← Table of contents
Geschiedenis van een Neger

GESCHIEDENIS van een NEGER. (continued 2)

Reading edition

Ik kwam een dag of drie daar na wederom, en wist door mijn aanhouden het zoo ver te brengen, dat ik eindelijk het jawoort kreeg, en daar op kort daar na met haar trouwde. Ik heb my ganschelijk over myn trouwdag niet behoeven te beklagen; vermits wy altyd in eendrachtigheid te samen geleeft hebben, en onze liefde is tot heden toe niet voor malkanderen vermindert: maar eer vermeerdert. Onze huwelijksmin is ook met verscheide Kinderen gezegent geworden, waar van ’er nu noch maar een in het leven is, het welk deze dogter is die ik by my heb; de andere zyn vroeg gestorven.

Onderwijlen dat ik te Suriname woonde, heb ik ook door myn Correspondenten uit Vrankryk de tijding gekregen, dat mijn Ouders my van al het goed waar na ik t’eeniger tyd had kunnen staan, versteken hadden; dat zy daar op kort daar na waren komen te sterven, en mijn Broeder en Suster alleen erfgenaam waren gebleven. Den Doctor en de andere Gereformeerde geloofsgenoten, hadden met de Jesuiten eenig spel gehad; doch zy hadden door geld en geschenken te geeven, dezelve gestilt. Wat my aanging, ik was door den Hemel zoodanig gezegent, dat ik my niet eens over het verlies van mijn erfdeel bekreunde, en ik misgunde het mijn Broeder en Suster niet; vermits ik het niet nodig had.

Het is nu na by de twintig jaren, dat ik te Surinamen gewoont, en daar zeer vergenoegt geleeft heb; het eenigste dat my een weinig tegengestaan heeft, is de barbaarse en wreede handelwijze, die de slaven dikwils moeten ondergaan als zy meesters aantreffen, die geen menslieventheid bezitten, en ik wil wel bekennen zonder my daar op te beroemen, dat ik altyd meer met goede woorden van haar heb kunnen krijgen, als met slagen; zy hebben altijd veel van my gehouden en zy waren zoo bedroeft dat zy een andere meester zoude krijgen, dat ’er eenige onder waren die als kinderen schreiden, toen zy het hoorde. Ach mijn goede meester, zeide eenige onder haar, wat zyn wy ongelukkig u te verliezen! Waar krygen wy ’er zoo een weer als gy geweest zyt! Ik zogt haar zoo veel te troosten als in mijn vermogen was, met tegen haar te zeggen, dat ’er meer goede lieden in de waerelt waren als ik, en dat ik haar raade, met braaf op te passen de genegentheid van hun meesters te winnen; ’t mogt weinig baten, de neerslachtigheit was uit haare wezens te leezen. Ik wil hier meede te kennen geeven, dat men dikwils door zagtheid en goetheid meer op de harten van zyn volk kan winnen, en meer dienst daar van hebben, als door strafheid.

Na dat ik dan voorgenomen had, met mijn Vrouw en Dochter na Holland te gaan, en wy order op alles gesteld hadden, hebben wy ons t’ Scheep begeven, en zyn op die wijze alhier aangekomen, gelijk u bekend is.

De Heer N..... had alhier zyn verhaal ten einde gebragt en de Heer le Sage bedankte hem voor zyn genome moeite; hy maakte hier en daar aanmerkingen over, het geen hy van de Heer N.... gehoort had; maar dewijl het reeds laat in de agtermiddag geworden was, deed hy het zeer kort. Zy gingen weder by het gezelschap, ’t geen haar met ongedult zat te wagten, en maakte zig dien avond op een betamelijke wyze met het zelve vrolijk. De tyt tot rusten gekomen zynde, bedankte het gezelschap de Heer le Sage voor zyn vriendelijkheid, en ging een ieder van het zelve daar zy wezen moesten.

Onderwyle begonnen die aan het Schip werkte, om het zelve te herstellen, dapper te vorderen; maar eer dat onze reizigers dit Eiland verlieten, gebeurde ’er nog een geval, ’t welk zich op deze wyze toedroeg. Een van de Schiplieden, die in de Kerk geweest was toen Thomas gedoopt wierd, had aldaar een Jonge Dochter gezien, die ’er gansch niet onbillijk uit zag. Zy had hem door haar bevalligheden zoodanig betovert, dat hy niet nagelaten had, toen de Kerk was uitgegaan dezelve na te zien waar zy te huis hoorde, en een gelegentheid te zoeken, om haar zyn genegentheid bekent te maken. Hy had dezelve ook wel haast gevonden; vermits onze Eilanders gantsch eenvoudige lieden zijnde, en bygevolge niet argwaanende, die van het Schip de vryheid lieten, van in haar huizen te koomen wanneer zy wilde.

Hy vond gelegentheid genoeg om dit meisje zyn liefde te openbaren; maar dezelve weigerde in den beginne hem ten antwoord te staan. Evenwel door zyn vlytig oppassen en door de betuigingen van liefde die hy haar deed, dit Jonge bloed gaande raakende, begon zy een weinig het oor na hem te leenen. Doen hy zoo ver gevordert was, dagt hy het half gewonnen te hebben en verdubbelde derhalven zyn vlyt. Hy bragt het eindelijk zoo ver, dat hy in ’t geheel meester van haar hart wierd.

Maar wat raad in dit geval te doen? Het stond hier niemand op dit Eiland vry om by verkiesing te trouwen. Dit baarde by deze jonge Dochter voor zoo verre zy nog redenkavelde, eenige ongerustheid; maar de liefde het eindelijk op de reden winnende, en hy haar met schoone belofte van getrouwheid paaijende, met tegen haar te zeggen, dat zoo het al niet wiert toegestaan, dat zy te samen trouwde, hy haar dan in stilte mede op het Schip zoude neemen, dewijl hy haar nooit verlaaten zoude; zoo gaf zy zig vervolgens geheel aan hem over, en hy genoot op die wyze van haar, het geen hem eerst na een wettelijke trouw was toegekomen.

Maar gelijk gemeenlijk gaat, dat na de genieting de verzadiging volgt; zoo ging het hier met onze minnaar ook, en hy begon wel haast in zyn liefde te verkoelen. Het welk zy gemerkt hebbende, zogt zy zig te beklagen over zyn onstantvastigheid. Hoe! Zeide zy tegen hem, is dit de beloften agtervolgen, die gy my gedaan hebt, en is dit de vergelding voor een liefde, die ik ten kosten van myn eer aan u verdient heb, en waar door ik my in gevaar gestelt heb, om by de gantsche Volkplanting in veragting te weezen? ô wreede als gy zyt! Die even het genot van een oneerlijke lust gehad hebbende, een onnozele Maagd verlaat, die haar hert ganschelijk aan u geschonken heeft! Maar neen ik kan niet denken dat gy tot zoo een schrikkelijk besluit zult komen; gy doet het eerder om my eens te beproeven en te zien hoe ik my houde zou, en of ik ’er my ook onverschillig in zou betonen. Neen myn Vriend, gy ziet dit anders, en wat wreede twyffelingen thans mijn ziel bestormen: betoon my dan weder als voor heen, die liefde die gy my zoo dier betuigd heb, en stel my door overtuigende blijken van u wederom gerust.

Onze Jonkman, in plaats van zich door zulke doorslaande blijken van liefde te laten overreden, schertste met dezelve en zeide; dat ze zich maar wel te vreeden zoude houden, dat de tyt die alles slijt, dit geval ook wel uit haar geheugenis zoude wisschen, en dat wat haar eer aanbetrof en de schande die zy daar door by de Volkplanting stond te wagten, maar inbeeldingen waaren, dat hy verders zich niet meer met haar op wilde houden, veel minder om haar mede na Holland te neemen; want dat hy in het geheel door geen Vrouwspersoon wilde belemmert zyn; dat diergelijke galantereien in Europa zeer gemeen waren; dat men dezelve daar maar voor beuzelingen aanzag, en dat hy derhalven ’er in ’t geheel geen geweten van maakte.

Dit antwoort klonk de Jonge Dochter als een Donderslag in de ooren. ’T is wel ontaarde zeide zy tegens hem; het geeft my dan geen wonder dat dewijl gy uit zoo een Godloos Land afkomstig zyt, daar men de plicht van eer en trouw te breeken, maar voor een beuzeling en aardigheid aanziet, zoo een wreed en onnatuurlijk stuk durft begaan. Ik zoude nu zelfs, al wilde gy my mede nemen, my met een manspersoon na zulk een land niet willen begeven, die de quade gewoontens van het zelve tot een voorbeelt gebruikt om ’er zich na te gedraagen. Want wat staat zoude ik doch in vervolg van tyd op desselfs trouw kunnen maken? Gaat dan maar alleen na dat schoone Land; terwijl ik hier zal blijven om in myn eenzaamheid myn misslag te betreuren en my aan een droefheit over te geven, daar de Dood wel haast een einde van maken zal.

Deeze wanhopige woorden gesproken hebbende, verliet zy hem, en liet ons Jong manspersoon, alleenig staan; die zich weinig over haar zeggen bekommerde en denkende, dat zy het zoo niet meende als zy wel voorgaf, zich naar elders heen begaf. Maar de Liefde die dog overal zyn rol wil speelen, in wat afgelegen oort des weerelts dat het ook zoude mogen weezen, wilde hier ook betoonen dat zyn magt gantsch niet te veragten is, en dat indien men hem eens het oor geleent heeft en men hem in het hart een plaats vergunt, hy zoo ligt daar niet weder uit te krygen is: dewyl hy gemeenlijk niet alleen verzeld is met die aanlokselelen en bekoorlijkheden, waar mede hy den arme sterveling betovert; maar ook met al die gruwelen en monsters waar de Minnenyt, de spyt; en de wanhoop wel de voornaamste van zyn.

De Liefde dan het hart van onze jonge Dochter verlaten hebbende, had de wanhoop en de spyt in zyn plaats gelaten; deeze vermeesterde het zelve zoodanig, dat zy voor zich nam, dewyl het leven haar maar een last was, zich van het zelve te ontdoen, en een einde van baar droefheid, te maken. Rampzalige sterveling! Wat zyt gy niet te beklagen! Gy vervalt dikwils van het eene quaad in een ander, ’t welk nog veel erger als het eerste is. Zoo ging het onze Jonge Dogter ook: in plaats van zich aan eenig mensch vertrouwt te hebben, en haar droefheid geopenbaart, kropte zy het by haar zelven op en smoorde alles in haar eige boezem.

Zy dan een koort genomen hebbende, maakte ’er een strop van en verhing zig des avonds toen het duister was geworden aan een Boom, die even buiten het vlek aan den ingang van het zelve stont. Doch eer zy hier toe was overgegaan, had zy eerst het geval en de oorzaak van haar Dood op een zeker blad, ’t welk zoo veel als voor papier diende, geschreeven, en het zelve tusschen haar gordel dewelke zy om haar lyf had gestoken; op dat het neffens haar lyk mogt gevonden worden. Den inhoud van dit papier luide aldus.

Aan alle die van de Volkplanting zyn.

“Dat gy my hier in zoo een beklagelijke staat bevint, daar van heeft niemant de schuld, als een Matroos van het Schip, ’t welk hier eenigen tyd aan dit Eilant gelegen heeft. Zyn naam is Jan Jansz. dezelve heeft my door schoone beloften weten over te haalen en door betuigingen, dat hy my tot aan zijn Dood beminnen zou, dat ik my aan hem geheel over gegeven heb: maar deeze trouwlooze, na dat hy het genot van myn Lichaam gehad, en zyn onkuische min daar mede verzadigt, heeft hy zijn beloften in den wind geslagen, en my in de allerdroevigste staat gelaten, daar een Jonge Dogter als ik ben, ooit in komen kan. Dewijl ik nu myn ongeluk niet heb konnen overleven, en my geschaamt heb om myn zwakheid aan anderen te openbaren, ben ik tot dat uiterste gekomen, waar in gylieden my thans vind. Ik hoop dat den Hemel hier door mag verzoent zijn, dat ik my tegens de gewoontens van ons Land aan iemand overgegeven heb, die my zoo trouwlooslijk verlaten heeft, en die het schenden van eer en trouw als een beuzeling na de gewoonte van zyn Land (zoo als hy my zelfs gezegt heeft) achtede.”

Zy wierd den volgende morgen al heel vroeg met dit geschrift gevonden en het zelve wierd de Heer le Sage als hooft der Volkplanting bekent gemaakt. Deezen goede Heer was zeer over dit geval verlegen; terwyl de meeste der Inwoonders van het Vlek om wraak en straf tegen het breeken der Wetten van gastvryheid riepen. Hy liet daarom de voornaamste der Volkplanting vergaderen, om zig met dezelve te beraden hoe zig in deeze omstandigheid te gedragen. Zy waren alle eenparig van gedagten dat de Matroos straf verdient had; dat zy daarom den Schipper en de voornaamste van het Schip zouden zien te bewegen, dat zy hem aan haar overgaven om hem die straf te laten ondergaan, en zoo zy niet goetwillig wilde, dat men hem dan met gewelt zou zien te krygen.

Dit dan aldus besloten zijnde, lieten zy de Schipper en andere Officieren van het Schip by haar komen, en als doen de Heer le Sage het woord voerende, zeide tegens haar uit naam der gantsche Vergadering: dat dewijl ’er een matroos van haar Schip was die tegens de Wetten der gastvryheid een Maagd van de Volkplanting verleid had, en door schoone beloften van haar eer berooft; hy verzocht dat men de Matroos aan den raad overleverde, om hem na haar goeddunken de verdiende straf te doen erlangen. De Schipper en de andere Officieren stelden zig wel in het eerst daar tegen; met te zeggen, dat dewyl hy een Hollander en daar by een varentsgezel op een Hollands Schip was, het daarom de regtspleging in Holland daar zy na toe stevende toe quam, om hem zoo hy iets misdreven had te straffen, en dat zy om die reden niet welvoeglijk hem aan haarlieden kosten overgeven: maar de Heer le Sage en de raad bragten daar tegens in, dat dewijl het onder het gebied der Volkplanting geschiet was daar dit misdryf was gepleegt, het niet meer als billijk was, dat het in en door de magt van het zelve gestraft wiert; dat de misdadiger zyn leven niet zou behoeven te verliezen; maar dat zy hem een kastyding evenredig na zyn misdaad zoude doen ondergaan, om daar door de gemoederen der Volkplanting te stillen en een voorbeelt aan andere te geven om dezelve van diergelyke bedryven afteschrikken. Dat zy hem vervolgens weder op vrye voeten zouden stellen; op dat hy zyn verrigting als Matroos op het Schip weder zou kunnen oeffenen.

De Schipper en Officieren van het Schip bewilligden hier eindelijk toe, met dat beding, dat zy hem zelfs, als of het buiten haarlieder kennis was, zouden doen aanvatten; op dat zy van alle verdere onderzoekingen zouden bevryd zyn. Daar mede wierd ten eersten aan eenige der Volkplanting last gegeven, om hem te vatten; en dewyl hy zig op dien tyt niet op het Schip bevond, kosten zy hem gemakkelijk krygen. Hy wierd als doen in een zekere woning zeer naauw bewaard, tot dat zyn straf ter uitvoer wierd gebragt.

De Raad vergaderde doen weder, men besloot in dezelve dat al de Maagden van de Volkplanting boven de veertien Jaren, by malkanderen zouden vergaderen; dat zy zig in twee reien zoude scharen, gewapent met dunne en zwakke teenen, waar door de misdadiger met de naakte huit tien maal heen en weder zoude geleit worden, en hy op dusdanig een wys van ieder van haar een slag zoude krygen.

De tyt gekomen zynde, Vergaderde de Maagden en stelden zig in twee reien ieder met tien teenen gewapent. Het zelve geschiede in het open Velt; alwaar al het volk zoo van de Volkplanting, als van het Schip, om aanschouwers te wezen, vergadert waren. De Heer le Sage met de voornaamste des volks, die den raad uitmaakte, zaten op banken, gesteld voor den ingang der in twee ryen geschaarde maagden, en na dat de matroos wel geboeyd voor hem gebragt was, las hy dezelve zyn misdaad, en de straf die hy daar door verdiend had voor. Als hy dit verrigt had, wierd den misdadiger met het boven lyf naakt uitgekleed, en met de handen geboeid, door de gelederen geleyd. De maagden die al een redelijk getal uitmaakte, sloegen dapper toe; zoo dat het bloed zig wel haast met de striemen op zyn rug begonnen te vertoonen; terwijl de gramschap op haar aangezigt op een levendige wyze vertoonde; als wraak nemende over het schendig stuk dat hy aan een van haar staat en kunne bedreven had. Toen de straf dus ter uitvoer was gebragt, moest de matroos voor de Heer le Sage en den Raad verschynen, en dezelve bedanken voor haarlieder regtmatig vonnis: De Heer le Sage gaf hem doen nog een verstandige bestraffing, en daar mede wierd hy weder op vrye voeten gesteld.

De maagd die haar zelven van het leven berooft had, wierd statelijk begraven en de maagden die de straf aan haar belediger geoeffent hadden, gingen alle met een treurige vertoning agter het lijk. Dus nam dit treurspel een einde; ’t welk van grooter gevolg had kunnen wezen, indien de Heer le Sage en den Raad zig daar niet voorzigtig in gedragen hadden, en het volk op die wyze weder te vreden gesteld.

Na dat die van het Schip zig van haar geleden ongemakken herstelt hadden, en het Schip in die order gebragt, dat het weer in staat was zee te kunnen bouwen; maakten zig onze reizigers weder vaardig om aan boord te gaan.

Zy voorzagen zig van alle verversingen en benodigtheden, die zy maar kosten bekomen; ’t geen de Eilanders zeer mild aan haar uitdeelde. De Heer N.... en de voornaamste van het Schip bleven ook niet in gebreken, om aan de Heer le Sage en den Raad geschenken te geven, uit erkentenis voor haar genoten weldaden. Het afscheid was smertelijk, en de Heer le Sage met de Heer N.... zyn Vrouw en Dochter storte weg in tranen; maar Thomas was ’er nog wel het meest over aangedaan.

Men kost de Heer le Sage bezwaarlijk uit zyn armen rukken, zoo vast hield hy hem in dezelve besloten, en de hikken die hy gaf zonder een eenige traan te kunnen loozen, gaven genoegzaam zyn benepen hart te kennen. Eindelijk zyn hart zig door een vloed van tranen beginnende te ontlasten, en zyn mond die door zyn overmatige droefheit was gesloten geweest, zig nu wederom beginnende te openen, sprak hy hem op deeze wyze aan.

Myn waarde Heer, wat valt het my smertelijk u te moeten verlaten! Gy zyt naast God en de Heer N.... den genen die ik het meest verschuldigt ben. Gy hebt my daar ik als in den duistere voort wandelde, niet wetende welke weg ik verkiezen zoude; op den eenen en regten weg gebragt, daar ik met veiligheid op gaan kan. Wat ben ik u daar niet voor schuldig? Gewisselijk al moeste ik myn geheele levensloop u ten dienst staan, was ik zulks verpligt. Maar daar myn hart zoo bereid is om u ten dienst te staan, wil myn lot niet dat ik het volvoer: een scheiding die ons mogelijk voor altoos van malkanderen rukt, staat het my niet toe; ô hoe smertelijk valt my dit! Gewisselijk indien ik het niet liet om de Heer N.... en zyn Familie, die ik neffens u voor myn grootste vriend op den aardbodem erken, daar zou niets in staat zyn om my van u af te rukken, en ik zoude liever met u de uiterste behoeftigheit willen uitstaan als my na elders heen te begeven. Vaart wel dan myn Heer, ik wensch dat den Hemel u verder in uwen ouderdom ondersteunen zal, en ons nog eens weder te samen voegen; is het hier niet in dit tranendal, ten minsten in een ander en beter leven: daar ons geen wisselvalligheden meer zullen ontmoeten, om ons van malkanderen te scheiden; maar daar wy de vrugten van een volmaakte vriendschap zullen konnen genieten.

Daar op moesten zy hem als met geweld na de bood trekken, om na het Schip te brengen, terwijl de Heer N.... nogmaals de Heer le Sage bedankte en vaarwel zeide, met beloften dat wanneer hy in Holland zoude gekomen zyn, een gelegentheid zou zien te krygen, om met het een of ander Schip eenige goederen, die hy wel het meest nodig had, te bezorgen; en dus in vervolg van tyt correspondentie te samen houden.

Wanneer zy te samen in het Schip waren gekomen, kon Thomas nog niet nalaten van tranen te storten. Ach gelukkig Eiland! zeide hy, daar u inwoonders in haar handel en wandel met de bekentenis van haar geloof over een komen! Al zyn ’er geen schatten by u te vinden, of rykdommen te winnen, die dikwils meer tot ’s mensen verderf als voordeel strekken, houde ik u nogtans voor gelukkig. Uwe inwoonders bezitten de waare rykdom, ’t welk is de vergenoeging en de opregtheid van zeden; dit gevoegt by het geen de eenvoudige natuur tot vergelding van haar arbeid op u opgeeft, om haar van het noodzakelijke en zelfs het geen haar tot vermaak en verquikking verstrekken kan, te bezorgen, konnen hier wel by al de schatten van het oosten ophalen? Ach gelukkig Eiland! Vaart wel, hervatte hy nogmaals; ik zal u mogelijk nooit weder zien: maar u geheugenis zal my nogtans altyd in gedagten blyven.

Ondertusschen hadden de Schiplieden de Ankers opgeligt, en de Zeilen opgeheist om Zee te kiezen. Zy namen haar afscheit van de Eilanders nog met eenige Kanonschoten, en daar op zeilde zy voort en raakte spoedig uit het gezicht.

De Heer N.... gaf het de naam van het benevelde Eiland, en rekende de breete en lengte uit, waar op het zelve gelegen was; op dat de gene die hy ’er in het vervolg na toe wilde zenden, het zoude kunnen opdoen.

Zy hadden een heele goede reize en haar de wind dienende, kwamen zy behoude op de reede van Texel ten anker. Als doen de Heer N.... zyn Pakgoederen, die hy in het Schip had, daar uit hebbende laten ligten, vertrok hy met zyn Vrouw, Dogter, en Thomas na Amsterdam, en begaf zig in een Logement; om aldaar zig eenigen tyd op te houden, tot dat hy een beter gelegentheid zoude gekregen hebben.

Doe zy in Amsterdam gekomen waren, was Thomas zeer verwondert over die groote en pragt der Stad; de Dogter van de Heer N.... vergezeld met zyn Vrouw, Dogter, en Thomas, lieten niet na verscheide dagen na den anderen door de Stad te wandelen en aldaar al het merkwaardige te bezigtigen: doe zy dit nu eenige tyd gedaan hadden, vroeg de Heer N.... aan Thomas wat hem wel dagt wegens haar gelegentheid en of hy ook wel zin in dezelve had. Als ik u naar waarheid myn gevoelen zal zeggen, myn Heer zeide Thomas; zoo moet ik u te kennen geven, dat ik zeer verwondert ben over haar uytgestrektheyd, volkrykheid en pracht: maar dit neemt niet weg, dat het my (indien ik verkiezing had om te woonen waar ik wilde) hier veel te woelig zoude wezen; daar by dunkt my dat de lucht hier ook zeer zwaar en bedompt is, vervuld met zware en stinkende dampen, die uit de gragten komen. Wat dunkt u van de gewoontens en zeden der inwoonderen? vroeg hem de Heer N..... verder; daar is niet veel op te roemen antwoorde hem Thomas, niet dat ik zeggen wil dat ’er in het geheel geen eerlyke lieden in zouden weezen; maar ik heb ’er tot nog toe zoo wynig in gevonden, dat indien ik het niet om uwentwil was, ik wel zoude wenschen op staande voet by de Heer Le Sage op het benevelde Eyland te wezen, of in eenig ander oord des waarelds daar my de menschen, vriendelyk in haar zeden volmaakter zoude voorkomen. Wel zoo Thomas zeide de Heer N...., gy geeft geen al te groote lof van de inwoonders van Amsterdam, indien ’er al eenige onder zyn daar niet veel op te roemen valt; zoo zyn ’er evenwel dat heele brave lieden zyn, en daar men zig in vyligheid mag op vertrouwen: gy moet dan zeer ongelukkig zyn, tot nog toe de ergste getroffen te hebben; want anders zoud gy ’er op een andere wyze van oordeelen. Dit kan wel zoo wezen antwoorde Thomas; maar ik heb hier dog in het algemeen gevonden, dat de menschen zeer baatzugtig zyn, en dat zy zig van alle middelen bedienen om zig te verryken, dat zy weinig agting voor een eerlijk man hebben als hy geen geld heeft; maar weder in tegendeel voor iemand die middelen bezit, de grootste eerbied hebben; al is hy het onwaardigste schepsel dat ’er leeft.

Dit spruit uit de behoeftigheid, daar de meeste menschen in gedompeld leggen, hervatte de Heer N....; ’t welk veroorzaakt dat zy meer eerbied gebruiken voor iemand die ryk is, als voor den genen die niet bezit; want wat kan iemant die middelen nodig heeft door de eerlykheid van een ander gebetert worden, die zoo wel behoeftig is als hy? Daar hy in tegendeel van de overvloed eens ryke, al was hy ook de grootste schurk, nog eenig voordeel kan genieten, ’t welk zyn behoeftigheid kan te hulp komen.

Hier om myn goede Thomas beoordeelen wy ligtelijk iemand, die wy indien wy zyn omstandigheden wisten, zouden vryspreeken. Gelooft my myn vriend, de menschen zyn hier niet anders als in andere gedeeltens der waereld; maar de omstandigheden waar in zy zig bevinden, maken ’t onderscheid. De armoede en de behoeftigheden hebben iets verlijdelijks in zig, dat den mensch dikwils tot daden doet overgaan, die hem anders tegen de borst zouden stryden en hy is daar door zelfs wel genootzaakt om het te doen, al heeft hy ’er geen zin in. In Holland en voornamentlijk hier in Amsterdam is het duur teeren, en dewijl den een van den anderen leven moet, moeten zy zien hoe zy best aan de kost komen.

Gy moet dan evenwel met my toestemmen myn Heer zeide Thomas, dat een Land niet zeer te pryzen is, waar men zoo bezwaarlijk aan het nodige kan komen, en daar men om ’er aan te geraken zulke laagheden moet begaan? Ik voor my, ik wilde liever onder de wilden in de bosschen van Amerika leven, als my daar toe te begeeven.

Wel, wel; onder de wilden te leven zoude ook zoo vermakelijk niet weezen, zeide de Heer N...., zy plagen malkanderen alzo wel als de Europiane..... Dat is waar hervatte Thomas; maar dit is als zy als vyanden tegen malkanderen opstaan: Die geenen die onder een hooft hooren, beminnen en eeren malkanderen als Broeders, en staan malkanderen in haare behoeftigheden by. Gy hebt daar zelfs meenigmalen blyken van gezien onder de wilden te Surinamen, die men bokken gebynaamt heeft: hoe trouw en menschlievend dat zy voor malkanderen zyn en hoe zy malkanderen in benodigtheden de behulpzame hand bieden.

Onder ons Negers in Africa zoude even het zelve in zwang gaan; want wy kunnen ons ook met weinig behelpen, en zyn daarom zoo behoeftig niet als de Europianen: was die Koopmanschap in menschen daar niet ingedrongen; zoo dat de Ouders haar Kinderen dikwils niet ontzien te verkopen, en dus de allernaauwste banden, die de natuur te samen geknoopt had, verbreeken. Het is wel waar dat men in Europa zoo een uiterlijke handel in menschen niet bedryft; maar zoo als ik wel heb gehoord, hebben hier eenige zulke slimme vonden, om de menschen van het geen zy bezitten, te beroven; dat zy wel genootzaakt zyn zig zelven aan haar of andere over te geven, op zekere voorwaardens die zoo wel na slaverny zweemen, dat ’er niets anders als de naam aan ontbreekt.

De Heer N.... het woort opnemende, zeide. Dat gy tegens de Europianen en tegen de Hollanders zoo zyt vooringenomen, komt daar van daan, dat gy haar zeden en gewoontens nog niet gewent zyt; wanneer gy wat langer hier zult zyn geweest, zult gy ’er wel anders van oordeelen. Gy zult dan ondervinden hoe veel braver en eerlijke lieden hier gevonden worden, en het geen gy nu voor laagheden en verkeertheden aanziet, zal u als dan zeer regtmatig en billijk schynen.

Ik hoop die dag eens te beleven, antwoorde Thomas, maar ik wil wel bekennen dat ik tot nog toe, die regtmatigheid niet heb gevonde, en ik geloof dat ’er al heel wat tyt toe zal vereischt worden, om my daar van te overtuigen; maar laten wy het voor deeze reis daar by laten berusten myn Heer; dewijl ik met dat gelt dat gy my gegeven hebt, om Laken en voering tot een kleed voor my te kopen, heen zal gaan by een Winkelier, om te zien of ik het krygen kan. By wien zoude ik wel het beste te regt kunnen komen? hebt gy ook kennis aan een Lakenkoper daar ik my op zoude kunnen vertrouwen, dat hy my niet bedriegt? Daar zyn ’er hier verscheide in de Stad die voor eerlijke lieden te boek staan, antwoorde de Heer N...... Daar is ’er voornamentlijk een, dat een man is, die my wel bekend is, en die gy gerustelyk op zyn woord mag geloven; zegt hem, ik moet dat en dat hebben en laten hem begaan, en gy zult zien dat hy u wel zal handelen.

Dit diende ook wel zoo te wezen zeide Thomas; want ik heb weinig kennis van die Koopmanschap, en de Heer N..... gegroet hebbende, ging na het huis van die Lakenkoper. Hy daar komende, vond hem in zyn Winkel, en hem gegroet hebbende, zeide dat hy hem op zyn woort eenig Laken moest verkopen van die en die couleur; dewijl hy ’er weinig kennis van had, en dat hy het daarom op hem aan liet komen. Zeer wel myn vriend zeide de Lakenkoper, ik zal u zulke goede waar voor u geld leveren, dat gy ’er ten hoogste over zult voldaan zyn: en daar mede een oud verlegen stuk Laken krygende, dat half van de mot verteert en daar weinig wol op was, zeide; ziet daar myn vriend, daar hebt gy Laken dat zoo zagt als zyde is; ’t is wel waar dat het een weinig dun is; maar dat komt door zyn fynte: dit gelt het allernaaste zoo veel. Belief gy nu dat ik u daar van af snyde? Ik zoude het u raden; want gy zult nooit beter Laken voor zyn geld krygen.

De goede Thomas (om dat de Lakenkoper zoo in ernst scheen te spreeken) geloofde al het geen hy zeide. Myn Heer zeide hy; dewyl ik u op u woord geloof en u voor een eerlyk man aanzie: zoo wil ik u laten begaan; maar is dit de allernaaste prys? Geen penning minder antwoorde de Koopman. Als het dan zoo is zeide Thomas, sneid zoo veel ellen van het stuk af als ik tot een kleed nodig hebbe; t’welk de koopman gedaan hebbende, ging met de voering ook zoo te werk als hy met het laken had gedaan; gevende hem niet anders als het geen oud en verlegen was.

Als Thomas zyn gekogte goed betaalt had, groete hy de Koopman en ging na huis. T’huis komende liet hy de Heer N.... zien het geen hy gekogt had. Ik geloof dat ik wel te markt ben geweest zeide hy tegen dezelve, die Koopman heeft my verzekert dat’er geen beter Laken en Voering voor dat geld te krygen was.

De Heer N.... in plaats van het zoo goed te vinden, zag ’t tegendeel. Dat Laken en die Voering deugd niet, zeide hy; gy zyt ’er mede bedrogen: want het is verlegen en half van de mot opgevreeten.

Hoe kan dit weezen myn Heer antwoorde Thomas: gy zegt immers! dat het zoo een eerlyk man is die gy zoo wel kende? Dan ben ik in myn meening bedroogen geweest, hervatte de Heer N.... ik heb hem ’er altyd voor aangezien; maar nu zie ik dat ik daar in gemist heb. Met dit te bekennen dat gy kunt missen in uwe denkbeelden myn Heer; zult gy mogelyk nog eer van zin als ik veranderen over de eerlykheid en bestaanlykheid der Europianen, vervolgde Thomas; daar gy nu reeds weder een staaltje van ziet; want gy zult my niet kunnen wys maken, dat gy niet meer diergelyke staaltjes ondervonden hebt. Gaat haastig weder na de Lakenkoper toe zyde de Heer N.... en zegt dat hy u ander en beter goed of uw geld wederom geeft; t’welk Thomas doende, zyde tegen hem: myn Heer daar is u goed wederom, het deugd niet; gy hebt my bedrogen, ik moet ander en beter in de plaats hebben; of anders moet gy my myn geld wederom geven.

Zagt, zagt myn vriend, antwoorde de Koopman; wy geven zoo schielik geen ander goed, of het geld in de plaats: gy hebt het gekogt en af laten snyden. Ik zou het nu al wilde ik het, niet zonder myn schade wederom kunnen nemen; daarom is het te vergeefs, dat gy de moeyte gedaan hebt van wederom te komen: vermits ik ’er niet toe zal overgaan.

Niet toe overgaan! Myn Heer heeft evenwel belast dat ik het u zeggen zoude dat gy het wederom moest nemen, zeide Thomas. Wie is u Heer? vroeg de Koopman. Hy is de Heer N.... en hy is altyd van meening geweest dat gy een eerlijk man waart; antwoorde Thomas. Wel dat spyt my, zeide de Koopman dat ik dit niet geweten heb; ik zoude u als dan beter gestelt hebben, maar nu kan ik het onmogelijk doen; dewyl het reeds afgesneden is: op een ander tyt zal ik u beter helpen.

Dan hoor ik wel myn Heer, zeide Thomas, dat gy onderscheid maakt, wie dat goed by u komt kopen! Is het niet het zet zelve wie dit doed als de lieden u betalen? dit is geen brave lieden werk. Een Winkelier moet zig van het slegte zoo wel als van het goede weten te ontdoen, zeide de Koopman; want anders zoude hy daar mede blyven zitten, en reken eens wat schade hy als dan zig zoude doen? Dan moest hy het slegte goed voor slegt verkopen antwoorde Thomas, en laaten het slegt betalen; maar niet voor goed en duur; maar het gaat zoo met ulieden, dat als het met u belang overeenkomt, en gylieden een onkundige voor hebt gylieden daar niet van weet, om dien te bedriegen. Ik zal dan het goed maar weder mede nemen, dewyl het niet anders kan wezen; maar gy zult lang wagten eer ik wederom zal komen om ander te kopen. Hier mede vergramt weg gaande zonder hem goeden dag te zeggen, begaf zig weder by de Heer N.... die hoe zeer hy anders gebelgt was dat Thomas zoo bedrogen was; evenwel in zyn hart moest lachen, dat hy de Koopman zoo de waarheid gezeit had.

Gy diend ook wel een hoed en kousen te hebben, zeide de Heer N.... tegen Thomas; gaat by de Winkelier die daar woont; ik twyffel niet of gy zult daar zeer wel te regt komen; want dat is een man die niet alleen voor zeer eerlijk te boek staat; maar zelfs voor vroom: hy is in Kerkendienst, en derhalven is ’t niet te denken dat hy u bedriegen zal. Koopt daar dan een hoed en kousen van die prys. ’T is wel myn Heer; zeide Thomas ik ga u wil volbrengen: maar ik hoop niet dat gy weder in u meening mag bedrogen worden: en daar (na dat hy geld van de Heer N.... tot zyn Koopmanschap ontvangen had) begaf hy zig na het huis van den Winkelier.

Hy vond dezelve heel zediglijk gekleed voor zyn Toonbank in de Winkel zitten, en hem gezegd hebbende waarom hy kwam, verzogt hy hem dat hy trouwelyk daar in handelen zoude, want voegde hy ’er nog by, ik ben daar by een Lakenkoper geweest, die my zulk slegt Goed verkogt heeft dat het schande is; ik vertrouw van u dat gy my beter zult handelen: Ik agt dat het maar een weerelds mensch geweest is; die niet anders als zyn tydelijke belangens zoekt; maar van u gehoord hebbende, dat gy een goed Christen zyt en daar by in dienst van de Kerk, maak ik in het geheel geen zwarigheid my op u te vertrouwen.

De Winkelier doen met een styf en betrokken wezen hem aanziende, zeide; Myn vriend om een goed Christen te wezen dat heeft al veel in; want wy hebben hier dagelijks tegen zoo veel vyanden te stryden, dat het al wat te zeggen is dezelve te overwinnen: evenwel moet ik u zeggen dat het zeer gevaarlijk is, wil men niet bedrogen wezen, by iemand goed te kopen, die niet anders als wereldze inzigten heeft; want zoo een man maakt geen zwarigheid om de goede lieden te bedriegen en daarom zoude ik dezelve altoos raden van by deugtzame lieden te gaan; die zyn altyd met een klein winsje te vreden en daarom niet genegen om iemand te misleiden.

Zoo behoord het ook te weezen, zeide Thomas; maar laat my eens eenige Hoeden en Kousen zien. De Winkelier daar op eenige van dezelve gekregen hebbende, zogt ’er een Hoed en een paar Kousen uit, en hem dezelve toonende, zeide: ziet daar myn vriend, een Hoed en Kousen die ik u op myn woord verkoop; al waart gy een Eedelman behoefde gy u zelven niet te schamen om ze te dragen, en ik raad u daar aan.

Thomas daar op de Hoed nemende en dezelve ziende, dagt dat die wat hart en styf was, en daar by weinig voorzien van hair of wol; zeide daarom tegen de Winkelier het geen hy ’er van dagt: die daar op antwoorde. ô Myn vriend dat is niet met al! Dat hy u zoo voorkomt, is dat gy ’er zoo weinig kennis van hebt; die hardigheid en styfheid is niet anders, als dat de stoffagie zoo vast in malkanderen gewerkt is en dat hy zoo min wollig is, komt door zyn fynte. Thomas geloofde al het geen hy zeide; zettede daarom den Hoed op zyn hooft en bevindende dat dezelve hem paste, vroeg hoe veel geld hy daar voor hebben moest. De Winkelier hem daar op antwoordende zeide; als ik als een werelds mensch of die geen die niet anders als zyn tydelijke belangens behartigt, te werk ging, zoude ik daar twee Ducaten voor moeten hebben; maar dewyl ik met een gering winsje te vreeden ben, zult gy my maar zeven guldens daar voor geven. Is dit het allernaaste? Vroeg hem Thomas, geen duit minder myn vriend, antwoorde de Winkelier ik zou ’er zonde van maken dat ik iemand, overeischen zoude. ’T is wel zeide Thomas, en daar op ook een paar Kousen op de Winkelier zyn woord genomen hebbende, betaalde hy het een en andere. Onderwylen dat Thomas wagten moest tot dat de Hoed opgetoomt was, hadden zy nog eenige zeedige en stigtelijke gesprekken met malkanderen; daar op Thomas van de Winkelier afscheit nemende, begaf zig weder na huis.

De Heer N.... bezag het geen hy gekogt had, en de Hoed en Kousen kwamen hem redelijk wel voor. Wat zegt gy nu zeide hy tegen Thomas; blyft gy nu nog by u gevoelen, als of hier geen eerlijke lieden waren? Myn Heer zeide Thomas, ik heb niet gezeid dat ’er in het geheel geen eerlijke lieden hier zyn; maar wel dat ’er zeer weinige waren: Onder die weinige heb ik nu deeze man gevonden, dat waarlijk een goed Christen en een eerlijk man schynt te weezen. Daar op verhaalde hy hem wat stigtelijke redenvoeringen zy te samen gehad, en hoe hem de Winkelier had te verstaan gegeven, dat men nooit anders als by vroome lieden zyn goed diende te kopen, en de redenen waarom.

De Nademiddag wilde de Heer N.... een wandeling met Thomas door de Stad aan doen, en liet hem die nieuwe Kousen aantrekken en nieuwe Hoed opzetten.

Toen zy een weinig gewandelt hadden, wierden zy van een geweldige regenvlaag overvallen; zoo dat zy eer zy ergens gelegentheid hadden om te schuilen, reeds braaf nat waren geworden. Weder na haar verblyf te rug gekeert zynde, wilde Thomas zyn Hoed met de neusdoek afveegen: maar wat was hy verwondert, het geen hy eerst voor een glanzigheid en fynigheid aangezien had, nu te ondervinden dat het niet anders was als gom, ’t welk die styvigheid en hardigheid in het behandelen te weeg gebragt had, en die door de vogtigheid week zynde geworden, men ’er met een doek af konde vegen. Men kon doen ook bescheidentlijk zien dat het maar een oude Hoed was; die wat was opgemaakt en om die reden met de gom betreken. Na zyn Kousen ziende hoe of die zig al gehouden hadden, bevond hy dat aan een van dezelve die hy aan zyn regter been had, een gat van agter aan de kuit was gekomen zoo groot als een Hoender ey; ’t welk veroorzaakt was dat ’er behendig zoo een stuk ingelapt is geweest.

Daar hebt gy de eerlijkheid al weder van de Amsterdammers, zeide Thomas; dit bedrog is my nu geschiet van iemand die voor vroom te boek staat; wat zullen dan de anderen wel niet doen! Wat zegt gy nu myn Heer; blyft gy nog by u gevoelen? De Heer N.... kost ’er niet veel op antwoorden; dewyl hy het bedrog zag: hy trok alleenlijk zyn schouderen op en zeide, dat alschoon hy zag, dat ’er onder luiden die de naam van vroom en Christelijk hadden, ook bedriegers waren; hy daarom niet naliet te gelooven, dat ’er ook veel eerlijke lieden onder waren: dat ’er onder een mant met Appelen die ’er alle op het oog wel uitzagen, wel eenige kosten weezen die van binnen rot en aangestoken waren: maar dat daarom niet gezegt kost worden, dat de anderen niet goed waren: dat het met de menschen ook zoo gestelt was, waar van eenige in schyn de vroomheid en deugt nabootste: en daar door de lieden bedrogen; maar dat het zoo met alle niet gestelt was; dewyl men overal waare vroome vondt. Thomas daar en tegen bleef by zyn gevoelen, dat ’er in een Land waar de gewin en baatzugt zoo groot was, zeer weinige waare vroome en eerlijke lieden kosten gevonden worden.

Terwijl de Heer N.... zig met zyn Familie en Thomas zig daar ophielden, gebeurde het dat ’er iemand van zyn kennissen na Suriname zou vertrekken. Hy nam deeze gelegentheid waar om te zien of hy ook eenige goederen met een brief aan de Heer le Sage zoude kunnen zenden. Hy sprak daar over met die kennis en met de Schipper van het Schip, die hy een present beloofde, indien hy het voor hem wilde te werk stellen. De Schipper maakte daar eenige zwaarigheid in; maar het aanhouden van de Heer N.... die tegen hem zeide dat het in zyn weg was, die hy te bezeilen had, nam hy het op zig om het ter uitvoer te brengen. De Heer N.... gaf hem het plan der legging van het Eiland in handen, en bezorgde het goed, ’t geen zyn vriend mede zoude nemen, met volmagt dat zoo zy het Eiland niet kosten aandoen, hy het goed te Surinamen verkopen zoude, en hem ’er weder andere goederen of geld voor in de plaats zoude zenden.

De Brief welke hy aan de Heer le Sage mede gaf, behelsde zyn gelukkige aankomst in Holland, en voor al het goede aan hem en de zyne bewezen, zond hy aan zyn Ed. tot dankbetuiging, het nevensgaande present, en verzogt, dat hy hem met een Lettertje wilde vereeren; om eenige kondschap van hem te verkrygen, en besloot met een wensch van des Hemels Zegen over zyn Ed. Persoon, en de geheele Volkplanting.

De Heer N.... hier mede bezig zynde, nam Thomas deeze geleegentheid waar, om een brief aan de Heer le Sage te schryven; dezelve was van dezen inhoud.

Aan de Heer le Sage; myn waarde weldoender en Vriend.

“Indien de menschen zig doorgaans schuldig maken aan ondankbaarheid; met de weldaden die zy van iemand, waar van zy verwydert zyn, ontfangen hebben, uit haar geheugen te bannen, zoude ik my zelven indien ik deeze gelegentheid voorby liet gaan, schuldig maken. Weet dan myn Heer dat u goetheden aan my bewezen, nog niet vergeten zyn en uwe weldaden zoo lang in myn gedagten zullen blyven als ’er adem in my is. Mogt ik het geluk hebben van uw mondelijk daar nogmaals voor te bedanken, wat zou my dit een genoegen geven! Maar dewyl den Hemel dit niet toelaat en wy van een zyn, zoo kan ik het niet anders als schriftelyk doen. Neemt dan de wil voor de daad, en verbeeld u een Persoon die met u zedelessen bezwangert, dezelve hier heel wel nodig heeft, om zig daar mede te wapenen, tegen zoo veel aanvallen en verleidingen waar mede zyn gemoed in dit land bestormt word. Een land zeg ik waar in men zoo weinig waare vroome en eerlijke lieden vind, dat zoo my uwe waarschouwingen en vermaaningen niet te hulp kwamen, ik groot gevaar zoude loopen van in myn oude twyfelary te vallen, alles word hier aan de baatzugt en aan het gewin opgeoffert; zelfs die geenen die de naam van vroom voeren, ontzien niet zig daar aan te vergrypen: denkt dan eens hoe het met andere gestelt is, die zig weinig met zulk een naam bekreunen. Dit doet my geduurig om u Eiland denken, waar in de menschen sober levende en even ryk zynde, die baatzugt geen plaats heeft, en waar in de ware trouw en liefde na de regelen des Geloofs die zy belyden, geoeffent word.

“Gelukkig Eiland daar men geen twee Heeren te gelyk dient, te weten God en het Geld; maar daar men met zyn lot te vreeden, de goederen gebruikt zoo als het behoort, zonder daar zyn hart aan te hangen en daar men stervende van afscheid, zonder zig zelven daar over te bedroeven! Gelukkig Eiland daar men van al die slimme vonden niet weet, om malkanderen te bederven, die men wel op andere plaatzen gewaar word, en waar door men groot gevaar loopt zyn ziel te verliezen! Maar ik zoude om het Eiland denkende u wel vergeten, myn Heer, ik bedanke uw nogmaals voor het goede aan my gedaan en smeeke den Hemel dat hy het u wil vergelden, dat hy u in uwen hogen ouderdom met zyn kragt wil ondersteunen, en u hier namaals eens deelgenoot wil maken van een beter leven als dit is; ’T welk van harten wenscht

Uwen Onderdanige en Dankschuldige Dienaar

THOMAS.”

Deeze Brief geschreeven en verzegelt hebbende, gaf hy die aan de Heer N.... die haar in de zyne sloot en aan zyn Vriend ter hand stelde, om aan de Heer le Sage over te geven. Het Schip vertrok en de Heer N.... kreeg geen tyding voor dat een half jaar verstreken was. Zyn Vriend zond de Brieven wederom, en schreef ’er by; dat zy op die hoogte gekomen zynde, waar het Eiland moest leggen, wel een zware nevel gezien hadden; dat zy ’er zig ook in begeven hadden; maar dat de Schipper niet durvende zig langer daar in betrouwen, het Schip had laten wenden en zig daar uit begeven had; dat zy gezond en wel te Suriname aangekomen waren, en dat hy de goederen verkopen zoude en hem andere in de plaats zenden.

Dit smerte de Heer N.... geweldig en Thomas was ’er zeer over aangedaan; dewijl zy daar door alle hoop verloren, van ooit tyding van het Eiland en van de Heer le Sage te vernemen; want zyn Vriend had ook nog by het geene gezegt is geschreven, dat hy hem rade geen moeite daar omtrent meer te doen; alzoo ’er niemand zoude wezen, die het zou willen te werk stellen en een Land zoude zoeken aan te doen; daar het zoo gevaarlijk was om by te komen. Dit deed hem ’er dan voor altoos van afzien.

In al dien tusschen tyd viel ’er niets aanmerkelijks voor met Thomas; als dat hy meer diergelyke gevalletjes van bedrog, zoo als wy ’er reeds twee gemeld hebben, ondervonden had; ’t welk hem nog meer in zyn gevoele versterkte, dat ’er weinig eerlijke en deugtzame lieden waren. Onder anderen was hem ’er een ontmoet, ’t geen nog wel verdient aangetekent te worden.

De Heer N.... had een huis te Amsterdam gehuurd; hy hield Thomas meer voor gezelschap en voor zyn Vriend, als wel voor zyn Dienaar by zig; en gaf hem derhalven de vryheid om te gaan waar hy wilde. Thomas had daar door Verscheide kennissen gekreegen, die hy wel eens ging bezoeken. Hy eens op een avond aan het huis van dezelve wezende, en daar wat laat blyvende, begaf zig om half twaalf na huis.

Onderweg ontmoete hem twee Vrouwlieden, die hem vroegen of hy met haar lieden meede wilde gaan om zyn vermaak met haar te nemen. Thomas die geen lust tot diergelijke spelletjes had, zeide, dat hy daar niet toe genegen was en dat zy hem daarom met vrede zoude laten gaan; maar in plaats dat haar dit zoude weerhouden, deeden zy hem aan en hielden hem staande, zeggende dat zy hem niet los zoude laten of hy zoude met haar mede gaan. Thomas had een goede rotting by zig en wilde haar daarmede van het lyf weeren; maar in plaats dat zy daar door zoude zyn verschrikt geworden, begosten zy een leven te maaken en om hulp te schreeuwen; als of ’er iemand was geweest die haar eenig leed wilde doen.

De Ratelwagt quam op dit geschreeuw terstont toeschieten; die de Vrouwlieden daar op die wyze met Thomas bezig vindende, deeze tegen haar zeide, dat hy haarlieden gewelt wilde doen, zy vielen hem ten eersten op het lyf, pakte hem aan, en zeiden; dat hy zig aan haar over moest geven of dat zy anders gewelt zouden gebruiken. Wat zoude Thomas doen? Zig te verweeren was voor hem niet raatzaam, ook waren zy gewapent en met haar beiden. Die deed hem de zagtste weg verkiezen en haar verzoeken dat zy hem zyn weg zouden laten vervolgen; want dat hy in het geheel niet van zin geweest was die Vrouwlieden eenig kwaat te doen: maar dat zy hem in tegendeel aangedaan hadden. Dit mogt niet helpen: zy namen hem tusschen beide in en sleepte hem tegens zyn wil en dank mede: terwyl de Vrouwlieden het hazepad kozen.

Thomas was in de grootste vrees des werelts; dewyl hy niet wist wat een uiteinde dit spel zoude nemen: hy borst daarom in dier benaauwtheid al gaande in deze droevige klagten uit: ô gelukkig Eiland! Was ik heden in u; zoo zoude my dit kwaad niet overkomen en ik zoude bevryd zyn van een overlast daar ik my thans in bevinde. Gelukkig Eiland! Daar het bederf en de zeden van een ander, de onschuldige niet in verwert en de goede voor de kwade niet behoeven te lyden.

De Ratelwagts hem zoo over dit Eiland hoorende roepen, vroegen hem wat of hy daar mede meende en wat dat voor een Eiland was; wy zyn hier in Amsterdam zeide zy, wat hebben wy met de Eilanden te doen? Maar vervolgden zy wyder, wy zien dat gy zoo bevreest zyt; hebt gy ook geld by u? Om wat reden vraagt gy dat? zeide Thomas. Om als gy ons van het zelve wat wilt geven, wy u los zullen laten. Hoe veel moet gy wel hebben? vroeg Thomas. Als gy een Ducaat wilt geeven, zullen wy u laten gaan antwoorde zy. Thomas een klein Goudbeursje, ’t geen hy by zig had, uit den zak halende, nam daar een Ducaat uit en gaf ze haar. Zy lieten hem daar op heen gaan, terwyl hy haar hoorde zeggen, dat zoo zy geweten hadden dat hy zoo veel Geld by zig gehad had, hy daar zoo gemakkelijk niet zoude afgekomen zyn.

Thomas was verblyd dat hy vry was, en daar zoo goetkoop was afgekomen, en spoede zig zoo haastig als hy konde om t’huis te zyn. Als hy daar gekomen was, was de Heer N.... nog niet te bed gegaan en vond dat die met ongelegentheid hem zat te wagten. Hoe blyft gy zoo lang uit Thomas, vroeg hy hem, waar zyt gy zoo lang geweest? of is u iets ontmoet dat u zoo lang opgehouden heeft? Want ik ben zulks van u niet gewent.

Al weder een staaltje van de Eerlijkheid en het goed gedrag dat men hier ontmoet; antwoorde Thomas, en daar op de Heer N.... verhalende ’t geen hem ontmoet was; verwonderde die zig zeer.

Gy zyt daar gelukkig afgekomen zeide de Heer N.... gy zoud ’er door in hegtenis hebben kunnen raken, en dan zoud gy ’er mogelijk zonder klederen te scheuren niet zyn afgekomen; want wie zou hebben kunnen getuigen of gy onschuldig was of niet? Als het daar al op aangekomen was zeide Thomas, zou myn goed geweten wel voor my gepleit hebben, waar door ik my vrymoedig by den Rechter zou hebben kunnen verantwoorden. Ja maar die vrymoedigheid voldoet by den Rechter niet; zeide de Heer N.... daar moeten goede bewyzen en getuigen zyn, of het zoude weinig baten; want de grootste schurk heeft dikwils de grootste vrypostigheid; daar een eerlijk man al is hy onschuldig, zulks niet heeft. Dan is zoo een onschuldige wel te beklagen hervatte Thomas, die in diergelyke omstandigheden is als ik ben geweest. Dit is zoo zeide de Heer N.... en ik rade u daarom voorzigtiger te weezen en vroeger t’ huis te komen. ô Gelukkig Eiland! Riep Thomas uit; daar men des nachts zoo veilig is als by den dag, en daar men in geen omstandigheden word ingewikkeld, die zoo gevaarlijk in haar gevolgen zyn. Daar op ging de Heer N.... en Thomas zig ter rust te begeven.

Hy had die nagt het zeer ongerust: zodanig lag hem dit geval nog in zyn hoofd te malen. Wat zekerheid kan men hier hebben zeide hy in zig zelven om gerust te leven, na dien men zelfs bloot staat van misdaden betigt, en daar om gestraft te worden, daar men nooyt om gedagt heeft. Ach! Zeide hy; waar staat een mensch niet al voor bloot en wat heeft hy dog in zyn leven te wagten? Dewyl het goed en kwaad zodanig onder malkanderen vermengt is. Dus mymerende viel hy eindelyk in slaap dog in plaats van hem te verkwikken, maakte die hem eer nog ongeruster.

Hy droomde dat hy overstraat gaande, twee vegtende persoonen ontmoete, die malkanderen met groote messen te keer gingen. Hy verbeelde zig ’er in aller haast na toe te spoeden om dezelve te schyden; maar wanneer hy daar digt by was gekomen, scheen een van de twee een steek te krygen die doodelyk was: waar op den anderen het mes latende vallen, de vlugt nam. Hy verbeelde zig daar op na den gekwetsten toe te schieten, om hem in zyn armen te ondersteunen, die daar in den geest gaf, juist als daar eenige lieden die op zyn kermen uit haar huisen kwamen lopen, hem in die toestand vonden; in de armen van Thomas den geest gevende. Thomas verbeelde zig dat zy hem voor den dader van het feit aanziende, hem voor een moordenaar uitscholden dat hy zyn onschuld te kennen gaf en terwyl hy hier mede bezig was, kwamen de dienaren van het geregt aan en bragte hem in hegtenis.

Hy droomde vervolgens dat hy voor den Regter moest verschynen, daar hy zyn onschuld aan te kennen gaf; maar dat hy geen bewyzen by kunnende brengen van zyn onschult, op de getuigenissen die de luiden van hem gaven, van den zelven veroordeelt wierd om onthoofd te worden. Hy verbeelde zig na dat hy eerst eenige Jammerklagten uitgeboezemd had, op een schavot te verschynen; maar hy wierd op het ogenblik wakker van schrik, als hy zig verbeelde dat de scherpregter toe zoude slaan. Hy sprong zelfs van schrik overeinde, en kon in langen tyd zig niet tot bedaren brengen; tot dat den dag aankomende, hy opstond om zig door het leezen in een goed boek een wynig te veranderen; dewyl de Heer N.... nog geen een van het huisgezin was opgestaan.

Het eerste dat hy by de hand vond, was een bybel dewelke hy opslaande, de Prediker van salomon in het oog kreeg, en dewyl dit een boek is t’ welk de ydelheden van den Mensch, zyn handel en wandel op een levendige wyze voorsteld; zoo kon hy dit op zig zelven zeer wel toepassen, wegens het geval dat hy des nagts gehad had, en de droom die daar op gevolgt was. Het vyftiende vers van het zevende hoofdstuk gaf voornamelijk een groote indruk op zyn gemoed, als hy las “Dit al hebbe ik gezien in de dagen myner ydelheyd: daar is een rechtvaerdige, die in zyne gerechtigheyt omme komt: daar en tegen is ’er een godloze die in zyne boosheit (zyne dagen) verlengt.” Ach! Riep hy uit; hier leer ik uit dat zelfs de Deugd niet vry is van vervolgingen en dat de godloosheid in tegendeel ongestraft blyft.

Onder het lezen was de Heer N.... en zyn huisgezin opgestaan. Hy ging dezelve goede morgen zeggen: maar deeze vond zyn weezen zodanig betrokken en onsteld dat hy wel kon merken wat ’er in zyn hart omging. Hoe ziet gy ’er zoo uit Thomas zyde hy; zyt gy niet wel, of heeft de schrik van de voornagt u nog bevangen? Daar op verhaalde Thomas hem de ongeruste nagt, die hy gehad had, en zyne droom, dat hy was opgestaan en de prediker opslaande eenige spreuken daar in had gevonden, die hem zeer aangedaan hadden. Onder andere bragt hy het zoo evengemelde vers by, ’t geen hem het meest getroffen had.

Wat wil dit nu alles zeggen? vroeg hem de Heer N.... Thomas antwoorde; dat dit zoo zynde, men in het geheel nergens meer staat op kan maken; dewyl Deugd en ondeugd even gelijk bloot staan voor goed en kwaad. Wel is u dan de wyze onderrigting van de Heer le Sage zoo vergeeten? Vroeg hem de Heer N.... dat men hier op deze weereld op de uitkomsten der menschelijke verrigtingen niet moest zien; maar dat men een ander en beter leven te verwagten had, waar Deugd en ondeugd op een regtmatige wyze zullen beloond en gestraft worden. Salomon, vervolgde hy wyders, zegt immers zelfs op het einde van zyn Prediker, “van alles dat gehoord is, is het einde van de zaak; Vreest God, ende houd zyne geboden; want dit (betaamt) alle menschen. Want God zal ieder werk in het Gerigte brengen, met al dat verborgen is, ’t zy goed, of ’t zy kwaad,” wat wil hy hier anders mede te kennen geeven als dit: Stoor u niet aan de verborge wegen die God in zyn voorzienigheid in dit leven houd: het moet u in tegendeel aanleiding geeven, om aan een ander als dit is te geloven; want God kan dog niet anders als een God van order wezen. ’T is derhalven billijk dat men hem vreest en ontziet, dewyl hy te zyner tyd een iegelijk; na het gene hy verdient heeft, vergelden zal.

Hier mede Thomas een weinig tevreden gestelt hebbende, gingen de Heer N.... en hy te samen ontbyten. Maar de liefde die tot nog toe dit huisgezin met vrede had gelaten, kost eindelijk niet nalaten het zelve een weinig te verstooren, en hy daar toe bekwame voorwerpen vindende om zyn rol te speelen, stelde hy het dus te werk.

De Dogter van de Heer N.... die Agnes genaamt was, had al voor eenige tyd de ouderdom bereikt, dat de Liefde bekwaam was haar hart in te nemen; zy was al negentien jaren; Maar eer wy iets verder van haar melden, zullen wy eerst haar gedaante en hoedanigheden beschryven.

Zy was middelmatig van postuur, blank van vel, een weinig aan de geele kant, door dien zy onder een warm Climaat geboren was: had levendige blaauwe oogen, een gelaat dat zeer regelmatig was, blond hair en was tanger van lighaam, behalven een minnelijke goedaardigheid en openhartigheid, bezat zy ook een goed oordeel, een levendigheid van geest; maar het geen wel het voornaamste was, een liefde tot de Deugd en tot het eerlijke.

Al deze schoone hoedanigheden, gevoegt by een lichaam ’t welk fraai was, waren wel waardig bemind te worden; maar dewijl ’er geen zyn geweest die de zelve gewaar wierden, was zy tot nog toe zonder aanzoek gebleven, en het scheen dat de liefde haar hart zelfs eerst vermeesteren wilde, eer dat hy dat van een ander over haar beminnelijkheden innam.

Zy had al overlang de goede hoedanigheden, die Thomas bezat in aanmerking genomen; maar her was tot nog toe niets meer als een bloote beschouwing geweest die haare agting voor hem ingeboezemt had: thans wilde haar noodlot het anders en veranderde dezelve in een liefde, die om haare byzonderheid veelen wonderlijk voor zal komen; maar die nogtans wegens haar oorzaak zeer regtschapen was; dewyl haar beider harten met liefde tot de Deugd bezield wezende, niet anders als overeenstemmende gevoelens kost veroorzaken.

Haar Liefde was van een andere natuur als dezelve gemeenlijk is, die maar op de uiterlijke schoonheid en gestalte der voorwerpen ziet; de haare was verhevener en betragte meer de schoonheid en hoedanigheid der Ziel, waar meede haar gelieft voorwerp bezield was.

De zwartheid van Thomas belette niet, dat hy van Mejuffrouw Agnes bemind wierd; Maar op wat voor een wyze hem dit bekent gemaakt? Dit was voor haar een groote zwarigheid en scheen tegen de eerbaarheid van een Jonge Dogter te stryden: wat weg dan te verkiezen om tot haar oogmerk te komen? Hier mede zig eenige tyd ophoudende om te denken, vorderde zy daar weinig mede. De wonde die zy overal met haar omvoerde, diende genezen te worden! De Liefde eindelijk op de maagdelijke schaamte ’t winnende, besloot zy hem haar hart te openbaren en hem haar genegentheid bekent te maken.

Zy nam de gelegentheid waar als hy alleen by haar was. Zy maakte in den beginne eerst een onverschillig praatje met hem, daar na op het stuk van liefde met hem vallende, vroeg zy hem hoe dat het kwam dat hy niet en trouwde. Ik Mejuffrouw! zeide Thomas, wie zou my dog willen hebben? Het was goed als hier eenige Negerinnen waren, daar mogt ’er nog een onder wezen die my tot haar man nam; maar geen blanke zal my daar toe nemen. Hoe weet gy dat zeide Agnes, dewijl gy het nog nooit iemand gevraagt hebt; maar zoo het u eens voorkwam dat de een of andere Jonge dogter liefde voor u had, en het u te kennen gaf zoud gy dezelve dan wel afslaan? Het kost ’er na wezen antwoorde Thomas: maar ik geloof niet dat my dit ligt gebeuren zal. Wel als ik dan eens zyde dat ik u beminde, hoe zoud gy u daar in houden vroeg Agnes. Ik zoude denken dat gy met my spotte, antwoorde Thomas; want ik ben veel te onwaardig om van u bemind te worden. Daar op Agnes hem met een aangezigt ’t welk rood was van schaamte en een bevende stem, die haar vreeze te kennen gaf, aanspreekende, deed zy het op de volgende wyze.

Hoor Thomas zeide zy alhoewel het my weinig voegd een Manspersoon zelfs aan te spreeken; zoo weet ik dog dat gy al te bescheiden zyt om ’er u roem op te dragen, of my daarom te verdenken. Myn Liefde is gegrond op de reden en op deugd, en daarom schaam ik my niet dezelve te openbaren, aan u die ’er het voorwerp van zyt. Uwe hoedanigheden zyn my bekent. Dewyl ik daar veel genoegen in neem, is het dat gy myn hart gewonnen hebt; verwerp dan die Liefde niet die ik voor dezelve heb; en maak my en u gelukkig met u daar aan over te geven. Ik geeve u eenige tyd tot bedenking, en verwagt eerlang een voldoenend antwoort van u; Daar op uit schaamte heenen gaande zonder na antwoort te wagten, liet zy Thomas in de grootste verwondering des werelts alleen.

Thomas met aandagt toegeluistert hebbende toen zy hem haar Liefde had verklaart, was ’er zodanig door verrukt, dat hy een wyl tyds als van zinnen berooft was; wie zoude ooit gedagt hebben dat my zulks zoude te vooren komen, ik my bemind van Juffrouw Agnes! Een Maagd zonder weerga, en die al de hoedanigheden bezit die een braave Juffer passen, daar by een eenige Dogter van Ouders die ryk zyn; ik kan het bezwaarlijk gelooven. Maar myn ooren hebben het zelfs gehoort, en myn oogen de ontroering in haar wezen gezien, die ’er in haar hart omging! maar wat gedaan in zulk een omstandigheid? Myn hart zou haar wel willen believen; maar de achting en eerbied die ik voor haar ouders schuldig ben, weerhouden my. Wat dan gedaan zeg ik nog eens. Het best is my by haar Vader te vervoegen, en hem de zaak te openbaren; vind hy het goed, dan is het meer als al te wel, en vind hy het kwalyk, dan is het beter dat ik my na zyn zin schik, als een man te bedroeven daar ik zoo veel aan verpligt ben.

Met deeze gedagten begaf hy zig by de Heer N.... en als hy gelegentheid gekreegen had om hem alleen te spreeken, sprak hy hem aldus aan. Myn Heer zeide hy, ik moet u iets bekend maken, daar gy u ten hoogsten over zult verwonderen; maar ik bid u verleen my een weinig uw aandagt, want gy zyt zoo naauw in de omstandigheid der zaak betrokken, dat gy het ten hoogste nodig zult hebben.

Wat is het dan Thomas, vroeg de Heer N.... ik ben nieuwsgierig het zelve te weeten, gy kunt ten vollen van myn inschikkelykheid verzekert zyn. Myn Heer zeide hy, u Dogter is op een Persoon verlieft, die het gantsch niet waardig is, en dit kom ik u openbaren, op dat zoo het niet na u genoegen mogt weezen, gy het by tyds beletten kunt. Myn Dogter verlieft op een onwaardig Persoon! Dat kan ik niet gelooven, zeide de Heer N.... En wie is die Persoon vervolgde hy wyder, kent gy hem ook? Zoo goed als my zelve, antwoorde Thomas. Zoo goed als u zelve, hervatte de Heer N....; maar laat my dog niet langer in verwerring beduid hem my zoo gy wilt.

Myn Heer zeide Thomas, ik ben die onwaardige Persoon, zy heeft het my zelve te kennen gegeeven en my daar over in de grootste verwondering gelaten. Niet wetende hoe my ’t best hier in te gedragen, heb ik gedagt het u bekent te maken; op dat ik daar door my zelve kwytende van het geen ik aan u verpligt ben; gy u besluit daar over zoud kunnen nemen, en my zeggen of het met of tegen u zin is; want ik wilde liever van al de voordeelen des Werelds afzien als u te mishagen.

Gy doet als een braaf man behoort te doen, zeide de Heer N.... maar dewijl dit een zaak is die zeer teder is, zoo wort ’er wel eenige tyd vereischt om my daar over te beraden.

De Heer N.... verhaalde de zaak aan zyn Vrouw om zig met dezelve daar over te beraden; deeze vond de zaak zoo zonderling dat zy niet weiniger daar over verwondert was als haar man.

Zy namen in den beginne daar geen al te groote genoegen in. ’T is waar zy waren van de Deugden en goede hoedanigheden van Thomas wel overtuigt; maar het dagt haarlieden niet wel te voegen, dat een Neger met een blanke Dogter trouwen zoude: daar by geen middelen bezittende, hadden zy liever een Persoon voor haar Dogter gehad, die wat meerder daar mede gezegend was.

Na lang beraadslaagt te hebben wat zy het best in dit geval zouden doen; besloten zy haar Dogter daar over te spreken, om te zien of zy de genegentheid die zy voor Thomas opgevat had, niet uit haar hooft zouden kunnen praten.

Ondertusschen viel ’er nog iets voor, ’t welk zeer veel schade aan de Liefde die Mejuffrouw Agnes voor Thomas opgevat had, zoude kunnen veroorzaakt hebben.

Ziet hier wat van de zaak was.

Daar liet zig een Jong Heer by myn Heer en Mevrouw N.... aanmelden, met verzoek om dezelve te spreeken; vermits hy een zaak van belang te zeggen had. Dit wierd hem ten eersten toegestaan, te meer wyl het een goed Vriend en kennis van de Heer N.... en zyn Familie was. Hy was een Jongman van goede huize, van tydelijke middelen rykelijk gezegent; dewyl zyn Ouderen gestorven zynde, hem als eenigste Erfgenaam van aanzienlijke goederen nagelaten hadden. Hy was deugtzaam van levensgedrag en fraai van gestalte.

Deeze Jonge Heer dan gehoor by myn Heer en Mevrouw N.... gekregen hebbende, verzogt de vryheid te mogen hebben, van over haar Dogter te verkeeren; vermits hy genegentheid voor haar gekreegen had. Zy bedankte hem voor de eer die hy haar aandeed, en sloegen het geensins af; maar verzogten eenige tyd om zig daar over te beraden. Hy was hier mede te vreeden en na nog over eenige onverschillige zaken gesproken te hebben, nam hy van haar afscheid.

Dit geval gaf nog meer aandrang voor Myn Heer en Mevrouw N.... om haar Dogter aan te spreeken. Zy lieten dezelve by haar komen, en gaven haar eerst het zoo evengemelde te kennen, zonder van Thomas te spreeken, en droegen dezelve zoo voordeelig aan haar voor, dat zy wel merken konde dat haar Ouders zeer met hem waren ingenomen. Dit trof haar zoo geweldig en ontroerde haar; dat zy in plaats van te antwoorden, op zyde van haar Stoel neerzeeg, en als een witte doek verbleekte. Dit deed haar Ouders toeschieten, terwijl Mevrouw N.... haar een welriekend Watertje onder de neus hield, om van haar flauwte te doen bykomen. Wat is het myn kind zeiden zy, (toen zy een weinig by gekomen was) tegen haar, dat gy u op dusdanig een wyze ontroert? Spreekt vryelijk uit; want wy zoeken u niet in u genegentheit te dwingen, en indien gy geen zin in de Persoon hebt die wy u voordragen, zoo hebt gy het maar te zeggen.

Myn Waarde Ouders, zeide Agnes al zugtende, met een flaauwe stem, weet dat ik niet meer meester van my zelven ben, en dat ik reets myn hart aan een ander geschonken heb, daar ik meede hoop te leven en te sterven, als gy het gelieft toe te staan; en zoo niet, heb ik voorgenomen my nooit in den echten staat te begeeven, met wien het ook zoude mogen wezen. Wie is dan die geen daar gy u hart aan hebt geschonken, vroeg Myn Heer en Mevrouw N.... als zig houdende of zy ’er niets van wisten: het is Thomas antwoorde Agnes, die ik om zyn Deugden bemin. Ik wil een man hebben die liefde voor de waarheid en Deugd heeft, daar by eenvoudig en opregt, en dit alles heb ik in Thomas gevonden. Van zoo een man die zulke goede hoedanigheden bezit, kan ik liefde en trouw verwagten, heel anders als van sommigen, die haar meeste bequaamheid bestaat in veinzery en arglistigheid, en daar door de menschen meede weten in te nemen; zoo lang, tot dat zy dezelve in haar magt hebben: als dan openbaren zy haar bozen aart eerst regt, en die geenen die zig aan haar hebben overgegeven, worden gewaar op wien zy zig betrouwt hebben.

Agnes! zeide de Heer N.... u verkiezing voor zoo ver gy op Deugd en eerlykheid ziet, is goed en pryselijk: maar dat dezelve op een Persoon als Thomas gevallen is, dit komt my wat zonderling voor. Een Neger van een blanke Juffer bemind! Wie zou dit kunnen geloven? Thomas is daar by een Persoon die behoeftig is; het geen hy bezit, heeft hy van my, en ik heb hem van de slaverny vry gemaakt: gy in tegendeel zyt een Juffrouw van fatzoen en van middelen, of ten minsten hebt gy dezelve na ons Dood te wagten; zoo dat alles wel ingezien zynde, een groote ongelijkheid tusschen u beide plaats heeft. Ik zoude u daarom raden die gedagten uit u hooft te zetten, en dat gy liever een ander met u min begunstigde, die beter met u staat overeen komt en een blanke is, gelyk gy.

Wat zyn zwartheid aangaat Vader, zeide Agnes; ik bemin hem niet om zyn couleur; maar om zyn Deugd, en wat zyn behoeftigheid betreft; het zelve schrikt my gantsch niet af hem lief te hebben: Die deugtzaam is, is ryk; hier kunnen geen schatten van het Oosten tegen ophalen: daar by zyt gy van tydelijke middelen zoo gezegent, dat gy wel in staat zyt, om ons het nodige te verschaffen; en wat wil men meer begeeren? ’t Is beter een weinig met genoegen te bezitten, als veel, met ongenoegen, en daarom mijn waarde Ouders ik smeke u staat het my toe.

Myn Heer en Mevrouw N.... zagen wel dat ’er geen verandering van zin in Agnes te krygen was, de goede hoedanigheden die Thomas bezat, waren haar wel bekent; maar om reden hier boven verhaald, maakten zy veel zwarigheid, om haar toestemming daar in te geven. Eindelijk de liefde voor haar Dogter de overhand op de zwarigheden die zy over haar verkiezing hadden krygende, zeide zy tegen haar. Waarde Dogter gy zyt het eenigste pand van onze liefde, wy zoeken daarom het beste tot uwe behoudenis, en al wat u tot een waar genoegen verstrekken kan. Dewijl wy nu zien dat gy niet te verzetten zyt; zoo willen wy u de vryheid laten in een keuze waar het geluk of ongeluk van u gansche leven in vervolg van tyd van afhangt: maar bemind Thomas u wel weder, of hebt gy ooit eenige blijken van liefde in hem tot u kunnen bespeuren?

Doe verhaalde Mejuffrouw Agnes aan haar Vader en Moeder, hoe zy zelfs haar liefde aan Thomas geopenbaart, en hem eenige tyd tot bedenking daar op gegeven had. Wy zullen op staande voet zien wat hy daar op zal zeggen zeide de Heer N...., en daar op Thomas hebbende doen roepen, quam dezelve in het vertrek daar Myn Heer en Mevrouw N.... met haar Dogter waren. Wel Thomas zeide daar op de Heer N.... hebt gy u nu al eens bedagt over het geen myn Dogter aan u voorgeslagen heeft? Thomas ontroerde zig over deze vraag, en vroeg wat hy daar mede meende. Hoor zeide de Heer N.... dewijl het my ten vollen bekend is de liefde die myn Dogter voor u heeft; zoo is myn begeerte dat gy u daar over ten eersten verklaart, of gy myn Schoonzoon zoud willen worden, en die liefde die myn Dogter voor u heeft, met een gelijke liefde zoud willen beantwoorden. Wat zegt gy hier op spreek......

Myn Heer zeide Thomas daar op tegens de Heer N.... ik zoude het ondankbaarste schepzel wezen, dat ’er in de gansche wereld was; indien ik een aanbieding afsloeg die mij de gelukkigste van alle stervelingen kan maken. Na eerst zoo veel goedheden van u ontfangen te hebben, die ik met duyzend levens niet kan betalen, doet gy my nog de eer, om my te vragen of ik u Schoonzoon zou willen weezen, daar duizenden van vry wat meer verdiensten als ik wel na zouden tragten. Hier op zig voor de voeten van Mejuffrouw Agnes werpende, zeide hy Mijn Waarde Agnes, die u jonge en teder hart aan my opgedragen heeft, en my daar door de gelukkigste mensch maakt die ’er op de weereld is, ik neem u aanbieding aan, ontfangt daar op mijn hart en hand, tot pand voor mijn gegeven woord, en zyt verzekert, dat zoo lang als ’er adem in my zal zyn, ik u getrouwe man zal wezen.

Mejuffrouw Agnes regte hem doe op, waar op zy malkanderen omhelsden. Vervolgens verrigte hy het zelve met Myn Heer en Mevrouw N...., die hem als haar toekomende Schoonzoon begroete. Na verloop van een korten tijd trouwden zy te samen, en daar wierden niet als zeer weinige goede vrienden van beide kanten op het trouwmaal genodigt.

Het geschiede zonder eenige uiterlyke pragt; maar dit kon dog niet beletten, dat ’er veele waren die ’er weinig goeds van spraaken. Het quam de Wereld wonderlijk ’voor dat een man die onder een van de fatzoenlijke lieden kon gerekent worden, zyn Dogter liet trouwen met een Neger, die voor dezen zyn slaaf was geweest; maar de Heer N.... redeneerde daar anders by zig zelven over, die wel wetende dat alle menschen een en dezelve oorspronk hebbende, de geboorte of de uiterlijke omstandigheden daar geen verandering in konden brengen; maar dat de goede hoedanigheden die iemand van natuur bezat, hem eer boven zyn evenmensch verheffen. Hy bevond ook in vervolg van tyd, dat hy zig over dit Huwelijk niet behoefde te beklagen, vermits onze Jonge Lieden zoo veel liefde voor malkanderen betoonden.

Onze Jonge Lieden bleven by Myn Heer en Mevrouw N... inwoonen; dewelke een Buitenplaats huurden, waar op zy zig te samen met ’er woon begaven; dewijl zy de vryheid beminnende, dezelve beeter in de ruime Lugt vinden konden. Haar Huwelijk wierd met eenige Kinderen gezegend.

EYNDE.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings