← Table of contents
Een verheugd volk en een jubelende stad

HOOFDSTUK II.

Reading edition

Van enkele Huldeblijken.

„Mama, Grootmama noodigt Ida en mij te logeeren, om haar 70en verjaardag te helpen vieren;” aldus Gustaaf met een brief in zijn hand. „Zet u maar geen ernstig gezicht over die 3 of 4 dagen verzuim van de lessen; zij bleef den heelen winter wel; zij miste er geen een. Grootmama zal haar meenemen om de Haagsche wieg te gaan zien.”

„Mama, niet eerst aan Mademoiselle vragen, laat Guus dadelijk Grootmama berichten, dat zij komen; Ida zal zóó verrukt ophooren: Eenig, eenig! zal ze juichen; zeg nu gauw ja, Moedertje!” zoo pleitte de oudste dochter.

En Ida juichte, toen ze aan de thee vernam van het ongedachte uitstapje; al kostte het Mevrouw en den twee grooten eenige moeite, toch zwegen ze van de wieg, om zelven later temeer van Ida's opgetogenheid te genieten.

Gezellig zaten Ida en Gustaaf in Grootmama's ouderwetsche, doch huiselijke zitkamer met haar aan de thee en spraken over het ontmoeten der vele bloedverwanten, die den vorigen dag ter eere van den 70en verjaardag gekomen waren. Allen, kleinkinderen, kinderen niet het minst, verheugden, zich over den welstand der oude mevrouw, die lang niet altijd een kalm leventje had geleid, en toch nog zoo kras mocht heeten.

„Grootmama, heeft u heusch 11 kinderen gehad? Ik kan niet meer dan 7 ooms en tantes vinden en Papa er bij dat is 8.—Zijn er van uw kinderen 3 gestorven?”

„Ja, Ida; ik heb bij mijn eigen kinderen ook 'n Ideletta gehad, die werd 20 jaar en stierf aan typheuse koorts met longaandoening; 'n Jacob, die op 14-jarigen leeftijd aan hersenziekte overleed, en een Willem die een jaar ouder was dan je Papa; hij werd maar 11 weken en bleef in een stuip. De Heer had je Grootpapa nog gespaard; ik behoefde zoo zeer zijn steun bij elk dier sterfgevallen.”

De oude mevrouw zweeg lang, zoodat Ida begon te vreezen, dat zij door haar nieuwsgierigheid haar goede grootmoeder smart had aangedaan; zij keek bedrukt van haar werk op en staarde in de grillige vlam van het turfvuur in den wijden schoorsteen.

„Kind, waar peins je over? Gustaaf is verdiept in zijn courant, waarvan hij al het nieuws voor zich houdt; en jij, praatgraag, zegt niets.”

„Grootmama, ik dacht, dat ik u verdriet had gedaan met mijn vragen, het zou mij werkelijk spijten.”

„Neen, kindlief! mijn overleden man en kinderen vergeet ik nooit en mis ik nog altijd, doch ze zijn in den Heer ontslapen en dat troost mij.”

„'t Moet toch vreeselijk akelig wezen om dood te gaan, denkt u ook niet?”

„Je Hollandsche juffrouw zou zeker zeggen: „Ida, Ida, je moest zeggen: Dunkt het u ook niet? En is dat nette taal doodgaan?”” vroeg Gustaaf, die zijn courant neergelegd had.

„Guus! ik ben hier niet in de leerkamer, gelukkig niet! Die Hollandsche lessen zijn wel de prettigste; maar onmogelijk kan ik altijd op mijn woorden letten.”

„Zou je graag nagewezen worden voor slecht Fransch, leelijk Engelsch, onnauwkeurig gesproken Duitsch, petekind?”

„O, neen, Grootmama, maar Hollandsch hoeft zoo mooi niet.”

„'t Is goed, dat H. M. je niet hoort, meisje! Die vindt het bepaald noodig, dat Nederlanders hun taal goed spreken; ik wou dat je al uitgingt en je Mama je aan het hof liet voorstellen, dan zou je eens hooren, niet alleen die lieve stem der Koningin, maar ook hoe zuiver Zij onze mooie moedertaal uitspreekt. Heeren zijn soms in de gelegenheid H. M. bij officiëele gelegenheden een toespraak te hooren houden. Zij roemen de Koningin altijd, omdat Zij zoo duidelijk en van pas spreekt; gelukwenschen en aanspraken degelijk beantwoordt; de Koningin kan vooraf niet bedenken wat Zij zeggen zal, want wie vertelt Haar wat de betrokken burgemeester, president enz. te berde zal brengen; neen, Ida, ge moet het Nederlandsch liefhebben en daarom eeren en goed spreken.”

„Grootmama, u spreekt naar mijn hart, wij, studenten, hebben een reciteer- en declameerclub met het doel goed en voor de vuist ons over allerlei uit te drukken; en om u te plezieren, wil ik er wel bijvoegen, dat ik mijn best doe de platte taal, die velen tegenwoordig mooi vinden, te weren.”

Grootmama zag haar oudsten kleinzoon zeer tevreden aan en drukte even zijn stevige hand, die hij haar zoo gul toestak; daarop wendde ze zich weer tot Ida en zei: „Als je nu belooft nooit meer zoo gering van onze taal te spreken, dan mag je morgen iets zien, dat H.M. gaat gebruiken. God geve het naar ons wenschen en bidden,” voegde de oude dame er bij.—

„Iets dat de Koningin gaat gebruiken, wat bedoelt u, Grootmama?”

De blik van verstandhouding met Gustaaf gewisseld, ontging het jonge meisje niet; toen de oude mevrouw antwoordde: „Waarin zal de Prins of Prinses over dag rusten? Immers in de Haagsche kamerwieg, meisjelief, die mag je morgen gaan zien.”

„Wat, Grootmama! Ik? Dat kan immers niet, ik heb er niet aan bijgedragen. We wonen niet in Zuid-Holland. Mag ik heusch?”

„Ja, heusch! Hoe het kan is mijn geheim, je mama en Gustaaf hebben dit geheimpje ook goed bewaard, dat merk ik wel.—Nu, Gustaaf was geen zoon van mijn Hendrik, als hij niet zwijgen kon.”

„Heerlijk, eenig, verrukkelijk!” jubelde Ida, die even opsprong en Grootmama eens pakte, op gevaar af den ouden, mageren hals pijn te doen. „Welk een genotje! hoe lief van u bedacht; u is toch een echte grootmama! dat zeg ik maar!”

„Het is goed, dat ik niet alle dagen voor een verrassing van een echte grootmama omhelsd word;” zeide Mevrouw, terwijl ze de kanten slippen harer muts terecht schikte.

„Ik wou u geen pijn doen, maar 't komt zoo onverwacht, 't is de eerste wieg, die aangeboden wordt. Ik zal morgen dadelijk naar huis schrijven, dan weten ze het nog vóór de courant komt.”

Ida was zoo goed als haar woord.

DEN HAAG, 3 April '09.

Lieve Lize en Dora.

Jullie dacht niet, als ik maar 4 dagen wegbleef toch een brief van mij te krijgen, maar ik wil je gauw vertellen wat ik van middag gezien heb. Raden kan het niemand.—De kamerwieg van den Haag en Zuid-Holland (behalve Rotterdam)! Eerst dacht ik er staat niets dan ragfijne kant; maar ik lette goed op en luisterde naar de freule, die uitleg gaf.—

De eigenlijke wieg is van zeer mooi mandenwerk, van buiten en van binnen versierd met een kanten strook, over de kap zitten kanten strooken en ook langs de gordijntjes. De sprei, heeft middenin een koninklijke kroon, is van duchesse applicatie op licht blauw fluweelen ondergrond, om de fijnheid. De randen der kanten vertoonen oranjebloesems met oranjeappeltjes. De motieven voor dit mooie kantwerk zijn naar een oude Argenton kant door Jhr. E. H. van Loon, den voorzitter der kantwerkstersschool, daarvoor geleend. Tesselschade (niet de echte, dat weet jelui wel!) borduurde in beelderig, dicht Fransch werk de lakentjes en sloopjes en de wit satijnen deken. Alles is opgemaakt door: „Arbeid Adelt.” Onder al dit moois staat een voetstuk van opengewerkt hout, met vergulde, bronzen bas-reliefs. Het voor- en achterstuk (die zijn maar kort) vertoonen vóór, spelende kinderfiguurtjes en achter, de koninklijke kroon; dit heele onderstel is wit gelakt, versierd met beeldhouwwerk, dat men met poedergoud verguld heeft.

Het is eenig mooi en alles zoo rijk en toch zoo luchtig en sierlijk; ik hoop maar, dat de Amsterdamsche wieg net zoo, liefst nòg fraaier wordt, als dit mogelijk is.

De Koningin zal wel heel vroolijk kijken. Het heerlijkste zal toch wel wezen, als zoo'n lief, rose kindje daar tusschen die mooie lakentjes, op dat lieve kussentje ligt te slapen, misschien steekt het wel eens, net als Dora deed, op een keertje een blootgewoeld voetje tusschen de dekentjes uit. Zou jullie niet graag eens in die kinderkamer met al dat moois gaan kijken? Ik wel, dolgraag; maar dat is alleen een genotje voor de hofdames.

Nu, gegroet! veel liefs aan Papa en Mama en jullie allen van Grootmama en van mij; tot overmorgen! Dan kom ik weer meê zuchten en brommen over al de lessen.

O ja! mijn beleefde groete aan Mademoiselle.

Je zus Ida.

„Mevrouw, de kastenmaker,” aldus diende Anton den knappen schrijnwerker aan, die sedert verscheidene jaren de familie bediende. Tot schrik van Mademoiselle, tot blijdschap van het drietal, moest Mevrouw met Gladschaaf in de leerkamer raadplegen over een ouderwetsche kast daar; en Mevrouw kwam niet alleen, ook een familielid, uit Engeland overgekomen, verlangde over zulk een pronkstuk te worden ingelicht.

„Zulk werk wordt niet meer vervaardigd, is het wel?” vroeg laatstgenoemde.

„Neem mij niet kwalijk, Mevrouw, als de dames er het geld voor over hebben, dan kunt u tegenwoordig nog veel schooner stukken van werkmanskunst bekomen. De werktuigen en gereedschappen zijn veel verbeterd en de schrijnwerker, die zijn vak verstaat en er pleizier in heeft, kan door tijdschriften en afbeeldingen zich op elken stijl, dien hij verkiest, toeleggen; maar daar de levenswijs duurder is en de loonen hooger zijn, moet er voor mooi en degelijk werk meer betaald worden, dan vroeger. Ik ben blij over het mooie ontwerp voor de Amsterdamsche wieg en wat ik van de Friesche kast las, deed mij watertanden om ook mijn krachten aan zoo'n bewijs van Nederlandsche vindingrijkheid te beproeven. Als u er mij een bestelt, zult u in Engeland er om benijd worden, Mevrouw!”

De Engelsche dame, die veel in haar grootouders vaderland vertoefde, verstond alles wat Gladschaaf zeide en vroeg hem nu haar iets te vertellen, over de meubelen, die H. M. voor de kinderkamer reeds ontvangen had of die bijna gereed waren. Dat niet alleen haar ooren, maar ook die der meisjes gretig toeluisterden, dat zelfs Mademoiselle aandachtig den jongen man aanzag, bevreemdde Mevrouw niet; want met vuur ging hij voort:

„Mevrouw, door mijn bekendheid met vele patroons ben ik in de gelegenheid u op de hoogte te brengen. In den Bosch zag ik een kinderkast, uit rozenhout, geheel vervaardigd naar de afmetingen, welke men ingewonnen had. Ze is een modelstuk, stijl Lodewijk XVI. Ze doet den vervaardiger, Dirks, alle eer aan. De kleedtafel uit Gelderland met zilver beslag, die H. M. vooruit beloofde te zullen aanvaarden, steekt niets af bij de kinderkleedtafel uit de provincie en stad Utrecht; deze is van Cubaansch mahoniehout en in wit ivoor geschilderd.

De jongejuffrouwen zullen het wel aardig vinden, dat „Arbeid adelt” een matrasje er bijvoegde voor de kleedtafel met een doos sloopjes. Het waschgerei is van zilver: spons- en zeepdoos, kom en kan alles met parelrandjes afgezet. H. M. roemde van al de voorwerpen de fraaie en welgeslaagde uitvoering als proefstukken van Utrechts nijverheid.—Doch Mevrouw ik zou u te lang ophouden, als ik zoo voortging; zal ik de kastdeur morgenmiddag komen uitnemen? Hier kan ik die herstelling niet verrichten, zal ze goed wezen.”

„Wat krijgt de Koningin veel geschenken, vinden jullie het ook niet,” riep Dora, na het vertrek van Gladschaaf. „O, hij heeft er geen tiende part genoeg van verteld, alle avonden staan de couranten vol over aangeboden of ten toon gestelde huldeblijken,” zei Lize.

„Mademoiselle, we gaan onze wieg toch allemaal zien, niet waar?”

„Onze wieg, wou je er soms ook eens in Dora?” spotte Ida.

„Och, kom; de wieg van Amsterdam is onze wieg en die wordt de mooiste en dat is maar goed ook, want Amsterdam is Amsterdam!”

Mademoiselle en de zusjes lachten allen even hartelijk over die redeneering der kleine meid; deze, door die vroolijkheid niets uit het veld geslagen, ging voort: „Het is heerlijk, zegt de Hollandsche juffrouw, dat het heele land blij is met de Koningin, want zoo'n kindje is er nog nooit in ons lief Oranjehuis geweest.”

„Maar Dora, zoo kan de juffrouw dit niet gezegd hebben!”

„Maar ze meende het wel zoo, niet waar Mademoiselle? U hoorde het toch ook.”

De aangesprokene achtte het beter hier niet op in te gaan en zette ieder weder aan het werk.

„Zeg, Doraatje! weet je dat het kindje kleine meubeltjes krijgt? Apeldoorn geeft ze; kastje, tafeltje, stoeltjes alles wit gelakt en met gebattikte kussentjes, wat zal het lief staan. Ze zijn allemaal klaar en blijven op Apeldoorn, maar een photographie er van met een oorkonde is aan de Koningin gezonden.”

„Wat moet het oor van de Koningin met die photographie doen, Jetje?” Allen proestten het uit; de lachbui bedaard, legde Mevrouw het haar kleine meid dus uit. „Een oorkonde is een zeer fraai geschreven brief, waarin staat aan wie men dit bijzonder geschenk geeft en waarom men dit doet en wie de gevers zijn; een konde is een bekendmaking, die het oor moet hooren, vat je het Dora?”—„Ja, Mama.”

„Wel Coosje, ge moet eens vlug den kleinen koffer pakken, en met Mientje een dag of 8 naar Middelburg gaan,” zoo sprekende zette Gladschaaf zich aan het middagmaal.

Met haar oogen in stomme verbazing op haar man gericht, liet zijn Coosje de schaal dicht, waarvan ze juist den dekselknop in haar hand vatte. „Wat zeg je, Ferdinand? Ik moet 8 dagen op reis met Mientje?—En jij dan? Wie zal voor jou zorgen? Wie de klanten te woord staan als je bij de dames verslag uitbrengt over de huldeblijken? Ik naar Middelburg, zoo in eens maar; wat moet ik daar doen?”

„Wat je daar doen moet? Wel gaan zien af de Zeeuwsche wagenmaker naar je genoegen gewerkt heeft voor H. M.; je wordt er nog wel per briefkaart voor uitgenoodigd.”

„Nu begrijp ik er heelemaal geen woord meer van, een uitnoodiging van een wagenmaker uit Zeeland; ik ken er geeneen, dat ik weet.”

„Luister dan: Hierbij wordt u, juffrouw Gladschaaf geb. den Blaauwe, uitgenoodigd den kinderwagen, het huldeblijk der Zeeuwsche vrouwen voor H. M. bij gelegenheid der blijde gebeurtenis den zooveelsten ..... te Middelburg daar en daar te komen bezichtigen.”

„Waar staat dat allemaal op, Fer?”

„Op deze kaart, die ik je daar voorlees, als antwoord op je postwissel van 3 Februari.”

„Ik zou een postwissel naar Middelburg gestuurd hebben, neen, man! dat is niet waar.”

„Man en vrouw is één; is het dan niet goed, als de man, wetende dat zijn vrouwtje in hart en nieren een Zeeuwsche blijft, tijdig zorgt, dat namens haar een postwissel voor dit schoone doel inkwam?”—

Dat 't vroegere Walchersche boerinnetje opsprong, haar man eens kuste, dat het klonk, spreekt van zelf; niet minder dat zij ooren naar dit reisje had; ze vernam nu hoe haar jongste schoonzuster reeds beloofde, haar plaats in dien tijd zooveel mogelijk te vervullen.

„Krijg ik nu nog wat op mijn bord, vrouwtje?” vroeg Ferdinand, toen Coosje, nog vol gedachten, weer op haar plaats zat.

„Zeker, man, maar het is haast te mooi om te gelooven, en Mientje is pas 4 en mag zoo ver op reis!”—

„Ja, ja! ze begint vroeg; maar het is uit liefde voor Oranje, vergeet dit niet; die liefde is jou toch aangeboren? Alle Veersche menschen zijn Oranjeklanten niet waar? En dat wil wat zeggen, al de inwoners van zoo'n groote stad!”

Coosje hief haar vinger op met de woorden: „Wat ben je weer aan het plagen!” maar keek toch even blij en ging na het eten eens gauw alles bij haar schoonouders bespreken.

„Wel vader, las u in de courant, dat de Times eens goed vond ons geluk te wenschen, nu we een troonopvolger mogen verwachten?”—vroeg Ferdinand op een avond.

„Neen, jongen. Wat reden had die Londensche krant daarvoor?”

„De Times telde op, dat er 36 pretendenten (hoe gek hè?) of rechthebbenden, (al even dwaas!) voor den Nederlandschen troon zijn; en dan gaat het blad niet verder terug dan tot Prinses Carolina, de dochter van Willem V.”

„God geve ons een Prins of Prinses, dat bid ik alle dagen,” zei moeder Gladschaaf; „en make,” ging zij voort, „Koningin Wilhelmina een even verstandige moeder als Koningin Emma was.—Want uitstekend is de Koningin opgevoed, dat zeggen alle menschen, die het weten kunnen. Denk eens Koningin Emma kwam even als Coosje en onze meisjes uit een groot gezin, en huwde een Vorst, 41 jaar ouder dan Zij. Koningin Emma moest zich geven en tevens inleven in vreemde toestanden in een ander land aan een Haar onbekend hof; en toen ons dierbaar Prinsesje geboren werd, viel de belangrijke taak Harer opvoeding zeker niet gemakkelijker, omdat Z. M. toen nog een volwassen zoon bezat, den 2en Prins van Oranje, Alexander; maar een dochterken had de Koning nooit gehad; een oud man, die grootvader kon wezen, bemint zoo'n lief poppetje meer en heel anders dan een jeugdig vader doet; toch voedde Koningin Emma Haar eenig Kind, vergeet het niet, Haar Eenige! voortreffelijk op.

Daarbij wijdde Zij zich aan de verzorging des Konings, die na Mei '87 het Loo niet meer verliet. Koningin Emma gaf zich zoo, dat H. M. een kamerheer zond, toen Prinses Helena van Waldeck-Pyrmont, Haar doorluchtige Moeder zwaar krank lag, want H. M. kon den Koning niet verlaten. Prinses Helena overleed en ook ter begrafenis liet Koningin Emma zich vertegenwoordigen.”

„O vader,” riep Coosje, „dat is net als in 't mooie lied: Van een Koningsvrouwe.”

„Ja, ja,” riep Margreet, „zing jij, dan speel ik.” Ze liep naar het orgel, Marie zocht fluks het stuk op, en Vader en Moeder hoorden met innig genot deze onverwachte uitvoering aan.

Die oude grijze Koning, hij werd zoo mat, hij werd zoo krank; Aan 't leger lachte het dochterkijn, en de Vrouwe, Zij reikte Hem medicijn, Veel dagen en maanden lank. Doe stierf de grijze koning, 't was bij zijn open graf, Dat met een kus de Vorstenvrouwe Den schepter van goud, omfloersd van rouwe Aan het blozende dochterkijn gaf. Het dochterken gaf den gouden, den zwaren schepter haar weer. „Och Moeder,” (zei ze) „dat gij hem bewaar! Voor ik groot zal zijn komt nog zoo menig jaar, Ik ben nog zoo jong en zoo teer.” Doe heerschte die Koninginne, al over het land bij de zee; En het zeevolk zingt: „Ja, dat blonde kind Het wordt er zoo vurig van ons bemind, Maar wij minnen de Koningsvrouw meê. Wij zweren dat blonde Koningskind de trouwe in vreugde en in smart, Maar de bruid uit het land, waar de bergen zijn, Die Koningsvrouwe zoo fier en zoo rein, Zij heeft er gevangen ons hart!—”

DE JULIANABRON, op den Dam te Amsterdam.--(Bij gelegenheid van het _eerste_ bezoek van Prinses Juliana.)
DE JULIANABRON, op den Dam te Amsterdam.--(Bij gelegenheid van het _eerste_ bezoek van Prinses Juliana.)

DE JULIANABRON, op den Dam te Amsterdam. (Bij gelegenheid van het eerste bezoek van Prinses Juliana.)

Coosje met haar zuivere stem had met haar gansche hart uit volle borst gezongen.

En nadat het drietal nog eenmaal het fraaie lied van Boele van Hensbroek1) nu ook met het eerste vers gezongen hadden vroeg de grootvader:

„Weet jullie het nog, kinderen, hoe op 31 Augustus 1898, wijlen Ds. W. H. Gispen in den dankstond zeide: „Huis en goed zijn een erve der vaderen, maar een verstandige vrouw is van den Heere; en die verstandige vrouwe bleek onze Koningin Emma, voor wijlen Z. M. Koning Willem III en nu reeds bijna 8 jaar lang voor heel ons land!””

„O, ja, vader! ik weet 't nog best, de tekst was,....” ging Marie voort.

„Kinderen!” viel de moeder in, „Moge Koningin Emma een zeer blijde toekomst tegengaan, wanneer haar lief eenig kind Moederweelde mag smaken!”

En Coosje toog met haar dochtertje naar Middelburg; bij het zien van den wagen2) riep de kleine meid, op moeders arm gezeten: „Moesje waar is 't Pinsesje?”—„Dat is nog te klein om in een wagen te zitten, liefje,” zei een dame die het hoorde.

Op de thuisreis miste Coosje haar aansluitenden trein te Rotterdam, doch terwijl ze zich beklaagt en den stationschef vraagt, wanneer zij nu moet vertrekken en hoe laat ze dan thuis kan komen, ziet zij een harer tantes op haar toestappen met een: „Wel, wel! (op zijn Zeeuwsch bel, bel!) hoe kom jij hier, kind?”

Die vraag is spoedig beantwoord; Tante stelt nu voor naar Coosjes huis te telegrafeeren, dat zij tot morgenmiddag in Rotterdam blijft, dan ziet ze Oom en de neven en nichten ook weer eens. Zoo gezegd, zoo gedaan.

Onder den maaltijd liep het gesprek over niets anders dan over Zeeland, Zeeuwsche bloedverwanten en .... den Zeeuwschen kinderwagen.

„Coosje, het is jammer, dat je gisterenmorgen niet hier waart, toen was het Rotterdamsche kinderservies te zien. Vader had je wel een kijkkaartje bezorgd. O, het is zoo mooi!”

„Is het dan al klaar?”

„Ja, al verzonden. Met het blad mee 10 stuks alles gedreven mat zilver, werk van den bekenden kunstenaar Zwollo, het versiermotief is een oranjetak met massief gouden appeltjes; aan de achterzijde het wapen der stad en: „Aan H. M. Koningin Wilhelmina aangeboden door de vrouwen van Rotterdam April 1909.” Het sluitornament is een oude munt met de spreuk „Orange fleurira.”—Het wordt geborgen in een doos van onderscheidene kostbare Indische houtsoorten vervaardigd. De Industrieschool zorgde voor 12 keurig bewerkte witte servetjes en Tesselschade gaf een dozijn, versierd met borduurwerk, voorstellende de kleederdrachten.”

„Weet jullie nog, welke stuks het servies vormen?”

„Ten naastenbij wel: Melkkan, beker, plat- en diepbord, servetring, vork, lepel en nog...... ik meen een opscheplepel of eetschepje.”

„Gunst, wat zal dat alles schitteren, als het op tafel staat!”

„Ja, Coosje, maar je moet denken bij de Koningin is alles nog prachtiger dan bij de rijke lui.”

Coosje genoot volop van haar Zeeuwsche familie dien avond te Rotterdam; en kwam goed op tijd aan het station en bereikte Amsterdam, toen juist haar oudste schoonzuster ook uit den trein stapte.

„Wel Margreet hebben we samen gereisd? hoe jammer dat ik je niet zag; waar ben je ingestapt?”

„Te Haarlem, ik heb niet naar je uitgezien, want je zoudt gisteren thuiskomen. Ik ben een weekje naar Haarlem geweest bij mijn peettante ook om het papstel voor het Koningskind te gaan zien. Ten Boom heeft het vervaardigd en H. M. heeft in Haar bedankbrief dit voortbrengsel der Haarlemsche kunstnijverheid zeer geroemd.”

Honderde menschen, beter gezegd: dames, kinderen, jonge meisjes, vrouwen van allerlei stand en leeftijd stroomden uren lang door de Doelenstraat en verdwenen in en verschenen weer uit de veilingzalen van Frederik Muller, om haar huldeblijk voor H. M. te gaan zien en, hoe kon het anders? te bewonderen.

Daar stond dan de Amsterdamsche wieg! Hoevelen sloegen met innige bewondering haar gade! Ja liefdevolle blikken zag men, van haar, die zich voorstelden hoe koninklijk de lieve kleine, met zooveel vreugde verbeid, daarin rusten zou. Menige zucht ontglipte aan deze en gene moeder, die aan haar eigen thans ledige wieg dacht, en die zucht vertolkte zich in een bede, dat God de Heere H. M. een welgeschapen, gezond kindeken mocht geven en laten behouden.

Koninklijk zal de Prins of Prinses rusten tusschen die plooien van het crème-zijden behangsel, vastgehouden door een vergulden, metalen vogel, wiens snavel een edelgesteente draagt; en die vogel vormt de bekroning van een helmvormig, fraai bewerkt hemeltje. Eer een jaar voorbijgegaan is gluren een paar lieve kinderoogjes, naar we hopen, op de wit en geel zijden borduursels der voering van het overkleed; daarin waakt zinnebeeldig reeds de Nederlandsche leeuw, in gezelschap van lonkende, flonkerende sterren over de daartusschen gevoegde oranjeappeltjes, en het gebed en de liefde van Neêrlands volk smeekt God om bescherming van het telgje, aan het Koninklijk gezin en onze natie geschonken.

Zes zuiltjes, door een kruis verbonden, schragen den korf, fraai ciseleerwerk versiert èn zuiltjes èn metalen banden van den korf. Geheel opengewerkt, versierd met gedreven metaal, zijn de openingen tusschen de verticale paneeltjes, gevoerd met grijs fluweel, geborduurd met goud, alles in overeenstemming met snij-, ciseleer- en drijfwerk. Met fraai bewerkte kant is de binnenzijde der voering omzoomd.

Nog heel wat zinnebeelden, behalve de aanwezigheid van den geborduurden Nederlandschen leeuw, zijn aan die wieg te vinden. Van rozehout is ze, afkomstig uit Suriname, dus reeds heeft West-Indië een product voor den Vorstentelg geleverd. En van dat rozehout is een kruis gevormd, onwillekeurig lispelt de mond:

„Een kruis met rozen Is 't menschenlot. Is 't rijke leven Uw gave, o God.”

Ja, het kruis zal ook Prins of Prinses niet gespaard worden; geve God slechts daarbij het geloof in den Gekruiste, Die alleen het kruis ter verzoening torschte, in Wien zoo menige Prins en Prinses uit het Huis van Oranje-Nassau geloofde en voor Wien hun heldenbloed vloeide!—

Zes zuiltjes dragen den korf, moge liefde tot God en het ons van Hem geschonken vorstenhuis steeds een der zuilen van ons volksbestaan zijn; dan zullen liefde tot den naaste tot recht en gerechtigheid, weldadigheid en moed ook hechte stutten blijken van den troon, gelijk de wijze Salomo reeds schreef: „Een koning houdt het land staande door het recht.” „En door weldadigheid ondersteunt hij zijnen troon.”

Te lang reeds mijmerden wij bij die vorstelijke wieg, welke op 5 April door de werklieden van „De Ploeg” naar 's Gravenhage werd gebracht; keeren wij thans naar onze vrienden in Amsterdam terug.

„Wel Dora, hoe vindt je nu onze wieg?” zei haar Papa; „zou je nog altijd graag op eens een klein kindje in huis willen vinden, om dit dan in zoo'n wieg te leggen?”

„Neen, Papa! dat kan niet, dat mag niet; zulk een wieg, met zooveel moois, hoort alleen in een paleis, bij een koningin!”

„Knap gesproken kleintje!” viel Gustaaf in. „Doch daar is Anton met de brieven. Wat 'n dikke, Jet, voor jou, natuurlijk uit Friesland; als je mij hem niet lezen laat, krijg je hem niet;” plaagde Jan.

„Ik zal er je wat uit voorlezen als je hem mij gauw geeft; maar gauw dan, zeg ik je.”

„Wat een gevaarlijke belofte doe je daar, kind.”

„Och, Papa....”

„Zie zoo! daar heb je hem, vlug openmaken en voorlezen óók, je hebt het beloofd.”

„Wat er uit, heb ik gezegd.”

„Neen, neen, den heelen brief,” riepen de drie zoons.

„Foei, Gustaaf, wees zoo flauw niet om met de kleintjes meê te doen; ik heb gezegd: ik zal er je wat uit voorlezen.”

„Dat is waar jongens, laat Jetje nu met rust;” zei mijnheer, want Jan en Louis trachtten zich van Jets brief meester te maken.

„O, de kast is klaar en net als Gladschaaf vertelde, ze is een pronkstuk van houtsnijkunst.

Jammer dat nicht reeds naar Engeland vertrok, dan had ze deze kunnen bewonderen. Een Makkummer stel, van het mooiste soort, staat er op; en Dora, hoor eens, in de binnenkastjes is zilver kinderspeelgoed. Ook is er in een zilveren koker, rijk bewerkt en met Frieslands wapen gesierd, een baby-boek.”

„Een baby-boek? Jet, zoo'n heel klein boekje als in de kast van mijn poppenhuis?”

„Neen, Dora het is een mooi gebonden schrijfboek, waarin de Koningin alles op kan schrijven over het kleintje.”

„Weet u wat er in zal staan, Mama? heeft u ook zulke boeken over ons?”

„Neen, die heb ik niet; maar de Koningin zal er zeker inschrijven op welken dag 't kindje geboren werd en gedoopt is; hoe het kindje er uit ziet, op wie het lijkt, naar wie het heet; wanneer het tandjes krijgt, gaat kruipen, loopen, praten en zoo al meer.”

„Hoe dolletjes! Als het kindje dan groot is en lezen leert, mag 't zeker wel de poppen er uit voorlezen, hè Mama?”

„Als 't kindje een prinsesje is, kan het wel gebeuren,” antwoordde haar vader. „Waarheen wordt de kast verzonden, Jetje? Naar het Loo of naar 't Noord-Einde?”

„Sjoerd meldt het niet Papa, maar o, daar staat weer iets heel bijzonders in zijn brief. Een zeker heer W. H. te Harlingen vond, dat deze dagen zeker een gepaste gelegenheid gaven om H. M. een bokaal aan te bieden, sedert ruim een eeuw in zijn familie. Die bokaal behoorde eenmaal tot de rariteitenkamer van Prins Willem V. Na zijn overlijden te Brunswijk, in 1806, zag de Prinses-Weduwe zich genoodzaakt vele dier rariteiten te verkoopen uit geldgebrek. H. M. zal volgaarne dit zeldzame huldeblijk, waarop de huidige eigenaar toch zeer gesteld is, aanvaarden, heeft de particuliere secretaris geschreven.”

„Dat is veel belangwekkender, dan je opgaaf van leerlingen en werkuren der Haagsche wieg, Ida! Je zult ze wel niet meer weten!”

„Ik weet ze nog opperbest: Alleen betreft het de kanten, 34 leerlingen werkten 12000 uren; maar dit is een aandoenlijke mededeeling, vind ik.”

„Als Dora nog klein was, zou ze weer zeggen: „Ik krijg er de huil van in mijn keel!” Niet waar,” vroeg Jan.

„Die huil daargelaten, is het waarlijk zeer treffend zoo iets te vernemen. Over de ellende en rampen, die ons volk troffen in dien droeven Franschen tijd, weet iedereen wat en soms uit ondervinding, in de familie, niet waar, Papa? maar wie vraagt zich af: Wat hebben de Oranjes toen geleden?” merkte Gustaaf op.

Bij de Gladschaafs besprak de jongste dochter hetzelfde onderwerp door haar in de courant gevonden.—„Op onze les moesten we onlangs een persoonsvergelijking lezen over Willem V en Lodewijk XVI. Hier is nu weer één trek, die bewijst hoe moeielijk het gaat zulke vergelijkingen te maken. De voorgangers van den beklagenswaardigen Lodewijk XVI dachten er slechts aan hun genot- en praalzucht te bevredigen, hun toomelooze heerschzucht bot te vieren en daarvoor hun volk uit te mergelen; daarmeê vormt de goedigheid en de liefde tot zijn volk van den rampspoedigen Lodewijk XVI een scherpe tegenstelling en met innig medelijden denken we aan het lijden van hem en de zijnen in de Tempel-gevangenis. Maar hoe geheel anders is het uitwijken van Willem V. Opdat er om zijnentwil geen bloed zou vloeien, gaat hij met de zijnen de jammeren van de ballingschap gewillig tegen. En hoe zelfopofferend en onbaatzuchtig hadden zijn voorgangers en zijn voorvaderen gehandeld!—En van die 18 jaren, waarin dat gezin van vorstelijke personen velerlei kommer leerde kennen, weten slechts weinigen iets.”

„Marielief, ge zijt in uw gedachten bezig met een brief aan uw Fransche vriendin, stop nu even en hoor wat ik net lees.—De Koningin-Moeder bracht den geheelen namiddag op 't paleis in 't Noord-Einde door, doch heeft zich gisterenavond weer naar haar eigen paleis begeven.—De menschen, die reeds omstreeks 's Prinsen verjaardag op de verwachte gebeurtenis hoopten, en gisteren bijna den geheelen dag om het Ruiterstandbeeld postvatten, keerden langzamerhand om elf uur 's avonds huiswaarts.

„Wij moeten geduld oefenen, en wie er het naast bij betrokken zijn, nog meer dan wij”—zegt de vader.

„Man, laat ons veel bidden, God moge allen en ons verhooren; Hij alleen kan ook hier uitkomst geven. Moge Hij zijn gunst gebieden!”

„Zoo is het Moeder, ik begreep best, waarover gij dacht, toen ge van nacht niet slapen kondt.”

decoratieve illustratie
decoratieve illustratie
rand
rand
rand
rand
rand
rand
rand
rand
decoratieve illustratie
decoratieve illustratie

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings