← Table of contents
Een vriendelijke morgenstond; De ganzenkoopman van Neurenberg

DE HERSTELDE ZIEKE.

J. H. Bok translation

Rijke menschen hebben dikwerf, niettegenstaande zij veel geld bezitten, met vele kwalen te doen, waarvan de arme menschen geen begrip hebben. Want het zijn kwalen, die niet in de lucht zitten, maar in de vette schotels en gevulde glazen, in de zachte bedden en in de gemakkelijke stoelen. Zeker Amsterdammer wist daar alles van; den ganschen voormiddag zat hij gemakkelijk in zijn leuningstoel en rookte zijn pijp, als hij er niet te lui toe was, of zat door de glazen naar buiten te staren; des middags at hij zooveel als twee gewone menschen. Den geheelen namiddag besteedde hij met eten; nu koude, dan warme spijzen, niet omdat hij honger had, maar alleen uit tijdverdrijf. Dit hield hij vol tot des avonds, zoodat men eigenlijk niet bepalen kon wanneer zijn middagmaal afgeloopen of zijn avondmaal begonnen was. Als het laatste eindelijk afgeloopen was, vleidde hij zich ter ruste en was zoo vermoeid, alsof hij geheele dagen steenen gestapeld of hout gedragen had. Door deze levenswijze kreeg hij zoo'n dik lichaam, dat hij zich niet bewegen kon. Eindelijk had hij geen lust meer in eten en kon niet slapen; hij gevoelde zich niet goed en was wel niet ziek, maar ook niet gezond. Als men hem sprak, dan had hij 365 kwalen; iederen dag had hij iets anders dat hem kwelde. Hij riep den raad in van alle doktoren, die in Amsterdam waren. Hij slikte alle drankjes, poeders en pillen, waardoor hij den bijnaam kreeg van de wandelende apotheek. Het baatte hem echter niets, want hij volgde den raad niet op, die de geneesheeren hem gaven.

„Wat baat mij al mijn rijkdom,” klaagde hij, „als ik een leven slijten moet als een hond; de geneesheeren willen mij voor geld niet beter maken.”

Eindelijk hoorde hij, dat er, honderd uren van Amsterdam verwijderd, een geneesheer woonde, die dusdanige kranken volmaakt genezen kon. In dezen man stelde hij vertrouwen en beschreef hem zijn toestand. De geneesheer begreep terstond aan welke kwaal hij lijdende was, en dat geen geneesmiddelen, maar matigheid en beweging hem herstellen moesten. Hij schreef hem daarom een brief van den volgenden inhoud:

Beste vriend!

Gij verkeert in een gevaarlijken toestand, maar als gij mijn raad wilt opvolgen, zult gij herstellen. Gij hebt in uw ingewanden een gevaarlijk dier, een lintworm met zeven bekken; dit beest moet ik zelf in bedwang brengen en daarom moet gij bij mij komen.

Maar in de eerste plaats moet ik uw melden: gij moogt niet rijden of varen, maar moet loopende hier heen komen, want anders zou het dier met zijn zeven bekken, even zoo vele darmen beschadigen.

Ten tweede moet gij niet meer eten dan tweemaal daags een bordje groenten, des middags met een stukje vleesch en des avonds met een ei; verder, als gij opstaat, moogt ge een kop bouillon drinken. Eet gij meer, dan wordt de lintworm dagelijks grooter en drukt u de lever in.

Ziehier mijn raad, en als gij dien niet opvolgt, zult gij het volgende jaar de koekoek niet meer hooren. Doet nu wat gij wilt.

Toen de zieke dit vonnis gelezen had, liet hij den volgenden morgen zijn schoenen poetsen en begaf zich volgens het voorschrift van den dokter op weg.

Den eersten dag kroop hij zoo langzaam over den weg, dat een slak hem wel had kunnen bijhouden. Hij was niet in staat de voorbijgangers te groeten of voor een worm te wijken.

Den tweeden en derden dag kwam het hem voor dat de vogels liefelijker zongen dan vroeger, de dauw vond hij zoo aangenaam, de koornbloemen zoo prachtig rood, de menschen, die hem tegen kwamen, waren vroolijker en zelf gevoelde hij zich opgewekter.

Iederen morgen, als hij zijn logement verliet, vond hij de natuur schooner, en ging het wandelen gemakkelijker. En toen hij den achttienden dag ontwaakte in de stad waar de geneesheer woonde, was hij zoo volmaakt gezond, dat hij tegen zich zelve zeide: „Nu had ik toch nooit op ongelegener tijd zoo gezond kunnen zijn, als op het oogenblik dat ik bij den geneesheer zal komen. Als er nu maar iets was dat niet goed was; had ik nu maar pijn in het lijf of in het hoofd, maar ik ben volmaakt gezond.”

Toen hij bij den geneesheer kwam, nam deze hem bij de hand en zeide: „Vertel mij nu eens breedvoerig wat u scheelt.”

De zieke antwoordde: „Mijnheer de dokter, mij mankeert niets; als gij zoo gezond zijt als ik dan hebt gij redenen om tevreden te zijn.”

De geneesheer antwoordde: „Gij hebt wijs gehandeld met mijn raad op te volgen. De lintworm bestaat niet meer, maar zij heeft haar eieren nog achtergelaten; daarom moet gij weder te voet naar huis gaan, en dagelijks een uur lang hout zagen, zonder dat iemand het ziet en niet meer eten dan hoog noodig is, want anders ontwikkelen de eieren zich. Als gij op die manier leeft, kunt gij oud worden.”

De rijke vreemdeling antwoordde: „Ik begrijp u, dokter, gij hebt mij een goede les gegeven.”

Hij volgde den raad en stierf op 87jarigen leeftijd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings