← Table of contents
Een vriendelijke morgenstond; De ganzenkoopman van Neurenberg

LEVE DE KONINGIN.

J. H. Bok translation

Een Engelschman zat reeds een half uur in een hoek van een koffiehuis in een Duitsch dorpje op een tandmeester te wachten; hij beet zich de tanden op elkander van ongeduld, want een dezer veroorzaakte hem geweldige pijn. Eensklaps trad er een pruikenmaker binnen en zette zich bij hem aan tafel neder. Het duurde niet lang of deze wilde een aardigheid hebben. Hij verbeeldde zich, dat de Engelschman niet heel vernuftig en daarbij een vreemdeling in het land was. Hij begon met hem een lang gesprek, waarop de Engelschman niet veel antwoord gaf. Hij hemelde Frankrijk hoog op, vertelde, dat het een buitengewoon rijk land was, en dat men een best paard hebben moest, wilde men het in drie en een half jaar doorrijden. Hij prees den koning en de koningin en riep: „Op hun gezondheid wil ik met u drinken!” Toen zij met elkander geklonken hadden, verscheurde de pruikenmaker de manchetten van zijn overhemd en zeide: „Leve de koningin! Gentleman, gij moet ook uw manchetten verscheuren op het welzijn van de koningin; ik heb ze ook verscheurd.”

„Loop heen,” riep de Engelschman, „gij hebt zeker een papieren overhemd. Het mijne is nieuw en komt pas van de naaister.”

De pruikenmaker herhaalde: „Mijnheer, ik versta geen tegenspraak, nogmaals verzoek ik u: verscheur uwe manchetten, of wij zullen vechten op leven of dood!” Wilde de Engelschman onaangenaamheden voorkomen, dan was hij genoodzaakt zijn manchetten te verscheuren. Hij voldeed aan het verlangen van den pruikenmaker en werd daarna zeer spraakzaam. Hij vertelde veel over Engeland en Londen, over den grooten kerktoren, en dat men buitengewoon goede oogen hebben moest, wilde men op de klok van den toren zien hoe laat het was. Hij vertelde altijd door, totdat eindelijk de tandmeester kwam. Toen de tandmeester binnen trad, en vroeg wat de vreemdeling van hem wilde, zeide de Engelschman: „Haal mij dien tand uit den mond, de derde, op het welzijn van de koningin van Engeland! Mijnheer,” zeide hij tot den pruikenmaker, „gij blijft daar zitten en verroer u niet.”—Toen de tand getrokken was, zeide hij tegen den tandmeester: „Wees nu zoo goed en trek dezen heer ook den derden tand uit, op het welzijn van de koningin. Goede vriend,” vervolgde hij tot den pruikenmaker, „ik heb er mij een laten uittrekken, dus, gij moet dit insgelijks laten doen.”—Nu maakte de pruikenmaker geen gekheid, hij kreeg een kleur tot achter de ooren en riep: „Die zaak staat niet gelijk. Ziedaar, uw tand is hol, er kan wel een konijn door; de mijne zijn alle gaaf en ik kan er wel een breinaald mede doorbijten, ja, als gij wilt, zult gij zien dat ik er een geldstuk mede doorbijt,” doch de Engelschman luisterde niet naar deze redeneering. „Mijnheer,” antwoordde hij, „ik versta geen tegenspraak. Nogmaals: gij laat u de derde tand uittrekken, of wij vechten op leven of dood en ik doorboor u met dezen degen, totdat de punt in de deur steekt!” Toen dacht de pruikenmaker: „een tand—een leven—ik heb te huis negen kinderen, dus liever een tand missen.” Hij ging hierop bedaard zitten en liet zich een tand trekken.

De pruikenmaker en de Engelschman verlieten als goede vrienden het koffiehuis.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings