorie und Praxis,” “Nachtrage zur Theorie und Praxis” en “Bienenfreund aus Schlesiën.”
Bij de vervaardiging zijner woningen, ging hij van het beginsel uit, dat zij slechts uit ééne kast moesten bestaan, waarin de bouw gemakkelijk uiteen genomen, en zonder hem te beschadigen, weder in elkander gevoegd of in eene andere woning overgeplaatst kon worden. Dit doel heeft hij volkomen bereikt, en zijne woningen bevelen zich als van zelven aan, aan allen, die slechts willen zien en met oordeel nadenken. Zij vinden dan ook, niet slechts in geheel Duitschland, maar ook in vele andere landen, meer en meer navolging, en op vele bijenstanden hebben zij alle andere woningen geheel verdrongen.
Deze woningen en de toevallige invoering der Italiaansche bijen, hebben in de laatste tien jaren meer omtrent de huishouding der bijen aan het licht gebragt, dan alle vroegere eeuwen te zamen, en tevens doen zien, dat een aantal der vroeger als goed erkende leerstellingen, slechts fabels waren.
Dzierzon geeft twee soorten van woningen op, te weten: liggende, waarbij de lengte grooter is dan de hoogte, en staande, waarbij in tegendeel de hoogte de lengte overtreft. De ondervinding heeft geleerd dat de liggende het honigwinnen meer bevorderen, terwijl de staande het broedaanzetten meer begunstigen, daar er eene meer gelijkmatige warmte in heerscht.
Wegens de ruimere honigopbrengst zou dus de liggende woning te verkiezen zijn; doch in eene andere, zeer belangrijke zaak, staan zij weder ver achter de staande: de overwintering is toch in deze veel gemakkelijker; want in de liggende woningen hebben de bijen te weinig honig boven zich, zoodat zij in strenge winters de meer afgelegen tafels niet kunnen bereiken. Thans geeft men vrij algemeen de voorkeur aan woningen, die tusschen de liggende en de staande invallen.
Voor ik tot de beschrijving der woningen, van welke thans reeds zoo vele soorten bestaan, dat ik slechts de voornaamste behandelen kan, overga, moet ik de opmerking maken dat, welke afmetingen men zijne woningen ook geven wil, de breedte van allen volkomen dezelfde moet zijn. Voor den inwendigen afstand der zijwanden moet men dus eene bestendige maat kiezen. Deed men dit niet, men zou woningen met lossen bouw hebben, en de voornaamste van hare voordeelen missen! De staafjes, waaraan de bouw hangt, zouden verschillende lengten moeten hebben, en konden dus niet uit de eene woning in de andere geplaatst worden.
De ondervinding heeft mij geleerd, dat breede woningen moeijelijk te behandelen zijn. Den inwendigen afstand der zijwanden van allen, die ik beschrijven zal, stel ik op 9½ Rhijnl. duim. De staafjes, waaraan de tafels gebouwd moeten worden, zullen dan 9⅞ duim lang moeten zijn, omdat zij in de zijwanden in groeven, van ¼ duim diep, gemakkelijk geschoven moeten kunnen worden, zonder dat zij daarin kunnen klemmen of er uit vallen. Eene afbeelding van een staafje ziet men in fig. 1.

Men maakt hen van eene soort van hout, dat niet splinterachtig is; ik neem er olmen voor. In een latje, van ruim ¼ duim dik, bij eene lengte ab, van 9⅞ en eene breedte ac, van 1½ duim, worden, 1 duim van de uiteinden, bij e, f, g en h, insnijdingen, van ¼ duim diep, gemaakt, en het hout daar tusschen weggestoken, zoodat het gedeelte efgh van het staafje 1 duim breed is, terwijl de verbreeding aan de uiteinden, aan weêrskanten ¼ duim zijnde, er bij het tegen elkander schuiven der staafjes in het midden eene ruimte van ½ duim vrij blijft; (zie fig. 3, die eene woning voorstelt, waar men bovenin ziet, nadat de bovenwand er afgenomen is).

Het is een bepaald vereischte dat de staafjes de afmetingen hebben, die ik hier opgeef; want de bijen geven de wastafels eene breedte van 1 duim, en laten tusschen elke twee tafels eene ruimte van ½ duim vrij (zie bladz. 46); was de tusschenruimte der staafjes te klein, zij zouden de tafels aan elkander bouwen; was zij te groot, zij zouden er kleine tafels tusschen brengen, en de uitneembaarheid van den bouw zou in beide gevallen verloren gaan. Op de staafjes en hare plaatsing berust de geheele Dzierzon’sche methode.

Om de staafjes spoedig en goed te maken, zaagt men van eene olmen plank, van 1½ duim dik, stukken af, fig. 2, die de lengte ab der staafjes hebben; 1 duim van de uiteinden maakt men, aan eene der zijden, zaagsneden gi en hk, van ¼ duim diep, schaaft het hout tusschen deze zaagsneden vlak weg, en bewerkt daarna de andere zijde der plank eveneens. Men zaagt er nu plaatjes van ⅜ duim dik af, die, opgeschaafd zijnde, dus ruim ¼ duim dik en allen van gelijken vorm zijn zullen. Men moet hen slechts aan eene zijde glad schaven; want de aanhechting der wastafels geschiedt gemakkelijker en beter aan eene ruwe oppervlakte: zij worden dus aan de ongeschaafde zijde bevestigd.
De woningen worden vervaardigd van planken, van ¾ duim dik, die behoorlijk aan elkander geploegd en gelijmd moeten worden. Men zaagt eenige stukken af op de lengte, die de wand hebben moet, zaagt deze daarna op het hart door, om het krom trekken te voorkomen, en ploegt van de verkregene plankjes er zoovele aan elkander, dat men een blad van de vereischte breedte verkrijgt. De voegen moeten, opdat zij niet open zouden trekken, gelijmd worden. Daartoe moet eene lijm gebezigd worden, die tegen water bestand is; want vooral in den winter, is in sterk bevolkte woningen veel waterdamp aanwezig. Men gebruikt daarvoor versch gestremde melk, met gestampte en gezifte, ongebluschte kalk vermengd, welk mengsel eene taaije pap zal vormen; hiermede worden de voegen aan een gelijmd, waarna men het blad, gedurende een paar dagen, tegen elkander geklemd, te droogen legt. Is de lijm goed droog, dan wordt het blad vlak geschaafd.
De bodem en bovenwand der woning (zie fig. 4) worden zoo lang genomen, dat de uiteinden aan weêrskanten 3 à 4 duim over den zijwand uitsteken; in onze figuur ziet men de stukken ae, bf, cg en dh. Op de kanten der zijwanden worden dan stukken abfe en cdhg, welker breedte gelijk is aan de buiten uitstekende gedeelten van den bodem en den bovenwand, bevestigd. Aan de achterzijde der woning, die hier onzigtbaar is, worden eveneens dergelijke strooken aangebragt. In fig. 3 ziet men haar in doorsnede; a, b, c en d zijn de vier strooken, ef en gh de zijwanden.

Aan de buitenzijde der woning verkrijgt men nu eene ingesloten ruimte, die boven- en onderaan begrensd wordt door de uitstekende gedeelten van den boven- en onderwand, aan de zijden door de daar aangebragte strooken en achter-aan door den zijwand. Die ruimte wordt opgevuld met stroo of mos, dat voor de netheid nog met riet bedekt kan worden, waarna men het vulsel bevestigt, door drie of vier houten lijsten, (efgh, iklm en nopq, fig. 5,) die op de zijwanden gespijkerd worden; om het opbuigen te voorkomen, vereenigt men haar in het midden door een enkelen spijker met den binnenwand.

Het opvulsel moet niet te los zijn, doch ook niet met geweld aangedrukt worden; de lijsten moeten het behoorlijk kunnen tegenhouden.
Men verkrijgt op deze wijze zijwanden, die de warmte zeer moeijelijk geleiden en die daarom, in den winter, het ontwijken der inwendige warmte en, in den zomer, eene te sterke verhitting tegengaan.
Ter voorkoming van het vezelen van het riet en het indringen van muizen, wordt het vulsel, nadat de woning voltooid is, tusschen de houten lijsten bepleisterd, met een mengsel, bestaande uit koemest en gezifte asch. Het aanzien verbetert hierdoor ook.
Om het opvullen gemakkelijker te maken, bedient men zich van stroo- of riet-matjes, die men eveneens vervaardigt, als de dekmatten der tuinlieden. Het onderste gedeelte der op te vullen ruimte wordt dan met los stroo gevuld, hierop een matje gelegd en dit met de lijsten nedergedrukt.
Wanneer men het uiterlijk aanzien der woningen bevallig wil maken, en zich daarvoor eene kleine verhooging in prijs getroosten, dan kan men het opvulsel ook bedekken met over elkander gespijkerde, dunne plankjes (zie fig. 4). Dit is ook goed voor het behoud der woning, omdat alle regen goed kan afloopen, waardoor het vulsel geheel droog blijft. Eigenlijk wordt de geringe prijsverhooging aanmerkelijk opgewogen, door het voordeel dezer bekleeding; ik heb haar daarom dit jaar bij al mijne nieuw gemaakte woningen aangebragt.
DE LIGGENDE WONING.
Voor de zijwanden der liggende woning maakt men, op boven gezegde wijze, twee bladen, die, bij eene lengte van 15½ duim, eene breedte van 30 duim bezitten. Men moet zorgen dat eene der zijden van elk derzelve, die de binnenwanden der woning moeten vormen, goed vlak geschaafd zijn, daar deze wanden evenwijdig wezen moeten. Aan die zijden schaaft men aan weêrskanten eene sponning, van 1½ duim breed en ruim ¼ duim diep, waarin de deuren moeten rusten. Bij e, f, g en h, fig. 3, ziet men de deuren i en k in doorsnede, in die sponningen rustende, terwijl dat eene daarvan gezien wordt bij ik, fig. 4, en eene bij rs, fig. 5.
Vervolgens maakt men, aan dezelfde zijden dezer bladen, 12¼ duim van den onderkant, eene groef, van ¼ duim diep en ruim ¼ duim breed, (zie lm, fig. 4 en tu, fig. 5,) zoodat zij, de bladen op elkander liggende, elkander volkomen bedekken. Die groeven moeten dienen om er de staafjes in te schuiven.
In het midden, van een dezer zijstukken, wordt nu, 1¼ duim van den onderkant, eene opening voor het vlieggat, (no, fig. 4) gemaakt. Voor het gemak en de netheid maak ik voor deze gaten kokertjes, door tusschen twee plankjes van 5 duim breed en ½ duim dik, aan beide zijden latjes te spijkeren, van ½ duim breed en ⅜ duim dik, waardoor dan een koker (fig. 6) ontstaat, die inwendig 4 duim breed en ⅜ duim hoog is, waar ik nu stukjes afzaag, welker lengte gelijk is aan de dikte van den zijwand. Deze kokertjes moeten aldus in het zijstuk gebragt worden, dat de opening in het midden der breedte en haar onderkant 1¼ duim boven den onderrand komt te liggen.

Voor de boven- en onderwanden maakt men bladen, van 17½ duim lang en 30 duim breed, schaaft aan de zijden, die de binnenkanten moeten vormen, op gelijke afstanden van de uiteinden, groeven van ¼ duim diep en ¾ duim breed, welker binnenranden juist 9½ duim van elkander verwijderd moeten zijn. In fig. 4 zijn deze groeven aangeduid door de letters p, q, r en s en in fig. 5 door v, w, x en y.
De zijwanden worden nu in deze groeven van de boven- en onderwanden geschoven en met spijkers daarin bevestigd. Aan de kanten, waar de deuren moeten komen, zet ik, voor het afwijken, gewoonlijk eene houtschroef. Men vult daarna de zijwanden op de vroeger omschreven wijze en maakt in de onderste lijst, die het vulsel bedekt, eene opening, waardoor het kokertje voor het vlieggat, gestoken kan worden; maakt dit er in vast en brengt aan de buitenzijde een zinken schuifje voor hetzelve. Nu wordt onder het vlieggat nog een vliegplankje gemaakt, dat 2 duim breed en 6 duim lang is. Het moet zoo aangebragt worden, dat de bovenkant gelijk komt met de onderzijde van het vlieggat, opdat de te huis komende bijen, na zich op dit plankje nedergezet te hebben, ongehinderd kunnen binnengaan en niet behoeven te klimmen. Naar buiten moet het eenigzins afhangen om den regen te doen afloopen. Bij het vervoeren is het zeer gemakkelijk, als de vliegplankjes van de woningen genomen kunnen worden. Zij nemen daardoor minder plaats in, en het gebeurt ook dikwijls, dat deze plankjes er afbreken. Een vliegplankje ziet men bij t, fig. 4, een zinken schuifje bij z, fig. 5.
Voor de schuifjes neemt men stukjes zink, van 7 duim lang en 1¼ duim breed; maakt ¾ duim van de uiteinden, bij a′, b′, c′ en d′, fig. 5, insnijdingen van 3⁄16 duim diep en vouwt de gedeelten a′b′ en c′d′ om. Wil men dit netjes doen, zonder gevaar van scheuren te hebben, dan moet men het zink warm maken; het laat zich dan nagenoeg even gemakkelijk buigen als lood. Men maakt nu tusschen de omgevouwen randen eene opening, van 4 duim lang en ⅜ duim hoog, en maakt twee schuifjes, l′ en m′, om deze te sluiten. Hiervoor zijn twee schuifjes noodig, omdat, bij het vergrooten en verkleinen van het vlieggat, de opening steeds in het midden moet blijven. De schuifjes moeten aan het uiteinde, bij l′ en m′, kokervormig opgerold worden; behalve voor het aanvatten bij het openen en sluiten, dient dat kokertje nog om, bij het vervoeren der woning, de schuifjes aan elkander te binden, om het openvallen te beletten.
Aan de woning ontbreken nu nog maar de deuren. Deze ziet men in doorsnede bij i en k, fig. 3; terwijl dat in fig. 5 de deur e′f′, op eenigen afstand der woning, afgebeeld is. Zij worden gemaakt van dwars over elkander liggende plankjes, waardoor het krom trekken voorkomen wordt. Op de omschreven wijze maakt men twee bladen, het eene lang 10 en breed 15 duim, het andere omgekeerd lang 15 en breed 10 duim, en lijmt en spijkert, terwijl de lijm nog versch is, deze bladen op elkander.
Het is goed eene opening, van 4 duim breed en 10 à 12 duim hoog, in het midden der deuren te maken. Men zaagt deze openingen dan in de bladen, voor dat zij op elkander gebragt worden en legt daar tusschen een traliewerk van dun ijzerdraad, dat haar overspant, waarna zij aaneen gehecht worden. Het traliewerk moet dan aan beide zijden door blindjes, g′h′ fig. 5, van ¾ duim dik, gesloten worden, om er de bijen en de buitenlucht af te houden. De blindjes moeten goed sluiten, zoodat er geene reten open blijven, waardoor licht in de woning zou kunnen vallen. Door vier wervels worden deze blindjes vastgezet; die aan de binnenzijde der deur worden van bandijzer gemaakt; zij zijn dan plat en staan dus niet in den weg; de buitenste kunnen van hout zijn.
Deze luchtgaten zijn zeer gemakkelijk voor hen, die met de bijen reizen. Men neemt het binnenste blindje weg en sluit, nadat de bijen te huis gekomen zijn, het vlieggat, bindt dit toe en neemt nu ook het buitenste blindje weg; de woning kan dan vervoerd worden, zonder dat er eenig gevaar bestaat dat de bijen stikken. Op de plaats zijner bestemming aangekomen, opent men het vlieggat en zet, nadat de bijen een paar uren gevlogen hebben, de blindjes weder in de deuren; alles is nu weder in den gewonen toestand.
Al trekt men niet met zijne bijen, toch zijn de luchtgaten zeer nuttig om haar, bij zeer heet weder, versche lucht te doen bekomen. Men zet die gedurende den nacht open en kan dit, op zeer heete dagen, ook overdag doen, wanneer men er maar een kleedje voor hangt, om het licht buiten te sluiten; er zal dan een weldadige trek op het vlieggat ontstaan. Door het aanbrengen van verkoeling, bewijst men dan de bijen eene groote dienst, en zij worden er tevens ijveriger door.
De ringen i′ en k′, fig. 5, dienen om de deur gemakkelijk te kunnen aanvatten. Maakt men er geene luchtgaten in, dan is het voldoende één ring, in het midden der breedte en op ⅔ der hoogte, aan te brengen.
Om het krom trekken der deuren nog meer tegen te gaan, maak ik daarvoor een raam van vier strooken, dat buitenwerks 15 duim hoog en 10 duim breed is. Aan eene zijde worden hierop dunne plankjes gespijkerd, die de binnenzijde der deur vormen, waarna de ingesloten ruimte met stroo wordt gevuld, dat met drie lijsten bevestigd en daarna bepleisterd wordt, zooals dit voor de zijwanden is gezegd. Luchtgaten worden er niet in gemaakt. De breedte der strooken wordt zoo groot genomen, dat zij, nadat de plankjes er opgespijkerd zijn, de deur eene dikte van 1½ duim geven.
Door vier wervels, u, v, w en x fig. 4, wordt de deur in de woning bevestigd; al weder om haar vlak te doen blijven.
Wij hebben nu de zamenstelling van eene woning leeren kennen, en willen haar van binnen bezien. Zij zal daar eene hoogte van 15, eene breedte van 9½ en eene diepte van 27 duim hebben; 12 duim boven den bodem zal aan weêrskanten in den zijwand eene groef, van ¼ duim diep en ruim zoo breed zijn, waarin dus 18 staafjes kunnen geschoven worden (zie fig. 3, 4 en 5). Wilde men er nu een zwerm in plaatsen, de woning zou veel te groot zijn; hij kon haar in het eerste jaar onmogelijk vol bouwen en zou er dus geen geschikt verblijf in hebben. Men moet haar dus kunnen verkleinen. Hiervoor bezigt men een verkleinplankje (fig. 7) dat, zonder groote reten open te laten, gemakkelijk in de woning geschoven moet kunnen worden. In dit plankje boort men vier ronde gaten, a, b, f en g, van 1 duim middellijn, waarvan de middelpunten 2 duim van de zijwanden verwijderd zijn, terwijl zij voor de beide onderste, a en b, 3 en voor de beide bovenste, f en g, 10 duim boven den onderkant moeten liggen. Over deze gaten brengt men strookjes, cd en hi, van 1½ duim breed en bevestigt deze in hun midden, bij e en k, met een spijker, waarom zij, als een wervel draaijen kunnen. De gaten kunnen dan gesloten of zoo ver geopend worden, als men verlangt. De lengte der strooken moet zoo groot zijn, dat de gaten gesloten zijnde, de beide uiteinden tegen de wanden der woning klemmen, waardoor het plankje vast staat.

Men schuift het verkleinplankje tot eene diepte van 9 duim in de woning en bevestigt het zoo, dat het niet kan omvallen, maar toch gemakkelijk kan worden uitgenomen. Daar de wervels geopend moeten worden, zet men het voor de zekerheid met een paar wiggen vast. De openingen, die aan weêrskanten daarvan door de groeven, die het vrijlaat, ontstaan, worden met mos digt gestopt, om de afgesloten ruimte voor de bijen vooreerst ontoegankelijk te maken. Dit afgezonderd gedeelte der woning heet honig-kamer of magazijn. In het eerste jaar hebben zij het niet noodig en men kan het dan geheel met mos vullen; doch in het tweede jaar, wanneer het andere gedeelte der woning volgebouwd is en de dragt nog niet heeft opgehouden, geeft men haar den toegang tot de honig-kamer, door de wervels zoover om te draaijen, dat van elk der gaten een gedeelte vrij wordt, waar juist ééne werkbij door kan, doch dat te klein is, om de moederbij of de hommels door te laten. Men schuift er dan zes staafjes, waaraan wastafels bevestigd zijn, in. De bijen zullen de haar aangeboden ruimte dadelijk in bezit nemen en er, indien de dragt blijft aanhouden, den zuiversten honig opleggen; want zij dragen er geen bloemenstof in, en er zal geen broed in worden aangezet, wanneer men de koningin belet heeft zich er in te begeven. Wanneer de dragt zoo ruim is, dat ook dit magazijn is volgedragen, dan ontneemt men haar eenige volle tafels en hangt er ledige voor in de plaats. Bij gebrek aan heele, ledige wastafels, kan men er ook strooken van aan de staafjes bevestigen.
De ruimte, die men aan de andere zijde der woning nu nog heeft, is vooreerst voor een zwerm nog te groot, en ook deze moet verkleind kunnen worden. Men maakt daarvoor een dergelijk plankje als het andere, doch zooveel lager, dat het slechts tot aan de groef, waarin de staafjes geschoven worden, reikt. Op de bovenzijde wordt nu een gewoon staafje zoo bevestigd, dat de uiteinden aan beide zijden even ver oversteken en dat dus in de groeven sluitende, het plankje belet om te vallen, en gelegenheid geeft het naar willekeur te verschuiven.
Men is nu in staat de grootte der woning, naar de sterkte van den zwerm, te wijzigen, doch moet de bijen ook beletten zich naar de ruimte, boven de staafjes, te begeven. Deze dient alleen om haar te voêren, om in den winter met mos gevuld te worden en om de behandeling der staafjes gemakkelijk te maken. De afsluiting dezer ruimte geschiedt met plankjes, van ½ duim dik, 9¼ duim lang en 2⅞ duim breed, die overlangs en ook dwars op de staafjes gelegd kunnen worden en in beide gevallen, zonder te klemmen, alle openingen kunnen sluiten; want de naden, die zij aan de kanten openlaten, worden door de staafjes zelve gesloten.
In bovenstaande beschrijving heb ik mij, wat vorm en afmetingen aangaat, geheel aan Dzierzon gehouden. In zulk eene woning worden tafels gebouwd, die bijna 12 duim hoog zijn, dat door velen en ook door mij, voor gevaarlijk en moeijelijk in de behandeling wordt gehouden: met honig of broed gevuld zijnde, verkrijgen zij toch eene aanzienlijke zwaarte en breken daarom ligt af. Hoewel nu Dzierzon teregt zegt, dat het minder gunstig is, om op de halve hoogte nog eene tweede rij staafjes aan te brengen, omdat de bijen, op deze stuitende, een beletsel ondervinden, dat haar eenigen tijd met bouwen doet ophouden, toch zijn de meesten er voor, om de tafels minder groot te laten bouwen. De zamenstelling der woning ondergaat dan eenige wijziging; De inwendige hoogte wordt 19 duim genomen, terwijl men de buitenlengte tot 28 duim vermindert; 16 duim boven den bodem wordt nu eene groef en midden tusschen deze en den bodem eene tweede groef gemaakt, zoodat nu twee rijen staafjes boven elkander komen, waaraan tafels, van 9½ duim breed en nog geen 8 duim hoog, gebouwd worden, die zich bij eenige oplettendheid goed laten behandelen.
De liggende woningen zijn zeer geschikt om tegen, en op elkander geplaatst te worden, waardoor zij elkander onderling verwarmen. Men bekleedt dan één der zijwanden niet met stroo, doch maakt hem van een plank, van 1 duim dik, waarover de boven- en onderwanden niet moeten uitsteken. Twee dezer woningen worden nu, met deze zijwanden, tegen elkander geschoven; twee andere worden er dwars op geplaatst, en op dezelfde wijze zet men er hierop nog twee, die nu weder even als de onderste staan. Een klein planken dak, zoo laag mogelijk, kan haar voor den regen bewaren. Op eene zeer kleine ruimte staan nu zes stokken, die weinig van de winterkoude te lijden hebben. Om den kouden wind niet tusschen de tegen elkander staande zijwanden te doen spelen, worden de naden tegen den winter, met mos digt gestopt. In den zomer daarentegen schuift men de woningen een weinig van elkander, daar eenige afkoeling dan wenschelijk is. Uit aldus te zamen gevoegde woningen, vliegen de bijen naar alle windstreken; de ondervinding heeft mij geleerd dat hiertegen geen bezwaar is.
DE STAANDE WONING.
De ineenvoeging der zamenstellende deelen heeft bij de staande woning op dezelfde wijze plaats, als voor de liggende is opgegeven. Men geeft haar slechts ééne deur. In den wand, tegenover de deur gelegen, wordt het vlieggat aangebragt, en even als de zijwanden, wordt hij met stroo gevuld.
Inwendig is de staande woning 26½ duim hoog, 9½ duim breed en 18 duim diep; (er wordt hier verondersteld dat de deur gesloten is; daar deze 1½ duim dik is, is de geopende woning 19½ duim diep). Er worden drie rijen staafjes ingeschoven: elke rij bevat er 12. De onderkanten van de groeven, voor de staafjes, liggen 8¼, 16½ en 24¾ duim boven den bodem. Boven de bovenste rij staafjes blijft er dus nog eene ruimte, van 1½ duim, die dient om de staafjes gemakkelijk in de groeven te kunnen schuiven. Eene afbeelding dezer woning ziet men in fig. 8.

Wil men eene staande woning met een zwerm bezetten, dan schuift men, in de beide onderste groeven, 5 of 6 staafjes, zet hier tegen een verkleinplankje, eveneens ingerigt als boven is opgegeven, en legt dekplankjes op de tweede rij staafjes. In het eerste jaar zal hij aan deze 10 of 12 staafjes gewoonlijk genoeg hebben.
Wanneer de hem gegeven ruimte volbouwd is, geeft men hem toegang tot het bovenste gedeelte der woning, de honigkamer. In de bovenste groef schuift men ook staafjes, waaraan geheele wastafels, of strooken daarvan zijn gehecht; hierop legt men dekplankjes, want de ruimte boven deze staafjes mag niet bebouwd worden, daar dit het uitnemen der tafels zou bemoeijelijken. De dekplankjes der tweede rij staafjes blijven liggen, maar men stelt de honigkamer met het volbouwde gedeelte der woning in gemeenschap, door tusschen de deur en het laatste dekplankje eene reet van ½ duim te laten. Hierdoor moeten de bijen opklimmen; zij zullen dit spoedig doen wanneer men de voorste wastafel, die in de honigkamer hangt, zoo lang neemt dat zij voor de reet komt, zonder deze echter te sluiten. In de honigkamer zullen de bijen nu den zuiversten honig, vrij van bloemenstof, opleggen; ook zal er geen broed in worden aangezet, daar de moederbij er zich zelden of nooit heen zal begeven, omdat de toegang te ver van het broednest verwijderd is, en het haar daar gewoonlijk ook te koud zijn zal. Mogt de koningin zich echter ook daarheen begeven, dan moet men haar den toegang zoo veel mogelijk beletten, door den bouw tot aan het broednest uit te nemen en hiertegen een of twee verzegelde honigtafels te hangen, daar de moederbij zich over deze tafels niet ligt heen begeven zal om ledige cellen te zoeken. Voor de zekerheid kan men het verkleinplankje nog tegen de verzegelde tafels zetten, de gaten in dit plankje een weinig openende. Het ledige gedeelte der woning wordt nu weder, tot aan de deur volgehangen. Mogt eene zeer vruchtbare moederbij, ondanks deze voorzorgen, toch in de honigkamer opklimmen, dan moet men de broedaanzetting onmogelijk maken, door haar eenigen tijd in een moederhuisje op te sluiten.
Tegen den winter moet men de honigkamer geheel ledig maken en haar met stroo, mos of een kussen aanvullen, na de reten naauwkeurig digtgemaakt te hebben. Deed men dit niet, men zou gevaar loopen dat de waterdamp, die gedurende den zit der bijen gevormd wordt, naar boven trok, waardoor zij geen water zouden kunnen bekomen, om haar te dik voedsel te verdunnen: te midden van haar voorraad moesten zij dan den hongerdood sterven!
Ook de ruimte, tusschen de deur en het verkleinplankje, wordt tegen den winter met stroo of mos gevuld. Zij moet ten minste drie duim diep zijn. Is de bouw te groot, zoodat deze ruimte kleiner is, dan neemt men een of meer tafels uit elke rij weg, waardoor het verkleinplankje dieper geschoven kan worden. In het voorjaar geeft men haar de weggenomen tafels terug.
Men moet het verkleinplankje in den winter niet tegen het broednest laten staan, maar er gevulde of ledige tafels tusschen hangen, daar dit den bouw warmer maakt.
Bevindt men in het voorjaar, na de eerste vlugt der bijen, dat de vulling nat of schimmelachtig is geworden, dan neemt men deze weg en geeft haar eene nieuwe; had men kussens gebruikt dan laat men die droogen.
ZAMENGESTELDE WONINGEN.
Twee of meer Dzierzon’sche woningen kunnen tot een geheel vereenigd worden, hetgeen bouwstoffen bespaart en warmteverlies voorkomt. De zamengestelde woningen, die men daardoor verkrijgt, zullen wij thans nader beschouwen, beginnende met de dubbele.
De dubbele, zoowel liggende als staande woningen, worden eveneens vervaardigd als de enkelvoudige, doch men maakt de binnenwijdte een duim grooter, dan tweemaal die der enkelvoudige, en dus 20 duim. Door een tusschenschot, van één duim dik, dat aan beide zijden groeven heeft, die met die der zijwanden overeenkomen, wordt de woning nu in twee volkomen gelijke deelen verdeeld, die elk weder 9½ duim breed zijn. Bij de liggende woning maakt men, in het midden der breedte van elk der zijwanden, een vlieggat; bij de staande daarentegen komt wel in elken zijwand een vlieggat, maar dit wordt zoo digt mogelijk naar den voorwand gebragt.
De dubbele heeft met vele zamengestelde woningen het voordeel, dat de vereeniging der zwermen tegen den winter en hunne scheiding in het voorjaar, zeer gemakkelijk geschiedt. Men maakt daartoe eene opening in den tusschenwand, van 2 à 3 duim breed en 1 duim hoog, die juist tegenover de beide vlieggaten ligt, zoodat men er doorheen kan zien. De opening wordt met eene houten stop gesloten en deze goed bevestigd.
Wanneer men nu in het najaar de in beide afdeelingen der woning geplaatste zwermen wil vereenigen, omdat het een van hen of wel beide aan voldoenden voorraad ontbreekt, dan ontneemt men den geheelen bouw aan dien stok, welken men met den anderen wil vereenigen en voegt dezen nog zoovele, met honig en broed gevulde, tafels toe, als de vereenigde zwerm zal behoeven. In de ledig gemaakte afdeeling der woning, wordt de opening in den tusschenwand, na er de stop te hebben uitgenomen, in verbinding gebragt met het vlieggat, door er een doorgang in te plaatsen, gemaakt van een plankje, waarop aan beide kanten latjes bevestigd zijn. De breedte en hoogte van den doorgang moeten overeenkomen met die van het vlieggat, terwijl hij in de lengte juist in de woning moet sluiten. Alle bijen worden nu uit dit gedeelte der woning gejaagd, waarna het met hooi of stroo aangevuld en gesloten wordt. De terugkeerende bijen zullen, haar eigen vlieggat ingaande, toch bij hare buren komen. Om het vechten te voorkomen moet men de bijen, van beide stokken, met muscuswater besprenkelen en de moederbij uit dien stok vangen, dien men met den anderen wil vereenigen. Beide vlieggaten moet men nu geopend laten; want elke bij blijft door haar eigen vlieggat invliegen; het andere leert zij niet kennen. Het zou daarom niet baten, wanneer men beide stokken in eene afdeeling der woning plaatste; want elke bij zou weder naar haar eigen vlieggat terugkeeren en die het gesloten vonden zouden of op andere stokken vervliegen en daar groote schade aanrigten, of omkomen.
Even gemakkelijk als men nu de vereeniging bewerkstelligd heeft, kan men in het voorjaar de bijen weder scheiden. Die in het voorjaar uitgebroeid zijn, vliegen gedeeltelijk door het eene, gedeeltelijk door het andere vlieggat, maar elke bij kent er slechts één. Neemt men dus den doorgang weder weg en sluit men de opening in den tusschenwand, na den bouw over beide afdeelingen der woning verdeeld te hebben, dan is de scheiding volbragt. Den nieuwen stok geeft men het meeste, en vooral al het gesloten broed, maar zorgt ook hem eene tafel met ongedekt broed te geven; want geene moederbij hebbende, moet hij hulpcellen aanzetten en hij zal dit den eerstvolgenden nacht doen. Had de oude stok reeds moederwiegen aangezet, dan geeft men den nieuwen eene tafel, waarin er zich eene bevindt; de bijen, aan deze gewoon zijnde, zullen haar blijven bebroeijen en in weinige dagen weder eene koningin hebben. Wegens de jonge moederbij zal de stok dat jaar niet zwermen, doch hij kan daarentegen een goede honigstok worden. Het is ook omdat er geruimen tijd verloopt, eer dat de moederbij bevrucht kan zijn en dus met de eijerlage begint, dat men den nieuwen stok het op het uitkomen staande broed moet geven, en het is ook goed hem van tijd tot tijd eene tafel met broed toe te voegen, totdat men overtuigd is dat de jonge koningin bevrucht is. In den anderen, die de bevruchte moederbij behoudt, gaat de eijerlage geregeld voort.
Bij de drievoudige woning wordt de binnenafstand der zijwanden 30½ duim genomen, welke ruimte nu door twee tusschenschotten, van 1 duim dik, in drie vakken, elk van 9½ duim breed, verdeeld wordt. Het vlieggat der middelste afdeeling komt midden in den voorwand; die der buitenste worden in de zijwanden, zoo na mogelijk bij den voorwand gemaakt.
Als algemeene regel, voor de plaatsing der vlieggaten, moet men in het oog houden dat zij, zoo wel onderling als van de deur, zoo ver mogelijk verwijderd moeten zijn.
Indien men, bij den voornoemden afstand der zijwanden, den inwendigen afstand, tusschen den bodem en den bovenwand, 54 duim neemt en de ingesloten ruimte door eene plank, van een duim dik, in twee gelijke deelen verdeelt, die elk 26½ duim hoog zijn zullen, dan verkrijgt men, na deze in de breedte elk weder, door tusschenschotten, in drie gelijke deelen verdeeld te hebben, de zesvoudige woning. Bij deze komen nu in den voorwand en in elk der zijwanden twee vlieggaten boven elkander.
Maakt men de woning nog eene verdieping hooger, dan ontstaat de negenvoudige woning, die van alle zamengestelde het meest aan te bevelen is, wegens de geregelde verdeeling der vlieggaten. Het volk van elken stok heeft daarbij eene vrije vlugt en kan niet gemakkelijk vervliegen, hetgeen, wanneer de vlieggaten in dezelfde rigting en digt bij elkander geplaatst zijn, niet zelden tot verwarring en groot verlies aanleiding geeft.
Worden drie zesvoudige, staande woningen, zoo geplaatst, dat hare voorwanden tegen het zuiden, het oosten en het westen staan, terwijl zij, met de kanten der zij- en achterwanden, elkander aanraken, dan zal er tegenover het noorden eene ruimte door haar worden ingesloten, welker breedte en diepte gelijk is aan de breedte der woningen. Sluit men deze opening nu met eene deur, en overdekt men haar en de woningen met één dak, dan heeft men, op eene zeer kleine ruimte, achttien bijenkoloniën geplaatst, van welke er, naar het zuiden zes, en naar elk der drie overige windstreken vier, zullen uitvliegen. Wanneer men nu tegen den winter de hoeken, waar de woningen tegen elkander staan, en ook die, tusschen de onderzijde van het dak en de bovenwanden der woningen, met stroo vult, en tegen de deur stroomatten stelt of, wat nog beter is, eene dubbele deur aanbrengt, dan zal in de ruimte, door de woningen ingesloten, de koude niet gemakkelijk doordringen, terwijl het er volkomen donker in zijn zal. Men behoeft nu de achterzijde der woningen niet met mos te vullen, doch hangt in de ledige ruimte wastafels. Maakt men nu in de deuren ook vlieggaten, dan kan men de buitenste sluiten; want door de achterste zullen zij voldoende van versche lucht voorzien worden; kwamen zij zelf eens aan het vlieggat, dan zouden zij, meenende dat het nacht was, terstond weder terugkeeren.
Beter en gemakkelijker kan men zijne stokken niet doen overwinteren; men moet slechts zorgen, door een paar togtgaten, versche lucht in de afgesloten ruimte te kunnen brengen. Wanneer eens een schoone dag invalt, dan is het openen van de buitenste vlieggaten voldoende, om de bijen te doen uitvliegen; terwijl men er die, welker vlieggaten niet door de zon beschenen worden, toe kan opwekken, door haar met een weinig laauwen, verdunden honig te besprenkelen, dat het gemakkelijkst geschiedt met eene spuit, waarvan de pijp gebogen is; deze door het vlieggat stekende, en den straal naar boven rigtende, treft men zeker de bijen. Na eenige oogenblikken zullen nu alle stokken voorspelen en zich reinigen. Sluit men des avonds de vlieggaten weder, dan zijn de stokken in hun wintertoestand teruggebragt.
Het ligt in den aard der zaak, dat zamengestelde woningen moeijelijk zijn voor hen, die met de bijen reizen; wanneer zij met honig gevuld zijn, wordt het vervoeren moeijelijk, wegens hare zwaarte. Daartoe gebruikt men dan ook alleen dubbele woningen, waarvan men er twee of drie op elkander plaatst en met één dak bedekt. Verplaatst men deze nu, dan zullen de bijen zich terstond te huis gevoelen, wanneer de woningen weder zoo op elkander gesteld en met het dak gedekt zijn, als zij dit vroeger waren. Maar ook het vervoeren der dubbele woningen wordt nog zeer lastig door hare zwaarte, waarom men meestal de voorkeur schenkt aan enkelvoudige, liggende woningen, die zoo ingerigt zijn, dat zij op elkander geplaatst kunnen worden.
Het is hier de plaats om nog eene woning te beschrijven, welker zamenstelling ik zelf bedacht heb, en die mij, zoowel wegens haar gemak, als om haar bevallig aanzien, zeer voldoet. Zij is ook zeer geschikt voor hen, die met de bijen trekken, doch zij moet even als de korven in een stal geplaatst worden, daar de eigenschap haar ontbreekt, dat er eenige op elkander geplaatst en met één dak overdekt kunnen worden. Wil men haar echter afzonderlijk plaatsen, dan kan dit ook geschieden, wanneer men haar met een los houten of zinken dak overdekt, en haar alzoo voor den regen beschermt. Men ziet haar in fig. 9 afgebeeld.

Voor de beide zijwanden maakt men van strooken, ter breedte van 3 en ter dikte van ¾ duim, ramen, die buitenwerks 20 duim hoog en 24 duim lang zijn. De eene zijde van elk dier ramen wordt bekleed met een, op de vroeger vermelde wijze, geploegd en gelijmd blad, van gelijke hoogte en lengte als het raam, bij eene dikte van ¾ duim. In deze bladen worden twee groeven gemaakt, waarin de staafjes geschoven moeten worden. De onderkanten dezer groeven neemt men 8½ en 16¾ duim boven den onderrand der bladen. Ook de sponningen, die tot aanslag der deuren moeten dienen, worden in deze bladen geschaafd. Men maakt haar beide ruim ¼ duim diep; de voorsten, waarvan er hier eene gezien wordt bij abcd, geeft men eene breedte ab van 4 duim, terwijl die der achtersten slechts 1½ duim wordt genomen. In het midden van het raam brengt men, op de buitenzijde van het blad, een klamp aan, van 1 duim dik. Zijne bestemming is het vasthouden der spijkers, die, na de opvulling, de beide lijsten ef en gh in het midden het doorbuigen moeten beletten; hij behoeft dus niet breed te zijn.
Zijn nu de wanden zoover gereed, dan worden zij met stroo gevuld, waarover een stroomatje gelegd wordt, dat door vier lijsten, lm, ef, gh en ik wordt neergedrukt. Men neemt deze lijsten 2 duim breed en ½ duim dik. Zij worden staande aangebragt, twee gelijk met de voor- en achterkanten van het raam en de beide anderen op onderling gelijke afstanden daar tusschen.
Tegen de nu voltooide zijwanden wordt een, te voren behoorlijk aan een geploegde en gelijmde bodem, van 1 duim dik, gespijkerd. De afstand der zijwanden wordt weder 9½ duim genomen, waartoe de bodem 16½ duim breed zal moeten zijn, wil men de lijsten lm, ef, gh en ik, in één vlak met de kanten van den bodem doen vallen, gelijk dat in de figuur geteekend is.
Aan de voor- en de achterzijde wordt nu, boven op de zijstukken, eene strook, van 4 duim breed bij ½ duim dik, gebragt, die met de buitenkanten gelijk komt. Deze strooken, waarvan men er eene bij no voorop ziet, houden, met den bodem, de zijwanden 9½ duim van elkander verwijderd.
Boven aan de zijwanden worden nu lijsten pq en rs, van 3 duim breed en ¾ duim dik, gebragt, die 1 duim op den wand liggen en daar dus 2 duim boven uitsteken, terwijl zij voor en achter gelijk met de voor- en achterwanden komen. Tusschen deze beide lijsten brengt men nu voor en achter, op de kanten der strooken waardoor de zijwanden aaneen gehouden worden, latten tu en vw, van ¾ duim dik en 1½ duim hoog, waarvan de bovenkanten, met die der op de zijden aangebragte lijsten, in één vlak zullen liggen. Op de zijwanden legt men, tusschen de beide strooken, die hen bijeen houden, plankjes, van ½ duim dik, die de opening geheel sluiten. Boven deze plankjes is nu, tusschen de lijsten, eene ruimte van 1½ duim hoog, waarin eene stroomat gelegd wordt.
Voor de voorste deur maakt men van strooken, van 3½ duim breed en ¾ duim dik, een raam, dat juist in de opening sluit, en dus buitenwerks 10 duim breed en 20 duim hoog is. Den eenen kant er van bekleedt men met plankjes, van ½ duim dik, die den binnenkant der deur moeten vormen. Daarna wordt het met stroo gevuld, en dit met drie lijsten neêrgedrukt. In deze deur wordt het vlieggat aangebragt, zooals dat op bl. 86 is opgegeven.
De achterdeur wordt van dwars over elkander liggende planken, van ¾ duim dik gemaakt, zooals op bl. 87 voor de liggende woning is gezegd. Door vier wervels x, ij, z en a′ worden de deuren gesloten.
De honigkamer vervalt in deze woningen. Ik schuif ten minste in elke groef 8 staafjes en zet daar tegen een verkleinplankje als boven beschreven werd. In de ruimte tusschen dit en de deur, laat ik den honig dragen.
Bij zeer ruime honigdragt, kan men een gedeelte van het dek wegnemen en door de opening een van onderen open, met wastafels gevuld kastje, van dunne plankjes gemaakt, op de bovenste rij staafjes plaatsen: de bijen zullen deze tafels voldragen. Als de dragt geëindigd is neemt men het kastje weder weg. Ook kan men op de bovenste rij staafjes kleine gevlochten korfjes of groote bierglazen, waarin wastafels bevestigd zijn, plaatsen; ook deze zullen zij voldragen. Het spreekt van zelf dat, wat men er ook op plaatsen mag, voor eene goede afsluiting der gemaakte opening gezorgd moet worden; de bijen zouden er anders toch een uitgang door hebben en, wat veel erger zijn zou, men zou een vrijen toegang voor roovers openen! Wanneer men glazen op de staafjes zet, dan moeten deze voor het licht bedekt worden; het eenvoudigst is er een bloempot over te zetten.
Met de Dzierzon’sche woningen nu bekend geworden zijnde, vraagt men zichzelven af: “verdienen deze woningen nu werkelijk, boven alle vroeger in gebruik zijnde, de voorkeur, of moet men hen gelooven, die beweren dat zij meer aardig dan nuttig zijn.”—Mogt deze twijfel ook bij enkele van mijne lezers ontstaan zijn, de opsomming van eenige voorregten der woningen met lossen bouw zal dien, hoop ik, terstond weder wegnemen.
Is het dan ook waar dat Dzierzon’s woningen geen honig zweeten kunnen; dat er geen honig kan worden ingezameld, wanneer de natuur hem niet oplevert; niet minder waar is het, dat zij van het grootste gewigt zijn, vooral in die streken, waar de honig slechts spaarzaam en gedurende een korten tijd kan verzameld worden, terwijl zij, ook in honigrijke streken, met het meeste voordeel worden aangewend.
Wie nu Dzierzon’s leerwijze volgen wil, zorge dat zijne woningen zoo volkomen mogelijk zijn. Waren zij toch onnaauwkeurig gemaakt, zoodat de staafjes, of in de groeven klemden, of er uit konden vallen, in beide gevallen zou men de woningen veroordeelen en gevaar loopen om zijn tegenspoed aan de leerwijze te wijten, terwijl de slechte zamenstelling der woningen er de schuld van droeg. Bij eene naauwkeurige bewerking is, om haar nut niet verloren te doen gaan, stevigheid een hoofdvereischte; zij moeten haar vorm behouden en geene scheuren of openingen verkrijgen. Bij de zamengestelde woningen moet men er ook vooral op letten, de tusschenwanden zoo aan te brengen, dat de bijen van verschillende stokken niet bij elkander kunnen komen, want dit zou haar te zamen doen omkomen.
Wil men nu een zwerm in eene woning plaatsen, dan moeten vooraf wastafels aan de staafjes gehangen worden. Hierdoor geeft men hem de aanwijzing hoe er gebouwd moet worden. Liet men dit geheel aan de willekeur der bijen over, in de meeste gevallen zouden zij den bouw dwars aan de staafjes hangen, waardoor zijne uitneembaarheid geheel vervallen zou. Is haar eene aanwijzing gegeven, dan onderwerpen zij zich onvoorwaardelijk, den bouw met eene bewonderenswaardige gelijkmatigheid vervolgende in die rigting, die men haar aangegeven heeft. Men moet voor deze aanwijzing wastafels hebben, die men uit zijne eigene stokken nemen kan, en, zoo deze die niet missen kunnen, is men verpligt haar te koopen. De kleinste stukjes dezer tafels moet men met zorg bewaren, want veelal heeft men er groote behoefte aan. Aanvankelijk moeten in de woning niet meer dan acht of hoogstens tien staafjes, waaraan wastafels of gedeelten daarvan zijn bevestigd, worden gehangen. De bijen willen haar allen bezetten, en zouden, zoo het getal grooter was, hare krachten te veel verdeelen, en de voor den wasbouw vereischte warmte niet kunnen ontwikkelen. Zijn deze tafels volbouwd en met broed en voorraad gevuld, dan voegt men er weder een paar bij, maar nooit te veel in eens.
Vóór de bevestiging der tafels aan de staafjes, moet men zich overtuigen dat zij regt zijn; waren zij dit niet, dan zouden zij er aan den eenen kant oversteken en aan de andere zijde niet tot aan den kant van het staafje reiken. Vervolgden nu de bijen den bouw, dan zouden zij de tafels aan elkander of ten minste met bogten bouwen, waarvan de schuld niet bij haar zou liggen. Heeft men slechts kromme tafels, dan moet men die vooraf regt maken, door haar in de zon of door eene zachte warmte week te maken, en op een plat vlak, met eene kleine, gelijkmatige drukking, neder te leggen; ik doe dit tusschen twee boeken. Na de bekoeling blijven zij regt.
Men snijdt de tafels zoo, dat zij de breedte der woning hebben, waarin zij geplaatst moeten worden, hare hoogte gelijk nemende aan die, waartoe men gebouwd wil hebben. Er moet ook op de rigting der cellen gelet worden; de bijen bouwen deze toch eenigzins schuins naar boven staande; plaatste men de tafel omgekeerd in de woning, zij zouden haar moeten verbouwen.
Is men niet ruim van tafels voorzien, dan is het voldoende eene strook, van 1 duim breed, aan de staafjes te hechten, zoo zij slechts de geheele lengte van het staafje bedekt; bij groote behoefte kan men zelfs volstaan met aan elk staafje een paar kleine stukjes van wastafels te bevestigen.
Hoe helderder de kleur der tafels is, des te beter zijn zij. Sprokkelige, die bij de minste aanraking kruimelen, kunnen niet dienen; want de bijen bijten deze af en dragen de stukken buiten de woning; in plaats van haar eene dienst te bewijzen, zou men haar dus veel werk bezorgen. Bij groote behoefte kan men ook gebruik maken van geheel zwart geworden tafels, maar van deze neemt men altijd maar strooken, die de bijen eerst zuiveren en daardoor voor haar gebruik geschikt maken.
De aanhechting der tafels geschiedt met was, dat men daartoe langzaam smelt in een blikken bakje, welks lengte gelijk is aan die der staafjes. In het gesmolten was doopt men den te voren glad gesneden kant der tafel en zet haar met spoed op het staafje, zorgende dat zij er goed regt op staat; met de hand wordt zij nu een weinig aangedrukt en met de bekoeling van het was is de aanhechting voltooid.
Dit bevestigen met was gaat spoedig, doch het is kostbaar en men heeft weinig tijd om de tafel de vereischte rigting te geven. Door de Bienen-Zeitung, voor 1857, heb ik eene andere wijze leeren kennen, die aanbeveling verdient. Zij bestaat daarin dat men op twee of drie plaatsen van den regtgesneden kant der tafel, een weinig van de kalklijm legt, die voor het lijmen der woningen dient, en haar nu vast op het staafje drukt. Na een paar dagen is deze lijm droog. Nog gemakkelijker geschiedt de aanhechting met tarwenbloem, die met water tot eene dikke pap gemaakt is. Deze bevestigt de tafels volkomen, en de bijen hebben er geen hinder van. Van alle middelen is dit wel het beste; het kan altijd bij de hand zijn, het is zeer goedkoop en men heeft behoorlijk tijd om de tafel regt te zetten, terwijl dat zij na 24 uren stevig bevestigd is.
Het bevestigen der wastafels aan de staafjes kan eenige dagen voor dat zij gebruikt moeten worden reeds geschieden, wanneer men haar dan maar in eene ledige woning hangt en deze geheel sluit, ook het vlieggat, opdat er geene wasmotten binnen kunnen dringen en hare eijeren in de cellen leggen.
Aan ieder staafje behoeft de aanhechting maar eens te geschieden; want bij den honigoogst snijdt men de tafels niet geheel van de staafjes af, maar laat er eene strook van een halven duim aan zitten. Men legt deze staafjes aldus, gedurende eenige uren, op den bodem van eene bevolkte woning; de bijen zullen den uit de verbrijzelde cellen vloeijenden honig oplikken, waarna men de staafjes bewaren kan.
DE BIJENSTAL.
Om de bijenwoningen voor den onmiddellijken invloed van de weêrsgesteldheid te beveiligen, plaatst men haar in zoogenaamde bijenstanden of stallen.
Bij de Dzierzon’sche woningen zouden zij geheel gemist kunnen worden. Men kan deze toch gemakkelijk voor den regen bewaren; terwijl dat die, welke uit zes of meer tot een geheel vereenigde afdeelingen bestaan, in geen stal geplaatst kunnen worden. Heeft men een doelmatig lokaal beschikbaar, waarin men de enkelvoudige en dubbele woningen gedurende den winter kan plaatsen, dan acht ik het bezit van een stand niet eens bijzonder wenschelijk. Het is toch, voor het goed slagen der bijenteelt, van zeer veel belang, dat de woningen ver van elkander verwijderd zijn. Groote bijenstallen, waarin twee of drie rijen korven boven elkander staan, mogen voor het oog schoon zijn, vooral wanneer zij geheel bezet zijn, omdat men alle stokken met een oogopslag kan zien vliegen; zij zijn echter zeer nadeelig. Er heerscht toch in den omtrek dezer stallen meestal een zeer sterke honigreuk, die niet zelden rooverij uitlokt, en de bijen uit de bovenste woningen vervliegen veelal op de onderste; vooral zwakke stokken worden er gewoonlijk nog zwakker; wanneer b. v. de jonge bijen uit een zwakken stok haar eerste voorspel houden, terwijl ook de bijen van sterkere stokken, in hare nabijheid voorspelen, dan verlokken deze door haar sterker gezang de eersten om zich bij haar te voegen.
Bij het zwermen zijn groote bijenstanden ook zeer nadeelig. Wanneer toch de moederbij door eenig gebrek niet vliegen kan, of om eene andere reden door de bijen gemist wordt, dan zullen zij weder op den moederstok terug willen vliegen, maar in de verwarring zullen velen op de in de nabijheid staande stokken vallen en daar òf worden afgestoken, òf de haar onbekende moederbij voor eene vreemde indringster houden en haar afmaken. Ook is het digt bij elkander staan der woningen gevaarlijk voor jonge moederbijen, die van hare bevruchtings-uitvlugt terugkeeren, daar zij niet zelden op naburige stokken verdwalen en daar een zekeren dood vinden. De beide laatste bezwaren zijn zeker hoofdoorzaken, dat men op groote bijenstanden zooveel over moederloosheid klaagt, terwijl dat deze, bij vrij staande woningen, zelden voorkomt.
De stallen, die men het meest bij de bijenhouders aantreft, bestaan uit lage afdakken, welke aan de voorzijde 4 en aan de achterzijde 3 à 3½ voet hoog zijn, terwijl de diepte 3 voet bedraagt. Van boven worden zij met pannen gedekt, en de zij- en achterwanden worden met planken, stroo of riet digtgemaakt; de voorzijde blijft geheel open. In deze stallen plaatst men de woningen naast elkander op een planken vloer, die 1 voet boven den grond ligt. Zij zijn zeer eenvoudig, maar hebben tegen zich, dat men de stokken, alleen vóór den stand staande, kan behandelen, hetgeen om verschillende redenen nadeelig is; bij de zamenstelling wordt ook niet gezorgd, dat de voorzijde in den winter gesloten kan worden, en het geheel is meestal ook niet volkomen digt gemaakt.
Mijne stallen zijn wel kostbaarder, doch zij beantwoorden ook veel beter aan hunne bestemming. Zij zijn 30 voet lang, 3½ voet diep, aan de voorzijde 3½ en aan de achterzijde 4½ voet hoog, zoodat zij vooraan, in eene daar aangebragte goot, afwateren. Voor den voorwand neemt men als onderlegger eene rib van 4 duim breed en dik, en als bovenlegger eene rib van 4 duim breed en 6 duim dik. Deze leggers worden door zeven staande stijlen, van 4 duim breed en dik, met pen en gat aan elkander verbonden. De stijlen worden op gelijke afstanden van elkander geplaatst, zoodat men in den voorwand nu zes vakken heeft, die met deuren gesloten worden. De sponningen, waarin deze deuren rusten, verkrijgt men door aan de binnenzijde tegen de leggers doorloopende latten, van 2 duim breed en 1 duim dik, te spijkeren, die er 1 duim opliggen en er even zooveel overheen steken. Tusschen deze latten worden op de stijlen strooken, van 6 duim breed en 1 duim dik, bevestigd, zoodat zij er aan beide zijden 1 duim buiten komen; (voor den eersten en den laatsten stijl, behoeft het maar eene lat te zijn, als op de leggers, want zij moet daar maar aan een kant over den stijl komen). Voor de deuren maakt men ramen, die in deze vakken passen, van strooken duims hout, van 2½ duim breed. Deze ramen worden met stroo gevuld. Hiervoor spijkert men op de eene zijde, aan weêrskanten strooken, van 3 duim breed en ¾ duim dik, en tusschen deze met gelijke tusschenruimten nog drie latten, die ook ¾ duim dik moeten zijn. Het raam wordt nu met stroo gevuld, dat bevestigd wordt door de andere zijde evenzoo te bespijkeren, als met de eerste geschied is. Daarna bepleistert men het stroo, tusschen de strooken, met een mengsel van kalk, leem, zaagsel en koemest. De deuren zijn aan de kanten nu 4 duim dik, en sluiten dus juist in de sponningen; door vier wervels, die op de stijlen bevestigd zijn, zet men haar vast.
De achterwand wordt op dezelfde wijze gemaakt, als voor den voorwand nu is opgegeven; de hoogte behoeft slechts 1 voet grooter genomen te worden. Voor den bovenlegger kan men echter volstaan met eene rib van 4 duim breed en dik; in den voorwand wordt de grootere dikte vereischt, om plaats voor de goot te bekomen, zonder dat deze het uit- en inzetten der deuren verhindert.
De zijwanden maakt men van over elkander gerabatteerde planken. Zij worden aan de voor- en achterwanden bevestigd door middel van zware ijzeren krammen, die in de uiteinden der leggers geslagen zijn, en door openingen in de zijwanden zoover naar buiten komen, dat er daar wiggen in gestoken kunnen worden.
Het dak wordt van planken gemaakt, die aan de achterzijde, voor het inwateren, 4 duim uitsteken en op de bovenleggers der voor- en achterwanden zijn bevestigd. Over de naden worden tengels gelegd. Dit dak wordt nu nog met pannen gedekt, waarna men aan den voorkant eene zinken goot aanbrengt. In fig. 10 ziet men een gedeelte van zulk een stand afgebeeld, waarbij de pannen en de goot zijn weggelaten.

In plaats van de stroodeuren, die ik boven opgaf, kan men planken deuren gebruiken. Deze zijn veel gemakkelijker te maken, doch zij doen meer warmte verloren gaan, en zijn ook meer aan trekken onderhevig.
Zet men den geheelen stal, zooals hij hier beschreven werd, op eene rollaag, dan zal de prijsverhooging ruim vergoed worden door de grootere duurzaamheid, die hij daardoor verkrijgt.
In dezen stal zet ik eene losse stelling, waarop de woningen gezet worden. Zij wordt gemaakt van twee ribben, van 4 duim breed en 6 duim dik, die op zes paar pooten rusten. Elk paar pooten wordt, aan de onderzijde der ribben, aan elkander bevestigd, zoodat deze binnenwerks overal 6 duim van elkander verwijderd zijn. De bovenkant der stelling moet 1 voet boven den grond komen. Onder elken poot legt men, voor het rotten en het in den grond zakken, een plaveisteen.
De Dzierzon’sche woningen kunnen onmiddellijk op deze stelling geplaatst worden, doch de strookorven, die onderaan open zijn, moeten op planken staan. In plaats van een doorloopenden, planken vloer hiervoor te nemen, maak ik vierkante bladen, van 18 duim lang en breed, die uit twee aan elkander geploegde duimsplanken bestaan, welke aan de onderzijde door een klamp, van 6 duim breed, aan elkander verbonden zijn. Deze klamp past nu tusschen de leggers der stelling, zoodat men het blad daarover verschuiven kan, zonder dat het er af kan vallen. Op de kop-einden der planken spijkert men, voor het trekken en springen, nog eene duimslat. Iedere korf wordt nu op zulk eene onderplank geplaatst. Dat elke korf zijne eigene onderplank heeft, geeft gelegenheid, om den korf opligtende, de plank weg te nemen, en er eene schoone voor in de plaats te leggen. De weggenomene wordt nu schoon gemaakt en onder een volgenden korf gelegd; zoo voortgaande kan men hen allen verschoonen.
De stal moet goed sluitend in elkander gemaakt zijn, zoodat er, wanneer de deuren gesloten zijn, geen licht binnen kan dringen, al wordt hij door de zon beschenen. Ook moet de warmte er zooveel mogelijk in besloten blijven. In het voorjaar en den zomer worden de deuren in den voorwand geopend. De behandeling der stokken geschiedt aan den achterkant, waarvoor men dan eene deur uitneemt; van de omvliegende bijen heeft men dan geen last, en staat haar ook niet in de vlugt. Er kunnen twaalf Dzierzon’sche woningen of achttien strookorven in dezen stal geplaatst worden. Zet men er meer in, dan komen de vlieggaten te digt bijeen. Gedurende den winter kan men evenwel den stal geheel vol plaatsen, wanneer men de overtollige woningen, bij de eerste vlugt der bijen in het voorjaar, maar naar hare gewone plaats brengt.
Behoeft men geene kosten te ontzien dan is het verkieslijk zijne stallen zoo groot te laten maken, dat men er in kan gaan om de stokken te behandelen. De voorwand wordt dan eveneens gemaakt als boven gezegd is, doch 6 voet hoog genomen en bovenaan 2 voet met planken gesloten, opdat de zon niet op de woningen zou schijnen. De achterwand wordt 8 voet hoog genomen, en, even als de zijwanden, van over elkander gerabatteerde planken gemaakt. De diepte neemt men zoo groot, dat er achter de woningen nog eene ruimte van 4 voet vrij blijft, die voldoende is voor alle werkzaamheden, welke aan de stokken verrigt moeten worden. In den eenen zijwand maakt men eene deur en in den achterwand twee of drie ramen, die met blinden gesloten worden. Het is duidelijk dat deze stallen de voorkeur verdienen. In den winter kan men een beter toezigt op zijne stokken hebben en naar zijne strengheid de dekking wijzigen; de muizen worden gemakkelijker weggevangen; de lucht kan in een oogenblik ververscht worden door ’s avonds de deur te openen; eindelijk kan men ’s winters een groot aantal woningen in de achterste ruimte plaatsen, daar men dan, niets in de stokken te verrigten hebbende, slechts een gang noodig heeft waar men door gaan kan.
De kosten, aan eene doelmatige inrigting der stallen besteed, brengen hunne rente goed op, doordat het leven van een groot aantal bijen gespaard wordt, die anders, onvoldoende voor de koude beschut, omkomen. Wie er geen bezwaar in ziet, zijne bijen gedurende den winter, aan zon en wind bloot te stellen, denkende dat het voldoende is wanneer zij voor den regen beveiligd zijn, zal er de schouders wel eens voor ophalen, dat ik zulke kostbare stallen opgeef; maar hij kent de verliezen niet, die hij jaarlijks lijdt. Bij Dzierzon’s woningen is de invloed van zon en wind minder nadeelig dan bij de korven, omdat de vlieggaten onder tegen den bodem geplaatst zijn en door de schuifjes verkleind kunnen worden.
Nog zijn er bijenhouders, die het vroeger algemeen aangenomen gevoelen voorstaan, dat de bijenstand op het zuiden moet staan. Zij verheugen er zich over als zij, op het heetst van den dag, de korven geheel door de zon beschenen zien, en denken dat hunne bijen uitmuntend geplaatst zijn, terwijl zij, door de onlijdelijkste hitte gekweld, het niet alleen in hare woningen niet kunnen uithouden, maar ook veelal te afgemat zijn, om op de inzameling uit te gaan en dus werkeloos voorliggen.
Het is moeijelijk bepaald aan te geven welke rigting voor den bijenstand de beste is. Men bepaalt haar naar de plaats, welke men beschikbaar heeft. Kan men hem alleen op het zuiden plaatsen, dan moet men zorgen dat ten minste de bovenste helft der woningen, en zoo mogelijk ook de vlieggaten, door boomen of andere opzettelijk daartoe aangebragte voorwerpen beschaduwd worden. Men zal, wanneer de zon midden op den dag boven op de woningen schijnt, vooral in strookorven, niet zelden den bouw zien instorten.
Wanneer de stand op het zuidoosten staat, dan worden de woningen door de morgenzon beschenen, waardoor de bijen reeds vroeg tot de vlugt uitgelokt worden; terwijl de zon haar tegen elf ure grootendeels verlaten zal hebben, en er dus geene te groote warmte in kan doen ontstaan.
De in de laatste jaren genomen proeven hebben aangetoond dat eene plaatsing tegen het noorden, die meestal voor bepaald ongeschikt gehouden wordt, ook hare voordeelen heeft. Hoewel de stokken later op den dag uitvliegen, en in het voorjaar ook later tot de broedaanzetting overgaan, dan wanneer zij op het zuiden staan, en dus later dan in dit geval, of wel in het geheel niet zwermen, zoo maakt hunne koelere plaatsing dat de bijen door de drukkende hitte minder gekweld worden, en dus ijveriger in hare uitvlugten zijn. Op het noorden geplaatste stokken zijn dan ook in den regel rijker aan honig, dan die op het zuiden gesteld zijn; terwijl het op een goed bezetten bijenstand eene gewenschte zaak is, dat eenige stokken niet zwermen. Vreest men dat zij dit toch, maar te laat, doen zouden, dan kan men, óf den zwerm op den geschikten tijd kunstmatig afdrijven, óf het zwermen beletten. Ik heb nu sedert drie jaar eene dubbele woning zoo geplaatst, dat de eene stok naar het zuiden, de andere naar het noorden vliegt; deze won het in honigrijkdom jaarlijks van genen en toch is hij in het zwermen weinig later; bij heet weder is hij altijd moediger dan zijn buurman.
Nieuw opgezette zwermen moet men zoo mogelijk altijd op het noorden plaatsen. Eene plaatsing op het zuiden kan toch zeer lastig zijn omdat zij, door de hitte geplaagd, de hun aangewezen woning ligt verlaten, of anders door de warmte te veel worden aangespoord, om zich op de broedaanzetting toe te leggen, zoodat zij later maagdezwermen zouden afgeven: dat dit niet wenschelijk is, zagen wij reeds. Men moet daarom zijne zwermen, zoo zij niet dan op het zuiden geplaatst kunnen worden, vooral goed beschaduwen.
Daar men uit het westen de meeste regenvlagen en stormwinden te wachten heeft, zoo is de plaatsing op het westen het minst te verkiezen.
Vóór den bijenstal moet men eene ruimte, van minstens 15 voet, vrij hebben. Zij moet met zand bestrooid worden, en er mag gras noch onkruid groeijen, opdat men alles op den grond gemakkelijk zou kunnen ontdekken; vooral of er ook afgestoken moederbijen uit de woningen gedragen zijn, dat overtuigend bewijzen zou, dat er een moederlooze stok was. Als het door de zon beschenen kan worden, dan is het zand ook goed om de door de koude bevangen bijen, die er op vallen, door de warmte weder te doen herleven en in hare woningen terugkeeren; wanneer het niet verwarmd wordt, kan men de bijen toch opzamelen, dat van een begroeiden grond niet geschieden kan; daarop moet men er ook onvermijdelijk vele vertrappen.
Aan de zijkanten der stallen moeten rietmatten geplaatst worden, om de woningen zooveel mogelijk voor den wind te beschutten; anders konden toch de bijen door den wind nedergeslagen, of op vreemde stokken geworpen worden.
De grond, waarop de stal staat, mag niet te vochtig zijn, daar dit aanleiding zou geven tot het beschimmelen van den wasbouw. Het moet zoo mogelijk vermeden worden, om hem in de nabijheid van een breed water of van een straatweg te plaatsen. In het water zouden bij sterken wind vele bijen omkomen, en bij strenge vorst zouden de dreuningen, door de over den straatweg rijdende wagens veroorzaakt, haar aanhoudend verontrusten. Daar de bijen een volstrekten afkeer van rook hebben, mag hij niet in den omtrek van fabrijken, die veel rook geven, geplaatst worden. Ook moet de nabijheid van hooge boomen vermeden worden, want daarin zouden de zwermen zich aanleggen en dus moeijelijk te bereiken zijn. Op een afstand van 20 tot 40 voet, moeten zich, voor aanlegplaatsen der zwermen, eenige lage boomen en struiken bevinden, waartoe vruchtboomen en kruisbessen het geschiktst zijn. Vooral aan de laatsten leggen de zwermen gaarne aan, en in het vroege voorjaar geven zij de bijen eene gezochte dragt.
Wanneer men zijn stand alleen op een onbeplant terrein kan plaatsen, dan kan men de bijen toch geschikte aanlegplaatsen, in de nabijheid der stokken bezorgen, door 20 á 40 voet voor den stand eenige staken, van 6 tot 8 voet hoog, in den grond te planten en aan deze eenige stukken eikenschors, van 2 voet lang en 1 voet breed, te hangen. Dit doet men, door in de hoeken van de stukken schors gaten te maken, waardoor men touwen steekt, die te zamen gebonden en aan den staak bevestigd worden. Men moet zorgen dat de buitenzijde der schors naar boven hangt. De zwermen leggen, bij gebrek van andere voorwerpen ook daar aan, en men behoeft de stukken schors maar los te maken, op den korf te leggen en er een slag op te geven, om de bijen daarin te doen vallen. Maakt men de inrigting zoo, dat men hen kan laten zakken, dan wordt het opvangen van de zwermen zeer eenvoudig. Ook kan men op verschillende hoogten eenige oude korven ophangen, waarin de zwermen gaarne aanleggen. Om hen naar die voorwerpen te lokken, is het goed de schors van onderen, en de korven van binnen, nu en dan met wat honig te bestrijken.
HET GEREEDSCHAP.
Eenige voorwerpen, die men voor de behandeling der bijen bezitten moet, wil ik in dit hoofdstuk opgeven, beschrijven en hunne zamenstelling, zoo noodig door afbeeldingen, aanschouwelijk voorstellen. Ik zal mij daarbij tot de noodzakelijkste bepalen. Zij zullen voldoende zijn om de bewerkingen, die ik opgeef, ten uitvoer te brengen.
DE ROOKPIJP.

Bij de behandeling der bijen is het aanbrengen van rook bijna altijd noodig, om haar daar te verdrijven, waar men iets te verrigten heeft, hetzij omdat men gevaar zou loopen door haar gestoken te worden, hetzij omdat zij, op haar werk zittende, beletten zouden dit goed te bezien, of omdat men haar zou kunnen kwetsen. Heeft men slechts weinig rook noodig, dan is eene gewone goudsche pijp of eene sigaar voldoende; veelal kan men hiermede volstaan, doch wie niet gewoon is te rooken moet naar andere middelen omzien, en dikwerf kan men ook langs dien weg niet genoeg rook aanbrengen; men kan zich dan van de volgende rookpijp bedienen, die door blazen en niet door trekken aangehouden wordende, ook door niet-rookers kan worden gebruikt. In fig. 11 ziet men haar in doorsnede afgebeeld. Het gedeelte abcdef wordt van wortelhout gedraaid; bij be is het uitwendig 1¾ duim dik en loopt naar boven taps toe; van af tot be is de lengte 3½ duim; bij be wordt het afgedraaid, zoodat bcde bij be ¾ duim dik is, naar cd taps toeloopt en 1 duim lang is. Inwendig wordt het 3 duim diep uitgedraaid, ter wijdte van 1 duim, en midden in het stuk bcde wordt nu een gat geboord, van ⅜ duim wijd, dat in de uitgedraaide holte uitloopt. Om het doorbranden te voorkomen moet deze kop der pijp inwendig bekleed worden. Daartoe wordt een blikken koker met pijpje vervaardigd, die juist in dezen kop sluit; bovenaan bij af wordt de rand omgeslagen, opdat het hout ook daar niet met het vuur in aanraking zou komen. Het pijpje laat men bij cd een weinig buiten het hout uitsteken. Het gemakkelijkst zal het wel zijn eerst het blikken bekleedsel te laten maken, en daarnaar het hout uit te draaijen. Buiten om het houten pijpje bcde wordt ook een blikken bandje gelegd, om het springen te beletten; men laat het even ver over het hout uitsteken als het pijpje er door komt, en vult den rand tusschen beide met soldeersel; hierdoor belet men dat het hout afwisselend nat en droog wordt, waardoor er, ondanks het blikken bandje, toch nog scheuren in zouden komen. Uitwendig wordt het gedeelte abfe met dubbel laken bekleed, dat met enkele koperen stiftjes op het hout bevestigd wordt, daar het anders spoedig gaat draaijen. Dit laken overtrekt men nog met kalfsleder. De bekleeding van den kop dient, zoowel om bij het aanvatten de handen niet te branden, als om het deksel, dat er opgezet moet worden, luchtdigt te doen sluiten; dit is toch een vereischte, omdat de tabak door blazen aangehouden moet worden. Het blikken deksel hgik is van gi tot hk 1½ duim lang en moet goed op den kop sluiten. Midden in den bodem van het deksel, wordt een mondstuk lm gesoldeerd, van 4 duim lang en van onder bij l ½ duim en van boven bij m ⅛ duim wijd.
Men moet nog drie blikken pijpjes hebben, die op de punt bcde van den kop gezet worden, om den rook daar heen te leiden, waar men hem behoeft. Aan het uiteinde moeten zij ⅛ duim wijd zijn. Twee dezer pijpjes worden regt gemaakt, een van 4 duim lang, dat hier in de figuur is voorgesteld (zie nop), en het andere van 6 duim lang. Het derde qr wordt eveneens 6 duim lang gemaakt, doch de punt er van moet zoo omgebogen zijn, dat de rookstraal regthoekig op de lengte lijn van den geheelen toestel staat. Van de beide regte pijpjes gebruikt men het langste of kortste, naardat men den rook verder van, of digter bij zich behoeft, terwijl dat het gebogen pijpje dient, om hem onmiddellijk tusschen de wastafels te kunnen brengen. Aan de beide uiteinden worden om elk pijpje randen gelegd; aan het wijdste om het verwijden te voorkomen, waardoor het niet meer op den kop zou sluiten; aan het naauwste om het, zoo noodig, met den mond vast te kunnen houden.
Opdat het gat in bcde niet verstoppen zou, leggen sommigen in den kop een doorboord plaatje of een stukje ijzergaas. Deze raken echter ook wel verstopt; daarom steek ik er een gewonen pijpedop in, zoodat de punt juist tegen het gaatje komt en bevind mij daarbij uitmuntend.
Wil men de rookpijp gebruiken, dan wordt de kop met tabak gestopt, hierop een stuk brandend zwam gelegd, en nu het deksel op den kop gezet. Naarmate men nu door het mondstuk harder of zachter blaast, zal men meer of minder rook verkrijgen.
Ik heb deze rookpijp al sedert eenige jaren gebruikt, en er altijd mede kunnen volstaan. Andere rooktoestellen zal ik daarom niet beschrijven; de meesten zijn voor het gewone gebruik veel te omslagtig en men kan hen ontberen. Het eenige bezwaar, dat het gebruik der hier beschreven rookpijp medebrengt, is dat de tabak uitgaat, wanneer men een oogenblik verzuimt te blazen, zoodat men iemand bij zich dient te hebben, die voor het aanhouden der pijp zorgt. Wanneer men gedurende eenigen tijd geen rook behoeft, kan men den tabak ook door trekken, in plaats van door blazen aanhouden; als men gewoon is te rooken, dan is dit veel gemakkelijker.
DE BIJENKAP.
Niet minder noodzakelijk dan de rookpijp is de bijenkap, om het gezigt en den hals voor den bijensteek te beveiligen. Wél zijn er bijenhouders, die het belagchelijk vinden, om bij Dzierzon’sche woningen nog eene kap te gebruiken; wél wordt men langzamerhand minder vatbaar voor het bijengif, zoodat de steek eindelijk slechts eene oogenblikkelijke pijn verwekt; maar dit neemt niet weg dat de steek soms, vooral in het gezigt, sterke zwelling ten gevolge kan hebben, en dat de bijen, wat veel verontrust wordende, als het ware steken laten regenen. Het gebruik van eene kap acht ik dan ook altijd raadzaam; waarom zal men zich aan het gevaar blootstellen, om dagen achtereen met een gezwollen gezigt te loopen? En had men het ongeluk dat eene bij in den mond vloog en daar stak, dan konden de gevolgen zeer noodlottig wezen.
De kap wordt vervaardigd van eene lap grof linnen, aa′ bb′ (zie fig. 12), die 26 duim lang en 30 duim breed is. Bij d en d′, 12 duim van b en b′ verwijderd, begint men de stukken deb en d′e′b′ rond uit te snijden, zoodat be en b′e′ 1 duim breed zijn; 6½ duim van het midden h, maakt men aan weêrskanten de insnijdingen gi en g′i′, die 12 duim diep zijn, en van c, 19 duim boven h, snijdt men naar a en a′ het linnen rond weg. Wordt de lap nu om de lijn ch toegevouwen, dan komt a op a′, d op d′ enz., te liggen, omdat de figuur aan weêrskanten der lijn ch symetriek is; ac wordt nu op a′c′ en de op d′e′ genaaid. Bij ad blijft er nu eene opening, waarin een ovaal draadwerk k, dat minstens 9 spijlen op elken duim bevat, van 9 duim hoog en 7½ duim breed, wordt genaaid. Van i, langs g en g′ tot i′ wordt de rand gezoomd; evenzoo van i langs f en f′ (die bij e aaneengenaaid zijn) tot i′. Aan de hoeken f en f′ worden koperen ringen, en aan de hoeken g en g′ sterke banden genaaid. Wordt deze kap nu, met het draadwerk voor het gezigt, op het hoofd gezet, dan valt het stuk ighg′i′ op den rug, terwijl dat ifef′i′ de borst bedekt en de hoeken i en i′ op de schouders komen te liggen. Voor het aansluiten en het inscheuren worden daar kleine, driehoekige stukjes ingezet. De banden van het achterste stuk worden nu, onder de armen door, in de ringen van het voorste gedeelte gestoken, en dan weder onder de armen door naar achter gebragt en om het lijf gebonden. Men kan, door het aanhalen der banden, de kap nu zoo doen sluiten, dat er nergens eene bij door kan. Begeeft men zich, aldus gewapend, naar de stokken, dan is men verzekerd niet het minste letsel van de steken der bijen te kunnen hebben.

De opening in het draadwerk is bestemd om er het mondstuk van de rookpijp door te steken; de wijdte moet daarnaar geregeld worden. Naar verkiezing maakt men haar regts of links. Voor het uitwijken zijn de traliën daar tusschen twee koperen plaatjes gesoldeerd. Wanneer men de rookpijp niet gebruikt, moet men deze opening digt stoppen; kroop er toch eene bij door, dan zou men van haar nog veel meer last hebben, dan als men zonder kap was.
MESSEN.
Wanneer men de tafels uit de woning nemen wil, dan moet men beginnen met haar aan den kant los te maken, want de bijen bevestigen haar na elke uitneming weder. Hiervoor moet men twee messen hebben. Het eene met een dun, buigzaam lemmet (zie fig. 13), van 6 of 7 duim lang en 1 duim breed, met ronde punt en tot 4 duim van de punt aan beide kanten scherp, dient om de tafel van den wand der woning los te maken, waartoe men het vlak tegen den wand drukt en van onder naar boven snijdende, de tafel voorzigtig los maakt; is de tafel ook aan een daar onder liggend staafje bevestigd, dan wordt zij ook daaraf gesneden, met het mes zoo vlak mogelijk langs het staafje gaande.
Het tweede mes moet een lemmet van dezelfde lengte en breedte hebben, doch dat dikker, niet buigzaam en slechts aan eene zijde scherp is, en in eene spitse punt eindigt (zie fig. 14). Met dit mes wordt het staafje, waaraan de tafel hangt, in de groef, waar het door de bijen vastgemaakt is, losgestoken.

Eindelijk moet men nog een mesje hebben, om moederwiegen uit de tafels te snijden, indien men die op andere plaatsen wil gebruiken; een klein puntig knipmesje kan hiervoor dienen.
DE GAFFEL.
Om de staafjes, met de daaraan hangende wastafels, nadat zij van de wanden der woning losgemaakt zijn, naar zich toe te halen, bedient men zich van het werktuig, in fig. 15 afgebeeld; men noemt het gaffel. Het wordt van ijzer vervaardigd, dat slechts zoo zwaar behoeft genomen te worden, dat er geen gevaar voor buigen bestaat. De lengte, het handvatsel mede gerekend, is ongeveer 10 duim. De beide punten zijn bij a en b regthoekig omgebogen, en bij c en d zijn blokjes bevestigd, zoodat de ruimten tusschen a en c en tusschen b en d juist 1 duim bedragen. De buitenafstand dezer klaauwen moet zoo groot genomen worden, dat het gedeelte der staafjes, dat 1 duim breed is, er juist in past. Hunne diepte moet gelijk zijn aan de dikte der staafjes. Men legt deze gaffel boven op het staafje, zoodat dit juist tusschen de klaauwen gevat wordt, en haalt het dan naar zich toe; voor in de groef gekomen, neemt men het met de hand uit de woning. Wil men de tafels weder in de woning hangen, dan schuift men het staafje voor in de groef, en duwt het eveneens met de gaffel verder in de woning.

Het voordeel, dat men van dit werktuig heeft, bestaat daarin, dat beide uiteinden van het staafje gelijkmatig voortbewogen worden, terwijl men het daarentegen met de hand al ligt een weinig scheef voortschuift, waardoor het in de groef geklemd zou worden; daarenboven loopt men veel minder gevaar om de tafels te beschadigen.
DE STOMMEKNECHT.
De uit de woning genomen tafels, voor beschadiging bewaard moetende blijven, zoo bezigt men een opzettelijk daartoe vervaardigd kastje, om haar tijdelijk daarin te hangen; het wordt stommeknecht genoemd. Dit kastje moet zoo lang zijn, dat alle tafels, die in eene woning voorhanden zijn, daarin kunnen hangen. De breedte moet ¼ duim grooter zijn dan de lengte der staafjes, en de hoogte dient 2 duim meer te bedragen, dan de diepte, waartoe de tafels gebouwd worden. Aan den binnenkant der zijwanden wordt, 1 duim van den bovenrand, een latje van ½ duim dik gespijkerd. Tusschen deze latjes hangt de tafel, wanneer het staafje met de uiteinden er op rust. Op dit kastje wordt een deksel gemaakt, waarin een gat van 6 duim in het vierkant gezaagd is; dat gat wordt gesloten met een ijzeren traliewerk, dat minstens 9 traliën op elken duim bevat; er wordt eene schuif over gemaakt, waarin een plankje geschoven kan worden, om het te sluiten.
Wanneer men nu den bouw uit eene woning neemt, dan hangt men de uitgenomen tafels, waar honderden bijen opzitten, een voor een in dit kastje; ontdekt men dat vreemde bijen er op willen rooven, dan legt men er het deksel op, en geeft de opgesloten bijen lucht, door het schuifje een weinig te openen. Mogt het noodzakelijk zijn haar lang in dit kastje besloten te houden, dan zet men het op eene koele, donkere plaats en opent de schuif geheel.
Des noods kan deze stommeknecht ook dienen, om de bijen naar een anderen stand over te brengen, doch men doet beter zich daartoe van de later te beschrijven transportkastjes te bedienen.
Indien men de tafels weder in de woning hangen wil, dan moet men opletten dat dit in dezelfde volgorde geschiedt, als waarin zij gehangen hebben. De bijen, welke, nadat alle tafels zijn ingehangen, op den bodem van het kastje terugblijven, worden op een hoop gestooten, door het een schok te geven; daarna schept men haar in de woning. Het is niet goed om, gelijk sommigen doen, deze bijen in de zon op een doek te storten, in de veronderstelling dat zij weder op haar stok zullen terugvliegen. Met velen zal dit het geval niet zijn, omdat er zich vele jongen onder bevinden, die, nog nooit hare woning verlaten hebbende, haar niet kennen. Ook de moederbij kon aldus wel eens verloren gaan, wanneer zij zich onder de van de tafels gevallen bijen bevond. Met het opscheppen moet men dan ook altijd zeer voorzigtig zijn om haar, in geval zij in het kastje teruggebleven was, niet te kwetsen.
DE BOK.
De stommeknecht kan alleen dienen om de tafels, die men uit eene woning neemt, te dragen; om haar naauwkeurig te kunnen bezien, moet men nog een bok hebben, waarop de tafels een voor een gehangen, en dan aan beide zijden beschouwd kunnen worden. Dezen bok, die een der onmisbaarste gereedschappen is, ziet men afgebeeld in fig. 16. Het gedeelte ab is lang 15, breed 3 en dik 1¼ duim. De latjes cd en ef, die er met pen en gat in bevestigd zijn, worden 2 duim breed, 1¼ duim dik en ongeveer 8 duim lang genomen. Aan den binnenkant is in deze latjes eene groef geschaafd, van ruim ¼ duim breed en diep, en zij worden zoo ver van elkander geplaatst, dat de staafjes gemakkelijk in deze groeven geschoven kunnen worden, zonder daaruit te kunnen vallen. Zij mogen daarom niet zwakker genomen worden, dan ik hier opgaf, anders liep men gevaar dat zij van een weken; zij moeten ook zuiver evenwijdig en volkomen onbewegelijk in het stuk ab bevestigd zijn. In het midden van ab en aan de uiteinden der stukken cd en ef, worden aan de onderzijde gaten geboord, waarin de drie pooten h, i en k gestoken worden, die minstens 10 duim hoog zijn.

Bij het gebruik stelt men den bok in een zinken bak, waarin de van de tafels vallende bijen worden opgevangen, die men dan later in de woning schept.
TRANSPORTKASTJES.
De naam transportkastjes duidt de bestemming reeds aan van de voorwerpen, die dien naam dragen. Zij zijn slechts geschikt om er de bijen een korten tijd in te doen verblijven, maar zij maken haar vervoer naar elders zeer gemakkelijk. Men maakt deze kastjes van plankjes, van ½ duim dik, die eenvoudig op elkander gespijkerd worden. De breedte ab en de hoogte ac (zie fig. 17) neemt men 10 à 12 duim, terwijl men het 16 à 20 duim lang maakt. Het deksel bestaat uit twee deelen d en e, die in groeven schuiven. Deze groeven verkrijgt men, door boven op den kant van elken zijwand, en aan de binnenzijde daartegen, latjes te spijkeren. Het hout is te dun om er eene groef in te schaven, en door het dikker te nemen, zou men het gewigt der kastjes noodeloos vergrooten. De voorwand wordt niet van hout gemaakt; het strookje fg, dat men 1 duim breed neemt, dient alleen om het uitwijken der zijwanden te beletten; de ruimte, tusschen dit strookje, de zijwanden en den bodem, wordt met ijzergaas of met een fijn traliewerk gesloten. Men zou het gaas of traliewerk ook in een los raampje kunnen plaatsen, en dit dan voor in het kastje bevestigen.

Om den zwerm, dien men met dit kastje vervoeren wil, daarin te doen loopen, zet men het op den achterwand, dus met het draadwerk naar boven, doch bedekt dit, om het invallen van het licht te voorkomen. De schuif e, die dan de onderste zijn zal, neemt men weg, doch laat d gesloten. Om in dien stand het doorschieten van de schuif te beletten, neemt men haar een weinig langer, dan de halve lengte van het kastje, en tegen den onderkant van het buiten uitstekend gedeelte spijkert men een dun latje, dat, tegen den wand stuitende, het doorschuiven belet. Zoodra de zwerm, door de hem voorgehouden opening, in het kastje is getrokken, sluit men het met de tweede schuif en laat het, met de schuiven naar boven, tot het vallen van den avond rustig staan; dan brengt men den zwerm naar de verlangde plaats, en schept hem daar in de voor hem bestemde woning.
Voor het opvangen en transporteren van natuurlijke zwermen, kan men zich ook van gewone strookorven bedienen; doch de transportkastjes zijn onmisbaar, wanneer men kunstzwermen wil maken, door bijen, uit onderscheidene stokken genomen, aan eene moederbij toe te voegen. Later komen wij daarop terug. Ook zijn deze kastjes zeer gemakkelijk, wanneer men stokken, die op een verwijderden stand geplaatst zijn, bijen ter versterking wil geven.
Behalve de reeds beschrevene, moet men zich nog eenige kastjes aanschaffen, welke buitenwerks zoo lang en breed zijn, dat zij juist in de woningen passen; de hoogte moet zoo genomen worden dat zij, na het wegnemen der dekplankjes, op de staafjes kunnen worden geplaatst. Voor het deksel maakt men uit vier latten een raam, dat juist in het kastje past, en bespant dit met ijzergaas of bijendoek. Om de bijen, die de randen van het kastje soms sterk bezetten, niet te kwetsen, maakt men voor den aanslag van het deksel geene sponningen in de zijwanden, doch slaat in deze vier stiften, waarop het rust.
Men zet deze kastjes, met den open kant onder, op de staafjes der woning, waaruit men de bijen vangen wil, en drijft haar daarin. De geheele zwerm kan nu in eens uit de woning genomen worden, waarna het kastje terstond met het deksel wordt gesloten. Onder in de nieuwe woning, die door den zwerm bevolkt moet worden, schuift men nu het kastje en neemt er het deksel af, waarna de bijen er spoedig uit zullen opklimmen.
Zulk een kastje is ook zeer geschikt om de bijen, die in eene woning, waar de bouw uitgenomen is, nog achtergebleven zijn, daar in eens uit te nemen: men zet het dan op den bodem der woning, en veegt er de bijen met eene penneveêr in. Ook kan men er een zwerm in laten trekken, wanneer men aan eene der zijden, vlak boven den bodem, eene reet, even als een vlieggat maakt, waarvoor dan ook een schuifje moet worden aangebragt: de moederbij wordt er dan, in een moederhuisje besloten, ingezet, waarna het, met het vlieggat geopend, op een doek wordt geplaatst, waarop men de bijen uitstort; daarbij moet op het deksel nog een plankje gelegd worden, opdat de bijen alleen door het vlieggat, gemeenschap met de moederbij kunnen hebben.
Bij alle kastjes, waarin de bijen eenigen tijd opgesloten worden, moet men onder in de zijwanden twee of drie zaagsneden maken, waardoor er versche lucht indringt, die de verwarmde lucht doet ontwijken.
DE STORTBAK.
Voor men de tafels uit eene woning neemt, moet men in deze een stortbak plaatsen, om de daaraf vallende bijen op te vangen. Men neemt daarvoor een zinken bak (zie fig. 18), waarvan de breedte ab iets kleiner is dan de binnenwijdte der woningen, zoodat hij er gemakkelijk in geschoven kan worden. De lengte ce neemt men 7 of 8 duim. Aan de beide zijkanten en vooraan, moeten de staande wanden 3 duim hoog zijn, achteraan is hij open; op den voorkant is een handvatsel gesoldeerd. De zijwanden moeten bovenaan den achterkant, bij e en f wat buitenuit gebogen zijn, zoodat de bak, gedeeltelijk in eene woning geschoven wordende, daarin klemt en dus blijft hangen.
Wil men de tafels uit eene woning nemen, dan schuift men er eerst dezen bak in, doch laat er hem een eind buiten uitsteken. De bijen, die van de tafels vallen, zullen er dan in blijven liggen. Na afloop der bewerking, worden zij met eene penneveêr in de woning geveegd. Ook kan men dezen bak, bij het uitnemen der tafels, daaronder houden om, wanneer het ongeluk wilde dat eene zware honigtafel afbrak, haar daarin op te vangen.
DE SCHEPPER.
De schepper wordt gebruikt om de bijen, uit of in de woning en overal waar zulks verder noodig is, te scheppen. Hij wordt, even als de stortbak, van zink gemaakt. Hem van blik te maken is minder goed, omdat dit ligt roest; de bijen zouden er dan aan blijven hangen. Men geeft hem eene breedte van 6 en eene lengte van 7 duim (zie fig. 19); de opstaande rand moet 2½ duim hoog en naar den voorkant afgerond zijn; aan het achtereind is een steel bevestigd, die het behandelen gemakkelijk maakt.
EEN IJZEREN HAAK.
Om de dooden en de onreinheden, die zich op den bodem der woning verzamelen, daaruit te verwijderen, maakt men gebruik van een ijzeren haak, bestaande in een plat vierkant stuk ijzer, van ½ duim breed en ⅛ duim dik, waarvan het eene einde regthoekig omgebogen is. Het omgebogen gedeelte is 1½ duim lang. Aan het andere uiteinde wordt een handvatsel bevestigd. De lengte moet, met het handvatsel, ongeveer 16 duim zijn, men kan dan met den haak den geheelen bodem zuiveren.
Reeds meermalen is het gebruik maken van een moederhuisje aanbevolen; thans zullen wij er nader kennis mede maken. Zijne bestemming is eene moederbij van de overige bijen afgezonderd te houden, maar deze toch gelegenheid te geven om haar voedsel toe te reiken. Wanneer het nu maar zoo ingerigt is, dat dit mogelijk is en dat de gevangen moederbij versche lucht bekomt, en er zich in kan omdraaijen, dan is het overigens onverschillig hoe en waarvan men het maakt. Het traliewerk, dat er voorgemaakt wordt, mag niet zoo wijd zijn, dat de bijen er den kop door kunden steken; bij het terug halen konden zij hem aftrekken; toch moeten zij er de koningin door kunnen voêren. De wijdte zal goed zijn als men, op eene lengte van 1 duim, negen stijltjes zet, die de dikte van eene dunne breinaald hebben.

Men maakt wel moederhuisjes van een stukje vlierhout, door er het merg uit te doen, er in de lengte eenige sneden in te geven en de uiteinden met kurken te sluiten. Beter is het echter een rond stukje wilgenhout te nemen, van 1 duim dik en 5 duim lang; daarin worden ½ en 2 duim van het eene uiteinde, zaagsneden gemaakt, die even voorbij het midden gaan; tusschen deze zaagsneden steekt men het hout weg. Men neemt nu stukjes ijzerdraad, van 2¼ duim lang, en buigt de beide uiteinden daarvan ¼ duim regthoekig om. Met eene els worden nu, ⅛ duim boven en onder het weggestoken gedeelte (zie fig. 20), gaatjes in het hout gemaakt, waarin de omgebogen einden der ijzerdraadjes worden geslagen. Het langste gedeelte van het hout wordt nu tot eene punt gesneden, welke dient om in de strookorven gestoken te worden. In plaats van deze punt, zou men ook een spijker in het hout kunnen slaan. Boven wordt nu een gat, van ruim ¼ duim doorsnede geboord, waardoor de moederbij uit en in het huisje gelaten wordt. Dit gat wordt met eene kurk gesloten.

Voor Dzierzon’s woningen is het beter de moederhuisjes zoo in te rigten, als fig. 21 dat voorstelt. Men neemt er een stukje zacht hout voor (linden-, wilgen- of populierhout) van 2½ duim lang, 1 duim breed en ¾ duim dik; ½ duim van de uiteinden van eene der breedte-zijden worden zaagsneden, van ruim ½ duim diep gemaakt, waartusschen het hout wordt weggestoken. Over de voor- en de bovenzijde worden nu, zooals boven gezegd is, ijzeren traliën gemaakt; de onderkant wordt gesloten met een houten klosje, dat weggenomen kan worden, om door de opening de moederbij uit en in het huisje te laten.
Dit huisje kan overal in den stok geplaatst worden, waar de bijen er bij kunnen. Men kan het op de staafjes leggen of het aan de staafjes, midden in het broednest hangen, door er een ijzerdraad door te steken, en dien boven het staafje om te buigen; het kan tusschen de staafjes gestoken, ja zelfs in de tafels zelven geplaatst worden, door hierin eene opening te snijden, waarin het past.
Wanneer men zijn bijenstand door afleggers wil vermeerderen, of koninginnen in voorraad wenscht te hebben, om daarover bij voorkomende gevallen te kunnen beschikken, dan is het goed eenige moederhuisjes te hebben, die zooveel grooter zijn, dat er moedercellen, zonder haar te beschadigen, in gelegd kunnen worden. Aldus worden zij, in een warm gedeelte van den stok geplaatst, waar de koninginnen dan uitgebroeid zullen worden, zonder dat de bijen haar kunnen uitbijten. In den zwermtijd heeft men soms den eenen dag verscheidene moedercellen te veel, terwijl men haar op een anderen dag gaarne zou hebben, zonder haar evenwel te kunnen bekomen. Het is dan goed er eenigen in voorraad te hebben.
Om de bijen zelven de in een huisje besloten moederbij in vrijheid te doen stellen, sluit men de opening slechts voor de helft met een houten klosje, en maakt het open gebleven gedeelte met een wasplaatje digt, waartoe men een stukje wastafel plat drukt, dat nu met de punt van een warm mes, gemakkelijk wordt bevestigd. De bijen bijten dit plaatje door, en nemen de moederbij dan het zekerst aan.
In enkele gevallen kan men zich, voor de opsluiting van eene koningin, ook van een langen pijpedop bedienen; inzonderheid wanneer men haar in de tafel zelve wil plaatsen.
VOEDERBAKJES.
De voederbakjes kunnen van potaarde gebakken, of van dunne plankjes of blik gemaakt worden. Aan blikken geef ik de voorkeur, wanneer zij tegen het roesten, binnen en buiten geverwd zijn. De lengte ab (zie fig. 22), wordt ¼ duim kleiner genomen dan de breedte der woningen: nadat het deksel er opgelegd is, kan het dan gemakkelijk daarin geschoven worden, en op de staafjes staande, de plaats van een dekplankje vervangen. Het wordt 3 à 4 duim breed en 2 duim hoog gemaakt. In het midden van den bodem moet een buisje c, van 1½ duim hoog en 1 duim wijd, worden gesoldeerd, waardoor de bijen, van den onderkant, in het bakje kunnen komen, zonder dat het voedsel er uit kan vloeijen. In dit bakje wordt een plankje de gelegd, dat er gemakkelijk in op en neder bewegen kan, en in welks midden een gat f is, waardoor het buisje c heengaat. Dit plankje moet op het voedsel drijven, opdat de bijen daarin niet zouden verongelukken. Er moeten of zaagsneden, zoo als in onze figuur, in gemaakt worden, of het moet zooveel mogelijk doorboord zijn met gaatjes, van omtrent 3⁄16 duim middellijn. Door de zaagsneden of de gaatjes kunnen dan de bijen het voedsel opnemen, zonder het minste gevaar te loopen daarin om te komen.

Het deksel gh moet gemakkelijk op het bakje gelegd en daaraf genomen kunnen worden, zonder evenwel reten te laten, waar bijen door kunnen kruipen. In het midden maakt men eene opening i, van 3 duim lang en 2 duim breed, waarin een stuk glas wordt bevestigd, waardoor men, zonder er het deksel af te nemen, zien kan of er nog voedsel in het bakje is. Dit glaasje moet goed bedekt worden; want zagen de bijen er licht door vallen, dan zouden zij het met was bekleeden. Aan het eene einde van het deksel kan men een pijpje k laten maken, dat met eene kurk gesloten wordt, en waardoor men, met behulp van een trechter, het voedsel in het bakje kan brengen, zonder dit te openen. Het plankje de moet nog voorzien zijn van twee touwtjes l en m, die door de reten n en o van het deksel heengaan en waarmede men, het bakje gesloten latende, nadat het voedsel er in gedaan is, het plankje opligt; anders kon het op den bodem blijven liggen, en dus zijne bestemming missen.
Om in het geheel niet door de bijen gehinderd te worden, kan men, bij het vullen van het bakje, het buisje c sluiten. Daarvoor moeten in de zijwanden van het bakje gaatjes p en q gemaakt worden, waardoor een ijzerdraad rs geschoven kan worden, aan welks midden een blikken plaatje t bevestigd is, dat vlak langs den bovenrand van het pijpje c beweegt. In het deksel moeten voor dezen ijzerdraad ook openingen gemaakt worden, waarvan er hier eene bij u gezien wordt. Ziet men door het glaasje dat er nog bijen in het voederbakje zijn, dan blaast men door het pijpje k daarin eenigen rook; zij zullen het dan spoedig verlaten, waarna men het buisje c sluit. Het deksel kan nu van het bakje genomen worden. Na het met voedsel gevuld te hebben, sluit men het weder en trekt het plaatje t van de opening c weg.