GOENA-GOENA. (continued 4)
Reading edition
„En ik zal met dat gemeene schepsel onder één dak wonen, nog een week lang!”
„Marie, dwing me niet tot uitersten. Ik heb je gezegd, wat de reden is. Voor mijn genoegen is het niet, en voor het hare evenmin, want ik zal haar moeten verzoeken.…”
„Há, há! Je zult haar moeten verzoeken, mij de gunst te bewijzen nog een week lang haar valsch gezicht te zien.”
„Ik herhaal,” zei hij met een zucht, „dat ik me niet aan een wederlegging waag van je qualificaties; nu althans niet; maar het is toch zoo; ik zal mevrouw Den Ekster moeten verzoeken hier te blijven. Ik verzoek je: maak nu asjeblieft geen bezwaren, want als het noodig was, dan.…”
„Dan?”
Ze stonden tegenover elkaar bleek en met stille woede op het gezicht. Nog nooit hadden ze zóó gestaan.
Hij sprak het woord niet uit.
„’t Is goed,” zei ze met bevende stem, „de slet kan voor mijn part hier blijven. Maar geen dag langer, dan tot je terugkomst. En laat ik haar zoo weinig mogelijk te zien krijgen!”
Zonder een woord van tegenspraak verliet hij de kamer. Het naastbijliggend doel was bereikt.
„Ik heb het in orde gemaakt,” zei hij glimlachend tegen Betsy, toen hij op ’t kantoor terugkwam; „je blijft nog acht dagen hier. Vandaag vertrek ik, en hier”, vervolgde hij met ’n potlood een papiertje beschrijvend, „is mijn adres. Laat nu verder alles maar aan mij over. Ik zal voor alles zorgen, en dan ga je de volgende week in je eigen huisje”.
Zij glimlachte hem veelbelovend toe. Het was een groote geruststelling. Niet, dat zij een weigering vreesde, als zij hem om hulp vroeg; maar dat deed ze liever niet; ze vond het wèl zoo aangenaam, dat hij uit zichzelven had aangeboden haar financiëel te helpen. Overigens besloot ze die week in haar gewone rol te blijven, en tegenover Marie zooveel mogelijk te doen, alsof er niets was gebeurd.
Hij had haast om weg te komen. Als altijd pakte Marie zijn koffer. Zij had geen oogenblik geaarzeld. Het mocht wezen gelijk het was, worden zooals ’t zijn zou—zij zou haar gewonen plicht doen zoolang zij onder één dak met hem woonde, als zijn wettige vrouw, en zij zou ook alles doen, dàt nam zij zich ernstig voor, om zijn goeden naam te sauveeren; het was immers ook de naam harer kinderen! Maar bij zichzelve en met trage hand zijn overhemden om en om rangschikkend in den leeren koffer, dacht ze er toch aan hoe machteloos een vrouw is in zulke omstandigheden. Het was vroeger nooit bij haar opgekomen, ’t idée dat Jean een andere vrouw zou verkiezen boven haar; maar als zij er toen aan gedacht had, dan zou zij ongetwijfeld allerlei wraakzuchtige en verschrikkelijke plannen hebben gesmeed; zich allerlei heftige scènes hebben voorgesteld, de een al geweldiger dan de andere.
En nu het een feit was, al ontkenden ook hij en zij; nu het naar haar idée waar moest wezen,—nu liet zij de bewerkster van haar ongeluk nog acht dagen wonen in haar huis, en ze.… pakte zijn koffer; het een om geen schandaal te maken, het ander uit plichtgevoel. Och, dat laatste hinderde haar zoo niet, maar die Betsy had ze, dat voelde ze, met eigen krachtige handen het leven kunnen benemen.
En wat zou het verder worden tusschen hen? Het was natuurlijk uit! Alles, alles uit! Zij hield een oogenblik op met het inpakken van dat haar zoo bekende goed, door haarzelve gekocht, door haar zorgen in orde gehouden, onder haar eigen oogen gedragen, vaak zóó dicht bij haar, alsof het haar eigen was.
En nu was het voor altijd uit!
De gele zonnestralen drongen trillend van warmte en licht door de donkere stijf gesloten stores in de kamer, te verdeeld om het duister te breken, er door heen schietend, als pijlen naar een doel en in kleine lichtkringen stuitend op muren en kasten. Het was alles zoo rustig en stil in dien schemer en het koeren van den perkoetoet, die in een kooi hing op het achtererf, gaf alleen meer relief aan de doodsche kalmte in het groote huis. Een diepe neerslachtigheid kwam over haar. Ze ging op den divan zitten naast den geopenden koffer en weende. Ze had hem inniger lief, dan ze ooit liet blijken met haar gemoedelijken weinig demonstratieven aard. Nu ze meende hem te verliezen trof het haar vreeselijk zwaar; het was een slag, waaronder ze in stilte bitter leed en dat in stilte zou blijven doen, omdat zij geen schandaal wilde maken.
Hij was blij, dat hij voor ’n dag of wat weg kwam. ’t Was zoo’n pijnlijke positie vond hij, in huis, en het scheen hem alsof hij een gevangenis ontsnapte, toen hij zijn leden in den reiswagen uitstrekte en een versche sigaar opstak. Hij gevoelde zich niet geheel wel, wat hij toeschreef aan de agitatie door de jongste gebeurtenissen. Hij had Marie een kus willen geven, toen hij wegging, en tegelijk had het hem getroffen, dat zij toch een fraaien hals had en eigenlijk heelemaal een knappe vrouw was; zij had hem afgeweerd, met een gebaar vol minachting. Nu, ook goed! Maar soezerig voelde hij zich ’n beetje de laatste dagen, met een uitgedrukte neiging om doelloos voor zich uit te staren. Dan gingen hem flauwtjes allerlei beelden voorbij den geest, en die hadden meest allen iets van Betsy, tot het eindelijk haar gezicht was en haar figuur, dat hij zag en dat zich op allerlei wijzen bewoog en zich liet zien. Hij glimlachte dan in zijn eentje onwillekeurig tegen dat beeld, dat hem in die slaperige momenten van afgetrokkenheid zoo duidelijk voor de oogen stond. En als opgewekt door die voor hem alleen zichtbare wellustige vormen, neuriede hij een liedje uit zijn jongelingstijd, iets, vroeger gehoord in een café chantant te Rotterdam onder het drinken van champagne met sterk gedecolleteerde vrouwen, die erg gemakkelijk waren; iets, dat hij dacht reeds lang vergeten te zijn, maar dat nu, onder deze omstandigheden, aanleiding scheen te vinden in zijn herinnering op te doemen. Zoo reed hij door, half droomend, zonder te letten op het hinderlijk op- en neerhossen van den wagen over den hobbeligen weg, en het voorbijsnellen der rietvelden, sawahs, desa’s en fabrieken.
En Betsy ging in huis haar gewonen gang; zoo juist alsof er volstrekt niets was gebeurd, dat na twee dagen Marie volkomen gederouteerd was. Eerst had zij geen antwoord gegeven, als Betsy iets zei, dan nu en dan een enkele maal ja of neen; maar de jonge weduwe scheen zich niets daarvan aan te trekken en maakte er zich koud noch warm om.
„Heb je dan in het geheel geen eergevoel?” had Marie, ten einde raad, uitgeroepen.
„’t Schijnt wel van neen,” antwoordde Betsy bleek, maar met een onverstoorbaren glimlach om haar lippen.
En toen Marie haar ontzet en verstomd bleef aankijken, ging ze op een anderen toon voort, klagend, kinderlijk klagend haast:
„Niet als ik valsch beschuldigd word en er de dupe van ben. Dan niet!”
„Hoe is het mogelijk? Mensch, hoe kan je daar zoo koelbloedig over spreken? Je bent anders tamelijk lichtgeraakt en volstrekt niet van ijzer of steen.”
„O neen!”
„Hoe kan je dan zoo verschrikkelijk kalm en onverschillig blijven. Dat is het grootste bewijs van je schuld.”
„Natuurlijk. En als ik u de oogen uitkrabde en het huis in rep en roer bracht, schreeuwende en scheldende, wat dan?”
„Ik weet het niet, maar ik zou het nog liever zien.”
„Wel neen, want dan zou dat toch ook weer ’n bewijs wezen van schuld.”
„Dat zou het niet.”
„Zeker, dat zou het wel. Het zou bewijzen, welk een gemeen schepsel ik was, en hoe, nu ik zag dat ik ontdekt was, mijn waar karakter boven kwam.”
Er was waarheid in; Marie voelde het, maar zij kon niets zeggen. En Betsy, die bemerkte dat zij terrein won, wierp het hoofd in den nek, en trok met ’n air haar lippen samen.
„Ik heb ondervinding genoeg van de menschen,” ging ze voort, „al ben ik nog jong. Tegen den laster valt niets te doen. Niets! Het is dan veel gemakkelijker schuldig dan onschuldig te wezen.”
Ze had haar stem laten trillen, zoodat men er als het ware de tranen in hooren kon.
Wel twee minuten zwegen beiden.
Marie zat op een stoel aan de groote mahoniehouten tafel in de achtergalerij, leunend op de ellebogen, met het gelaat op de handen rustend, in ernstige gedachten; Betsy liep heen en weer, nu eens het deksel van den koffiefilter oplichtend om er wat water bij te doen, dan weer haar aandacht wijdend aan de melk, die in een pan op ’t petroleumtoestel stond te koken.
„Hoor eens,” begon Marie op dien beslisten toon, dien ze kon aannemen, als er iets gaan moest, zooals zij wilde en niet anders. „Ik wil gelooven, dat het mogelijk is. Een bepaald bewijs heb ik niet. Vertrouwen kan ik je niet; ik weet niet wat het is, maar er is iets in me, dat het belet en dat sterker is dan mijn wil. Maar omdat je het nu zoo zegt, wil ik het gelooven.”
Betsy haalde de schouders op.
„Voor zoo lang het duurt. Dank u.”
„Ik kan er niets tegen doen.”
„Welnu, laat het dan maar blijven, zooals het is.”
Maar dàt wilde Marie niet, die nu met elk woord èn meer vreesde voor haar eigen zedelijke overtuiging, èn meer hoop begon te voeden, dat ze ten slotte zou kunnen gelooven, wat zij zoo gaarne had geloofd.
„Betsy”—het was de eerste maal, dat mevrouw van Bronkhorst haar weer bij haar doopnaam noemde—„ik ben zoo openhartig tegen je geweest, als ik zijn kon. Als ik verzekerde, dat je mijn vertrouwen terughadt, dan zou ik liegen, en dat wil ik niet.”
„Het hoeft ook niet; ik ga toch weg.”
„Ja, en dat moet bepaald blijven.”
„Natuurlijk. Ik denk er niet aan mijn besluit te veranderen.”
Dat trof Marie, en het stemde haar aanmerkelijk zachter. Inderdaad was het haar besluit geweest, en nu handhaafde zij dat zonder aarzelen, in plaats van een appeltje op te werpen in andere richting.
„Waar denk je heen te gaan?” ontviel haar, haast onwillekeurig.
„Dat weet ik nog niet, maar dat ik ga is zeker.”
„Het is,” zuchtte Marie, „zulk een verschrikkelijk geval!”
Betsy barstte uit in een gemaakten schaterlach, die mevrouw van Bronkhorst deed schrikken.
„Voor wie, als ik vragen mag? Voor u zeker! Het is belachelijk; het is naar!”
„Het past je niet op die manier te spreken,” riep Marie verontwaardigd.
„Nu, het is goed,” antwoordde Betsy, haar fout herstellende, „ik zal het alles wel als koek opeten. Het is dan verschrikkelijk voor u te moeten denken,.… wat niet waar is, dat kan ik bezweren; maar voor mij is het immers niets om onder zoo’n verdenking te gaan, en me dat in m’n gezicht te hooren zeggen. Wel neen! Ik ben maar een arme weduwe. Voor zóó een komt er dat niet op aan. Was ik een rijke notarisvrouw, dan werd het een heel ander geval.”
Er viel weinig tegen die opvatting te zeggen. Het ging Marie als ieder welgesteld mensch, tegenover een minder bevoorrechte, die zijn armoe als een soort martelwerktuig dienst laat doen. Zij wilde Betsy niet volgen in die richting; dat ging niet.
„Ik herhaal, dat ik er niets aan kan veranderen. Het beste is er niet verder over te spreken, ’t Is nu uitgemaakt, dat je hier niet blijft wonen. Laat ons nu verder niet twisten, en.…”
„En?”
„Nemen we aan, dat het mijn schuld is; dat ik niets had moeten gelooven, en je had moeten blijven vertrouwen.”
„Het is fraai! Een goede troost! Maar soedah, ik zal het aannemen.”
„Dan als je het zoo beschouwt, kan je ook mijn hulp niet weigeren.”
„Geld?”
„Natuurlijk. Waarom niet?”
„Ja, dat maakt recht wat krom is. Ik weet het wel. Maar ik zal er geen gebruik van maken.”
„Ik.….”
„Neen,” herhaalde Betsy met oogen glinsterend van triomf. „Laat ons iets anders aannemen. Ik blijf niet en al smeekte men mij op de knieën, dan bleef ik nog niet. Men heeft mij schandelijk beleedigd, maar ik wil net doen of er niets is gebeurd; ik wil er niet verder over spreken.”
„Dat komt op hetzelfde neer van uw kant.”
„Doch, als ik het zóó beschouw, kan ik uw hulp niet aannemen.” Zij sneed alle verdere conversatie af en ging de gang in naar haar kamer, waar ze lachend op een der fraaie stoeltjes ging zitten.
„Apa,” vroeg de meid nieuwsgierig over haar grooten hoornen bril kijkend, die ze op had onder ’t goed verstellen.
Betsy moest eerst uitlachen.
„Zij wil me geld geven.”
Nu lachte de oude mee.
„Terlaloe!” zei ze, en na eenige oogenblikken voegde zij er lachend aan toe: „Nonna zal toch wel zoo gek niet wezen.”
„Dat kan je begrijpen.”
Bij Marie was de geestetoestand zeer veranderd. Haar wantrouwen had een geduchten knak gekregen. Natuurlijk moest Betsy weg, maar zij had zich voorgenomen inderdaad te doen alsof er niets was gebeurd, en dat deed ze ook tot vreugde van Betsy, die nu de dagen daar in huis veel draaglijker vond.
’s Middags vertelde Sarinah haar meesteres, dat er ’n brief was en een pakje. De brief was van Bronkhorst; het pakje bevatte een ring met diamanten steen; verheugd deed zij hem aan haar vinger.
„Wat heb je daar ’n mooien ring aan,” zei Marie verbaasd en ergdenkend, toen zij elkaar zagen in de voorgalerij.
„Ik heb hem al jaren,” antwoordde Betsy, met teederheid naar den ring ziende aan haar vinger, terwijl zij den steen liet flonkeren in het licht. Ik kreeg hem van iemand, met wien ik voor mijn trouwen in stilte geëngageerd was. Den Ekster wilde nooit dat ik hem droeg. Ik heb hem nu maar weer eens aangedaan.
Het bleef er bij. Er werd niet verder over gesproken, maar toch vond Marie het vreemd; Betsy was immers al wel zóólang in huis, dat zij haar bijouterieën alle moest hebben getoond; men kon het van zoo’n coquette vrouw haast niet verwachten, dat ze zoo’n mooien ring achterwege zou laten!
Bronkhorst had meer brieven geschreven. Een daarvan aan zijn vertrouwden klerk, die voor een woning zou zorgen. Een „eigen huisje” zooals hij zich had uitgelaten, was hem ten slotte minder wenschelijk voorgekomen. De klerk had een Europeesche weduwe gevonden, die niet ver van het notarishuis woonde in een zijlaan en heel gaarne „die dame” tegen goede betaling in huis zou nemen. Dat schreef hij ook aan Betsy. Den volgenden ochtend was zij vroeg uit; toen ze terugkwam, zei ze:
„Ik heb een geschikte gelegenheid voor me gevonden.”
„Zoo. Dat is goed.”
„Ik ga bij mevrouw Duhr inwonen.”
„Bij die oude vrouw, ginds in de laan?”
„Ja.”
„En vervolgens?”
„Hoe vervolgens?”
„Wel je zult toch zeker niet hier op de plaats blijven?”
„Dat weet ik nog niet; het hangt er van af.”
„Waarvan af?”
„Wel, of het me bevalt.”
„Dus ga je niet naar de familie Borne?”
„Voorloopig niet.”
„Maar.…”
„Wat wilde u zeggen?”
„Ik begrijp het niet.… Je hebt geen geld.”
„O, ik heb nog wel iets. En bij Mevrouw Duhr betaal ik maar weinig. Ik help haar ’n beetje.”
„Maar wat is je bedoeling?” vroeg Marie met heimelijken angst. „Waarom wil je hier blijven? Wat heb je er mee voor?”
„Niets.… waar moet ik dan heen?”
„Naar je oom en tante.”
„Als de nood aan den man komt, is dat altijd nog te doen. Wie weet of ik.… voor dien tijd niet hertrouw.”
Zij wilde het gesprek niet verder voortzetten en liep naar haar kamer om de koffers in te pakken. Al doende vertelde zij het aan Sarinah. De oude moest er om lachen. „Te erg toch, zoo doof en blind die vrouw was,” meende zij.
„Ik zeg haar niet goeden dag,” zeide Betsy.
„Hoe dan?”
„Ik zal mijn koffers laten laden op een paar grobaks, en als die zijn weggereden, gaan wij ook te voet.”
„Ik begrijp het niet!” zei de oude. „Waarom?”
„Het is mij niet mogelijk. Soedah, ik zal haar een briefje schrijven.”
Zij deed het, en Sarinah bracht het briefje. Mevrouw Bronkhorst, die zich weer minder wel gevoelde, lag op een bank.
„Is mevrouw ziek?”
„Ziek niet, maar toch niet lekker.”
„Ik heb een briefje van nonna Betsy.”
Marie nam het aan. „Mevrouw!” stond er. „Op het oogenblik, dat ik vertrek, stuit het mij tegen de borst een hartelijk afscheid van u te nemen. U hebt mij wel eens geholpen, maar na het gebeurde, geloof ik niet, dat ik u daarvoor nog eenigen dank schuldig ben. Ik zal aan u denken. Dat beloof ik u.
Wed. Den Ekster.”
Een onbehaaglijk gevoel bekroop mevrouw Bronkhorst.
„Waar is je mevrouw?” vroeg zij de meid.
„Al weg. Kasian, zij is zoo ongelukkig.”
„Het is goed. Bilang bajiq.”
„Heeft mevrouw niets anders te gelasten.”
„Dank je.”
„Als mevrouw misschien mij noodig mocht hebben, dan wil ik altijd dadelijk komen.”
„Dank je.”
„Mevrouw is altijd zoo goed geweest voor me. Ik ben maar een oud mensch, dat wel spoedig dood zal gaan, maar als ik mevrouw kan dienen met iets, wil ik altijd graag. En ik bedank mevrouw wel voor alles wat ik van mevrouw heb gekregen.”
Het deed Marie aan. Zie, dat was nu een oude inlandsche vrouw, afgeleefd, hoestend en steunend, die ze soms wat eten of ’n fooitje of ’n stukje kleeren had gegeven, en die arme ziel zat daar dankbaar op den grond, ofschoon ze korte, norsche antwoorden kreeg.
„Het is goed, nèh,” zei ze met zachtheid. „Je mag nu en dan eens hier komen. Ik zal zien of ik dan niet iets voor je heb. En als je mevrouw soms mocht heengaan, en zij kan je niet meenemen, kom dan maar gerust hier; ’n bordje rijst kan je altijd nog wel bij me verdienen.”
Nogmaals dankend, strompelde Sarinah het huis door. Onwillekeurig stond Marie op en vergezelde haar naar voren. De oude keek in de fraaie voorgalerij rond, alles bewonderend.
„Och,” zei ze steunend. „Het is hier alles zoo mooi. Als mijn arme nonna eens zulk een huis had, wat zou ze gelukkig wezen!”
„Niet iedereen kan hetzelfde hebben,” antwoordde Marie weer een beetje boos.
„O neen; de eene mensch is rijk, de andere arm; dat is zoo beschikt.”
Zij ging heen, waggelend als van zwakte en ouderdom onder de reusachtige waringins op het voorerf.
Toen ze het Betsy vertelde, had deze er pret in.
„Nu kan ik er komen, als ik wil,” zei de oude. „Wie weet of dat niet goed kan wezen. Al dat kwaad zijn helpt niet.”
„Je bent een slim oud beest, nèh,” antwoordde Betsy bijwijze van compliment. „Ik ben blij, dat ik dat wijf nu niet meer zie. Brr! Hoe was ze?”
„Ze lag op een bank, en ze was onlekker. O, ze zal wel naar boven moeten. Wacht maar!”
„Ze had al lang weg moeten wezen.”
„Dat had ze ook. Ze is sterk, dat heb ik al dikwijls gezegd. Bij hem gaat het beter.”
De oude wees naar het einde der laan. Er kwam in de verte een wagen aan met vier paarden bespannen.
„Hij kan het nog niet wezen, nèh. Volgens zijn brief komt hij pas morgen.”
„Misschien heeft hij haast.”
Betsy lette niet meer op hetgeen de meid zei; haar aandacht was alleen gevestigd op den reiswagen, die met woeste vaart naderde; zij herkende inderdaad het rijtuig van Bronkhorst.
„Wel, ben je nu goed geïnstalleerd?” vroeg hij, haar naderend met uitgestoken hand.
„Heel goed, voorloopig. Ben je niet wél?”
Het ontviel haar toen ze zag, dat zijn gelaat vrij bleek zag met donkere kringen om de oogen.
„Zeker. Misschien wat vermoeid van dat langdurig hossen tusschen de wielen. Ik ben blij dat ik je zie.”
Zij lachte, en met haar gezicht bij het zijne:
„Je moest ook eens niet blij wezen!”
„Ik bedoel, dat ik je zie in werkelijkheid; in gedachten zie ik je altijd.”
„Nu ja, ’t zal wat wezen!”
„Waarachtig Betsy, het is zoo. Als dàt veel van iemand houden is, dan ben jij de eerste op wie ik verliefd ben.”
Zij trok de wenkbrauwen samen. Het beviel haar niet. Wat hij zei, klonk openhartig en waar. Maar er was geen enthusiasme bij. Als hij vroeger, toen ze nog bij de Borne’s woonde en alleen te visite kwam bij de familie Bronkhorst, door haar coquetteeren eenigszins opgewekt werd tot galanterie, dan kwam het van harte; dan was er leven en vuur in zijn blik en in den klank zijner stem, Nu scheen hij een willoos werktuig. Maar het was geen tijd om lang over zulke dingen te denken. Wat kwam het er ook op aan, of hij werkelijk liefde voor haar gevoelde en zou blijven voelen? Nonsens! Als zij hem maar zóóver kon brengen, dat hij scheidde van zijn vrouw en haar trouwde. De rest kon haar minder schelen. En als hij aan het juk trok, zou zij hem dat wel afleeren!
„Praat nu maar geen gekheid. Wil je ’n kop thee?”
„Als je het bij hand hebt.”
„Zeker. Ik zal even naar achteren gaan.”
Bronkhorst leunde achterover in een rotanstoel en keek naar de lommerrijke kruinen der boomen. Betsy liep vlug naar de kleine eenvoudige achtergalerij, om dadelijk ’n kop thee te zetten; zij wist dat hij daarvan hield als hij uit was geweest en dorst had.
„Is er warm water?” vroeg zij mevrouw Duhr.
„Zeker. Wilt u het gebruiken?”
„Ja. O, het kookt, dat is heerlijk.”
Zij had op alles gerekend, en er stond in haar kamer een vrij groote hoeveelheid van de fijne Chineesche thee, die Bronkhorst gewoon was te drinken.
„Blijft de notaris hier?” vroeg mevrouw Duhr.
„Dat is te zeggen, ik maak even een kop thee voor hem klaar, en ik heb nog wat gebak meegebracht.”
„Neen, ik bedoel of hij hier blijft eten, en dan verder.…”
„Maar mevrouw, hoe komt u er aan?”
„Wel.… ik dacht het.… omdat iedereen het zegt hier op de plaats. Er wordt zooveel over gesproken.… en als ik het niet had gedaan om het geld.…”
„Dan hadt je me niet in huis willen hebben. Nu, ik ben u veel verplicht. Enfin, het kan me volstrekt niet schelen. De menschen mogen voor mijn part precies zeggen wat zij willen. Ik trek me er niets van aan, en u zult verstandig handelen, als u dat ook niet doet. U zult zelf wel zien, hoe kwaad spreken en waarheid spreken verschillen.”
Toen ze Bronkhorst de thee en de kwee-kwee bracht, waarop hij ongeduldig wachtte, vertelde zij hem wat mevrouw Duhr had gezegd. „Laat ze maar praten. Het is niet waar, en het zal op zoo’n manier ook niet waar worden. Maar,” voegde hij er bij met een zucht, „ik wou wel Bets, dat jij mijn vrouw waart.”
Weer kwam het gevoel van ontevredenheid bij haar op. Het was de ware begeerte ook nu niet; het was veel meer de zucht van iemand, die een kruis draagt, slechts één uitweg weet om er van verlost te raken, en natuurlijk in die richting wil gaan. Het was weer iets ongezonds. Maar ze boog zich over hem heen en zag hem vlak in de oogen, zoo vleiend en verleidelijk als ze maar kon.
„Ja, als dàt eens waar was!.… Toe, laat me ook eens drinken.”
Hij bracht ’t theekopje aan haar mond, en zij nipte er even aan, zonder haar oogen van de zijnen af te wenden; maar toen hij haar ook een stukje van het gebak wilde geven, weigerde zij; ze had er geen trek meer in, zei ze, want ze had er al veel van gegeten.
Een uurtje later ging hij heen; in de binnengalerij om een hoekje kusten ze elkaar goeden dag. Het had hem ’n beetje opgewekt, maar dat gevoel van verlichting verdween weer toen hij in het rijtuig zat, en ontstemd en nurksch trad hij zijn eigen huis binnen. Regelrecht ging hij naar zijn kamer.
„Bonjour,” zei hij, zonder meer, Marie voorbijgaand, die hem ’n klein eindje te gemoet kwam. Tot de voorgalerij gaan, zooals vroeger, was haar te sterk geweest; nu speet het haar dat ze een voet had verzet; zulk een hondsche bejegening had zij niet verwacht.
Zij verwachtte, dat hij aan tafel zou ontdooien voor zijn lievelingsgerecht, maar het gebeurde niet. Hij sprak met haar over onverschillige zaken op onverschilligen toon. Nu en dan staarde hij in de ruimte, en als zij hem dan aankeek, zag ze hem glimlachen. Wat was dat? Zij had hem nooit droomerig of verstrooid gekend; hij was altijd een bij uitstek practisch man met een krachtig gestel en volstrekt niet sentimenteel van aard.
Maar ze vroeg hem niets, ook niet toen ze zag, dat hij zijn goed in een andere kamer liet brengen. Het trof haar wel, maar ze zei niets; ze was er te trotsch voor. Indien hij dacht, misschien, dat zij dááraan zoo’n overweldigenden lust had, dan vergiste hij zich en wist hij niet eens wat ’n fatsoenlijke vrouw was. Zij had altijd gaarne ’t lieve met hem gedeeld, maar ze kon het ontberen, als het noodig was, en dat kon hij niet. En als hij niet verder ging, dan zij hoopte en vertrouwde dat hij gegaan was, welnu, dan zou hij ook weer tot haar terugkeeren, omdat hij haar noodig had en niet buiten haar kon. Ze vond haar eigen berekening griezelig, en zou, een maand vroeger, met verontwaardiging het denkbeeld hebben verworpen, dat ze zich met zulke gedachten zou troosten. En nu de practijk van den tegenspoed kwam, deed zij het vanzelf.
Vermoeid van de reis ging hij vroeg naar bed.
„Ik heb mijn boel maar laten overbrengen.”
„Dat heb ik gezien.”
„Het is tegenwoordig zoo warm.”
„Zeker. Het is veel aangenamer alleen te slapen.”
„Wel te rusten.”
„Goeden nacht.”
Het was dezelfde doffe toon vol onverschilligheid, waarop hij den ganschen dag had gesproken, en die haar nu verbaasde en eenigszins ongerust maakte. Ze ging naar bed, maar werd na een paar uren met schrik wakker. Ze luisterde: neen, de kinderen waren het niet; het was Jean, die in de achtergalerij op en neer liep. Ze luisterde opnieuw: hij opende een kast en nam wat brendy.
En terwijl zij uit gewoonte en van vermoeidheid weer insliep, strekte hij zich achter op een langen rotan-stoel uit en was klaarder wakker, dan hij den geheelen dag was geweest; nu eens zat hij tien minuten te staren naar zijn schoon visioen, dan weer neuriede hij opwekkende liedjes, of sprak bij zichzelven. Het boek, dat hij had ter hand genomen, om zich in slaap te lezen, bleef ongeopend op de tafel liggen.
Hij hoorde de klokken elk half- en heel uur slaan; de metaalklank resonneerde door de ruimte van het huis, en droog en hard vielen daartusschen, buiten in den stillen nacht, de slagen van sommige nachtwakers op hunne blokken, terwijl die van anderen, dichter bij of verder af, dof en zwaar klonken, soms zoo rhytmisch alsof het met opzet was geregeld.
Haast al dien tijd dacht hij aan Betsy. Soms beproefde hij aan iets anders te denken, maar het gelukte slechts ’n minuut of wat. Hoe het ook ging, over welke schijven hij zijn gedachten dwong te loopen, altijd kwam een oogenblik—en het kwam heel spoedig—dat hij in verbeelding weer bezig was met haar. ’t Verschrikte of verwonderde hem zelfs niet, want ook toen hij dien nacht deze ontdekking deed, glimlachte hij weer bij zichzelven om het feit. Het ging hem als sommige jongelieden in een stadium van voorbarig en overweldig ontwikkelenden hartstocht, als het hun physisch onmogelijk is hun aandacht te bepalen bij hun werk of hun studie, en hoeveel geweld ze hun menschelijke hersenen ook aandoen, de faunen toch dadelijk weer den baas spelen. Nu, hij streed er niet zoo heel erg tegen; hij had het niet kunnen doen; zijn zwakke poging was meer een streven naar rust, die hij toch wel besefte noodig te hebben.
Eerst toen tegen den ochtend een kille wind door de naalden der tjemara’s op het erf ruischte, kwam er ’n beetje ontspanning, en sliep hij in op zijn stoel; het was een slaap als lood zoo zwaar; hij snorkte, dat van ’t geluid de meubelen schenen te dreunen in de galerij: hij snorkte Marie wakker, doch zichzelven niet.
Zij stond op, toen ze door de kieren van de stores zag, dat het begon te dagen. Drie- of viermaal was zij wakker geweest, en voor het overige had zij slecht geslapen. Toch voelde zij zich minder onlekker dan daags te voren; het was waar, wat Sarinah zei, dat de op haar toegepaste middeltjes weinig effect hadden en haar sterk gestel de werking er van scheen te neutraliseeren.
Een vervaarlijke vloek, gevolgd, als bliksem door donder, door een vuistslag op een tafel, daverde door de nette houten commandantswoning op den buitenpost, waarheen kapitein Borne was overgeplaatst.
„Ziedaar! Lees me gévédé, ’reis zoo’n brief!”
Zoo stormde hij de achtergalerij in, met zijn zwaren tred, die den planken vloer deed kraken, hoe solied de genie hem ook had gelegd. En hij wierp op de tafel, waarvoor zijn vrouw zat te werken, een groot vel papier, dat hij, door er een slag op te geven met de vlakke hand, als ’t ware in het blad van de tafel scheen te willen slaan.
Borne zag rood, en hij beefde; dat zag zijn vrouw, toen ze hem aankeek over haar bril, niet wetende uit welken hoek deze storm opstak, maar dadelijk ook eenigszins zenuwachtig en tot weerstand geprikkeld.
Zij werd bleek onder het lezen, en sloeg met beide handen tweemaal op haar gevulde dijen, zoodat het kletste door de mooie sarong heen, een muziek, waarmede de kapitein zich, in gewone omstandigheden, amuseerde, ofschoon ze het bewijs was, dat zijn vrouw zich gloeiend nijdig maakte. Maar ditmaal lette hij er niet op; het was een te ernstig geval.
„Zoo’n gemeene smeerlap!” zei hij.
„Zoo’n slet van een meid!” barstte zij los.
Lang bleef het niet bij de invectieven tegen Bronkhorst en Betsy.
„’t Is jou schuld,” beweerde al heel gauw mevrouw Borne met gefronste wenkbrauwen en een kwaadaardig vooruitgestoken mond. „Je bent altijd zoo’n akelige kerel.”
„Dat lieg je!” brulde de kapitein ten toppunt van woede rakend. „Mijn schuld! Het is de jouwe; heelemaal de jouwe.”
„Jij laat je maar alles wijsmaken. ’n Man! Tjies!”
Deze aanval op zijn sekse deed de maat overloopen.
„Laat ik me wat wijsmaken? Wie zeit dat? Laat ik me wat wijs maken? Neen jij! Jij laat je voorliegen en bedriegen. Wou je het aan mij wijten?”
En de twist liep erg hoog. Ze scholden elkaar geregeld uit, en ze scholden op elkaars familie, alsof ze beiden van hoogst immoreele afkomst waren; tot eindelijk mevrouw naar haar kamer ging en van daar uit, door het met zonneblinden gesloten venster nu en dan heftige woorden naar buiten zond, die Borne patrouilleerend in de achtergalerij, nu eens met woeste luidruchtigheid, dan weer met, op zijn manier, bittere ironie beantwoordde. Maar de toon, waarop zij keef, daalde gradueel; er kwamen nu en dan trillers in; en naarmate de klank verzachtte, werden de woorden weeker. Borne antwoordde nu nog slechts af en toe met een enkel woord, dat hij eigenlijk slechts in het midden bracht om niet heelemaal te zwegen.
Eindelijk hield zij den mond, in zoover, dat ze hem geen verwijten meer deed; en nu kon hij haar zacht hooren snikken met afgebroken woorden van verdrietig verwijt. Dat was te veel; dat kon hij nooit verdragen. Geheel gekalmeerd, ging hij naar binnen, ook in de kamer, waar zijn vrouw was.
„Kom,” zei hij, aangedaan, „huil nou niet, ati. Je weet toch wel, dat het niet zóó gemeend is.”
Ze wist dat ook wel; ze droogde haar tranen; hij kuste haar, zij gaf hem een zoen terug, en zoo stonden ze een oogenblik als groote, oude kinderen.…
Nadat ze dus van weerskanten hun gemoed gelucht hadden over het „het schandaal”, zouden zij de zaak bedaard bespreken; de brief was van niemand anders, dan van den resident, maar particulier, dat sprak vanzelf, en dat het zoo’n groot vel papier was, kwam alleen door het innig besef van den resident, dat hij te hoog was geplaatst om, zij het ook niet-officiëel, te schrijven op klein formaat.
„Het is ’n verschrikkelijk geval. Wie had zoo iets kunnen voorzien?”
„Als ik er was gebleven, zou het nooit zijn gebeurd.”
„Neen, zeker niet.”
„Als ik er naar toe kon, zou ik hem ongemakkelijk à faire nemen.”
„En met hem vechten?”
„Dat beloof ik je. Ik zou hem voor het front laten komen, en ik zou zeggen.…”
„Ja, vent, ik weet het wel. Je zoudt hem tot een duel dwingen.”
„A mort, dat verzeker ik je!” zei de kapitein met geur.
„Soedah! dat is allemaal niet mogelijk; toch moeten we er iets aan doen.”
Dat voelde kapitein Borne ook, maar hij wist niet wat; hij zei het openhartig.
„Ik weet het evenmin,” gaf zijn vrouw toe. „Mijn God. wat heeft ’n mensch toch ’n last van z’n familie.”
„In elk geval: ik zal den resident antwoorden.”
„Natuurlijk.”
„Ik zal hem bedanken voor de betoonde belangstelling.”
„Ja, dat moet je doen, Borne!”
„Maar, dat ik er tot mijn groot leedwezen niets anders tegen kan doen, dan aan dien Bronkhorst een brief schrijven, die op pooten staat, en aan haar dito, dito.
„Zou hij er zich niet verder mee willen bemoeien?”
„Wie?”
„Wel, de resident.”
Het was ’n idée, dat moest de kapitein bij zichzelven toegeven. Maar het stuitte hem tegen de borst om, als men in zulk een delicate zaak vreemde hulp inriep, zich, als officier, daarbij te bepalen tot een burgerambtenaar. Daarom schreef hij ook een uiterst langen brief aan zijn collega en opvolger, waarin hij met groote kieschheid uiteenzette, wat hij van ter zijde had vernomen, verzocht het een en ander voor hem te onderzoeken, en wanneer het noodig mocht wezen, in zijn, Borne’s naam, op te treden. Tevens meldde hij, dat hij aan den resident had geschreven, en dezen, dat hij zijn collega mede in de zaak had betrokken.
Uren had het geduurd vóórdat de kapitein deze brieven gereed had. Het schrijven was zijn fort niet, en een brief stellen van eenig aanbelang kostte hem meer zweetdroppels, dan een urenlange militaire marsch. Doch hij zat er eenmaal in, het moest met spoed geschieden, en als hij met iets was begonnen, ging hij voortvarend door tot het einde.
Toen hij zijn vrouw de brieven had voorgelezen, zag hij, dat ze het zich zeer aantrok en er erg verdrietig onder was. Hij trachtte haar op te beuren, maar het gelukte niet.
„Zie je,” zei ze, „het is niet alleen om harentwil. Ik geloof, dat er aan vrouwen, die dien kant op gaan, nooit veel verbeurd is. Maar zij heeft bij ons gewoond, dat weet iedereen; zij behoort tot de familie, en er ligt schande in voor jouw naam. Dàt vind ik verschrikkelijk.”
Hij antwoordde niet, maar schreef met vaste hand en stijve groote letter de adressen der brieven. Bij slot van rekening, dacht hij, officier en gedecoreerd, kon het pierewaaien van een aangetrouwd nichtje zijn naam al bitter weinig deren; maar de bezorgdheid zijner vrouw voor dien naam deed hem goed. O, ze was ’n beste vrouw, en van die Betsy hield hij waarachtig alsof het z’n dochter was. Weduwe en nog zoo jong! dacht hij. Hij voelde zich vergevensgezind.
Iedereen wist, vier en twintig uren nadat de brieven van Borne in ’t bezit waren van den resident en des kapiteins collega, wat er in stond. Indiscretie was daarbij niet in ’t spel. Borne, zelf de zaak met kieschheid behandelend, kon over den indruk van zijn brieven tevreden zijn; maar dat de twee heeren aan hun vrouwen den inhoud meedeelden, was, in zulk een speciale vrouwen-perkara, niet meer dan hoogst natuurlijk; hij, Borne, zou precies hetzelfde hebben gedaan. Nu hadden die dames elk een vriendin. Neen, niet zoo’n gewone kennis, maar een betoele vriendin, in wier boezem zij het geheim deponeerden. Zoo ging het verder; van indiscretie geen spoor, maar iedereen wist het niettemin.
En iedereen was er blijde om.
Want „het schandaal”, zooals men het noemde, duurde nu al langer dan een maand.
Het zag er bij de Bronkhorsten aan huis treurig uit. Marie had stormenderhand, alleen door haar „ongeluk”, onder de dames een sympathie verwekt, die ze door jaren van ongestoord geluk niet had kunnen machtig worden.
Diezelfde dames keken Bronkhorst heel leelijk aan en groetten hem nauwelijks; de heeren echter drukten hem hartelijk de hand met iets van compassie. Want, dat zagen ze wel: het was geen gewone zaak, en tot die slotsom bracht hen niet de kennis der verhouding van den notaris tot Betsy en tot zijn eigen vrouw; dat behoorde, vonden zij, tot het gewone verloop. Bronkhorst zag er slecht uit, en het ging slecht met zijn zaken. Rijke Chineezen en Arabieren spraken onder elkaar en met hun Europeesche relatiën over den notaris. Ze verloren ’t vertrouwen, dat ze vroeger altijd in hem hadden gesteld. Terwijl ze hem vertelden, wat hun bedoeling was met de akten, die opgemaakt en naar die bedoeling door den notaris ingericht moesten worden, zagen ze zijn gezicht veranderen. Hij begon met belangstelling te luisteren, vragen te doen en mee te praten, maar na ’n paar minuten week de uitdrukking van onbevangenheid van zijn gezicht, en hij staarde met hangende onderlip en droomerige oogen onafgebroken zijn cliënt in de oogen, tot deze min of meer verlegen met praten ophield; en dan bleek, dat de notaris de helft niet had gehoord, en de man alles nog eens moest herhalen voor den candidaat, wat hij heel onaangenaam vond, niet om het overzeggen, dàt met genoegen, maar uit ongerustheid.
Bronkhorst had er lang tegen gestreden, en hij deed het nog, doch vruchteloos. Hij voelde zelf wel, dat het zóó op den duur niet gaan kon. Thuis was het geen leven; hij zag daar niets dan Marie, die haar verdriet door het huis droeg, haar plicht tegenover haar kinderen, en tot zekere hoogte ook tegenover hem, stipter dan ooit vervullend. Het was hem gaan ergeren; het maakte hem kwaad. En bij zijn overprikkelend zenuwleven, licht geïrriteerd, verloor hij zijn zelfbeheersching, zooals hij het zijn opgeruimd humeur had gedaan; hij sprak haar toe op korten, haast bevelenden toon:
„Waar is de sleutel van de kast?”
De kast was die, waarin Bronkhorst het geld bewaarde, dat hij zoo voor ’t verbruiken hield. Er lag gewoonlijk ’n zes-, zevenhonderd gulden in aan contanten en klein papier. Marie droeg den sleutel aan haar ring. Zij nam voor het huishouden wat ze noodig had; als het op was, waarschuwde zij hem; rekening en verantwoording had hij haar nooit gevraagd.
Toen hij den sleutel vroeg, nam zij den ring uit haar mandje en lei dien op de tafel. Hij deed er den sleutel af. Een oogenblik klemden zich haar lippen stijf opeen, en, doodsbleek, stond ze op het punt in woede los te barsten; zij wist zich te bedwingen.
„Wat beteekent dat?”
„Wat het beteekent? Niets. Ik houd voortaan den sleutel van de kast. Dat is alles.”
„Begin dan maar met haar open te doen en me geld te geven voor het huishouden.”
Hij deed het, telde haar geld toe en bepaalde den tijd, dien ze daarmede moest rondkomen. Ze haalde met minachting de schouders op, nam het geld en ging naar achter, terwijl Bronkhorst, zenuwachtig, het voorerf afliep. Hij had ’t niet louter gedaan om haar te contrariëeren. Inderdaad kostte het leven hem in den laatsten tijd zeer veel. Zijn verhouding tot Betsy was hem reeds op ’n paar duizend gulden te staan gekomen, en dat kon hem wel niet schelen—’t was immers voor haar!—doch op den kostbaren train de vie in zijn huis moest dan maar wat bezuinigd worden.
Voor Marie was het hard, want zij was er niet aan gewoon. Ze huilde er om in haar kamer en toen ze bezoek kreeg van een der vele dames, die in den laatsten tijd haar omgang zochten. ’t Was er ditmaal juist een die ze vertrouwde en gaarne mocht. Ze kon het niet langer verkroppen, hoe gaarne ze ook alles zoo stil mogelijk wilde houden; ze voelde dat ze iemand hebben moest aan wie ze haar leed kon klagen, en ze vertelde alles.
Maar nu vernam ze ook dingen, waarvan ze verstomde. „Zij heeft hem iets ingegeven,” zei haar vriendin, en toen Marie met Europeesche ongeloovigheid voor de kracht van Indische middelen, het hoofd schudde, werden haar tal van voorbeelden genoemd, het een al merkwaardiger dan het andere. Haar ongeloof wankelde, en het verdween bijna, toen ze begreep, dat, zóó opgevat, zijn schuld geringer werd, uit mindere toerekenbaarheid, terwijl haar haat tegen Betsy zich onmatig verhief. En de nieuwe vertrouwde, die zoo goed op de hoogte scheen, alsof zij de campagne zelve had meegemaakt, lichtte Marie nog geheel anders in. Tot nu toe had ze gedacht, dat er liefde in het spel was van den kant van Betsy,—thans vernam zij, dat het louter berekening was, berekening om haar van haar man te scheiden en zelve mevrouw Bronkhorst te worden. Zóó althans dachten sommige Indische dames er over op de plaats, en sommige Indische dames zien scherp en denken overeenkomstig!
„Niemand heeft me van dat alles ooit iets verteld,” zei Marie met de handen in den schoot als overrompeld van verbazing door dit nieuwe licht.
„We dachten, dat je boos zou wezen. We durfden niet goed. Maar wij hebben haar in de gaten. Al lang, hoor!”
Toen ze dàt eenmaal wist, viel het haar lichter zijn slecht humeur te verdragen. Het speelde hem geweldige parten; hij was een ander man. Alles trotseerend, vertoonde hij zich openlijk met Betsy op den weg, en zijn rijtuig stond elken dag wel een uur lang voor het huis van de weduwe Duhr, die er niets van begreep, en het erg gek vond, dat menschen er zoo hun reputatie aan waagden, zonder dat althans het gewone genoegen daartegen opwoog.
Want ze had er op durven zweren, dat er niets gebeurde, wat Betsy, zelfs als zij een jonge maagd was geweest, had kunnen schaden. Bronkhorst zelf vond het vreemd, dat hij in zijn neiging voor Betsy betrekkelijk zoo onbewogen bleef. Hij was, naar het hem toescheen, dol van haar. Als ze wandelden kon hij niet velen dat ze iemand aanzag en hij maakte haar scènes omdat ze het deed, en natuurlijk deed zij het met opzet. Maar overigens bleef hij van lusten vrij; te vrij naar zijn zin; zóó vrij, dat het hem verontrustte, en hij oogenblikken had van twijfel aan zichzelven. De wereld geloofde daar niets van; indien zij in gedachte preciseerde, dan zou zij zich in zulk een geval de wildste en onstuimige hartstochten en action hebben voorgesteld. Men had Betsy uit haar gewonen kring gestooten; dat bleek duidelijk toen er een tooneelvoorstelling en muziekuitvoering op de plaats zouden gegeven worden. Zij werd niet gevraagd; Bronkhorst en zijn vrouw wel, en ze konden niet weigeren. Hij ging er heen tegen wil en dank; zij was er verheugd over. Er werd hun zeer veel aandacht geschonken; men zag het beiden duidelijk aan, dat het tusschen hen niet was zooals ’t behoorde. Bronkhorst was overmoedig, vooral bij ’t binnenkomen. Uiterst beleefd voor zijn vrouw, ging hij met opgeheven hoofd, eenigszins „aanstellerig”, door het vrij volle zaaltje naar de voorste rijen, waar zijn plaats was als „notabele.” Zij deed ook haar best om zoo weinig mogelijk te toonen, tegenover het publiek. Ze dwong haar afgevallen gezicht tot een opgeruimde plooi en groette glimlachend links en rechts haar kennissen. Toen de uitvoering was begonnen, hield Bronkhorst het een korten tijd vol, maar terwijl een juffrouw, een dier ontluikende dilettanten-talenten, die het nooit tot het verleden deelwoord brengen, een lang sentimenteel Duitsch lied zong, werd het hem te machtig; het was alsof zijn geforceerde aandacht hem met geweld ontsnapte; de eenigszins onnoozele uitdrukking van iemand, die te midden van een menigte personen met zijn gedachten elders is, kwam weer op zijn gezicht, en starend naar het geïmproviseerd tooneeltje, veranderden in zijn oogen de trekken van de zangeres; het was Betsy, die daar stond met een blad muziek in de hand; hij zag het duidelijk; tot in de geringste détails was zij het; de eenigszins schrale buste van het ontluikend dilettantje, was veranderd in den gevulden boezem van Betsy, zwellend onder het laag uitgesneden lichtkleurig kleed, dat haar zoo goed stond; als het meisje, dat haar stuk voordroeg, een beweging maakte met den nog tengeren arm, dan zag hij de bestudeerde bewegingen van Betsy, die zoo graag coquetteerde met haar mooie armen in halve mouwtjes.
„Zie jij dien meneer daar?” vroeg een soldaat, die aan het opslaan van ’t tooneeltje had geholpen met eenige kameraden, en die nu, belast met het ophalen en neerlaten van het scherm, achter een der coulissen door een paar gaatjes in de zaal keek.
„Welke? Dien daar op ’t hoekie vooraan?”
„Ja, precies! Vindt je niet, dat hij net kijkt of hij ’m half „om” heeft?”
„Waarachtig niet. Weet je, hoe hij daar nu zit?”
„Nou, zeg jij het dan maar.”
„Net als een die den zwarten hond heeft.”
Bronkhorst hield het niet langer vol dan tot de pauze; het was hem te sterk.
„Als je misschien nog wat wilt blijven?.…” zei hij tegen Marie. „Ik voel me niet erg lekker.”
Ofschoon zij zich volstrekt niet amuseerde, bleef zij. Hij zou haar ’t rijtuig zenden. Een diepe zucht van verlichting ontsnapte hem, toen hij zich in de kussens van zijn coupé liet zakken; het was half elf, maar hij zou toch nog naar haar toegaan; hij werd naar haar gedreven.
Betsy was nog op. Zij had juist een zeer ernstig gesprek gehad met Sarinah; ze vond, dat Bronkhorst er zoo slecht begon uit te zien en vreesde, dat hij ernstig ziek zou worden. Ook haar viel het op, dat hij zoo zenuwachtig was in den laatsten tijd, zulke diepe kringen om zijn oogen had, en haar zoo in ’t geheel geen aanleiding gaf tot toepassing van defensief vermogen. Men moest in geen geval ’n slecht ondermijnd gestel bezorgen aan iemand, die haar man moest worden!
„Het wordt terlaloe, nèh,” had zij gezegd; „zou je er nu niet uitscheiden?”
„’t Kan niet, nonna! Geloof me toch, het is onmogelijk.”
„Maar hij wordt ziek.”
„Al wordt hij ziek, ’t komt er niet op aan; des te gauwer zal hij er een eind aan maken.”
„Als hij ziek is, kan hij niet meer hier komen.”
„Het kan niet anders; hij moet het hebben. Ketjil heeft het vanochtend nog gezegd. Ketjil gaat hem elken dag zien voorbijrijden, en zegt, dat meneer nu goed wordt. Het is toch knap.”
„O ja, het is pinter genoeg; maar als hij sterft, wat dan?”
„Masa! Dáárvan sterft men niet.”
Betsy loosde een zucht. De „zaak” vorderde wel, maar niet vlug genoeg naar haar zin. Zij had dat ééne woord nog niet gehoord, waarop ze wachtte, en dat het sein was voor de verwezenlijking harer plannen. Het scheen, dat hij niet op het denkbeeld kwam uit zichzelven; welnu, dan zou ze hem er op brengen, zoodra hij haar den volgenden dag een bezoek bracht; zij zou.… Ze brak haar gedachtenloop af en hief, luisterend, het hoofd op. Een rijtuig draaide van den grooten weg de laan in; zij. kende ’t geluid, dat zachte, zware op den slecht gemacadamiseerden grond. ’n Glimlach vol triumf gleed om haar mond. Prachtig! Men had haar niet geïnviteerd, en inwendig had ze gekookt van woede, toen ze het hoorde. Bronkhorst en Marie waren wèl genoodigd, en hij had haar gezegd, dat hij niet weg kon blijven. Maar hij had het niet volgehouden. Daar was hij al! Hij had den heelen boel in den steek gelaten: gezelschap, voorstelling, Marie,—den ganschen boutique,—en daar kwam hij aanhollen naar haar.
Vrij opgewekt liep hij de treden op naar de voorgalerij, waar ze in sarong en kabaja op een wipstoel zat, en blij, dat hij haar zag, greep hij een harer handen, en ging naast haar zitten.
„Bonsoir, Bets, hoe gaat het? Hé, ik ben blij, dat ik hier ben, Het is een corvée!”
„Heb je je dan niet geamuseerd onder al die fatsoenlijke menschen?”
Ze was niet erg toeschietelijk, en van haar blijdschap over zijn desertie en zijn overloopen naar haar, liet zij niets merken.
„Je weet wel,” antwoordde hij, haar glimlachend aanziende, „dat ik me alleen bij jou amuseer.”
„Goed! Maar Jean, hoe lang moet het nog zoo voortduren?”
Zijn gezicht betrok, en hij zuchtte diep.
„Ja, hoelang?”
„Me dunkt, je moest daar eens over nadenken.”
„Heb je ajer blanda?”
„Welzeker!”
De interruptie maakte haar niet boos; integendeel, zij lachte allerliefst, en stond dadelijk op.
„Wil je er niet wat brendy in hebben?”
„Graag, Wacht, laat mij ’t apollinariswater maar open maken.”
Ze prepareerden samen een grog; hun handen kwamen daarbij telkens in aanraking, en als dat met opzet gebeurde, lachten ze stil en keken ze elkaar aan.
„Wees toch niet kinderachtig,” zei ze.—„Rook je niet?”
„Ik heb er niet aan gedacht.”
„Allerliefst! Geef me je koker, dan zal ik er een aansteken.”
Uit den grooten matten koker nam ze een havanna, beet er de punt af met veel vertoon van haar witte tanden, die bij ’t helder lamplicht schitterend contrasteerden met het donkere rolletje tabak; intusschen stak Bronkhorst een lucifer aan, en rookte zij met aardige onbeholpenheid en een vooruitgestoken klein mondje.
Lachend nam hij de sigaar af en rookte die verder.
„Neen, maar betoel, Jean,” ging zij voort; „het kan heusch zoo niet blijven.”
Hij dronk een langen teug uit het hooge glas.
„Wist ik maar wat er aan te doen was!”
„Ja, er is natuurlijk maar één weg.”
„Scheiden?”
Ze was blij, dat hijzelf het ’t eerst zei.
„Natuurlijk! Je moet zien van haar te scheiden. Me dunkt, dat kan zoo moeilijk niet zijn.”
„Ik vrees, dat het heel moeielijk wezen zal.”
„Dat hangt toch veel van jou af.”
„Als zij niet wil?”
Een oogenblik kwam haar aard boven.
„Niet wil, niet wil! Er is altijd wel een akal op te vinden. In het uiterste geval neem je een inlandsche.…”
Zichzelve betrappend op een onvoorzichtigheid, zweeg ze en kreeg een kleur. Hem had het pijnlijk aangedaan, want hij begreep het, en zijn van nature eerlijk hart kwam in opstand tegen zulk een laag middel; maar hij was ver genoeg om er niet over te struikelen, en, toen zij, dadelijk een ander effect teweeg willende brengen, met een diepen zucht en een traan, zeer aandoenlijk zei: „Mijn God, waartoe komt ’n mensch al niet!” had hij een teeder medelijden met haar.
„Ik zal het probeeren,” zei hij, zijn hand op de hare leggend. „Ze zal toch begrijpen, dat het zóó niet kan blijven. ’t Is veel beter, dat het tot een scheiding komt, en zij naar Holland gaat.… met de kinderen.”
„Waarachtig, Jean, het is de eenige uitweg voor ons. Ik ben anders voor altijd verloren. Wij zijn fatsoenlijk, is het niet? We hebben ons beter gehouden, dan menigeen, die voor onberispelijk netjes doorgaat. Welnu, dat helpt immers niet!”
„Neen, het is waar; het is beroerd.”
„Het eenige is, dat we trouwen, Jean; dat is absoluut het eenige.”
„Ik heb je gezegd, dat ik mijn best zal doen, Bets; en je weet, dat ik het doen zal.”
Hij werd weer ’n beetje ongeduldig; ’t was een gevolg van zijn algemeenen toestand, die hem scheen te beletten lang bij ’t zelfde onderwerp te verwijlen.
„Hoe was het op die uitvoering?” vroeg ze.
Met korte, afgebroken zinnen vertelde hij wat hij wist, spottend over het gebrekkige, dat hem had getroffen, wat bij haar, die een goede musicienne was, weerklank vond.
Zoo bleven ze zitten, pratend en schertsend, tot het vrij laat was. Zij bracht hem het erf af, en, verborgen achter den pagger, die langs den weg liep, nam ze een bijzonder teeder afscheid van hem.
„Je doet het, ja?” vleide ze.
„Zeker! Morgenochtend dadelijk. Er moet een eind aan komen.”
Toen zijn coupé het erf van zijn huis opreed, was de muziek- en tooneeluitvoering reeds lang afgeloopen; hij had heelemaal vergeten Marie het rijtuig te zenden; ze was met kennissen meegereden en die hadden haar thuis gebracht.
Eerst toen Bronkhorst weg was, kwam Ketjil het erf op van mevrouw Duhr, die reeds lang ter ruste was. Hij had op den weg gestaan, en, voorzichtigheidshalve, zoo lang op en neer gewandeld tot de notaris, die hem kende, weg was. Het was ’n klein erf, en de lamp brandde helder, zoodat hij, noodwendig dicht langs het huis voorbijgaand, kon gezien worden. Alles te zamen genomen, vond hij ’t beter hem niet onder de oogen te komen.
Nu Betsy het huis binnen en naar haar kamer was gegaan, ging hij naar de tampat, die op het achtererf zijn moeder was toegewezen.
Ketjil was in den laatsten tijd niet gelukkig met zijn geld; hij verloor bij het spel, en het werd zaak dezen citroen nog ’n beetje te knijpen vóór hij te droog werd. Toen hij achter kwam, was er geen licht. Hij klopte zacht op de deur.
„Wie?” vroeg de oude, die op een baleh-baleh haar hazenslaap sliep. Zoodra zij hoorde dat ’t haar zoon was, wist ze ook waarom hij kwam; ze begon geweldig te steunen en te klagen, en het duurde lang eer zij de deur had gevonden en hem opendeed. Zijn oogen waren aan de duisternis gewoon, en hij ging op den rand der baleh-baleh zitten. Zoomin als zijn moeder zich bedroog in de reden van zijn komst, zoomin vergiste hij zich in de oorzaak van haar zuchten en steunen.
„Niet wel?” vroeg hij zacht.
„O, neen. Ik ben ziek; ik ben erg ziek.”
„Wat scheelt er aan?”
„Ik weet het niet; ik ben oud; oude menschen moeten sterven.”
„Kunnen,” verbeterde hij, als om haar te troosten. Maar ze hield hardnekkig vol.
„Jonge menschen kunnen, ouden moeten.”
„Nu ja, nog niet.”
„Wie weet hoe gauw,” ging ze voort met een akelige stem. „Ik zie hier dikwijls het spook van den dood. Het is hier bij me in de duisternis.”
Inderdaad was het donker, want ze had wel een lampje en lucifers bij de hand, maar ze ontstak die niet. Onwillekeurig keek hij rond, als wilde hij ook naar het spook zien in de duisternis.
„Och kom!” zei hij: „heb je het spook zelf gezien?”
Zij antwoordde niet dadelijk; ze wist nu, dat ze hem geen vrees kon aanjagen; het zou haar niet helpen of zij al haar vervaarlijke spookhistories afschoot op het dikke bruine lichaam, onder welks gewicht de bamboezen van de baleh-baleh kraakten.
„Het is niet om te lachen,” zei ze.
„Wel neen, ik lach ook niet; het maakt me betoel bang.”
Er was in ’t geheel geen eer aan te behalen voor de oude vrouw.
„Waarom kom je hier?” vroeg ze.
„Om eens te zien of het je goed gaat.”
„Dan had je wel vroeger kunnen komen, in plaats van mij wakker te maken uit mijn slaap.”
„Ik heb het zoo druk.”
„Zeker met je witte njai!”
„Toch niet! Ik maak tegenwoordig zooveel horloges. Al de wijzers zijn stuk!”
„Och wat! Je houdt me voor den gek. Als je daarvoor bent gekomen, ga dan maar weer weg.”
„Ik moet voor eenige dagen uit.”
„Zoo! Waarheen?”
„Naar het Zuiden.”
„Dat dacht ik wel.”
„Betoel! Ik heb geen tranen van den doejong meer.”
„Ik begrijp het wel; je moet die gaan koopen aan de Zuidkust, en daarvoor moet je geld hebben, nietwaar?”
„Ja, dat zal wel zoo wezen.”
„En als zij het nu niet geven wil?”
„Dan krijgt ze hem niet.”
„En als zij ’t niet heeft?”
„Dan moet ze het hem maar vragen. Ik heb ze daareven samen achter den pagger zien staan; als ze ’t hem vraagt, dan geeft hij het.”
„En hoeveel moet je hebben, en wanneer?”
„Het beste van alles is, dat ik dadelijk ’t geld ontvang, want dan kan ik nog van nacht op reis gaan.”
„Is er zulk een haast bij?”
„Ik heb niets meer en er is haast bij. Vraag haar voorloopig honderd vijftig gulden; misschien is dat genoeg.”
Hij sprak nu kort en bevelend, zonder er zich in het minst aan te storen, dat de oude hem telkens met haar klaagliederen in de rede viel. Maar zij ging toch binnen, en vertelde aan Betsy met het ernstigste gezicht ter wereld, dat Ketjil nog weer op reis moest om obat te koopen, dat het perloe was, en dat hij dadelijk tweehonderd gulden moest hebben.
Betsy was buiten zichzelve van woede.
„Jou leelijke, brutale, ouwe nèh!” riep ze. „Jou afzetster! Denk je, dat ik me nog langer laat oplichten, door jou en je dief van een zoon? Ajo, gauw de kamer uit!”
Maar Sarinah ging niet; zij bukte deemoedig en ontving zonder morren den klinkenden klap, dien Betsy haar toediende met de vlakke hand.
„Daar, oud beest! En daar heb je er nog een! Ik zal je leeren.”
„Ketjil heeft niets meer,” zei ze. „Wij houden dus op.”
„Voor mijn part! Denk je dat ik gek ben?”
„Ja maar.… dan komt er ook niets van. Nonna moet toch verstandig zijn.”
„Houd je mond. Ik geef zooveel geld niet, en ik heb het ook niet.”
„Als ik het had, gaf ik het zelf. Het is zoo jammer van al die moeite en onkosten. En als het nu toch goed afloopt! Zoo’n heerlijk huis!”
Nog een kwartier ging het heen en weer praten voort, tot Betsy alles gaf, wat ze op ’t moment aan contanten bezat; het was maar honderd en zestig gulden. Sarinah bracht het naar achteren, maar onderweg nam zij er drie bankjes van tien af en moffelde die weg tusschen haar sarongband. In haar kamertje stak ze nu ’t lampje op. Ketjil zat nog onbeweeglijk op den baleh-baleh-rand. Zij wierp de overige honderd dertig gulden in papier met ’n soort van woede naast hem neer.
„Daar! Dat is alles wat ze bezit. Je hebt haar nu heelemaal uitgeplunderd. Ze heeft geen cent meer in huis.”
Doch Ketjil lachte en keek zijn moeder aan.
„Ik zal het maar nemen,” zei hij; „de rest krijg ik later wel.”
„Ga nu maar heen en kom gauw terug.”
„Voor hoelang heb je nog?”
„Voor hoogstens viermaal.”
„Over vier dagen ben ik terug. Dag, moeder,” en heen gaande streek hij zijn dikke hand liefkoozend over haar voorhoofd, „dag oudje, je bent toch ook pinter, ja?”
Het was geen heele leugen van Ketjil geweest. Hij moest inderdaad naar de Zuidkust, maar niet voor de „obat,” die zijn moeder den notaris liet slikken. Voor dien had hij nog voorraad genoeg. Maar zijn geld was verdobbeld,—dàt ad primum, en ad secundum had hij meer noodig voor een hoogst voordeelige toepassing, die hem heel wat meer zou opbrengen, dan wat njonja Ekster hem kon betalen; doch ditmaal had hij te doen met een oudere en slimmere vrouw, die geen cent wilde geven vóórdat zij de middelen had toegepast en de werking had gezien. Daarom had Ketjil inderdaad des nachts zijn zwaar lichaam op ’n stevig paard gewerkt, dat zijn eigendom was en speciaal voor verre tochten werd gebruikt, en met de weinige reisbenoodigdheden, waaraan een inlander behoefte heeft, was hij vertrokken.
Onvermoeid had hij doorgereisd den dag en den nacht, nu en dan op een sukkeldrafje, maar meest stapvoets; hij was over hooge bergruggen getrokken, waar hij gebibberd had van kou; maar nu was hij weer gedaald, en nu had de omgeving die andere gedaante aangenomen, welke de Zuidkust van Java op vele punten zoo scherp van de Noordkust onderscheidt.
Ketjil was erg vermoeid; zijn beenen waren stijf van ’t rijden, en met moeite en langzaam steeg hij af; hij zou niet verder te paard gaan; nu hij slechts hier was, ging de rest gemakkelijker, en met welgevallen zag hij naar de stille desa vóór hem. Uit het huisje, waarvoor Ketjil halt had gehouden, kwam hem ’n grijze inlander tegemoet, zijn sobat keras, ’n oude mantri, die hoopte dat zijn gast ’n paar dagen zou blijven. Maar Ketjil kon niet; hij had haast en moest naar het visschersdorp aan de monding der rivier, waar hij altijd zijn „zaken” deed. Het was moeilijk, maar ’t kwam toch terecht, en terwijl Ketjil een kop heete koffie dronk, waartegen hij zat te blazen, ging heel bedaard hun gesprek voort. Welzeker, de oude zou hem helpen, maar de koelies zouden zich laten betalen, daar sobat, zei hij met een lachje, erg zwaar was. Want de reis zou verder per tandoe gaan; de oude had nog een erg versleten luierstoel, die zich van geen atoom politoer meer bewust was en bedenkelijke ouvertures speelde in de mat. Doch op zulke kleinigheden kijkt slechts een verwend Europeaan; Ketjil zou er lekker in zitten, en aan een paar stevige bamboe, met een kap van kadjang tegen ’t zonnetje, zou het ’t ideaal van een tandoe zijn, waarin „sobat” zitten zou als een „koningszoon.”
En ’n paar uren later stond ’t heele toestel gereed, met vier koelies om te dragen, een kepala en twee man om af te lossen; het in orde maken der reisgelegenheid had veel minder tijd gekost, dan het tawarren over den prijs, want in deze weinig bewoonde streek, waar, zou men zeggen, zoo niets te krijgen was, dan ’t geen de natuur opleverde, bleek de bruinbroeder het geld even lief te hebben en de waarde er van niet minder goed te kennen, dan Ketjil zelf.
Ofschoon hij er lekker zat in den luierstoel, die met zijn dik lichaam vooruitzweefde boven den grond, genoot hij weinig op dit reisje. De zon stond reeds hoog. Eerst ging het door heete velden vol alang-alang, op wier harde vezels ’t scherpe licht hel weerkaatste, zoodat de oogen er zeer van deden en Ketjil het gevoel bekroop als droeg men hem door ’n vuur. Het terrein was ongelijk, en nu eens moest hij zich vooruit aan de leuningen vast houden om, als de voerlieden een kleine hoogte opliepen, niet achteruit te glijden; dan weer zette hij bij ’t dalen zich schrap om niet vooruit te schieten en tusschen de draagstokken te vallen. Overigens geen beweging en geen geluid, dan het zacht wiegelen van de tandoe, het kraken van de voetstappen der koelies op de droge alang-alang, en het geroep der voerlieden: „Langzaam aan!” als die van achteren niet inhielden bij ’t dalen, „Duwen!” als ze geen kracht genoeg zetten bij het stijgen, of „Verwisselen!” als er een meende, dat het tijd werd voor de vrije schouders, om het aan de bamboezen hangend gewicht te dragen. Van de bruine ruggen lekte het zweet, zoodat ze blonken in de felle zon, alsof zij met vet waren gesmeerd. En Ketjil, die, met z’n oogen half dicht ’n strootje lag te rooken, pikirde er over hoe dom toch ’n mensch moet zijn om zulk werk te willen doen; maar ze waren ten slotte toch nog vroolijker dan hij; onder het loopen wisselden ze, al hijgend, flauwe aardigheden, waarover ze erg veel pleizier hadden, of als een niet liep zooals de ander wel wenschte, dan hoopte zijn mededrager, dat hij een „dikken buik” mocht krijgen, wat weer stof gaf tot vroolijkheid van het zevental, doch Ketjil in stilte ergerde, omdat hij er een hatelijkheid in zag op zijn eigen dikken buik.
Hij zei echter niets; daar was hij niet alleen in eigen oogen een te hoog persoon toe, maar hij wist hoe weinig ’t hem zou helpen; hij zou ook met dit volkje niet gaarne getwist hebben; hij zag uit zijn stoel hoe een hunner zich een grooten doorn in den voet trapte, en de kerel hield niet eens met loopen op, maar trok, al voortgaande, door een bewonderenswaardig vlugge, dubbele beweging van hand en voet, het doorn uit het vleesch. Ruwe menschen! dacht Ketjil.
Na ’n paar uren waren de alang-alang-velden achter den rug. Het bosch begon, het oerwoud met slechts hier en daar enkele lichtplekken, maar haast geheel in eeuwige schemering, zonder andere paden, dan die den voet van den inlander al loopende tusschen ’t geboomte had getrokken. Het was er koel, duister en nog stiller haast, dan in de velden; tallooze varens, buitengewoon lichtkleurig uit onvoldoend licht, staken sterk af tegen het dichte zwartgroene loof der boomen. In dat bosch werd Ketjil benauwd. Als door een of ander onverwacht hevig geritsel in de boomen, door een aap of ’n grooten vogel, misschien, de stilte werd verbroken, dan schrikte hij, bang voor, hij wist zelf niet wat. En de lucht der op den vochtigen grond rottende blaren hinderde hem, zoodat hij er van hoestte, dof en schier als een aamborstige. Hij was blij, dat hij weer in ’t licht kwam!
Maar het was een ander licht, dan het geel-groene der alang-alang-velden. Uit het bosch kwam hij in een woeste bergstreek met steile ontoegankelijke kalkrotsen van grilligen vorm. In de verte duidde een nevel de nabijheid aan der Zuidkust, en de koelies als paarden, die den stal ruiken, verhaastten hun sukkeldrafje, nog meer geluiden uitstootend, sterker doorzakkend in de knieën dan eerst, en al voortloopend zich koelte toewuivend met reusachtige bladeren, in het bosch geplukt en als waaiers gebruikt. Het ging weer op en af in dit woeste oord, over naakten, rotsachtigen grond, zoo warm, dat de koelies hun genot niet kenden, als ze met hun vermoeide voeten door de snel wegschietende bergstroompjes waadden die het terrein telkens doorsneden.
De zon daalde. Ketjil berekende, bekend als hij was met de afstanden, dat het donker zou zijn eer hij aankwam, en hij had er tegen hier in ’t duister te reizen. Daarom gelastte hij halt bij een voor ’n boschje van waaierpalmen staande warong, en de hooge, sterke bamboepagger met scherpe punten ter beveiliging tegen tijgers, die des nachts mochten trachten er op en over te willen springen, rechtvaardigde volkomen de vrees van Ketjil. Achter dien hoogen pagger voelde men zich veilig, en de waronghouder, die hem kende, ontving hem erg vriendelijk; de moede koelies kregen eten; Ketjil nuttigde ook iets, en vertelde daarna, dat hij wilde slapen, aangezien het lichte maan was, en hij het aangenaam vond daarbij wakker te zijn.
Vroeg in den morgen ging de tocht verder, maar het was nog zóóver, dat het pad eerst ’n paar uren later daalde naar het zeestrand, naar het visschersdorp, waar men wezen moest. Het was een schoon gezicht! Op den voorgrond het dorp bij de monding van een riviertje, en met een kleine alluviale strandvlakte aan de andere zijde; rechts en links ontzaglijke, ongenaakbare rotsgevaarten, waartegen de Zuider-Oceaan zijn lange golven stuwde, die, brekend, haar water omhoog deden spatten en elke minuut toonden hoe de voortstuwende kracht harer massa’s in machtelooze afzonderlijke atomen verloren ging, gebroken op grooter weerstandsvermogen. Bij elke golf, die op de steile gevaarten tot waterdamp sloeg, rolde langs het strand een dof donderend geloei, dreigend en klagend van toon.
Het was eb, en op het zand der kleine vlakte aan zee zag men een waar mozaïek van arabesken door duizenden kleine krabben gevormd, meest als getinte spiralen uitgestrooid over het effen vlak; een mozaïek, verbroken door enkele goed uitkomende strepen gaande van de zee naar het hooger gelegen strand; schildpadsporen, die de inlanders zorgvuldig nagingen om de eieren op te delven. En over dat alles joeg de landwind vreemde, in hun vaart bolvormig schijnende gewassen naar zee van hard broos stekelig gras, die hij, over het hoogere strand strijkend, had afgebroken en nu met een huppeldans naar de golven joeg, die ze verder zouden meevoeren en weer op ’n andere kust werpen, waar ze zich konden voortplanten.
Het was een eenig gezicht dien ochtend op de kleine vlakte aan het strand, maar de groote, koude, zwarte oogen van den inlander, keken er naar met onverschilligheid. Wat raakten hem schakeeringen van licht, kleuren, klanken? Wat zag hij in zulke détails! Hij zou zich geschaamd hebben, als hij er belang in had gesteld en dááraan had gedacht, in plaats van zijn kansen op winst te berekenen, want met verlies hield hij zich volstrekt niet op!
„Waarheen?” vroeg de koelie-mandoer.
„Hadji Ismaïl,” antwoordde Ketjil, en voort ging het tusschen de huisjes van het visschersdorp. De man in de tandoe moest weer hoesten; in zijn soort was hij toch ook verwend, want hij mopperde geweldig tegen den ontzettenden stank, verspreid door de visch, die in een zeker overgangsstadium om bamboezen stellages lag te drogen; ’n groote zeearend, die in wijde kringen boven ’t visschersdorp vloog, scheen zich daar meer te verheugen dan Ketjil, die ’n gekleurden zakdoek uit zijn baatje trok en voor den neus hield. Van alle kanten blaften steiloorige gladak-honden den vreemden tandoe aan, en van alle daken en uit alle paggers mauwden tallooze katten, voor wier levensduur en huwelijksgeluk zoo’n dorp aan zee, waar op ’n vischje meer of minder niet gekeken wordt, een waar paradijs is.
Hadji Ismaïl, wiens vrome ijver toch ook niet door de vischlucht scheen te worden aangetrokken, woonde ’n eindje buiten het plaatsje, op een plek gewoonlijk van den wind af. Ook hij wist wel, wat dezen man van het land naar de stranden der zee dreef, maar hij gaf hem niet veel hoop. Het was jammer, zei hij, maar juist een paar dagen te voren waren de doejongs gevangen; om de tranen te koopen, die den dieren bij hun sterven uit de oogen stroomen, waren anderen Ketjil reeds vóór geweest. En nu gebeurde het tegenwoordig waarlijk niet elken dag, dat men zoo’n beest ving; het was in dat opzicht ’n slechte tijd. De visscherij ja, die bleef goed; de netten waren trouw gevuld. Maar doejongs.… ’t kon wel gebeuren, dat Ketjil een week moest wachten vóór hij krijgen kon wat hij wenschte. Het viel dezen erg tegen, heel erg zelfs, maar daar er niets aan te doen was, bleef hij zijn ziel in lijdzaamheid bezitten.
„Willen we niet eens aan het strand gaan kijken?” vroeg de hadji. „De menschen zullen nu juist aan den gang zijn. We kunnen nog eens met hen praten.”
Zij wandelden samen op, zoo langzaam als inlanders, die den tijd hebben: voetje voor voetje, nu en dan nog stilstaand in hun gesprek.
Hadji Ismaïl wees met den uitgestrekten arm naar een punt verder op.
„Daar gaan ze.”
„Het is maar gewoon visschen.”
„Zeker, heel gewoon.”
„Kunnen ze niet eens zoeken, en wat zou dat moeten kosten?”
„Het gaat niet, en ’t helpt ook niet. Natuurlijk zouden ze het wel kunnen doen, voor veel, heel veel geld.”.
Ketjil zuchtte er van.
„Ik heb niet zooveel bij me.”
„Het doet er niet toe; het zou immers toch niet baten.”
Doch Ketjil was koppig; hij wilde niet nog ’n week, langer misschien, in dat stinkende dorp wachten,
„Als er iemand was, die me het geld wilde leenen….”
„Waartoe? Men kan het evengoed in ’t water gooien.”
„Ik geef het binnen één maand terug.”
„Er valt wezenlijk niet te zoeken naar den doejong; het beest is er of is er niet.”
„Tegen behoorlijken interest.”
Maar de hadji bleek aan dat oor volslagen doof, en Ketjil drong vruchteloos aan.
Intusschen naderden zij de visschers, die aanstalten maakten om hun netten uit te brengen. Het was een lastig werk. Hoog hieven de wel honderd meter lange golven der branding de witte krullende hoofden omhoog, waarop in de verte het zonlicht brak met alle kleuren van den regenboog; de visschers stonden een eindje in zee; zij hielden een vlerkprauwtje, dat als ongeduldig op het water danste, met den kop vooruit, en toen een der rollers hen bereikte, wipten zij er met een hoezeetje hun kleine vaartuig overheen; daarna zag men hun van ’t zeewater druipende lichamen met groote vlugheid in ’t prauwtje springen en ze roeiden wat ze roeien konden. Achteraan sleepte het net met één einde door een lang touw op ’t strand vastgebonden, en onder het roeien merkten de groote dobbers van het net, drijvend op onderling gelijke afstanden, den weg der visschers, die hun uiterste krachten inspanden om de af te visschen bocht te beschrijven, vóórdat een andere roller het schuitje kwam treffen vóór den boeg, want dan zou de brooze notedop onvermijdelijk zijn omgeslagen, ’t Gelukte hun ditmaal als bijna immer. De halve cirkel was juist op het water beschreven; de kop van het prauwtje wendde weer naar het droge, toen de golf kwam, die het anders zou omgeworpen hebben, maar nu met een krachtigen zet ’t verder roeien bespaarde, en schuitje en visschers bracht waar ze zijn moesten.
De hadji en Ketjil stonden aan het strand te kijken, de laatste vol bewondering over de vlugheid en kracht van dit naakte zeevolkje.
Langzaam en gelijkmatig, zonder rukken, begonnen de visschers hun net binnen te halen met eentonigen dreun; de omtrek door het net beschreven kromp met elken trek zichtbaarder, en in het water tusschen de dobbers kwam een gewriemel, drukker en drukker.
„Er zit aardig wat in,” zei Ketjil.
De hadji wierp een als ’t ware erkentelijken blik over de groote zee met haar diepen groenblauwen grondtoon vol tallooze teere tinten; hij was met zijn geld bij de visscherij betrokken; het was zijn „rente”, die daar, in den vorm van levende visch, zooveel vruchtelooze pogingen deed om te ontkomen aan de mazen van het net.
„Allah is groot,” zei hij met woekeraars-onderworpenheid, „en de zee is rijk!”
Een dof geluid steeg op uit het net, dadelijk gevolgd door ’t gejubel van ’t visschersvolk; het inhalen geschiedde nu voorzichtig maar krachtig, en tegen den laatsten trek kwam boven het levend gewriemel der dooreenkrioelende visschen een blauwachtige grijze rug te voorschijn, en toen het dier kantelde bij het op ’t strand halen, toonde het een helder wit onderlijf! dichtbij den stompen kop zaten een paar zwemvinnen; bij dit dier met den lichaamsvorm van een zeehond, spartelde een kleiner exemplaar. Het was een doejong met zijn stamhouder.
De visschers gunden zich geen tijd om naar de visch uit te zien; een sprong toe met een knuppel; hij sloeg den doejong geweldig op den kop en uit de oogen van het stervende dier lekte toen traan bij traan.
„Gelukskind!” zei hadji Ismaïl glimlachend tegen Ketjil, die vol blijdschap aandachtig keek naar den anderen visscher, die met groote zorg het kostbaar vocht opving in een schoteltje.
Men bracht het bij hem, en hij bekeek en berook het met eerbied. Maar toen hij gevraagd had, wat het moest kosten, werd hij boos om het antwoord. Zestig gulden! Dat was gemeen!
En de kerels waren vast; ze hielden op een wanhopige manier voet bij stuk, en of Ketjil hoog of laag sprong,—hij kreeg zijn schat niet onder de vijf en dertig gulden.
„Ze hebben me zoo goed als bestolen.” zei hij bij het teruggaan jammerend tegen den hadji.
Maar die had er schik in.
„Kom, kom! De arme menschen geven het veel te goedkoop!”
Ketjil bleef nu geen uur langer dan noodig was; weldra zweefde hij weer in den stoel van den mantri tusschen hemel en aarde.
Toen hij thuis kwam, was zijn moeder de eerste, die hij aantrof. Maar zij verwelkomde hem niet. Integendeel, zij was eer boos, en vroeg hem dadelijk de „obat”; ze wachtte er op, zei ze, en ’t was schande, dat hij haar in den steek liet, nu juist zooveel er van afhing. Ketjil zocht niet verder naar verontschuldigingen; de kip was, wat hem betrof, geplukt; hij had volstrekt geen plan zich verder van dat zaakje iets aan te trekken, en hij snauwde de oude af op den toon van gezag, die een inlandschen zoon tegenover zijn moeder, zijn ondergeschikte, past, als hij haar niets te verzoeken heeft. Zij antwoordde hem niet, maar bromde en steunde tot hij ’n beetje had gezocht, dan eens in zijn trommeltje, dat hij mee had gebracht, dan weer in een zijner kastjes. Eindelijk kreeg Sarinah, wat zij verlangde en dat hij reeds lang voor zijn „dienstrein” had gereed staan.
Zij vertelde hem niets. Ze begreep heel goed, dat hij er geen belang meer in stelde. Een karretje wachtte haar, en zij maande den koetsier aan tot spoed.
Het waren ’n paar woelige dagen geweest, en zij vreesde, dat Bronkhorst, als hij niet regelmatig zijn portie kreeg, niet in de voor het doel vereischte stemming zou blijven.
Zij vond hem bij Betsy, zeer opgewonden, en ongezien sloop zij in ’t halfduister het erf op, en achter het huis in, waar ze ging staan luisteren aan de deur.
Toen Bronkhorst den ochtend, nadat hij vergeten had zijn vrouw met het rijtuig te laten halen, aan het ontbijt kwam, dacht hij dat ze er iets over zou zeggen. Hij had weer een hoogst onaangenamen, grootendeels slapeloozen nacht gehad; hij was gruwelijk uit zijn humeur, en als ze iets zei, dan moest de kogel, meende hij, maar met geweld door de kerk. Maar ze zei niets, en zelfs toen hij begon te brommen en te vitten op het eten en op de thee, bleef zij gemoedelijk en liet zij verwijten, hoe ongegrond ook, geheel onbeantwoord.
„Het is op die manier geen leven,” zei hij eindelijk.
Zij glimlachte droevig. Neen, daarin had hij volkomen gelijk. Het was geen leven, althans niet voor haar. Tot zelfs haar bedienden, die nu niets meer in haar zagen dan een onttroonde vorstin, plaagden en brutaliseerden haar. Wat was een vrouw, zoo goed als verlaten door haar man? Omdat ze nu een Europeesche vrouw was, en er zulk een vreemde adat heerscht bij de Europeanen, mocht zij nog in huis blijven, en kon men haar niet er uitjagen; was zij een inlandsche geweest, dan had ze al lang een soerat lepas gehad; dáárover was het bedienend personeel het volkomen eens.
„Er moet een einde aan komen,” ging hij voort met een drogen mond op ’n stuk brood kauwend.
„Er moet op een of andere manier een eind aan komen.”
Marie verbleekte niet; zij zag al zoo bleek na al het verdriet van den laatsten tijd, dat ze moeilijk witter kon worden dan ze was. Ze keek hem aan, en ondanks zichzelve, kwam een gevoel van medelijden bij haar op. Zooals hij daar zat, etend om zich ’n figuur te geven, met zijn door donkere kringen omgeven, neergeslagen oogen, en zijn vervallen gezicht, had ze hem nooit gekend. En met dat zachter gevoel ontwaakte een ander, een van toomeloozen haat tegen Betsy, zóó sterk, dat ze er zelve van schrikte; zij had haar, dat voelde ze, kunnen vermoorden, ondanks al de zachtmoedigheid, kalmte en gelijkmatigheid, die haar karakter steeds hadden gekenmerkt.
„Naar Europa,” vervolgde hij, toen er nog altijd geen weerwoord kwam, „geeft op zichzelf toch niets.”
„Ik ga niet naar Europa,” zei ze.
„Dat is iets anders. Je kunt ook mijnentwege in Indië blijven. Aan geld zal het je niet ontbreken. Ik heb er veel voor over.”
„Ik vraag geen geld.”
„Onzin! Je moet leven met de kinderen.”
Weer zweeg ze; ze wist wat hij bedoelde, maar zij zou het woord niet ’t eerst uitspreken.
„We moeten natuurlijk van elkaar af; we moeten scheiden.”
Zij stond rechtop, en toen hij bij het geluid van het achteruitschuiven van haar stoel opkeek, ontstelde hij van de kloeke, vastberaden, uitdagende uitdrukking van haar gezicht.
„Wij scheiden niet!”
Het was een toon, die geen repliek duldde; waarbij men met heftigheid het zeker niet verder zou brengen. Zoo helder was zijn geest nog om dat te beseffen. En nu ving hij aan met gemaakte kalmte te redeneeren; zijn stem klonk dof en toonloos, met even weinig uitdrukking als zijn gezicht. Het leven op die manier was voor beiden onhoudbaar; er kwamen oogenblikken in het bestaan van een mensch, dat samenzijn ondraaglijk werd; het was nu onverschillig, wat daarvan de oorzaak mocht heeten; soms was het zus, dan weer was het zóó. Verstandige lieden, wie het niet te doen was om elkaars existentie te verbitteren, namen dan kloeke, doortastende maatregelen. Zoo die zeer veel onaangenaams meebrachten,—wat het zwaarste was, moest ook ’t zwaarste wegen, en men had er slechts verdriet van, als men een leven voortzette, dan ten slotte met een straf gelijk stond.
Zóó redeneerde hij door, met een groote mate wereldwijsheid en gelegenheidslogica, maar het hielp niets; wanneer hij nu en dan zweeg, als wilde hij het effect zijner redeneering nagaan, dan zag hij haar met dezelfde uitdrukking van onverzettelijkheid en ’t zelfde bleeke, strakke gezicht het hoofd schudden.
„Wij scheiden niet!” herhaalde zij dan.
En dat was alles.
Hij had lang zijn zenuwen bedwongen, maar inwendig wond hij zich vreeselijk op; er kwam grofheid in zijn uitdrukkingen; smalend sprak hij van vrouwen, die zich aan een man vastklemmen, of ze gewenscht worden of niet; van gebrek aan kieschheid en eigenwaarde.
Toen stond ze op, ging naar binnen, en hij hoorde hoe zij haar kamer met den sleutel sloot.
Het was wanhopig, en, alleen gebleven, koelde hij zijn drift, door met luide stem geweldig op te spelen tegen de bedienden, die er kalm bij bleven en hem ook niet antwoordden. In dien hoogsten staat van opgewondenheid liep hij naar zijn kantoor, dronk er glas op glas Selterswater, en stapte van zijn lessenaar naar de deur en terug wel ’n kwartier lang, tot hij vermoeid in zijn kantoorstoel zonk, met diepe zuchten, om daar zijn gewone visioenen te krijgen, waarin hij altijd Betsy zag, op de eene of andere manier.
Hij schrikte toen een luide stem in het voorgedeelte, door schutsels gemaskeerd, naar hem vroeg, en hij zag vreemd op, toen ’n oogenblik later kapitein De Grijs, Borne’s vervanger als garnizoens-commandant, tegenover hem stond. Zij hadden nooit vriendschap gesloten; het was gebleven bij een beleefdheidsbezoek over en weer, en toen het huiselijk leven van den notaris en diens persoon bij ’t publiek eenigszins in opspraak kwamen, was er voor den kapitein, die toch een meer teruggetrokken persoon was, dan de woelige Borne, nog minder reden tot voortzetting eener kennismaking, die geen wederzijdsche sympathie ten gevolge had gehad. Toen hij den brief had ontvangen, was hij naar den resident gegaan, en deze, blij dat er nog iemand in het spel was, had den kapitein verzocht er eerst maar eens ernstig met Bronkhorst over te spreken, daar zijn eigen positie als resident het hem moeilijk maakte zich direct persoonlijk met zulk een particuliere aangelegenheid in te laten; hij kon later, als het noodig mocht zijn, een handje helpen. Ofschoon dit den kapitein verdroot, maakte hij geen bezwaren, en daarom was hij nu alleen naar ’t kantoor van Bronkhorst gekomen, die van den prins geen kwaad wist en met verwondering de stijve houding en het geretireerde in de manieren van zijn bezoeker zag.
„Ik heb u te spreken.… meneer.… over ’n zaak.”
Dit maakte den notaris niet wijzer. Natuurlijk! Iedereen kwam hem hier spreken over zaken.
„Ga zitten, meneer.”
„Ik heb dezer dagen ’n brief ontvangen van mijn voorganger hier op de plaats, den kapitein Borne.”
Bronkhorst knikte met ’t hoofd, maar kleurde; er ging hem ’n licht op, hij begreep iets van de gelegenheidshouding.
„Meneer Borne verzocht me een onderzoek in te stellen naar de verhouding tusschen u en zijn nicht, mevrouw Den Ekster.”
Het ging alles op een stroeven, haast dreigenden toon; het irriteerde Bronkhorst in hooge mate.
„Ik kan me de belangstelling van kapitein Borne in mevrouw Den Ekster verklaren; die is begrijpelijk en op haar plaats. Wat mijn verhoudingen aangaat, ken ik hem het recht niet toe zich er mee in te laten.”
„Dat is de opvatting niet van meneer Borne, en ook niet de mijne.”
„Het spijt me!” antwoordde Bronkhorst droogjes en er lag iets geringschattends in ’t schouderophalen, dat die woorden vergezelde; „’t spijt me, maar ik kan er niets aan doen.”
„Integendeel. Als de oorzaak van de geheele onaangename zaak, kunt u er alles aan doen, en dat kom ik u verzoeken, namens den heer en mevrouw Borne.”
„Ik begrijp niet wat men bedoelt met die onaangename zaak. Mevrouw Den Ekster is meerderjarig.”
„Mag ik u uitnoodigen niet in die richting af te wijken. Ik ben hier niet gekomen om met u te redeneeren over minderjarig of meerderjarig. Ik zie, dat wij op die manier niet verder komen.”
„Maar wat wilt u dan?” vroeg Bronkhorst ongeduldig.
„Ik wilde u verzoeken van dit oogenblik de eer en den goeden naam van fatsoenlijke familiën te sparen, en uw relatie.…”
„Wat relatie?” riep Bronkhorst woedend. „Ik verzoek u dat woord niet te gebruiken. We weten allemaal, wat dat in een geval als dit te beduiden heeft, en ik moet u verzoeken te gelooven, dat daarvan tusschen de bedoelde dame en mij geen sprake is.”
In zijn boosheid sloeg Bronkhorst den toon der waarheid zóó juist aan, dat de kapitein er door geïmponeerd werd; het kon waar wezen, dacht hij; maar zelfs als het niet waar was, en Betsy heel gewoon ’n relatie met hem had, dan was het toch nog kranig, dat hij het op die manier ontkende; het deed hem eenigszins rijzen in de schatting van den kapitein De Grijs.
„Ik weet welke de publieke opinie is, en ook die van de familie Borne. Het ligt niet op mijn weg, om in bijzonderheden af te dalen. Ik vraag u of u bereid zijt van alle verstandhouding af te zien met een dame, wier eer en goede naam door u in opspraak zijn gebracht.”
„Welnu, neen, dat zal ik niet! Ik zal voor haar zorgen; voor haar en voor haar naam. Dat is een quaestie tusschen haar en mij, en onze handelingen gaan meneer of mevrouw Borne niet aan, en allerminst u.”
Ze waren opgestaan en keken elkaar in de oogen met haat en minachting; op de lippen van den kapitein lag een woord, dat hij met moeite terughield.
„Dan zal ik,” zei hij, „andere maatregelen treffen om aan het verzoek van meneer Borne te voldoen. Maar er zal aan voldaan worden, dat verzeker ik u.”
„Dat zal er niet! Ik ontzeg u het recht u met mijn zaken te bemoeien.”
„Dat zal er wèl, zeg ik u. Op uitvluchten antwoord ik niet, maar het zal gebeuren, goedschiks of kwaadschiks.”
En zonder te groeten, keerde de kapitein De Grijs zich om, en verliet het kantoor, dat hij al heengaand vulde met den klank van het kletteren van sabel, sporen en wat verder aan zijn uniform onder het gaan geluid maakte.
Bronkhorst was woedend.
Zoo’n brutale kerel! Goed- of kwaadschiks had hij gezegd! Men zou hem dus dwingen! Alsof hij ’n kwajongen was, bang voor een grooten mond of ’n dreigement. Wel, hij zou eens willen zien, hoe men dat zou aanleggen. Hij had dan toch ook wel eens meer ’n sabel in de hand gehad. Was hij eigenlijk niet reeds verplicht dien brutalen kapitein uit te dagen? Het denkbeeld spookte rond in zijn ontsteld brein, en ’t lachte hem meer en meer toe. Al zijn oude, verstandige theorieën over de ongerijmdheid van het duel verlieten hem; voor háár te vechten,—dat bleek hem bijster chevaleresque, en de rest kon hem niet schelen. Werd hij gewond of gedood, ook goed! Het was zóó immers toch geen leven!
Met de zenuwachtige drukte, die hem overviel, als hij niet willoos mijmerde, maar in actie was, gaf hij last zijn rijtuig te laten inspannen. Hij wilde er liefst dadelijk werk van maken; hij zou naar den officier van gezondheid gaan, die was toch ook militair, en hij zou hem raadplegen over de vraag, of hij, na het gebeurde, niet als man van eer verplicht was den kapitein uit te dagen.
De officier van gezondheid had er erg veel trek in. Zoo’n duel behoorde op een eentonige binnenplaats tot het aantrekkelijkste, dat men zich kon voorstellen. Maar toen hij Bronkhorst eens goed aankeek, en als het ware op diens gelaat den abnormalen toestand zag, waarin hij naar ziel en lichaam verkeerde, sprak zijn geweten als medicus luider, dan zijn zucht naar wat afwisseling.
„Ik zou u niet aanraden,” zei hij, „er gevolg aan te geven.”
„Kan ik me dan laten bedreigen in mijn eigen huis?”
„Er heeft geen bedreiging plaats gehad.”
„Hij zei toch: goedschiks of kwaadschiks. Wat beteekent dat? Hij zal toch met dat laatste niet anders bedoelen dan geweld!”
„Men zegt dat zoo par manière de dire, zonder dadelijk het ergste te bedoelen.”
„Nu ja! Hij zal er misschien buitenaf op bluffen.”
„Pardon, dan kent u den kapitein niet. Hij is een hoogst fatsoenlijk en welopgevoed man. ’n Beetje stug en eenzelvig, maar ’n gentleman.”
„Dus denkt u, dat het van mijn kant niet noodig is.…”
„Ik vermeen van neen.”
Bronkhorst liep zenuwachtig ’n paar malen ’s dokters galerij op en neer, zwaaiend met zijn rotting en draaiend aan zijn knevels.
„Weetje,” zei hij, „ik verlaat me met vertrouwen op uw oordeel, dàt is de quaestie niet, maar ik ben bang.…”
„Waarvoor?”
„Ronduit gezegd: ik ben bang, dat ze me aanzien voor een lafaard. Daarom, als u er niets op tegen hebt en het niet te veel gevergd is: raadpleeg er dan nog eens ’n anderen officier over.”
„Moet het bepaald een officier wezen?”
„Als het kan, liefst wel.”
„Goed. Ik zal het doen en het u van middag laten weten.”
„Asjeblieft! Je zult me er een groot genoegen mee doen.”
Hij drukte dankbaar de hand van den militairen dokter en ging heen; maar onder het wegrijden mopperde hij bij zichzelven. Het was eeuwig jammer, vond hij, dat deze man zoo vredelievend was; hijzelf zou nu niets liever doen dan vechten; nu er verhindering kwam, geraakte hij in een buitengewoon strijdlustigen toestand; hoe moorddadiger de gevolgen waren, des te liever. Het duurde maar ’n paar minuten, want hij verviel weer in zijn visioenen, zoodat hem de koetsier met luider stem moest roepen, toen het rijtuig voor ’t kantoor stilhield en de notaris vergat uit te stappen.
Een uur of wat later kwam er een briefje, het was kort en bondig: een duel werd niet noodig geacht, meer niet. Intusschen gebeurde er veel waarvan hij geen flauw vermoeden had. De man, dien hij geraadpleegd had, was bij den resident geweest; deze had kapitein De Grijs laten roepen, en men had „geconfereerd.”
„Van ’n duel mag niets komen,” meende de resident. „Vooreerst houd ik den man voor physiek ontoerekenbaar.”
„Ik ook,” zei de dokter.
En toen de anderen iets daartegen wilden inbrengen, schudde hij het hoofd, onwillig, en vervolgde:
„Het is mogelijk, dat hij iets heeft ingekregen en ’n beetje abnormaal is,—zijn verstand is niet gekrenkt: hij weet heel goed, wat hij zegt en doet.”
„Ten tweede,” ging de resident voort, „zouden wij er Borne een vreemdsoortigen dienst mee bewijzen, daar het slechts tot meer opspraak zou leiden.”
„Dat is waar,” erkende de kapitein. „Overigens behoef ik me persoonlijk niet beleedigd te gevoelen.”
„Neen,” zei de dokter, „daar is geen sprake van.”
„Doch laat hem voorzichtig zijn, want mocht het zóóver komen.…”
„U schijnt hem te haten.”
De kapitein keek den dokter aan met vasten blik.
„Ja,” zei hij, „ik mag hem niet.”
„Nu, laat ons daarop niet verder doorgaan. Men heeft zijn sympathieën en antipathieën. Het doet trouwens ter zake niets; wij, de kapitein en ik, moeten nu overleggen wat ons te doen staat.”
Daar de kapitein er momenteel althans geen raad op wist, zweeg hij.
„Mijn vrouw,” ging de resident voort, „bezoekt elken dag mevrouw Bronkhorst. Wat er ook gebeurt, zij zal haar bijstaan.”
„Dat is een groote steun,” zei de dokter, en hij kon een glimlach onder zijn knevel en een stil gevoel van medelijden met Bronkhorst niet onderdrukken, bij het denken aan het vrouwelijk hoofd van bestuur, met wier karakter en woordenrijkdom niet viel te spotten.
„Als u nu eens met Bronkhorst sprak,” opperde de kapitein.
„Ik vrees, dat het niet baten zal; ik wilde het met genoegen doen, maar hoogstwaarschijnlijk zal hij mij evenzoo bejegenen, als hij het u heeft gedaan, en dat is voor mijn prestige, als hoofd van bestuur, erger dan voor u. Als hij mij beleedigen mocht, kan ik hem niet uitdagen.”
Alle drie zwegen stil. Het was waar, dat voelden ze; maar een uitweg lag er niet in.
Toch moest er iets gedaan worden, althans de resident en kapitein De Grijs achtten zich daartoe verplicht tegenover Borne.
„Heeft zij geen andere familie?” vroeg de kapitein.
Verrast keek de resident hem aan. Het was een idée!
„Dat is waar ook! Welzeker, zij heeft een zuster, die getrouwd is met een controleur.”
„Zou die ons niet kunnen helpen?”
„Welzeker. Ik zal er werk van maken. Het zal ’n dag of wat duren.… ’n week misschien.… Dan kunnen we verder zien.”
En zóó gingen ze uitéén, zonder een bepaald plan, geen van drieën besloten omtrent hetgeen te doen viel, de kapitein en de dokter onder den indruk, dat het haast onmogelijk was een afdoenden maatregel te nemen, en de resident met een denkbeeld in het hoofd. Hij kende den man van Lidia; ’t was een goed ambtenaar, die „ter beschikking” onder hem had gediend tijdens hij nog assistent was; hij kende ook ’t vrouwtje, dat verduiveld bij de hand was, en hij zou die luitjes trachten over te halen, hun plicht te doen als naaste bloedverwanten.
Bronkhorst kon niet werken; hij was tot niets in staat; werktuiglijk teekende hij de stukken, nadat hij ze gelezen en den inhoud òf niet begrepen had òf reeds weer vergeten was. Hij ging naar huis. Er moest nog meer gebeuren. Hij had A gezegd, en B zeggen moest hij ook. Tot een scheiding moest het komen en bij zichzelven zei hij het den kapitein De Grijs na: goedschiks of kwaadschiks. Driftig liep hij de galerij door, die zijn huis en kantoor verbond; het gloeiend zonlicht, dat hem tegensloeg, hinderde hem; hij kneep er zuchtend de fletse oogen voor dicht. Doch toen hij de trap naar de voorgalerij beklom, omdat hij niet achter wilde binnenkomen, was zijn driftig aangeloopen voornemen deels weer teruggezonken. Toch was hij willens, dadelijk met Marie te spreken, weer op de scheiding terug te komen, opnieuw te argumenteeren, aan te dringen en onaangenaam te zijn.
Maar toen hij onder de marquise ter zijde van het huis de bekende coupé van den resident zag, ontzonk hem voor het oogenblik zijn besluit geheel, en ging hij gauw zijn kamer binnen. Wat was dat toch? Hoe kwam het dat er nu altijd dames-visite was bij zijn vrouw? Het leek wel een bondgenootschap, en Bronkhorst zag dit ondanks zijn verwarde denkbeelden vrij duidelijk in. Het was een stil bondgenootschap. Niemand had iets met de anderen afgesproken, maar op deze kleine plaats, waar men elkaar zoo goed kende, was het alsof tegenover het gevaar, dat mevrouw Bronkhorst bedreigde, elke fatsoenlijke vrouw zich genoopt vond door openbaar betoon van belangstelling en vriendschap, als het ware een beschermende hand over haar uit te strekken. En van al die dames-bezoeksters vreesde Bronkhorst er geen zoozeer als de vrouw van den resident.
Eenmaal in zijn kamer, achterover liggend in zijn luierstoel, ontging hem de lust tot actie; hij sliep in, moe van de vele slapelooze nachten, die hij doorbracht. Toen zijn bediende hem kwam roepen, stond hij op, rekte zich uit en viel weer neer op een divan.
Marie liet niets van zich hooren. Zij liet het huishouden nu voornamelijk aan de bedienden over, zich uitsluitend met de kinderen bemoeiend. Toen het donker was, ’s avonds, liet hij inspannen en ging eten bij Betsy.
Den volgenden dag rijsttafelde hij bij haar, en ’s avonds ging hij er ook heen; te huis kwam hij alleen slapen, op zijn kantoor niet veel meer dan soezen.
Doch, hetzij de terugslag op zijn gezondheid vanzelf zoo krachtig opkwam, hetzij Sarinah zich vergist had en hem meer had toegediend dan hij kon verdragen,—aan het einde der week werd hij op een ochtend wakker met zware koorts.
Hij zond een boodschap naar het kantoor en hield het bed. Een dokter wilde hij niet laten komen; met wat quinine, meende hij, zou het wel klaar spelen. Maar de pillen, die hij innam, hadden weinig werking en de koorts hield aan. Zijn stemming wisselde daarbij telkens af; van sombere, droefgeestige gedachten, sloeg hij zonder overgang of oorzaak tot zijn gewone aangename visioenen over, waarin Betsy de hoofdrol speelde, en van die visioenen ging het plotseling weer tot de vroolijke, dwaze droombeelden uit zijn Sturm-und-Drang-periode, toen hij als jongeling le jeu, le vin, les belles najoeg. In een der oogenblikken, dat zich zulke malle geestvervoeringen van hem meester maakten, werd de deur zijner kamer zacht geopend.
Marie kwam naar hem zien. Zij had gehoord, dat hij zich ziek liet melden aan zijn candidaat, op wiens schouders toch alles rustte. Het had haar heel wat strijd gekost, eer ze het eens was met zichzelve; eer ze zóóver haar trots had verzaakt, dat ze bereid was naar hem te gaan zien en vragen of hij ook iets noodig had. Maar toen zij zacht de kamerdeur opende, schrikte zij. Hij lag te zingen; niet goed in de wijs en eenigszins tegen den toon aan, maar hij zong toch, en zij kon de woorden verstaan; de woorden van een obsceen Fransch liedje, die ze maar half verstond, doch voor de andere helft wel raden kon.