GOENA-GOENA. (continued 3)
Reading edition
„Hoe denk jij daarover?” vroeg Marie.
„Wel, ik heb er niets tegen; ik geloof, dat het heel aangenaam voor je zijn zal, en daar ze uitstekend omgaat met de kinderen, is het ’n dubbel voordeel.”
„Ja,” gaf Marie toe. „Alleen, ik durf het heusch niet voorstellen. ’t Staat zoo gek!”
„Laat het maar aan mij over. Ik zal er den kapitein over spreken. Vandaag nog.”
Toen ’s middags ’t kantoor was gesloten, ging Bronkhorst zijn buren bezoeken; hij vond hen thee drinkend en druk pratend over de overplaatsing.
Onder het gesprek, waaraan hij deel nam, gaf hij den kapitein een wenk; ze gingen onder een voorwendsel naar diens kamer.
„Mijn vrouw stuurt me,” zei Bronkhorst, „met een eenigszins delicaat verzoek. Zij wou zoo graag, dat uw nichtje bij ons bleef, maar ze durft het zelf niet te verzoeken.”
Borne streek in gedachten langs zijn knevels.
„Hm!” bromde hij eindelijk. „De vraag is hoe. Je begrijpt wel, beste notaris, dat hoe gaarne ik u en mevrouw ook mag, en hoe vriendschappelijk.….”
„Natuurlijk!” viel hem Bronkhorst in de rede. „De bedoeling van mijn vrouw is, dat Betsy geheel als een lid van het huisgezin wordt bejegend; wat de geldquaestie betreft, daarmede kunnen gij en ik ons niet bemoeien; laat de dames dat onderling uitmaken, als zij het eens zijn over de zaak.”
„Ik geloof ook, dat het zóó zou kunnen,” erkende de kapitein, maar van harte ging die erkenning niet. „Ik zal den knoop maar dadelijk doorhakken.”
Het voorstel viel in goede aarde bij tante, en Betsy nam het aan met een glimlach van zelfvoldoening; ze had ze allen wel kunnen kussen, zoo liep het mee!
Zonder eenige bepaalde bedoeling, kon toch Bronkhorst zich niet ontveinzen, dat hij verheugd was. En dit stemde hem dienstwilliger dan ooit. Hij had nog een àpartje met den kapitein. Tijd om vendutie te houden van den inboedel, was er niet. Maar Bronkhorst zou voor alles zorgen, en de kapitein kon met genoegen zooveel van hem krijgen, als hijzelf dacht dat de vendutie zou opbrengen. Ook Marie was tot alle hulp bereid.
Toen ze weg waren, keek kapitein Borne hen na met aandoening.
„Het is toch maar waar, dat een goede buur beter is, dan een verre vriend,” zei hij hoofdschuddend.
„Maar zij zijn ook zulke lieve menschen!” riep zijn vrouw uit de volheid van haar hart. „Waarachtig, men spreekt wel eens van familie,—maar een eigen broer of zuster kan niet hulpvaardiger en bereidwilliger wezen, dan zij zijn.”
Betsy zei niets. Ze keek de Bronkhorsten ook na, of eigenlijk zag ze alleen naar de kloeke figuur van hem. En ze glimlachte toen haar oom en tante zich zoo uitputten in lofredenen. Wat Bronkhorst betrof, wist zij ten minste wel, waaruit de buitengewone dienstvaardigheid voortsproot.
Het waren drukke dagen die nu volgden. Zij, Betsy, moest haar tijd verdeelen tusschen haar familie en het kind, dat snel beterde, maar niettemin erg aan haar bleef hechten. Bij de Borne’s lag alles overhoop. Oom had het nog veel warmer dan anders, en vond in de drukte van het kasten uit- en kisten inpakken, aanleiding om een ongelooflijke hoeveelheid potjes bier, bittertjes en brandy-soda’s te verslaan. Dat hoorde er bij. Tante zwoegde als een koetspaard van het eene eind naar ’t andere, feitelijk alleen zorgend voor alles. Betsy had het nette gedeelte voor haar rekening genomen, fijne breekbare voorwerpen, die meegenomen moesten worden, doosjes, souvenirs en dameskleeren. Zij bedankte er voor om als een slavin zich in ’t zweet te werken en met verwarde haren, een vuile kabaja en dito voeten van de kamers te loopen naar de bijgebouwen en vice-versa.
Eindelijk „schoot men op”. De Borne’s waren zoowat klaar in huis; de paar dagen restend vóór het vertrek werden gewijd aan afscheidsbezoeken. Betsy nam met haar oude meid haar intrek bij de Bronkhorsten.
Zij kreeg een kamer naast die van de kinderen, keurig gemeubeld en voorzien van alle comforts. Nog nooit had zij zoo’n fraai ingericht vertrek bewoond. Terwijl ze er haar goed schikte in de rijk gebeeldhouwde kasten, en haar schrijfgereedschap in het mahoniehouten lessenaartje, vroeg zij Sarinah:
„Wel, hoe staat het er mee?”
De oude, die juist bezig was het bed te kipassen, hield op en keek haar grijnzend aan.
„Dat weet de nonna zelf wel.”
„Gekheid! Ik weet niets.”
„Hoe denkt de nonna dan, dat het komt, dat zij hier blijft; hier in huis?”
„Wel, dat is.…. zoo overeengekomen.”
„Heeft nonna er om gevraagd?”
„Neen.”
„Wat is het dan? Hoe komt het dan, dat het alles naar dien kant gaat, vanzelf, zonder iets te verzoeken?”
„Ik.….. ik.…. weet het niet,” antwoordde Betsy eenigszins ontsteld. Zij had zoover niet gedacht; zij had het opgenomen voor hetgeen het was, onbedacht de gewone wet eerbiedigend van oorzaak en gevolg, die niets geheimzinnigs heeft, zoolang geen dwazen er iets in zoeken.
„Soedah!” riep de oude met een schorren lach. „Soedah! ik weet het ook niet.”
En ze kipaste voort bij iederen zwaai met de sapoe lidi, steunend en grommelend.
Zij had met Sidin de conferentie gehad bij haar zoon, Ketjil. ’t Was daar heel wat netter, dan in de bediendenkamer op het erf van den notaris, al was het even vuil en al rook het even onsmakelijk. Sidin was ’s avonds gekomen en had dadelijk nog veel meer respect gekregen voor de oude en haar zoon, want er waren stoelen, tafels, kasten en klokken, precies als bij Europeanen, en het verschil tusschen zindelijk en onzindelijk,—och, dat zag hij als gewone inlander zoo niet. En dan was het erg geheimzinnig. Op de lage kasten stonden allerlei stopflesschen. In één daarvan zag hij kevertjes, tusschen rijst en kapok: daarvan had hij meer gehoord; hij zag door het venster allerlei planten, die hij als kind had leeren vreezen: ketjoeboeng en hij had ook wel eens gehoord, dat zulke kevertjes daarop werden gekweekt, en daarna gedood en fijngestampt werden; zijn grootmoeder had hem voor hij trouwde dikwijls verhaald van toovenaars, die het stof van zulke beestjes dan met nog andere dingen vermengd, door het eten doen van menschen, die op een of andere manier gek moeten worden. Hij huiverde bij het denkbeeld; het was hem of die stopflesschen, sommige met kruiden en planten, hem op de zekerste manier dood en verderf voorspelden, als hij niet deed wat die oude tooverheks en haar wijze zoon hem gelastten. En hij toonde hun beiden al de vriendelijkheid en den eerbied, waartoe hij zich in staat gevoelde. Het viel hem erg mee; moeielijk was het niet; als Sarinah ’t hem gelastte, dan moest hij iets, dat zij hem geven zou, verbergen in het hoofdkussen van zijn heer; maar zóó, dat niemand het zag en de opening in ’t kussen weer netjes werd dichtgemaakt. Nu, dat was gemakkelijk! Hij „deed” immers altijd mijnheers kamer, als deze naar ’t kantoor was, en dan had hij tijd in overvloed.
Voorloopig kon Sidin gaan, en hoezeer hij ook vast had voorgenomen om te doen, wat hem door de oude meid werd opgedragen, besloot hij toch vast nimmermeer een voet bij dien Ketjil in huis te zetten.
Toen hij thuis kwam, kreeg hij van mevrouw Bronkhorst een geduchten uitbrander, omdat hij zoo lang was weggebleven; met stoïcijnsche kalmte hoorde hij het aan; zoo hij vroeger soms een woord tegensprak,—thans zweeg hij, zooals een inlander zwijgen kan.
Zij zouden dien njonja toch wel krijgen, en hij voelde zich trotsch, dat hij, zij het dan ook in ondergeschikte rol, iets bij zou dragen tot dat „krijgen”.
Onder het standje door, kreeg hij bevelen, die hem meer belangstelling inboezemden. Er zou een groote partij worden gegeven ter eere van de familie Borne. Er moest voor heel veel gezorgd worden, want lekker eten was een voornaam deel van het feestprogram.
Dat gaf weer drukte, ditmaal bij den notaris te huis. Tante was klaar met haar vele voorbereidingen tot reizen en vendutie houden. Zij maakten nu visites; zij ’s ochtends in sarong en kabaja aan Indische dames; hij aan de kletstafel in de sociëteit, en ’s avonds beiden, behoorlijk in groot tenue en per as bij familiën in de buurt, welke dikwerf allesbehalve naburig was, maar zich naar het noorden, zoowel als naar het zuiden eenige palen ver uitstrekte.
Betsy had het met die partij volhandiger dan met de geheele overplaatsing van de Borne’s. Zij kon lekker gebak maken, en dat wist Marie, die er haar duchtig had voorgespannen. Den halven dag zaten ze samen in de keuken, bakkend, pratend en lachend en elkaar onderwijzend, de een in de geheimen van de Hollandsche, de ander in die van de Indische kook- en bakkunst. Betsy vond het wel aardig, zóó zelfs, dat zij er van tijd tot tijd al haar plannen en voornemens door vergat. Alleen als Bronkhorst naar achteren kwam, en hij deed dat in die dagen zeer dikwijls, dan rezen ze weer in haar op, soms met grooten twijfel, een andermaal met een gevoel van vrees. En dan overmande haar wel eens het voornaamste idée; ze kon het zich niet voorstellen, dat zij tegenover hen stond met de vaste bedoeling twist, tweedracht en scheiding tusschen hen te werpen, om zelve.…. Toch werd het begeerlijker in haar oogen, nu ze mede genoot van het vooral materiëel zoo lekker leven, maar ze durfde zich er nauwelijks indenken, ’s Nachts hield het haar dikwerf wakker, en soms droomde ze daarna van Den Ekster, wiens dansend hoofd haar dan voor de oogen huppelde, zóó duidelijk, dat ze elken trek van het gelaat allernauwkeurigst zag. Dat werd haar een schrikbeeld!
De gang, die van de achtergalerij naar de bijgebouwen liep, was den dag vóór den feestavond haast niet te passeeren, zoo vol stond ze met tafeltjes, beladen met eet- en drinkwaren. Men had aan een en ander „de laatste hand gelegd”, en nu was ieder in zijn kamer zich aan het kleeden.
Voor de groote psyche stond Betsy in haar onderrok en met, over het korset, een wit lijfje, waarvan de korte mouwtjes en de lage hals door een fijn strookje omzoomd waren. Langzaam egaliseerde zij met een patte-de-lapin de bedaq van Sarinah op haar wangen, en zorgvuldig bestreek ze haar wenkbrauwen met een weinig minjaq bermanis; ze kon toch niet nalaten te glimlachen. Wat zou het toch eigenlijk uitwerken? Maar dáárin had de oude gelijk: zij was, zonder dat ze er om gevraagd had, reeds hier in huis en zou er blijven.
Zij hoorde iets onder haar venster, buiten op het erf; ’t was net het gemompel van de oude meid, dacht ze. Het was haast halfzeven en het laatste daglicht verdween aan de heldere lucht, den horizon zettend in een gloed vol kleuren. Op haar teenen ging ze naar het raam, drukte zacht tegen de stores, zoodat die met ’n kier opengingen, en keek naar buiten. Ja, waarachtig, daar zat de nènèh onder haar venster, en voor haar knieën braadde iets; het was stanggi, waarvan de rook lustig omhoogkrulde. Geen ander sterveling had kunnen verstaan, wat de oude zeide, als zij, zich telkens vooroverbuigend, haar gezicht stak in den opstijgenden rook, en daarin een woord prevelde. Maar Betsy wist het. Zij had ook dáárvan wel eens gehoord; zij wist dat Sarinah telkens in dien rook den naam uitsprak van Bronkhorst, om hem aan te roepen spoedig te komen tot haar, die hem wilde ontvangen.….
Zonder geruisch deed Betsy het venster dicht, en onwillekeurig zuchtte zij. Ze kon het niet helpen, maar zij geloofde er toch aan; het was sterker dan zij.
Toen de oude haar stanggi gebrand, en haar „werk” daarbij verricht had, strompelde zij steunend naar achter, waar Sidin bezig was zijn toilet voor den avond te maken: zijn beste hoofddoek, een mooie kain, en het livreibaadje,—hij zag er uit als een „heer”, en bezag zich met welgevallen in een oud, verweerd stuk spiegelglas.
Sarinah riep hem, en daar schrikte hij zóó van, dat hij ’t spiegeltje haast liet vallen. Hij volgde haar.
„Ik moet iets van je hebben.”
„Wat?” vroeg hij, groote verbazing veinzend om zijn vrees te verbergen.
„Haren van meneer.”
„Die hebt ik niet.”
„Je moet toch zorgen, dat ik ze krijg; mijn zoon heeft het gezegd.”
„Ik.… zal probeeren.”
De oude kwam dicht bij hem met haar gerimpeld gezicht, en haar tandelooze mond raakte haast zijn oor.
„Zorg er maar voor! Zoo gauw als je kan.”
De oude zelf sukkelde verder het achtererf op om haar gezicht en handen te reinigen aan den put. Daarna ging zij in de kamer van Betsy, die zich woedend stond te maken om een speld, welker niet door de harde weerbarstige zijde wilde van een strikje, dat ergens op haar kleed moest vastgemaakt worden.
„Waar zit je toch, nèh? Je hadt hier moeten zijn om me te helpen kleeden.”
„Nonna heeft niet geroepen.”
„Houd je mond maar, en maak dit vast.”
Met meer handigheid, dan men zou verwacht hebben, hielp Sarinah haar meesteres, en toen ze daarmee gereed was, ruimde zij de toilettafel op. In den schildpadden kam zat een bos lang zwart haar. Voorzichtig haalde de meid heb er uit en deed het in ’n stuk van een oude courant.
„Wat voer je nou uit?”
„Ik weet het niet, maar het moet.”
„Je bent mal.… Moet je dat haar meenemen?”
„Ja. Mijn zoon heeft het gezegd. Ik moet haar hebben van nonna en van mijnheer.”
„En dan? Wat moet er mee gebeuren?”
„Dat weet ik niet; het hoort er bij.”
Een boodschap van Marie brak alle verdere navraag af. Zij had zulk een onhandige meid, en daarom liet ze vragen of Betsy haar even wilde helpen, want Sarinah kon zij niet uitstaan. Terwijl Betsy aan dat verzoek voldeed, maakte zij bij zichzelve eigenaardige gevolgtrekkingen. Zij was jaloersch op mevrouw Bronkhorst. Zij wist dat in gezelschap zij, Betsy, heel wat schitterender figuur maakte, en toch zag ze, dat Marie verborgen schoonheden had, die de hare overtroffen; dat hinderde haar geweldig, want als alles meeliep, dan zouden dat après coup punten van vergelijking worden, die in haar nadeel uitvielen.
Het werd in de ruime voorgalerij langzamerhand vrij vol. De notaris was kwistig geweest met zijn uitnoodigingen. Bij deze gelegenheid kon het hem niet schelen of er dertig of zestig gasten kwamen. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Marie en Betsy namen de honneurs waar tegenover de dames. Jean zorgde voor de heeren. De spelers, de makke schapen, zaten spoedig rustig om hun tafeltjes; de rest vormde een bonte rij om de gezelschapstafel, en daar ging het vroolijk toe. Wat later op den avond sloeg Bronkhorst een toost met champagne. Zijn woorden van vriendschap waren goed gemeend, want hij hield veel van de Borne’s; de kapitein was aangedaan, zijn vrouw schreide; de aandoening reflecteerde als altijd, tot op menschen, wie het heele geval niets kon schelen. De kapitein kuchte en hemde een oogenblik, antwoordde kort maar krachtig en zonder haperen, en werd met opgewonden toejuichingen begroet. Er kwam „stemming” onder de gasten; dat deden de aandoening en de champagne. De dames hadden er ook van meegedronken, en kwamen daardoor meer uit de plooi. Mevrouw Bronkhorst zag wel, wat het onuitgesproken verzoek was van velen; ze liet de bedienden ruimte maken in de binnengalerij, ging zelve voor de piano zitten en attaqueerde een wals van Strauss, die de voeten van een doode in beweging zou gebracht hebben. Er werd haastig opgestaan; armen werden gepresenteerd; paren kwamen binnen; de dames wiegelend op haar heupen, het hoofd achterover, haar waaiers bewegend, gereed als strijdrossen, die het eerste kanonschot hoorden vallen. En ze draaiden rond op de maat, niet altijd in de maat. Soms sukkelde een paar ’n oogenblik door onvereenigbaarheid van voetbeweging, als de eene partij behoorlijk in drieën walste en de andere het niet verder kon brengen dan tot een springen à deux temps.—Daar waren er, krukken, die als wanhopigen draaiden, maar met geen mogelijkheid van hun plaats konden komen; anderen, al een beetje meer geoefend, maar toch nog niet op de hoogte, die den omtrek van den cirkel te kort namen; sommige pur sang Europeanen, nog niet lang in Indië, die echter lange beenen maakten en door de zaal vlogen alsof satan zelf hen op de hielen zat, terwijl geurmakers met uitgestrekten linkerarm den rechter hunner dames op en neer bewogen, als waren het pompzwengels. Maar het meerendeel walste Indisch, dat is rustig, netjes in drieën, zonder drukte of zweetuitdrijvenden spoed.
Slechts weinigen waren blijven zitten. Ook vele spelers waren op het alarmsignaal van den Oostenrijkschen musicus het geliefkoosde kaartspel der Mooren van Grenada ontrouw geworden. Een partner van den kapitein, die juist groot casco had geannonceerd, wierp de kaarten neer, excuseerde zich en liep weg om te gaan dansen. Eerst keek Borne met geweldige verontwaardiging den onverlaat na, maar toen bedacht hij zich; het was een partij ter zijner eere en hij mocht zich dus niet boos maken; van twee kwaden het beste kiezend, klopte hij den overgebleven derden man vroolijk op den schouder,
„Ajo, laat ons de oude beenen ook nog eens van den vloer gooien!”
„Komaan, kapitein, ga je ’reis ’n walsje meedoen?”
„Waarachtig!” zei Borne, de overgebleven dames monsterend met kennersblik; „maar ik moet een dikkerd hebben: die staat stevig op de beenen.”
Na den wals bleef het musiceeren aan den gang; ’t werd hoe langer hoe geanimeerder; de dames zongen: na een vroolijk wijsje, hoorde men op muziek gezette minneklachten van Heine; sommige heeren, wier muzikaal sentiment was opgewekt, doch die slechts één Duitsch lied machtig waren, hadden reeds in de Germaansche taal al neuriënd verteld, dat zij niet wisten, wat het beteekenen moest, dat zij zoo treurig waren, maar de groote meerderheid vond de Loreley voor dezen kring te ordinair; het Märchen kwam niet tot zijn recht!
Betsy was de vroolijkste van allen; haar oogen schitterden; haar wangen gloeiden; zij gevoelde een opgewondenheid, die haar zelf nu en dan eenige vrees aanjoeg; ’t was haar of zij zich tot alles in staat gevoelde, haar plannen kwamen krachtiger dan ooit op den voorgrond; zij zou hem hebben en ze moest hem hebben, coûte que coûte! ze gevoelde iets van de kracht eener overtuiging, die zich door geen belemmeringen wil laten terughouden; zij had gedanst met Bronkhorst, heerlijk! Ze hield meer van hem dan ooit, en, dat voelde ze, haar invloed op hem won aan kracht; zij had de zekerheid te zullen slagen, en dat maakte haar overmoedig.
„Zing nog eens!” vroeg men haar.
Dadelijk stond ze op, ging naar de piano en greep een der muziekboeken. Als altijd ging Bronkhorst mee om ’t blad om te slaan. Een oogenblik zocht ze, wierp toen ’t boek open, keek hem glimlachend aan, met iets uitdagends in de oogen, en zong met sterk sprekende accentuatie het lied van Carmen:
L’Amour est enfant de Bohême
Il n’a jamais connu de loi,
Si tu ne m’aimes pas, je t’aime
Si je t’aime, prends garde à toi!
Hij lachte er om in zichzelven; hij vond het verrukkelijk aardig; maar de verre strekking begreep hij niet; hoe had hij aan zoo iets kunnen denken!
Het lied werd luid toegejuicht, doch niemand had er op gelet, dat het was gezongen met een voor zulk een tekst àl te sprekend brio, en toen Betsy weer naar voren kwam, las zij op aller gelaat slechts ingenomenheid en tevredenheid.
„’t Was zéér mooi, mevrouw,” riep een der gasten vol vuur.
„Ja, ze kan het wel,” bevestigde oom Borne, en hij kneep haar in de wang. „Als ze maar wil.”
„Ik ben blij, dat het iets heeft bijgedragen tot het algemeen genoegen. Het is een recht feestelijke avond.”
„Ik ben er waarachtig mee verlegen,” zei de kapitein. „In geen jaren heb ik zoo’n royale fuif bijgewoond.”
„Dames en Heeren!” klonk de stem van Bronkhorst midden uit een groepje, en een glas champagne rees weer omhoog: „ik stel voor dit glas in het bijzonder te wijden aan het welzijn en het geluk van onze geachte en geliefde vriendin, mevrouw Borne!”
Een daverend „hiep, hiep, hiep, hoerah!” klonk door de voorgalerij en deed de paarden opschrikken, die voor de rijtuigen op het erf wachtten; de koetsiers sliepen door.
Betsy ging ook naar de groep en dronk dapper mee op de gezondheid van haar tante.
„Het spijt me ’t meest voor haar,” zei de kapitein tot den gast, die Betsy had gecomplimenteerd en bij hem was blijven staan, „Wij houden zooveel van haar, alsof ze onze eigen dochter was; Geloof me,” voegde hij er bij met grooten ernst, en met het gezicht van iemand die zijn onderwerp volkomen onder de knie heeft, „geloof me, als meisjes hier lief en goed zijn, dan zijn ze zóó lief en goed.”
De toehoorder knikte en keek bewonderend naar de half tusschen de anderen verborgen figuur van Betsy. Hij geloofde met genoegen aan haar superieure hoedanigheden; ’t kon hem niets schelen hoe ze was!
Het was erg laat, toen de hanen de feestgenooten naar huis kraaiden. Er was veel vertoon van hartelijkheid geweest bij het heengaan. „Nou, dag mevrouw!” had ontelbare malen naar en van alle kanten geklonken; er waren tallooze handjes gegeven; er was in rijtuigen geholpen en met hoeden gezwaaid en met zakdoekjes gewuifd tot de brug voor het erf onder de wielen van het laatst vertrekkende rijtuig kraakte.
„Hè, hè!” zuchtte Marie, „dat is alweer afgeloopen!”
Bronkhorst leunde over de balustrade en keek in de richting van het huis der Borne’s waar juist een wit kleedje om den hoek verdween.
„Ja,” zei hij, „het is goed geréusseerd; ’t doet me heel veel pleizier. Gaat Betsy bij de Borne’s slapen?”
„Mevrouw wenschte het. Het is de laatste nacht, en bovendien, ze gaan toch niet naar bed, zeggen ze. Het is al halfvijf. Ga jij nog slapen?”
„Zeker! Van nu tot tien uren is een complete nacht.”
„Misschien slaap ik ook nog ’n uurtje. Maar ik blijf hier tot alles weer zoo wat in orde is; en dan zullen de kinderen wel wakker worden.…”
Vermoeid ging hij naar achteren, ontkleedde zich in zijn kamer en viel loodzwaar op ’t bed. Hij had veel meer gedronken, dan hij gewoon was, en gevoelde zich, vooral ook door het dansen, bijzonder vermoeid. Maar slapen kon hij niet. Voortdurend dacht hij aan Betsy, zich vermeiend in allerlei kleinigheden, bij zichzelven glimlachend, en zich verkneuterend van pret bij de gedachte aan dat ondeugende lied van Carmen, dat ze zong met zoo’n uitdagend gezicht, terwijl ze hem vlak in de oogen zag.
Hij hoorde hoe de boel werd „opgeredderd”; hoe de kinderen wakker werden en met de meiden naar de badkamer gingen; hij hoorde hen juichend terugkomen en later, toen ze wandelen gingen, de harde zolen van de kleine laarsjes tikken op het marmer der galerij; hij hoorde Marie in haar kamer gaan. Toen werd het stil in huis; zij voelde nauwelijks haar hoofdkussen of ze sliep, letterlijk op van vermoeienis; inslapend, alsof ze in zwijm viel; hij lag nog wakker, vervolgd door allerlei phantasiën, met steeds dezelfde persoon voor de hoofdrol.
Ook de Borne’s waren zoo afgebeuld van huiselijke drukte en visites maken, als menschen in Indië het worden, wanneer zij waarschijnlijk voorgoed de plaats verlaten. Den avond vóór hun vertrek moesten ze alweer recipiëeren; ze hadden bijna geen stoelen genoeg voor de bezoekers; zelfs de krachtige kapitein Borne, hoezeer hij de algemeene vriendschap en hartelijkheid op prijs stelde, had hij er nu meer dan genoeg van.
De afscheidstranen waren gedroogd. Het huis der Borne’s stond leeg. Betsy woonde „voorgoed” in bij den notaris. Bronkhorst was naar zijn kantoor, en de dames zaten in de achtergalerij te werken.
„Wat is dat voor ’n vent?” vroeg Marie.
Betsy keek op en schrikte eenigszins, toen zij een dikken inlander, deftig buigend, het galerijtje langs de bijgebouwen zag opstappen.
„Het is de zoon van mijn oude meid.”
„Wat ’n rare kerel.”
„Hij is wat zwaar van postuur voor een inlander.”
„Dat bedoel ik niet. Ik meen dat hij iets onbeschaamds heeft in zijn gezicht.”
„Och kom!”
„Zeker. Hij keek mij aan op een manier.… Als hij het nog eens doet, zal ik hem ’reis op zijn plaats zetten.”
„Maar hoe keek hij dan?” vroeg Betsy, die haar lachen haast niet kon bedwingen.
„Ja, dat kan ik nu zoo niet zeggen; maar zeer ongepast, dat is zeker.”
Zij begreep het wel; ze wist dat Ketjil in pur sang Europeesche vrouwen een belangstelling aan den dag legde, die hij althans niet behoorde te toonen.
„Hij komt zeker zijn moeder goeden dag zeggen,” meende Betsy, en toen werd er verder niet over gesproken.
Ketjil echter was niet naar zijn moeder gegaan, maar naar Sidin, die hem half met vreugde, half met vrees zag aankomen.
Wel had de huisjongen van den notaris aan den last van Sarinah voldaan. Nog geen uur nadat hem was opgedragen haren te leveren van zijn meester, zag hij een bekend Europeesch militair naar binnen gaan, een Franschman, die in Europa kappersknecht was geweest, en nu als militair in zijn vrijen tijd geweer en zwaard verwisselde tegen kam en schaar, wat hem aardig geld opleverde, daar geen kapper van beroep op de plaats was gevestigd.
Dat was een buitenkansje, en met groote zorg had Sidin al de haartjes verzameld, die op den grond waren gevallen.
Maar nu meende hij zijn schuldigheid te hebben gedaan, en daar kwam waarachtig Ketjil alweer! Wat zou het nu nog wezen?
Zij wisselden een salamat door het binnenvlak der rechterhanden vlug tegen elkaar te strijken en die daarna met een buiging aan ’t voorhoofd te brengen; en daarbij keken ze erg vriendelijk. Maar Sidin wenschte in stilte den lastigen, gevreesden gast naar den duivel, en Ketjil vond den bediende een laf en lam sujet, dat hij met groot genoegen een pak slaag had gegeven.
Zij zaten nog nauwelijks op de bank in de kamer en hadden pas ’n strootje opgestoken, of er weerklonk ’n luid: „Sidin!!” Dat was de njonja weer! Zoo ging dat nu den ganschen dag! Geen minuut lang scheen dat mensch den mond te kunnen houden. ’t Was van den ochtend tot den avond elke minuut geschreeuw om de bedienden.
„Je wordt geroepen,” zei Ketjil.
„Soedahlah! Zij schreeuwt toch altijd.”
„Ik zou maar eerst even gaan.”
„Het helpt toch niets. Zulke njonjas blanda zijn nooit stil.”
„Sidin! sepèn! kebon!” gilde Marie woedend uit de achtergalerij. „Apa tida ada orang di blakan?”
Op vroolijken toon weerklonk een drievoudig „Ja!” uit de bediendenkamers, waarvan de bewoners met lachende gezichten en, op Sidin na, zeer ongekleed, naar buiten kwamen. Langzaam ging Sidin naar het hoofdgebouw. Zoolang hij door het groen aan het oog van mevrouw Bronkhorst was onttrokken, haastte hij zich in het geheel niet. Maar nauwelijks kwam hij in ’t gezicht of hij maakte buitengewonen spoed. Niettemin kreeg hij een uitbrander van geweld, wat hem niets van zijn kalmte deed verliezen, maar hem daarentegen het bezoek van Ketjil gunstiger deed opvatten.
„Wat was het?” vroeg deze, toen hij terugkwam.
„Och, niets, zij schreeuwt maar.”
Het strootje werd hervat en beiden rookten zwijgend; de vrouw bracht elk een kop koffie van de bladeren van den koffieboom gezet, dik en drabbig, met veel suiker, maar natuurlijk zonder melk. Ketjil keek er eens naar. Hij was aan andere koffie gewoon, maar hij zou deze maar naar binnen werken, omdat het niet goed zou staan, als hij deze weigerde.
„Er is nog iets,” zeide hij.
Sidin antwoordde niet.
„Er moet nog iets gedaan worden.”
„Ik dacht het al.”
„En ’t moet vandaag gebeuren.”
Dat was de bediende niet naar den zin.
„Waarom vandaag? Misschien kan het vandaag niet.”
„Het mag niet morgen zijn, en tot Vrijdag moeten wij niet wachten.”
„Niet?”
„Neen. Het is nu Dinsdag. Onthoud goed, dat als ik je iets opdraag in deze zaak, het altijd moet gedaan worden op Dinsdag of Vrijdag.”
„Mag ik ook vragen,” zei Sidin brandend van nieuwsgierigheid en met den vriendelijksten glimlach, dien hij bij machte was op zijn bruin gezicht te voorschijn te roepen, „mag ik ook vragen waarom niet?”
„Omdat,” zei Ketjil met hoogen ernst, „omdat het dan niet helpt. En nooit, nooit, in welke omstandigheid ook, op een Zaterdag.”
Sidin loosde een zucht. Ofschoon hij metterdaad geen drommel wijzer was geworden, vond hij het toch van overweldigend gewicht.
Toen beiden een tijdje gezwegen hadden, zeide Ketjil weer:
„Nu zal ik je zeggen, wat je te doen hebt. Hier is een pakje. Je moet in de kamer van mevrouw Bronkhorst een steen oplichten.”
„Ilahlah!” riep Sidin zacht. „Dat kan niet.”
„Het moet.”
„’t Kan niet, want het is marmer.”
„Neen”.…, stemde Ketjil peinzend toe, „dat is waar, dan kan het ook niet. Komt de kamer uit in de achtergalerij?”
„Ja.”
„Dan is een steen in de achtergalerij ook goed. Maar het moet er een wezen, vlak voor haar deur, zoodat zij er elken dag overheenloopt.”
„Soesah!” klaagde Sidin, die erg tegen het werkje opzag.
„Het is zoo erg niet. Van middag als allen slapen, krab je met dit mesje aan den eenen kant de kalk weg en haalt dan met dit tangetje wat aarde onder den steen uit. Dan wip je hem ’n beetje op en brengt het er onder.”
Sidin nam aarzelend het pakje aan, alsmede de kleine, zeer eenvoudige ijzeren werktuigen.
„En als de nonna wakker is en achter zit?”
„Je behoeft niet bang te zijn voor de nonna en ook niet voor de naaister. Die zien niets.”
Ketjil ging heen en keek ditmaal niet brutaal naar de dames, althans Marie vond geen reden om hem „op zijn plaats te zetten”. En Sidin begluurde en onderzocht nauwkeurig het mengsel, dat was samengesteld uit gabah, asch, idjoek, beenderen van den koekang en eenige groote punten van gewone naalden.
Ondanks de geruststellende verzekeringen van Ketjil was Sidin niet met de opdracht ingenomen; hij zag zwart van vrees, en ten einde raad, liep hij, toen Ketjil weg was, naar Sarinah en beklaagde zich bitter over de soesah, die men hem bezorgde.
Maar ook zij lachte hem uit.
„Je kunt het gerust doen; mijn zoon heeft gelijk.”
„Waarom doe je het dan niet zelf?”
„Ik ben een oude vrouw.”
„Een oude vrouw kan het ook wel doen.”
„Ik dien hier niet; het zou gek staan als ik ging korèkken aan den vloer.”
„Ja, dat is allemaal maar bitjara kosong,” zei hij brutaal.
„Je bent zelf minder dan een vrouw,” antwoordde de oude, boos. „Het is niet om de soesah, maar omdat je niet brani bent.”
„Zeker,” erkende Sidin, ridderlijk lafhartig, „ik ben in ’t geheel niet brani.”
„Doe het maar,” hield Sarinah vol, „doe het maar. Ik zal je een mooien koker koopen voor je strootjes. Het is niets gevaarlijk, en ik zal zelf bij je komen zitten, als je bezig bent aan het werk.”
Dat hielp. Als de oude bij hem zat, zou hij niet zoo licht overvallen worden.
Inderdaad zat Betsy op en was ook de naaister present toen Sidin met zijn mengsel de trap der achtergalerij kwam oploopen, en de oude hem steunend en met moeite gaand vergezelde.
Zij wist niet wat er moest gebeuren, maar ze zag wel, dat het iets was, dat op de goena-goena betrekking had, al was het dan ook slechts indirect. De oude meid had haar vooraf gewaarschuwd, dat er iets van dien aard zou gebeuren, en zij, als ze het zag, maar niets moest vragen; ook de naaister was door de oude voor zooveel zij het noodig vond, in „het geheim” betrokken. Ongestoord, maar allesbehalve rustig, verrichtte Sidin de hem opgedragen taak. Het was niet gemakkelijk, maar het was een knoeiwerkje, en daarvan had hij als inlander slag. Met groote handigheid peuterde hij de kalk los, wipte den steen op en wist, toen het mengsel op z’n plaats was gebracht, de losse stukken kalk met groote behendigheid heel netjes weer in de voeg te brengen.
Sarinah bleef zitten, toen Sidin klaar was en heen ging; zij beschouwde het een tijdlang met groot welgevallen. Daarop strompelde zij naar achter, ging in haar kamertje en knipte daar van gewoon katoen twee poppen, die ze met een groot aantal spelden aan elkaar stak. Toen nam ze die zonderlinge lappenfiguur onder haar baadje, sukkelde naar de trap van de achtergalerij, en ging zitten op de eerste trede vlak bij den grond. Zij deed dat zoo eenvoudig en schijnbaar gewoon, dat niemand, gesteld er had zich iemand aan de gangen van het oudje laten gelegen liggen, er iets bijzonders of opmerkelijks in had kunnen vinden. Langzaam liet zij den mageren arm zakken, en begonnen haar vingers den grond los te krabben; een kwartier zat zij te woelen in de aarde tot ze een voldoend diep plekje had, waarin de aangeprikte lappenpoppen verdwenen. Toen ging, zonder haast en heel bedaard, de aarde er weer over, door den beenigen gerimpelden klauw zorgvuldig vastgedrukt bij beetjes, tot de grond voor de trap geen spoor vertoonde, dat er pas iets in was verborgen. Eerst toen dit volkomen in orde was, ging zij naar boven.
Betsy was er niet; ze was naar haar kamer gegaan; het geknoei met dien steen had haar zenuwachtig gemaakt; ze drong zichzelve op, dat het haar niet kon schelen, maar ze had vlagen van een onbestemde vrees, oogenblikken van gejaagdheid en angst, waarin ze een gevoel had alsof de muren van het huis der Bronkhorsten haar dreigden te verpletteren. Ze was op een divan neergevallen en lag daar bewegingloos met een sterk sprekende uitdrukking van moedeloosheid op ’t gezicht.
„Wat voerde Sidin toch eigenlijk uit?” vroeg ze toen de oude binnenkwam.
„Hij heeft er iets onder gelegen.”
„Ja, dat weet ik. Wat was het?”
„Het was van allerlei; ’t behoort er bij; mijn zoon heeft het gebracht.”
„’t Kan me ook eigenlijk niet schelen, wat het is. Soedah, laat maar!”
De oude zweeg, scharrelde wat rond, hier een kleedingstuk anders schikkend, en dáár wat stof wegslaand.
Betsy was toch nieuwsgieriger, dan ze voorgaf.
„Waarom moest hij het er onder doen?”
Sarinah kwam dicht bij den divan en zei zacht: „Het is tegen haar. Zij moet elken dag over den steen loopen; dan krijgt ze een tegenzin in het huis en gaat dikwijls weg; ze wordt er uit gedreven.”
Het is dus, dacht Betsy, en ze kon een glimlachje vol ongeloof niet onderdrukken, een middel om haar „uithuizig” te maken.
„Het zal mij benieuwen of het gelukt.”
„Dat wil ik u wel zeggen.”
„Zal jij dat nú reeds zeggen?”
„Nu niet, maar straks.”
Toen Marie een uurtje later uit haar kamer kwam, waar ze op haar bed had liggen lezen, omdat, nu Betsy in huis was, er eenig meer algemeen toezicht bestond, zat Sarinah tegen het groen geverfde hek, dat langs de galerij liep, en lette aandachtig op. Haar leelijk gezicht verhelderde, en zich tot Betsy wendend, die nu ook achter was gekomen en thee stond te zetten, keek ze deze aan met een voor haar doen vroolijken grijns. De oude was inderdaad zeer verheugd en tevreden, want mevrouw Bronkhorst had over den steen geloopen waaronder het mengsel lag. Het leed nu geen twijfel of het toovermiddel zou gelukken en zoodoende bedragen tot het bereiken van ’t groote doel.
Sidin telde de door hem bewezen diensten, toen hij ’s avonds met Sarinah voor zijn deur zat te praten.
„Ik heb het kussen van mijnheer’s bed opengemaakt, er bloemen ingestoken, kenanga en zo.…”
„Het gaat je niet aan, wat het was.”
„Goed. Ik wil het ook niet weten. Toen heb ik het kussen weer dichtgemaakt.”
„En nu wil je geld hebben.”
„Nog niet. Ik heb al de haartjes van meneer bijeengezocht, toen de soldaat hem geknipt had, en ik heb ze voor uw zoon in een papiertje gedaan.…”
„Ja, soedah! Wij weten het wel!”
„En nu heb ik weer dat met dien steen gedaan, omdat hij het wilde.”
„Wat wil jij dan?”
„Niets. Ik vraag niets. Ik verzoek alleen om me nu niet langer meer al die dingen te laten doen. Het komt hoe langer hoe dichter bij. Ik wil niet krakallen, en ik ben niet brani. Als Ketjil nog eens komt, dan vraag ik brenti.”
De oude keek hem uit de hoeken van haar oogen met de diepste verachting aan.
„Je bent minder dan een wijf; dat heb ik al gezegd.”
„Waarom scheldt je me uit? Betaal me liever.”
„Ja, ik zal je betalen!” lachte de oude. „Ik zal je betalen, maar je zult er morgenochtend niets meer van weten! Ik ga geld voor je zoeken, beste jongen.”
Werkelijk stond zij op, en ging tamelijk vlug het erf af. Den armen Sidin brak het angstzweet uit. Hoe had hij ook zoo dom kunnen wezen? Waarom zoo brutaal te zijn tegen het oude, gevaarlijke mensch? Nu zou ze, dacht hij, hem zeker vergiftigen. Hij dacht aan de krampen, die hij weldra zou gevoelen, en aan den dood. Wat zou hij daar stijf en sprakeloos liggen op de balé-balé, en als zijn vrouw huilde zou hij ’t niet hooren. In een kwartier stond zijn besluit vast.
De familie zat in de achtergalerij.
„Mevrouw moet niet kwaad wezen”, zei hij, regelrecht naar Marie gaande, „ik vraag mijn ontslag”.
Zij keek er vreemd van op.
„Waarom?”
Hij wist niet wat te zeggen.
„Mijn vader is ziek.”
„Dat jok je. Je hebt geen vader, want die is al lang dood.”
„Ik bedoel den vader van mijn vrouw.”
„Die is ook niet ziek”, zei Betsy, „want ik heb hem daar straks nog met zijn grobak zien loopen.”
„Je behoeft niet te liegen” merkte Bronkhorst aan op bemoedigenden toon. „Je kunt immers gerust de waarheid zeggen. Wij willen je wel ontslag geven, als je het vraagt. Wij willen alleen maar weten, waarom.”
„Ja,” bevestigde Marie, „wij willen weten waarom.”
Maar Sidin zat verschrikkelijk in den knoei, want zóó kon hij niet liegen of de waarheid bleef altijd nog minder verkieslijk. Ten einde raad en zenuwachtig, zei hij:
„Ik ben bosèn van mevrouws gezicht.”
Betsy had moeite om er ernstig bij te blijven; Bronkhorst fronste de wenkbrauwen en keek in zijn courant; Marie was woedend en gaf den delinquent de volle laag. Zoo’n brutale kerel, zoo’n smerige inlander, durfde haar dat te zeggen! Het was ongehoord. Dadelijk moest die gemeene vent de deur uit; op staanden voet!
Sidin zei niets meer, ’t was alles wat hij verlangde, maar zijn afrekening viel hem tegen; hij had gedacht iets te ontvangen en hij bleef, integendeel, nog schuldig. Het noopte hem nog eens om te zien naar Sarinah en de oude om geld te vragen, doch het hielp niet; ze antwoordde hem niet eens, en ten slotte verliet hij met zijn vrouw en zijn weinig waardeloos goed, den dienst, met een geleenden halven gulden in den zak.
Sarinah was blij, dat hij weg was. In zijn eigen belang zou hij den mond wel houden, en overigens was hij een akelige jongen, tot niets in staat; zij dacht, dat zij wel dwaas zou geweest zijn, als zij dien kerel iets had gegeven. Hij had gedaan, wat hij doen moest. De rest, waarop het vooral aankwam, zouden ze zelf wel doen.
Maar of ze werkelijk iets belangrijks deden of niet, wist Betsy niet met zekerheid. Wel zette zij haar spel voort, telkens als zij kon met Bronkhorst coquetteerend, en ze zag dat hij steeds zeer met haar bleef ingenomen. Maar verder kwamen ze niet. De eene dag verliep na den anderen, en er gebeurde niets, dat eenigszins wees op een serieuze verandering.
„Het is allemaal gekheid,” knorde zij tegen de meid. „Het is geld in het water gooien, anders niet.”
Maar Sarinah hield vol. ’t Was de dag niet. Alles moest zijn tijd hebben, en het zou nu niet lang meer duren.
Het was natuurlijk weer op een ongelegen oogenblik, en toen Betsy er het minst om dacht, dat er „iets” moest gedaan worden. „Zoudt u niet wat lekkere kwee-kwee maken?” vroeg de oude.
„Neen, nèh! We hebben nu geen tijd, dat weet je wel.”
„Het is toch de goede tijd.”
„Wat praat je? Van avond is er een diner, en daarna blijven de gasten.”
„Ik weet wel dat mevrouw jarig is, en dat alles besteld is in de groote stad, en dat die dronken Europeaan komen zal om alles in beweging te zetten.”
„Nu, wat wou je dan?”
„Het is de goede dag vandaag. Dezen Dinsdag moet u een schoteltje maken voor mijnheer. Er moet iets in.”
„Ik wil niet, ik doe het niet.”
„Dat behoeft ook niet; dáárvoor zal ik wel zorgen. U kunt zoo lekker kwee-kwee maken, en daar houdt meneer zoo van.”
„Ik.… ik.… kan.… Nu, ’t is goed. Straks na de rijsttafel. Ga nu maar weg.”
„Zou je niet ’n uurtje gaan slapen van middag?” vroeg haar Bronkhorst onder het eten.
„Dansen we dan van avond?”
„Ik weet het nog niet. Wil je graag?”
„Hm, hm!”
„Welzeker”, stemde Marie toe. „Zij is nog jong genoeg om wat pret te maken. Maar ik vind ook, dat ze dan van middag wat slapen moet. Ik doe het ook; het wordt waarlijk anders te vermoeiend.”
„Natuurlijk!” zei Bronkhorst.
„Ik weet hoe doodaf ik was, dien avond van de Borne’s.”
„Nu, ik zal ’n oogenblik gaan uitrusten, want slapen kan ik toch niet.”
„Ik ook niet, en ik moet bovendien vandaag op ’t kantoor wezen.”
Doch Betsy ging in plaats van naar haar kamer, naar de keuken. Zij maakte haar deeg zoo goed als de beste banketbakker, en ze deed de kwee-kwee’s in de kleine vorm-schoteltjes, waarin zij bereid en waaruit ze naderhand gegeten werden. Sarinah stond er bij.
„Keer u eens om”, zei ze, „u moogt niets zien.”
Met groot genoegen en kloppend hart gehoorzaamde Betsy haar baboe. Hoe minder zij er van zag, hoe liever, want de vrees kon zij niet van zich zetten. De oude wierp een poedertje in het deeg van een der vormpjes, roerde het door met een houtje en hield het afzonderlijk.
„Wees voorzichtig! Tjampoer het niet met de anderen.”
„Kan men het niet proeven?”
„Neen.”
„Wat is het, nèh?”
„Ik weet het niet.”
„Ben je gek! Moet je dan zoo stom wezen om er iets in te doen, zonder dat je weet wat het is?”
„Ik heb het van mijn zoon gekregen.”
„Poeah! Dat is ook wat!”
„Dat is voldoende; het is zijn geheim, dat niemand aangaat, omdat het van hem is.”
„Het zal toch geen vergif zijn?”
„Mijn zoon is geen karbouw; hij heeft ook geen hoofd als een garnaal.”
„Och, je zoon.… je zoon!”
„Nonna moet nu niet zoo bang wezen; het is alles heel goed. Laat nu de kwee-kwee maar lekker zijn voor meneer. Ah! zoo lekker!”
Betsy moest er om lachen. Het was toch een dier, die oude! En ze bakte, op een zacht houtvuur, ’t schoteltje lekkers heel zorgvuldig tot de bovenlaag ’n beetje steviger werd, de gele kleur wat zwaarder kleurde in het midden, aan de kanten uitloopend in een fijn lichtbruin tintje, dat hier en daar als kantwerk aanzette tegen den rand van het vormpje.
„Dan heb je ook niet geslapen”, zei Bronkhorst, toen hij het gebak kreeg bij zijn thee.
„Ik zou me er over beklagen!”
„Toch wel. Je weet ik vind die kwee-kwee goddelijk, maar ik had ze graag willen ontberen, als ge wat rust hadt genomen tegen van avond.”
„Gekheid, ik kan er best tegen.”
„Nu, dan moet je het ook maar zelf weten,” zei Marie, „ik voor mij ben er niet rouwig om.”
En met wellust zette zij haar witte tanden in het smakelijk product van de bakkunst harer huisgenoote.
’s Avonds, toen tegen acht uren de gasten kwamen, zat de familie in groot tenue in de voorgalerij. Cadeautjes had Marie niet veel gehad voor haar verjaardag. Bronkhorst had haar een aandeel in een prauwenveer geschonken, gelijk hij elk jaar deed, en „voor de aardigheid” een gouden sieraadje er bij; Betsy had een prachtige kabaja, drie kwart borduurwerk, gegeven, de kinderen kleine geschenken, die naderhand op de huishoudelijke toko-rekeningen paraisseerden, en daarmee was het uit; de vreemden bepaalden zich tot hun hartelijke felicitaties.
Reeds aan het diner kwam de vroolijke toon van de vorige maal, opgewekt door de herinnering, doorschemeren. Betsy en Bronkhorst zaten ver van elkaar af. Daartegen was niets te doen geweest, aangezien Marie zelf de plaatsen had geregeld, waardoor de jonge weduwe tusschen den controleur en een ander celibatair kwam te zitten, terwijl aan het hoofd van de tafel Bronkhorst zijn best deed om de vrouw van den resident te amuseeren, wat hem niet gelukte, omdat dit vrouwelijk hoofd van het gewestelijk bestuur geweldig jaloersch was van de luxe, die bij den notaris werd tentoongespreid, en dit door allerlei hatelijke zinspelingen toonde.
Het was opvallend hoe Bronkhorst, later op den avond, zijn schade inhaalde; hij was haast voortdurend bij Betsy of in haar naaste omgeving; iedere gelegenheid gebruikte hij om haar toe te spreken, zich daarbij in allerlei fraaie houdingen opstellend, en buitengewoon vroolijk lachend.
„Zou hij?”.… vroeg de controleur aan den dokter.
„Ik geloof het niet,” antwoordde deze, met zijn sterk vreemd accent. „Het heeft mij nog nooit gefrappeerd.”
„Nou maar, van avond is het nogal in het oogloopend.”
„Ja, het is sterk.”
„Er zijn meer lui, die er over spreken. Van zoo’n soliden kerel als Bronkhorst begrijp ik het niet.”
„Het is misschien maar schijn.”
„Schijn? Het is mogelijk, maar juist voor den schijn moest hij zich wachten.”
Maar schijn of niet,—het veelhoofdig monster der kwaadsprekendheid had zijn werk begonnen, en het deed dat met te grooter ijver, naarmate de patiënt door zijn positie en zijn fortuin meer op ’t kleine plaatsje in het oog liep.
Evenmin als zijn kunst het leven van den Ekster had kunnen redden, was ’s dokters tegenspraak in staat diens weduwe te beveiligen. En zoo Betsy niet veel goeds verdiende,—in geen geval was ze wat men van haar zei.
Want, beminnelijk als altijd, trok de goede genius van den laster dadelijk de grofste conclusiën, en waren het de fatsoenlijkste menschen, die het eerst de gemeenste gevolgtrekkingen maakten. Het werd, echter, alles slechts „gefluisterd.” Vooral wilde niemand de zegsman wezen, en de controleur bezocht den ochtend na de partij den dokter om dezen te verzekeren, dat als hij, controleur, eenig vermoeden had geopperd den avond te voren, de dokter daarover in geen geval tegen iemand mocht spreken. En de jonge vreemdeling, die reeds genoeg kijk had op sommige eigenaardigheden in onze samenleving, wist in zijn gebroken Hollandsch aan zijn enkele dames-patiënten met een geheimzinnig gezicht en een beteekenenden glimlach wel zooveel te vertellen, dat ze wisten, wat hij bedoelde, zonder dat hij iets had gezegd.
De dames waren diep verontwaardigd, de heeren zeiden niets tegen de beschouwingen en commentaren hunner echtgenooten, maar lachten onder elkaar er over in de sociëteit, en noemden Bronkhorst, die zich van dat alles niets bewust was, „’n leuken kerel” en „’n snoeper”, en velen bekenden ronduit, dat als een hond ’n beentje vindt, het zeer natuurlijk is, dat hij er aan ruikt, en als „bovenbedoeld” beentje aan „gezegden” hond bevalt, het niet minder natuurlijk is, dat hij er aan kluift.
Maar bij hun dames durfden zij met die ruik- en kluif-theorie niet voor den dag komen. Voor een decentralisatie-geest was onder de voorstanders van een persoonlijk monopolie geen ruimte.
Ze sliepen lang, den ochtend na de partij. De geheele dag was eigenlijk verloren. De notaris liet op ’t kantoor den boel maar zoowat aan zijn personeel over; Betsy bemoeide zich al even weinig met het huishouden als Marie, die ook te moe was en bovendien van het dansen geweldige kramp had in haar beenen. Eerst tegen de rijsttafel kwam men op het „alignement”, zooals oom Borne zou gezegd hebben.
Men was nog loom, en lag in gemakkelijke stoelen zoowat pratende over de partij.
„Een zeer geréusseerde,” had Bronkhorst haar genoemd.
„Dat zijn ze hier altijd,” zei Betsy.
Marie was opgestaan. Ze moest toch even naar de keuken, want het kon, naar haar meening, anders niet heelemaal goed gaan.
„We hebben gisteravond veel gedanst,” vervolgde Betsy.
„Te weinig,” antwoordde Bronkhorst zich uitrekkend, en haar glimlachend aankijkend.
„Te veel,” sprak ze tegen met een stemmodulatie, die evengoed kon beteekenen, dat zij het aangenaam vond, als dat ze het afkeurde.
„Zou het te veel kunnen zijn?”
„Zeker. Wat moeten de menschen wel denken, als we den heelen avond dansen!”
„Den heelen avond?”
„’n Groot gedeelte ten minste.”
„Wel, wat kan men denken? Hoogstens toch, dat ik graag met je dans, wat voor een zoo goede danseuse geen buitengewone voorkeur mag heeten.”
„Nu ja, dat is maar gekheid.… Ik weet wèl, dat er op gelet is.”
„Door wie?”
„Ja, dàt weet ik nu niet precies, maar ik heb ’t toch in het algemeen bemerkt.”
„Verbeelding!”
„Toch niet!”
Langzaam wipte ze in haar stoel op en neer, achteroverliggend tegen de leuning, ’t hoofd een beetje ter zij; en ze keek hem aan met haar fluweelachtige oogen, zoodat het hem te moede werd, als lag hij onder de verplichting haar het hof te maken, en als zou het van een onverantwoordelijke „droogstoppel”-natuur hebben getuigd zich zonder meer zóó te laten aankijken door zulke oogen. Het was geen verliefdheid, die hem haar hand deed vatten en hem het meest don-juannisch gezicht deed trekken, waartoe hij in staat was; het was sexueele ijdelheid. Hij „kon” daar toch niet tegenover zulke appetissante vruchten blijven zitten, alsof hij, ’n knap, kloek man in de kracht zijns levens, daarvoor niets meer gevoelde. Reeds meermalen had hij aan zichzelven bemerkt, dat als zij hem niet op de een of andere wijze in verzoeking bracht, hetzij door haar houding, hetzij door een woord of een blik, hij zich minder tot haar aangetrokken gevoelde. Maar als zij met hem coquetteerde, dan was hij gauw gevangen, en dan was het vooral zijn ijdelheid, die hem aandreef tot meedoen, en die de begeerte in haar gevolg voerde.
Hij had haar hand in de zijne genomen en streelde die, terwijl hij haar diep in de oogen keek.
„Kom,” zei hij zacht, „ik beloof beterschap.… in gezelschap; maar laat me dan ’n heel klein beetje wraak nemen.… onder vier oogen.”
„Me dunkt, je bent al druk bezig.”
De slofjes van Marie tikten op de trap:
„Jean, kan het eten worden opgedaan?”
Juist kuste hij de hand van Betsy; hij liet die snel los en richtte zich kennelijk eenigszins verschrikt op; zij bleef onbeweeglijk en onverschillig in haar wipstoel liggen.
„Wat mij betreft wel,” antwoordde hij, en men kon ’t hooren aan zijn stem, dat hij verschrikt was.
„Bah!” dacht Betsy, „hoe bête is toch ’n getrouwd man, als hij vreest door z’n vrouw betrapt te worden op ’n kleinigheid!”
Doch ze toonde niet, dat ze zijn schrikken kinderachtig vond. Integendeel ze bleef haar stille tactiek volgen, en zij nam daarbij evengoed haar voorzorgen tegen ontdekking. Zóó ontstond langzamerhand tusschen Betsy en Bronkhorst een verhouding, die hij somtijds erg dwaas noemde, maar welke hij, zonder een daad van groote brutaliteit, niet kon veranderen, en die hij toch wel aardig vond, ofschoon erg jeugdig. Zij grepen elke gelegenheid aan om elkaar aan te raken; hier en daar, bij toevallige ontmoetingen, werden handdrukken gewisseld; soms als zij ’s avonds over een der zijgalerijen liep en het was er donker, gaf hij haar een kus. Maar daarbij bleef het. Ze dachten, althans Bronkhorst meende, dat niemand ooit een en ander zag; nu, Marie was zich zeker van niets bewust, maar de inlandsche bedienden hadden er onder elkaar het grootste genoegen over, en ze zagen en wisten heel goed, dat meneer, terwijl hij aan tafel met het onschuldigste gezicht het woord voerde, onder tafel met zijn voet, tegen of op dien van iemand anders, een soort van telegraphische gemeenschap uitoefende.
Ze hadden het ’s avonds daar altijd over in de bediendenkamers; het was een grap van belang!
Het werd nog gemakkelijker toen er logé’s kwamen: ’n getrouwd menschenpaar uit het binnenland, met twee kinderen. Dat gaf meer drukte dan ooit en absorbeerde de dames haast geheel. Maar het schonk ook juist door de drukte een groote vrijheid, die Bronkhorst niet ongebruikt liet. Soms had hij ’t land aan zichzelven en kreeg hij ’n bui van bijzondere liefheid tegen Marie, die hem liet begaan, zich glimlachend verbazend over het feit dat hij nog zoo mal kon zijn. Doch hij had ook aanvallen van ongeduld, en dan was hij kregel, vooral tegen Marie. Zij trok er zich maar weinig van aan; zij schreef het toe aan slechte spijsvertering of overmatige drukke bezigheden op ’t kantoor. Dat ging weer voorbij, en als hij ’s ochtends een erg nurksche bui had gehad, dan maakte zij ’s avonds een lekker schoteltje gestoofde pruimen; daar hield hij van, en dat was gezond! Zeker was het, dat hij van overwerken geen last had. Hij deed het onvermijdelijke op ’t kantoor, maar liet meer dan vroeger over aan zijn personeel. Terwijl hij vroeger gaarne heel veel zelf deed, omdat de tijd dan aangenamer en gauwer voorbijging, stelde hij tegenwoordig prijs op vrije kwartiertjes, waarin hij niets deed dan aan Betsy denken. Als hij het huis binnenkwam, was zijn eerste blik voor haar. Vroeger had hij de gewoonte Marie te kussen bij het gaan ’s morgens en het komen ’s middags. Zachtjes aan had hij dat afgeschaft. Als zijn aanvallen van liefheid voor haar, die thans een anderen meer prozaïschen grond hadden dan vroeger jaren, voorbij waren, was zij hem volkomen onverschillig.
Marie had die geleidelijke verandering niet getroffen. Vooral nu zij logé’s had, was ze te zeer geoccupeerd met haar huishouden en de keuken om zich veel te bemoeien met de caprices van haar man. Daarbij, ze voelde geen zweem zelfs van verdenking. Zijzelve was zulk een volkomen brave en fatsoenlijke vrouw, die zelfs nooit in gedachte een der tien geboden overtrad; zij was altijd zoo geheel vrij van bijoogmerken, als ze stond tegenover derden, dat ze anderen naar zichzelve beoordeelde en nooit of nimmer iemand van boosaardige bedoeling of „slechtheid”, zooals zij het noemde, verdacht. Natuurlijk hoorde zij dikwerf verhalen van andere dames over echtelijke ontrouw, zedeloos gedrag en onkuischheid; maar zij hoorde het niet graag; het deed haar onaangenaam aan, en ze keek onder het aanhooren zoo vreemd, alsof men haar dingen meedeelde uit een andere wereld. En ze dankte God, als het uit was, want ’t hinderde en ergerde haar. Soms als er een slachtoffer was, dat haar medelijden opwekte, kon ze met groote verontwaardiging uitvallen, en dan sprak haar toorn uit elken trek van haar goedhartig gezicht; dan had ze de „slechte” hem’s en haar’s wel hoogst eigenhandig een pak kunnen geven. Doch over het algemeen liet het haar koud en onverschillig. Wat gingen haar die nare, vieze menschen aan met hun eeuwig geknoei!
Betsy daarentegen hoorde nooit iets liever. Van al die verhalen genoot zij, en ze vond het heerlijk, als, zoo ’s morgens, dames te visite kwamen in sarong en kabaja, die dadelijk allerlei onderwerpen, betrekking hebbend op ’t sexueel verkeer, bespraken; heel ernstig soms, over bevallingen met al wat daaraan gewoonlijk was verbonden of onder buitengewone omstandigheden kon verbonden zijn; heel grappig dikwerf, als er hier of daar ’n nieuw schandaaltje was voorgevallen, of ’n oud schandaaltje weder eens met een: „Weet je nog wel!” opnieuw kon worden verteld, bijwijze van een zooveelsten door den auteur opnieuw verbeterden en van fraaie illustratiën voorzienen herdruk!
Terwijl dit alles zijn gewoon verloop had, bleef Sarinah haar betooveringsmiddelen aanwenden met volharding en onwankelbaar geloof.
„Het wordt nu tijd voor het groote middel,” zei ze op een avond tegen Betsy.
„Zoo! Ik dacht dat je zoon daarvoor zoo’n verre reis moest doen.”
„De tijd gaat voorbij, nonna merkt het niet. Zij speelt maar met de muis, en ziet niet hoe de tijd verloopt.”
„Je zanikt, nèh! Ik zie het heel goed.”
„Mijn zoon is al geweest; hij is gisteren teruggekomen.”
„Nu, dat is vlug!”
„Hij is er toch geweest.”
„Ja, ik geloof het wel, maar het is toch heel vlug. Er zijn dingen, die minder vlug werken.”
„Ik weet het niet.”
„Nu, ouwe, houd je maar niet zoo dom. Wat moest dat geknoei onder dien steen?”
„Het behoort er bij.”
„Malligheid, nèh! Het moest haar uithuizig maken.”
„Dat zal het.”
„Ha, ha! Jullie bent toch zoo dom! Uithuizig. Ik heb haar nog nooit zoo hokvast gezien als tegenwoordig.”
Sarinah kon het niet geheel ontkennen; ze had echter wel een uitvlucht.
„Het is zeker nog de tijd niet.…”
„Het is de tijd wèl! al lang, dat weet jij ook heel goed, nèh. Als het de tijd niet is, dan wordt het die nooit.”
„Laat maar. Het komt terecht!”
„Nu ja!”
„Is het dan al niet verwonderlijk genoeg? Hoe is hij geworden nadat hij de kwee-kwee had gegeten? Hoe was hij reeds denzelfden avond!”
„Ja.… dàt nu wel. Maar op haar schijnen jou duivelskunsten geen invloed te hebben.”
„Het zijn geen duivelskunsten. En al waren ze het. Men moet allen vreezen en eeren, de kwade zoowel als de goede geesten.”
„Mooi hoor!”
„Het is betoel. Waarom zouden wij niet? Een mensch is maar zwak. Hij kan evenmin tegen de kwade geesten op als tegen de goede. Zij zijn hem toch te machtig! Als hij de goede vraagt om hem te helpen, waar het noodig is, kan hij het den kwaden ook wel doen.”
De oude had het snel afgerateld, met een stem alsof ze haar mond vol losse tanden had. Vermoeid en naar adem happend hield ze op.
„Jij kletst maar wat,” zei Betsy met minachting.
„Soedah! wij zullen zien!”
Inwendig was de oude zeer boos. Niet om den verachtenden toon, waarop tegen haar werd gesproken, dàt was zij zoo gewoon, en het hinderde haar in ’t geheel niet; maar ze moest erkennen, dat Betsy gelijk had, en daar kon ze niet tegen.
Wie aan de werking van de goena-goena met al wat daartoe behoorde, twijfelde, kwam aan een gevoelige plaats in den beperkten gedachtenkring der grijze inlandsche vrouw. Zij vroeg ’n kwartier later permissie om uit te gaan, ofschoon het reeds laat was, en ze liet een kar zoeken om naar haar zoon te rijden. Met moeite kreeg zij bij den eenigen Chinees, die voertuigen verhuurde, er nog een. Zij had bijna ruzie met Ketjil.
„Ik moet er afzonderlijk voor betaald worden,” beweerde hij.
„Dat is niet waar. Het is onbeschoft mij dat te weigeren. Je hebt er waarlijk genoeg aan verdiend.”
„Het is wat!”
„En ’t kan me niet schelen, maar ik moet het hebben en je krijgt er geen duit voor.”
Het scheen dat hij met zijn moeder niet wilde twisten, want brommend en met die overdreven langzaamheid, waarmede de inlander iets doet, dat hij liever niet deed, haalde Ketjil een stopfleschje uit een kleine kast, wierp eenige harde korrels en stukjes gelijk boombast in een steenen potje, en wreef het met een dito stamper tot fijn poeder.
Meer dan een half uur was hij hiermede bezig; hij had het in vijf minuten kunnen doen, maar opzettelijk liet hij zijn moeder wachten om haar te plagen, en om haar te dwingen de kar zooveel tijd langer in gebruik te hebben; daar moest ze dan meer voor betalen.
Zij wist het wel, maar ze zei niets; steunend en mompelend als altijd zat ze ineengedoken op een stoel zonder mat, geduldig wachtend.
„Nu zal er wel gauw verandering komen,” zei ze den volgenden ochtend tegen Betsy, toen ze haar zeep, handdoek en bad-sarong bracht.
„Denk je?”
„Het moet. Ze heeft het al gedronken.”
„Wat gedronken?”
„Ik heb het in haar koffie gedaan.”
Betsy trok pijnlijk en verschrikt de wenkbrauwen saam, greep Sarinah bij den arm en schudde haar heen en weer.
„Wat dan toch, leelijk wijf? Zeg dan toch wàt?”
„Stil! ik heb het gehaald, gisteravond bij mijn zoon.”
„En moet dat haar uithuizig maken?”
„Op een andere manier. Zij wil niet gezond er uit, dan moet ze maar ziek.”
„Het is niet goed van je; ik wil niet, dat zij ziek wordt.”
„’t Komt er niet op aan.”
„Dat doet het wel. Als zij ziek wordt en ze moet naar boven.…”
„Juist goed. Dan blijven we hier.”
Maar Betsy schudde het hoofd.
„Dat kan niet, nèh! Je bent een oude domkop! Neen, dan blijven we niet hier, maar dan gaan we mee.”
„Waarom?”
„Omdat het,” ging Betsy zich opwindend voort, „geen adat bij ons is, stommeling, dat een dame met een heer alleen in hetzelfde huis woont. Ben je zoo oud geworden, heb je zoo lang onder Europeanen gediend, en weet je dàt nog niet?”
Sarinah was er wel ’n beetje mee verlegen, want ook dàt was waar.
„Het schijnt, dat ik niets goeds meer kan doen,” klaagde zij. „Ik ben maar een arme, oude vrouw.”
„Nu, soedah! ik zeg immers niets. Houd je mond maar. Er is toch niets tegen te doen. Laat het maar loopen, ja! Er moet van komen, wat wil.”
Aan tafel zagen haar groote zwarte oogen met belangstelling telkens naar Marie, ’t Scheen, dat het „goed” niet zoo heel snel werkte, want de kalme vrouw des huizes at, met den goeden eetlust aan haar gezond gestel eigen, haar gewone portie van alle goede gaven, en het kwam ook niet des avonds. Integendeel, Marie was opgewekt van geest, minder slaperig dan anders en ze klaagde nergens over. Eene diepe minachting, nu weer, maakte zich van haar meester, zoodat die zich teekende in haar trekken.
„Wat zet je een komiek gezicht,” zei Marie.
„Komiek? Hoezoo?”
„Wel je keek daareven net of je een inlander wou beknorren.”
Betsy kleurde, want het was waar, dat ze bezig was geweest in gedachten Sarinah geducht de les te lezen. Maar zij lachte en vroeg of men daar dan ’n bijzonder gezicht bij zette.
„Ik denk het wel,” antwoordde Marie, „ten minste als jij het doet, zie ik je altijd op die manier kijken.”
Misschien door dit gesprek ontging Sarinah het standje haar toegedacht; toch zag ze wel, dat de nonna erg boos was en het was dan ook om zich nijdig te maken. Hoe kwam zoo’n Europeesche vrouw toch aan zulk een krachtig gestel met zooveel weerstandsvermogen.
Maar den volgenden ochtend verscheen Marie niet zoo vroeg.
„Ze is niet lekker,” vertelde Bronkhorst aan het ontbijt.
„Wat scheelt er aan?”
„Niet iets bepaalds. ’n Gevoel van vermoeienis en loomigheid.”
Ze spraken er over zonder haast te denken aan Marie en haar ongesteldheid; hun oogen spraken een geheel andere taal, die zich lezen liet op hun gezichten, als ’n romance sans paroles.
Toen hij naar ’t kantoor was, ging Betsy eens informeeren.
„Ziek?” vroeg ze op den toon der vroolijke deelneming van menschen, die bij een zieke komen om hem munter te maken, wat op den patiënt, die het begrijpt, een geheel tegenovergestelden invloed heeft.
„Wel neen! Ik weet niet wat ik heb, Bets. Maar ik ben zoo loom in mijn leden, en daarbij zoo lui, dat het schande is.”
„Wat koortsig misschien. Wil je limonade?”
„Och neen! In eten of drinken heb ik geen trek, en slaap heb ik ook niet. Ik weet het niet, maar het eenige, wat ik zou willen, is den heelen dag hier op den divan te blijven liggen.”
„Welnu, doe het dan. Ik kom straks bij je zitten.”
„Dat is goed; maar het is eigenlijk schandalig van me zoo lui te wezen.”
Toen Betsy naar de goedang ging om „uit te geven”, kwam ze Sarinah tegen.
„Nah?” vroeg de oude op gerekten toon en met een grijns.
Maar Betsy trok de wenkbrauwen hoog op en stak de lippen vooruit.
„Het zou ook wat,” zei ze, wegwerpend.
„Wij zullen wel zien, soedahla, wij zullen zien.”
„Ja, ja, houdt den mond maar; daar komt kokki aan.”
„O ja!”
De oude zweeg; ze moest bij zichzelve lachen. Nonna was toch ook soms erg dom! Hoe kon ze nu op het idée komen, dat kokki er niets van wist? Alsof niet alle bedienden er alles van wisten, en als uiterst belangstellende toeschouwers niet het heele verloop met aandacht en in gespannen verwachting volgden!
’s Avonds kwam Marie weer voor den dag. Het was niet beter en niet slechter. Zij zag er ’n beetje betrokken uit, met groote kringen om de oogen; maar koorts had ze niet, en wat men noemt „ziek” was ze evenmin.
Bronkhorst zag het niet. Welstaanshalve had hij gevraagd of ze beter was, maar in stilte vond hij het niet onpleizierig, dat ze haar kamer hield, nu de logé’s juist dien morgen vroeg waren vertrokken. Ze hadden weer hun spelletje gespeeld, hij en Betsy, en zij had hem voor het eerst zoo liefderijk gereciproceerd, dat hij ’n gevoel had alsof ’t hem dronken had gemaakt; zóó zelfs, dat Betsy begon te vreezen voor Marie, die, vond ze, dan toch al aartsdom moest zijn, om niets, in het geheel niets te merken. En om het af te wenden hield zij aan tafel Marie druk aan den praat, ofschoon ze maar droomerige antwoorden kreeg.
Ze zaten nog wat na, aan tafel. Bronkhorst had ’n havanna opgestoken; de dames genoten haar kopje koffie. Een bediende lei de brieven en couranten op tafel, die de postlooper gebracht had.
Terwijl de notaris ze opende, om even door te zien, hield hij plotseling zijn kleine vouwbeen terug, dat reeds aan het snijden was.
Aandachtig bekeek hij het adres.
„Ik had daar haast ’n brief opengemaakt aan jouw adres”, zei hij tot Marie.
„’t Zou ook wat zijn!”
„Neen, maar je weet, ik doe het nooit; het is tegen mijn principes.”
„Van wie is hij?”
„Dat weet ik niet; het is een onbekende hand. Ziedaar!”
En hij reikte haar over tafel de half geopende enveloppe aan.
Ook voor Betsy was een brief gekomen; een van haar jongere zuster Lidia, die altijd oentoeng had, en die indertijd zich zoo onomwonden verklaarde over het uit den weg ruimen van Den Ekster, dien ze haatte.
Betsy had haar geschreven, en met de ontembare zucht aan vrouwen eigen om wat ze weten of doen aan iemand mondeling of schriftelijk mee te deelen, al hielpen zij zich er door op het schavot—had zij in dien brief genoeg verteld om haar slimme zuster geheel op de hoogte te brengen. „Ik dacht niet”, schreef Lidia, als altijd openhartig, „dat je tot zoo iets in staat was, en ik kijk er gek van op, dat jij het over je kunt krijgen. Mij hielden ze altijd voor kwaadaardig en wraakzuchtig; jij met je geonduleerde haar tot op je wenkbrauwen, ging thuis door voor een toonbeeld van engelachtige zachtaardigheid. Nu, ik wil niet zeggen dat ik Jobs geduld heb met anderen, en ook niet dat ik gemakkelijk vergeef, maar, Betslief, ik zou tot zoo iets niet in staat wezen, waarachtig niet, en ik geloof jij ook niet, als ge die oude vuilpoets van een Sarinah niet bij je hadt. Pas op, als ik haar krijg! Maar heusch, Bets, doe dat niet. Als ik een man had, die me slecht behandelde, zoo waar als God leeft, ik hielp hem naar de andere wereld, Bets; ik zou het niet kunnen laten. Doch die menschen hebben je niets kwaads gedaan; ze hebben je integendeel goed en vriendelijk behandeld, Bets; ze zijn lief voor je en zij is hartelijker voor je geweest, dan ik voor jou ooit zou wezen. Zoolang ik geen weduwe ben, wil ik jou geen vier en twintig uur over mijn vloer hebben, hoor! Denk daarom, als je jezelve eens in de klem mocht brengen. Je weet dan bij wie je niet moet wezen. Foei, Bets, schaam je! En als je die gemeene streek mocht lukken, dan kijk ik je nooit weer aan, hoor! al kreeg je er zooveel duiten door als ’n millionnair; dàt wil ik je maar zeggen. Je zuster L.—”
Betsy glimlachte. Die Lidia was toch altijd even grof. Het speet haar thans, dat ze zoo onvoorzichtig was geweest. Welk een gemeen antwoord! Dat was nu net zoo iets voor die nare non, iemand zoo laag en beleedigend neer te zetten. Zij zou het epistel aan kleine stukjes scheuren in haar kamer, en die aan Sarinah geven om ze te verbranden. „Ze zijn lief voor je geweest,” schreef dat malle wicht. O, zoo lief! Zij uit gemakzucht, en hij!.…
„Je zult me wel excuseeren. Ik ga naar mijn kamer.”
Was het mevrouw Bronkhorst, die daar sprak? Eenigszins verschrikt keek Betsy op. Ook Bronkhorst staakte de lectuur van een langen brief over belangrijke zaken.
„Wat scheelt er aan?” vroeg hij verstrooid.
„Ik voel me onwel.”
„Dan zou ik een oogenblik gaan liggen; heb je pijn of voel je je koortsig?”
Marie gaf geen antwoord. Langzaam ging zij de achtergalerij uit en haar kamer binnen; Bronkhorst keerde weer tot zijn brief terug.
Betsy had niets durven vragen.
Wat het was, had zij begrepen; door geen woord of blik had Marie iets te kennen gegeven; ze was met een bleek gezicht en in zenuwachtigen toestand naar haar kamer gegaan; dat was alles. En toch wist Betsy, en ze had er op durven zweren, dat er in dien brief, dien Bronkhorst bijna in vergissing had opengemaakt, iets stond doelende op zijn verhouding tot haar.
„Wat zou Marie schelen?” vroeg hij toen het stuk over zaken was uitgelezen.
„Het schijnt, dat die brief haar onlekker heeft gemaakt.”
Hij fronste de wenkbrauwen. Een onverklaarbaar gevoel van angst bekroop hem, dat ’t zweet op zijn voorhoofd deed parelen.
„Waarom denkt je dat? Zij heeft toch niets gezegd.”
„Volstrekt niet, doch ik heb het opgemerkt, zonder dat ze iets zei. En het verwondert me niet.”
„Och kom, nonsens! Wie wil haar nu.…”
„Wie? Dat weet ik niet. ’t Gebeurt dikwijls hier in Indië. Er zijn hier veel menschen, die pleizier hebben in ’t schrijven van ongeteekende brieven.”
Het verruimde hem.
„Nu, als het niet anders is dan dat.…”
Zij keek hem verwonderd aan.
„Niets anders?”
„Wel neen! Men slaat toch waarlijk geen geloof aan verachtelijk anoniem geschrijf.”
’t Was haar duidelijk aan te zien, dat zij het niet met hem eens was. Ook drong de vraag zich aan haar op of het wel in haar belang was, dat aan het „verachtelijk” geschrijf geen geloof werd gehecht; zij zag de zaken niet vorderen, en haar verhouding werd met den dag scheever en moeilijker. Als zij buiten het huis was en hij haar dan bezocht, kon ze haar doel beter bereiken, nu men eenmaal in het tegenwoordig stadium was gekomen.
„Er zal altijd iets van bij haar achterblijven. Als ik doen kon wat ik wilde.…”
„Wat dan?”
„Dan ging ik,” zei ze met goed gehuichelde tranen in haar stem, „van avond nog heen. Ik zie alles aankomen.”
Brusque stond hij op, zijn stoel met een zenuwachtigen ruk terugschuivend.
„Het zal niet gebeuren!” riep hij heftig. „En nu wil ik ook weten, wat er van is.”
Bronkhorst deed ’n paar schreden naar de kamer zijner vrouw.
„Het zou te dwaas zijn,” zei hij, terugkeerend. „Vooreerst is het maar een vooronderstelling van je, en ten tweede zou zij met recht vragen, hoe ik er achter was gekomen.”
De redeneering was wel juist, maar stelde Betsy toch teleur; als vrouw stelde zij temperament meer op prijs dan logica. Zij zag in zijn terugtreden alleen het bewijs, dat hij bang was voor zijn vrouw, en dat tergde haar. Als zij eens haar doel bereikte, hoe zou zij hem drillen onder haar slofjes!
„Ik zal eens gaan zien wat haar scheelt,” antwoordde Betsy, en met koel en onbeweeglijk gezicht ging ze de kamer binnen.
Marie sloot juist den brief in haar lessenaartje. Zij zag zeer bleek. Zij was reeds onlekker en vermoeid geweest den heelen dag; thans wist ze niet goed wat ze deed. De schrik door den brief teweeggebracht, had haar hersenzenuwen als het ware verlamd; ze kon niet geregeld denken en ze wist niet goed, wat ze zeide of deed; het dwarrelde haar nog op de onmogelijkste wijze door het hoofd en sloeg haar met een gedruktheid, die haar in de allereerste plaats deed verlangen naar rust en vrede, om geregeld te kunnen nadenken.
„Mevrouw!” zoo luidde de brief. „Gij wordt gewaarschuwd. Gij hebt een slang aan uw borst gekoesterd. Uw huis vol van knoeien. Die jonge weduwe altijd maar knoeien en gekonkel met uw man. Gij ontvangt snoode ondankbaarheid voor uw weldaden! N. N.”—
De aanwijzing, hoe krom ook geschreven en aangevuld met boeken-frasen, was duidelijk genoeg. Als Marie een jaloersche vrouw was geweest, zou ze, uit den aard der zaak iedereen verdenkend, die aanwijzing in direct verband hebben beschouwd met haar eigen stillen achterdocht; zij had in haar geest zonder verwijl het flagrant délit opgebouwd, en was spoedig tot een besluit gekomen.
Maar het viel haar zoo onverwacht op het lijf, als een donderslag bij zonneschijn. Zij vertrouwde iedereen, zooals men zichzelve kon vertrouwen, en ze moest voor zulk een beschuldiging eerst plaats maken in haar gedachtenloop. Zoolang ze getrouwd was, had zij een stilzwijgend en overmoedig geloof gehecht aan de onverbreekbaarheid van haar huwelijksgeluk, zonder dat zij die groote fout ooit had ingezien, evenmin als het haar ooit in het hoofd was gekomen, dat haar man te kort zou schieten in huwelijkstrouw, zoo min in heel, half of kwart platonischen, als in vulgairen zin. En dat onbegrensd vertrouwen, die groote gerustheid, hadden haar ook sedert haar trouwdag, althans na de wittebroodsweken, doen afzien van elke poging om hem in haar persoon of door haar gezelschap te behagen. Zij had, naar eerzaam Hollandsch gebruik, zich gewijd aan de kinderen en de keuken; op dat terrein, dacht zij, lag uitsluitend haar werkkring; dáárin zocht ze haar trots. En zij hield wel heel veel van Jean en zorgde goed voor zijn maag en zijn garderobe, maar behalve op enkele momenten, dus in het jarenlang verder verloop van het dagelijksch leven, beschouwde zij hem als niets anders, dan den medezorg voor het huishouden, den compagnon in de vennootschap Bronkhorst & Co.—Als zij zich kleedde, dan was dat nooit voor hem. ’s Morgens als er dames visite kwam, deed zij haar kapsel, trok ’n mooie kabaja aan en ’n duren gebatikten sarong. Voor hem was ’t eenvoudigste lapje wit katoen, hoogstens met „’n puntje” en de flodderigste print mooi genoeg. Hij was immers maar haar man! Zij deed het niet met eenig boos opzet. ’t Was haar Hollandsche traditie; ’t was zooals haar ouders en grootouders hadden gedaan, die met roode baaien broeken en borstrokken en in blauw wollen rokken, met slaap- en klapmutsen getooid in overweldigende eerzaamheid schuil gingen onder de wollen dekens.
Hij, Bronkhorst, had dat nooit opgemerkt, en vanzelf de huishoudelijke gewoonten volgend, had hij die aangenomen en zich er aan onderworpen, als iets dat zoo is en zoo behoort. Het een tonig leven was zeer snel voor hem voorbijgegaan, in zijn trouwen „ten principale” afgewisseld door ’n paar malen de geboorte van een kind, en door de zorgen voor zijn aangroeiende fortuin. Het had hem nooit gehinderd, dat Marie zich betrekkelijk zoo weinig scheen te bekommeren over zijn opinie, wat haar vrouwelijk schoon betrof. Zij waren g. e. t. r. o. u. w. d.; elk hunner zat aan een eind van het kettinkje, had daar vrede mee en achtte er zich gelukkig door.
Tot er een vrouw kwam, die „werk” van hem maakte.
Toen stond hij op het punt „er in” te loopen; zijn opgewekte geest trok aan het kettinkje; die vrouw sloeg uit den vuursteen der behaagzucht vonken, die hem herinnerden aan zijn celibatairstijd, toen de veelbelovende jonge notaris nog tot het edele wild behoorde in den chasse à l’homme; toen lieve blikken en vriendelijke glimlachjes hem van alle kanten ten deel vielen, en menig keurig toiletje het groot tenue was ter zijner eere gedragen.
Maar zóó definiëerden zij niet; hij, Jean, niet, terwijl hij Betsy in stilte het hof maakte; zij, Marie, niet, toen ze moreel verpletterd was door dat briefje.
„Scheelt u iets?” vroeg Betsy met warme belangstelling in den toon harer stem. „Ik kom eens zien of ik u ergens mee helpen kan.”
Marie aarzelde een oogenblik.
„Dank je,” antwoordde zij kortaf.
„Ik ben ook niet erg lekker; ik ga ook vroeg naar bed. Heb je niets meer noodig?”
„Neen,” klonk het als een diepe zucht.
Zij, Marie, wist niet hoe zich te houden. Kon het waar zijn, dat iemand zóó slecht was, zóó door en door huichelachtig en gemeen? ’t Was, meende zij, een onmogelijkheid, en, strijdend tegen den indruk door den brief teweeggebracht, had zij Betsy aangehoord en geantwoord. Maar het geheel van zich zetten kon ze niet. Door de loomheid in haar leden, als gevolg van Sarinah’s poeiertjes, bleef zij niet zitten, maar ging op een divan liggen, met haar gezicht naar den muur en haar oogen dicht. Was het waar, was het niet waar? Zij trachtte een zuiver beeld te ontwerpen van de wederzijdsche verhouding in huis: zeker, Jean was altijd bijzonder lief en vriendelijk tegen Betsy. Zij bracht zich enkele uitdrukkingen te binnen; zij herinnerde zich zijn grooten ijver om de jonge weduwe te helpen bij het musiceeren. Maar wat was dat, wat beteekende het? Het was volstrekt niets. Wie weet, daarentegen, welk een gemeen schepsel die schrijfster was van dien ongeteekenden brief, want geen oogenblik kwam het denkbeeld bij haar op, dat die van ’n man kon zijn. Wie weet of hier niet uitsluitend haat en lage afgunst in het spel waren, en zijzelve niet heel slecht deed aan dat vod zooveel gewicht te hechten. Men had zulke ellendige wezens, dat had zij meer gehoord, die er vermaak in schepten door gemeene anonieme brieven huisgezinnen ongelukkig te maken en familieleden en vrienden tegen elkaar op te zetten. En wat zou het zijn, als zij eens onder zulk een invloed raakte, en nu voortaan haar man en Betsy bespiedde, met wantrouwen gadesloeg, en zelfs verdacht, waar niets, wellicht, te verdenken viel.
Maar zou ze hen kunnen vertrouwen? ’t Was pijnlijk, maar ze voelde dat ze daartoe niet in staat was. Hoe haar verstand zich ook verzette; hoe laag ze ook neerzag op dien smerigen brief en op haar, die hem had geschreven,—het was en bleef zonneklaar, dat haar grenzenloos vertrouwen weg was. En, o! als het eens waar mocht wezen, dat die vrouw wilde treden in haar rechten; haar verdringen wilde uit het hart van haar man; haar tot een voetveeg wilde maken in haar huis,—dan zou er toch nog veel moeten gebeuren! In het volle gevoel van de kracht harer smettelooze kuischheid en trouw, achtte zij zich sterk om tegen „het kwade” te strijden, als het noodig was; een voor haar heiligen strijd om haar man en voor zichzelve en haar kindertjes. Het bloed steeg naar haar bleeke wangen, haar oogen glinsterden in ’t halfduister en krampachtig sloten zich de handen tot vuisten. Neen, zóó gemakkelijk zou het niet gaan! Zoo licht zou het niet vallen haar te onttronen! Hij had haar niet gevonden op de straat, en als zoodanig zou ze zich niet laten behandelen. Zooals ze haar plichten had vervuld, zou ze staan op haar rechten. Wie het wagen durfde haar de liefde te rooven.…. Ze schudde van opgewonden toorn, dat de divan kraakte.
Doch plotseling, toen ze aan Jean dacht, bedaarde dat. Hoe was het toch bestaanbaar? Zoo menig gelukkig jaar hadden ze samen doorleefd, rustig en heerlijk. Het ging haar alles in den geest voorbij; hoe ze hem in Holland had leeren kennen; hoe ze hem lief had gekregen om zijn persoon; welk een heerlijken engagementstijd ze hadden doorgebracht; hoe vol van het zoetst genot hun huwelijksreisje was geweest, en hoe tevreden, gelukkig en voorspoedig ze al die jaren samen hadden doorleefd! En nu zou misschien dat alles uit zijn! Hij zou zijn heil zoeken bij een andere vrouw, en haar verwaarloozen en veronachtzamen; hun vredig huisgezin zou een hel worden van nijd en tweedracht; zij zouden altijd ontevreden zijn, elkaar misschien leeren haten, in elk geval van elkaar vervreemden.… En daarvoor had zij nu zooveel jaren met zooveel liefde haar plichten vervuld; daarvoor had ze alles geschonken wat ze had, nooit aarzelend, zelfs niet als te schenken een opoffering was.…
Het diep bedroevende van zulk een toestand greep haar aan en werkte op haar zenuwen. Zij stond snel op, toen zij den stap van haar man hoorde, die naderbijkwam, en ging te bed, haar gezicht begravend in de kussens; hij mocht niet zien, dat ze weende!
Haastig was Betsy, toen ze de kamer verliet, naar achter geloopen. Zij had nu volkomen zekerheid, wat den inhoud van den brief aanging. Bronkhorst was niet meer in de galerij. Zij liep de trap af en om ’t huis heen naar voren, waar ze hem ontwaarde in de donkere zijgalerij, die naar het kantoor voerde; ze zag het aan zijn witte kleeding, want het was erg duister.
„Wel?” vroeg hij.
Zij gaf geen antwoord, maar voor de eerste maal sloeg zij haar armen om zijn hals en kuste hem herhaaldelijk met groote onstuimigheid; doch toen hij, in vervoering, het haar begon na te doen, rukte zij zich los en liep weg.
In haar kamer deed ze de deur op slot. Ziezoo! Ze had nu haar schepen verbrand! Ze was nu tegenover hem ver genoeg gegaan. Men was nu alle drie vrijwel op een goede hoogte. Het had door dien brief een beetje sneller verloop moeten hebben, dan ze gedacht had; maar de kogel was toch vrijwel door de kerk. Nu moest ze weg, en dat was maar goed ook; als Marie den brief soms niet geloofde, den volgenden dag, dan zou zij haar wel laten zien, dat er niets in had gestaan, dan de waarheid. Er moest nu maar hoe eer hoe beter gehandeld worden. Al dat geleuter gaf toch niets.
Bronkhorst hoorde haar de deur sluiten, want onwillekeurig was hij haar nageloopen. Toen zij geen verder bewijs van leven meer gaf, ging hij naar de slaapkamer. Het scheen dat Marie sliep, maar toen hij zich stil en voorzichtig uitkleedde, meende hij een verdachte beweging met een zakdoek te zien achter de klamboe. Nu veinsde hij nog veel meer, te denken dat ze sliep; sloop op de teenen door de kamer en stapte uiterst voorzichtig over haar heen, zich langzaam uitstrekkende langs de achtergrens van het ledikant. En toen hij lag, glimlachte hij tegen de klamboe en deed zijn oogen dicht.…
Zij sliep haast niet dien nacht, hoe krachtig anders de natuur in dit opzicht haar rechten deed gelden. Het denkbeeld kwam altijd terug in allerlei vormen; het herhaalde zich onder de meest uiteenloopende gezichtspunten; en daarmede wisselden haar gevoelens. Wel vijf en twintig keeren was het toorn en verontwaardiging, volslagen ongeloof met zelfverwijt, of diepe droefheid.
En des ochtends stond haar besluit nog niet vast.
Bronkhorst zelf had ook slecht geslapen. Des morgens deed hij als wist hij van niets en als was hij zich nergens van bewust.
„Ik heb een naren nacht gehad,” zei hij geeuwend.
„Ik ook.”
Hij zag haar aan en schrikte er van. Zij zag er ziek en lijdend uit.
„Je bent erg onlekker, dat is zeker. Ik raad je ernstig aan te bed te blijven.”
„Volstrekt niet.”
„En een leitje te schrijven aan den dokter. Ik zal.…”
„Het is niet noodig.”
Zij had een andere kabaja aangetrokken en verliet de kamer. Het was haar niet mogelijk geweest vriendelijk tegen hem te zijn; het stuitte haar tegen de borst, hoewel ze weer haar uiterste best deed om alle geloof aan den inhoud van den brief weg te werpen.
In de achtergalerij, waar het in den vroegen ochtend en bij de bewolkte lucht nog slechts half dag was, zag ze Betsy aan het koffie-zetten.
„Goeden morgen,” klonk het haar tegemoet met de vriendelijkste stemmodulatie.
„Goeden morgen,” bracht Marie er met moeite uit. Wat het haar kostte bedaard tegen dat schepsel te spreken! Ze had haar wel kunnen vernielen.
„Weer heelemaal beter?”
„Ja.… Zoowat.…”
„Komaan, dat is gelukkig. Ik heb hier ’n overheerlijken kop koffie voor je. Dat zal je heelemaal opknappen.”
Met bevende hand nam Marie den kop aan en ging zitten. Neen, dàt hield ze toch voor onmogelijk. Zulk een créatuur kon Betsy niet wezen, dat vond ze bovenmenschelijk. Die brief moest een gemeene leugen wezen, en zijzelve was schuldig omdat ze Betsy en haar man verdacht. Ze zou en ze moest zich er tegen verzetten.
„De koffie is overheerlijk,” zei ze vriendelijk.
„Nietwaar?” vroeg Betsy terug, verbaasd en ontstemd over deze onverwachte en door haar niet gewenschte frontverandering.
„Het scheelt, hoe men ook doet, den eenen dag toch altijd bij den anderen.”
„Dat komt,” zei Bronkhorst, die blij was, toen hij, achter komend, haar beiden gemoedelijk pratende vond, „omdat de dames geen wetenschappelijken zin hebben; ze doen alles zoo maar op den gis; haar maat is er geen, waarop men kan vertrouwen.”
„Het komt hier anders zelden voor, dat iets mislukt,” zei Marie.
„Zeker! O, wat dat aangaat, heb je er uitmuntend den slag van alles overheerlijk te doen klaar maken. Dàt bedoel ik niet.”
Onwillekeurig ontsnapte haar een zucht bij zijn lof. Maar die stemde haar toch beter, dan eerst, en toen men aan de ontbijttafel ging, was de algemeene conversatietoon bijna tot het normaal diapason teruggebracht. Alleen zag zij nog erg bleek en vermoeid er uit. Maar niemand zinspeelde daar meer op. Zelfs Betsy miste op dat oogenblik den moed om er op terug te komen, Bronkhorst sprak buitengewoon veel, en zocht, tot woede van Betsy, bijna uit instinctmatige aandrift een drukke conversatie met Marie aan te houden, waarbij hij met opzet vermeed naar Betsy te zien, en zich ook zorgvuldig van telegraphische voetgemeenschap onthield.
Juist stond hij op om naar het kantoor te gaan, toen een jongen een brief binnenbracht. Het was er weer een aan het adres van zijn vrouw. Als hij het had kunnen doen, zou hij den brief hebben achtergehouden, maar het ging niet, want de bediende had hardop gezegd: boeat njonja. Nu moest hij haar den brief wel geven, maar hij bekeek toch even het adres. Dit was van een andere hand dan dat van den vorigen avond.
„Je hebt, naar het schijnt, drukke correspondentie. Adieu, tot van middag.”
Met een armzwaai groette hij beide dames, waarop hij naar zijn kantoor ging.
„Mevrouw!
Iemand, die het goed met u meent, waarschuwt u in allen ernst voor een geval, dat zich in uw huis voordoet en waarvan gij ongetwijfeld schande en verdriet zult beleven. Uw man en die weduwe Den Ekster, die als bonne of juffrouw bij u inwoont, zijn het samen eens. Iedereen weet het al, maar u schijnt er onkundig van te zijn. Vraag het uw eigen bedienden, en gij zult er meer van hooren.
Een vriend.”
Daar was het weer! Welnu, er moest iets gedaan worden, dat gevoelde en begreep zij. Handelend moest ze optreden. Er viel niet te talmen, na te denken en te redeneeren. Het was misschien verkeerd, maar zij zou althans informeeren bij de bedienden.
Doch de naaister, haar baboe en haar kokkin verklaarden niets te weten en hoe het kwam wist ze niet, maar het was alsof juist die beweerde onbekendheid en de gezichten die deze menschen trokken, haar wantrouwen deden toenemen in plaats van verminderen.
Zij was nu nog even wijs, en zat voor haar kamer met de hand onder het hoofd. Onuitstaanbaar!
Na eenigen tijd liet ze Betsy verzoeken bij haar te komen.
„Wat is er?” klonk het weer vroolijk en vriendelijk.
Zwijgend wees Marie op de beide brieven.
„Moet ik die brieven lezen? Ja? Wel, met genoegen.”
Zonder overhaasting las zij ze allebei. Marie sloeg haar angstig gade, maar het effen gezicht onderging geen verandering.
„Het is mooi,” zei ze met een valschen lach. „En dat beduidt?”
Thans had mevrouw Bronkhorst een overtuiging, al was het geen zekerheid.
„Moet ik zeggen, wat het beduidt?”
„U of een ander. Ik weet zeker niet, wie de hand heeft in zulke dingen.”
„Wie er de hand in heeft?”
„Natuurlijk. Ik denk niet, dat iemand gemeen genoeg kan zijn om zulke brieven te schrijven voor zijn pleizier.
„Of uit drang om te waarschuwen.”
„Komaan! Ha, ha, Wil ik u wat zeggen: die brieven komen allebei uit denzelfden koker en daar kan alleen iemand achterzitten, die mij haat, of die.… jaloersch is en wie ik hier te veel ben.”
Een oogenblik was Marie verbluft over zooveel brutaliteit, en met haar heldere blauwe oogen staarde zij Betsy zoo onbeweeglijk aan, dat deze het tot haar woede en schaamte niet kon uithouden en genoodzaakt was den blik af te wenden. Toen mevrouw Bronkhorst als het ware tot zichzelve kwam, stond ze op: zij zag er op dat oogenblik allesbehalve „gemakkelijk” uit, en voor het eerst bekroop Betsy een gevoel van vrees, want het werd haar duidelijk, dat zij verkeerd had gedaan in haar geringschatting dezer schijnbaar alleen huiselijke en huishoudelijke persoonlijkheid. Er volgde geen standje, geen groot rumoer of heftig tooneel.
„Ik weet nu, wat ik wenschte te weten. De rest zult u wel begrijpen.”
Het werd gezegd op een toon en met een gelaatsuitdrukking zoo vol verachting, dat Betsy er van trilde.
„Als u soms dacht, dat ik na dit gesprek en na de schandelijke verdenking en verdachtmaking, waaraan ik bloot sta, verlangde hier te blijven, dan hebt u het mis. Ik ga vandaag nog heen, al moest ik,”—er volgde een ontroering, die op zichzelve wel gemeend was, maar die, voortspruitend uit woede, voor verontwaardiging moest doorgaan—„al moest ik werken in de kampong voor een bordje rijst”.
Doch Marie was geen dupe. Haar vertrouwen ging zeer ver; zij had een optimistisch geloof in de braafheid van haar omgeving, maar als zich een grond voor wantrouwen aan haar opdrong, dan was zij onverbiddelijk. En dat was gebeurd. De houding van Betsy, haar gelaat toen ze die brieven las, haar eerste uitdrukkingen en de wijze, waarop ze toen sprak, dat alles had Marie, zonder dat ze had kunnen uitleggen hoe het kwam, eene moreele convictie geschonken, onwankelbaarder dan een door bewijzen gestaafd.
Zij keerde zich om en draaide Betsy den rug toe, wat deze buiten zichzelve bracht en de kamer deed ontvluchten, terwijl ze de deur met een slag achter zich dicht wierp.
„Waarom maakt nonna zichzelve ziek?” vroeg Sarinah.
„Och … stik!” barstte Betsy los in toomelooze woede.
„Masa!” lachte de oude. „Dacht nonna dan, dat er geen standjes zouden komen? De vliegen zouden vechten er over, en de menschen dan!”
„Te erg, nèh! Ik had haar kunnen vermoorden.”
„Waarom? Als zij leeft is het erger voor haar.”
„Nu ja … dat is nog altijd de vraag.”
„Nog niet gelooven! Zij is sterk, dat is waar. Ik heb haar nu al tweemaal wat gegeven en ze ziet enkel maar ’n beetje bleek.”
„Vandaag krijgt ze nog wat.”
„Als ze ’t hebben wil.”
„Zeker wel. Zij weet niets. Zij heeft de baboe, en de kokkin, en de djaid gevraagd. Die durven niet. O, als ze durfden, ik zou haar wel krijgen!”
„En hij?”
„Hij heeft van ochtend nog gehad in zijn koffie. Ik heb hem gezien. Hij wordt goed. Hij zit met de oogen open voor zijn schrijftafel en hij werkt niet, en hij ziet niet.”
„Hoe weet je dat?”
„Van den djoeroetoelis.”
„Zoo.… en, gebeurt dat dikwijls?”
„Nog niet zoo heel dikwijls, maar dat komt wel. Dan, als hij zoo zit, denkt hij aan nonna en ziet haar.”
„Je weet, nèh! van de brieven.”
„Brieven? Neen, ik weet van geen brieven.”
„Zij heeft brieven gekregen, waarin haar wordt verteld dat meneer op mij verliefd is.”
„Zoo’n dom schepsel! Ik dacht dat zijzelve het had gezien. Moest ze daarvoor nog brieven krijgen?”
„Je begrijpt, dat wij weggaan.”
„Adoe! Toch niet gauw?”
„Vandaag nog.”
„Het kan niet, nonna. Soengoe mati, het kan niet! Dan is alles weg!”
„Ben je gek? Waarom? Het moet!”
„Ik zeg het kan niet. Doe wat u wilt, maar zorg, dat we nog ’n paar dagen blijven; ik ben niet klaar.”
Betsy zuchtte. Dàt was nu weer een inconveniënt!
„Het is onmogelijk, nèh; ik heb het al tegen haar gezegd!”
„Spreek er dan met mijnheer over. Ga naar hem toe. Hij is op ’t kantoor, Nonna moet pinter wezen, ja! Allah! het zou zoo jammer zijn.”
Betsy twijfelde geen oogenblik aan de waarheid der woorden van Sarinah. Zij kende haar, en wist dat het der oude ditmaal volkomen ernst was, en zij ten volste overtuigd was, dat alles zou mislukken als er niet een dag of wat tijd viel te winnen. Het was trouwens zoo moeilijk niet, en de meid met een paar woorden geruststellend, ging zij de overdekte galerij door, die naar het kantoor leidde.
„Wat is het?” vroeg Bronkhorst bezorgd, terwijl hij haar tegemoet kwam.
„Daar komt niets van!” riep hij opstuivend, toen ze op haar manier verteld had, wat er was voorgevallen.
„Het moet,” antwoordde ze met een droevig lachje haar hand op zijn arm leggend en hem aanziend met tranen in de oogen: „Er is niets aan te doen, en ten slotte is het beter ook. Het eenige is, dat het nu een triomf zal zijn voor onze vijanden. Als het slechts acht dagen ware uit te stellen.… Maar ik zie niet in op welke manier.”
Bronkhorst keek met een donker gezicht naar beneden. Hij had zich vast voorgenomen haar te beschermen, en hij zou haar niet in de steek laten. Maar een scène met zijn vrouw lachte hem volstrekt niet toe, te minder nu hij begreep, dat die onvermijdelijk werd.
„Het zal niet gebeuren,” zei hij na een oogenblik. „Ik zal zelf voor ’n dag of wat uit de stad gaan.”
„Och!.… Blijf maar liever in je huis, Jean! Het is voor mij wel heel droevig, maar er zal zich nog wel iemand voordoen om me te beschermen.”
Hij kreeg een woesten aanval van jaloezie.
„Er behoeft zich niemand voor te doen om je te beschermen zoolang ik er ben. We zullen er dadelijk een eind aan maken. Wacht hier maar even.”
Driftig stond hij op en liep naar huis; vóór hij er kwam, was zijn woede al aanmerkelijk gedaald; toen hij in de kamer van Marie kwam, was ze verdwenen.
„Wat zijn dat toch voor fraaiigheden?” vroeg hij op z’n notaris-toon.
Er volgde geen antwoord. Marie was bezig de handen, die ze had gewasschen, af te drogen, en zij deed dat met groote nauwkeurigheid, zonder hem aan te zien.
„Ik bedoel,” ging hij voort, toen ze hem zoo minachtend behandelde, „de lasterlijke anonieme brieven, die je in de laatste dagen moet ontvangen hebben!”
Zij nam ze van haar toilet en wierp ze op de tafel.
„Asjeblieft!”
’t Klonk zeer onaangenaam, en zoo weinig was hij gewoon op die manier behandeld te worden, dat het hem neerdrukte.
„’t Is was moois,” zei hij op zijn beurt de brieven op tafel werpend, nadat hij ze had gelezen, „’t Is wat moois! En jij gelooft daaraan?”
Zij keek hem onverschrokken in het gezicht met dienzelfden vasten blik, die Betsy de oogen had doen neerslaan.
„Ja”, antwoordde ze.
Er viel niet tegen te redeneeren, en een oogenblik wist hij niet welken kant uit te gaan; toen koos hij zijn partij.
„Ik zie wel,” zei hij met een gemaakt lachje, „dat je geheel door die gemeene epistels wordt beheerscht. Het is treurig.”
„Je eigen gedrag is treurig; neen, het is erger, ’t is schandelijk.”
„Ik zal op zulke aantijgingen niet antwoorden; het leidt tot niets. Je wilt mevrouw Den Ekster weg hebben,—welnu, zij zal vertrekken, dat is duidelijk. Ik zal haar niet terughouden.”
Het scheen haar een straal van hoop, dat hij ’t vertrek van Betsy zoo gemoedelijk opnam. Zij keek op naar zijn gezicht, maar dat stond op storm en onweer, zoodat het haar op de lippen zwevend verzoenend woord terugbleef. Als het toch eens niet waar was! had ze gedacht; maar dat dacht ze nu niet meer.
„Het eenige”, ging hij voort, „wat ik te vragen heb, is geen schandaal te maken, dat mijn goeden naam kan schaden.”
„Ik ben het zeker, die daar schade aan toebrengt!”
„Als mevrouw Den Ekster het huis verlaat, zoo dadelijk na de ontvangst van die brieven hier, zal daar veel over gepraat worden. Het zal worden rondgebazuind.”
„En wiens schuld is dat?”
„Dáárover zullen we later wel eens spreken, want ik zie, dat je nu niet vatbaar bent om aan te hooren. Nog eens: het eenige, wat ik nu vraag is, geen schandaal te maken.”
„Komaan,” zei ze met bleeke lippen, „en dat wordt mij gevraagd door jou! Mij, die mijn geheele leven niets deed, waarover ik me behoefde te schamen. Maar het is goed, zeg maar eerst wat je wilt; ik zal dan zien of het me conveniëert.”
„Het is, versta me wel, uitgemaakt, dat ze het huis verlaat, doch laat dat niet zijn op staanden voet. Als er een week overheen gaat, heeft het een betere houding. Ik zal zoolang uit de stad gaan.”