HOOFDSTUK IV.
Reading edition
Van Hier en Daar.
(Nà 30 April 1909.)
„Ligt ons Juliaantje nu in onze wieg, Mama?” zoo begon Dora aan de thee.
„Neen, Dora; Koningin Emma liet de wieg, waarin onze Koningin zelve lag, in orde maken en die moet door het Prinsesje het eerst gebruikt worden.”
„Is die nog mooier dan de Amsterdamsche, Mama?” vroeg Lize thans.
„Naar wat 'k in de courant las is die wieg heel deugdelijk, heel gepast in een paleis, maar eenvoudiger en daardoor zeker beter geschikt voor alledaagsch gebruik. En dan is het zulk een lieve gedachte, dat Mama en Grootmama 't kleintje in de wieg zien, waarbij Koning Willem III zoo gaarne stond om naar zijn eenig dochtertje te kijken.”
„Dat zal je wel aan het rechte eind hebben, Amélie,” veronderstelde mijnheer; „Prins Hendrik heeft althans net gedaan bij de aangifte van dit Prinsesje als Z. M. bij die van het Zijne.”
„Zoo? Hoe dan, Henk?”
„Na Hr. Ms. geboorte, toen de officiëele personen voor de aangifte ten paleize in het Noord-Einde gekomen waren, liet de Koning het Prinsesje binnenbrengen en zei: „Mijne Heeren, u ziet dat ze er wezenlijk is;” en zelf nam daarop Z. M. het kindje in Zijn arm om het den ministers te toonen. Gisteren nadat de wethouder de Wilde met den chef van den burgerlijken stand Meys en de beide ministers, als getuigen in de zaal waren aangekomen, verscheen Z. K. H. de Prins vergezeld van Jhr. van Suchtelen.
Z. K. H. drukte ieder der vier heeren de hand zeggende: „Ik ben toch zoo hartelijk verheugd.” Onmiddellijk daarop werd de Prinses binnengedragen door een verpleegster. De Prins toonde Haar eerst aan den wethouder, daarna aan de getuigen. Een blozend kindje, goed van gewicht was de indruk.
De heer Meys las de geboorteacte voor en die werd vervolgens geteekend. De heer de Wilde vroeg verlof nog iets te mogen zeggen en sprak ongeveer 't volgende. „Hij rekende het eene hooge eere voor den burgerlijken stand van 's Gravenhage om in zijne registers te mogen zien aangeteekend het vorstelijk kind, zoo lang door het Nederlandsche volk verbeid. Hij hoopte, dat dit vorstelijke kind tot in lengte van dagen onder de levenden in de registers van den burgerlijken stand blijve aangeteekend, tot vreugd van het Koninklijk Huis, tot heil en zegen van het dierbaar Vaderland.”
De Prins-Vader dankte den Wethouder met een handdruk; waarna de heeren vertrokken.”
„Wel hoe alleraardigst en hartelijk ging dat toe; staat het letterlijk zoo in de courant?”
„Ja, Mama,” sprak Ida die over Papa's schouder medelas, „en als 't Prinsesje gedoopt wordt mogen wij drieën in Den Haag bij Grootmama komen.”
„Is 't echt waar, Ida?” riepen Lize en Dora tegelijk uit.
„Vraag het Mademoiselle maar, Grootmama heeft 't haar gevraagd en zij gaat mee, niet waar, Mademoiselle?”
„Dat is weer een meisjesgenot, die verzuimen maar, als ze 't goedvinden!” klaagde Louis.
„En H. B. S.-jongens gaan het den burgemeester vragen,” plaagde Jet.
„Neen, de Handels- en Machinistenschool zijn op het stadhuis geweest, wij niet;” bracht Jan fier in, die in zijn eerste jaar van Hoogerburgerschap was.
„In Dusseldorf woei den 30n de Hollandsche driekleur, Papa! In Pruisen moet zoo iets aangevraagd worden; de daar wonende Nederlanders hadden al lang geleden permissie gevraagd en gekregen. Op de Noordzee wist men het groote nieuws eer dan in Amsterdam.”
„Kom Gustaaf! geen studentenmopjes, welke „men” is dat? De kabeljauwen mogelijk?” vroeg Mevrouw.
„Mama, het is volle ernst. De Batavier, een stoomschip, kreeg een Marconi-bericht, heesch oogenblikkelijk de groote vlag en al de seinvlaggetjes volgden. De Hollanders jubelden, de Engelschen, verbeeldt je, de Engelschen! drukten hun het eerst de hand en wenschten hen geluk, „Wilhelmus” en „Wien Neerlands bloed” weerklonken, toen de boot aan den Hoek van Holland binnen liep, waar, evenals op de Maas alle booten floten.”
„Weet je nog wat bijzonders, Guus?” klinkt het uit alle jonge monden.
„De stationschef in Haarlem liet een locomotief heen en weer rijden om knalsignalen te geven. In Berlijn (trouwens dat is overal zoo in 't buitenland) eten ze geen muisjes bij geboortefeest of doopmaal, ze kennen ze niet eens! De Berlijnsche vereeniging „Nederland en Oranje” laat ze bakken, in mooie zakjes doen, met oranjelintjes toegestrikt en aan alle te Berlijn wonende Nederlanders uitdeelen. Als ik jelui van de feestelijkheden in ons land vertellen moet, die al plaats hadden, en op 10 Mei zullen wezen, wel dan zit ik van avond om 10 uur hier nog. Maar iets aardigs las ik, aan Prins Hendrik een dag of wat geleden overkomen. Iemand vroeg een der verslaggevers van de groote bladen (ze logeerden in „De Zalm” achter het paleis Noord-Einde): „Is het niet vervelend zoo aanhoudend voor schildwacht te spelen?” „Niet zoo vervelend als u denkt, men ziet en hoort van allerlei en 2 uur is dan gauw om. Zoo bijv. gisterenmorgen. U weet misschien, dat aan het Hof de goede, voorvaderlijke gewoonte nog stand houdt: Vroeg op en vroeg naar bed.”—„Wat noemt u vroeg?”—„Wel om 7 uur ziet men Z. K. H. in dezen tijd van het jaar in eenvoudige burgerkleeding uitgaan voor een loopje. Gisterenochtend dan, komt de Prins in het Noord-Einde met een pijp in den mond. Een werkman stapt op Z. K. H. toe met een: „Vuur, asjeblieft meheer?” De Prins heeft blijkbaar schik, dat hij niet herkend wordt, doet even een flinken trek en houdt zijn pijp aan den onbekende voor en vraagt, terwijl die een goeden haal doet: „Gaat het?” „Opperbest meneer!” en daarop: „Dank je wel menheer!” met een tik aan zijn pet. „Tot je dienst,” van den Prins, die glimlachend verder gaat.””
Allen lachen en de zusters vragen natuurlijk: „Weet je nog meer, Guus?” beantwoord met een „Voor van avond genoeg.”
„Mama, hoe gelukkig zullen de Koninginnen nu wel zijn! en zeker denkt de Koningin aan al die mooie geschenken, die de menschen stuurden, omdat zij zoo blij waren, dat er een kindje kwam; dunkt u niet, dat de Koningin nu dubbel blij is met alles en met onze wieg?”
„Doraatje, als ik de Koningin goed begrijp, dan is H. M. het blijdst met dat lieve dotje in de wieg en daarna over alle arme menschjes en kindertjes, die van alles krijgen door de geboorte van haar lieverdje!”
„Ik begrijp u niet, Mama.”
„Vraag dan eens wat Jetje van mijn woorden verstaat,” zegt haar moeder.
„Toen de menschen veel geld verzamelden om uit liefde en vreugde rijke geschenken te koopen, vroeg de Koningin hun dit niet te doen; maar als de menschen dit verzoek onaangenaam vonden, daar ze zoo heel graag het kindje wilden verrassen, dan zou het, dacht de Koningin het heerlijkste wezen, de meeste gelden voor arme of ongelukkige kindertjes of zieke moeders te gebruiken.”
„Deelt nu de Koningin alle dagen melk en eieren uit en laat de keukenmeid bouillon en soep koken, Jet?”
Gelukkig voorkwam Mama's wenk een algemeene lachbui, en Dora keek haar zuster zoo ernstig aan, dat zij van de onderdrukte vroolijkheid niets merkte.
„Neen, Dora,” zei de oudste zus, die door eerst een kopje thee te drinken haar ernst behield; „dat zou te druk voor H. M. wezen; je weet wel die heeft altijd zooveel te lezen en te schrijven, alle dagen uren lang; maar de dames hebben met die guldens, rijksdaalders en tientjes net gedaan wat Papa met het geld doet, dat jij van je Peettante op je verjaardag en met Nieuwjaar krijgt, weet je dat kleintje?”
„O, ja, heel goed, het wordt weggeborgen in de brandkast en Papa teekent het op in een boekje en dan wordt het altijd meer en meer. Lach me niet uit Jan, Papa heeft het zoo gezegd, en als ik dan groot ben en ga trouwen, evenals Jet, dan ga ik voor al dat geld met mijn man op reis.”
Niemand kon nu zijn lachen inhouden, tot Mijnheer vroeg: „Hoe kom je aan zoo'n plan Dora?”
„Ik heb het Mama aan Jet hooren vertellen; u en Mama hebben het ook gedaan.”
„Kleine potten hebben ook ooren, Henk!”
„Jet, vertel me verder van al die guldens.”
„De Nederlandsche dames in Londen zorgen voor een arme juffrouw of kind, dat voor gezondheid naar zee moet. Alle jaren één, weet je. Van de baronie van Breda kreeg 't Prinsesje een gouden speld om haar boezelaartje vast te steken; voor al het andere geld zullen ze voor zieke kleintjes zorgen. Andere steden of provincies laten zwakke kinderen naar vacantiekolonies gaan of bouwen een kinder-ziekenhuis zooals er hier in Amsterdam een is. En de dames van de kolonels en generaals laten overal vragen, welke onderofficieren op 30 April ook een kindje kregen, en dan krijgt zulk een kindje een spaarbankboekje zooals jij hebt; dat bewaart de vader dan tot 't groot is. In Antwerpen zullen ze zorgen voor arme moeders, die kleintjes hebben en zooals jij zegt, daarom alle dagen melk, eieren en soep krijgen. Heb ik het je goed uitgelegd, en kan je het Zondag je poppenfamilie oververtellen, Dora?”
„Heel best en ik vind het mooi en lief van de Koningin en al die menschen. Is er van onze wieg geld overgebleven, Mama?”
„Ik weet het niet, kleine vraagster, wel weet ik nog iets heel liefs. Herinner jullie je nog die aardige luiermandjes van den winter op de bazar? zulke luiermandjes heeft de Koningin ten geschenke gekregen om uit Haar naam te sturen aan behoeftige moeders, die op denzelfden dag een klein kindje krijgen. De meisjes van de Vakschool in Den Haag hebben er voor genaaid en gebreid en er was veel en van alles in; Grootmama schreef mij: „Ze zien er keurig fijn uit.””
„Kom, Papa! vertel ons ook eens iets, dat Mama of de grooten niet weten;” opperde Lize.
„Ondeugd, denk je dat je Papa tijd heeft om evenals Gustaaf nieuwtjes in de couranten op te snorren?”
„O, u weet wat, u weet wat, anders zei u geen ondeugd!” riep Ida uit.
„Ida, met welk schip heeft de Koningin Paul Kruger laten afhalen?”
„Met de Gelderland, Papa!”
„Ferm zoo. Diezelfde Gelderland kwam vandaag aan de ree te Willemstad en werd van den top van den mast tot de waterlinie electrisch verlicht.”
„Heeft Willemstad een ree, Papa?”
„Zeker Louis, het is de hoofdstad van Curaçao waarvan ik spreek; de Curaçaosche dames zonden een doop- of draagkleed in 'n mahoniehouten kistje, en in Bonairiaansch geelhout staat op het deksel:
Kolonie Curaçao 1909.
Van binnen is het kistje met licht blauw satijn gevoerd; heb ik dat niet mooi onthouden?
„Ik vind het merkwaardig,” ging Mijnheer voort, „dat de koloniën zoo vol belangstelling medeleven met 't Moederland. De gouverneur van Suriname stelde f 1000 ter beschikking voor feestelijkheden en die van Curaçao f 500 en er werd bij bepaald, dat het Lazarushuis van St. Eustatius daarin ook moest deelen.”
„Wat is dat voor een huis, Henk?”
„Een gesticht voor melaatschen, die arme ongeneeslijken worden daar liefdevol verpleegd.”
„Hoe treffend dat aan armen en ongelukkigen en zulke beklagelijke menschen gedacht wordt, omdat 't heele volk zich verheugt! 't Is toch maar een zegen om in een Christenland te wonen;” besloot Mevrouw. „Hier zullen we geen bijzondere feesten hebben vóór dat ons lief Prinsesje in Amsterdam komt; dus zullen we Dora nu naar bed zenden en moeten allen met haar leeren wachten en geduld oefenen tot April 1910!”
De Zomermaand bracht heerlijke dagen, en Dora, gelukkig niet ongesteld, zag een hartewensch bevredigd, toen zij bij Grootmama met Mademoiselle en de zussen, vertoevende, zag hoe de grootmeesteres in de koets het Koninklijke wichtje ophief om het aan de saamgestroomde, wachtende menigte te toonen; toen ons Prinsesje naar de Willemskerk gereden werd, om aldaar het teeken van den Heiligen Doop te ontvangen; dezelfde kerk, waarin onze Koningin ook gedoopt werd.
Wel aanschouwde de kleine meid niets van de pracht ten toon gespreid in de ambtsgewaden van alle grootwaardigheidsbekleeders, die als genoodigden of vertegenwoordigers hunner souvereinen daar bijeen waren; maar naar dàt schouwspel ging haar kinderhart niet uit.
Te gretiger luisterde zij naar het verhaal bij Grootmoeder aan tafel. Onder plechtig gezang kwamen H.H. M.M. en Z.K.H. de kerk binnen, en namen, als gewone menschen, plaats op de stoelenrij tegenover den preekstoel. Slechts met groen (zonder bloemen) uit H. M.'s park afkomstig was de kerk stemmig voor de plechtigheid versierd.
Dr. Gerretsen, waarnemend hofprediker, preekte op uitnemende wijze. Z. W. E. W. las het geheele doopsformulier met de beide gebeden, en plechtig weerklonken de namen onzer geliefde Prinses: Juliana, Louise, Maria, Emma, Wilhelmina, vóór de Naam des Drieëenigen werd uitgesproken. Als elk kind, zonder titulatuur werd het Vorstelijke wichtje als dooplid bij de Kerk gevoegd. God vervulle in Zijn genade de gezongen zegenbede van Psalm 134 vers 3.
H. M. hield het Prinsesje al dien tijd in Haar armen; daarna kuste H. M. het lieve Kindje en hield het daartoe ook den Prins-Gemaal voor. Toen pas werd de Prinses met hetzelfde ceremoniëel weggedragen, als Zij gekomen was.
Gustaaf, voor dien Zaterdag, 5 Juni, overgewipt naar de Hofstad, kwam de meisjes halen; hij had haar een plaatsje bereid, van waar ze H.H. M.M. en Z. K. H. het paleis konden zien binnengaan bij de terugkomst uit de kerk.
Aan het gejubel scheen geen einde te komen, toen de dierbare Vorstin, aan den arm van Haar Gemaal, voor de vensters verscheen; het begon opnieuw toen Koningin Emma Haar Kleindochtertje toonde aan de verheugde schare, en ten teeken van groetenis het lieve, kleine handje ophief.
„Heerlijkjes Guus, eenig lief van je,” zei Doraatje met een omhelzing. „Heb jij het ook goed gezien?”
„Met jou op zijn hoofd, hoe kon hij dan zelf zien?” riep Lize uit.
Een nieuwe omhelzing en liefkoozingen, als ware hij nog een kleine jongen, beloonde den grooten broer voor zijn zelfverloochening.
Het Zondagsch koffieuurtje bracht bij den ouden Gladschaaf alle kinderen om de tafel, en het Prinsesje er op zooals het zeggen luidt. Over niets anders liep het gesprek dan over de doopplechtigheid die plaats had gegrepen, over wat daarbij gesproken en voorgevallen was.
Moeder Gladschaaf was maar innig dankbaar, zeide zij, dat de lieve Moeder gelukkig bewaard was geworden, toen de paarden schrikten, „het is al acht dagen geleden, we kunnen nu hopen, dat H.M. en het Kleintje er geen gevolgen van ondervonden,” voegde zij er bij.
Nog een oogenblikje luisteren we aan de koffietafel. „Vader,” aldus Maria, „was u niet blij, dat Dr. Gerretsen van Juliana van Stolberg sprak, de vrome moeder van den eenigen Willem I. „Zonder Juliana van Stolberg geen Prins Willem van Oranje; zonder Willem van Oranje geen vrijheidsoorlog; zonder vrijheidsoorlog geen vrijheid; zonder vrijheid geen Nederland!” zoo stond het in de courant. En die vrijheidsoorlog in de dagen van den Prins, was om vrijheid van godsdienst, zei de Prins niet: „Liever dijken en dammen doorgestoken, de molens in vlam gezet en op schepen aan gene zijde der zee een nieuw vaderland gezocht, dan Gods Woord opgeofferd.” Kijk me niet hoofdschuddend aan Fer! het is zóó, al was het maar een plan om het volk in de bangste jaren voor vertwijfelen te bewaren. Alles opgeven, alles verzaken, behalve het Woord Gods dat was en bleef 's Prinsen leuze na 1572. Heeft Filips zelfs niet eens bij langdurige vredesonderhandelingen den Prins aangeboden, Oranje alle bezittingen buiten de Nederlanden gelegen terug te geven, zijn voor ons gemaakte schulden te betalen en.... Filips Willem de vrijheid te schenken, als de Prins zijn handen maar van de oproerlingen (zei hij) aftrok, hun noch raad, noch bijstand schonk. En hij, Willem van Oranje, had zelfs zijn zoon niet liever dan de verdrukten in dit land; o, ja! Prins Willem was zijner vrome moeder waardig!”—„Zeg liever kind: Op dezen prins kunnen we het woord van Jezus niet toepassen: „Die zoon of dochter lief heeft boven Mij, is mijns niet waardig. Gode daarvoor de eere!”...
„Moge onder de trouwe leiding van onze Koningin, Haar Prinselijken Gemaal, Haar vrome Moeder, onze jonge Prinses opwassen in oprechte godsvrucht; worde Haar naam eens met eere genoemd onder die vele vrome vorstinnen, waaraan 't Oranjehuis steeds zoo rijk is geweest!”




